maandag 31 december 2012

Het leesjaar 2012

Dit jaar las ik 43 boeken.Dat is iets minder dan vorig jaar, maar in bladzijden zal het weinig schelen omdat er enkele hele dikke bij waren. Het hadden er meer kunnen zijn, maar er waren veel andere zaken die belangrijk waren en ook tijd vroegen. Dit geeft me alvast één goed voornemen voor volgend jaar. Had ik dat vorig jaar ook niet ...

Tegenvallers dit jaar? Ja. Peter Carey's My Life as a Fake en Night Train to Lisbon van Pascal Mercier. Het laatste boek heb ik zelfs niet uitgelezen, voor mij heel ongewoon. Het is dan ook niet in het blog opgenomen.

Ontdekkingen? Ja. Deze zomer heb ik kort achter elkaar drie boeken van Paul Auster gelezen. Ik las eerder twee boeken van hem, maar deze drie boden veel leesplezier. Meer van lezen!

En dan traditioneel de top 5 van het afgelopen jaar (in volgorde van lezen)
* David Mitchell, Cloud Atlas
* David Mitchell, Number9dream
* Hilary Mantel, Bring up the Bodies
* Edmund de Waal, The Hare with Amber Eyes
* David Vann, Dirt

Goede runners-up waren
* Pascal Mercier, Perlmann's Silence
* Eva Rovers, De eeuwigheid verzameld. Helene Kröller-Müller (1869-1939)
* Wim Hazeu, Vestdijk. Een biografie
* Jeroen Brouwers, Restletsels

Nog meer goede voornemens? Ja. Ik ga een schrijver kiezen en daar in 2013 iedere maand een boek van lezen. Ben benieuwd of je zo'n oeuvre dan anders ervaart dan wanneer je, zoals ik nu doe, een schrijver versnipperd over langere tijd leest. Eerst maar eens een schrijver selecteren ...

zondag 30 december 2012

Reve's late jaren

Omstreeks 1980 had Gerard Reve zijn beste jaren als schrijver achter de rug. Romans van betekenis schreef hij niet meer, Moeder en Zoon uit 1981 is de laatste die nog enigszins de moeite waard is. De brievenboeken, met als hoogtepunten Brieven aan Josine M. (1981) en Brieven aan geschoolde arbeiders (1985), vormen de kern van zijn latere oeuvre. Maar die bundelingen bevatten vrijwel uitsluitend ouder materiaal. Als schrijver was hij opgedroogd, de creativiteit was verdwenen.  Op zijn best herhaalde hij zichzelf.
In het laatste deel van zijn omvangrijke biografie Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 3. De late jaren 1975-2006 maakt Nop Maas inzichtelijk hoe Reve worstelde met die situatie. Het schrijven ging moeizaam. Inspiratie had hij slechts zelden. Hij was vaak onzeker over de kwaliteit van zijn teksten. Zijn privéleven verliep chaotisch. De relatie met zijn vriend Joop Schafthuizen was een haat-liefde verhouding. Reve genoot van de georganiseerde wijze waarop Schafthuizen het huishouden bestierde, maar kon vaak niet schrijven in diens aanwezigheid en klaagde erover dat Schafthuizen hem geen eigen (werk)ruimte liet. Ruzie, dronken vechtpartijen en korte perioden van scheiding waren het gevolg. Maar ze konden ook niet zonder elkaar.
Ondanks dit getob en de meestal negatieve kritieken op zijn nieuwe werk ging het Reve in financieel opzicht beter dan vroeger. Zijn bestaande oeuvre werd geregeld herdrukt, filmrechten wist hij slim te verkopen en Schafthuizen haalde Reve ertoe over om via veilingen manuscripten en brieven te gelde te maken. Ze woonden een groot deel van het jaar in Frankrijk, afgewisseld met perioden in Schiedam en in Harwich, in een huisje dat Reve in een opwelling kocht. In 1993 vestigden ze zich in het Belgische Machelen. Eind jaren negentig openbaarden zich bij Reve de eerste verschijnselen van dementie, in 2006 overleed hij in een verpleeginrichting.
Treurigheid troef, dat was mijn gevoel bij het lezen van dit deel van de biografie. Stuurloos, richtingloos, het leven als een grotendeels zinloze en vreugdeloze exercitie. Een beetje het gevoel dat het lezen van De avonden oproept. Maar omdat Nop Maas het leven van Reve uitvoerig vastlegt - de complete biografie omvat bijna 2.300 bladzijden - is er ook veel vermakelijks te lezen. Het gemarchandeer met de uitgevers was voor mij een hoogtepunt. Reve was nooit een honkvaste auteur, maar in deze periode speelde hij ze allemaal tegen elkaar uit. Zijn brieven aan Geert van Oorschot zijn meesterlijk. Het vilein druipt er vanaf.

vrijdag 28 december 2012

Dood in Venetië

Een eeuw geleden schreef de jonge Thomas Mann een van zijn beroemdste novellen: Dood in Venetië.Het is het verhaal van Gustav von Aschenbach, een schrijver die naar Venetië reist op zoek naar inspiratie. In het chique hotel aan het Lido waar hij logeert wemelt het van de gasten uit Noordeuropa. Daaronder bevindt zich een Poolse familie met een ongeveer twaalfjarige zoon, Tadzio. Von Aschenbach voelt zich tot deze engel-achtige jongen aangetrokken. Een passie die zich al snel ontwikkelt tot een obsessie. Hij spreekt de jongen niet aan, legt geen contact met hem, maar wil hem geen moment uit het oog verliezen. Dan breekt in het broeierig warme Venetië een cholera-epidemie uit. De Duitse en Engelse toeristen die dit in hun kranten lezen verlaten de stad. Von Aschenbach blijft achter, hij kan niet zonder Tadzio. Dat wordt zijn dood.
Zo samengevat lijkt de verhaallijn vrij banaal. Maar voor Mann is het verhaal vooral een kapstok om te filosoferen over het kunstenaarschap, over schoonheid. Om een kunstwerk te scheppen is discipline en tucht nodig, maar evengoed hartstocht en emotie. Dit spiegelt zich in het gedrag van Von Aschenbach. Hij raakt langzaamaan in een koortsachtige roes en tegelijkertijd realiseert hij zich dit terdege. Maar hij kan niet anders. De aanbidding van het schone, belichaamt in de jongen,  betekent zo veel voor hem dat hij nuchtere overwegingen terzijde schuift. Hij riskeert zijn leven, gaat daar mee door zelfs wanneer hij bij zichzelf de eerste tekenen van de cholera bemerkt. De sfeer van het halfverzonken Venetië, de vergane glorie, is de ideale setting voor dit verhaal.
Het boek van Mann las ik lang geleden voor het eerst, in het Duits. Ik vond het prachtig. Daarna zag ik de film van Luchino Visconti uit 1971, en vond die haast nog mooier. Bij Visconti is Von Aschenbach componist in plaats van schrijver. De muziek van Gustav Mahler bepaalt in sterke mate de sfeer van de film. En natuurlijk de prachtige vertolking van Von Aschenbach door Dirk Bogarde. Dus toen ik laatst ontdekte dat Henk van Ulsen het boek heeft voorgelezen als luisterboek moest ik dat vanzelfsprekend horen. En dat was een uiterst plezierige ervaring. Van Ulsen kon grandioos voorlezen en had ook de juiste stem voor dit verhaal. Hij leest het wat traag, met een heel verzorgde dictie en een beetje geaffecteerd. Hij was zelf kunstenaar en je hoort als het ware - in ieder geval ik - dat hij geniet van Mann's gefilosofeer over het kunstenaarschap en schoonheid. Perfecte keuze.
Dit boek vormt voor mij opnieuw het bewijs dat een luisterboek, mits goed voorgelezen, als beleving niet onder hoeft te doen voor het lezen van een boek. Integendeel, hier geeft het juist een extra dimensie. Van de verschillende varianten waarin boeken nu bestaan is het e-book eigenlijk het minste: daarbij mis je de geur en het papiergevoel van het echte boek én het geluid van het luisterboek. Voor mij onbegrijpelijk waarom het toch zo succesvol is: gemakzucht?

vrijdag 14 december 2012

Gulliver's Travels

Op mijn tiende verjaardag kreeg ik Gulliver's reizen cadeau. De Nederlandse vertaling van het boek van Jonathan Swift  uit 1726. Ik verslond het boek, vond het prachtig. Ik heb de pocket nog. In mijn streven om af en toe eens iets te herlezen was het ditmaal de beurt aan dit boek. Nu kocht ik de Engelstalige editie, een paperback in de mooie reeks Oxford World's Classiscs. In de boekhandel viel mij al iets op: het boek bevat het verslag van vier reizen, terwijl ik me uit mijn jeugdeditie maar twee reizen herinnerde, die naar het land Lilliput en naar het rijk van de reuzen, Brobdingnag.
De volledige titel van het boek luidt Travels Into Several Remote Nations of the World, in Four Parts. By Lemuel Gulliver, first a Surgeon, then a Captain of Several Ships. De vier reizen gaan achtereenvolgens naar Lilliput (1699-1702), Brobdingnag (1702-1706), Laputa, Balnibarbi, Luggnagg, Glubbdubrib en Japan (1706-1710) en het Land van de Houyhnhnms (1710-1715).
Mijn beeld van het boek is door de herlezing beslist bijgesteld. Wat niet alleen komt omdat ik ditmaal de complete editie heb gelezen, maar ook omdat ik het nu las als volwassene. Het verhaal is bovendien veel meer dan een spannend reisverslag vol haast onvoorstelbare situaties. Er wordt commentaar geleverd op de politieke verhoudingen in Westeuropa, het gaat over rangen en standen, over corruptie en over correct moreel gedrag. Het boek is ook te lezen als een metafoor op de contemporaine vroeg achttiende-eeuwse maatschappij.
De verhalen zitten vol verrassingen. Zo is het land Laputa een vliegend eiland dat zijn vijanden vanuit de lucht bestookt  met stenen - een heel vroeg bombardement. En zijn de Houyhnhnms uit het laatste verhaal paarden die een lagere soort - op mensen gelijkende Yahoos - domineren.  Verfrissend, het boek leest als een klassieker én als science fiction.

donderdag 6 december 2012

Restletsels

Een restletsel is dat wat overblijft van een ziekte of kwaal: je bent genezen maar een klein deel van het probleem is als een chronisch mankement achtergebleven. Bij Jeroen Brouwers weigert in 2010 plots zijn rechterhand elke dienst. Hij noemt het 'dat wat rest aan kwetsuur van een leven lang schrijven'.
In Restletsels, alweer het negende deel van zijn Feuilletons, maakt Brouwers als vanouds korte metten met alles wat hem niet zint: personen met een (te) groot ego, instellingen die in zijn ogen hun subsidie niet waard zijn en literatuurrecensenten die te lui zijn om een boek goed te lezen of dat helder te analyseren. De grootste boosdoeners zijn de Taalunie, de directeur van het Letterkundig Museum, Jan Siebelink en Rudy Kousbroek. Brouwers formuleert soms meedogenloos (Kousbroek, over de Jappenkampen), dan weer spottend (Siebelink, over diens sterrenstatus), oprecht verontwaardigd (Taalunie) of hilarisch (directeur Letterkundig Museum). Steeds scherp en doeltreffend. Zorgvuldig taalgebruik en oprecht argumenteren zijn belangrijk voor hem, het zijn de aspecten waar hij veel boekbesprekers op aanvalt. Natuurlijk laat hij zich soms door emoties verleiden tot bruut verbaal geweld, maar daar wordt het betoog alleen maar mooier van.
De bundel bevat ook essays over schrijvers die hij bewondert. Harry Mulisch is zijn god, sinds de verschijning van Archibald Strohalm heeft hij hem gelezen. De dood van Mulisch in oktober 2010 is aanleiding tot een lange beschouwing. Voor Brouwers zelf komt de dood ook dichterbij. De lichamelijke aftakeling, de twee herseninfarcten die de oorzaak blijken te zijn van de weigerende schrijfhand, het gevoel dat hij zijn oeuvre bijna heeft voltooid: de teksten daarover zijn doortrokken van berusting en weemoed.

zaterdag 1 december 2012

Opium

In 1839 besloot de Chinese keizer dat de import van opium vanuit India niet langer kon worden getolereerd. Talloze Chinezen waren inmiddels verslaafd aan de drug, wat onrust en instabiliteit veroorzaakte. De import was al langer verboden, maar werd tegen betaling van smeergeld tot dan toe oogluikend toegestaan. De invoerhaven was Canton. De opium werd vooral door Engelse en Amerikaanse reders aangevoerd.
In River of Smoke beschrijft Amitav Ghosh de gevolgen voor de handelaren wanneer dit verbod moet worden nageleefd.  Hoofdpersoon is Seth Bahram, een Indiase koopman die al lang in opium handelt. Wanneer hij eind 1838 met zijn schip in Canton arriveert, gonst het al van de geruchten over het mogelijke invoerverbod en is de controle al strenger. Voor Bahram hangt van deze reis veel af. In een poging voorgoed financieel onafhankelijk te worden heeft hij zijn hele eigen vermogen én veel geld van investeerders gebruikt om een enorme hoeveelheid opium te kopen. De verkoop daarvan in China moet hem een rijk man maken. Maar het invoerverbod, dat vanaf maart 1839 door een speciale afgezant van de keizer in Canton wordt gehandhaaft, lijkt dit plan onmogelijk te maken.
Het gaat Ghosh in deze omvangrijke roman om veel meer dan het verhaal van Bahram. Hij heeft uitvoerig historisch onderzoek gedaan en maakt daar gebruik van. Zo beschrijft hij tot in detail het leven in de enclave bij Canton waar de buitenlandse handelaren zijn gevestigd. Ieder land heeft een eigen ommuurde vestiging, waarbinnen het leven zich afspeelt. Vrouwen wonen er niet, tijdens de bals dansen de mannen met elkaar. Nadat het invoerverbod van kracht is geworden en de keizer de handelaren een ultimatum stelt waarbinnen zij al de opium in hun schepen moeten inleveren, ontstaan discussies over vrije handel, de Chinese souvereiniteit en het immorele van handelen in een verslavende drug. De handelaren zien maar één mogelijke uitweg uit de impasse: de komst van een Engelse oorlogsvloot die de Chinezen tot rede moet brengen. Het is 1839, het koloniale tijdperk.
Die liefde voor het detail in de beschrijving van schepen, huizen en interieurs, het inslaan van zijpaden en het uitvoerig beschrijven van de achtergrond van de personages gaven mij af en toe het gevoel dat ik zo'n negentiende-eeuwse roman aan het lezen was waarin ieder detail belangrijk lijkt. Dickens in China, zoiets. Maar dit is een klein bezwaar, het valt weg tegen de vele prachtige scènes en de spannende opbouw van het verhaal. River of Smoke is het tweede deel van een trilogie, waarvan het enkele jaren geleden verschenen Sea of Poppies het eerste deel is.


woensdag 7 november 2012

Prototype

Voor mijn derde korte duikvakantie van dit jaar nam ik opnieuw een boek van David Mitchell mee. In maart las ik Cloud Atlas, in juni Number9dream en ditmaal zijn debuut uit 1999, Ghostwritten. Deze boeken passen voor mijn gevoel uitstekend bij het leven tijdens een duiktrip. Je bent dan de hele dag op zee, waarvan twee of drie keer een uur onder water. Dus echt weg van de gewone dagelijkse wereld. En dat is in deze boeken ook het geval. Mitchell's spel met verleden, heden én toekomst resulteert in verhalen die zich in een andere werkelijkheid lijken af te spelen, een wereld waar de dingen anders verlopen.
Ghostwritten bestaat uit negen episoden. In het eerste verhaal volgen we een van de daders van de gasaanval op de ondergrondse van Tokyo op zijn vlucht naar Okinawa. In de volgende delen gaat het onder meer om: een jonge student in Tokyo die in een winkel voor jazzmuziek werkt; een Engelse jurist in Hong Kong die à la Nick Leeson ongeoorloofde financiële transacties uitvoert en daarmee zijn firma ruïneert; een Chinese vrouw die een theehuisje heeft bij een heilige toeristische attractie; een jongen en meisje die als backpackers door Mongolië trekken; een vrouwelijke suppoost in de Hermitage die samenwerkt met een bende kunstdieven; een schrijver in Londen die als ghostwriter de autobiografieën van beroemdheden schrijft; een vrouwelijke wetenschapper die ontslag neemt bij een Amerikaanse firma wanneer haar uitvindingen op het gebied van kunstmatige intelligentie worden gebruikt voor militaire toepassingen; en een presentator van een nachtelijk radioprogramma in New York.
Iedere episode heeft een heel eigen sfeer. In het verhaal over de Chinese vrouw met haar theehuisje krijg je een indringend beeld van vijftig jaar Chinese geschiedenis. Het verhaal over de kunstdieven in Petersburg is gewoon een gewelddadige thriller. 'Tokyo' lijkt wel een verhaal van Haruki Murakami.
Hoewel de episoden op zich staande verhalen vormen, gaat het Mitchell om het grote geheel. Hij heeft de verhalen op ingenieuze wijze met elkaar verbonden. Soms door een connectie tussen de personages in de verschillende verhalen, soms door toevallige gebeurtenissen, soms door een 'geest' die van persoon naar persoon kan overspringen, in het laatste verhaal door een satelliet die - geavanceerde kunstmatige intelligentie - zelfstandig optreedt wanneer de aarde ten onder dreigt te gaan. Die verbindingen illustreren Mitchell's thema: dat onze levens op meer manieren samenvallen dan wij denken, dat contacten en ontwikkelingen vaak voortkomen uit toevalligheden, dat het lot van een mens afhankelijk is van de loop van de geschiedenis.
Mitchell gebruikte een vergelijkbare structuur en verteltechniek vijf jaar later in Cloud Atlas. Geperfectioneerd en beter in balans. Ghostwritten is achteraf gezien een prototype. Maar voor een debuut wel een boek van een bewonderenswaardige durf en kwaliteit.

zondag 28 oktober 2012

De vierde Guggenheimer

De achterflap van Herman Brusselsmans' nieuwste roman Guggenheimer in de mode biedt de gebruikelijke informatie: dat de auteur een zeer belangrijk schrijver is; dat hij zowel verguisd als verafgood wordt; en ook dat hij al meer dan 60 boeken heeft geschreven. Zo'n hoeveelheid titels is natuurlijk indrukwekkend. Hoewel ... de manier waarop Brusselmans zijn boeken vult betekent dat hij eigenlijk maar één verhaal schrijft dat hij steeds weer herhaalt, met variaties.
Deze keer is de hoofdpersoon Guggenheimer. We kennen hem uit drie eerdere boeken, waarin hij achtereenvolgens televisieproducent, reclameman en uitgever was. Ditmaal gaat hij in de mode. Omdat hij zich ergert aan de fantasieloze manier waarop de vrouwen in Gent zich kleden. Maar voor hij tot actie overgaat, brengt hij de helft van het boek in Guggenheimer-stijl door. Om een alinea te citeren: 'Wat ga ik dan wel doen vandaag? Ik weet het bij god niet. Wat rondlummelen, een tijdje niets doen, een paar uren zinloos stukslaan, de pijp aan Maarten geven, op m'n lamme kloten zitten, de minuten aftellen alsof het seconden zijn ...'. In deze ledigheid is alle ruimte om Guggenheimers gedachten weer te geven. En omdat hij over alles en iedereen een uitgesproken mening heeft, is dit eigenlijk het aardigste onderdeel van het boek. Of het nu Bruine Mannen, homo's, lesbo's, echtparen op leeftijd of invaliden zijn, Guggenheimer neemt geen blad voor de mond. De recensent van De Standaard had het in dit opzicht over 'hersenschokkende onzin'. Een rake typering.
Van die meer dan 60 boeken van Brusselmans heb ik in de loop der jaren zo ongeveer de helft gelezen. En wat mij zelf verbaast is dat ik ook dit boek weer met plezier heb gelezen. Het mag dan nergens over gaan, maar Brusselmans weet met dat 'niets' meesterlijk een boek te vullen. Op naar de volgende.

zaterdag 27 oktober 2012

Lübeck 1938

Julia van Otto de Kat is een sfeervolle roman over een man en een vrouw die elkaar in het Duitsland van 1938 leren kennen, die een heel kort moment van geluk beleven en dan door de omstandigheden voor altijd van elkaar worden gescheiden. Hij is Chris Dudok, de zoon van een Hollandse industrieel die tijdelijk is aangesteld in een machinefabriek in Lübeck in het noorden van Duitsland. Zij is Julia Bender, Duitse en als ingenieur werkzaam in diezelfde fabriek. Hun romance ontluikt tegen de achtergrond van het opkomende nazisme.
Op een avond bezoeken zij beiden, los van elkaar, een toneelvoorstelling waarin de broer van Julia een rol vertolkt. Zowel hij als Julia en Chris verzuimen bewust om de top van de nazipartij, die ook aanwezig is, op de juiste manier te eren wanneer de rest van de zaal dat wel doet. Diezelfde nacht wordt Julia's broer gearresteerd en ontkomt Julia ternauwernood aan de handen van de Gestapo. Chris krijgt van de autoriteiten een waarschuwing. Julia verliest door dit incident haar baan. Chris brengt haar in opdracht van zijn directeur haar ontslagbrief thuis, waar zij hem haar geschiedenis vertelt. Vervolgens duikt zij onder, omdat zij door haar onaangepaste houding wordt aangezien voor een communiste. Later dat jaar, in november 1938, gaat Chris tijdens de Kristallnacht wanhopig op zoek naar Julia. Wanneer hij thuiskomt wacht zij daar op hem. De volgende ochtend bezweert zij hem Duitsland te ontvluchten nu het nog kan en nooit meer contact met haar op te nemen, omdat dit voor hun beider veiligheid het beste is. Chris neemt de eerste trein naar Nederland en zal haar nooit meer zien.
Otto de Kat begint het verhaal op de avond voordat de hoogbejaarde Chris, inmiddels zelf een vermogend industrieel, zelfmoord zal plegen. Gedurende die avond en nacht beleeft Chris het gebeurde én zijn leven daarna opnieuw. En dan blijkt stukje bij beetje dat deze geschiedenis onverwacht complex in elkaar steekt. De Kat is een meester in het oproepen van een sfeer, van weemoed en intense emoties. In een heel nuchter en onderkoeld proza. Dat hij voor dit luisterboek zelf voorleest. Deze roman is een klein juweel!

zondag 21 oktober 2012

Garp 35 jaar later

Bijna 35 jaar na dato heb ik The World According to Garp van John Irving herlezen. In 1978 las ik het in boekvorm, in de afgelopen weken als luisterboek. Indertijd vond ik het een geweldig boek, nu begreep ik vooral waarom ik toen zo enthousiast was. Het verhaal heeft alles wat de meeste lezers zoeken: een hoofdpersoon met wie je gemakkelijk meeleeft, creativiteit, snelheid, onverwachte wendingen en een flinke scheut absurditeit. Het is bovendien de geschiedenis van de ontwikkeling van een schrijver, door Irving zo overtuigend ingevuld dat je ook nog autobiografische elementen vermoedt. Maar ondanks dat veel scènes in het verhaal ontroerend, komisch of spannend zijn, doet het geheel soms wel wat gekunsteld aan. Toch met plezier geluisterd. En nog steeds een van de betere boeken van Irving.

zaterdag 20 oktober 2012

Dirt

Het gebeurt zelden dat ik een boek in één keer wil uitlezen. Maar na twintig bladzijden in Dirt van David Vann bekroop mij dat gevoel. Het verhaal begint vrij normaal. Galen, een jongen van 22 jaar, bewoont met zijn moeder een oude, niet meer in gebruik zijnde walnotenplantage nabij Sacramento, Californië. Zijn vader kent hij niet, zijn moeder beheert een trust waaruit zij zuinig leven. Galen is na zijn middelbare school een jaar thuis gebleven alvorens aan een studie te beginnen, maar die situatie is inmiddels uitgelopen tot vijf jaar. Hij en zijn moeder leven afgezonderd, hebben nauwelijks contact met de buitenwereld. Galens moeder leeft grotendeels in haar eigen fantasiewereld. Galen blijkt al snel trekjes van borderline te vertonen. Hij gedraagt zich onaangepast. Wanneer zijn tante en nichtje op bezoek zijn - die van Galen's moeder tot hun frustratie geen cent krijgen uit de trust - creëert hij conflictsituaties, maakt hij zijn moeder onmogelijk. Hij leest Siddharta, Jonathan Livingstone Seagull (het is 1985), Kahlil Gibran's The Prophet en op gezette tijden Hustler. Hij eet nauwelijks, als hij eet kotst hij dat zo snel mogelijk uit. Het stoffelijke achter zich laten en overgaan in een geestelijke vorm, daar streeft hij naar. We beleven dit verhaal door zijn ogen, bevinden ons gedurende het hele boek in zijn hoofd. Waardoor ik al na twintig bladzijden begreep dat hier iets uitzonderlijks ging gebeuren.
Draaipunt in het verhaal is een kort verblijf van Galen, zijn moeder, oma, tante en zijn nichtje Jennifer van 17 in de berghut van de familie hoog in de Sierra's. Galen wordt daar verleid door Jennifer. Zijn moeder is getuige van deze vrijpartij. Haar fantasiewereld die slechts werd bevolkt door haarzelf en haar zoon stort daardoor in. De volgende dag, weer thuis, dreigt zij Galen dat zij hem bij de politie zal aangeven wegens verkrachting en incest. Wat dan volgt ga ik niet beschrijven, maar de laatste honderd bladzijden van dit boek zijn huiveringwekkend. Grootse literatuur. Vann is een auteur die de grenzen opzoekt.
Ik las niet eerder iets van David Vann. Maar ga dat nu zeker doen. De compositie, stijl en sfeertekening in Dirt zijn weergaloos. De verzengende hitte overdag, de maanbelichte taferelen bij nacht wanneer Galen naakt op de plantage rondzwerft op zoek naar verlossing en zich bedekt met aarde, de dreigende spanning tijdens de apotheose: adembenemend.

zaterdag 13 oktober 2012

De troosteloze heilstaat

De Deutsche Bucherpreis was vorig jaar voor In Zeiten des abnehmenden Lichts van Eugen Ruge. Ik las de prettig lezende Nederlandse vertaling, In tijden van afnemend licht. Het verbaast me niet dat Ruge de prijs won. Hij schetst een indringend beeld van de recente Duitse geschiedenis, in het bijzonder het leven in de DDR. Hij was daar tot 1988 een inwoner van, dus heeft het dagelijkse leven in de socialistische heilstaat aan den lijve ervaren. Dat blijkt niet alleen uit talloze details, maar ook uit de trefzekere beschrijving van de sfeer. Het boek deed me sterk denken aan De toren (Der Turm) van Uwe Tellkamp uit 2008. Ook een auteur die in de voormalige DDR woonde, dat boek eveneens geschreven met de intentie het leven aldaar in één totaalschets te vatten. De aanpak van beide auteurs verschilt echter. Waar Tellkamp zich concentreert op het leven van een kleine groep intellectuelen in een buitenwijk van Dresden gedurende de laatste zeven jaar voor de Wende, daar presenteert Runge ons een breed opgezette familiesage die bijna de hele eeuw omvat.
Vier generaties van de familie Umnitzer staan centraal. De eerste generatie bestaat uit Wilhelm en zijn vrouw Charlotte. Geboren omstreeks 1900, al in de jaren twintig overtuigde communisten en actief in de partij, in 1940 via Frankrijk gevlucht naar Mexico en in 1952 door de partij teruggehaald naar de DDR. Waar Wilhelm directeur wordt van een wetenschappelijk instituut, Charlotte afdelingshoofd aan datzelfde instituut. Partijbenoemingen, want over de juiste kwalificaties voor deze functies beschikken ze niet. Wilhelm mislukt dan ook in zijn baan, waarna hij de rest van zijn leven steeds eenvoudiger partijbaantjes heeft.
Hun zoon Kurt en zijn Russische vrouw Irina vormen de tweede generatie. Hij heeft de oorlog en de jaren erna in een strafkamp in Siberië doorgebracht, vanwege een vermeende belediging van Stalin, en keert pas in 1956 terug naar de DDR. Hij ontwikkelt zich tot een vooraanstaand publicist over de geschiedenis van de arbeidersbeweging.
Hun zoon Alexander is de eerste van de familie die zijn jeugd doorbrengt in de DDR. Compleet met de verplichte dienstplicht en, in zijn geval, een aanstelling als grenswacht langs het IJzeren Gordijn. Hij studeert daarna geschiedenis, trouwt op 22-jarige leeftijd met zijn medestudente Melitta en krijgt direct een kind met haar. Dit kind, Markus, is de vierde generatie. Het huwelijk van Alexander en Melitta strandt al snel, waarna Alexander maatschappelijk 'ontspoort'.
Eugen Ruge vertelt het verhaal niet chronologisch, hij heeft het opgeknipt in delen. De uitvalsbasis is 1 oktober 1989, de dag waarop de negentigste verjaardag van Wilhelm wordt gevierd maar waarop ook de protesten in Oost-Europa luid klinken en de val van de muur, ruim een maand later, al in de lucht hangt. Deze dag beslaat zes hoofdstukken en wordt steeds gezien vanuit een ander personage. De andere hoofdstukken spelen zich achtereenvolgens af in 1952, 1959, 1961, 1966, 1973, 1976, 1979, 1991 en 1995. Ook weer steeds met een andere hoofdpersoon. Daarnaast spelen vijf hoofdstukken in 2001, wanneer de terminaal zieke Alexander naar Mexico afreist in de hoop daar iets over het leven van zijn grootvader en grootmoeder te leren. Zo'n complexe compositie staat of valt met een zorgvuldige uitwerking. En dat heeft Ruge voorbeeldig gedaan. Alles klopt. Wat eerst een onoverzichtelijke puzzel lijkt wordt al snel een samenhangend verhaal. Wat nog niet wordt verteld maar je uit de context wel vermoedt, brengt spanning. En de verschillen in maatschappijbeeld tussen de vier generaties zijn overtuigend uitgewerkt, van het ijzersterke geloof  in de partijlijn van Wilhelm tot de zich langzaam maar zeker ontwikkelende twijfel bij de jongere generaties. Met als achtergrondruis de voortdurende troosteloosheid van het systeem. Kortom, een geweldig boek. In drie dagen uitgelezen.



zondag 7 oktober 2012

264 Netsuke

Odessa, Parijs, Wenen, Tokyo en Londen. Via deze steden loopt de lijn van de geschiedenis van de familie Ephrussi. Joods, in Odessa omstreeks het midden van de negentiende eeuw begonnen als graanhandelaren en vervolgens in Parijs en Wenen uitgegroeid tot een internationaal handelshuis en een bank. In de Tweede Wereldoorlog verloor de familie vrijwel al haar bezittingen. Deze familiegeschiedenis is uitgezocht en opgeschreven door Edmund de Waal, achterkleinzoon en een bekende Engelse keramist. De aanleiding was het erven van een collectie van 264 netsuke, minuscule Japanse sculpturen gesneden uit hout of ivoor, die in 1938 op wonderlijke wijze aan de aandacht van de Gestapo was ontsnapt. Deze netsuke vormen de rode draad in The Hare with Amber Eyes.
De netsuke werden omstreeks 1875, de hoogtijdagen van het 'Japonisme', in één aankoop verworven door Charles Ephrussi, een neef van De Waal's overgrootvader. Deze Charles woonde in Parijs, was als derde zoon vrijgesteld van werken in het familiebedrijf en kon zijn leven aan de kunst wijden. Hij was redacteur en mede-eigenaar van de Gazette des Beaux-Arts en had veel vrienden in artistieke en literaire kringen, waaronder Proust, Renoir, Manet, Monet en Degas. In Renoir's grote groepsportret Lunch van de roeiers is hij de man met de hoed die we schuin van achteren zien. De Waal schetst een mooi beeld van de artistieke kringen in Parijs in die periode.
In 1899 zond Charles de netsuke als huwelijksgeschenk aan zijn neef Viktor Ephrussi in Wenen. Viktor en zijn vrouw Emmy bewoonden een monumentaal pand aan de Ringstrasse, dat zij de komende vier decennia zouden vullen met een grote verzameling kunstwerken, meubilair en boeken. In de periode 1899-1938 waren de Ephrussi's in Wenen uiterst succesvol, maar het was ook een roerig tijdperk met de Eerste Wereldoorlog, het einde van het Habsburgse Rijk, de opkomst van de Nazi's en de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland. Na die Anschluss in 1938 lukte het Viktor en Emmy te vluchten, met ieder slechts een koffer bagage. Al hun bezittingen bleven achter en werden genaast door de Duitsers. Eind 1938 overlijdt Emmy in Tsjecho-Slowakijke, Viktor weet Engeland te bereiken. Na 1945 woont de familie Ephrussi verspreid over de wereld. De netsuke hebben de oorlog 'overleefd' omdat zij door een bediende in het Weense huis verborgen werden. Ignace, een van de zoons van Viktor en Emmy, ontfermt zich over de collectie. In 1947 vestigt hij zich in Tokyo, waarmee de netsuke weer thuis zijn.
De Waal schetst op basis van zijn familiegeschiedenis en het raadplegen van talloze contemporaine bronnen een fascinerend tijdsbeeld. De Rue Monceau in Parijs, de Ringstrasse in Wenen en het Japan van na 1945 komen tot leven. Met als verstild middelpunt een vitrine met daarin de haas met de amberkleurige ogen en zijn 263 soortgenoten. 


zondag 23 september 2012

Zeehelden

De zeventiende eeuw werd in Nederland voor een groot deel bepaald door oorlog. Eerst tegen Spanje, en na het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 door de strijd tegen Engeland. De oorlog tegen Spanje werd grotendeels te land en ter zee uitgevochten, de drie opeenvolgende Engelse Oorlogen (1652-1654, 1665-1667 en 1672-1674) waren echte zee-oorlogen. De Nederlandse vloot was machtig, vaak was zij de Spaanse, Engelse en Franse vloot de baas. De namen van de kapiteins en bevelhebbers hebben een legendarische klank: Piet Hein, Maerten Tromp, Cornelis Tromp, Witte de With en Michiel de Ruyter.
Het aardige van het boekje Zeehelden van Ronald Prud'hommevan Reine is dat hij de grote lijn probeert te duiden: Het ontstaan van een zeeheldencultus, de rol van de verschillende admiraliteiten in deze ontwikkeling en het tastbare resultaat, de praalgraven die de in snel tempo sneuvelende zeehelden kregen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en andere steden.

dinsdag 28 augustus 2012

Winterdagboek

Winter Journal van Paul Auster is een autobiografie. Niet een uitputtende of volledige. Auster kijkt rond zijn 64ste verjaardag terug op zijn leven en 'noteert' momenten en gebeurtenissen die hij zich herinnert.Over zijn vroegste jeugd, over zijn ouders en verdere familie, over zijn vriendinnen, over zijn eerste en tweede huwelijk, over de jaren dat hij wel schreef maar nog geen 'schrijver' was. Soms krachtig, soms babbelend. Een van de mooiste passages vond ik de opsomming van de huizen waarin hij sinds zijn geboorte heeft gewoond.  Ruim vijftig bladzijden vol met kleine en grote herinneringen.
Als 'Leitmotiv' hanteert Auster zijn lichaam: de tijd heeft daar littekens, krassen, schrammen, breuken en deuken op en in achtergelaten.De valpartijen, auto-ongelukken, angstaanvallen en andere ongemakken zijn voor hem belangrijke momenten: die leiden tot reflectie en bezinning.
Auster is openhartig. Daarom leef je mee met zijn gevoelens ten opzichte van zijn ouders; zijn jaren in Frankrijk met zijn eerste echtgenote; zijn moeizame ontwikkeling tot schrijver en zijn met de jaren toenemende introspectie. Die openhartigheid nam mij in voor het boek. Ik heb ervan genoten.

dinsdag 21 augustus 2012

Brooklyn Follies

Paul Auster laat zijn roman uit 2005, The Brooklyn Follies, eindigen met bijzondere laatste zinnen: 'It was eight o'clock when I stepped out onto the street, eight o'clock on the morning of September 11, 2001 - just forty-six minutes before the first plane crashed into the North Tower of the World Trade Center. Just two hours after that, the smoke of three thousand incinerated bodies would drift over toward Brooklyn and come pouring down on us in a white cloud of ashes and death. But for now it was still eight o'clock, and as I walked along the avenue under that brilliant blue sky, I was happy, my friends, as happy as any man who had ever lived'. De man die deze zinnen uitspreekt is Nathan Glass, Auster's hoofdpersoon. Zo'n driehonderd bladzijden eerder begon hij het boek met de passage 'I was looking for a quiet place to die. Someone recommended Brooklyn, and so the next morning I travelled down there  from Westchester to scope out the terrain'.
De omslag die deze citaten weergeven is het centrale thema van The Brooklyn Follies. Natham Glass is een gepensioneerde verzekeringsagent van 59 jaar. Aan het begin van de roman bevindt hij zich op een dieptepunt in zijn leven: zijn vrouw heeft hem verlaten en hij is herstellende van longkanker. Hij verhuist van een suburb naar Brooklyn om er, in zijn eigen woorden, te sterven. Maar het tegendeel gebeurt, hij ontmoet er mensen die zijn leven weer zin geven. Dat zijn Tom, een jonge neef van hem die zijn universitaire studie heeft opgegeven en nu een baantje in een antiquariaat heeft. En een 9-jarig nichtje, Lucy. Hij raakt bij hun levens betrokken en via hen weer met anderen in de buurt waar hij is gaan wonen.
Dit klinkt als een feel good verhaal, en dat is het eigenlijk ook wel. Dat is ook het enige minpunt(je) dat ik bij het boek heb: het is een beetje te mooi om waar te zijn, te veel gebeurtenissen en ontwikkelingen verraden de hand van een auteur die de zaken vrijelijk naar zijn hand zet. De personages zijn echter geloofwaardig, je leeft met ze mee. En de schrijfstijl is prachtig, in dat opzicht valt er veel te genieten.

donderdag 16 augustus 2012

Praag tijdens de oorlog

Vorig jaar las ik HhhH van Laurent Binet. Dat enkele jaren geleden geschreven boek gaat over de moord op Reinhard Heydrich, de Reichsprotektor in Praag tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het boek van Binet heeft een opmerkelijke structuur: in honderden korte hoofdstukken beschrijft hij de voorbereidingen voor de aanslag, de moord zelf én de totstandkoming van het boek. Over dit laatste aspect meldt hij dat hij een geweldig boek heeft gelezen dat ook over de moord op Heydrich gaat. Dat is Mendelssohn op het dak van Jiri Weil. Een boek dat al verscheen in 1960, een jaar na de dood van Weil.
Weil werd in 1900 geboren in Praag, werd in 1921 lid van de communistische partij en ging in Moskou werken als journalist. In de jaren dertig werd hij beschuldigd van een vijandige opstelling tegen Stalin, waarna hij terugkeerde naar Praag. Daar wijdde hij zich aan het schrijven. In de oorlog ontliep hij deportatie door zijn zelfmoord in scène te zetten. Na de oorlog publiceerde hij romans tot hij in 1959 overleed. Een bewogen en niet al te lang leven dus.
Mendelssohn op het dak opent met een absurde situatie: Heydrich heeft na een genoeglijke avond in het concertgebouw gezien dat zich onder de standbeelden die het dak van het gebouw sieren een beeld van Mendelssohn bevindt. Een Jood, dus hij geeft opdracht om dat beeld direct te verwijderen. De SS'er die met twee werklieden de klus moet klaren weet niet welk van de standbeelden dat van Mendelssohn is. Ten einde raad besluit hij het beeld met de grootste neus neer te halen. Dus leggen ze een strop om de nek van wat later Richard Wagner blijkt te zijn, maar dat gelukkig voor hen niet omvalt.
Dit absurde begin zet de toon voor een roman die mij bleef verrassen met onverwachte situaties, maar die wel snel grimmiger wordt. Weil schetst de lotgevallen van de bevolking onder de Duitse bezetting aan de hand van een handvol personages: een dokter in het ziekenhuis die door een ziekte verlamd is; een gemeenteambtenaar die door de omstandigheden en de ambtelijke molens vermorzeld dreigt te worden; een conservator van het Joodse museum; een verzetsman en twee ondergedoken meisjes wiens ouders gedeporteerd zijn. De voortdurende dreiging, de willekeur en de menselijke drama's in een bezette stad zijn indringend beschreven. Weil heeft het zelf meegemaakt.


zondag 12 augustus 2012

Fake

My Life as a Fake van Peter Carey gaat uit van een fascinerend gegeven: dat van de plotselinge literaire ontdekking, opduikend uit het niets, die eerst wordt bejubeld en dan een nepper blijkt te zijn. Carey liet zich inspireren door een beroemde zaak uit Australië, spelend in de jaren '40. Hij verplaatst het verhaal naar de jaren '50 en '60, met een nageschiedenis die zich dertig jaar later afspeelt. De actie verplaatst hij ook naar het broeierig warme Kuala Lumpur. Dat kan niet mis gaan, dacht ik bij aankoop van het boek.
Maar dat viel tegen. Het overkomt me niet vaak dat ik na een of twee uurtjes lezen al een slecht gevoel heb bij een boek. Dat ik me verveel, dat ik me afvraag of het nog onderhoudend of interessant gaat worden, om maar niet te spreken van spannend. Dit is zo'n boek. Ik heb het uitgelezen, maar dat kostte wel wat wilskracht.
Waar ligt dat aan? Ik heb een vermoeden. Carey is beslist een goede schrijver - van zijn Oscar en Lucinda  heb ik onlangs genoten. Maar in dit boek weet hij niet de juiste betrokkenheid op te roepen, niet bij zichzelf en daardoor ook niet bij mij. Het gegeven is goed gekozen, de intrige is op zich interessant, in terzijdes maakt hij met regelmaat scherpe observaties. Maar het geheel blijft volstrekt bloedeloos. De personen komen niet tot leven. Kortom: het was een corvee om het boek uit te lezen. En nu, een paar weken later, moest ik het boek doorbladeren om me te herinneren waar het verhaal nou precies over ging. Een boek om te vergeten, dus. Maar dat gaat vanzelf.

maandag 6 augustus 2012

Man in the Dark

Man in the Dark van Paul Auster is weer eens een heel bijzondere Auster. Het is een kleine roman, het heeft de lengte van een forse novelle. De hoofdpersoon is August Brill, een weduwnaar van zeventig die bij een  ongeluk met zijn auto een verbrijzeld been heeft opgelopen en nu weinig mobiel is. Hij logeert bij zijn dochter, een vrouw van middelbare leeftijd, en haar dochter van midden twintig. Brill was boekrecensent bij een kwaliteitskrant in Boston en heeft meer dan 1500 recensies op zijn naam staan. Om zijn grotendeels slapeloze nachten door te komen bedenkt hij een verhaal. Hij schrijft dat niet op, laat het zich uitsluitend in zijn hoofd ontwikkelen en afspelen. Dat verhaal speelt in de huidige tijd, maar dan in een parallelle wereld. Daarin hebben de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000, met de strijd om de telling van de stemmen in Florida en de uitspraak door het Hooggerechtshof dat Bush met klein verschil van Gore had gewonnen, geleid tot een scheuring in de Verenigde Staten. Een aantal Democratische staten heeft zich afgescheiden van de Unie, waarop president Bush hen de oorlog heeft verklaard. De VS bevinden zich dus in een burgeroorlog. In het verhaal dat August Brill in zijn fantasie laat ontstaan wordt een man, Owen Brick, getransporteerd van de gewone wereld naar deze parallelle 'warzone', waar hij de opdracht krijgt om terug te keren naar de gewone wereld en August Brill te vermoorden. Daardoor zal het verhaal 'stoppen' en de burgeroorlog zijn beëindigd.
Auster heeft dit gegeven sterk uitgewerkt. Zowel op het meer abstracte, allegorische niveau van de weergave van de VS als een land in strijd, als op het persoonlijke niveau. Brill vertelt gedurende de nacht waarin het verhaal speelt aan zijn kleindochter hoe verliefd hij was op zijn vrouw - haar oma - en hoe het samenleven met haar was. Dit brede spectrum wordt door Auster genuanceerd en met gevoel voor de juiste dosering aan de lezer gepresenteerd. Geslaagd boek.

woensdag 1 augustus 2012

Monoloog

Over het doppen van bonen van de Poolse auteur Wieslaw Mysliwski is één lange monoloog, door een naamloze hoofdpersoon uitgesproken tegen een onbekende bezoeker. Die hoofdpersoon doet hem/haar het relaas van zijn leven. Dat speelde zich af in Polen, vanaf het midden van de jaren dertig tot enkele jaren geleden. De zorgeloze jeugd, de verschrikkingen van de oorlog, de starre maatschappij onder de communisten; de Poolse geschiedenis van de laatste halve eeuw komt aan je voorbij. Niet chronologisch maar associatief, de invallen van de verteller volgend. Door zijn ogen ontstaat een indringend beeld van een mensenleven dat gevormd werd door toevalligheden en politieke omstandigheden.
Mysliwski koos voor een lange monoloog door de hoofdpersoon. Die compromisloze vorm werkt goed. In de eerste zin van het verhaal verwelkomt de hoofdpersoon de bezoeker die bij hem aanklopt om bonen te kopen, hij nodigt de bezoeker uit mee te helpen doppen en vertelt onder het doppen zijn verhaal zonder het woord nog één keer uit handen te geven. Daardoor ontstaat een dwingende voortgang, als een trein die maar voortraast. Knap gedaan.

vrijdag 27 juli 2012

Goklust

Oscar and Lucinda van Peter Carey is een heel opmerkelijk boek. Het verscheen in 1988, maar wanneer je begint te lezen doet het sterk denken aan Engelse romans uit de negentiende eeuw. Dickens druipt als het ware van de bladzijden, zeker in de eerste helft van het boek. In korte hoofdstukken van zo'n twee tot acht  bladzijden beschrijft Carey gebeurtenissen uit de jeugd van zijn beide hoofdpersonen. Dat zijn Oscar Hopkins, de zoon van een priester in een gehucht aan de Engelse kust, en Lucinda Leplastrier, dochter van een plantagehoudster in de 'outback' in New South Wales, Australië. Het verhaal speelt in de jaren na 1850. Oscar kan niet met zijn tyranieke vader (veroorzaakt door het geloof) overweg en gaat bij de buren wonen, een kinderloze predikant en zijn vrouw. Daarna gaat hij theologie studeren in Oxford. Hij ontdekt daar dat hij over een talent beschikt om succesvol te gokken op de paardenrennen. Omdat hij over heel weinig financiële middelen beschikt, ontwikkelt hij die gave en weet ruim in zijn onderhoud te voorzien. Lucinda wordt al op jonge leeftijd wees. Zij verkoopt de plantage van haar ouders aan een projectontwikkelaar en gaat als rijke jonge vrouw in de stad wonen. Zij houdt van een spelletje kaart en een gokje. Oscar en Lucinda ontmoeten elkaar - in het boek na ruim 200 bladzijden - op de boot van Londen naar Australië: hij is aangesteld om als missionaris het Woord te verkondigen in New South Wales, zij is In Londen een half jaar tevergeefs op zoek geweest naar een echtgenoot. Hun liefde voor gokken brengt hen in contact.
Was het verhaal in de eerste helft van het boek nog realistisch, in het tweede deel, dat zich in Australië afspeelt, krijgt het 'fantastische' aspect een belangrijke rol. Lucinda is de eigenaresse van een glasfabriek - gekocht van haar erfenis - en in een vreemde samenloop van omstandigheden sluiten zij en Oscar een weddenschap af met als inzet de opdracht een kerk van glas te vervoeren naar een dorp in de wildernis. Het verdere verhaal uit de doeken doen zou uw leesplezier wellicht vergallen. Maar het doet denken aan de film Fitzcarraldo van Werner Herzog.
Ik heb dit boek met heel veel plezier gelezen. Carey schrijft sprankelend, creëert fantastische situaties en weet keer op keer te verrassen. Zo hangt voortdurend de vraag in de lucht of de relatie tussen Oscar en Lucinda zich ontwikkelt tot een amoureuze. In de laatste tien bladzijden van het boek krijgen we daar een antwoord op. Maar dat is zo verrassend en geestig, dat je dat op geen enkele wijze had kunnen voorzien.
Oscar and Lucinda won in 1988 de Booker Prize. In 2008 werd in Engeland The Best of Booker wedstrijd uitgeschreven. Carey werd nipt verslagen door Salman Rushdie met Midnight's Children. Misschien is dat terecht, maar het is opmerkelijk dat in beide boeken de auteurs de grenzen van de alledaagse realiteit hebben opgezocht.

vrijdag 20 juli 2012

Intriges

Anderhalf jaar geleden las ik Wolf Hall van Hilary Mantel, het eerste deel van een trilogie over de loopbaan van Thomas Cromwell, de rechterhand en vertrouweling van koning Hendrik VIII van Engeland. Bring up the Bodies is het zojuist verschenen tweede deel. Dit bestrijkt de jaren 1535-1536, de periode waarin Hendrik getrouwd is met zijn tweede echtgenote Anna Boleyn, op haar uitgekeken raakt na enkele mislukte zwangerschappen en vervolgens van haar af wil omdat hij verliefd is geworden op de hofdame Jane Seymour. Cromwell regelt dit voor de koning. Hij maakt daarbij gebruik van het gerucht dat Anna Boleyn er minnaars op na houdt. Hij ondervraagt de kring van hovelingen rond Anna, bouwt een aanklacht op en organiseert een proces. Anna wordt schuldig bevonden en wordt in het voorjaar van 1536 in de Tower in Londen onthoofd.
Net als in het eerste deel staat Cromwell centraal. Als lezer beleef je alles door zijn ogen. Mantel kruipt in zijn huid en weet meesterlijk zijn gedachten, overwegingen en gevoelens weer te geven. Meer dan in Wolf Hall is Cromwell hier een schurk. In die zin dat hij een misstap van Anna gebruikt om een zaak tegen haar op te bouwen en haar daardoor doelbewust naar de beul leidt. Weliswaar min of meer in opdracht van zijn baas, maar toch. De verhoren zijn een genot om te lezen, de tekst spat van de bladzijden. De daadwerkelijke uitvoering van het vonnis daarna is haast een anticlimax. De wetenschap dat Cromwell vanwege zijn verdiensten een nog machtiger positie zou krijgen maar in 1540 bij de koning in ongenade zou vallen en zelf zonder vorm van proces werd onthoofd, maakt het verhaal nog uitzonderlijker.

zaterdag 14 juli 2012

Maassluis

Van Maarten 't Hart las ik het voorbije jaar Dienstreizen van een thuisblijver  (2011) en Een deerne in lokkend postuur (2000). Beide boeken bevatten autobiografische essays. In 1984, dus vrij vroeg in zijn schrijversloopbaan, schreef hij Het roer kan nog zesmaal om. De negen hoofdstukken daarin gaan over zijn jeugd in Maassluis, zijn studie biologie in Leiden, de eerste jaren van zijn bestaan als schrijver en het loslaten van zijn geloof. Net als bij de eerdere bundels wisselt de kwaliteit van de stukken behoorlijk. 't Hart kan heel kernachtig en met humor schrijven, maar hij kan ook ongelooflijk naïef argumenteren. Dit laatste wil hij nog wel eens doen aan het eind van een stuk dat duidelijk als een gelegenheidsstuk is geschreven.
Maar ook ditmaal overheerst toch het leesplezier. Vooral het verhaal over de Gereformeerde Mannenvereniging 'Schrift en Belijdenis' waarvan zijn vader lid was en waarvoor 't Hart de uitnodigingen rondbracht is prachtig. Maar ook de vele meisjes die 'gereformeerd op grote wielen' waren blijven je bij. Evenals de beschrijving van de cultuur aan de universiteit net voordat deze na 1968 voorgoed zou veranderen.

vrijdag 13 juli 2012

Inhoudsloos

In de biografie van Simon Vestdijk (zie vorige blog) las ik dat Vestdijk midden jaren zestig vrij positief oordeelde over Ik Jan Cremer. Hij vond het boek uit 1964 typerend voor de tijdgeest. Die opmerking was voor mij de aanleiding het boek eens te lezen. Voor het eerst, want ik heb er vroeger regelmatig mee in mijn handen gestaan maar het nooit gekocht of geleend. Ik had er geen goed gevoel bij.
Dat voorgevoel blijkt nu, twaalf CD's later, terecht te zijn geweest. Het boek is een soort schelmenroman over de avonturen van de jonge Jan Cremer. Geboren in Enschede, een kunstopleiding, als werkstudent in een slachthuis, als kunstenaar op reis en wonend in Parijs, als soldaat in het leger. Dit klinkt afwisselend, maar ik vond het doodsaai. Het gaat namelijk nergens over. Cremer presenteert zichzelf als een opschepper, een bluffer, een levenskunstenaar die aan alles en iedereen schijt heeft. Maar achter die facade bevindt zich geen inhoud, in ieder geval niet dat ik kon ontdekken. Het verhaal is hol en leeg. Hans Dagelet is een goede keuze als voorlezer. Hij weet de juiste toon - met een beetje branie - te treffen.  

maandag 25 juni 2012

Sneller schrijven dan God kan lezen


Bij de vijftigste verjaardag van Simon Vestdijk, in 1948, roemde de dichter Adriaan Roland Holst de kwaliteiten van de jarige met de woorden 'o gij, die sneller schrijft dan God kan lezen!'. In die jaren was daar alle aanleiding toe want Vestdijk, die tijdens de oorlog geen lid was geworden van de Kultuurkamer, had vijf jaar lang niet kunnen publiceren. Maar hij had wel doorgeschreven, zodat er in 1945 vijf persklare manuscripten op de plank lagen die in de jaren erna werden gepubliceerd. Maar ook zonder die bijzondere omstandigheden was zijn productiviteit groot. De meeste jaren verscheen er wel een boek van zijn hand, vaak zelfs twee. In Vestdijk. Een biografie maakt Wim Hazeu inzichtelijk hoe deze enorme productie tot stand kwam. Vestdijk was in staat een roman in enkele maanden te schrijven. Er waren dagen dat hij tientallen bladzijden schreef. Deze perioden van hyper-activiteit werden afgewisseld met depressies, waaraan hij zijn hele leven leed. Dan lag hij maandenlang in bed en voerde niets uit.
Vestdijk debuteerde vrij laat. Na een studie medicijnen werkte hij enkele jaren als waarnemend huisarts. De vele vrije uren besteedde hij aan het schrijven van gedichten. En nadat hij in 1932 Eduard du Perron en Menno ter Braak ontmoette, de mannen van het kort daarvoor opgerichte literaire tijdschrift Forum, ook aan romans. Zijn eerste manuscript, Kind tussen vier vrouwen, werd door uitgevers geweigerd vanwege de enorme omvang. Hij gebruikte het later als bron voor de Anton Wachterreeks, de serie van acht romans over zijn jeugd. Het eerste deel uit die serie dat hij schreef, Terug tot Ina Damman, was een doorslaand succes en vestigde definitief zijn reputatie van een groot schrijver. 
In de Tweede Wereldoorlog werd Vestdijk een jaar lang in gijzeling gehouden in Sint-Michielsgestel, samen met ongeveer vierhonderd andere prominente Nederlanders. Ik had nog nooit een gedetailleerde beschrijving van deze episode gelezen. Hazeu besteed er veel aandacht aan, heel interessant.
Een biografie van achthonderd bladzijden samenvatten heeft geen zin, maar ik heb de indruk dat Hazeu een zorgvuldige afweging heeft gemaakt en alles behandelt wat van enig belang is. Hij biedt geen diepgaande analyses van het oeuvre of van afzonderlijke werken. Ik heb daar geen moeite mee want bij een auteur als Vestdijk, die zo'n omvangrijk oeuvre bij elkaar heeft geschreven, is een gedetailleerd overzicht als dit onmisbaar.
Ik heb vroeger - voordat ik in 1989 met mijn boekenschrift begon - alle romans van Vestdijk gelezen, samenvallend met het verschijnen van de verzamelde romans. En ook veel over hem gelezen. Op een bepaalde manier was het lezen van deze biografie, na zo lang geen boek van hem te hebben opengeslagen, een feest der herkenning. En tegelijk een schatkamer van dingen die ik nog niet wist. De bekende anekdotes over Vestdijk komen in dit boek natuurlijk aan de orde. Zoals die van het schrijven bij het geluid van een stofzuiger én met oordopjes in, zodat hij het voortdurend keffende hondje van de buren niet hoorde. Maar Hazeu schrijft ook over de minder bekende karaktertrekken van Vestdijk. Het beeld dat mij daarvan bijbleef is dat van een ambitieuze, gedreven en heel getalenteerde schrijver die complexer in elkaar zat dan hij de buitenwereld - en ook zijn naaste vrienden - liet blijken.
Nadat ik het boek uit had, had ik vreselijk veel zin om weer eens een roman van Vestdijk te gaan lezen. Ik heb een uur voor mijn boekenkast gezeten. Maar waar te beginnen?

donderdag 14 juni 2012

Een pseudo-Murakami

Het lezen van number9dream is bij tijd en wijle een spectaculaire en ook wel verwarrende ervaring. David Mitchell laat namelijk zijn hoofdpersoon, de 20-jarige student Eiji Miyake, zijn avonturen in verschillende 'werkelijkheden' beleven. In het eerste hoofdstuk gaat hij daarmee al direct los. Eiji is vanuit een klein kustplaatsje in het uiterste zuiden van Japan naar Tokyo gereisd om zijn vader te zoeken. Dat is een zakenman die een relatie had met Eiji's moeder, maar haar in de steek liet toen zij zwanger raakte. Eiji heeft geen naam, foto of adres van de man en heeft zijn hoop gevestigd op de advocaat van zijn vader. In een koffiebar tegenover haar kantoor bereidt hij zich geestelijk voor op dat bezoek en stelt hij zich voor wat hij zal vragen. Vervolgens loopt hij het gebouw binnen, overmeestert de bewaking en weet gewapend het kantoor van de advocaat te bereiken. Na deze te hebben overweldigd en een dossier over zijn vader te hebben bemachtigd vecht hij zich met geweld weer een weg naar buiten. Pas dan heb je als lezer door dat dit alles zich afspeelt in Eiji's fantasie. Even later wordt Tokyo getroffen door een zware overstroming, maar ook dat blijkt fantasie. Uiteindelijk betreed Eiji daarwerkelijk het kantoorgebouw. Dit switchen tussen werkelijkheid en fantasie - lees: Eiji's wat overspannen verbeelding - gebeurt doorlopend. Na een tijdje ben je erop bedacht.
Het hele verhaal door ligt het tempo hoog en volgen de veranderingen van perspectief elkaar snel op. De hoofdlijn wordt voortdurend onderbroken door zijpaden, sub-plots, ogenschijnlijk losstaande vertellingen en nog zo het een en ander. Mitchell laat zich enerzijds inspireren door de hedendaagse cultuur - computergames - terwijl zich aan de andere kant van het spectrum op een verstilde wijze een klassieke liefdesrelatie ontwikkelt. De achtergrond wordt gevormd door Tokyo, een stad die ook wordt gekenmerkt door een breed spectrum van traditionele en hypermoderne elementen.
De belangrijkste inspiratiebron voor Mitchell was ongetwijfeld het werk van de Japanse auteur Haruki Murakami. Daarop wordt in het boek ook gezinspeeld: Eiji heeft diens roman The Wind-Up Bird Chronicle al voor de helft gelezen, en ook de overeenkomsten met Murakami's boek Norwegian Wood zijn groot. Dit laatste boek heeft nog een overeenkomst met number9dream: de titel. Zowel Norwegian Wood als #9dream zijn liedjes van The Beatles, geschreven door John Lennon. In het laatste hoofdstuk refereert Mitchell ook hieraan.
Mitchell heeft lang in Japan gewoond, in de jaren dat Murakami's boeken een miljoenenverkoop bereikten. Dit is zijn tweede boek. Dat hij daarin de aanpak van Murakami volgt is voor een jonge auteur wel te begrijpen. Het experiment is ook niet mislukt, integendeel. Ik heb het boek met groot plezier gelezen, kon het niet wegleggen. Mijn enige bezwaar is dat het 'overdone' is. Het is soms te zwaar aangezet. Waar Murakami met minimale middelen een maximaal effect bereikt, daar bereikt Mitchell een soortgelijk effect met maximale middelen. 


dinsdag 29 mei 2012

Een monument

De afgelopen tien jaar is een groot aantal romans gewijd aan de gebeurtenissen op 9/11. Jonathan Safran Foer, Don DeLillo en Jay McInerney zijn wellicht de bekendste auteurs in het genre. Ieder van hen koos een eigen, soms ongewone invalshoek om zijn visie op dit drama te geven. Voor haar zojuist verschenen boek Submission vond Amy Waldman een uitgangspunt dat misschien nog wel opvallender is dan die in de eerdere boeken. Zij laat in het jaar na 9/11 een prijsvraag uitschrijven voor een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de aanval op het World Trade Center. De jury die is aangesteld om de inzendingen te beoordelen kiest na een spannende finale uiteindelijk voor een tuin. Wanneer daarna de enveloppe met de naam van de inzender wordt geopend is de verrassing groot, want de winnaar heet Mohammad Khan, is een architect én een moslim. Weliswaar geboren en opgegroeid in de Verenigde Staten en geen praktiserend moslim, maar  de verwarring is compleet.Korte tijd later lekt het nieuws uit en gaan de media met het verhaal aan de haal. Vervolgens roeren voor- en tegenstanders zich en wordt het een publieke discussie.
Veel groeperingen, met de nabestaanden van slachtoffers voorop, vinden het onbestaanbaar dat de opdracht naar een moslim gaat. Zij vermoeden dat de tuin, die kenmerken vertoont van een klassieke Islamitische tuin, door Khan is bedoeld als een verkapt eerbetoon aan de daders van de aanslag. Amerikaanse moslims daarentegen steunen de winnaar. Bestuurders en politici nemen standpunten in op basis van hun persoonlijke politieke agenda. Khan, om wie alles draait, schijnt zich bij het bedenken van zijn ontwerp niet te hebben gerealiseerd dat de inspiratie ervoor uit de Islamitische cultuur kwam en dat dit dus veel ophef zou veroorzaken. Gaandeweg het proces komt hij tot een nieuw besef van zijn culturele 'roots'. Zijn tegenspeelster is jurylid Claire Boswell. Zij is een blanke vrouw wiens echtgenoot bij de aanslag om het leven is gekomen. Haar opstelling gaf de doorslag bij de keuze voor Khans ontwerp, maar de publieke discussies over het ontwerp brengen haar langzaam maar zeker tot een ander inzicht.
Waldman vertelt haar verhaal met verve. De ontwikkelingen rondom de belangrijkste personages - architect en juryleden - zijn indringend en met gevoel voor suspense beschreven.De talrijke andere personen blijven daarentegen heel vlak. Het is alsof Waldman, na het opstellen van het verhaalschema, hun standpunten en uitspraken als een invuloefening heeft beschouwd. Zodat er een palet ontstond waarin alle belangengroeperingen met hun standpunten zijn vertegenwoordigd. Dat is natuurlijk correct, maar ook voorspelbaar en gaat ten koste van het leesplezier.



woensdag 16 mei 2012

Norwegian Wood

Norwegian Wood was jaren geleden mijn kennismaking  met Haruki Murakami. Ik vond het boek zo mooi dat ik vervolgens alle andere titels las die op dat moment verkrijgbaar waren en ik de schrijver ben blijven volgen. Het verhaal van Toru, die terugkijkt op zijn studententijd in de jaren zestig en herinneringen ophaalt aan zijn romance met de timide Naoko, wordt door Murakami met een weemoedige ondertoon verteld. Het roerige studentenleven en de protesten aan de universiteit vormen de achtergrond van de complexe liefdesgeschiedenis tussen de twee hoofdpersonen. Ik 'herlas' de roman nu als luisterboek. Waarbij me opviel hoe gemakkelijk het boek kan worden voorgelezen, hoe toegankelijk de tekst is.

maandag 30 april 2012

Valse herinnering

The Sense of an Ending van Julian Barnes is een korte roman, misschien eerder een lange novelle. Maar het verhaal heeft een grote reikwijdte, een universeel thema. Hoofdpersoon is Tony Edwards, een man van ongeveer zeventig. Hij wordt geconfronteerd met gebeurtenissen die zich in een ver verleden - school, universiteit - hebben afgespeeld. Die gebeurtenissen én de gevolgen daarvan zijn volkomen anders dan hij die in zijn herinnering heeft bewaard. En zonder dat hij dat indertijd heeft doorgehad, heeft hij door zijn gedrag het gebeurde stevig beïnvloed. Door dit alles slaat, aan het einde van een gladjes en weinig spannend verlopen bestaan, ineens de balans van zijn leven om.
Barnes doseert zijn informatie vakkundig, waardoor je als lezer in de tweede helft van het boek meermaals een totaal nieuw perspectief krijgt. Knap en heel onderhoudend.

zondag 29 april 2012

Walt Whitman

In Specimen Days laat Michel Cunningham de 19e-eeuwse Amerikaanse dichter Walt Whitman vaak aan het woord. In elk van de drie novellen waaruit het boek bestaat komen personages voor die letterlijk 'leven' met Leaves of Grass, het grote gedicht waaraan Whitman zijn hele leven werkte. In het eerste verhaal, In the Machine, is dat een 12-jarige jongen wiens broer omkomt bij een ongeluk in een fabriek en die diens baan overneemt. Het speelt in New York tijdens de industriële revolutie. Het tweede verhaal, The Children's Crusade, speelt eveneens in New York, maar nu enkele jaren na 9/11. De hoofdpersoon is een vrouwelijke politie-officier die te maken krijgt met zelfmoordaanslagen door kinderen. In de laatste novelle, Like Beauty, maakt Cunningham een stap van 150 jaar vooruit. De hoofdpersoon is een robot die op zoek gaat naar zijn maker. Bij deze tocht wordt hij vergezeld door een vluchtelinge van een andere bewoonde planeet.
De novellen zijn met elkaar verbonden doordat de belangrijkste personages in ieder verhaal terugkeren, met dezelfde naam of een variant daarop. Zo heten de vrouwelijke hoofdpersonen in de verhalen achtereenvolgens Catherine, Cat en Catareen. Ook de plaats van handeling, New York, wordt door Cunningham gebruikt om de verhalen aaneen te smeden. Maar de belangrijkste link is het werk van Whitman. Vanuit Whitmans grondgedachte, de bewondering voor en het bezingen van het Amerika om hem heen, én vanuit allerlei specifieke citaten uit diens werk onderbouwt en verklaart Cunningham het handelen van zijn personages. Cunningham toonde eerder in The Hours, waar hij het verhaal rond Virginia Woolf opbouwde, zijn affiniteit met literaire voorgangers. In The Hours was Woolf een van de drie verhaallijnen en daardoor nadrukkelijker aanwezig. Whitman speelt in Specimen Days een afstandelijker rol.
Cunningham kan schrijven. Zijn taalgebruik is zorgvuldig, soepel en op een natuurlijke wijze esthetisch. Ik heb het in een eerdere blog vergeleken met poëzie. Hierbij citeer ik een passage uit het tweede verhaal, waarin Cat bij avond in een taxi door New York rijdt: The late-night New York you saw from a moving car was relatively quiet and empty, more like anyplace else in nocturnal America. Only at these subdued moments could you truly comprehend that this glittering, blighted city was part of a slumbering continent; a vastness were headlights answered the constellations; a fertile black roll of fields and woods dotted by the arctic brightness of gas stations and all-night diners, town after shuttered town strung with streetlights, sparsely attended by the members of the night shifts, the wanderers who scavenged in the dark, the insomniacs with their reading lights, the mothers trying to console colicky babies, the waitresses and gas-pump guys, the bakers and the lunatics. And scattered all over, abundant as stars, disc jockeys sending music out to whoever might be listening.

vrijdag 27 april 2012

Eindeloos hetzelfde

Phoebe, de echtgenote van Herman Brusselmans, heeft hem na een relatie van 19 jaar verlaten. Hij blijft min of meer hulpeloos achter. Zat er in normale omstandigheden al weinig richting in zijn handelen, in Watervrees tijdens een verdrinking is de doelloosheid nog een niveau'tje sterker. Hij vult zijn dagen met oeverloze kletspraat met twee cafévrienden, maakt afspraakjes met vriendinnen die tot niets leiden, overweegt te verhuizen naar Amsterdam en verlangt in toenemende mate terug naar zijn vrouw.
'Business as usual', zou je zeggen. En dat is ook zo. Bij Brusselmans denk ik al heel lang, nadat ik weer een boek van hem uit heb: nu even niet meer, dit zou misschien de laatste moeten zijn. Maar gek genoeg koop ik dan een klein jaar later meestal toch weer de nieuwe. Waar zit dat in? Is eindeloze herhaling soms verslavend? Of is Brusselmans wellicht toch een groot auteur - een 'zeer belangrijk schrijver', zoals hijzelf al jaren meldt op de achterflap - die bij de wereldtop hoort. Dit laatste denk ik zeker niet, maar in zijn eigen, heel persoonlijke stijl weet hij mij toch te overtuigen. Zo buigt hij in dit verhaal zijn eigen stuurloze treurnis over de vertrokken Phoebe langzaam maar zeker om in een beklemmend gevoel van wanhoop. Knap gedaan. Ik hoop dat het volgende boek niet te lang op zich laat wachten.

zondag 8 april 2012

Een monument

Hoeveel van de honderdduizenden bezoekers die ieder jaar het Rijksmuseum Kröller-Müller in Park De Hoge Veluwe bezoeken zullen weten wie de naamgeefster van het museum was? En hoeveel mensen kennen de geschiedenis van het park zelf? Ik vermoed dat dit er niet heel veel zijn. Eva Rovers beschrijft in De eeuwigheid verzameld. Helene Kröller-Müller (1869-1939) hoe museum en park zijn ontstaan. Beide zijn het resultaat van de visie en gedrevenheid van één vrouw, Helene Müller, geholpen door haar echtgenoot, Anton Kröller. 
Helene was de dochter van Wilhelm Müller, een zakenman uit het Ruhrgebied. In 1888 trouwde zij met Anton Kröller, de jongere broer van de Nederlandse zakenpartner van haar vader. Beide compagnons bezaten het handelsbedrijf Müller & Co. Door de dood van Helene's vader in 1889 en het terugtreden wegens overspannenheid van Anton's broer kort daarop kreeg Anton de leiding van het bedrijf in handen. Binnen tien jaar bouwde hij het uit tot een handelsimperium met een hoofdkantoor in Rotterdam en een handvol buitenlandse vestigingen. In het begin handelde en vervoerde het bedrijf vooral kolen en erts, later ontstonden er ook andere divisies. Omstreeks 1900 was de top bereikt en daar zou het bedrijf lang blijven. Het geld stroomde binnen, er werd een luxueus hoofdkantoor aan het Lange Voorhout in Den Haag betrokken - goed voor de politieke contacten - en Helene en Anton verhuisden met het gezin naar een kapitaal pand in het Van Stolkpark tussen Den Haag en Scheveningen. Omstreeks 1906 nam Helene lessen in kunstbeschouwing bij de Haagse kunstdocent H.P. Bremmer. Daarmee ging er voor haar een andere wereld open. Omdat zij het zich financieel kon veroorloven begon zij schilderijen aan te kopen, daarbij geadviseerd door Bremmer. Na een bezoek dat zij in 1911 bracht aan de Duitse verzamelaar Karl Ernst Osthaus in Hagen en zij diens omvangrijke collectie moderne kunst in Museum Folkwang zag, besloot zij haar kunstverzameling ooit na te laten aan de gemeenschap, in de vorm van een museum. Daarmee was het hek van de dam: Bremmer werd twee dagen in de week ingehuurd met als opdracht een collectie te helpen opbouwen. Binnen tien jaar ontstond een kunstverzameling die uit duizenden objecten bestond: schilderijen, tekeningen, litho's, beelden, Aziatisch porselein en meubels.
Rovers beschrijft gedetailleerd hoe deze fascinerende strooptocht naar kunst verliep. Zij maakt duidelijk wat Helene's drijfveren waren, haar voorliefdes en haar relatie tot Bremmer. Ook de woelige omringende wereld - Eerste Wereldoorlog, revoluties in Rusland en Duitsland, economische crisis - en de gevolgen daarvan voor het bijeenkomen van de verzameling en de realisatie van het museum op de Veluwe krijgen alle aandacht. Het is eigenlijk een wonder dat Helene haar droom van een museum heeft kunnen verwezenlijken, omdat omstreeks 1930 alles alsnog dreigde mis te gaan. Naast een gedegen en zeer goed geschreven biografie is het dus ook nog een heel spannend verhaal.

donderdag 29 maart 2012

Moord in opdracht

Met De maagd Marino schreef Yves Petry een gruwelijk verhaal  dat aan de werkelijkheid is ontleend. Een man laat zich door zijn minnaar doden en vervolgens deels opeten. Het vond enkele jaren geleden plaats in Duitsland, haalde alle kranten en inspireerde Petry. Die schreef zijn roman in een poging te achterhalen wat de motieven van de vermoorde man waren. In het verhaal lijkt dat het feit te zijn dat die man, Bruno, niets meer van het leven te verwachten heeft. Als universiteitsdocent geeft hij al bijna vijftien jaar dezelfde colleges, zonder zichzelf te ontwikkelen of wetenschappelijk bezig te zijn. Hij wordt daarom ontslagen en belandt zo aan de zijlijn van de maatschappij. Ook zijn vriend is in een maatschappelijk isolement belandt en lijkt het contact met de werkelijkheid te hebben verloren.
Het boek begint met de scene van de moord. Die is bloedstollend beschreven, maar het is ook gelijk de apotheose. Daarna volgt de hele aanloop. Die vond ik wisselend van kwaliteit en niet altijd even overtuigend. Het is een slimme vondst om de vermoorde man de verteller te laten zijn, via de minnaar die in zijn gevangeniscel het gebeurde op papier zet.

donderdag 22 maart 2012

Vlucht

De draad en de vliegende naald van Gerdien Verschoor is een debuut. Een geslaagd debuut, want het verhaal hield mijn aandacht gevangen. Deels door het thema - de vlucht van een Poolse familie in 1939, oostwaarts, in een poging de Duitse troepen voor te blijven - deels door de opbouw. Het boek begint met de bejaarde Julia Novak, die thuis getuige is van de plotselinge dood van haar zoon. Gedurende een nacht treurt zij bij zijn lichaam, en vanuit dit perspectief denkt zij terug aan het verleden. Zij is een van de dochters van het gezin op de vlucht. Zij zag haar jongere zusje verdrinken in een rivier, onder spervuur van de Russen. Zij groeide op in Siberië, waar haar vader op raadselachtige wijze uit haar leven verdween. Na de oorlog bouwde zij in Warschau haar leven weer op. Kreeg een zoon van een man die zij slechts een nacht beminde. In de kamer van die zoon ontdekt zij, terwijl zij de wake houdt bij zijn dode lichaam, een geheim dat hij voor haar verborgen heeft gehouden.
De structuur van de roman is zonder meer een van de aantrekkelijke aspecten bij het lezen. Verschoor werkt met flashbacks en doseert de informatie in kleine beetjes, waardoor je lange tijd in het ongewisse blijft hoe het precies zit. Ook is zij in staat de belevingswereld en fantasie van een kind overtuigend neer te zetten. En alsof dat niet genoeg is, schrijft zij proza alsof het poëzie is.

donderdag 15 maart 2012

Heldere hemel

Na een mislukt boekenweekgeschenk in 2011 is het boekje dit jaar precies wat het moet zijn: onderhoudend, een breed publiek aansprekend en een verhaal dat qua stijl kenmerkend is voor de auteur. Tom Lanoye schreef met Heldere hemel een novelle die hem waarschijnlijk veel nieuwe lezers zal opleveren.
Het gegeven is gebaseerd op een werkelijk gebeurd incident. Een Russische straaljager die opstijgt van een vliegveld in Polen vertoont direct na de start kuren. De piloot neemt het zekere voor het onzekere en gebruikt zijn schietstoel. Tegen zijn verwachting in gaat het toestel ervandoor. Op kruishoogte, in westelijke richting, voorbij het IJzeren Gordijn Westeuropa in.
Lanoye beschrijft vervolgens in korte hoofdstukken wat een handvol personages daarvan meekrijgt: de NAVO-generaal die op zijn radar het toestel ziet naderen en tot een reactie moet besluiten; de journalist die via een tipgever lucht krijgt van de dreiging; en de Belgische vrouw op wiens huis het toestel uiteindelijk zal neerstorten. Dat laatste maken we niet mee, het verhaal eindigt een seconde daarvóór. De aanloop is interessant, de klap zelf zal daaraan niets toevoegen. Een mooi einde van een verrassend verhaal.

zondag 11 maart 2012

Literaire erfenis

In 2001 voltooide J.J. Voskuil het manuscript van De buurman. Het boek werd indertijd niet gepubliceerd omdat zijn echtgenote Loesje (Nicolien) daar tegen was. Ook na het overlijden van Voskuil in 2008 bleef het boek in de la liggen. In een kort voorwoord licht Loesje dat toe. Zij vond dat het boek niet kon verschijnen zolang een van de hoofdpersonen - de buurman - nog in leven was. Deze persoon overleed in 2011, vandaar dat het boek er nu eindelijk is.
Het boek gaat over een heel klein onderwerp. Midden jaren tachtig komt in het achterhuis van het grachtenpand dat Maarten Koning en zijn vrouw Nicolien bewonen een man alleen te wonen. Enkele maanden later trekt een tweede man bij hem in, en langzaam maar zeker komen Maarten en Nicolien er achter dat het een homostel is.Zij reageren daar volstrekt verschillend op. Voor Nicolien zijn homo's underdogs, en daarmee kunnen ze voor haar niets fout doen. De mannen worden haar helden. Maarten reageert nuchterder. Hij beoordeelt ze, net als bij ieder ander, op hun karakter en gedrag. Omdat beide mannen, de wat oudere en norse Petrus en zijn jongere artistieke vriend Peer, een ietwat afwijkend sociaal gedrag vertonen krijgt Maarten geen band met hen. Hij voelt zelfs een afkeer van het stel. Dit leidt tot heftige ruzies tussen hem en Nicolien. Zij verwijt hem een homohater te zijn, hij lijdt onder haar starre houding en durft dat nauwelijks aan te geven. De minste of geringste opmerking die hij over de buurmannen maakt, wordt door Nicolien consequent negatief uitgelegd. Zelf heeft zij wel in de gaten dat haar gedrag wordt veroorzaakt doordat zij emotioneel heel instabiel en onzeker is. Vaak verontschuldigt zij zich de volgende dag voor haar gedrag. Maar dat verhindert haar niet kort daarna weer even heftig tegen haar man tekeer te gaan.
Tijdens het lezen werd ik heen en weer geslingerd tussen onverschilligheid en bewondering. Het boek gaat in feite nergens over. De mening van Nicolien interesseert mij niet omdat ze in zeker opzicht niet spoort, om niet te zeggen dat ze volkomen geschift is. Dat Maarten daaronder lijdt maakt dat je als lezer met hem sympathiseert, maar is dat voldoende om een roman geslaagd te vinden? Wat het boek voor mij redt is de magistrale wijze waarop Voskuil de gevoelens van Maarten onder woorden brengt. Een hoogtepunt is het moment waarop Maarten na een avond vol ruzie naar bed is gegaan en nadenkt over zijn situatie. Hij voelt dat hij - onbegrepen, verlaten én onheus bejegend - op de bodem van zijn bestaan is aanbeland. Lees: op de bodem van zijn huwelijk. Maar hij doorstaat het, en slechter kan het toch niet worden ....

zaterdag 3 maart 2012

Rollercoaster

Toen David Mitchell's Cloud Atlas in 2004 verscheen, kreeg het laaiend enthousiaste kritieken. Een greep daaruit: It knits together science fiction, political thriller and historical pastiche wih musical virtuosity and linguistic exuberance: there won't be a bigger, bolder novel this year (The Guardian); His wildest ride yet ... a singular achievement, from an author of extraordinary ambition and skill (Independent on Sunday) en A.S. Byatt schreef David Mitchell entices his readers onto a rollercoaster, and at first they wonder if they want to get of. Then - at last in my case - they can't bear the journey to end. Die laatste ervaring had ik ook: het duurt even voor het verhaal op gang komt, maar daarna is het heel verslavend.
Mitchell vertelt zes verhalen. Het eerste speelt zich af op een schip dat omstreeks 1830 op weg is van Australië naar Los Angeles. De vorm is het reisverslag van een van de passagiers, Adam Ewing. Dat eindigt abrupt, waarna Mitchell vervolgt met een verhaal in de vorm van brieven die ene Robert Frobisher in 1931 schrijft aan zijn vriend Sixsmith. Frobisher is een aan lager wal geraakte jongeman van goede komaf die als een halve oplichter rondreist en zich door proletarisch in hotels te logeren in leven probeert te houden. Aan het begin van het verhaal is hij Engeland ontvlucht en heeft zich bij een beroemde componist die een chateau in de buurt van Brugge bewoont naar binnen gebluft als diens assistent. In de kamer waar hij logeert vindt hij een deel van het gepubliceerde reisverslag van Adam Ewing. De hoofdfiguur van het derde verhaal, dat omstreeks 1975 in Californië speelt, is de Sixsmith aan wie de brieven in het tweede deel waren gericht. Hierin gaat het om een net geopende kerncentrale en een negatief onderzoeksrapport over diezelfde centrale, dat de inzet is van een soort guerilla tussen voor- en tegenstanders. Ook dit verhaal wordt afgebroken op een spannend moment, als een echte klifhanger. Vervolgens is dit verhaal het onderwerp van een thriller die een Engelse uitgever in het vierde verhaal, dat omstreeks 1995 speelt, als manuscript krijgt opgestuurd. Met het vijfde verhaal zijn we in de toekomst aangekomen. Centraal daarin staat een serveerster in een restaurant. Zij is een kloon, net als alle andere personen in dienende functies in deze wereld. Het zesde en laatste verhaal speelt in de verre toekomst op een eiland in de Stille Oceaan, waar een strijd wordt uitgevochten tussen groepen mensen die 'de zondvloed' hebben overleefd.
Mitchell reist door de tijd en verbindt ieder verhaal kunstig met het volgende. En het bijzondere is dat hij na het zesde verhaal ook de weg terug weer aflegt, de draad van ieder verhaal oppikkend op het punt waar hij het eerder had afgebroken. Het knappe zit hem voor mij niet alleen in het technische kunststukje dat hij uithaalt - een soort meesterproef voor een auteur - maar dat hij voortdurend opvattingen over menselijk gedrag en morele standpunten op een natuurlijke wijze in de verhalen verwerkt. In het laatste citaat hierboven wordt het boek een rollercoaster genoemd. En het heeft inderdaad iets van een wilde en heftige kermisattractie. Maar dan een waarin je na het einde van de rit eigenlijk direct opnieuw wilt instappen.