zondag 31 maart 2024

Het dwergnijlpaard in de vijver

Ieder jaar lijken de boekrecensenten er meer werk van te maken. Zo ook afgelopen januari. Al in de eerste twee weken van 2024 - de inkt van de nabeschouwingen over de beste boeken van 2023 was nauwelijks droog - hadden ze de voorbeschouwingen voor het nieuwe jaar al gereed, op basis van de voorjaars- en zomeraanbiedingen van de uitgevers. Het is altijd fijn om te zien wat er gaat verschijnen, ik zie dat als de voorpret van het lezen. Ik noteer de data van verschijnen van de must reads, de nieuwe boeken van mijn favoriete schrijvers en ander veelbelovend werk. Effectief lezen vergt naast rust ook een zekere voorbereiding. 

Voor Hans Bouman van de Volkskrant was de aankondiging van een nieuwe roman van de Japanse auteur Haruki Murakami, de eerste in maar liefst zes jaar, zelfs zo nieuwswaardig dat hij er een redactioneel stukje aan wijdde. Begrijpelijk, want Murakami is wat je noemt buitencategorie, een schrijver wiens wonderlijke wereld je geheel en al kan inpakken. De doorgewinterde liefhebber van zijn werk vindt het bijvoorbeeld doodnormaal dat het haringen kan regenen – in Kafka op het strand – of dat de onvergetelijk mooi beschreven, romantische slotscène van IQ84 zich afspeelt in een stadspark, onder een nachtelijke hemel waarin maar liefst twee manen naast elkaar staan, een grote gele en een iets kleinere mosgroene. 

Maar voor wie is verslingerd aan dergelijke betoverende taferelen zou het toch geen écht probleem moeten zijn dat de al wat oudere grootmeester, hij is nu 75, zes jaar lang niets publiceert. Want met zijn wereldwijde succes heeft hij school gemaakt. Zo ongeveer vanaf de vroege jaren negentig zie je steeds weer nieuwe jonge Japanse schrijvers opdoemen die in hun werk op de een of andere wijze door Murakami zijn geïnspireerd. En wier werk daardoor ook steeds vaker in het Nederlands beschikbaar komt. De liefhebber kan dus in die tussenliggende jaren - laten we ze voor het gemak de niet-Murakami-jaren noemen - gewoon op literaire ontdekkingsreis gaan bij die andere schrijvers.  

Yōko Ogawa (61) is zo iemand. Vorig najaar verscheen van haar, vijftien jaar na de Japanse editie, Het onvergetelijke jaar van Tomoko. Het is het verhaal van een 12-jarig meisje dat na de dood van haar vader, waardoor haar moeder zich genoodzaakt ziet een jaar te gaan studeren om een vak te leren, gedurende dat jaar onderdak vindt bij een tante en haar man in een stadje gelegen tussen Osaka en Kobe. Het is een opmerkelijk huishouden waarin ze terechtkomt: haar oom is eigenaar en directeur van een limonadefabriek; haar tante lijkt voortdurend een beetje afwezig te zijn, wat in haar karakter kan zitten dan wel in de meerdere glazen whisky die ze zichzelf dagelijks inschenkt; haar nichtje Mina heeft zwakke longen, de zorg voor haar is een dagelijks terugkerend ritueel; en dan is er nog een uit Duitsland afkomstige grootmoeder, oma Rosa, die samen met de eveneens bejaarde huishoudster mevrouw Yoneda de boel draaiende houdt. Een bejaarde tuinman onderhoudt het uitgestrekte park én verzorgt het opmerkelijkste lid van de familie, het in de grote vijver levende dwergnijlpaard Pochiko. 

Indien u op zoek bent naar een roman die bol staat van de actie, dan is dit niet het juiste boek. Gaat u daarentegen voor literatuur die je met de term 'poëzie van alledag´ kan aanmerken, dat zouden de avonturen van Tomoko u best eens kunnen aanspreken. Ofschoon ‘avonturen’ ook weer een groot woord is, want in het jaar dat Tomoko bij haar familie verblijft lijkt er nauwelijks iets wezenlijks te gebeuren. 

Iedere ochtend wandelt Tomoko met haar bijna even oude nichtje naar de lokale school. Om haar iedere onnodige inspanning te besparen legt Mina de korte afstand af  op de rug van Pochiko, terwijl de tuinman de leidsels strak in handen houdt. Een beeld dat je bijblijft. Op de dagen dat het meisje te ziek is en het bed met houden, neemt Tomoko voor haar romans mee uit de gemeentelijke bibliotheek. Tegenover de jonge bibliothecaris houdt zij de schijn op dat ze die boeken zelf leest. Met dat wat Mina haar erover vertelt lukt dat aardig. 

Van veel van de dingen die zich afspelen in het grote familiehuis ontgaat Tomoko de precieze betekenis. Wat gebeurt er tijdens het ‘lichtbad’ dat Mina met regelmaat ondergaat, en waarvoor zij ook Tomoko uitnodigt? En waarom is oom vaak voor langere tijd afwezig, iets waarover hij en zijn huisgenoten niet schijnen te willen praten? Tomoko doet daar een succesvol onderzoekje naar, wat voor haar de kwestie echter niet verheldert – voor ons als lezers wel. En die dreigende bosbrand, die geen echte brand lijkt te willen worden? Zelfs het verhaal dat ze wél kan bevatten, dat de vader van oom lang geleden uit liefhebberij in het park een kleine dierentuin stichtte waarvan het dwergnijlpaard de laatste overlevende is, heeft voor haar onbegrijpelijke kantjes. Het lopen over het kerkhof, in een hoekje van het park, waar de overige dieren in hun graf rusten, geeft haar een vreemde sensatie. 

Die talloze kleine dingen die Tomoko beleeft mogen dan wel klein zijn, in haar hoofd zijn ze dat niet. Het nieuwe, het deels moeilijk te bevatten én de opeenstapeling zorgen ervoor dat zij de logeerpartij heel intens beleeft. Het doet iets met haar. Een mooi coming of age avontuur dus, als je het per se een label wil geven.

Yōko Ogawa / Het onvergetelijke jaar van Tomoko / Vertaald uit het Japans door Luk Van Houte / 298 blz / Cossee, 2023

zondag 24 maart 2024

Op reis in Nederlands-Indië in de negentiende eeuw

Op vakantie gaan velen van ons graag naar Indonesië. Om de indrukwekkende natuur, de interessante cultuur, het heerlijke klimaat en, niet te vergeten, het goddelijke eten. Dat toerisme op grote schaal is natuurlijk ooit klein begonnen. Maar wanneer? En wie waren die reizigers? Hoe reisden ze? Waar waren ze naar op zoek? Wat troffen ze aan, en wat vonden ze daarvan? Rick Honings, neerlandicus en hoogleraar in Leiden, deed er de afgelopen jaren onderzoek naar en bracht het in kaart. Met als resultaat De ontdekking van Insulinde. Op reis in Nederlands-Indië in de negentiende eeuw. Een kloek boek, goed geschreven, mooi gebonden, precies het juiste papier en verlucht met de prachtigste, trefzeker geselecteerde afbeeldingen. Zo’n boek dat ik, thuisgekomen, eerst even aai voordat ik ga lezen.  

Honings laat zijn studie voorafgaan door een veelzeggend motto: ‘I was King and Lord of all this Country indefeasibly, and had a Right of Possession.’ Vrij vertaald wordt dat ‘Ik was koning en heer van dit onbekende land, en bezat het recht van eigendom’. Het is een zin uit Robinson Crusoe van Daniel Defoe. Nu waren de reis en schipbreuk, en het jarenlange verblijf van Crusoe op zijn eiland weliswaar denkbeeldig, terwijl het verblijf van Nederlanders in Indië dat juist niet was, toch is het citaat heel toepasselijk. Ook de Nederlanders beschouwden Indië lange tijd als hun bezit, gebied waarover zij heersten en waarvan zij de vruchten mochten plukken. Of dat nu tijdens de vroege VOC-periode was, toen de eilanden een wingewest waren, of na de Franse tijd, als kolonie een onderdeel van de Nederlandse staat. 

Die Nederlandse houding was lange tijd de heersende norm. Maar gaandeweg de negentiende eeuw begon dat door de overheid zorgvuldig bewaakte bastion scheurtjes te vertonen. Multatuli, met zijn Max Havelaar, was natuurlijk de bekendste ‘stoorzender’. Maar ook anderen lieten afkeurende geluiden horen, in het openbaar dan wel privé. In de reisverslagen, dagboeken en andere documenten en bronnen die Honings aanhaalt wordt dit tegengeluid op soms verrassende wijze geuit, en in ieder geval vaker en vroeger dan ik altijd aannam.

Naar onze begrippen is Indonesië al ontzaglijk uitgestrekt, voor de negentiende-eeuwer moet het een wereld op zich hebben geleken. De vroege reizigers verplaatsten zich meestal te paard of met de als gerieflijk ervaren draagstoel – gerieflijk voor de inzittende, minder voor de koelies die hem sjouwden. De aanleg in 1808 van de Grote Postweg op Java, die Batavia met het oosten van het eiland verbond, betekende een grote vooruitgang. Vanaf 1867 kwamen daar mondjesmaat de spoorwegen bij. De afstanden leken steeds kleiner.

De negentiende eeuw vormt wat reizen naar Nederlands-Indië betreft een overgang van ontdekkingsreizen naar toeristische reizen. Honings heeft zijn verhaal in drieën geknipt. Hij begint met de ´vroege reizigers´, die het land bezochten in de periode 1800-1830. Dan volgen tussen 1830 en 1860 de ´ontdekkers en verkenners´. De laatste groep bestaat uit ´plezierreizigers en toeristen´, die tussen 1860 en 1900 in steeds grotere aantallen op de boot naar Indië stapten. De opening van het Suezkanaal speelde daarbij een grote rol.

Per periode presenteert Honings vijf reizigers. Ieder van hen wordt kort geïntroduceerd en in zijn of haar tijd geplaatst, waarna op basis van hun – al dan niet gepubliceerde – reisverslagen en dagboeken de reis zelf volgt. Die  benadering vanuit de reiziger zelf werkt goed, je voelt je als lezer al snel betrokken bij hun wederwaardigheden. Wat helpt is dat het een bont gezelschap is. In de vroege groep vinden we een avontuurlijke scheepsarts, twee plantkundigen, een zendelingenechtpaar, een rijksambtenaar en enkele militairen. De tweede groep herbergt onder andere twee kinderen, een politieke activist, een natuurwetenschapper en de eerste vrouw die we tegenkomen. Onder de plezierreizigers in de laatste lichting vinden we onder andere de schrijvers Justus van Maurik en Augusta de Wit – die van Orpheus in de dessa -, naast een koopman en wereldverbeteraar als Bas Veth. Deze samenstelling resulteert in zeer van elkaar verschillende  beschrijvingen, verhalen en meningen. Ieder vanuit zijn of haar eigen achtergrond en deskundigheid.  

Als ik er één reiziger uit mag lichten, dan is dat de Duitser Franz Wilhelm Junghuhn (1808-1864), de hierboven genoemde natuurwetenschapper. Die benaming kun je nog wat specificeren, wat Honings dan ook doet: Junghuhn was arts, botanist, geoloog, etnograaf, topograaf, landmeter, klimatoloog, vulkanoloog, antropoloog, tekenaar, oudheidkundige, filosoof én fotograaf. Kortom, dé man met wie je de nog deels onbekende binnenlanden van Java in zou willen trekken. Hij wordt vaak vergeleken met zijn tijdgenoot Alexander von Humboldt. Net als deze gaf Junghuhn de voorkeur aan veldonderzoek boven  zijn studeerkamer. Hij kon weken achtereen stug doorwerken bij een tropische hitte, ziekten voor lief nemend. Ook beklom hij, net als Von Humboldt, graag vulkanen. Het liefst werkende. De afbeelding hiernaast is van zijn eigen hand en toont hem bij de Merapi, nog steeds de actiefste vulkaan van Indonesië. De kleurrijke tekeningen die hij op talloze plekken tijdens zijn tochten vervaardigde, werden later in albums uitgegeven. Hiernaast is het de overweldigende natuur, hierboven een lieflijker landschap aan de voet van de Goenoeng Soembing, maar ook tekende hij rijstvelden, woeste boslandschappen en ga zo maar door. Bij elkaar hebben zij mede het beeld bepaald dat wij vandaag de dag hebben van het Indonesische landschap.

Rick Honings / De ontdekking van Insulinde. Op reis in Nederlands-Indië in de negentiende eeuw / 556 blz / Prometheus, 2023

zaterdag 23 maart 2024

Een tweeling gescheiden

Een roman bestaat bij de gratie van z´n geloofwaardigheid. En juist daaraan zullen behoorlijk wat lezers van De onbedoelden de eerste honderd bladzijden of zo regelmatig twijfelen. Dat kun je ze niet kwalijk nemen, want de gebeurtenissen zijn onvoorstelbaar. Het verhaal begint in de vroege jaren zestig in het zuiden van Limburg. Daar bevalt een jonge ongehuwde vrouw van een tweeling, twee meisjes. Ze worden bij de vrouw weggehouden terwijl haar kortzichtige vader, een behulpzame pastoor en goedbedoelende nonnen aan het werk gaan om de meisjes in een gezin geplaatst te krijgen. Adoptie. Met medewerking met de Raad voor de Kinderbescherming lukt dat, na vier maanden in een opvanghuis samen in een wieg te hebben gelegen worden ze geadopteerd. Door twee gezinnen. Ze worden dus van elkaar gescheiden. Waarbij de adoptie-ouders geheimhouding moeten beloven tot de meisjes 21 jaar zijn. 

Precies 21 jaar later vertellen de adoptie-ouders van een van de meisjes, Aaf, haar het geheim. Met het bewaren daarvan hebben ze vaak geworsteld. Zij wisten namelijk dat het meisje er een van een tweeling was, maar werden door de Raad voor de keuze gesteld: één van de twee adopteren, of helemaal niet. Zij gingen na veel gedoe overstag, mede omdat de Raad hen bezwoer dat wetenschappelijk onderzoek had uitgewezen dat er in de eerste maanden – of zelfs in de baarmoeder – nog geen sprake kon zijn van binding tussen tweelingen. 

Aaf, doortastend, gaat na de eerste schok aan de slag om haar tweelingzus te vinden, die Annemarieke blijkt te heten. Vervolgens proberen ze samen contact te leggen met hun biologische moeder die, na al die jaren geknakt door de gebeurtenissen, de boot afhoudt. De zoektocht naar hun biologische vader – een Griek die door slinks gedrag van zijn familie niet van het bestaan van Aaf en Annemarieke wist – loopt gelukkiger af.

Zo’n beknopte weergave van de inhoud verhult enigszins de gelaagdheid die Cobi van Baars in haar roman heeft aangebracht, en de rijkdom aan soms verrassende inzichten. Als lezer realiseer je je dat zij lang met het verhaal in haar hoofd moet hebben rondgelopen, alle denkbare aspecten van het gebeurde van alle kanten heeft beschouwd. Dat inlevingsvermogen wordt enigszins begrijpelijk wanneer je verneemt – ze vertelt het in vrijwel al haar interviews – dat ze het verhaal van de betreffende tweeling zelf heeft gehoord. Dat ze al zo’n dertig jaar geleden al eens hoorde van het verhaal, dat toen in kleine kring rondzong, maar dat een toevallige meer recente ontmoeting met de inmiddels volwassen vrouwen de roman heeft getriggerd. 

Dit betekent niet dat deze roman eigenlijk non-fictie is. Van Baars gebruikt de rijke structuur die ze opbouwt onder andere om als verteller op meerdere momenten in het verhaal op te treden, in te grijpen of een toelichting te geven. Of om aan te geven dat het niet altijd om de waarheid gaat, dat het boek háár versie van de waarheid is. En dat het niet altijd de feiten zijn die het boek maken, maar ook de moeilijker benoembare zaken als de gevoelens van Aaf en Annemarieke tijdens dit proces. Al met al een boek dat me lang bijbleef.

Ik luisterde het boek, voorgelezen door Wivineke van Groningen. Ik moest het eerste uur wel even wennen aan haar stem. Die heeft een toon van mededogen, als je dat zo kan zeggen. Maar eenmaal daaraan gewend is dat misschien juist goed. Waar Van Baars de valkuilen van medelijden, zoet sentiment en tranentrekken juist zorgvuldig vermijdt, daar brengt die toon van de voorlezer juist dát kleine beetje daarvan terug. Het verhaal kan het hebben.

Cobi van Baars / De onbedoelden / Luisterboek, voorgelezen door Wivineke van Groningen / 6 uur en 9 minuten / Atlas Contact, 2023, via Storytel 

vrijdag 22 maart 2024

Cicero & de kunst van de welsprekendheid

Komend najaar zullen de verzamelde bewaard gebleven brieven van en aan de Romeinse staatsman Cicero in een nieuwe Nederlandse vertaling verschijnen. Bijna 2.100 jaar na zijn gewelddadige dood. In onze huidige maatschappij is daar dus een zekere vraag naar, anders zouden tekstbezorgers, fondsen en de uitgever niet hun tijd en geld in het project investeren. Wat is het dat ons nu nog fascineert in Marcus Tullius Cicero, die leefde van 106 tot 43 voor onze jaartelling? Wie dat als geen ander heeft begrepen is Robert Harris, de Britse auteur van historische romans. Tussen 2006 en 2015 publiceerde hij de trilogie Imperium – Lustrum – Dictator. Voor mij is dat een van de mooiste en meest indrukwekkende historische romans die ik ooit las. Maar ook een literair monument dat heeft bijgedragen aan Cicero’s huidige populariteit. 

Op het eerste oog is Cicero niet een van de meest belangrijke Romeinse staatsmannen. Het militaire genie van een Julius Caesar of het bestuurlijk gewicht van een keizer Augustus bezat hij niet. Bovendien was hij - in het Rome van zijn tijd belangrijk - van relatief eenvoudige afkomst. Consul was hij niet al te lang, een periode die bovendien nog werd ontsierd door list en bedrog van zijn politieke tegenstanders. Maar toch staat hij opgesteld in wat wij het ‘Pantheon der groten’ noemen. Waarom? Als je één doorslaggevend argument mag noemen, is het dat hij als geen ander de kunst der welsprekendheid beheerste. En dat veel van zijn teksten bewaard zijn gebleven. Daardoor hebben wij moderne mensen het gevoel dat we hem kennen, dat hij in zekere zin naast ons staat.  

Ooit moet er een biografie van Cicero hebben bestaan, al tijdens en kort na zijn leven opgetekend door Tiro, zijn secretaris. Die tekst is verloren gegaan, wat Harris de mogelijkheid biedt om zijn trilogie door Tiro als het ware opnieuw te laten schrijven. Gedurende Cicero´s gehele loopbaan, van zijn praktijk als jurist en zijn politieke carrière tot aan zijn ballingschap en dood, week Tiro niet van de zijde van zijn meester. Dat kon hij trouwens ook niet, want hij was een slaaf. Maar zelfs toen Cicero hem wél zijn vrijheid teruggaf, was hij nooit ver weg. Hij verzorgde Cicero´s agenda, notuleerde gesprekken, stelde contracten op en voerde talloze andere klussen uit. Om zijn snel sprekende baas te kunnen bijhouden ontwikkelde hij een uit notaties bestaand snelschrift, wat wij kennen als steno. 

In het eerste van de drie boeken, Imperium, beschrijft Harris de opkomst van de jonge Cicero, dan nog advocaat. Mooi zijn de passages waarin hij zich bekwaamt in de kunst van de welsprekendheid. Het zal gedurende zijn gehele loopbaan zijn machtigste en meest effectieve wapen blijven. Cicero’s pogingen een consulaat te bemachtigen vormen voor de lezer een soms onthutsende kennismaking met de Romeinse politieke arena. Een leeuwenkuil. Daarin als oprecht en principieel man overeind blijven en je tegenstanders verslaan vergt het uiterste van je doorzettingsvermogen en durf. De rechtszaak tegen de corrupte en misdadige gouverneur van Sicilië, Verres, die Cicero op spectaculaire wijze weet te winnen, brengt hem zijn eerste roem.

In het tweede boek, Lustrum, en het afsluitende Dictator verhoogt Harris de intensiteit van de gebeurtenissen en de snelheid waarmee die elkaar opvolgen. Centraal daarin staan de pogingen van Caesar, Crassus en Pompeius om het regeringssysteem met twee consuls en de senaat om te vormen tot een zogenoemd Triumviraat waarin zij alle macht in zich verenigen. Dat zal er in 60 voor Chr. ook komen. Voor Cicero, zijn familie en vrienden betekent dit een totale omwenteling in hun leven. 

Aan Cicero’s legendarische welsprekendheid biedt Harris door de boeken heen veel ruimte. Die speeches zijn een genot om te lezen. Je realiseert je dan eens te meer dat een spreker die een publiek weet mee te slepen overtuigend overkomt. Cicero behaalde er successen mee als pleiter, als consul en ook als privépersoon. Of dat nu in de Senaat was of bij vergaderingen in de buitenlucht, waarbij het volk in grote getale kwam opdagen wanneer hij werd aangekondigd. Omdat Cicero bij zo’n laatste bijeenkomst, sprekend voor het volk, nog wel eens de aristocratie op de korrel wilde nemen, laat Harris een van die aristocraten Cicero verwijten dat hij er een ‘anti-aristocratische theaterproductie op het Forum’ van maakt.

De Cicero-trilogie gaat over politiek. Die is van alle tijden, en Harris trekt met regelmaat lijntjes naar het nu. Dat deed de Royal Shakespeare Company na de voltooiing van de reeks dan ook besluiten tot een bewerking als toneelstuk van maar liefst zeven uur, te spelen op twee achtereenvolgende avonden. Een van Harris’ meest populaire uitspraken, in de mond van Cicero gelegd, bleek ‘Stupid people tend to vote for stupid people.’ Die heb ik Joe Biden nog niet horen gebruiken ….

Het Rome van Cicero dat Harris beschrijft mag dan een kille en potentieel gevaarlijke plek zijn voor ieder die anders over dingen denkt dan de machthebbers, als lezer ervaar je het tegelijkertijd als een warme deken. Het verhaal leeft, de personen zijn mensen van vlees en bloed, bladzijde na bladzijde is het intens, emotioneel, spannend en dus ook verslavend. Ik kan me nog herinneren dat het tijdens de jaren dat de drie delen verschenen frustrerend was om na lezing van een deel weer jaren te moeten wachten. Inmiddels is de trilogie verkrijgbaar in één band. Een serieuze sessie binge-reading is daarmee mogelijk.  

Robert Harris / Imperium & Lustrum & Dictator / resp. 368 & 396 & 381 blz / Cargo, 2006- 2015

donderdag 21 maart 2024

Speelfilms maken in een dictatuur

Daniel Kehlmann is een meester in het ombouwen van historische gebeurtenissen tot literatuur. Hij bewees dat onder meer met Het meten van de wereld (2007), over de vete tussen twee achttiende-eeuwse wetenschappers. En ook Tijl (2017), waarin hij, met als decor de Dertigjarige Oorlog, de lotgevallen beschrijft van de mythische figuur Tijl Uilenspiegel, werd door veel lezers gewaardeerd. In zijn nieuwste roman Lichtspel gaat hij wat minder ver terug in de tijd. Het verhaal speelt zich af in de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kehlmann stelt zich ditmaal de vraag of en in hoeverre een kunstenaar, in dit geval een filmmaker, tijdens een dictatuur kan doorwerken zonder zijn artistieke en menselijke geloofwaardigheid aan te tasten. Vanzelfsprekend komt hij niet tot een eensluidend antwoord, maar schetst je middels een geraffineerd spel de consequenties van de mogelijke keuzes.

De held van het verhaal – of het slachtoffer – is G.W. Pabst, een filmregisseur die werkelijk heeft bestaan. Hij werd in 1885 geboren in Bohemen, maar werkte voornamelijk in Duitsland en voelde zich ook Duitser. Tijdens de Weimarrepubliek verwierf hij aanzien met sociaal geëngageerde films als Die freudlose Gasse (1925), Westfront 1918 (1930) en Dreigroschenoper (1931). Ontdekte ook sterren als Louise Brooks en Greta Garbo. Na 1933, in de jaren dat Duitsland afgleed naar een dictatuur, nam hij met vrouw en kind de wijk naar de Verenigde Staten. Hij was niet de enige, vooral in het zonnige Californië was het vergeven van Europese kunstenaars.

Maar zo groot als Pabst was in Europa, zo onbekend bleek hij in de VS te zijn. Zelfs voor mensen in de filmindustrie. Producenten verwarden hem soms met Fritz Lang, die Metropolis had gemaakt, of met de populaire Billy Wilder, ook een vluchteling. Noodgedwongen nam Pabst uiteindelijk een rammelend scenario aan, een klus die dan ook eindigde in een slechte film. En een tweede kans kreeg je in Hollywood niet. Dus toen in 1938 de gezondheid van zijn moeder achteruitging en haar opname in een tehuis moest worden geregeld, reisde Pabst met zijn gezin terug naar het familiehuis in Oostenrijk. Welk land inmiddels door Duitsland was geannexeerd. Terug op zijn thuisbasis treuzelde hij met het nemen van maatregelen, stelde hij de terugreis te lang uit, en zat voor hij het zich realiseerde vast in een Europa in oorlog.

Dan begint Joseph Goebbels aan hem te trekken. Die heeft een droombeeld voor ogen waarin Pabst grote films maakt, dure producties die, vermomd als speelfilms voor een breed publiek, de Duitsers het gevoel zullen geven dat ze op de goede weg zijn. In een van de mooiste scènes in het boek gaat Pabst op bezoek bij Goebbels. De laatste ruikt als het ware de interne tweestrijd van de filmer, diens stress, en weet daar handig gebruik van te maken. Pabst gaat akkoord, maar weet voor zijn eigen gemoedsrust nog een zekere status van onafhankelijkheid los te peuteren. Maar dat hij in de val zit, dat dit de slechtste beslissing van zijn leven zal blijken te zijn, daar wil hij nog niet aan.

De films komen er: Komödianten (1941) en Paracelsus (1943). Het ontstaansproces daarvan benut Kehlmann om heel subtiel het spanningsveld tussen kunst en staat in die jaren op te roepen. Pabst realiseert zich terdege wat er om hem heen gebeurt, maar is ook gefocust op zijn films. Zijn dat kunstwerken waarom hij na de oorlog zal worden gezien als een groot kunstenaar? Of moet hij daarvoor, midden in het omvallende Duitsland, nog één finale poging doen? 

Ik lees graag romans waarin je op de laatste bladzijden merkt dat je op bladzijde 27 iets oplettender had moeten lezen. Nu mistte je de hint, maar het voordeel daarvan is een onverwacht knetterend einde, een totale verrassing. Een aanrader!

Daniel Kehlmann / Lichtspel / Uit het Duits vertaald door Josephine Rijnaarts / 381 blz / Em. Querido’s Uitgeverij, 2024

woensdag 20 maart 2024

'Nietsdoen is de kortste weg naar geluk'

Vier jaar geleden kreeg Herman Koch de diagnose te horen die wij mannen op leeftijd vrezen: prostaatkanker, agressief, met uitzaaiingen op meerdere plekken. Hij besloot, na het even te hebben laten bezinken, het niet wereldkundig te maken. Hoe hij zou omgaan met zijn ziekte zou hij zelf kiezen. In de jaren die volgden schreef hij twee romans, Een film met Sophia en Het Koninklijk Huis. Aan beide boeken ‘was niets te merken’. Het derde boek sinds de diagnose, getiteld Ga je erover schrijven?, zou de plek zijn waar openheid van zaken zou worden gegeven. En dat gebeurt. De titel ontleende hij aan een vraag van zijn arts.

Begin 2020, kort nadat bij hem de ziekte was geconstateerd, reisde Herman Koch naar het buitenland voor een boekpresentatie. Op de terugweg kocht hij op een station een NRC Handelsblad, waarin zijn toen nieuwste boek, Finse dagen, werd besproken. De recensent, Thomas de Veen, gaf het boek als eindoordeel drie van de vijf ballen. In gewoon Nederlands betekent dat ´ruim voldoende´. Tja, verzuchtte Herman toen, van De Veen krijg ik standaard drie ballen. Maar zou hij me er meer hebben gegeven als hij wist dat ik sinds kort een dodelijke ziekte heb? Omdat hij dan misschien medelijden met me zou hebben? Die verzuchting kreeg een plekje in Ga je erover schrijven?, en in zijn recensie van het boek die onlangs in de NRC stond, pakte De Veen de handschoen op. Hij besprak het boek het boek positief en gaf het víér ballen. ‘Dankzij de kanker’. 

We leven in een cultuur waarin het steeds vanzelfsprekender wordt dat Bekende Nederlanders het niet verzwijgen wanneer ze getroffen worden door een ongeneeslijke ziekte. Sommigen voelen zelfs de behoefte om dat feit zo breed mogelijk via de media te delen, lijkt het wel. Koch niet. Na de diagnose vertelt hij het weliswaar aan familie en goede vrienden, maar houdt het verder stil. Hij hoeft geen medelijden.

Vanzelfsprekend reageert Koch emotioneel op het oordeel dat zijn artsen uitspreken. Zeker de eerste weken. Maar al snel beseft hij dat zijn leven waarschijnlijk nog geruime tijd ‘business as usual’ zal kunnen blijven, de artsen geven hem namelijk een prognose van drie à vijftien jaar. Voor een man van achter in de zestig zet dat de zaken wel in het juiste perspectief. Wat ook helpt is dat hij in plaats van chemokuren zal worden behandeld met pillen, wat veel minder zwaar schijnt te zijn voor het lichaam. Dus besluit hij, afgezien van de behandeling, in zijn hoofd te gaan voor die vijftien jaar. En zich verder te houden aan zijn favoriete motto, ‘Nietsdoen is de kortste weg naar geluk’. In zijn overlijdensadvertentie zal níét staan dat hij ´de zware strijd heeft verloren´. 

Het is Koch gelukt oprecht en zonder melodramatisch te worden te schrijven over de ontdekking van zijn ziekte, het slecht-nieuws gesprek, het indalen van bericht in zijn gezin – vrouw, zoon en schoondochter - en zijn besluit hoe ermee om te gaan. Het eerste deel van het boek vond ik bij vlagen groots. Gaandeweg echter dwaalt Koch af van die kern om het ook over andere zaken te hebben. Soms getriggerd door zijn ziekte, zoals mijmeringen over het gezin waarin hij opgroeide. Soms ogenschijnlijk zonder dat, zoals de soms komische, soms wat melige stukjes over zijn optredens in boekhandels door de jaren heen. Daar komt Jiskefet om de hoek kijken, denk ik dan. Dat inwandelen van zijpaadjes is soms begrijpelijk en zinvol, maar doet voor mijn gevoel afbreuk aan de kwaliteit van het boek als geheel. En dat is, bij dit onderwerp, een beetje jammer. Die 271 bladzijden hadden er ook 135 kunnen zijn.

Herman Koch / Ga je erover schrijven? / 271 blz / Ambo Anthos, 2023

zondag 17 maart 2024

Roestam, de Mammeluk van Napoleon

Weinig heersers zullen zich zo vaak hebben laten afbeelden als Napoleon Bonaparte. De trotse generaal, en later consul en keizer, gaf schilders opdracht om zo ongeveer ieder heroïsch moment in zijn loopbaan op het doek te vereeuwigen. Die vaak kolossale schilderijen werden gewoonlijk getoond op de jaarlijkse Parijse Salon, om vervolgens een plek te vinden aan de wanden van het Château de Versailles, in Malmaison, het Louvre of andere paleizen en musea. Wie die voorstellingen nauwkeurig bekijkt, zal een detail ontdekken dat met grote regelmatig terugkeert: een man met een witte tulband op zijn hoofd. Soms is hij prominent afgebeeld, naast of in de buurt van Napoleon. Vaker ergens in de marge van het tafereel. Maar hij is er vrijwel altijd. Het is niet zomaar iemand, we kennen zelfs zijn naam: Roestam, beter bekend als de Mammeluk van Napoleon.

Roestam en Napoleon ontmoetten elkaar voor het eerst in de zomer van 1799 in Egypte. Bonaparte was daar een jaar eerder gearriveerd, aan het hoofd van een Frans expeditieleger. In militair opzicht kende de veldtocht een wisselend succes, maar voor de door Napoleon meegebrachte wetenschappers en kunstenaars was het een gouden kans de cultuur van de Egyptische oudheid te bestuderen. Toen in het voorjaar van 1799 echter ook de zogenoemde Syrische campagne niet het gewenste succes opleverde, besloot Napoleon voorbereidingen te treffen voor zijn terugkeer naar Frankrijk. Aan al-Bakri, een van de machtigste sjeiks in Caïro, liet hij weten als afscheidsgeschenk graag twee Mammelukken te ontvangen, door hem te gebruiken als bedienden. Aldus geschiedde. Roestam en een vriend van hem, Ibrâhîm, zouden hun verdere leven in Frankrijk doorbrengen. Roestam diende Napoleon, Ibrâhîm was een cadeautje voor Joséphine.

Wat zijn Mammelukken eigenlijk? Wat gaat er schuil achter deze vrij exotisch klinkende benaming? Het was een lange traditie, maar in de achttiende eeuw ging het in essentie om kindslaven die door handelaren vanuit het Nabije Oosten naar de Arabische wereld werden gebracht en daar verkocht, meestal aan lokale krijgsheren. De kinderen ontvingen vervolgens een gedegen militaire opleiding, waarbij het gevecht te paard centraal stond. Ze werden scherpschutters die ook in volle galop de roos wisten te treffen én hun pistool of geweer wisten te herladen. Ieder van de 24 krijgsheren die omstreeks 1800 de dienst uitmaakten in Egypte beschikte over een legertje Mammelukken, in omvang variërend van 300 tot 600 man. Bij elkaar een geduchte gevechtskracht. 

De in 1782 geboren Roestam was afkomstig uit Georgië, in de Kaukasus. Als veertienjarige viel hij in handen van slavenhandelaren, waarna hij via de Zwarte Zee en Constantinopel uiteindelijk Caïro bereikte. Daar werd hij gekocht door een krijgsheer en begon zijn opleiding tot Mammeluk. Die duurde gewoonlijk vijf tot acht jaar, waarna de slaaf de status van vrijgelatene ontving. Toen Roestam dus in 1799 aan Napoleon werd geschonken, had hij zijn opleiding nog niet voltooid. Maar dat bleek geen probleem. Toen Napoleon met de elite van zijn cavalerie eind augustus vertrok richting Alexandrië, om vandaar de boot naar huis te nemen, werden ze aangevallen door een menigte bedouïenen. Roestam schrijft hierover in ‘Souvenirs’, zijn later geschreven herinneringen: ‘Ik had een uitstekend paard, ik was voor niets en niemand bang, en ik was goed bewapend: ik beschikte over twee paar pistolen, , een sabel en een donderbus, terwijl er ook nog een goedendag aan mijn zadel hing.’ Wellicht overdreef hij een beetje, maar naast persoonlijk bediende was hij vanaf dat moment ook Napoleons persoonlijke lijfwacht.  

De historicus Jos Gabriëls was lange tijd als onderzoeker verbonden aan het gerenommeerde Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. In De man met de witte tulband dist hij dan ook niet alleen de smeuïge verhalen op, maar plaats hij de geschiedenis van Roestam ook in een bredere wetenschappelijke context. Bijvoorbeeld in die van de asymmetrische relatie tussen meester en dienaar. Of in de sociale structuur van Napoleons met de jaren uitdijende hof, waarin de ‘eenling’ Roestam zich vrijelijk bewoog zonder zich veel aan te trekken - of te begrijpen - van de hiërarchie. Tientallen vergelijkbare exotische bedienden aan andere hoven komen langs, van echte Mammelukken tot Pseudo-Mammelukken. Om te eindigen met een mooi historisch overzichtje van de ‘Mammelukomanie’, een niche in de wereld van de verschijningsvormen van het exotisme. 

Maar voor je daar bent, heb je vijftien jaar meegeleefd met wat een steeds bijzonderder relatie tussen twee zo verschillende mannen lijkt. De opwelling waarin Napoleon twee Mammelukken ten geschenke vroeg moet zijn voortgekomen uit zijn neiging om aan mythevorming te doen: een man uit het oosten, door de consul/keizer gekleed in steeds sprookjesachtiger ogende kostuums, was immers een niet mis te verstane verwijzing naar zijn vroege militaire successen in exotische oorden. Gaandeweg sleet de nieuwigheid, waardeerde Napoleon hem vooral om zijn toewijding. Zeker tijdens de tijdrovende veldtochten, waarop de Mammeluk een van de weinige bedienden was. Hij was erbij tijdens de Russische veldtocht, en in Moskou, alles in zijn kleurige fantasiekostuum. Aan dat kostuum bracht Napoleon trouwens al snel een kleine wijziging aan: de witte tulband werd tijdens veldtochten vervangen door een zwarte, nadat Napoleon had gemerkt dat vijandelijke sluipschutters aan de witte een iets te gemakkelijk doelwit hadden. 

In minstens één opzicht hadden Napoleon en Roestam een meer dan vertrouwelijke relatie: het nachtelijke damesbezoek dat de keizer met regelmaat ontving. Roestam sliep uit beveiligingsoverwegingen gewoonlijk op een veldbed in de antichambre van Bonapartes slaapkamer. Maar tijdens  damesbezoek nam hij een extra maatregel: hij zette zijn bed, zodra de dame binnen was, dwars voor de deur. Zoals Joséphine moest ervaren toen ze op een avond, al haar moed bijeengeraapt en in gezelschap van een hofdame, binnensloop om haar man te betrappen. Zover kwam ze niet, ze struikelde over Roestrams bed. Napoleon vond het de volgende ochtend een enorme grap, vertelde het aan wie maar wilde luisteren. 

En Roestram zelf, komt die tot leven in deze biografie? Gabriëls put naar hartenlust uit de hierboven al genoemde ‘Souvenirs’ die de Mammeluk omstreeks 1830 moet hebben geschreven. Het manuscript daarvan, met de titel (vertaald) ‘Het privéleven van de heer R(oestram) R(aza) tot aan 1814’, werd in 1888 voor het eerst gepubliceerd. Maar de hondstrouwe Roestram blijkt geen groot schrijver, veel verder dan een als los zand aan elkaar hangende reeks feitelijkheden komt hij niet. Waarbij het de vraag is hoe betrouwbaar zijn tekst is, na al die jaren. Gabriëls is echter duidelijk gegrepen door zijn onderwerp, weet het met behulp van talloze andere bronnen in een meeslepende vorm te gieten. Waarbij de vele prachtige afbeeldingen het ook een kijkboek maken.

Roestrams dienstverband eindigde in 1814, toen hij weigerde om op Napoleons verzoek in te gaan hem in diens ballingschap naar Elba te vergezellen. Hij gaf de voorkeur aan een leven bij zijn vrouw en kinderen, na vijftien jaar zuinig leven had hij een spaarpotje opgebouwd. Maar begin 1815, toen Napoleon glorieus optrok naar Parijs, verzocht hij hem per brief nederig weer in dienst te worden genomen. Maar voor Napoleon had hij afgedaan. De brief eindigde in de haard.  

Jos Gabriëls / De man met de witte tulband. Roestam de Mammeluk, de oosterse bediende van Napoleon / 519 blz / Boom, 2023

zaterdag 16 maart 2024

Toen Volendam een kunstenaarskolonie was

Al enkele weken voor aanvang van de Boekenweek zag je ze verschijnen in de etalages van de boekhandel: de oogstrelend mooie posters van schilderijen uit het nieuwe boek van Jan Brokken, De Ontdekking van Holland. De illustratie hiernaast is er zo een. De zonovergoten voorstelling toont twee kinderen, een jongen en een meisje, die over een kaarsrechte zandweg in de richting van het aan de horizon zichtbare Volendam lopen. De hemel is blauw, als kijker vóel je als het ware de warmte van het doek stralen. Het werk werd geschilderd door de Engelse kunstenaar George Sherwood Hunter. In 1892, midden in de hoogtijdagen van Volendam als kunstenaarskolonie. Het is naar dát dorp, en soortgelijke rondom de toenmalige Zuiderzee, én naar die tijd dat Jan Brokken terugreist. In, voor het eerst in langere tijd, weer eens een binnenlands reisboek van zijn hand.

Eeuwenlang was Volendam een doorsnee vissersdorp. Gelegen aan een echte binnenzee, waarop het flink kon spoken. Het jaar waarin het dorp van karakter wijzigde is aan te wijzen. Dat was in 1876, toen de Deens-Engelse schilder George Clausen op een tentoonstelling in de Royal Academy in Londen een schilderij toonde dat hij het jaar ervoor in Volendam had vervaardigd. De voorstelling, getiteld High Mass at a Fishing Village on the Zuyder Zee, oogt idyllisch: de verstilling van een Hollands plaatsje op zondagmorgen, waarin vrouwen en kinderen die geen plek meer konden vinden in de kerk daarom op het pleintje ervoor zijn neergeknield en devoot de handen vouwen en het hoofd buigen. Een werkelijkheid die wat is aangezet, maar werkte. Het maakte emoties los. Het jaar erop togen Engelsen en Schotten, en daarna ook Belgen, Fransen, Duitsers, Oostenrijkers, Hongaren, Italianen en Scandinaviërs naar Volendam. Het vissersdorp was nu ook een kunstenaarsdorp geworden.

Dat het zo’n vaart liep – wij zouden zeggen: een hype werd – was voor een groot deel te danken aan Leendert Spaander.. Door zijn vader opgeleid als zeilmaker, vervolgens met een eigen schoener een handelsvaart op Engeland begonnen, was hij sinds 1881 eigenaar van een café bij de Volendamse haven dat hij in de jaren erop uitbouwde tot een hotel, Hotel Spaander. Behalve kamers bood hij ook, in hetzelfde gebouw, ruime en lichte ateliers aan. En hij stuurde, zijn tijd voortuit, Britse kunstenaarsverenigingen daarover reclamebrieven. Een ondernemer pur sang dus. Hij maakte het kunstenaarsdorp groot, en zou er zelf ook veel aan verdienen. Maar, als je als schilder op de dag van afrekenen wat krap bij kas was, mocht je ook wel deels betalen met een schilderijtje. De ‘Collectie Spaander’, te zien in het hotel, is een fenomeen.

In 24 hoofdstukken, rijk geïllustreerd, vertelt Brokken op aanstekelijke wijze het verhaal. Over de schilders die de Hollandse luchten ontdekten, degenen die jaar na jaar naar Volendam terugkeerden, regelmatig voor hele seizoenen. Over de relatief grote aantallen vrouwelijke kunstenaars. Over de inwoners die maar wat graag model wilden staan, in hun zondagse kleren. Een enkele keer noteert een schilder dat zijn eerste indruk na aankomst was dat hij was beland in een speelgoeddorpje. De kleine huisjes in vrolijk blauw, groen en rood, de smalle straatjes met talloze kinderen in schilderachtige kostuums, het was als een sprookje.

Hoe kort of lang de kunstenaars ook in Volendam verbleven, ze hadden natuurlijk een leven ernaast, ervoor en erna. Ook dat heeft Brokken nageplozen, met als resultaat enkele van de mooiste verhalen in het boek. 

Zo na 1930 had Volendam wel afgedaan als dorp voor serieuze kunstenaars. Zoals de binnenzee was veranderd in een waterplas. Maar desondanks wist het nog lange tijd een wat Brokken noemt ‘artistiek handelsmerk’ te handhaven. Niet met schilderijen, maar met muziek: The Cats, hun wereldwit ‘One Way Wind’, en vervolgens de zogenoemde ‘palingsound’. Maar dit terzijde.

Bij Brokken staat de inhoud altijd voorop. Het persoonlijke aspect is echter nooit ver weg, de schrijver c.q. onderzoeksjournalist zelf is zichtbaar aanwezig. Ook nu, meermaals. Een mooi voorbeeld daarvan is wanneer hij schrijft over de Belgische schilder Théo van Rysselberghe, die kort voor 1900 driemaal in Volendam was. De meester van het pointillisme of stippeltechniek – een werkwijze  die hij omstreeks 1900 zou inruilen voor een lossere toets – vervaardigde in 1918 zijn Zelfportret met panamahoed. Dat toont een man op leeftijd, met een ietwat peinzende, melancholieke blik. Brokken schrijft, bij het bekijken van dat portret: ‘Zo zou ik eruit willen zien: verzorgd, zonder enige schijn van conformisme of burgerlijkheid. Ik zou überhaupt een leven als dat Van Rysselberghe hebben willen leiden, met dezelfde libertijnse ‘petite dame’. Onmogelijk natuurlijk, maar ik schrijf om zulke wensen in vervulling te laten gaan. Even Signac zijn, even Van Rysselberghe of Henry Van de Velde, en zelfs even die arme Henk de Court Onderwater. Schrijven is duizend levens leiden, zo beleef ik het althans.’

Jan Brokken / De ontdekking van Holland / 319 blz / Atlas Contact, 2024 

dinsdag 12 maart 2024

Oekraïne - een generatie geleden

We zijn in Nederland en het Nederlandstalige deel van België gezegend met flink wat literaire prijzen. Mijn favorieten zijn, wat betreft Nederland, de prijzen die de gezamenlijke boekhandels organiseren: de Libris Literatuur Prijs en de Libris Geschiedenis Prijs. Ze hebben namelijk een vorm die het jou als lezer  gemakkelijk maakt het hele proces van jurering mee te maken. Bij beide prijzen is er sprake van een vakjury die een longlist en vervolgens een shortlist opstelt. Om het even bij de Literatuur Prijs te houden, daar zitten we nu midden in dat proces. Afgelopen januari maakte de jury bekend welke achttien boeken de longlist hadden gehaald, sinds vorige week weten we welke zes boeken de eindstrijd aangaan. Jij als lezer kan dus vanaf januari (een beetje) meelezen, boos zijn wanneer een van je favorieten sneuvelt of blij wanneer je (volgens de jury) over een goede neus voor kwaliteit blijkt te beschikken.

Ieder jaar lees ik braaf mee. Van de longlist een stuk of tien titels, en vervolgens de hele shortlist. En dan komt het grote moment: enkele dagen voor de bekendmaking van de winnaar informeer ik vrienden en familie wie er volgens mij gaat winnen. Ik heb dat even vaak goed als fout, dus een score van zo’n vijftig procent. (Bij de Geschiedenis Prijs, ieder najaar, is mijn score iets beter, daar heb ik het drie van de vijf keer goed, dus zestig procent.) U vindt dit misschien een beetje vreemd? Dat mag, daar zit ik niet mee. Ik vermaak me kostelijk met die boeken, luister en kijk alle boekenprogramma’s op radio en TV en spel de bijlagen van de kranten. En heb bewondering voor die slimme boekhandelaren, die kort voor het begin van de Boekenweek de shortlist bekendmaken. Dát is ondernemerschap. Zij zijn de eigenlijke winnaars, denk ik wel eens.

Na deze intro verwacht u natuurlijk mijn voorspelling voor dit jaar. Ofschoon een beetje vroeg – begin mei is pas de prijsuitreiking – denk ik toch dat het raar zou lopen wanneer de roman De onzichtbaren van Frank Nellen, níét zou winnen. Het is pas Nellens tweede roman, maar hij heeft een eigen toon en schreef een boek dat qua compositie verrassend en slim in elkaar steekt. Bovendien speelt het zich af in Oekraïne, ook niet verkeerd dezer dagen.

Het Oekraïne van deze roman is dat van de periode 1971 tot 1994. De republiek maakte toen nog deel uit van de Sovjet-Unie. Nellen vertelt het verhaal van twee jongens die elkaar in 1971 op de basisschool ontmoeten. De ene is Dani, een stille, bescheiden jongen. De ander, Pavel, is het tegendeel: hij is eigenzinnig op het brutale af. Ook zit hij vol met verhalen over Russische helden, verhalen die hij op onnavolgbare wijze weet te brengen. Ondanks dit verschil ontstaat er een hechte vriendschap tussen de jongens, die vooral het leven van Dani zal bepalen.

Zo’n tien jaar later, begin jaren tachtig, werkt Dani in een technische functie bij een lampenfabriek. Alles wat je je daarbij voorstelt en nog meer – verouderde technieken, incompetentie, bureaucratie, een afschuifcultuur – beschrijft Nellen met een heerlijk gevoel voor ironie. Een van de mooiste teksten over de zinloosheid van de socialistische heilstaat die ik ooit las. Dani past er in, past zich aan, het ontbeert hem aan enige vorm van ambitie.

Maar dan wordt het zaterdag 26 april 1986. In Dani’s dorp zweeft ’s morgens een stoffige, lichtjes paarsgekleurde substantie door de lucht. Het stinkt ook, een brandlucht en iets anders. Even later brengt de radio duidelijkheid: ‘Sovjetburgers! Een ernstige natuurramp heeft zich voorgedaan nabij Pripjat! De Communistische Partij en het leger hebben besloten tot een tijdelijke evacuatie! (…) Sluit deuren en ramen! U zult spoedig terugkeren!’ De nabije kerncentrale Tsjernobyl is ontploft. En niemand van de inwoners zal ooit terugkeren naar de streek.

Na de kernramp lijkt er iets te veranderen in de beleving van de mensen, in ieder geval in Kiev en onder jongeren. En bij Pavel. Was hij eerder vol van de verworvenheden van de Sovjet-Unie, liet hij zich zelfs gebruiken als uithangbord daarvoor, nu maakt hij een draai. Tot Dani’s verbijstering ziet hij hem in 1989 volstrekt onverwacht terug in de hal van de Universiteitsbibliotheek van Kiev, waar hij honderden studenten toespreekt tijdens een bijeenkomst, en als klapper een groot borstbeeld van Lenin van de balustrade duwt, dat in duizend stukken uiteenspat. Waarna hij zich uit de voeten maakt. 

Opnieuw pas jaren later, in 1994, komt Dani zijn voormalige vriend weer tegen. Op een illegale radiozender, waar hij ’s nachts verhalen van luisteraars voorleest. Verhalen over onvrijheid, onderdrukking, over eenvoudige mensen die worden geplet door het systeem. Het waren de jaren van het bewind van Boris Jeltsin, het regime vierde de teugels een weinig, klagen in deze vorm mocht. Onder de indruk van wat Pavel vertelt besluit Dani zijn ondergedoken vriend te gaan zoeken. Je krijgt dan, na uren lezen, het indrukwekkendste deel van het verhaal onder ogen. Spannend, emotioneel en zo filmisch geschreven dat je, in geval van een eventuele verfilming van het boek, geen scenarioschrijver meer nodig zou hebben. Ik hoop voor Nellen dat het zover komt. 

Frank Nellen / De onzichtbaren / 256 blz / Hollands Diep, 2023

zondag 10 maart 2024

´Elk woord ging ademhalen´

Wie over de A2 van Utrecht naar ’s-Hertogenbosch rijdt, of vice versa, passeert ter hoogte van Zaltbommel de Waal. Sinds 1996 doe je dat over een markante brug, een zogenaamde tuibrug, waarvan het wegdek met dikke kabels is opgehangen aan vier hoge pijlers. Een van de weinige stukjes snelweg in Nederland die de schoonheidsprijs wél verdient. Die brug is genoemd naar de dichter Martinus Nijhoff. Daarmee brengt Rijkswaterstaat een passende hommage aan de man die deze plek in 1933 bezocht en de kort daarvoor gerealiseerde oude brug vereeuwigde in een van de bekendste gedichten uit onze literatuur: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien. / Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden / die elkaar vroeger schenen te vermijden, / worden weer buren. (etc)

Onlangs verscheen Elk woord ging ademhalen, de door Bart Slijper geschreven biografie van Nijhoff. Die titel – een citaat van Nijhoff zelf – is een gouden greep, het roept immers het beeld op van een dichter die aan het werk is. Dat is in sterke mate ook de aanpak van Slijper, deels noodgedwongen. Nijhoff vond namelijk dat het in de literatuur in de eerste plaats ging om het werk zelf, de persoon daarachter was bijzaak. Gedurende zijn leven heeft hij zijn brieven vernietigd, als om zoveel mogelijk persoonlijke sporen uit te wissen. Alleen zijn handschriften en overige manuscripten bewaarde hij zorgvuldig. Desondanks weet Slijper, die eerder mooie biografieën schreef van de dichters Willem Kloos en J.C. Bloem, Nijhoff als dichter én mens neer te zetten.

Zijn leven als dichter heeft de jonge Nijhoff moeten bevechten. Hij werd in 1894 geboren in een familie van uitgevers. De Haagse firma Martinus Nijhoff stond bekend als een gerenommeerd bedrijf, uitgeverij van wetenschappelijke boeken en tal van overheidsuitgaven. Martinus’ grootvader was de oprichter van het dagblad Het Vaderland.  Al tijdens zijn gymnasiumjaren leek Martinus een leven als uitgever dodelijk saai, waarop hij in overleg met zijn vader eerst maar eens rechten ging studeren in Amsterdam. In de praktijk liep dat uit op jaren waarin hij aan het dichten sloeg, toneelrecensent was en af en toe een college bezocht. Hij stuurde nu en dan wat gedichten naar literaire tijdschriften, en vond dan soms in het antwoord een sprankje hoop. Zoals toen de grote Willem Kloos hem schreef dat, alles overziend, er best wat in Nijhoff zat en dat hij dus maar ijverig moest doorwerken, ‘misschien komt er dan mettertijd nog wel eens iets van u, als literator, terecht.’

Dat zou inderdaad het geval zijn, dat had Kloos goed aangevoeld. Met zijn debuut De wandelaar (1916) en zijn daaropvolgende bundel Vormen (1924) vestigde Nijhoff zijn reputatie als dichter die in toegankelijk Nederlands een grote groep lezers wist te bekoren. Hij was inmiddels getrouwd – in 1916, een ongelukje – met Netty Wind, een huwelijk dat tot 1950 zou duren maar dat zij grotendeels gescheiden van elkaar doorbrachten. Mijn vader ‘leefde meestal uit een koffertje’, zou zijn zoon later verklaren. Maar dat deerde hem niet, bij al zijn verhuizingen, van kamertje naar kamertje, liet hij steeds wat achter. Verlost te zijn van overbodige wereldse spullen, het gaf hem een gevoel van vrijheid. Dat hij door de toelage uit zijn erfdeel financieel deels onafhankelijk was, zal aan dat gevoel hebben bijgedragen. 

Poëzie kan soms wat ontoegankelijk zijn. En neerlandici kunnen daarover soms heel ingewikkeld doen, wat de begrijpelijkheid dan niet ten goede komt. Bart Slijper is niet van die school. Wanneer hij schrijft over Nijhoffs wat latere gedichten, zoals Awater en Het uur U, is hij beknopt en betoogt hij heel helder. Je krijgt als lezer het gevoel dat je er iets van gaat begrijpen, zonder dat je direct heel diep de materie hoeft in te gaan. Wat in tegenstelling tot eerdere publicaties ook een verademing is, is dat Slijper vrij uitgebreid ingaat op de religieuze toneelstukken die Nijhoff in de Tweede Wereldoorlog schreef, ter opvoering in een kerk – hij had geweigerd zich aan te melden voor de Kulturkammer, mocht dus niet publiceren, maar opvoeringen in een kerk vielen buiten dat verbod. Veel kenners hadden er tot nu toe moeite mee dit werk serieus te nemen, of noemden het gewoon minder geslaagd. Slijper laat zien dat Nijhoff in die Kerst- en Paasspelen eenvoudigweg streefde naar de atmosfeer van een oer-Christendom, dat van vóór de dogma´s, vóór de scheuringen. 

Nijhoff mocht dan hebben gekozen voor een bestaan als dichter, hij was het tegendeel van het genie dat zijn zinnen in eenzaamheid zat te polijsten. Hij had veel vrienden - Adriaan Roland Holst voorop - en overlaadde zichzelf met ‘nevenfuncties’ zoals het schrijven van boekrecensies voor dagbladen. Zo schreef hij in 1921 voor Nieuws van den Dag een kritiek over een roman van Emmy van Lokhorst. Hij vond het een ‘aardig, vlotgeschreven verhaaltje’ met hier en daar een ‘schijntje quasi-diepte’, precies geschikt voor pubermeisjes. Toen zij een half jaar later een vervolg op het eerdere boek publiceerde, was zijn oordeel ‘Het is niet gemakkelijk een goed boek te schrijven, maar beter te zwijgen dan iets anders te doen’.

Een paar maanden later, toen de in Parijs verblijvende Nijhoff een bezoek wilde brengen aan de correspondent van de NRC, Hans van Loon, bleek die na zijn aanbellen niet thuis te zijn. Zijn echtgenote wel, en laat dat nu Emmy van Lokhorst zijn! Na een ongemakkelijk begin ontwikkelde zich toch nog een interessant gesprek, dat enkele dagen later overging in een hartstochtelijke affaire. Onze dichter stond open voor alles.  

Dichten is zoeken, puzzelen, laten bezinken. Nijhoff kon zich daarin verliezen. Ook kon hij, jaren na het voltooien van een gedicht, dat nog eens onder handen nemen. Dat hij zich vanaf de jaren twintig als vertaler boog over het werk van Shakespeare, en als eerste een Nederlandse editie van The Tempest uitgaf, is niet verwonderlijk: van de grootmeester van het gesproken woord kon hij nog wat leren. Wat aan die vertaling, en aan volgende, opvalt is dan ook de losheid van de dialogen. Het zou zijn eigen toneelspelen ten goede komen.

Zijn redacteurschap van literaire tijdschriften, zijn clandestiene drukwerk samen met H.N. Werkman in de oorlog, zijn zitting na de oorlog in een ereraad ter zuivering van het literaire bedrijf: Slijper benoemt het allemaal en nog veel meer. Als lezer heb je het gevoel een vrij compleet beeld van de dichter te krijgen.

En dan ter afsluiting maar eens terug naar die Martinus Nijhoffbrug over de Waal bij Zaltbommel. En de oude brug, die Nijhoff in 1933 bezong. Een blogje over een dichter moet toch tenminste één van zijn gedichten bevatten. 

‘De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van ’t landschap wijd en zijd –

laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.


Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ‘t roer,


en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.’

Het is een gedicht als een tafereel dat je voor je zou kunnen zien. Een welhaast dagelijks tafereel. Maar tevens ontstijgt het de realiteit. En net dát stukje heeft iets ongrijpbaars. Dat is Nijhoff ten voeten uit. De man die in het laatste jaar van zijn leven, 1953, nog vol overgave meewerkte aan een nieuwe psalmberijming.

Bart Slijper / Elk woord ging ademhalen. Het leven van de dichter Martinus Nijhoff / 421 blz / Prometheus, 2023

zondag 3 maart 2024

Parkeerwachter te Hilversum

Buitenbeentjes in de literatuur, zij zijn het vaak die de meest wonderlijke romans of verhalen  schrijven. Detlev van Heest is zo iemand. Zijn werk is sterk autobiografisch en daar mogen we ons gelukkig om prijzen, want zijn levensloop is lichtjes bizar. Van Heest studeerde geschiedenis in Leiden en werkte vervolgens als journalist in Rotterdam, Den Haag, Brussel en Tokyo. In die laatste stad woonde hij twaalf jaar. Daarna had hij een kleine boerderij in Nieuw-Zeeland. Dit alles verknoopt met vriendinnen, en een echtgenote van wie hij inmiddels is gescheiden. Verslag doen daarvan levert onderhoudende lectuur op, dat bewijzen twee eerdere boeken, De verzopen katten en de Hollander en Pleun, waarin hij respectievelijk zijn Japanse en Nieuw-Zeelandse jaren beschrijft. En nu is er Parkeren in Hilversum, een uitermate geestige weergave van zijn meer recente Hollandse periode.

Wat moet je, wanneer je vanuit de andere kant van de wereld terugkeert met in je reistas niets anders dan wat manuscripten en vijf schone onderbroeken? Een woning en een inkomen staan bovenaan zijn lijstje. Kamers bij een familielid zijn vrij gemakkelijk te regelen, een baan is wat anders. Droogkomisch is Van Heests verslag van zijn tocht langs uitzendbureaus, waar men zijn blijkbaar ongewone werkervaring meestal betitelt als ‘interessant’, of ‘beter dan niets’. Omdat hij een geboren Duitser is, neem hij een waarneming aan als leraar Duits wat hij, nadat de leerlingen hebben ‘geroken’ dat hij een eenvoudige prooi is, slechts één enkele ochtend volhoudt. Ook meerdere sollicitaties bij het partijbureau van de Partij voor de Dieren lopen op niets uit. Het werk bij een callcenter ligt hem meer. Tot hij reageert op een advertentie waarin parkeercontroleurs worden gezocht door de gemeente Hilversum. Het blijkt, gelet op zijn omstandigheden en karakter, zijn droombaan.

Op parkeerwachters wordt neergekeken, moet Van Heest tot zijn spijt constateren. Niet alleen door zijn vrienden en familie, die het werk ver beneden zijn stand vinden, maar ook door automobilisten die hij op de bon gooit. Bij een gemiddelde van zo’n zestig bekeuringen per dag zijn er altijd wel enkele slachtoffers die emotioneel of boos worden, soms zelfs door het lint gaan. Je zou daar sappige verhalen over kunnen schrijven, maar die valkuil ontwijkt Van Heest behendig. Hij beschrijft die confrontaties heel feitelijk, waardoor ze juist een zekere impact krijgen. Gek genoeg ook merkt hij dat het werk hem voldoening schenkt, hij heeft het gevoel dat hij wat doét voor de maatschappij. Na een poosje weet hij de routine bondig samen te vatten: ‘Als ik de mensen in het Gooi moest typeren die ik inmiddels had bekeurd, zou ik zeggen dat ze (1) opvallend welbespraakt en (2) hoogopgeleid waren, en (3) beschikten over een enorme medische kennis, gelet op de grote variatie aan ziektes die ik naar mijn hoofd geslingerd kreeg, en (4) ontzettend stupide waren omdat ze bleven veronderstellen dat ze zich wel onder een bekeuring uit konden lullen.

Jezelf een houding geven, boven het gedoe staan, het gescheld van je laten afglijden: het lukt Van Heest omdat hij bescheiden is, zichzelf kan wegcijferen. Dat heeft hij altijd al gedaan, hij vraagt niet veel van het leven. Als hij ondanks zijn kleine salaris een appartementje in Amsterdam weet te bemachtigen, zet hij de tering naar de nering: de verwarming blijft uit, hij trekt gewoon een dikke trui aan. Maar belangrijker voor hem dan dergelijke kleine ongemakken is dat hij, met een inkomen én een eigen plek, kan schrijven. En wanneer hij écht eens krap bij kas zit, dan zijn daar altijd nog zijn vrienden Han en Lousje Voskuil om hem wat toe te stoppen. 

Want dat is de bonus die je krijgt bij dit boek: de Voskuiltjes in een bijrol. Zo langzamerhand lijkt J.J. Voskuil met Het Bureau en een handvol andere boeken niet alleen een belangrijke en definitieve plaats te hebben verworven in de Nederlandse literatuur, ook is er sinds zijn overlijden in 2008 sprake van een niet aflatende stroom postuum uitgegeven boeken - een roman, de dagboeken - alsmede boeken van anderen waarin hij en Lousje (Nicolien) figureren, zoals de nog onlangs verschenen wandelboeken en het geestige Het Genootschap door Wim Huijser.  

In Parkeren in Hilversum zijn we door de ogen van Van Heest deelgenoot van de laatste jaren van Han Voskuil, de jaren waarin hij kwakkelt met zijn gezondheid en uiteindelijk zal overlijden. Tussen de vele bezoekjes door die Van Heest aan Han en Lousje brengt – ze wonen om de hoek - schrijven ze elkaar. Heel traditioneel, per papieren brief. Dat hebben ze altijd al gedaan, dus waarom zou je overstappen op e-mail?  Maar om een iets grotere vrijheid te hebben in wat hij zegt over Han’s ziekte laat Van Heest zijn poes, Kootje, over dat onderwerp corresponderen met Dibbes, de kat van de Voskuiltjes. Dat klinkt niet alleen bizar, dat ís het ook. Maar het werkt wel. Soms schrijft Dibbes zelfs terug. 

Hoe dat klinkt? Een citaat, uit een brief van Kootje aan Han Voskuil: 

Oom Han!

Wat vervelend nou toch dat uw rug weer pijn is gaan doen van die metastase, net nu u genezen was van die akelige eetonlusten in uw buik. Komende dinsdag moet u naar de radioloog en die gaat uw rug weer stralen. Dan gaat de pijn wel weer weg. Het belangrijkste is dat u nu flink eet. Vanaf zaterdag zal ik bijna drie weken samen met Dibbes het goede voorbeeld geven. En niet piekeren, want piekeren geeft alleen maar zorgen. Over mij moet u zich ook geen zorgen maken. Ik ben heel snel tevreden en met Dibbes samen zal het ook best gaan. Misschien dat ik de eerste dag of zo een beetje brom of blaas, maar zodra ik alle luchtjes ken en alle hoekjes heb verkend, hou ik daar wel mee op. Dus niet piekeren.

Voskuil is inmiddels overleden maar Van Heest, zo stel ik mij voor, is nog vrijwel dagelijks met hem in de weer. Als een van de bezorgers van Voskuils dagboeken, waarvan binnenkort het vierde deel zal verschijnen. Ik ben daar helaas aan verslaafd.

Detlev van Heest / Parkeren in Hilversum / 542 blz / Van Oorschot, 2024