donderdag 31 december 2020

De laatste jaren van Thomas Cromwell

The Mirror & the Light, de afsluitende roman van Hilary Mantel’s trilogie over Thomas Cromwell, begint én eindigt met een onthoofding. De eerste is die van Anne Boleyn, de tweede echtgenote van koning Henry VIII, die overspel pleegt. De laatste is die van Thomas Cromwell zelf, die uiteindelijk het vertrouwen van zijn meester verliest. In de ruim achthonderd bladzijden daartussen zie je dat einde steeds duidelijker aankomen, het hangt als een stille dreiging boven de handeling. Als lezer ken je het einde, Cromwell zelf niet maar hij weet dat een dergelijk lot hem kan overkomen. Werkend voor een wispelturige vorst, op een positie die hem macht en rijkdom oplevert maar ook de groeiende afgunst van de Engelse adel, calculeert hij dat in. Nadat hij voor Henry een reeks grote kwesties tot diens tevredenheid heeft opgelost – de scheiding van diens eerste echtgenote Catharina van Aragon, de breuk met Rome en de ontmanteling van de kloosters, de installatie van de Anglicaanse Kerk, de berechting van Thomas More, de scheiding en onthoofding van de tweede echtgenote, het vinden van een derde echtgenote, Jane Seymour – komt het kantelpunt met de vierde echtgenote, Anna van Kleef. Ze valt Henry tegen, hij weigert met haar te trouwen nadat hij haar in Londen heeft ontvangen. De koning rekent dat zijn Lord Privy Seal zwaar aan, en is in die situatie ontvankelijk voor verdachtmakingen van een handvol invloedrijke edelen. Cromwells hoofd rolt.

Tussen de publicatie van het eerste deel, Wolf Hall, en dit laatste deel ligt bijna twaalf jaar. Wolf Hall verscheen in 2009, het middendeel Bring Up the Bodies in 2012. Die twee delen waren al te zien als toneelstuk door The Royal Shakespeare Company en als verfilming bij de BBC. Het verhaal en de hoofdrolspelers zijn ons inmiddels vertrouwd geworden, zou je kunnen zeggen. En toch weet Mantel je ook met dit derde boek weer te verrassen. De karakters van de hoofdrolspelers zijn zorgvuldig neergezet, je krijgt weer alle kans om in het hoofd van Cromwell mee te kijken en de spanningsboog wordt strak gehouden door een subtiel gefaseerde mix van staatsaangelegenheden en privézaken. De bespiegelingen van Cromwell over zijn succes en macht zijn net als eerder filosofisch getint, wat in een historische roman als deze diepgang creëert.  En Mantel heeft gevoel voor humor, dat ze op onverwachte momenten meegeeft aan haar hoofdpersoon. Ik zou nog lang kunnen doorgaan met mijn lof, maar zal het laten bij de mooiste scène. Wanneer Anna van Kleef is gearriveerd in Engeland, wacht Henry haar als verrassing op halverwege de route naar Londen. Hij doet dat verkleed als burger, een idee van Cromwell. Daardoor herkent Anna hem niet wanneer hij de zaal binnenloopt. Tot ze ineens realiseert wie hij is, en bijna een kreet van afschuw slaakt. Ze ziet namelijk een oude man, te dik en ongezond van kleur. Op datzelfde moment ziet Henry in haar ogen zichzelf. Ik noem dat hogeschool schrijfkunst.

Door omstandigheden las ik de eerste helft van de roman en luisterde de rest. De voorlezer is Ben Miles, de acteur die Cromwell speelde in de theaterproductie. In een dubbelinterview met hem en Hilary Mantel dat aan het luisterboek is toegevoegd, legt hij uit wat daar de voordelen van waren bij het inspreken van het boek. Voor het toneelstuk heeft hij zich grondig verdiept in de eerste twee romans en de persoon Cromwell, vaak in overleg met Mantel. Tijdens de talloze voorstellingen vergroeide hij tevens met de rollen en teksten van de andere acteurs, tot en met de accenten van de Franse ambassadeurs en de wat hese stem van Henry. Dat dit het luisterboek ten goede kwam kan ik beamen. Het was een feest om naar te luisteren. Ik zag zojuist dat Miles ook de eerdere boeken heeft ingesproken. Prima, ga ik downloaden!

Hilary Mantel / The Mirror & the Light / 883 blz / 4th Estate, 2020 // Luisterboek, ingesproken door Ben Miles / 38 uur en 11 minuten / via Storytel

dinsdag 29 december 2020

Een passie voor de Sakura

Het is ieder voorjaar opnieuw een gebeurtenis die heel Japan in haar greep houdt: de bloei van de kersenbloesem, de sakura. De knoppen ontluiken het eerst op Kyushu, het meest zuidelijke en subtropische eiland. Dan kruipt het noordwaarts, via Shikoku en het hoofdeiland Honshu naar het noordelijke en koude Hokkaido. Er zijn appjes die je dagelijks op de hoogte houden van de voortgang en je de beste plekken wijzen. Buitenlandse toeristen, waarvan de meesten dit fenomeen waarschijnlijk voor het eerst aanschouwen, plannen hun reis om de te verwachten bloei heen. Voor de Japanners zelf is het een traditie, een feest dat je met je familie, je vrienden maar zeker ook met je collega’s viert. In een park als Ueno bijvoorbeeld, in Tokio, worden al vroeg in de ochtend de eerste plastic kleden uitgespreid waarop tijdens de lunch of na het werk de gezamenlijke picknick wordt gehouden. En zoals die kleedjes bijna altijd hemelsblauw zijn, zo zijn de kersenbloesems in de steden en dorpen bijna zonder uitzondering fel roze, de kleur van de negentiende-eeuwse gekweekte variëteit somei-yoshino. In een land waar de traditie van de sakura al duizenden jaren oud is en waar op het platteland en in bergachtige streken de wilde kers en in vele variëteiten en kleuren bloeit, is die uniformiteit in de steden toch wel opmerkelijk. In haar onlangs verschenen boek Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde doet Naoko Abe uit de doeken hoe dit zit. 

Abe’s boek is een combinatie van een biografie van een man en een biografie van een fenomeen. De eerste is het leven en werk van de Engelsman Collingwood Ingram (1880-1981), de tweede de geschiedenis en contemporaine cultuur van de Sakura, de Japanse kersenbloesem. Dat deze twee zaken verband houden met elkaar is het gevolg van een min of meer toevallige samenloop van omstandigheden. Collingwood, zoon van een puissant rijke krantenmagnaat en daardoor zijn levenlang financieel onafhankelijk, had al op jonge leeftijd een grote liefde voor de natuur. Het buitenhuis van zijn ouders, in Westgate-on-Sea, vormde een ideaal startpunt voor wandelingen in de duinen en langs het strand. Vogels fascineerden hem, en zonder enoge opleiding groeide hij uit tot een vooraanstaand ornitholoog. Omstreeks 1920, na dienst te hebben gedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog, betrok hij met zijn vrouw en jonge kinderen het landgoed The Grange in Benenden, een dorpje in het hart van Kent. Direct naast het huis stonden twee Japanse sierkersen. In de zomer dat het gezin Ingram verhuisde was daar niets aan te zien, maar in het daaropvolgende voorjaar werd Collingwood verrast door de bloemenpracht die zij hele tuin opfleurde. Dat was het begin van zijn fascinatie voor de Japanse sierkers. Vogels kwamen voortaan op de tweede plaats.

Met dezelfde energie waarmee hij zich had opgewerkt tot een bekende ornitholoog, stortte hij zich nu op de sakura. Hij was bekend met Japan, hij had daar in 1902 enkele maanden rondgereisd op zoek naar bijzondere vogels. En in Engeland was de Japanse sierkers geen onbekende. Maar kenners bevonden zich uitsluitend in Japan. Binnen enkele jaren wist hij die situatie bij te stellen. Op The Grange plantte hij tientallen sierkersen, voor een groot deel gekocht bij Japanse kwekerijen. In 1926 reisde hij twee maanden lang door Japan, op zoek naar nieuwe soorten. Hij had de reis grondig voorbereid, sprak met kwekers en andere kenners, legde contacten met vermogende verzamelaars en trok de bergen in, op zoek naar onbekende wilde kersen. De tocht zou een geweldige investering blijken te zijn, hij had er de rest van zijn leven plezier van. En zijn tuin herbergde nu de grootste collectie sierkersen in Engeland.

Collingwood publiceerde artikelen en boeken over de Sakura, perfectioneerde zijn enorme tuin tot een schatkamer met bijzondere sierkersen en sloeg zelf aan het kruisen. Abe, die nazaten van Collingwood sprak, vertelt daar prachtige verhalen over. Het mooiste is dat van de eindeloze pogingen om loten (stekken) van bijzondere sierkersen van Engeland naar Japan te krijgen zonder dat deze onderweg uitdroogden of juist beschimmelden. Dat speelt zich af omstreeks 1930. Tijdens zijn bezoek aan Japan in 1926 had Collingwood ontdekt dat enkele soorten heel bijzondere sierkersen in Japan hoogstwaarschijnlijk uitgestorven waren. Maar daarvan stonden inmiddels wel mooie exemplaren van in zijn tuin op The Grange. Hij beloofde zijn Japanse relaties daarvan stekken te sturen. Maar hoe doe je dat, hoe hou je die gedurende een reis van minimaal zes weken in leven? En kies je een route per boot over de warme en vochtige evenaar, of stuur je ze langs een noordelijker weg? Na vier jaar van vruchteloze pogingen ontdekten hij en zijn Japanse vrienden het geheim: in een thermoskan.

En hoe zit het met die uniformiteit waarmee ik dit blogje begon? Die neiging van Japanse overheden om in de openbare ruimte op grote schaal slechts één soort sierkers aan te planten? Dat heeft, naast het gegeven dat de felroze somei-yoshino een gezonde boom is, uitermate snel groeit – binnen tien jaar is ie volwassen – én aansluit bij de Japanse voorliefde voor een strakke ordening, ook te maken met de traditionele status van de sakura in de Japanse cultuur. Abe gaat daar uitvoerig op in, met talloze voorbeelden van de rol van de boom in klassieke poëzie en het imago van Japan dat de machthebbers vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, de Meijperiode waarin Japan zich openstelde voor de buitenwereld, graag uitdroegen. Zelfs voor de kamikazepiloten die zich tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog te pletter vlogen op geallieerde schepen  speelde het een rol, waarvan hun afscheidsbrieven en de op hun vliegtuigen geschilderde kersenbloesem getuigen.

Toen Collingwood in 1920 met de sierkersen aan de slag ging, was de boom buiten Japan bekend maar niet heel populair. In Engeland bestond, heel praktisch,  een voorkeur voor de kersenboom die vruchten opleverde die je kon eten. Aan het eind van zijn lange leven kon hij tevreden vaststellen dat zijn bemoeienissen niet voor niets waren geweest. In Japan had hij bijgedragen aan de bewustwording om een gevarieerde populatie in stand te houden, terwijl de boom in Engeland een geliefde verschijning was geworden. 

Naoko Abe / Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde / Vertaald uit het Engels door Fred Hendriks / 431 blz / Thomas Rap

donderdag 24 december 2020

Madrid belegerd

De Spaanse Burgeroorlog heeft voor mij altijd iets heel triests. Het was een bloedige oorlog, waarbij veel mensen de dood vonden, zowel door oorlogshandelingen als door afrekeningen op kleinere schaal. Het was ook een strijd die werd gevoerd om principes – de term ‘politieke principes’ krijg ik maar nooit uit de pen – waarbij de partijen het gehele spectrum tussen parlementaire democratie enerzijds en militaire dictatuur anderzijds vertegenwoordigden. En het trieste is dat het ook een conflict was dat door de buitenwereld voor het gemak vrijwel werd vergeten zodra het achter de rug was. Dat was in het voorjaar van 1939, de maanden waarin heel Europa in angstige spanning toekeek hoe Duitsland zich steeds onverzettelijker opstelde tegenover haar buurstaten. Een oorlog hing in de lucht. En die zou even later zo gruwelijk blijken uit te pakken dat het Spaanse conflict erbij verbleekte. De strijd was gewonnen door de generaals, met Francisco Franco voorop, die het land in de decennia erna iedere vorm van actief politiek bestuur en vrije meningsuiting ontnamen. 

Arturo Barea is een schrijver die zich altijd heeft ingezet om het verhaal van deze strijd levend te houden. Voor hem is de burgeroorlog een beslissende wending in zijn leven geweest. Hij is er op een vrij toevallige wijze actief bij betrokken geraakt én de oorlog heeft hem aan het schrijven gezet. Hij zette zijn eigen geschiedenis op papier,  van zijn jeugdjaren tot aan zijn vlucht uit zijn vaderland in de zomer van 1938. Dat schrijven deed hij in Engeland, waar hij via Frankrijk in 1939 was gearriveerd. Zijn autobiografie werd tussen 1941 en 1946 in drie delen in het Engels gepubliceerd door de befaamde Londonse uitgever Faber & Faber. Dit deel, De Slag. Madrid tijdens de Spaanse Burgeroorlog, is het derde deel. Dit is nu, ruim zeventig jaar na dato, voor het eerst in het Nederlands beschikbaar.  

Barea is in 1897 geboren in Badajoz, een stad in de regio Extremadura. Hij verliest al vroeg zijn vader, waardoor zijn naar Madrid verhuisde moeder zich maar net kan redden met haar vier kleine kinderen. Door een toelage van een oom en tante is Arturo in staat een opleiding te volgen. Hij heeft daarna verschillende ondergeschikte kantoorbaantjes waarin hij niet gelukkig is. In de jaren 1920-1923 vervult hij zijn dienstplicht, in het deel van Marokko dat in die jaren onder Spaans toezicht valt. Terug in de burgermaatschappij trouwt hij en sticht een gezin. Ook weet hij een baan bij het octrooibureau te bemachtigen, werk dat beantwoordt aan zijn interesse in techniek. Gaandeweg maakt hij promotie en bij de aanvang van de burgeroorlog, in 1936, heeft hij een leidende functie, een mooi eigen kantoor en twee secretaresses, waarvan een tevens zijn minnares is. Hij noemt zichzelf dan ook een typische geslaagde burgerman.

De politieke onrust in Spanje is in 1936, bij het begin van de burgeroorlog, niets nieuws. Het gist al jaren. In die periode hebben de verschillende facties zich ingegraven in hun standpunten, zijn stakingen op bloedige wijze neergeslagen, en moet je er op bedacht zijn dat je politieke tegenstanders je zomaar ‘mee uit wandelen kunnen nemen’, een wandeling die je laatste zal zijn. Er heerst dus wetteloosheid, ofschoon het laklaagje aan de oppervlakte de indruk wekt dat de coalitieregering die aan de macht is ook werkelijk macht heeft.

De staatsgreep die het kamp onder leiding van generaal Franco in juli 1936 pleegt, slaagt niet helemaal. Daardoor weet de regering de controle te houden over uitgestrekte gebieden rond Valencia, Barcelona en Madrid. Ofschoon het front vlak langs de hoofdstad loopt, bij tijd en wijle zelfs door de buitenwijken. De bevolking krijgt vrijwel dagelijks beschietingen met zware artillerie te verduren. In Madrid bevinden zich veel correspondenten van buitenlandse media, want de strijd heeft immers iets heroïsch: een centrum-links deel van de bevolking, bestaande uit een wankele coalitie van anarchisten, communisten, socialisten en nog wat groeperingen, vecht voor haar democratische vrijheid tegen een overmacht van conservatieven, fascisten en anderen die het leger aan haar kant heeft. Internationaal hebben de ‘linksen’ veel aanhang, er wordt zelfs een brigade van internationale vrijwilligers gevormd. Om die correspondenten in de gaten te houden en ervoor te zorgen dat de informatie die ze naar hun redacties versturen de linkse zaak steunt, wordt Arturo aangesteld als hoofd van de afdeling Perscensuur. Daarmee bevindt hij, die zich van nature het liefst neutraal en wat afstandelijk opstelt, zich van de ene op de andere dag in het centrum van de strijd. En is hij ook nog opgezadeld met een strakke opdracht.

Barea slaagt er uitstekend in de sfeer tijdens de belegering van Madrid te beschrijven: De regering die in de paniekmodus staat en zichzelf op het heetst van de strijd ook zal verhuizen naar het veel veiliger Valencia; de militaire top die standvastig maar ook tegen beter weten in de stad verdedigt; de beschietingen die op de meest onverwachte momenten beginnen en die het oversteken van een straat in de buurt van het front tot een hachelijke onderneming maken; de beelden van passanten die door een projectiel voor je ogen uiteen worden gereten en de huizen en kerken die een voor een aan puin worden geschoten. De generaals worden gesteund door Duitsland, dus beschikken over bommenwerpers die tergend langzaam over de stad cirkelen om met de grootst mogelijke precisie hun lading af te werpen. 

Het kantoor van de Perscensuur bevindt zich in de Telefónica, het hoogste gebouw van Madrid. Een gemakkelijk doelwit, waardoor Barea voortdurend de druk op de ketel voelt. Net wanneer hij na maanden hard werken de slag goed te pakken krijgt, stelt het ministerie van Buitenlandse Zaken zonder overleg een jonge vrouw aan als zijn assistent. Een Oostenrijkse, slim en  doortastend, vloeiend in haar talen. Barea reageert zuinigjes op haar komst, maar binnen een paar maanden is zij de liefde van zijn leven. En ook degene die hem in de steeds penibeler militaire en politieke situatie bij de les houdt. 

De slag verscheen in de reeks Kritische Klassieken van de kleine uitgeverij Schokland, een serie  waarin inmiddels zeventien ‘persoonlijke geschiedenissen’ zijn verschenen van schrijvers als Arthur Koestler, Ernst Toller en Max Frisch. Het vergt lef om als eenmansuitgeverij zo’n project op te zetten en vol te houden. En die boeken bovendien mooi gebonden in linnen, met prachtig papier, een chique vormgeving én een leeslint uit te geven tegen een alleszins redelijke prijs. Ik neem daar mijn hoed voor af.

Arturo Barea / De slag. Madrid tijdens de Spaanse Burgeroorlog / Vertaald uit het Spaans door Roland Fagel / Met een nawoord door Hub Hermans / Kritische Klassieken, 17 / 447 blz / Schokland, 2020   


zaterdag 19 december 2020

Te voet de wereld rond

Idealisten waren het, die drie jongens van net twintig die op de vroege zondag van 16 juli 1911 vanaf de Dam in Amsterdam vertrokken voor een wandeling rond de wereld. Ze werden uitgezwaaid door familie, vrienden  en een grote groep belangstellenden. Bram Mossel, Frans van der Hoorn en Gerard Perfors hadden de dagen tevoren overal in de stad bulletins verspreid met de aankondiging van hun vertrek, dus het zag zwart van de mensen. Er was zelfs een politieagent aanwezig om het evenement in goede banen te leiden. Niet al het volk was er trouwens om de jongens aan te moedigen, er werden ook de nodige smalende opmerkingen gemaakt. De bijzondere kleding van de jongens lokte dat ook wel enigszins uit: ze droegen alle drie een vilten hoed, een zwartfluwelen jasje met hoge boord en diagonaal daarover een groene sjerp met het woord WERELDWANDELAARS. Nadat ze ieder op het hoofdpostkantoor om de hoek een eerste stempel in hun schriftje hadden laten zetten gingen ze op weg, langs een van tevoren aangekondigde route door de stad. Tot aan de stadsgrens hadden ze bekijks. 

Wie waren deze jongens, en waarom ondernamen ze deze op het eerste oog bizarre tocht? Historicus Wim Willems, die het verhaal van deze wandeling tot voor enkele jaren alleen in grote lijnen kende, kwam in 2018 in contact met een nazaat van Gerard Perfors. Die bleek te beschikken over een grote bruine scheepskoffer gevuld met brieven, tekeningen en foto’s geschreven en gemaakt tijdens de tocht. Fascinerend materiaal, de basis voor verder onderzoek. Gerard, Bram en Frans bleken elkaar te kennen van clubjes gelijkgestemden. Zo waren ze alle drie betrokken bij een socialistische jeugdvereniging, waren ze geheelonthouder en ook nog eens vegetariër. Bovendien droegen ze de wereldtaal Esperanto een warm hart toe. Zo opgesomd lijkt dat bij elkaar nogal heftig, maar de eerste jaren van de twintigste eeuw waren de hoogtijdagen van dergelijke idealistische bewegingen. In de brieven van de jongens is tevens sprake van de ‘school des levens’, het verlangen om te leren, of hun groei naar volwassenheid te voltooien, door zich open te stellen voor alle denkbare levenservaring. En als dat mogelijk is door de wijde wereld in te trekken, verenig je immers het nuttige met het aangename. 

Een doorwrocht plan hadden Gerard, Bram en Frans niet. Ze hadden ook geen haast, ze dachten een jaar of vijf onderweg te zullen zijn. Ze bekostigden hun reis door artikelen te schrijven voor socialistische tijdschriften, waardoor ze hun idealen konden uitdragen. Die reisverslagen werden veel gelezen, want welke socialist had in 1911 nu zelf verre reizen gemaakt? Ook verkochten ze onderweg ansichtkaarten met een foto van zichzelf en een toelichting over hun project. Ook dat handeltje liep als een trein, want ze waren een bezienswaardigheid waar lokale kranten steevast een journalist en fotograaf op afstuurden. Ze moesten dan ook regelmatig een nieuwe voorraad kaarten laten drukken, steeds met een nieuwe vertaling. Indien nodig namen ze wel eens een tijdelijk baantje aan, om de kas te spekken. In landelijke gebieden sliepen ze de eerste maanden van de tocht in de open lucht, of in boerenschuren. En eten uit boomgaarden kostte ook niets.

De reisverslagen maken melding van een gestage voortgang door Duitsland, Zwitserland en het op zijn laatste benen lopende Oostenrijk-Hongaarse keizerrijk. In juni 1912 zien ze het Balatonmeer, in september bereiken ze Boekarest. Na een paar dagen uitrusten verlaten ze die stad weer, socialistische liederen zingend. De stemming zit er na een vol jaar nog steeds in. Dat voorjaar hebben ze enkele maanden los van elkaar langs verschillende routes door de Balkan gelopen en heeft ook Marie Zwarts, de vriendin van Gerard, zich bij hen gevoegd. Juist het toelaten van dergelijke kleine aanpassingen aan de oorspronkelijke opzet helpt het project in stand te houden. 

Politieke onrust in Turkije dwingt het viertal eind 1912 per schip van Constantinopel naar Alexandrië te varen, waarna ze op hun gemak het culturele erfgoed van Egypte, Syrië en Palestina bezoeken. Bram Mossel maakt in Baalbek, Nazareth, Bethlehem en in tal van woestijndorpen prachtige foto’s. In april 1913 bereiken ze Jeruzalem, een geplande stop alvorens ze via Perzië door willen wandelen naar het Verre Oosten. Maar eerst moet er een financiële buffer worden gekweekt, want sinds ze Europa hebben verlaten is de verkoop van de ansichtkaarten stilgevallen. Ze vinden baantjes als dagloner en raken enigszins gesetteld. De heilige stad zal onverwacht ook het einde betekenen van hun tocht, wanneer in de zomer van 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. 

Het aardige van De wereldwandelaars is dat Wim Willems er veel meer van heeft gemaakt dan een verslag van de wandeltocht alleen. Hij laat zien waar de jongens vandaan komen – twee van de drie groeiden op in de Haagse Schilderswijk -, wat voor opvoeding en opleiding ze hebben gehad voordat ze aan de tocht begonnen, én hoe hun verdere leven verloopt. Je leest als het ware drie afzonderlijke biografieën die gedurende enkele jaren samensmelten. Voor alle drie de jongens zal de reis een kantelpunt in hun leven blijken te zijn, wordt hun idealisme erdoor aangewakkerd. Maar twee van de drie geven het een wat meer bescheiden plek. Niet iedereen kan immers z’n hele leven een Greta Thunbergje zijn.  

Wim Willems / De wereldwandelaars. Een verbond van idealisten / 384 blz / Querido, 2020  

maandag 14 december 2020

Alledaagse kronieken

Johnny van Doorn (1944-1991) was een van de markantste figuren in de provoscene van de jaren zestig. De letteren waren zijn specialiteit, in geschreven vorm maar ook, en misschien wel vooral, in gesproken vorm. Een voordrachtskunstenaar noem je zo iemand. De tot en met 2012 tweejaarlijks uitgereikte Johnny van Doornprijs voor de gesproken letteren was een eerbetoon aan zijn rol als initiator van het genre. Laureaten waren onder andere Simon Vinkenoog, Bart Chabot en Jules Deelder. Tijdens zo’n optreden kon Van Doorn volledig buiten zichzelf raken. Een van zijn artiestennamen, Johnny the Selfkicker, was dan ook zeer toepasselijk.  De verhalenbundel Langzame wals die ik zojuist van hem las, toont een andere kant van de schrijver. Het is inmiddels 1986 en in de elf verhalen, in lengte variërend van 1 tot zo’n 25 bladzijden, is hij een keurige getrouwde man en vader van een tienerzoon. Kalmpjes kabbelen zijn dagen voorbij. We hebben het dan ook over de late Van Doorn, de man die er enkele jaren daarvoor niet voor was teruggeschrokken om als zo’n beetje de eerste Nederlandse kunstenaar op te treden in een sterreclame. In zijn geval voor een zoutje van de firma Nibbit. Collega-kunstenaars spraken schande van zo'n knieval voor de commercie, maar voor zijn bekendheid onder brede lagen van de bevolking, en voor de verkoop van zijn boeken, werkte het prima. Zijn gabber Jules Deelder zou zijn voorbeeld enkele jaren later volgen, ook al zo treffend gecast: voor de borrel van Legner.

Maar goed, die verhalenbundel. Van Doorn is zijn wilde haren wat kwijt en krijgt iets ‘aaibaars’. Hij beschrijft alledaagse gebeurtenissen, in Amsterdam, op vakantie met zijn gezin op Terschelling en in Arnhem bij zijn vader. Hij komt oude bekenden tegen, hun geschiedenisjes waaien voorbij en hij filosofeert daar wat over. Hij koketteert met zijn midlife-status en mijmert over de ouderdom. Opvallend vaak is hij op weg naar een kroeg, of loopt daar toevallig langs en kan het aroma van warme vriendschap dat hij daar vermoedt niet weerstaan. Bijna steevast eindigt een verhaal met zijn thuiskomst, waarna zijn vrouw hem naar zijn werkkamer stuurt om zijn belevenissen uit te tikken. Kronieken, noemt hij ze zelf.

Van Doorn bezit de gave om in vrij weinig woorden een stemming op te roepen. Meer dan eens moest ik denken – natuurlijk ook vanwege de kroegen – aan Simon Carmiggelt, ofschoon die compacter schreef. Van Doorn is vooral in de twee langere verhalen in deze bundel op dreef, het titelverhaal waarin hij op bezoek is bij zijn oude vader en het laatste verhaal, dat een eerbetoon is aan zijn overleden moeder. Verhalen vol emotie en mededogen, maar hij houdt het klein. Dat geeft het kracht.

Johnny van Doorn / Langzame wals. Kronieken / 140 blz / De Bezige Bij, 1986  

zaterdag 12 december 2020

De herinnering

Je bent je vaak niet bewust van de impact die een gebeurtenis heeft op je leven op het moment dat die plaatsvindt. Pas veel later, en mogelijk op een moment dat je het beslist niet verwacht, kan dat moment weer tevoorschijn komen, al of niet in de vorm van een verhelderend inzicht. Dat is wat in de nieuwste Murakami de verteller, een niet bij zijn naam genoemde man van vijfendertig overkomt, wanneer hij op straat in Tokyo wordt aangesproken door iemand die hem vaag bekend voorkomt. Het blijkt de broer te zijn van zijn vroegere vriendinnetje, dat hij achttien jaar geleden voor het laatst zag. Bij een kop koffie in een café praten ze wat bij. En hoort hij hoe het zijn vriendin is vergaan.

Een eenvoudig gegeven, de stof voor een kort verhaal van een kleine vijftig bladzijden. Maar in handen van Haruki Murakami krijgt het een zeker gewicht, een lading die uitgaat boven die beknopte vorm. Realiseert de hoofdpersoon zich dat hij ooit tekortschoot in het opvangen van signalen, zich daardoor niet realiseerde wat het gevolg kon zijn van zijn handelen. Het is een alledaags gegeven dat hier wordt uitgewerkt, maar daardoor krijgt het iets van een universele zeggingskracht. Grote woorden voor een klein boekje, besef ik, maar het maakte indruk op me.

De connectie met de Beatles is associatief, en wel op een heel vluchtige wijze. Lang geleden, in 1964, zag de hoofdpersoon op zijn middelbare school een meisje door de gang lopen, de LP With the Beatles tegen haar borst geklemd: ‘Mijn hart bonsde hard en snel, ik had moeite met ademhalen, geluid verdween naar de achtergrond zoals wanneer je naar de bodem van een zwembad zinkt. Alleen klonk diep in mijn oren heel zacht het geluid van een belletje. Alsof iemand me in grote haast iets van groot belang wilde laten weten. Het duurde alles bij elkaar nog geen tien of vijftien seconden. Het gebeurde plotsklaps, en voor ik er erg in had was het alweer voorbij. De belangrijke boodschap die erin leek te zitten ging, net als bij de kern van alle dromen, in een doolhof verloren. Zoals bij alle belangrijke gebeurtenissen in een mensenleven.’

Het verhaal is misschien het best te omschrijven als een mijmering over ouder worden en de herinnering. In mijmeren is Murakami een meester, dat laat hij hier weer zien. Het verhaal verscheen jongstleden februari in The New Yorker en is nu uitgegeven als een zelfstandig boekje. Door de bijzondere vormgeving een hebbeding. 

Haruki Murakami / With the Beatles / Vertaald uit het Japans door Elbrich Fennema, met illustraties van Toni Demuro / 64 blz / Atlas Contact

vrijdag 11 december 2020

Reading in the Rain


Sinds een jaar of zo loop ik ’s avonds laat enkele rondjes om ons dorp. Niet iedere dag, gemiddeld twee of drie keer per week. In het begin was dat vooral om mijn conditie te verbeteren, maar gaandeweg is het uitgegroeid tot een luisterboekmoment. Na tien uur is het heerlijk rustig op straat, én donker, ideale omstandigheden om door niets afgeleid te luisteren. Bij boeken die mij boeien loop ik ook vaker en langer dan bij andere, heb ik gemerkt. Ook herlees ik vaker een boek. Dat deed ik tot dan toe vrijwel nooit – zonde van de tijd, ik ken het boek al – maar het opnieuw luisteren voegt toch een dimensie toe, het is een andere beleving. Mijn wandelingen duren meestal anderhalf uur, een lengte waarin je zo’n veertig bladzijden kan luisteren. Het laatste boek dat ik zo herlas is De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch. Voorgelezen door Gijs Scholten van Aschat, ruim 33 uur lang. Door die lengte, maar ook de professionele voordracht, raak je in een soort flow. Ik ging zelfs lopen bij hevige regen, onder een paraplu ter bescherming van mijn koptelefoon.

De opzet van De ontdekking is gedurfd. In de hemel wordt besloten dat er een afgezant naar de aarde zal worden gestuurd om de Stenen Tafelen terug te halen. Dat is een onmogelijke operatie, maar Mulisch slaagt erin het complexe verhaal geloofwaardig op papier te zetten. Zijn belangrijkste personages, de sterrenkundige Max Delius, de celliste Ada Brons en de taalkundige en politicus Onno Quist zijn mensen van vlees en bloed. Dit ondanks de machinaties waartoe Mulisch bij tijd en wijle zijn toevlucht moet nemen om de verwikkelingen overtuigend neer te zetten. De afgezant, die wordt verwekt door Max en Ada, maar opgroeit als een zoon van Onno, zal uiteindelijk de opdracht weten te vervullen. Maar pas nadat Mulisch de lezer heeft getrakteerd op een geschiedenis die de kenmerken heeft van zowel een ideeënroman, een psychologisch-filosofische roman, een thriller en een sprookje. Vermaak op hoog niveau, de wandeluren vlogen voorbij. 

Harry Mulisch / De ontdekking van de hemel / luisterboek, voorgelezen door Gijs Scholten van Aschat / 33 uur en 2 minuten / De Bezige Bij, via Storytel

woensdag 9 december 2020

Een Hemelse mevrouw

Het portret van Frederike Harmsen van Beek dat het voorplat van haar biografie siert is veelzeggend. Ze leunt tegen een beschilderde en met foto’s beplakte wand, trekkend aan een sigaret en de wat dromerige blik net langs de lens scherend. De locatie is Jagtlust, het landhuis in Blaricum waar ze van 1954 tot 1971 woonde en werkte. De foto dateert zo te zien uit het midden van de jaren zestig, Harmsen van Beek is dan bijna veertig. De keuze van dit beeld voor de cover is begrijpelijk, de verhalen over haar ‘losbandige’ leven op Jaglust hebben immers zo langzaamaan mythische vormen aangenomen in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Maar daarmee dreigen ze ook het zicht te ontnemen op het belang van de literaire prestaties van ‘Fritzi’, zoals ze door velen bij voorkeur wordt genoemd. En dit scheve beeld is juist datgene wat Maaike Meijer In haar biografie Hemelse mevrouw Frederike probeert recht te zetten. Iets waarin ze naar mijn mening op voorbeeldige wijze slaagt. 

Frederike schreef poëzie en proza, maar was ook een getalenteerd tekenares. Dat laatste zal zij hebben meegekregen van haar ouders, die hun brood verdienden als illustrator en onder andere de indertijd populaire strip Flipje tekenden – die van de jam. Ze verloor als jong beide ouders, haar moeder in 1948 aan kanker en haar vader in 1953 aan een overwerkt hart. Omdat ze haar vader al enkele jaren had geassisteerd bij Flipje, zette zij dat werk na diens dood nog een poos voort. Dat vormde een financieel extraatje naast de riante erfenis. Haar broer Hein, een lapzwans, joeg zijn erfdeel er in korte tijd door en probeerde daarna zijn zus geld af te troggelen. Deze was haar vermogen echter al kwijtgeraakt aan een Franse minnaar, die het voor onduidelijke politieke doelen van haar had ‘geleend’. Vanaf dat moment zou geld, of liever het gebrek daaraan, een constante in haar leven zijn.

In 1954 huurt Frederike van haar laatste geld kamers in het leegstaande Jagtlust. Na tien maanden is haar geld op, maar inmiddels heeft de gemeente Amsterdam het pand verworven en mag zij er blijven wonen totdat er een bestemming voor is gevonden. Dat zou duren tot 1971. Die zeventien jaar zal ze achteraf beschouwen als haar gouden jaren: Ze schrijft gedichten en publiceert die, ze heeft een reeks van minnaars – ze is ‘serieel monogaam’- en het huis is een zoete inval voor vrienden als Cees Nooteboom, Adriaan Roland Holst, Gerard Reve en tientallen anderen. Wel wordt het op prijs gesteld wanneer je zelf je drank meebrengt, de bewoonster kan immers maar net haar eigen alcoholverslaving bekostigen. 

In deze jaren begint ze dus ook met dichten. Haar productiviteit ligt niet hoog, maar wat ze maakt is heel bijzonder. Wanneer ze in 1965 haar eerste bundel publiceert, Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten, zijn de critici diep onder de indruk. Het werk is soms ondoorgrondelijk – ze noemt het raadselrijmen – maar laat een vrouw zien die de taal zo naar haar hand zet dat er als het ware een parallelle taalwerkelijkheid ontstaat. Waar die gedichten vandaan komen, en hoe Frederike ertoe is gekomen ze zo te schrijven, wordt door Maaike Meijer uitvoerig én voor een leek heel begrijpelijk geanalyseerd. 

Het oeuvre van Frederike zal klein blijven. Twee verhalenbundels, in 1968 en 1969, en een laatste dichtbundel getiteld Kus of ik schrijf in 1975 vormen de kern daarvan. Maar ook die zijn zo bijzonder dat ondanks die spaarzame productie uitgevers aan haar blijven trekken, iemand als Geert van Oorschot eindeloos bij haar bedelt om een snipper van haar hand voor zijn literaire tijdschrift Tirade. Tekenen doet ze in die vroege jaren ook nog wel, zo illustreert ze gedurende enkele jaren de korte verhaaltjes die Remco Campert – met wie ze eind jaren vijftig twee jaar getrouwd was - wekelijks schrijft voor de krant. 

Meijer had voor haar onderzoek de beschikking over het complete archief van Frederike en sprak met tientallen van haar vrienden. Die grondige aanpak loont. Zo wordt ook de periode na Jagtlust, wanneer Frederike in 1971 met financiële en organisatorische hulp van vrienden en bewonderaars is verhuisd naar het Groningse Garnwerd, duidelijker dan ooit in beeld gebracht. 

Het is omstreeks 1975 gedaan met de creativiteit, ze publiceert daarna niet meer. Het is alsof de geografische afzondering – ze noemt het vaak een verbanning, een straf – in haar geest een proces in gang zet waarin ze zich afkeert van de wereld. De Frederike die zij was verdwijnt, maakt plaats voor een vrouw die zich vooral vergeten voelt – haar lange telefoongesprekken met vrienden zijn berucht – en soms lijkt te verzuren. Met af en toe een uitbarsting van woede. Ze kan vrienden omarmen, maar met hetzelfde gemak op een nare, kille manier aan de kant zetten. Dat laatste overkomt in 1986 Charlotte Mutsaers, en nog later ook Frederikes buren in Garnwerd die ze, nadat die haar tientallen jaren hadden geholpen met van alles, zonder aankondiging dumpte. Meier doet verwoede pogingen die gedragingen te duiden en vindt daar alleszins aannemelijke verklaringen voor.

Een biografie van bijna zevenhonderd bladzijden over een auteur met een oeuvre dat kleiner is dan dat van Elsschot, dat is opmerkelijk. Maar Meijer gebruikt die ruimte om de diepte in te gaan, op zoek naar het DNA van die wonderlijke poëzie en verhalen en naar de mens Frederike.  Met als resultaat een biografie die een genot is om te lezen. Die een beeld schets van een vrouw die in haar leven volstrekt haar eigen weg koos, zowel in professioneel opzicht als privé. Een vrouw die een uitbundige persoonlijkheid bezat, heel extravert, maar die ook heel bescheiden en teruggetrokken kon zijn. Een schrijfster van wie de vrienden met wie Maaike Meier sprak zonder uitzondering verklaarden dat ze haar nooit hebben zien schrijven. 

Maaike Meijer / Hemelse mevrouw Frederike. Biografie van F. Harmsen van Beek [1927-2009] / 669 blz / De Bezige Bij

woensdag 2 december 2020

Zelfs de zee is doods

De openingsbeelden van Death in Venice, de film die Luchino Visconti in 1971 maakte naar Thomas Manns uit 1912 daterende  novelle Der Tod in Venedig, zijn onvergetelijk. Op de tonen van het Adagietto uit Gustav Mahlers vijfde symphonie zie je tergend langzaam een zwart-groene golfbeweging op het doek verschijnen. Dat blijkt het wateroppervlak van de lagune voor de stad te zijn, dat wordt doorkliefd door een veerboot. Vanaf het dek daarvan kijkt een wat oudere heer naar het water en de stad. Zijn naam is Gustav von Aschenbach, in de novelle een schrijver maar bij Visconti een componist. In beide gevallen echter gemodelleerd naar Gustav Mahler. Deze Von Aschenbach komt naar Venetië om rust te vinden voor zijn overspannen zenuwen. Hij zal er, zittend op zijn strandstoel, echter in de ban raken van een beeldschone jongen. En er als gevolg van een cholera-epidemie sterven. In de enscenering van Visconti is dat een onovertroffen sterven in schoonheid. 

De novelle geldt als een van Manns mooiste teksten, de film heeft een cultstatus. Ik kan me niet aan het gevoel onttrekken dat ze een rol hebben gespeeld bij Robert Seethalers opzet voor zijn novelle Het laatste deel. Daarin reist Gustav Mahler in het voorjaar van 1911 per schip van New York, waar hij een succesvolle maar inspannende reeks concerten heeft gedirigeerd met het New York Philharmonic, naar Europa. Het werk heeft hem uitgeput, zoals het al jaren een veel te grote belasting is voor zijn broze gezondheid. Zijn hart is aangetast, hij weet dat hij waarschijnlijk niet lang meer heeft. Een groot deel van de bootreis brengt hij goed ingepakt door zittend op een kist, op een rustig deel van het dek, terwijl zijn echtgenote Alma en zijn dochter Anna de voorkeur geven aan de behaaglijke  warmte van de salons benedendeks. Zijn enige contact in deze dagen is de scheepsjongen, die hem van warme thee voorziet. Kort na thuiskomst zal zijn lichaam het opgeven.

Turend over het water overpeinst Mahler zijn leven. Zijn successen als dirigent, zijn belang als componist. Het moordende tempo waarin hij jarenlang werkte, voortgejaagd door zijn passie maar ook door zijn ambitie, zijn eerzucht de hoogste posities in de muzikale wereld te bereiken. De vernieuwingen die hij doorvoerde als directeur van de Weense hofopera, het applaus dat hij oogstte tijdens zijn gastdirigentoptredens in Europa en de Verenigde Staten. Maar ook over de vroege dood van zijn dochtertje Maria, vier jaar eerder, en de liefde voor zijn vrouw, de mooiste van Wenen. En over het voltooien van wat zijn laatste symfonie zou worden. 

Meer dan genoeg stof voor een onderhoudend verhaal, zou je zeggen. Maar nee, dat ontstaat niet. De herinneringen komen maar niet tot leven. Veel wordt aangestipt, een handvol gebeurtenissen wat meer uitgewerkt, maar het blijft grotendeels plichtmatig, het sprankelt nergens. Dat is jammer. Zelfs de zee, bij Visconti haast zwoel golvend, is bij Seethaler op de meeste dagen een grijze, spiegelgladde vlakte.

Robert Seethaler / Het laatste deel / Vertaald uit het Duits door Liesbeth van Nes / 126 blz / De Bezige Bij 

maandag 30 november 2020

Dagboek van de pandemie

Ilja Leonard Pfeijffer maakte de coronacrisis mee in zijn woonplaats Genua. Die ligt niet ver van Lombardije, de streek die het hardst van heel Italië werd getroffen. Maar ook in Genua lagen de besmettingscijfers hoog en kwam het dagelijkse leven tot stilstand. De overheidsinstanties, de niet-essentiële winkels en bedrijven, het openbaar vervoer en de bewegingsvrijheid van de inwoners, alles was maar liefst 68 dagen op slot. In quarantaine. Voor de kranten NRC Handelsblad en het Belgische dagblad De Standaard schreef Pfeijffer in die periode een dagelijkse column over zijn belevenissen. Of liever: zijn schaarse belevenissen. Zijn loopjes voor de boodschappen, de strenge controle op straat, de wanhopige winkeliers, de nieuwsberichten, de telefoontjes over het overlijden van vrienden en kennissen. Hij was een toeschouwer geworden, had geen sturing meer over zijn leven, voelde zich machteloos en onrustig. Het schrijven van zijn column bleek een ankerpunt in de dag te zijn, gaf hem wat te doen. Pfeijffer beschrijft wat hij zag, voelde, meemaakte. Als een persoonlijk verslag, niet als een literair werk waaraan hij eindeloos kon schaven. En ook zo, ongewijzigd, zijn ze verschenen in de reeks privé-domein. Persoonlijke indrukken van een pandemie. Een tijdsdocument.

Quarantaine kent een overzichtelijke indeling. De eerste twee stukjes zijn geschreven voor de quarantaine begon, dan volgen 68 verslagjes die Pfeijffer tijdens de quarantaine schreef, waarna veertig teksten de periode bestrijken waarin heel langzaam de normale situatie weer leek terug te keren. De bijgaande spanningsboog kun je je voorstellen.

Pfeijffer en zijn partner Stella bewonen een klein appartement hoog boven de sfeervolle Piazza delle Erbe, het pleintje in het historische hart van Genua waar de schrijver, toen hij nog dronk, een vaste gast was op de terrassen. Vanaf het balkon kunnen ze nu zien hoe van de ene op de andere dag de gasten daar wegblijven, het geroezemoes plaatsmaakt voor een doodse stilte. Ook zijn daar, als in de hele stad, de stalen rolluiken voor de etalages neergelaten. De aanblik is die van een doodse wereld.

Wanneer de eerste verbijstering om wat er plaatsvindt enigszins is geweken, plukt Pfeijffer andere zaken op uit de nieuwsberichten. Die blijken deels niet te verschillen van die bij ons, vaak voortkomend uit de specifieke situatie van mensen of bedrijfjes. Het medische belang tegenover het economische belang. De bestuurders van Milaan die, wanneer de teugels ietsje worden gevierd, hun inwoners welhaast adviseren vooral een luchtje te gaan scheppen aan zee, het relatief veilige kunstgebied van Liguria. Of, voor politici, het spanningsveld tussen enerzijds de bestrijding van de pandemie op 1 zetten en anderzijds het veiligstellen van je kansen bij de eerstvolgende verkiezingen.

Pfeijffer en Stella waren net voor de uitbraak begonnen met de aankoop van een grote kantoorverdieping op een prachtige plek in het centrum, die ze willen laten ombouwen tot een groots appartement. Met dat project al onderweg rollen ze dus de crisis in. De in een normale situatie al omslachtig functionerende Italiaanse bureaucratie zet nu nog een tandje bij, in negatieve zin. En dat gaat dan niet uitsluitend om bouwkundige zaken, maar ook om de hypotheek en de feitelijke aankoop. Een crisis in een crisis.

Pfeijffer lees je niet alleen om de inhoud, maar ook om zijn taalgebruik. Dat laatste is voor een boek als dit natuurlijk niet wezenlijk maar nu en dan, vooral in de ‘dagafsluitingen’, komt het toch om de hoek. Soms twijfelend aan de wereld en het leven, soms met een vleugje onverzettelijkheid: ‘De epidemie ontneemt ons de illusie van onkwetsbare jeugdigheid in ons eeuwigdurende hier en nu en daarom zijn we met man en macht bezig om dat verdomde virus te laten zien wie de baas is op deze planeet’.

Ilja Leonard Pfeijffer /  Quarantaine. Dagboek in tijden van besmetting / 228 blz / privé-domein 313 / De Arbeiderspers, 2020 

vrijdag 27 november 2020

Een Liber Amicorum voor Maarten & Eva

‘Strijdmakkers’ noemde Maarten Biesheuvel het driemanschap dat hij vormde met Mensje van Keulen en Maarten ’t Hart. Ze debuteerden alle drie ongeveer gelijktijdig, aan het begin van de jaren zeventig. Ze waren bevriend. Maar Maarten B. zag de twee anderen ook als zijn concurrenten: ‘Keer op keer stelde hij dus innig tevreden vast dat hij wel en wij niet de P.C. Hooft-prijs hadden gekregen. Ik gunde hem die prijs van harte en hij heeft het geld goed besteed: hij kocht een graf voor Eva, zijn zus Coby en zichzelf op de mooie kleine begraafplaats bij de Zijlpoort in Leiden. Daar is hij dinsdag ook bij Eva en Coby begraven.’ Zo begint Maarten ’t Hart zijn bijdrage aan het boekje De Biezen, dat hij samen met Mensje van Keulen schreef.

Het samenstellen van dit boekje is een daad van liefde geweest, iets anders kun je het niet noemen. Het is als het publiekelijk afscheid nemen van een vriend, het voltallige lezerslegioen uitnodigen voor het bijwonen van de afscheidsdienst en het aanhoren van de toespraken. De vormgeving van Martien Frijns, diens keuze voor formaat, papier en afwerking maken het daarnaast een hebbeding. Het is een waardige afsluiting van mijn plank Biesheuvel. 

Maarten Biesheuvel sloot zijn oeuvre natuurlijk al decennia geleden af. Sindsdien schreef hij nauwelijks nog iets. De pogingen waren er wel, evenals de stoere verhalen tegen vrienden over de lijvige roman die hij onder handen had. Maar het leidde tot niets. Maartens geestesgesteldheid was daar debet aan, volgens Eva ook de lading medicijnen die hij daarvoor dagelijks moest slikken. 

Zoals de titel aangeeft, is dit boekje tevens een ode aan Eva. Maartens echtgenote, muze en in toenemende mate ook zijn mantelzorger en verpleegster. Zij schiep in Sunny Home, hun sprookjesachtige houten huisje in Leiden, een wereld waarin Maarten zich – bij tijd en wijle – veilig voelde. Zij initieerde in de jaren dat er niets uit zijn handen kwam heruitgaven van vroeger werk. Zij stierf een klein jaar eerder dan Maarten, plotsklaps, aan een beroerte. Voor hem had het leven daarna geen zin meer.

De bijdragen van Keulen en ‘t Hart zijn heel persoonlijk én heel verschillend. Keulen plundert haar dagboeken op karakteristeke en saillante passages over Maarten en Eva, ’t Hart zit op zijn praatstoel en verhaalt op de voor hem kenmerkende losse wijze anekdotes uit hun gezamenlijke leven. Tientallen foto’s uit het privé-archief van de Biezen en hun strijdmakkers zijn evenzovele herinneringen. Het boekje is de eerste uitgave van de speciaal voor dit doel opgerichte uitgeverij ‘Sunny Home’, een initiatief van Kees Schafrat, eigenaar van de Broekhuis boekhandels in Twente. Een deel van de opbrengst, tenslotte, komt ten goede aan het prijzengeld van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de enkele jaren geleden ingestelde jaarlijkse verkiezing van de beste bundel met korte verhalen. Op die prijs was de naamgever óók uitermate trots.

Mensje van Keulen & Maarten ’t Hart / De Biezen / geredigeerd en verzorgd door Kees Schafrat en Marien Frijns / 80 blz / Uitgeverij Sunny Home

woensdag 25 november 2020

De keerzijde van het paradijs

Indonesië nam in het leven van Hella Haasse een bijzondere plaats in. Ze werd er geboren, bracht er een groot deel van haar jeugd door en in een handvol boeken probeert ze dat land, dat ze kent maar dat voor haar tegelijk ook ongrijpbaar blijft, te duiden. Daarvan zijn de novelle Oeroeg, dat in 1948 het boekenweekgeschenk was en de late roman Heren van de thee het bekendst. Ik las die roman in 1992, direct na het verschijnen. Dat deed ik toen, want de reeks met documenten onderbouwde historische romans die Haasse vanaf het midden van de jaren zeventig publiceerde hadden van mij een trouwe volgeling gemaakt. Dat is nu dus bijna dertig jaar geleden. Wat herinner je je er dan nog van? De sfeer, dat vooral. En dat het een ‘rustige’ roman was, niet een verhaal vol spectaculaire gebeurtenissen. Nu, bij herlezing, bleek dat te kloppen. Maar wat mij verraste was het inzicht dat Haasse aan de dag legt. Niet vreemd natuurlijk voor iemand die haar hele leven met Nederlandsch-Indië van doen heeft gehad, maar dat inzicht verweven met een historische geschiedenis, het verhaal van een handvol mensen van vlees en bloed, is knap. Soms is het herlezen van een boek niet minder leuk dan de eerste lezing.

Haasses hoofdpersoon heet Rudolf Kerkhoven. Hij is telg uit een familie van planters en kooplieden die carrière hebben gemaakt in Nederlandsch-Indië. Ook Rudolf is daartoe voorbestemd. Na zijn studietijd omstreeks 1870 te hebben doorgebracht in Nederland krijgt hij de leiding over een vervallen plantage ver van de ‘bewoonde wereld’ die hij weer tot bloei weet te brengen. Dat weet hij ook te bewerkstellingen met een tweede plantage. Inmiddels is hij getrouwd met Jenny Roosegaarde Bisschop en krijgen zij kinderen. Rudolf geniet van zijn succes, dat hij soms moet bevechten op de altijd aanwezige dreiging van een misoogst of plantziekte. Maar met het aanzien en de rijkdom groeit bij hem het besef dat die te vaak ten koste zijn gegaan van persoonlijk geluk. Bij Jenny is dat besef al veel eerder doorgedrongen. Het bezorgt haar aanvallen van depressiviteit.

Rudolf en Jenny hebben echt bestaan. Haasse had voor het schrijven toegang tot persoonlijke documenten als brieven en dagboeken, die ze gaandeweg het verhaal en grotere rol laat spelen. Het verhaal van dit echtpaar staat niet alleen, voor veel van de Hollanders had het verblijf in ons paradijselijke wingewest dergelijke rafelrandjes. Het harde werken, het meedogenloze klimaat, de eenzaamheid op de in het binnenland gelegen plantages: als je er niet tegen kon, was je vroeg of laat reddeloos verloren. Mannen, die door het harde werken en de lange dagen minder tijd hadden hier bij stil te staan, kregen er wat minder snel last van dan vrouwen. Deze laatste wisten zich op plantages vaak omringd door huisbedienden en hadden dus wél tijd om te piekeren over de zin van een dergelijk leven.

Ik herlas dit boek de afgelopen dagen als luisterboek, terwijl ik ’s avonds laat in het donker mijn coronarondjes door ons uitgestorven dorp liep. Behangen met lichtjes en een grote koptelefoon op mijn hoofd. In die stilte, waarin niets voor afleiding zorgt, is het heerlijk geconcentreerd luisteren naar de zorgvuldige taal van Haasse, naar de heldere voordracht van Louis van Beek.

Hella Haasse / Heren van de thee / 11 uur en 33 minuten / Querido Audioboek, via Storytel


zondag 22 november 2020

De laatste jaren van je ouders

In een nawoord bij haar boek Fresia’s voor mevrouw Brak. De laatste jaren van mijn ouders schrijft Jannetje Koelewijn: ‘Dit boek is mijn weergave van de werkelijkheid, maar niemand van de mensen die erin voorkomen en het voor publiceren hebben gelezen heeft gezegd dat die weergave niet klopt.’ Die lichte onzekerheid over haar ouders, hun denkwereld en hun huwelijk vormt de kern van dit verslag. Het is geschreven vanuit een gevoel van mededogen. Maar ook nieuwsgierigheid is voor Koelewijn de aanleiding geweest voor het schrijven van dit portret van haar ouders. Of liever: het schrijven van een vervolg. Ze portretteerde haar ouders namelijk al eerder, in het in 2011 verschenen De hemel bestaat niet. Toen haar ouders in datzelfde jaar in het Utrechts Bartholomeus Gasthuis waren komen wonen, vlakbij hun dochter, besloot deze hen onder haar hoede te nemen. Ze vroeg ze te eten, maakte uitstapjes met ze en probeerde hen beter te leren kennen. Dat laatste klinkt misschien wat vreemd na zoveel jaren, maar was zeker met betrekking tot haar moeder terecht. Die was voor haar dochter een vreemde.

Renske was haar naam, Renske Brak. Met haar man Wim had ze weliswaar zes kinderen en een druk huishouden, maar echt ‘erbij’ was ze nooit. Wim, ietwat heerszuchtig van aard en bovendien zeer aanwezig, probeerde haar in dat opzicht bij te sturen maar zonder resultaat. De kinderen gaven het op een gegeven moment maar op. Ze hadden geen moeder, met die aanname was eenvoudiger om te gaan dan met de realiteit. Zo’n vijftien jaar voordat ze samen in het verzorgingshuis terecht zouden verliet Renske haar man. En nu is ze dementerend. Af en toe daagt het haar weer dat Wim haar man is, en dan is ze blij.

Wim Koelewijn is een man die zichzelf centraal stelt. De aardige gestes van zijn kinderen, de korte vakanties waar ze hem op trakteren: hij laat het allemaal over zich heen komen alsof het vanzelfsprekend is. Hij is overtuigd gereformeerd, bestempelt een bevriende predikant die zich op zijn oude dag tot het katholicisme heeft bekeerd  met harde woorden als een verrader. Maar hij is ook een flapuit, een enthousiasteling, oprecht. Hij is wie hij is, en schaamt zich daar niet voor. Gedurende de lectuur begon ik hem warempel aardig te vinden.

Dochter Jannetje, redacteur bij NRC Handelsblad, heeft haar belevenissen met haar ouders op journalistieke wijze opgeschreven. De kordate schrijfstijl, de levendige dialogen, haar gave om de meer subtiele zaken tussen de regels door over te brengen: het verslag spreekt aan, leest prettig. En laat je achter met een goed gevoel. Ofschoon het haar niet lukt het gedrag van haar ongrijpbare moeder te duiden, en ze het karakter van haar vader slechts tot op zekere hoogte weet te doorgronden. Maar daarin staat ze niet alleen. Voor een boek als dit zal een grote doelgroep bestaan. Jannetjes lotgenoten.

Jannetje Koelewijn / Fresia’s voor mevrouw Brak. De laatste jaren van mijn ouders / 256 blz / Uitgeverij Van Oorscho


dinsdag 17 november 2020

Alleen

Kate woont in een verlaten huis op het strand. Ze vult haar dagen met wat wandelen, een houtvoorraad voor de winter aanleggen – daartoe sloopt ze beetje voor beetje het buurhuis – en vooral met nadenken. Associatief peinzen is het eerder, haar hoofd openstellen voor herinneringen. De locatie wordt niet gegeven, maar het zou de noordoostkust van de Verenigde Staten kunnen zijn. Kate koos voor deze pleisterplaats nadat ze jaren de wereld had rondgetrokken. Bivakkerend in musea, zich verplaatsend in auto’s waarin ze nog benzine aantrof. Dat rondreizen had een doel: ze was op zoek naar andere mensen. Die vond ze niet, waaruit ze opmaakte dat ze als enige mens op de wereld was achtergebleven. Wat daar de oorzaak van is, lezen we niet. Dieren zijn er trouwens ook niet meer. Wat we lezen is de tekst die Kate op een dag op haar schrijfmachine is gaan tikken. Zonder vooropgezet plan, de tekst volgt haar gedachten.

‘In het begin liet ik soms berichten achter op straat. Er woont iemand in het Louvre, stond er soms. Of in de National Gallery. Dat stond er natuurlijk alleen maar als ik in Parijs of in Londen was. Er woont iemand in het Metropolitan Museum zou er staan als ik nog in New York was. Natuurlijk kwam er niemand. Op het laatst hield ik op met berichten achterlaten.’

David Markson publiceerde Wittgenstein’s Mistress in 1988. Een reeks uitgevers had het manuscript eerder afgewezen omdat ze het een ontoegankelijk boek vonden. Toen het boek eindelijk verscheen, kreeg het al snel een cultstatus. Een boek waarvan iedereen heeft gehoord maar slechts weinigen hebben gelezen. En na ruim dertig jaar is er ook een Nederlandse vertaling.

Is het een ontoegankelijk boek? Nee, eigenlijk niet. Wanneer je gewend bent geraakt aan het ontbreken van een traditionele vertelling, en aan een structuur, neemt de eindeloze stroom aan gedachten en invallen langzaamaan die functies over. De meeste zinnen beginnen op een nieuwe regel, waardoor de tekst een fragmentarisch karakter krijgt, alsof je mededeling na mededeling leest. Dat is waar je doorheen moet, vanaf dan laat je je meeslepen door de dwingende monotonie, en ga je je afvragen wat dit allemaal betekent, waar het toe leidt. Ga je ook patronen zien in de tekst. 

Kate worstelt soms met de taal. Dat is omdat ze met haar gedachten worstelt en dat in haar manier van werken direct zichtbaar wordt in de tekst. Voorbeeld. Ze maakt een opmerking, corrigeert zichzelf even verderop en stelt nog iets later een definitieve versie van de bewering vast. Dit procedé is, zoals Lieke Marsman in een helder nawoord schrijft, ontleent aan de taalfilosoof Ludwig Wittgenstein: ‘Het is een stellige manier van schrijven, die tegelijk ruimte biedt voor verbetering. De ene gedachte vloeit voort uit de vorige en net als Wittgenstein herneemt Kate zich voortdurend om tot een zo precies mogelijke formulering van de feiten te komen.’ Dat verklaart ook de titel van het boek.

Het zal duidelijk zijn dat in dit concept een plot ontbreekt. Ofschoon Kate tegen het einde van haar relaas enkele opmerkingen maakt die ineens je hele beleving van de roman op losse schroeven zetten. Een zo’n opmerking: 

‘De ene manier van alleen zijn verschilt gewoon van de andere manier van alleen zijn, daar kwam het op neer, dat was alles, zou zij uiteindelijk ook concluderen. Waarmee ik wil zeggen dat zelfs als je telefoon het doet, je net zo alleen kunt zijn als wanneer dat niet het geval is.’

Twee soorten van alleen zijn …

Gewoonlijk lees ik graag teksten die ergens op zijn gebaseerd, die handen en voeten hebben, en een heldere structuur. Maar op de een of andere wijze fascineert dit boek mij, ofschoon ik niet kan uitleggen waarom.

David Markson / Wittgensteins minnares / Vertaald uit het Engels door Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes / Met een nawoord van Lieke Marsman / 285 blz / Uitgeverij Van Oorschot, 2020

zaterdag 14 november 2020

De dieren nemen wraak

Jaag je ploeg over de botten van de doden klinkt als een nogal agressieve titel. Maar hij dekt de lading, want het verhaal dat Olga Tokarczuk schreef kun je het best omschrijven als een bloeddorstige thriller. Of als een eco-roman waarin de maatschappijkritiek is verpakt in een detective van hoog niveau. Of als een parabel die op vernuftige wijze de vastgelopen structuur van de Poolse samenleving ontleedt. Hoe dan ook, het verhaal is nauw verweven met de Poolse samenleving van dit moment. 

De verteller in de roman is Janina Duszejko, een iets oudere vrouw. Ze is opgeleid als ingenieur en was ooit als zodanig werkzaam. Nu geeft ze enkele uren per week Engelse les op een middelbare school in de stad waar ze net buiten woont. Ook vertaalt ze in haar vrije uren samen met een oud-leerling het werk van de Engelse dichter William Blake. En in de winter past ze op de vakantiehuisjes van haar buren, die net als haar eigen huis zijn gelegen op een hoog gelegen plateau in de heuvels. Haar ware passie is de astrologie, ze is een meester in het lezen van iemands karakter aan de hand van diens levensdata. De toekomst van haar land leest ze ook in de sterren. Die toekomst ziet ze als een zwarte, maar dat komt misschien omdat de situatie zoals zij die dagelijks ervaart verre van rooskleurig is.

Choose your battles zou een strijdkreet van haar kunnen zijn. De gevechten voert ze vooral met de ambtenaren van de lokale overheid en met de mannen van de plaatselijke jachtvereniging. Wat haar daarin triggert is haar afkeer van bureaucratie. Maar ook haar strijd voor het welzijn van dieren. Dit laatste aspect zal het centrale thema in de roman worden, vanaf het moment dat leden van die jachtvereniging de een na de ander vermoord worden aangetroffen, met gruwelijke verwondingen, en de plaatselijke politie een onderzoek start. Janina weet het wel: het zijn de dieren die wraak nemen. Maar is dat zo?

Hoe las ik het boek, als ik moet kiezen uit de hierboven genoemde mogelijkheden? Dan is het vooral het element van de maatschappijkritiek dat komt bovendrijven. Het is niet de maatschappij als geheel die Tokarczuk op de hak neemt, maar eerder de talloze individuen die door hoe de maatschappij in elkaar steekt hebben kunnen uitgroeien tot de harteloze, alleen aan zichzelf denkende wezens die ze zijn. Bijkomend probleem is dat zij met zovelen zijn, en de posities bekleden waarin ze het systeem kunnen laten voortbestaan. Dat lijkt een zwarte boodschap – en tot op zekere hoogte is dat ook zo – maar Tokarczuk geeft haar hoofdpersoon een constante, spontane en bij vlagen geestige gedachtestroom mee. Het is zij die je doet doorlezen.

De roman verscheen al in 2009 en werd dit jaar in het Nederlands gepubliceerd. Dat Tokarczuk in 2018 de Nobelprijs voor literatuur won zal die vertaling wellicht hebben bespoedigd. 

Olga Tokarczuk / Jaag je ploeg over de botten van de doden / Vertaald uit het Pools door Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra / 304 blz / De Geus

maandag 9 november 2020

Verslavende verhalen

De veelzijdigheid van Rob van Essen als schrijver van korte verhalen is indrukwekkend. In zijn nieuwe bundel, Een man met goede schoenen, laat hij dat twintig keer zien. Het langste verhaal omvat veertig bladzijden, maar ook in kleine miniaturen van slechts enkele pagina’s weet hij je bij de lurven te pakken. De situaties die hij schetst beginnen meestal heel alledaags, maar al snel krijgen die vervreemdende of licht absurdistische trekjes. Relativering en humor zijn eveneens passende trefwoorden. Soms doet het denken aan Roald Dahl, een andere keer aan Kafka. Kortom, leesvoer van hoog niveau. 

Het langste verhaal, De therapeut, is een mooie illustratie van Van Essens werkwijze. Net na het avondeten wordt er bij de hoofdpersoon, David, aangebeld. Het is zijn therapeut, bij wie hij die ochtend voor het eerst is geweest voor een sessie. De man zegt de verbouwereerde David zijn jas te pakken en met hem mee te gaan. De therapeut is met de auto, ze nemen de snelweg en al gauw heeft David door dat ze richting zijn ouderlijk huis rijden. Een kilometer of vier voordat ze daar zullen arriveren moet David uitstappen en de rest lopend afleggen. De therapeut rijdt alvast door naar Davids ouders. Lopend over de donkere polderweg, toch wel een beetje in de war, komen de gedachten aan zijn jeugdjaren bovendrijven. Voor de tweede keer die dag, want ’s morgens was dat ook al het belangrijkste onderwerp geweest tijdens de sessie bij de therapeut. Wanneer David zijn geboortedorp binnenloopt en zijn ouderlijk huis nadert, treft hij daar iets aan dat zijn voorstellingsvermogen ver te boven gaat. Absurd. Bizar. Zwarte humor. Met die termen blijf je als lezer achter. Briljant gedaan.

Dus. Sta je open voor op het verkeerde been gezet worden? Voor vertellingen waarvan je niet kan zeggen dat je ze helemaal doorgrondt? Dan is dit je ideale bundel. Verslavend. Warm aanbevolen. Maar dat was al duidelijk.

Rob van Essen / Een man met goede schoenen / 255 blz / Atlas Contact

woensdag 4 november 2020

Dromen van Edo

Na het lezen van Stranger in Shogun’s City van Amy Stanley was één ding mij wel duidelijk: Vrouwen hadden in het 19e-eeuwse Japan weinig tot niets te vertellen over hun eigen leven. Dat lijkt wellicht op het intrappen van een open deur, want was dat in die tijd over heel de wereld niet het geval? Natuurlijk, in ieder geval in zekere mate. Maar in Japan waren de regels wel zeer strikt. Een voorbeeld. Wanneer een meisje of jonge vrouw de huwbare leeftijd had bereikt – vanaf 12 jaar – koos haar familie een geschikte man en reisde zij naar diens woonplaats om met hem kennis te maken én te trouwen. Gewoonlijk had zij daarin geen inspraak. Maar die man kon haar, wanneer zij hem tegenviel, terugsturen naan haar familie. Hij hoefde daarvoor maar een standaard verklaring af te leggen, een onderbouwing was niet nodig. Bovendien kon hij dat op elk gewenst moment tijdens het huwelijk doen, na een paar weken maar ook veel later. De hoofdpersoon in Amy Stanley’s boek, Tsuneno, overkomt dat in haar eerste huwelijk. Getrouwd op haar twaalfde, met de priester van een tempel op enkele uren reizen van haar ouderlijk huis - een collega van haar vader – wordt zij na een huwelijk van vijftien jaar waarin kinderen uitbleven op die manier aan de kant gezet.

Na dit eerste debacle overkomt dit Tsuneno nog tweemaal. Haar tweede huwelijk duurt vier jaar, haar derde slechts enkele maanden. Beiden keren retourneert haar echtgenoot haar zonder opgave van redenen. Haar familie weet het dan ook niet meer. Na ruim twintig jaar van mislukte relaties is ze dan weer thuis, in een klein dorp in het Japanse achterland. Ver in de dertig, zonder vooruitzichten. En dan besluit ze haar lot in eigen hand te nemen. 

In het geheim plant ze een reis naar Edo, de Japanse hoofdstad. Te voet is dat een trip van twee weken, hoog door de bergen want haar dorp ligt afgelegen, in de Alpen van centraal Japan. Ze vraagt een lokale monnik haar te begeleiden, alleen reizen zou voor een vrouw een doodzonde zijn. Maar hij bedriegt haar, waardoor ze in Edo aankomt zonder geld en garderobe. Maar ze heeft zich losgemaakt van haar familie, ze is nu zelf verantwoordelijk voor haar toekomst.

Edo is in 1839 een grote stad. Voor een vrouw van het platteland een geweldige overgang. In Edo zetelt de shogun, de militaire leider van Japan. Binnen enkele decennia na de aankomst van Tsuneno zal het shogunaat worden afgeschaft en zal de keizer, wiens troon in Kyoto staat, de macht weer overnemen en Edo omdopen in Tokyo. Maar voor nu draait alles in Edo nog om de shogun. Zijn dienaren en de tienduizenden samoerai die in zijn dienst zijn vormen het grootste deel van de bevolking. Theaters en andere uitgaansgelegenheden maken het tot een mondaine stad. 

Voor Tsuneno, die weliswaar geniet van alle grootsteedse glitter en schijn, ligt een minder florissante toekomst in het verschiet. Met veel moeite lukt het haar een baantje te krijgen als hulp in de huishouding. Dat is onderaan beginnen en hard werken, weinig verdienen en laat in de avond doodmoe neerploffen op een matje in een heel klein gehuurd kamertje. Enkele baantjes later ze ontmoet een man, een al wat oudere samoerai, en trouwt met hem. Maar ook dat is geen garantie voor geluk, zal ze merken.

Amy Stanley, die Japanse geschiedenis doceert aan de Northwestern University in Michigan, stuitte enkele jaren geleden bij toeval op een brief die Tsuneno vanuit Edo aan haar familie schreef. Later bleken er veel meer te zijn, Tsuneno moet gedurende haar verblijf in de hoofdstad met grote regelmaat naar huis hebben geschreven. Haar vader, en later haar oudste broer, bewaarden die brieven zorgvuldig in het familiearchief. Uit die epistels – vrolijke en droevige, informerende en smekende – ontstaat het beeld van een vrouw die tegen de stroom in haar eigen leven wil inrichten, deel wil uitmaken van het leven in een grote stad. Er toe doen, dat is misschien de beste en kortste omschrijving. 

Door het leven van Tsuneno te reconstrueren, voor zover dat mogelijk is, schetst Stanley tegelijk een beeld van het leven in Edo. Misschien is die stad ook wel de echte hoofdpersoon van haar verhaal. Tsuneno verdwijnt immers tegen het einde van het boek langzaamaan in de mist van de geschiedenis, en daarmee in de vergetelheid. Korte tijd later, in 1854 dwongen de Verenigde Staten de openstelling van Japan af. De wereld zoals Tsuneno die kende zou verdwijnen. Maar die openstelling en de verdere ontwikkelingen in Japan betekenden dat er voor die stad een  grootse toekomst in het verschiet lag.

Amy Stanley / Stranger in the Shogun’s City. A Woman’s Life in Nineteenth Century Japan / 324 blz / Chatto & Windus, 2020

vrijdag 30 oktober 2020

Onze grootste wetenschapper

Het verschijnen van een nieuwe biografie van Christiaan Huygens levert de nodige reuring op, precies zoals je dat mag verwachten bij de man die enkele jaren geleden werd uitgeroepen tot onze grootste wetenschapper. De afgelopen week plaatsten de Volkskrant, Trouw, het Algemeen Dagblad én de Telegraaf paginagrote besprekingen van Een eeuw van licht. Het leven van Christiaan Huygens van de hand van de Britse auteur Hugh Aldersey-Willams. De recensenten waren unaniem lovend. Waardering is er voor het genuanceerde beeld dat Aldersey-Williams van Christiaan schetst, voor zijn soepele schrijfstijl en, niet in de laatste plaats, voor de wijze waarop hij Huygens vergelijkt met die andere grote natuurkundige en tijdgenoot, Isaac Newton. Dat laatste element verleidde de koppenmaker van het AD tot de tekst ‘Christiaan Huygens was groter dan Newton’. Dat bekt lekker, maar is wel wat kort door de bocht en zeker niet zo genuanceerd als de uitspraken van Aldersey-Williams daarover. Maar dat dit boek is bedoeld als een herwaardering van Christiaans internationale status, met als statement dat hij als wetenschapper toch minstens even belangrijk is geweest als zijn tegenwoordig veel beroemdere Engelse vakgenoot, is een feit. Wat wellicht een einde maakt aan een discussie die al tijden wordt gevoerd.

De biografie opent op Hofwijck, de buitenplaats van Constantijn en Christiaan Huygens in Voorburg en keert daar ook vaak terug. Het kleine buiten, gereedgekomen in 1642, op Christiaans twaalfde, speelde in zijn leven immers een belangrijke rol. Veel van zijn wetenschappelijke werk ontstond er, in de landelijke rust aan de Vliet. En gedurende de laatste jaren van zijn leven, na dood van zijn vader in 1687, was hij zelfs de hoofdbewoner. Keek hij, op heldere nachten, met een telescoop vanuit het kleinste buitenhuis in de Nederlanden naar het oneindige universum.

Christiaans wetenschappelijke CV mag indrukwekkend worden genoemd. Op het gebied van de mechanica is er natuurlijk de constructie van het slingeruurwerk, op het vlak van de astronomie de ontdekking en verklaring van de ringen rond de planeet Saturnus en in de optica is zijn beschrijving van de voortplanting van licht een bewijs van zijn geniale geest. En dat is nog maar het topje van de ijsberg, het lijstje kan met vele tientallen voorbeelden worden aangevuld. Een handvol van de belangrijkste prestaties verrichtte hij al vóór zijn dertigste. Maar noemde zijn vader hem al niet een wonderkind, ‘mijn kleine Archimedes’? Die vader zal aan die genialiteit in belangrijke mate hebben bijgedragen, al was het maar in de vorm van een gedegen opvoeding en een nieuwsgierige levenshouding.  

Christiaan wordt door Aldersey-Williams omschreven als een ‘sociaal dier’. Dat is niet alleen voor het eerst dat Christiaan dit predicaat krijgt opgespeld, het is tevens een ommezwaai in vergelijking met eerdere biografieën. Uit ‘Titan kan niet slapen’, de veelgelezen biografie van Cees Andriesse uit 1993, komt Christiaan immers naar voren als een wat melancholieke man die geplaagd wordt door depressieve buien. Dat ‘sociale dier’ is bij Aldersey-Williams juist door die karaktertrek zo geschikt gebleken voor zijn lidmaatschap van de Royal Academy in Londen en zijn functie als onderzoeksdirecteur bij de Parijse Académie des Sciences. Die laatste aanstelling was voor Christiaan zelf als een officiële bevestiging van zijn status. De Franse koning, Lodewijk XIV, had voor zijn net opgerichte prestigieuze academie de keuze uit een handvol grote geesten, maar koos hem.

Vanuit Parijs onderhield Christiaan zorgvuldig de contacten met het thuisfront, met name met zijn oudere broer Constantijn junior. Mooie brieven zijn bewaard gebleven, waarin het zowel over persoonlijke zaken gaat als over wetenschappelijke vorderingen. Een toppertje voor mij is de brief van Christiaan aan zijn broer waarin hij die waarschuwt om die wetenschappelijke vorderingen vooral niet te delen met Baruch Spinoza, die ook in Voorburg woonde en die hij dus zomaar tegen het lijf zou kunnen lopen. De man - door Christiaan 'den Jood genoemd - zou immers aan een half woord genoeg hebben om te doorgronden waar Christiaan mee bezig was. Enerzijds waren ze bevriend, slepen samen lenzen voor hun telescopen en keken daarmee vanaf Hofwijck gezamenlijk naar de ringen van Saturnus – dat moet een mooi gezicht zijn geweest, in het donker op de doodstille buitenplaats. Maar anderzijds waren ze beide zeer ambitieuze wetenschappers, dus concurrenten.     

Enkele jaren geleden bezocht Aldersey-Williams Huygens’ Hofwijck, dat was aan het begin van zijn onderzoek voor deze biografie. Hij bleek gefascineerd door de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Opgeleid als natuurkundige is hij uitstekend in staat Christiaans wetenschappelijke betekenis te duiden, maar met evenveel enthousiasme en kennis bespreekt hij schilderijen, gedichten en de politieke situatie van die dagen. En aan  vader Constantijn, bij wie veel van die lijntjes samenkomen, besteedt hij in het eerste deel van het boek zoveel aandacht dat ik op een gegeven moment maar wat doorbladerde om te zien of het ook nog over Christiaan zou gaan…

Ik noemde hierboven al even de vloeiende stijl waarin het boek is geschreven. Wat ook uitstekend werkt is de keuze om ‘licht’ als een terugkerend thema te gebruiken, als een kapstok waaraan naar believen zaken kunnen worden opgehangen. Dat licht is het zonlicht dat door de hoge ramen de Pronkzaal van Hofwijck laat schitteren, het Hollandse licht boven de polders, het licht van Vermeer en zijn collega’s, én het licht waarvan Christiaan tegen het einde van zijn leven de voortplanting wist te doorgronden. Misschien wel zijn grootste inzicht.

En tja, die eindeloze discussie wie de grootste was, Newton of Huygens. Wat kunnen we daar nog over zeggen? Zelf zaten ze er niet mee. Nadat stadhouder Willem III in 1689 koning van Engeland was geworden, nodigde diens secretaris, Constantijn Huygens junior, zijn broer Christiaan uit voor een bezoek aan Londen. Dat was mede om een hartenwens van Christiaan te vervullen, een ontmoeting met Isaac Newton. Ieder van hen had het grootste respect voor de ander. Ze zagen elkaar drie keer.

Roem is deels maakbaar, dat laat het beeld van Rembrandt gedurende de 19e-eeuw wel zien. En dat is ook het geval bij onze twee natuurkundigen. Waar de Engelsen in de generaties na Newton diens grootheid voortdurend hebben benadrukt, daar bleven de Hollandse krachten stil. En zo verdween Christiaan langzamerhand naar een schemerachtig hoekje van de internationale wetenschapsgeschiedenis. De nobele taak van een biograaf om hem daar weer uit te krijgen, terug in de spotlights.

Hugh Aldersey-Willams / Een eeuw van licht. Het leven van Christiaan Huygens / Vertaald uit het Engels door Ineke van den Elskamp en Gertjan Wallinga / 486 blz / Thomas Rap, 2020

[Engelstalige editie: Dutch Light]





zondag 25 oktober 2020

Een wereld die verdwijnt

Het boerenland van het Noordduitse Sleeswijk-Holstein was ooit een paradijs met kleinschalige boerderijen, kronkelende sloten met eindeloze rijen knotwilgen en overal half verborgen plekken waar kinderen naar hartenlust verstoppertje konden spelen. Sinds de grote ruilverkavelingen in de jaren zestig is het een overwegend vlak en kaal landschap, een wereld die is ingericht op steeds grotere trekkers en de modernste landbouwmachines. Door de mechanisering van het boerenbedrijf, een proces dat zich in enkele decennia heeft voltrokken, zijn de boeren en hun families  de traditionele band met hun grond kwijtgeraakt. Het zijn ondernemers geworden die toevallig aan akkerbouw doen. Deze veranderingen hebben ook grote gevolgen gehad voor de kleine dorpen die verspreid door het landschap liggen. Jongelui zoeken na hun school een toekomst in de stad, de ouderen blijven achter en een flink deel van de huizen staat dan ook te verkrotten. De enige onderwijzer wordt na zijn pensioen niet vervangen, de dorpswinkel sluit haar deuren en  dominee heeft steeds minder te doen. Het plaatselijke café-pension bestaat alleen nog omdat de uitbaters, een echtpaar van in de negentig, geen afscheid kan nemen. 

In Middaguur beschrijft Dörte Hansen die verloren wereld én het proces van verandering. Sönke en Ella Feddersen zijn haar hoofdpersonen. In hun café-pension slijten ze hun laatste jaren. Hij lijkt nog flink, maar kan zich met zijn rollator nog maar net verplaatsen, zij heeft beginnende dementie. Maar daarover praten ze niet, dat is een stilzwijgende afspraak. Het dorp, Brinkebüll, is hun leven. Zij kennen er iedereen. Ooit floreerde hun zaak, was het een gewilde plek voor grote familie- en bedrijfsfeesten, maar die tijden zijn voorbij. De training van de lokale line-dance club is nu het commerciële hoogtepunt van de week. 

Hun zoon Ingwer heeft er zo’n dertig geleden voor gekozen de zaak niet over te nemen en is in Kiel archeologie gaan studeren. Daar doceert hij nu aan de universiteit. Tegen de vijftig, en als in een echte midlifecrisis op zoek naar de zin van het leven, heeft hij een sabbatical van een jaar genomen en keert terug naar huis. Het wordt het jaar waarin hij zijn leven op z’n plaats zal laten vallen, en ook het jaar waarin hij afscheid zal nemen van zijn ouders. 

Hansen mag er dan voor hebben gekozen haar verhaal rondom de familie Feddersen op te bouwen, aan het slot van het boek zijn tientallen andere inwoners van Brinkebüll je net zo lief. Zij allen komen steeds maar weer voorbij, je leeft met hen mee terwijl de tijd voortschrijdt en hun wereld langzaamaan verdwijnt. Het is een beproefd recept, in Nederland deed Gert Mak ooit zoiets in Hoe God verdween uit Jorwerd. Dat is meer een sociale geschiedenis, dit is meer een roman. 

Stilistisch is Hansen ijzersterk, ze kan het gevoel dat een koud, winderig, en godverlaten landschap oproept beeldend beschrijven. Dit is haar tweede boek, enkele jaren geleden debuteerde ze met Het oude land (dit weblog, 15 september 2020). De thematiek is in beide romans zo’n beetje gelijk, en ook daar trekt een hoofdpersoon vanuit de stad naar het platteland. Waar ik het sentiment er in Het Oude land soms iets te dik op vond liggen, is Hansen in Middaguur genuanceerder en subtieler. In alle opzichten geslaagd.

Dörte Hansen / Middaguur / Uit het Duits vertaald door Lucienne Pruijs / 302 blz / HarperCollins, 2020    


woensdag 21 oktober 2020

Die ándere stadhouder

De term stadhouder is de meesten van ons wel bekend. Het was de commander-in-chief van het leger en de vloot van de Republiek der Verenigde Nederlanden, en dat in dienst van de Staten-Generaal. Gedurende een groot deel van de zeventiende eeuw was hij dus ook de opperbevelhebber in de strijd tegen Spanje. Het rijtje namen van stadhouders is ook wel bekend: Willem I (aka Willem van Oranje), Maurits, Frederik Hendrik, Willem II en Willem III. Zij waren allen op persoonlijke titel ook prinsen van Oranje. Minder bekend is dat deze mannen niet de stadhouder waren van álle provincies, er was meestentijds ook een tweede stadhouder. Deze was verantwoordelijk voor de Noordelijke provincies. Een van de meest kleurrijke van hen was Willem-Frederik, graaf van Nassau-Dietz (1613-1664), stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe. Tussen 1643 en 1654 hield hij een dagboek bij, dat in 1995 werd gepubliceerd. Het is fascinerend om te lezen, vooral omdat Willem-Frederik niet alleen aantekende welke belangrijke zaken er in zijn leven voorvielen maar trouw ook allerlei volstrekt dagelijkse beslommeringen  noteerde.

Zou Willem Frederik het grootste deel van het jaar hebben doorgebracht op zijn residentie in Leeuwarden, dan zouden die dagboeken voor ons wellicht niet heel interessant zijn geweest. Maar in de betreffende jaren was hij meestal in Den Haag te vinden, in de onmiddellijke nabijheid van zijn neef Frederik Hendrik en diens echtgenote Amalia van Solms. Gewoonlijk kwam hij in het vroege voorjaar naar Den Haag, om pas weer kort voor kerst naar het noorden af te reizen. In de tussentijd verbleef hij in zijn huis aan de Poten, of ging hij met Frederik Hendrik mee op veldtocht tegen de Spanjaarden. Wanneer hij in Den Haag was, vulde hij zijn dagen met het afleggen van bezoekjes. Bovenaan zijn lijstje stond vaak ‘de coninginne’ – dat is Elizabeth Stuart, de ‘winterkoningin’-, waarna je hem afwisselend kon vinden bij Amalia, haar zoon Willem II, Johan Maurits van Nassau-Siegen en Constantijn Huygens om maar enkelen te noemen. Vrijwel dagelijks noteerde hij in zijn dagboek waar hij met hen over sprak. 

De formele reden voor Willem Frederiks verblijf in Den Haag was zijn lidmaatschap van de Raad van State, de informele was dat hij dong naar de hand van Louise Henriëtte, de oudste dochter van het stadhouderlijk paar. Vermoedelijk hierom knoopte hij vertrouwelijke banden aan met haar moeder, Amalia. Toen in de loop van 1646 duidelijk werd dat Louise Henriëtte zou worden uitgehuwelijkt aan Friedrich Wilhelm, de machtige keurvorst van Brandenburg, richtte hij zijn aandacht zonder veel omhaal op Albertine Agnes, haar jongere zus. Hun huwelijk zou in 1652 worden voltrokken.

De door Willem Frederik genoteerde perikelen rond het huwelijk van Louise Henriëtte en de keurvorst bieden een onthullende blik op de doelgerichte huwelijkspolitiek van Frederik Hendrik en Amalia. Hoewel Louise Henriëtte duidelijk te kennen gaf dat zij haar aanstaande echtgenoot – groot, dik – verafschuwde, en ook haar moeder zich liet ontvallen dat de keurvorst ‘soo lelijck wass, soo plomp’ – wonnen de dynastieke belangen het van het gezond verstand en vond het huwelijk toch plaats. Hoe groot de tegenzin van Louise Henriëtte was, blijkt uit het feit dat haar nieuwe echtgenoot bijna een jaar later Amalia per brief met klem verzocht naar zijn residentie in Kleef te komen: zijn echtgenote huilde namelijk nog dagelijks.

Willem Frederik logeerde regelmatig bij het stadhouder paar, bijvoorbeeld in het groots opgezette Huis Honselaersdijk. Die dagen waren dan gevuld met jachtpartijen met de stadhouder en diens zoon Willem II, met copieuze maaltijden en met wijnovergoten feesten. 

Willem Frederik had, in tegenstelling tot zijn neef, weinig belangstelling voor kunst. Pratend met Amalia, die wel een groot liefhebster van de kunsten was, raakte hij daar toch bij betrokken. In de loop van 1646 werd een ritje of een wandeling naar het in aanbouw zijnde ‘huys in ’t bosch’ een standaarduitje voor de noordelijke stadhouder. Hij volgde de vordering van de werkzaamheden nauwgezet, zodat hij daar met Amalia over kon praten. Na het overlijden van Frederik Hendrik in 1647 werd besloten de centrale ruimte in het huis van de vloer tot het plafond te decoreren  met schilderijen die een eerbetoon aan de overleden stadhouder en prins zouden vormen. Constantijn Huygens, die betrokken was bij de ontwikkeling van de zaal, bedacht volgens eigen zeggen de naam: Sael van Oranje. Tegenwoordig Oranjezaal geheten.

De dagboekaantekeningen van Willem Frederik maken vrij uitvoerig gewag van zijn gesprekken met Amalia over de totstandkoming van de zaal. Op 18 juli 1648 bijvoorbeeld lezen we: ‘Dess avontz nae den eeten seyd H.H. [= Amalia] dat in de sael van het Huys in ’t Bosch soud het leven van S.H. saliger [= Frederik Hendrik] geschildert wesen van 7 off 8 de beste schilders van het lant, en wahren wie [= wij] het niet eens: sie wold de bataillie van Vlaenderen [= de slag bij Nieuwpoort in 1600] der niet in hebben, en ick oordeelde dat was soo een genereuse actie van S.H., maer 16 jaer oldt sijnde […] dat het vooral daerbij most wesen.’ Deze voorstelling, die de piepjonge Frederik Hendrik toont naast zijn veel oudere halfbroer Maurits, geschilderd door de Zuid-Nederlandse kunstenaar Thomas Willeboirts Bosschaert, hangt in de zaal. Amalia luisterde dus naar haar Friese vriend, mogen we vaststellen.

Het is heerlijk lezen over het militaire leven, de landspolitiek en de intriges aan het Haagse hof. Maar het jaar waarin de spannendste gebeurtenissen plaatsvonden ontbreekt helaas. Nadat Willem II, die in 1647 zijn overleden vader was opgevolgd als stadhouder, het in 1650 aan de stok had gekregen met het machtige Amsterdam en zelfs met een leger tegen de stad was opgetrokken – een onbesuisde actie die jammerlijk mislukte – vernietigde Willem Frederik zijn dagboek van dat jaar. De opmerkingen daarin over zijn rol in deze kwestie, als vertrouweling van de jonge prins, moeten zo uitvoerig en openhartig zijn geweest dat openbaarwording ervan een groot gevaar voor hem zou hebben opgeleverd. De Oranjegezindheid in de Republiek was in 1650 bij de bestuurders en een groot deel van de bevolking namelijk tot net boven het nulpunt gedaald. 

De dagboeken zitten vol met fascinerende informatie én nutteloze trivia, kennis die de officiële geschiedenisboeken nooit heeft gehaald. Ze zijn voorbeeldig uitgegeven, met een notenapparaat en uitgebreide registers. Maar het meeste leesplezier haalde ik toch uit de taal: het oude Nederlands is niet gemoderniseerd, wat de authenticiteit beslist ten goede komt.

Gloria Parendi. Dagboeken van Willem Frederik, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, 1643-1649 en 1651-1654 / Bezorgd door J. Visser / 842 blz / Nederlands Historisch Genootschap, 1995