Gellhorn begon haar loopbaan niet als oorlogscorrespondent. Ofschoon de klus die ze daaarvóór, begin jaren dertig, aannam bij tijd en wijle ook hectisch kon zijn. In opdracht van president Roosevelt reisde ze enkele jaren door de Verenigde Staten om de stemming onder de bevolking te peilen over de New Deal, het programma waarmee de president de economische depressie en de hoge werkloosheid bestreed. Ze rapporteerde rechtstreeks aan de directeur van het programma, Harry Hopkins. ‘My Dear Mr. Hopkins’, was de vaste aanhef boven haar brieven aan hem. Over hem schreef Geert Mak vorig jaar zijn monumentale biografie De wisselwachter. De New Deal bracht veel goeds, maar op de werkvloer bleek ook dat veel mislukte. Het boek dat Gellhorn daarover in 1936 publiceerde, The Trouble I’ve Seen, werd een groot succes. Haar naam was gevestigd.
In Spanje koos Gellhorn haar eigen insteek. In haar reportages voor het Amerikaanse Collier´s Weekly zoek je tevergeefs naar de bloedige militaire strijd. Hoe de dagelijkse sores van de oorlog het leven van de inwoners van het belegerde Madrid overhoop gooide, dát interesseerde haar. En gelukkig ook de lezers en lezeressen van Collier´s. Geert Mak, die voor deze selectie van Gellhorns artikelen een inleiding schreef, typeert haar toon als volgt: ‘scherp observerend, strak en tegelijk emotioneel, met een uitstekend oog voor het menselijk detail.’
Gellhorn en Hemingway bleven, met onderbrekingen, een kleine drie jaar in Spanje. Voor hen liep de oorlog fout af, de Republikeinse regering werd door generaal Franco verslagen. In januari 1939 waren ze vanuit hun hotelkamer getuige van de val van Barcelona en de afscheidsparade van de Republikeinse troepen. Het jaar erop trouwden ze – voor hem het derde huwelijk, voor haar het tweede – en verhuisden ze naar Cuba, zijn favoriete stek. Maar waar hij rust zocht om zijn ervaringen te verwerken in romans en verhalen, daar werd zij voortdurend aangetrokken door nieuwe brandhaarden. In 1938 was zij in Berlijn en München, in 1940 versloeg zij de 1940 Fins-Russische oorlog, om vervolgens een trip langs het Kantonese front in China te maken – waarop Hemingway haar overigens wel begeleidde. Maar toen zij in 1943 besloot naar het Italiaanse front af te reizen en met het geallieerde leger op te trekken, - de foto hierboven is gemaakt in februari 1944 - was dat volstrekt tegen zijn zin. Maar zij was niet zo’n vrouw die de orders van haar echtgenoot zomaar opvolgde … Ze zouden in 1945 scheiden.Als oorlogscorrespondent zou Gellhorn tot op hoge leeftijd tientallen grote en kleinere conflicten verslaan. De selectie die nog door haarzelf werd gemaakt voor Het gezicht van de oorlog – inmiddels als The Face of War uitgegroeid tot een klassieker – is indrukwekkend. En toont opnieuw haar voorkeur voor het verhaal achter het verhaal, voor de human interest. Zoals het ontroerende De jongens van de bommenwerpers, gemaakt in Engeland. En vanzelfsprekend was zij er getuige van hoe de Russen Berlijn innamen. En bezocht zij Dachau, en schreef erover – een zwaardere klus had ze nooit gedaan.Een mooi staaltje van haar vindingrijkheid is haar reportage over de landing op D-Day, 6 juni 1944. Zij zou daarover schrijven voor Collier’s maar Hemingway, die vond dat hij als ‘belangrijker’ correspondent het eerste recht had, kreeg de redactie van het tijdschrift zover dat ze hem op de lijst met embedded journalisten plaatsten en niet haar. Zodra de situatie na de landing veilig zou zijn, zouden zij door een fregat aan land worden gebracht om hun reportages te maken. Dit onder voortdurende bescherming van het leger. Gellhorn was boos, maar verzon een list. Zij meldde zich in Londen aan als verzorgster op een hospitaalschip, met als gevolg dat zij al op 7 juni op een Normandisch strand met gewonden liep te slepen. Dit terwijl het schip met embedded journalisten – waaronder Hemingway – nog dagen buitengaats moest wachten. Collier’s plaatste haar verhaal, als hoofdartikel.
In haar inleiding bij Het gezicht van de oorlog vat Gellhorn heel beknopt haar boodschap samen: ‘Ik schreef heel snel, dat moest wel; en ik was altijd bang dat ik zou vergeten wat precies het geluid, de geur, de woorden en gebaren waren die specifiek voor dit moment en deze plaats waren. Ik hoop dat ik in de loop der jaren een beetje beter heb leren schrijven. Waar het om gaat in deze artikelen is dat ze waar zijn; ze vertellen wat ik gezien heb. Misschien doen ze anderen, net als mij, denken aan het gezicht van de oorlog. We kunnen er nauwelijks te veel of te vaak aan herinnerd worden. Ik geloof dat herinnering en verbeelding de grote afschrikmiddelen zijn, en niet de kernwapens.’Martha Gellhorn / Het gezicht van de oorlog 1937-1946 / Met een voorwoord van Geert Mak / Vertaald uit het Engels ‘The Face of War’ door Kees Helsloot en Leo Huisman / 302 blz / Atlas Contact, 2025 (vierde druk)



















