maandag 5 juli 2021

Twee koffers

Chaja is twintig en studeert filosofie in Antwerpen. Maar zich concentreren op het gedachtengoed van Socrates of Plato lukt haar niet erg, daarvoor wordt ze teveel afgeleid door haar nieuwsgierigheid naar het Joodse geloof van haar ouders en voorouders. Het is omstreeks 1970, dus 25 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en de verschrikkingen van de holocaust. In Antwerpen, en met name in de Joodse wijk, dreunt die nog stevig na. In Twee koffers vol laat Carl Friedman op subtiele wijze zien dat het omgaan met dat recente verleden op verschillende manieren kan. In deze kleine roman volgen we Chaja in haar dagelijkse omgang met familie, vrienden en anderen die model staan voor die diverse houdingen. 

Met de oude bovenbuurman van haar ouders, de heer Apfelschnitt, heeft ze het beste contact. Hij is na de oorlog teruggekeerd naar het Joodse geloof en kan Chaja haarfijn uitleggen waarom. Hun discussies vormen inhoudelijk de kern van het verhaal. Bij de familie Kalman treedt ze enkele uren per dag in dienst als kindermeisje. Het gezin is streng orthodox Joods, wat zich onder meer uit in reeksen terechtwijzingen van de vader aan het adres van Chaja. Met hun zoontje, de kleuter Simcha, ontwikkelt ze een hechte band. Het appartementengebouw waar de Kalmans wonen is ook de plek waar ze te maken krijgt met fel antisemitisme, in de persoon van de conciërge. Chaja’s ouders tenslotte vertegenwoordigen twee vrij extreme manieren van omgaan met het recente verleden. Beiden hebben Auschwitz overleefd. Haar moeder drukt dat weg in een manie voor koken, zo als het ware het kamp ontkennend. Haar vader is koortsachtig op zoek naar twee koffers met persoonlijke bezittingen die hij in de oorlog in het centrum van Antwerpen heeft begraven. Die terugvinden is voor hem uitgegroeid tot een zoektocht naar de heilige graal. Uitleggen waarom hij dat doet kan hij niet. Zijn echtgenote wel, zij interpreteert dat zoeken naar de koffers als een zoektocht naar zichzelf.

Het verhaal is vernuftig opgezet, maar blijft naar mijn smaak iets te afstandelijk. Ik werd nergens naar binnen gezogen. Ontroerend is wel de scène waarin Chaja een brief schrijft aan Albert Einstein. Is ze in de veelheid aan indrukken en de daaruit ontstane chaos op zoek naar bewijsbare stellingen? 

Carl Friedman / Twee koffers vol / 175 blz / Van Oorschot, 1993 

vrijdag 2 juli 2021

De Bijbel, versie 2.0

Guus Kuijer is een alom geprezen auteur van kinderboeken. Dat betekent dat hij creatief is, een eerste voorwaarde voor het schrijven voor kinderen. Het betekent ook dat hij zich bewust zal zijn hoe de aandacht van de lezer te pakken, bij literatuur voor kinderen nog belangrijker dan bij volwassenen. In 2012 werd aan hem de Astrid Lindgren Memorial Award toegekend, de meest prestigieuze prijs ter wereld voor kinderboeken. In datzelfde jaar, hij is dan 70 jaar, besluit hij om de mooiste verhalen uit het Boek der Boeken, de Bijbel, te herschrijven. De verhalen die vaak vrij neutraal - als het ware overgoten met een zaaddodende pasta - zijn geboekstaafd, opnieuw op te schrijven, maar dan met het technische en emotionele instrumentarium van de literaire auteur. Hijzelf noemt dat De Bijbel voor ongelovigen. Na lezing lijkt mij dat wellicht iets te beperkt, gelovigen met een enigszins flexibele morele instelling zouden hier ook van moeten kunnen genieten.

Want Kuijer doet beslist geen godslasterlijke dingen met de Bijbelse verhalen. Toegegeven, hij transformeert de personages in die verhalen tot mensen van vlees en bloed - een purist zou dat tegen de borst kunnen stuiten. Noach wordt een dorpstiran, iemand die zelf overtuigd is van de ramp die onafwendbaar is maar zijn naasten slechts onder bedreiging kan dwingen tot medewerking aan zijn plannen. En die daar dan zelf onder lijdt, haast ten onder gaat aan de onzekerheid met betrekking tot de opdracht die God hem  gaf. En Isaak zou maar wat graag door Abraham zijn geofferd, ware het niet dat zorgvuldige contemplatie achteraf leidt tot de vaststelling dat het beter is dat het is gegaan zoals het is gegaan. Jozef tenslotte, die het brengt tot onderkoning van Egypte en in die functie zijn talrijke broers, eens zijn verraders, tegemoet treedt, is ook een voorbeeld van een zelfstandig denkend mens. Alsof Kuijer Thomas Mann heeft gelezen - wat zomaar zou kunnen.

Lezing van deze herschrijving is een feest. Niet alleen door de professionele wijze waarop de verhalen zijn getransformeerd van stijve Bijbelse vertellingen tot meeslepende menselijke geschiedenissen, maar ook door Kuijers vermogen tot relativeren. Zo roept hij de lezer in meerdere van de introducties tot de verhalen op, na het Bijbelse ‘Selach verwekte Eber, Eber verwekte Peleg, Peleg verwekte Reü enzovoorts’, om dit rijtje vooral uit uw hoofd te leren opzeggen, ook in omgekeerde volgorde. Dat is de Bijbelse hersenloze dwangmatigheid.  Nog mooier zijn passages als ‘God zweeg zo lang dat ik bang werd dat ik hem had overbluft met mijn gedachtegang. Het was me langzamerhand wel duidelijk dat je God de mond kon snoeren door zelf na te denken.’ Aan het woord is Adam.

Ik kom vrij laat bij deze wonderbaarlijke reeks. Er zijn inmiddels zes delen verschenen over volgende Bijbelboeken, en zelfs een verzamelbundel met illustraties. Dat is prima, zo heb ik weer iets op het lijstje voor de tweedehands boekenstalletjes.

Guus Kuijer / De Bijbel voor ongelovigen. Het begin. Genesis / 286 blz / Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2012

maandag 28 juni 2021

Een 'terreinroman'

Ik las niet eerder een ‘terreinroman’. Had ook nooit van het genre gehoord. Dat blijkt niet heel vreemd te zijn, want googelen op het begrip levert uitsluitend verwijzingen op naar de roman in kwestie, Kreupelhout. Terreinroman van de Duitse auteur Esther Kinsky. In haar eigen land is zij een grote dame, schrijft proza, poëzie, essays en vertaalt uit het Pools, Russisch en Engels, won vele prijzen. Dit is pas haar tweede roman die in het Nederlands verschijnt. De juiste omschrijving van terreinroman is, afgaande op Kreupelhout, een roman waarin het landschap de hoofdrol speelt. Wat voor soort landschap dat is, is om het even. Dat kan een indrukwekkende natuur zijn, een drukke stad of zoiets als een kerkhof. Deze roman laat zien dat de bandbreedte van ‘terrein’ heel groot kan zijn. 

Aan het lezen van Kreupelhout moest ik even wennen. Het verhaal wordt verteld door een vrouw van wie we de naam en leeftijd niet te weten komen. Ze zal boven de vijftig zijn. Het verhaal speelt enige tijd geleden, fotograferen doet de vrouw met filmrolletjes. Ze reist vanuit Duitsland naar Italië en betrekt een huis in Olevano Romano, een dorp in de heuvels buiten Rome. De reis is voor haar een manier om de dood van haar partner te verwerken, die twee maanden eerder overleed. De vrouw doet eigenlijk niets, behalve zich door het ‘terrein’  bewegen. Dat ondergaat ze. Ze observeert heel nauwgezet, stelt vast wat het landschap betekent en laat zich erdoor inspireren tot associaties. Eigenlijk ordent ze het grootste deel van de tijd, zowel het landschap als de herinneringen die het bij haar oproept. Er gebeurt dus, aan de oppervlakte bezien, heel weinig. Dat was even wennen. Maar onderhuids is het wel spannend. Spannend in de zin dat je je als lezer voelt opgenomen in een stroom waarvan je niet weet waarheen die leidt, en je je realiseert dat de vrouw dat evenmin weet. Vergelijk het met die Franse films van rond 1960, de rit is belangrijker dan het resultaat.

Enige structuur is er wel. In de drie delen van de roman verblijft de vrouw in drie verschillende dorpen in het midden en noorden van Italië. Kleine gemeenschappen, overzichtelijk. Wanneer ze een uitstapje maakt naar een grotere plaats komt dat haar gemoedsrust meestal niet ten goede. Het meest aardse deel is het tweede. Daarin haalt ze herinneringen op aan haar – eveneens – overleden vader en de familievakanties in Italië. Een eigenzinnige man, die vader. Net als zijn dochter, zou je zeggen.

Conclusie? Een klein literair avontuur. Veel blijft vaag. Maar de sfeer die gaandeweg ontstaat is veel waard. En het landelijke Italië in winterse omstandigheden – koud, met grijze hemels, kale bossen, zonder toeristen – vormt een passend decor.

Esther Kinsky / Kreupelhout. Terreinroman / Vertaald uit het Duits door Josephine Rijnaarts / 287 blz / Uitgeverij Pluim

donderdag 24 juni 2021

Het land in zwaar weer

Het Nederland dat Adriaan van Dis beschrijft in zijn nieuwe roman KliFi is een ander land dan het huidige. De koning is vervangen door een president, de media worden gecontroleerd door de staat en iedere vorm van klimaatcrisis wordt door de machthebbers ontkend. KliFi staat voor KlimaatFictie. Alles in deze roman lijkt een gruwelijk toekomstbeeld te zijn, maar tegelijk heeft Van Dis vrijwel niets verzonnen. Van alles wat hier passeert kun je ergens in onze huidige wereld wel een voorbeeld vinden. De klimaatfictie uit de titel is de viruswaanzin, maar dan in een andere vorm. De president die van alle kunst houdt, als het maar klassiek is, vertoont trekjes van Baudet. En de orkaan die zojuist een verwoestend spoor door het land heeft getrokken is een verbeelding van de Covid-19 pandemie. Dat Van Dis zich heeft laten inspireren door een situatie waar we in zekere zin nog middenin zitten verklaart wellicht ook de gal die bij tijd en wijle uit zijn pen vloeit. Hij lucht zijn hart, zegt waar het op staat. Het boek is één lange aanklacht tegen onrecht.

Het verhaal wordt genoteerd door Jákob Hemmelbahn, een oudere schrijver die in een groot huis aan een rivier woont. Zijn ouders zijn ooit Hongarije ontvlucht, een gegeven dat de zoon al die jaren later nog steeds een gevoel van mededogen met vluchtelingen bezorgt. En vluchtelingen zijn er, nu de orkaan der orkanen het water heeft opgedreven en hele streken onder water zijn komen te staan.

Jákob, sinds enkele jaren weduwnaar, woont alleen in zijn grote huis. De boerderij van zijn buurman Kees is onder water verdwenen, en Kees zal de eerste van velen zijn die door Jákob worden opgevangen. Jákob wordt door de instanties ook ingezet om de stroom vluchtelingen te administreren. Hij ondervraagt ze wanneer ze zich aanmelden en sjoemelt af en toe een beetje bij het noteren van de gegevens: big brother hoeft immers niet álles van je te weten…

Ik las de roman als luisterboek, door Van Dis zelf voorgelezen. Een groot voordeel, zeker bij het hartstochtelijke betoog dat dit boek is. Gal kun je ook uitspreken. De lezers van het papieren boek hebben weer een ander voordeel: de typografie van de tekst. Met een grote letter, hele passages – de president aan het woord – in vette knalrode hoofdletters en andere vrijheden is daar op dat vlak veel te beleven.  

Eigenlijk is dit boek een kleine ideeënroman. Speels en creatief, maar ook vurig en woedend. Een Van Dis zoals je hem niet eerder las.

Adriaan van Dis / KliFi. Woede in de Republiek Nederland / Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 3 uur en 42 minuten / Atlas Contact, 2021 / via Storytel

maandag 21 juni 2021

Groot schrijver, klein oeuvre

Onlangs kocht ik de langverwachte biografie van Nescio, door Lieneke Frerichs. Een kloek boek, ruim 650 bladzijden. Het is daarmee twee keer zo dik als Nescio’s bescheiden oeuvre. Dat bracht mij op de gedachte dat het zinvol zou kunnen zijn om, alvorens aan de biografie te beginnen, dat oeuvre maar eens gedeeltelijk te herlezen. Ik las de bundel met de befaamde verhalen de uitvreter / titaantjes / dichtertje / mene tekel lang geleden voor mijn leeslijst, enkele jaren later gevolgd door Boven het dal. Wat herinnerde ik me ervan? Niet veel. De sfeer, voornamelijk. Het spaarzame taalgebruik. De onorthodoxe insteek van veel van de verhalen. Maar echt blijven hangen waren de boeken niet. En dat Nescio een groot schrijver is weet ik vooral omdat de literatuurwetenschap dat zo heeft bepaald. Waarom ik dan toch die biografie kocht? Omdat ik me altijd heb afgevraagd wat voor iemand er schuil gaat achter het pseudoniem Nescio. Wie er zo onafhankelijk in het leven staat dat hij op jonge leeftijd een klein oeuvre bij elkaar schrijft en dan verder zijn leven leeft zonder dat dat schrijverschap daar een wezenlijke rol in lijkt te vervullen.

Welnu, het herlezen van de uitvreter / titaantjes / dichter / mene tekel was een feestje. De handvol jonge mannen die niet goed weten wat ze met hun leven moeten, maar wel forse ambities – of beter: dromen – hebben op literair of kunstzinnig vlak, en dan maar zo’n beetje van dag tot dag rondhangen, lusteloos werkend op kantoor of wat kwastend in een atelier,wachtend op een doorbraak: verslavend. Het taalgebruik, dat ik me herinnerde als spaarzaam, zou je beter kernachtig kunnen noemen. Dat wordt ook gestaafd door het feit dat meerdere van de gevleugelde openingszinnen het hebben gebracht tot de status van ‘klassieker’, zoals ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter’ (uit: De uitvreter) en ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’ (uit: Titaantjes).

Nescio, of J.H.F. Grönloh zoals zijn echte naam luidde, heeft de avonturen van zichzelf en zijn vrienden zonder opsmuk opgetekend. Maar die heel directe schrijfstijl is wel doordrenkt van een bijzonder gevoel: weemoed. Het is alsof hij terugkijkt en zich realiseert dat die tijd voorbij is. De tijd dat ze jongens waren, vol met dromen en zonder verplichtingen en verantwoordelijkheden. Maar of dat zo is, ga ik natuurlijk lezen in de biografie.

Nescio / de uitvreter – titaantjes – dichtertje / mene tekel / 151 blz / Nijgh & Van Ditmar, z.j. / Nimmer Dralend Reeks no. 74  


vrijdag 18 juni 2021

Met een giraffe door Frankrijk

Het moet voor veel Fransen die langs de route Marseille – Parijs woonden even slikken zijn geweest, in de weken tussen 20 mei en eind juni 1827. In die periode trekt namelijk een kleine maar opmerkelijke karavaan te voet van de kust van de Middellandse Zee naar de hoofdstad. Ze wordt aangevoerd door een zoöloog op leeftijd, Etienne Geoffroy Saint-Hilaire, de directeur van de Koninklijke tuinen en de menagerie in Parijs. Hij verkeert in gezelschap van een jonge Soedanees, Atir, moslim, voormalig slaaf en op deze reis dierenverzorger.  Daarnaast is er nog een tweede oppasser, een Egyptenaar. En op veel trajecten worden ze voorafgegaan door lokale gendarmes te paard, die al te nieuwsgierig volk op afstand moeten houden. Op sommige plekken, vooral bij grotere steden, is dat geen overbodige luxe want het hart van de karavaan is een uit de kluiten gewassen jonge giraffe. Een dier dat niemand in Frankrijk tot dan ooit in het echt heeft gezien, een dier waarvan niemand precies begrijpt, zelfs Saint-Hilaire niet, waarom het eruit ziet zoals het eruit ziet.

Zarafa, de giraffe, is een diplomatiek geschenk van de pasja van Egypte aan de Franse koning, Karel X. Dat dit geschenk in goede gezondheid zal arriveren in Parijs is dan ook van groot belang. Vandaar de oppassers die gewend zijn te zorgen voor giraffes, en vandaar ook de hooggeplaatste ambtenaar die de eindverantwoordelijkheid heeft. Gouverneurs van departementen en burgemeesters langs de route zijn geïnformeerd over het transport.

Agnita de Ranitz, een Nederlandse die al lange tijd in Frankrijk woont, vertelt met Kom Atir kom een kleurrijk verhaal. De couleur locale is daarbij niet onbelangrijk. Het imposante, nog lege Franse landschap in het begin van de negentiende eeuw, de verspreid liggende dorpen en stadjes die ieder weer een wereld op zich vormen, de gewichtig doende notabelen en de verraste reacties van de bevolking, bij elkaar ontstaat er een sfeer waardoor je ongewild wordt meegesleept. Het zijn deze volledig geslaagde aspecten die de roman redden, want De Ranitz is duidelijk minder sterk op het punt van de interactie van haar personages. Vooral de wisselingen in de verstandhouding tussen Saint-Hilaire, de leider van de tocht, en Atir zijn af en toe wat knullig uitgewerkt. Een plusje voor de smaakvolle vormgeving van het boek, en het juweel van een omslag.

Agnita de Ranitz / Kom Atir kom / 348 blz / Uitgeverij De Brouwerij, 2020

zondag 13 juni 2021

Op Texel in WO II

Op Texel was tijdens de Tweede Wereldoorlog sprake van een bijzondere sfeer, volstrekt verschillend van die op het vasteland en bijvoorbeeld een grote stad als Amsterdam. Dat was tenminste het oordeel van Luc Walraven, een jonge arts die in september 1942 op het eiland arriveerde. En hij kon het weten, want hij had in Amsterdam deelgenomen aan verzetsacties en was voor een daarvan, waarbij een jonge vrouw was omgekomen en een Duitse officier gewond geraakt, bij verstek ter dood veroordeeld. Texel vormde dan ook een relatief veilige plek om onder een valse naam ‘onder te duiken’. Hij kon er bovendien aan de slag in het lokale ziekenhuis, waar de geneesheer hem inwijdde in de kunst van de chirurgie. Luc logeerde bij de familie Keijzer, een boerengezin dat hem met open armen ontving. Op een van de dochters raakte hij verliefd. Dat alles, in de setting van een relatief verstild eiland en een soms betoverende natuur, voelde voor hem aan als een lange vakantie. Een oorlogsparadijsje. 

De eilandbewoners en de Duitse bezetters hielden in de eerste tijd dat Luc er was een fragiel evenwicht in stand. De Duitse ‘Inselkommandant’ zorgde ervoor dat het ziekenhuis werd bevoorraad met de noodzakelijke, soms schaarse medicijnen, in ruil waarvoor het ziekenhuis ook Duitse soldaten opnam als hun ziektebeeld te complex was voor de militaire ziekenboeg. Maar toen in de loop van 1943 het oorlogsbeeld kantelde en de Duitse troepen werden vervangen door overgelopen Brits-Indiërs en later Georgische soldaten, werd de sfeer op het eiland grimmiger. Zo ook in de laatste oorlogswinter, waarin sprake was van acties van het ondergrondse verzet en represailles  door de Duitsers. Toen de Georgiërs in de laatste weken van de oorlog in opstand kwamen tegen de Duitse troepen veranderde het tot dan toe vredige eiland in een warzone, waarbij halve dorpen in puin werden geschoten en veel burgers het leven lieten.

Nico Dros, zelf afkomstig van Texel, heeft van Oorlogsparadijs een meeslepend verhaal gemaakt. Hij situeert het in 1962, wanneer Luc – zijn onderduiknaam – als een vooraanstaand medicus en hoogleraar terugkeert naar het eiland waar hij een bekwaam chirurg werd en de liefde vond, maar waar hij ook beschadigd raakte. Zijn oorlogservaringen  op Texel, en even later ook tijdens de politionele acties in Indonesië, maakten van hem een ander mens en bepaalden het verdere verloop van zijn werkzame en persoonlijke leven. Dros is een kundig verteller, met oog voor compositie en sfeer. Gewoon een goede roman, niet meer en niet minder.

Nico Dros / Oorlogsparadijs / 368 blz / Uitgeverij Van Oorschot