zondag 2 augustus 2026

De wereld rond, in het spoor van de tijd

De schutbladen van De tijdreiziger, het nieuwe boek van Philip Dröge, tonen een projectie van de wereldkaart. Daarop is niets ingevuld, afgezien van 21 genummerde stippen die door een lijn met elkaar zijn verbonden. De nummering gaat in oostelijke richting, beginnend in Nederland om vervolgens via een Zweeds eilandje naar Praag, Bern, het Griekse Athos en Doha in steeds grotere stappen richting de Stille Zuidzee te gaan. En vandaar, via wat stops in de VS en Midden-Amerika weer naar Nederland. Een wereldreis, zo een als Jules Verne zijn held Phileas Fogg liet maken in Reis om de wereld in tachtig dagen. Maar Dröge maakt er geen wedstrijd van, al staat ook bij hem de tijd centraal. En hij volgt niet precies Foggs route. Nee, Dröge selecteerde bestemmingen waarvan hij hoopt dat hij er wat meer inzicht krijgt in vragen die hem al lang fascineren. Vragen over het fenomeen tijd. In zijn eigen woorden:

‘ […] door langs plekken te reizen die iets met het fenomeen tijd te maken hebben. Om te proberen het meest ongrijpbare toch te vatten en antwoord te krijgen op vragen als: Hoe gaan volkeren rond de wereld om met het mysterie van de klok? Waarom lijken sommigen culturen het temporele helemaal te negeren, terwijl anderen het juist centraal stellen? Waarom hebben buurlanden soms andere tijdsmetingen en bouwen sommige geloven tempels voor de toekomst? En natuurlijk de belangrijkste vraag van allemaal: is tijd echt of slechts een illusie?’

De tijdreiziger is een boek met inzichten op allerlei vlak. Soms heel simpele, zo vanzelfsprekende dat je – lees: ik - er niet eerder bij stilstond. Zoals de begrippen zonnetijd en kloktijd. Het eerste is een natuurkundig verschijnsel, het tweede een afspraak. De zonnetijd geldt steeds maar op een smalle, verschuivende reep, terwijl de kloktijd een veel groter gebied beslaat. De zonnetijd verschuift gelijkmatig van oost naar west, in ons deel van Europa 1 minuut voor iedere 18 kilometer. Een ijzeren regelmaat. De kloktijd is zoals gezegd een afspraak, ooit in het leven geroepen om allerlei aspecten van ons dagelijkse leven te organiseren, structuur te geven. Ook voor Dröge was dit een verhelderend inzicht, dat hij opdeed in Praag, waar de onderhoudsmonteur van de beroemde, levensgrote astronomische klok uit 1410 hem rondleidde. Dat is trouwens een prettig aspect van De tijdreiziger, en ook van veel van Dröges eerdere boeken, dat hij met graag te rade gaat bij lokale (ervarings)deskundigen. Het verlevendigt zijn verhaal, én laat zien dat mensen vaak interessanter zijn dat de geschiedenis, landschap of stad. Een beetje zoals Michael Palin dat deed op zijn reizen voor de BBC.

De keuze van locaties is heel gevarieerd. In Bern bezoekt Dröge het voormalige appartement van Albert Einstein. Diens relativiteitstheorie heeft immers alles te maken met het begrip tijd. De monniken in de twintig kloosters in de Monastieke Republiek Athos daarentegen, in Griekenland, proberen zich niet door de tijd te laten leiden: ´Je betreed er een land dat boven de tijd zweeft´. Hebberig wordt Dröge in Doha, bij de markt van de klokkenmakers van Qatar. Je kan er spetterend dure Rolexen aanschaffen, maar ook goedkope neppers die door de leek vrijwel niet te onderscheiden zijn van echte. Ooit gehoord van de lunisolaire kalender? In Mumbai maakt Dröge kennis met dit systeem, een tijdrekening gebaseerd op een combinatie van de stand van de zon én de maan. Om vervolgens, op weg naar Kathmandu, op irritante wijze kennis te maken met het elastieken tijdsbesef van de Indiase spoorwegen. En bij binnenkomst in Kathmandu, in Nepal, te merken dat zijn horloge verspringt van 15.41 naar 15.56. Ja, een kwartier tijdverschil met India, ook dat kan. Het is maar wat je afspreekt. En natuurlijk vliegt hij over de eindeloos lijkende Pacific naar Samoa, naar de datumgrens. De kers op de taart, zogezegd. 

Maar de meest intense beleving ervaart Dröge op een doodgewoon en vrijwel leeg parkeerterrein in Los Angeles, laat in de avond. Hij parkeert daar zijn gehuurde Nissan, precies op de plek waar Doc Brown in 1985 in Back to the Future een DeLorean uit zijn vrachtauto liet rollen, met de woorden: ‘Als je een tijdmachine in een auto gaat maken, waarom zou je dat dan niet met wat stijl doen.’ Bevangen door jeugdsentiment – Dröge is van 1967 – en het echte, haast letterlijke tijdreizen door in de sportwagen met een ingebouwde fluxcondensator door een scheur in het ruimte-tijdcontinuum te flitsen, blijken op die plek aanleiding te geven tot de misschien wel meest serieuze en ook filosofische overpeinzingen over tijdreizen in het hele boek. Na nog even met zijn huis, tuin & keuken-Nissan plankgas de startbaan van de DeLorean te hebben gevolgd, én op tijd op de rem getrapt, verlaat Dröge dit openbare stukje filmset. Op weg naar zijn laatste reisdoel, New York City. Specifieker, Times Square. What’s in a name …  

Nieuwsgierigheid is wat Dröge steeds maar weer lijkt te leiden naar nieuwe plekken en verhalen. Of het nu de uitbarsting van de vulkaan Tambora in 1815 is, en de wereldwijde gevolgen daarvan; de geschiedenis van het ministaatje Moresnet, zuidelijk van Maastricht; Pelgrim, de biografie van Christiaan Snouck Hurgronje; zijn monografie over Jakarta, Moederstad of het fascinerende De Tawl, zijn speurtocht naar de restanten van de Nederlandse taal in het noordoosten van de Verenigde Staten: het resultaat is iedere keer boeiend. Het is geschiedenis voor een heel breed publiek, gebaseerd op gedegen onderzoek en meeslepend verteld, met gevoel voor het anekdotische detail. Een prima mix. 

Philip Dröge / Tijdreiziger. Een wereldreis naar de verhalen van onze tijd / 320 blz / Spectrum - Uitgeverij Unieboek, 2026

donderdag 23 juli 2026

Twee levens in de kunst

Romans van Dave Eggers zijn meestal sociaal bewogen verhalen over een maatschappelijke ontwikkeling of dito onrecht. Denk aan de veel te sterke overheersing van ons leven door de voortschrijdende digitalisering (The Circle),  de schandalige manier waarop de overheid de inwoners van New Orleans niet wist te beschermen tegen de gevolgen van orkaan Katrina (Zeitoun) of het ten hemel schreiende verhaal van een jongen die het zuiden van Soedan probeert te ontvluchten op zoek naar een beter leven (What is the What). Mijn favoriet is een korte novelle uit 2019, The Captain and the Glory, waarin Eggers Donald Trump op vileine wijze neerzet als de ‘ik weet het beter’ kapitein van een enorm cruiseschip. 

Contrapposto, zijn nieuwste roman, past qua inhoud eigenlijk niet in dat rijtje. Het is een hoogst persoonlijk verhaal over een jongen en een meisje, Cricket en Olympia, die vanaf hun tienerjaren hun weg zoeken – én vinden – in de wereld van de kunst. Cricket is een uiterst begaafd tekenaar, Olympia heeft een haast onfeilbaar oog voor kunst die ertoe doet, het vermogen tot doeltreffend organiseren én het voornemen om er rijk mee te worden. Eggers volgt hen beiden tot ze hoogbejaard zijn.

Cricket en Olympia hebben geen liefdesrelatie. Ze zijn verknocht aan elkaar, misschien is dat de beste omschrijving. Er gaan jaren voorbij dat ze elkaar niet zien en maar nauwelijks in de gaten houden wat de ander doet. Maar steeds is er weer een moment dat ze wel met elkaar te maken krijgen. En terwijl Cricket onverstoorbaar doortekent, of het nu gaat om kunst van hoog niveau of als reclametekenaar omdat hij toch een inkomen moet hebben, werkt Olympia zich op tot een belangrijke mevrouw in de kunstwereld. Ze heeft galeries, verhandelt kostbare werken en runt uiteindelijk het atelier van een Damien Hirst-achtige kunstenaar. Het atelier als kunstfabriek.

Eggers brengt je in contact met allerlei vormen van kunst en kunst maken. Met kunstenaars, van de oprechte eenlingen tot de geslepen ondernemers die ideeën van anderen ‘lenen’. Maar ook met kunst die een boodschap bevat én met kunst die niets anders is dan een lege decoratie. Doet hij uitspraken daarover? Nee, hij laat het alleen zien. Show, don’t tell lijkt zijn houding in deze roman.

Hoe dit verhaal te bestempelen? Naast dat het niets minder is dan een ode aan de beeldende kunst, denk ik  dat ook ‘menselijk’ de lading dekt, zeker als je hem betrekt op de relatie tussen Cricket en Olympia. Ze nemen zich voor je in. Geestig is de roman bij vlagen ook. Eggers hanteert een luchtige toon waarin dat vleugje humor heel mooi past. Ik luisterde het boek grotendeels, voorgelezen door stemacteur Sander de Heer. Die verdient een speciale vermelding voor het overtuigend tot leven brengen van het verhaal. Zijn voordracht is zonder meer een wezenlijke toevoeging.

Dave Eggers / Contrapposto / Vertaald uit het Engels door Gerda Baardman, Betty Klaasse, Jan de Nijs en Bernard Wesseling / 437 blz / De Bezige Bij, 2026 // Luisterboek, voorgelezen door Sander de Heer /15 uur en 25 minuten / De Bezige Bij, via Storytel


zaterdag 18 juli 2026

John Banville, William Boyd & de traditie

Mij zul je niet snel horen zeggen dat vroeger alles beter was. Ik vind dat een houding die vaak meer zegt over jezelf dan over de wereld waarin wij leven. Terugkijken is prima, maar je haalt meer uit je leven wanneer je vooruit kijkt. Maar toch, wanneer we het hebben over lezen, verlang ik wel eens naar vroeger. Naar die detectives en thrillers die ik met boekenplanken tegelijk verorberde. Naar de o zo simpele sfeertekeningen in een ´Maigret´, naar de duivels intelligente plots van John le Carré of de tergend langzaam uitgetrokken spanningsboog bij Frederick Forsyth. Die heren zijn inmiddels overleden, met de meeste van hun opvolgers heb ik nooit een echte klik gevoeld en daarom lees ik nog maar sporadisch een thriller of detective.

Tot een paar jaar geleden. Toen besloot de Ierse schrijver John Banville te stoppen met het schrijven van literaire romans en voortaan uitsluitend nog detectives te schrijven. Dat deed hij al vaker, maar slechts als een afwisseling van zijn gewone output én onder een pseudoniem, Benjamin Black. Maar nu hij de tachtig naderde viel het jarenlang ploeteren op een grote roman hem steeds zwaarder. Een detective schreef hij daarentegen in een maand of zes. Daarvan verschenen er inmiddels vier. 

De verhalen worden gedragen door inspecteur Strafford, een late dertiger, en patholoog-anatoom Quirke, die een halve generatie ouder is. Hun relatie is niet vrij van wrijving, het schuurt nu en dan. De bedachtzame inspecteur kan zich ergeren aan de doorpakmentaliteit van de patholoog, die ook nog eens een drankprobleem heeft. De plaats van handeling is steeds het Ierland van de jaren vijftig, zowel Dublin als het eindeloos gevarieerde platteland. De locatie is steeds heel bepalend, wat ook geldt voor het weer: het lijkt er altijd druilerig te zijn. Ik kan er eigenlijk kort over zijn: je onderdompelen in de hier door Banville gecreëerde wereld is zo prettig dat je eigenlijk, net als bij George Simenon en zijn Maigret, helemaal niet zit te wachten op de ontknoping. Hoe langer die uitblijft, hoe beter. 

En toen zette vorig jaar een twééde gerenommeerde oudere auteur zijn literaire productie – in elk geval tijdelijk – on hold. William Boyd, midden zeventig, kwam met Gabriel’s Moon, een spionageroman. Zijn hoofdpersoon, Gabriel Dax, is een jonge Britse schrijver van reisboeken. Daarvoor reist hij regelmatig naar het buitenland, en soms krijgt hij dan op verzoek van zijn broer Sefton, die een hoge functie vervult op een ministerie, een pakketje mee dat hij ter plekke moet overhandigen aan een van diens contacten. Een vriendendienst, volkomen onschuldig. Tenminste, dat neemt Gabriel – ietwat goedgelovig - aan. Tot hij wordt benaderd door Faith Green, werkzaam bij de Britse contraspionage, die hem vraagt af en toe hetzelfde voor haar te doen, maar dan tegen betaling. Hij heeft daar aanvankelijk niet veel zin in, maar laat zich toch overreden. Deels omdat Green hem voor de klus een riant bedrag aanbiedt, deels omdat Gabriel aanneemt dat op de een of andere manier zijn broer ermee te maken heeft. En ook een beetje omdat Faith hem fascineert. Wat hij zich echter te laat realiseert is dat het aannemen van de eerste klus tegelijk het point of no return is: hij zal niet meer van haar afkomen. Spion ben je voor altijd.

Gabriel’s Moon was wereldwijd een hit. Dus kwam Boyd met een opvolger, The Predicament. Ook dit speelt in de vroege jaren zestig. De wereld van de Koude Oorlog. Een wereld zonder mobieltjes. Ook hier is de context weer internationaal, de opdrachten brengen Dax naar Guatemala, New York en Berlijn. Van eenvoudige koeriersklusjes, de smoes waarmee hij is geronseld, is al lang geen sprake meer. Gabriel vermoedt dat hij steeds vaker een wezenlijke rol vervult in complexe spionagecomplotten, zonder dat hij als laaggeplaatste pion het hoe en waarom precies kan doorgronden. Klinkt dat niet een beetje als John le Carré? Desondanks groeit Dax in zijn rol, neemt bij onverwachte en potentieel gevaarlijke ontwikkelingen meer dan eens de juiste beslissing en redt zo voor zijn opdrachtgever het project.  

Boyd is een meester in het neerzetten van een karakter. Hij maakt daar bij Gabriël Dax veel werk van, wat doet vermoeden dat ook hij, net als Banville, een lang leven voor zich ziet voor zijn hoofdpersoon. Het zij hem gegund, het verhaal zit slim in elkaar en is uiterst onderhoudend. Maar ik heb wel één bescheiden puntje van kritiek. En dat is dat Boyd zich van mij mag laten inspireren door zoveel van zijn voorgangers als hij maar wil, maar dat er voor mij ergens een grens is. Daarmee doel ik op de laatste scène van het boek. Die speelt zich af in Berlijn, tijdens het bezoek van president Kennedy in 1963. Dax is daar betrokken bij de beveiliging van de president. Meer zeg ik niet, dat zou een spoiler zijn. Maar wie zich de laatste, bloedstollende scène van The Day of the Jackal van Frederick Forsyth herinnert, weet wat ik bedoel.

De vier thrillers van Banville zijn verkrijgbaar in een Nederlandstalige editie: Sneeuw / April in Spanje / De garage / De verdronkene. Die van Boyd (nog) niet. 

 William Boyd / The Predicament / 258 blz / Penguin Viking, 2025 

zaterdag 11 juli 2026

Shakespeare and Company

Het is 1921, hartje Parijs. De Eerste Wereldoorlog eindigde alweer zo’n drie jaar geleden. In Frankrijk hernam het dagelijkse leven langzaamaan z’n vooroorlogse gang. Maar de miljoenen zinloze doden lieten een enorm litteken achter, de omgevallen vorstenhuizen en de toenemende macht van de burgerij en het proletariaat creëerden een politiek instabiele samenleving. Het zou nooit meer worden als vóór 1914. Maar voor kunstenaars waren dit gouden tijden, het gonsde op alle vlakken van de ideeën en initiatieven. Niet dat er altijd geld was voor de realisatie ervan, maar met enthousiasme en vooral ook durf kwam je een eind. Ook op literair gebied gebeurde er van alles. Enerzijds functioneerde de literatuur als een spiegel van de maatschappelijke situatie, anderzijds namen schrijvers zelf het voortouw en kozen voor nieuwe vormen, voor het experimenteren met taal. 

Die grensverleggende romans, verhalen en poëziebundels waren lang niet altijd welkom bij de bestaande uitgeverijen en boekhandels. Er was, zeker vroeg in de jaren twintig, maar een klein publiek voor. Je werd er als uitgever, boekhandelaar én schrijver niet rijk van. Maar gelukkig was daar Sylvia Beach, een jonge Amerikaanse die in 1921 in Parijs een overwegend Engelstalige boekhandel opende waar al die schrijvers wél welkom waren: Shakespeare and Company. Domineesdochter Beach (1887-1962) was verslaafd aan literatuur, stond open voor experimenten en bood daar een podium voor. Toen in 1922 geen enkele uitgever het aandurfde om Ulysses van James Joyce te publiceren, bang voor geldverslindende rechtszaken, deed zij dat wel. Twintig jaar lang, tot ze haar winkel aan de Rue de l’Odeon in 1941 op last van de Duitsers moest sluiten, vormde die een veilige wijkplaats voor vernieuwers. Ook schrijvers die vanaf het begin van de jaren dertig vluchtten uit Nazi-Duitsland waren bij haar welkom, zowel in haar huis als in haar winkel. Dat hun boeken, prominent in haar etalage, in het steeds fascistischer wordende Frankrijk ook haarzelf kwetsbaar maakten, deerde haar niet. 

Het Parijs van begin jaren twintig oefende een grote aantrekkingskracht uit op jonge schrijvers, vooral Amerikaanse. Velen van hen hadden gevochten in de oorlog en daar fysiek of geestelijk iets aan overgehouden. De keuze tussen teruggaan naar huis, waar weinig interesse zou zijn voor hun ervaringen en bovendien de Drooglegging al in gang was gezet, was niet heel aantrekkelijk. In het veel lieflijker Frankrijk blijven, waar iedereen de oorlog écht had meegemaakt en waar je dollar relatief veel waard was, was dan aantrekkelijker. Gertrude Stein, die zelf ook in Parijs woonde, omschreef deze generatie kunstenaars en schrijvers tegenover Ernest Hemingway eens als de ‘Lost Generation’: schrijvers als John Dos Passos, Sherwood Anderson, Ezra Pound en F. Scott Fitzgerald zijn de bekendste. Enigszins gedesillusioneerd bleven ze in het kunst- en alcoholvriendelijke Parijs, op zoek naar zingeving. Ze kwamen elkaar tegen bij Sylvia Beach.

Shakespeare and Company was in essentie een eenmansbedrijfje. Je zou het, kort door de bocht, een uit de hand gelopen liefhebberij kunnen noemen. De winkel en Sylvia waren één, haar persoonlijke overtuigingen zie je erin terug. Zo besloot ze al snel dat Shakespeare and Company naast een boekwinkel ook een leenbibliotheek moest zijn. Veel van haar klanten moesten immers rondkomen van een schamel inkomen, dus moesten ze voor een klein bedragje boeken kunnen lezen. Dat bleek een schot in de roos. En zo kwam ook Ernest Hemingway binnen, direct al in 1921. Een beetje sjofel gekleed, ook hij had het niet breed als Europese sportverslaggever van de Toronto Star. Zijn grote succes zou pas in 1926 komen, met de roman The Sun Also Rises. Hij had zelfs niet genoeg geld om zich in te schrijven als lid van de uitleenbibliotheek. Maar het klikte tussen hem en Sylvia, dus mocht hij voorlopig op de pof. 

Uwe Neumahr schreef eerder boeken over schrijvers in en om de Tweede Wereldoorlog, zoals Februari 1933. De winter van de literatuur en Marseille 1940, over de exodus via het zuiden van Frankrijk. Hij vertelt daarin, net als in De boekhandel van de ballingen, zijn verhaal in korte hoofdstukken en verspringt regelmatig in de tijd. Dat leest heel levendig en is ook de ideale vorm voor het naadloos invoegen van anekdotes. En die zijn er volop. Zoals het drama met de publicatie van Ulysses, waarvoor Beach haar zaak en persoon in de waagschaal stelde en waarin Joyce haar uiteindelijk schandelijk zou behandelen. Of Sylvia’s pogingen om Walter Benjamin, Arthur Koestler en anderen uit handen van de Duitsers te houden. Mooi is ook die over de bijeenkomst waarvoor Sylvia de oude André Gide en de nog Jean-Paul Sartre bijeenbracht voor een van de literaire bijeenkomsten in haar winkel, een debat dat jammerlijk maar vermakelijk mislukt. Desondanks alle puur literaire evenementen die ze organiseerde bleef Shakespeare and Company voor veel schrijvers toch ook de genoeglijke  ontmoetingsplek, de leeszaal, het clubhuis, en zelfs een postkantoor en grenswisselkantoor.  

De foto op de omslag van het boek is genomen in 1928. De wat slungelachtige man is Hemingway, de vrouw naast hem Beach. De vrouw geheel links is Adrienne Monnier, een Française die de boekhandel La Maison des Amis des Livres runde, schuin tegenover die van Beach. En de vrouw met wie zij haar leven deelde, in het appartement boven haar boekhandel. De vrouw ook aan wie zij waarschijnlijk haar leven te danken had toen Monnier Sylvia, nadat deze door de Duitsers was gevangengezet, na eindeloos gedoe vrij wist te krijgen. De oorlog zouden zij beiden overleven. De bevrijding zou voor hen zelfs een persoonlijk, feestelijk tintje krijgen: eind augustus 1944, nadat de komst van de geallieerden in Parijs dagenlang was aangekondigd, reed een colonne jeeps de Rue de l’Odéon binnen. Met in de voorste, staand, een triomfantelijke Hemingway. In die dagen oorlogscorrespondent. Hij wilde zijn vriendinnen persoonlijk bevrijden. Maar kon maar kort blijven, want was met zijn maten op weg naar Hotel Ritz. Specifieker: naar de wijnkelder ervan.

Uwe Neumahr / De boekhandel van de ballingen. Parijs 1940 – Toevlucht en verzet /  Vertaald uit het Duits door Rogier van Kappel / 311 blz / Querido Facto, 2026 

zondag 5 juli 2026

'Gered' door de atoombom

Het verhaal dat Richard Flanagan vertelt in Vraag 7 is in alle opzichten een vlechtwerk. Het uitgangspunt is simpel: zijn vader heeft zijn leven te danken aan de atoombom. En daarmee Flanagan zelf ook, want zonder die bom had zijn vader de oorlog waarschijnlijk niet overleefd en was hijzelf, van 1961, dus nooit verwekt. Maar dat gegeven is slechts de - beknopte - kern van het verhaal. Vandaar uitwaaierend bespreekt Flanagan de aanloop naar de ontwikkeling van de bom, een soms lichtelijk bizarre voorgeschiedenis; heeft hij het over het leven van zijn ouders, zowel vóór de oorlog als erna; en over zijn eigen jeugd; over zijn leven als beginnend schrijver en wat al niet meer. Vraag 7 is dan ook lastig in een hokje te duwen. Het is een memoir, het is fictie én non-fictie, het zijn essays over wetenschapsgeschiedenis. Soms raak je als lezer even de weg kwijt, vraag je je af wat Flanagan wil met het nieuwe hoofdstuk waaraan je net bent begonnen. Tot het je, soms flink wat bladzijden later, daagt. En je moet erkennen dat Flanagan al die tijd precies wist wat hij aan het doen was. Voor zulke boeken heb ik een zwak.

De atoombom is bij Flanagan niet uitsluitend het resultaat van grensverleggend natuurkundig onderzoek. Integendeel, het idee voor zo’n bom traceert hij, nét iets eerder, in de literatuur. De schrijver H.G. Wells, die al vroeg in zijn loopbaan furore maakte met The War of the Worlds, beschreef hem al in zijn roman The World Set Free (1914). En nu hij toch bij Wells is aanbeland, kan Flanagan de verleiding niet weerstaan de liefdesgeschiedenis tussen de oudere Wells en de jonge Rebecca West, veelbelovend schrijver in wording, smakelijk op te dissen. Om van daaruit op behoorlijk onnavolgbare wijze uit te komen bij de natuurkundige Leo Szilard, een vriend van Albert Einstein, en de ontwikkelingen binnen de nucleaire technologie in de jaren dertig van de vorige eeuw. Szilard schreef de beroemde brief aan president Roosevelt - die Einstein mede ondertekende - hem aansporend het onderzoek naar zo´n bom in gang te zetten. En vanzelfsprekend neemt Flanagan meermaals even plaats op de jump seat bij de mannen in de Enola Gay, de B-29 Superfortress die de eerste atoombom op Hiroshima wierp. De bom die zijn vader, die na jaren Japanse dwangarbeid in een kolenmijn meer dood dan levend was, net op tijd de vrijheid zou teruggeven.

Net als in veel van zijn andere boeken komt Flanagan hier uiteindelijk ook weer uit bij Australië, zijn vaderland. In dit geval bij Tasmanië, waaruit zijn ouders afkomstig waren. Schrijven over het karakter van een landschap en de verbondenheid die je daarmee kan voelen, kan hij als geen ander. Las je nog nooit zijn spetterende roman De smalle weg naar het verre noorden, doe dat dan nu. Stop hem in de vakantiekoffer. Krijg je geen spijt van. Maar dat geldt ook voor Vraag 7. De hoofdstukken waarin Flanagan zijn vader na de oorlog laat terugkeren naar zijn geboortegrond om zijn leven weer op te pakken, zijn dan ook de mooiste van dit volstrekt eigenzinnige boek. 

Richard Flanagan / Vraag 7 Vertaald uit het Engels door Thijs van Nimwegen / 248 blz / Koppernik, 2026

Gelezen versie: Question 7




zondag 21 juni 2026

De 'faux pas' van Pyke Koch

Het is een goed gebruik om in een non-fictie of wetenschappelijk boek je dank uit te spreken jegens degenen die jouw bij het onderzoek en het schrijven hebben geholpen. Dat is dan ook wat Susana Puente (1992, New York) in de inleiding van De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch keurig doet. Maar ik gleed zo ongeveer van mijn stoel toen ze dat rijtje namen afsloot met: ‘Maar mijn diepste dank gaat uit naar de Koch-kenners die weigerden met mij te praten: zonder hen zou ik nooit zo geïnspireerd zijn geraakt om zo veel jaren in hun land deze vreemde, slecht gekende en te weinig bekende kunstenaar te onderzoeken.’ Oei, daar had je het al. Al na nauwelijks vijf bladzijden in de inleiding gooit Puente de knuppel in het hoenderhok. Ze heeft het fatsoen die ‘weigeraars’ niet bij naam te noemen, maar acht het wel nodig om op deze prominente en opvallende plek aandacht te vragen voor het feit dat er over Pyke Koch (1901-1991), over de man én de kunstenaar, verschillende opvattingen bestaan. Die soms zo diepgaand zijn dat vakgenoten daarover niet met elkaar willen spreken. 

Nou is het gedoe over Pyke Koch niet nieuw. Het was voor mij juist een van de redenen de biografie te lezen, uit nieuwsgierigheid. Waar gaat het om? Eind jaren dertig ontwikkelde Koch zich tot een fervent aanhanger van het nationaalsocialisme. Een fascist in hart en nieren, die in artikelen en andere publicaties de ideeën van het nationaalsocialisme verkondigde en verheerlijkte. Hoewel hij al binnen enkele jaren moet hebben aangevoeld dat hij hiermee op de verkeerde weg was en vervolgens probeerde zijn straatje schoon te vegen, was dat te laat. Na de oorlog was er voldoende bewijsmateriaal om hem een straf op te leggen. Maar door eigenhandig de voortgang van de verhoren te traineren, alsmede door afnemende interesse bij de speciale rechtbanken, wist hij aan een stevige veroordeling wegens collaboratie te ontkomen, het werd een expositieverbod van enkele jaren.  Daarna ging hij weer aan de slag, alsof er niets was gebeurd.

Nu was Koch, zeker technisch gezien, een fenomenaal goede schilder. Maar indrukwekkend kun je zijn beste werk ook noemen. Wie wel eens een van zijn vroege vrouwenportretten heeft gezien, bijvoorbeeld Bertha van Antwerpen of De schiettent, beide uit 1931, zal die niet snel vergeten. De vrouwen staan groot in beeld, de voorstelling is onaangenaam belicht en het geheel ademt een vleugje magisch realisme. Het waren voorstellingen die vragen opriepen. In de jaren voor de oorlog was dat in binnen- en buitenland een geliefd concept, al heel kocht Museum Boijmans De schiettent. En ook in sociaal opzicht zat Koch goed in z’n vel: Charley Toorop gaf hem in 1935 een plekje op haar monumentale schilderij Maaltijd der vrienden.

Maar zomaar doorgaan na de oorlog? Museumdirecteuren en kunsthistorici zaten daar wel mee in hun maag, al sleet dat gevoel vrij snel. Koch was natuurlijk fout geweest, maar iedereen kan fouten maken was de gedachte. Als hij daarna de dwaling maar inziet. En bovendien: wat er ook is gebeurd, hij blijft een geweldige kunstenaar. De man en zijn kunst werden in deze denktrant van elkaar losgeknipt. In de publicaties die sindsdien over Koch verschenen, was dat het nieuwe narratief. En gaandeweg volgden de musea. Het werk van Koch werd weer salonfähig, hij kreeg tentoonstellingen. 

Susana Puente maakte in 2017 kennis met het werk van Koch, toen zij een stage liep bij de Pyke Koch Stichting en het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD). Ze assisteerde bij het opbouwen van een digitale oeuvrecatalogus van het werk van de kunstenaar. Die zou verschijnen wanneer de Stichting haar omvangrijke archief met persoonlijke documenten van Koch, het Pyke Koch Archief, aan het RKD zou overdragen. Ook ter gelegenheid daarvan zou het Centraal Museum in Utrecht een overzichtstentoonstelling organiseren. Toen Puente die bezocht was ze verbaasd. Ondanks de veelheid aan egodocumenten en andere archiefstukken, waarvan ze er zelf veel onder ogen had gehad, werd er heel weinig gedaan met Kochs sympathie voor het nationaalsocialisme. Ja, het befaamde Zelfportret met haarband uit 1937 was inderdaad een overduidelijk blijk van sympathie voor het nationaalsocialisme. Maar die fase had bij Koch maar heel kort geduurd, en hij was snel daarna tot inkeer gekomen. De politiek en de kunstenaar waren in Utrecht nog steeds twee zaken die weinig met elkaar te maken hadden.

Voor Puente was het daarmee duidelijk: Pyke Koch zou de jaren daarop haar studieonderwerp zijn. Met als doel het beeld van Koch indien nodig bij te stellen. In artikelen en eventueel een monografie de man als geheel te beschouwen, als mens, kunstenaar én denker. Daarbij zou ze het oeuvre dus beschouwen als bronnenmateriaal, omdat het in het grote geheel nieuwe interpretaties zou kunnen opleveren. Die aanpak brengt risico’s met zich mee, realiseerde ze zich. Wetenschap baseert zich immers op bronnen, op hard bewijs. Kunstwerken of een heel oeuvre zo gebruiken is meestal not done. Hoogstens als circumstantial evidence. Ze begaf zich dus op glad ijs.

Lukt het haar? Weet ze te overtuigen? Ja, in behoorlijk wat gevallen komen haar redeneringen, waarvoor ze nu steeds gebruik maakt van meerdere aspecten én jou als lezer de prima kleurenafbeeldingen voorlegt, verhelderend op mij over. Al is er heel af en toe sprake van iets ‘willen zien’ zien in een voorsteling. Maar dat is inherent in de gekozen werkwijze. Haar opstelling in dit betoog is trouwens sympathiek: ‘Velen zullen het niet eens zijn met mijn interpretaties. Dat is prima. Mijn doel is niet om de lezer te overtuigen van mijn absoluut gelijk. Ik wil alleen laten zien dat mijn interpretatie mogelijk is, en plausibel, als je maar diep genoeg graaft. Waarom zou je dat niet doen? Als Kochs werk wordt besproken, laat het dan niet oppervlakkig of halfslachtig gebeuren, maar met vuur en volledige inzet – of anders liever niet.’ 

Susana Puente / De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch / 360 blz / Prometheus, 2026 // Foto Susana Puente: Jeanette Huisman

maandag 15 juni 2026

Schelmenroman wordt solotoneel

Van den vos Reinaerde: ik heb er altijd een wat moeizame relatie mee gehad. Zoals met meer middeleeuwse werken uit onze literatuur – Karel ende Elegast, Hadewijch, Beowulf. Al vanaf de middelbare school. Voor mij als zeventienjarige waren deze verplichte nummers niet heel spannende onderdelen van de literatuurlessen. Lestijd die je in mijn ogen beter had kunnen besteden aan de moderne en hedendaagse literatuur die op dat moment, we schrijven midden jaren zeventig, veel te bieden had. Maar sinds enkele jaren zie ik in dat ik fout zat. Het lezen van het indrukwekkende De Reynaert van Frits van Oostrom heeft mij de ogen geopend, zoals dat heet. In een prachtig opgebouwd betoog doet Van Oostrom wat hij al zo vaak eerder deed: hij neemt je mee in de wereld van de middennederlandse literatuur, schetst de maatschappelijke en sociale context waarin de Reynaert kon ontstaan en fileert de tekst als was hij een volleerd dramaturg. 

Op basaal niveau is het verhaal van de vos eenvoudig en overzichtelijk. Tijdens de jaarlijkse hofdag waarop alle dieren het bewind van de koning, Nobel de leeuw, komen vieren, worden meerdere aanklachten tegen Reynaert de vos ingediend: moord, verkrachting, blindmaking.  Omdat Reynaert als enige niet aanwezig is, geeft Nobel aan achtereenvolgens Bruun de beer, Tybeert de kater en Grimbeert de das opdracht hem te arresteren. De eerste twee laten zich door listen van Reynaert in de luren leggen, de derde lukt het om de vos voor de rechtbank te brengen. Maar, sluw als hij is, weet deze tijdens het proces de koning wijs te maken dat hij de locatie weet waar een vorstelijke goudschat is begraven en dat hij die aan de koning zal onthullen in ruil voor gratie. Dat lukt, en Reynaert weet zelfs nog de benen te nemen voordat de koning doorkrijgt dat hij is bedrogen.

De auteur van de Reynaert is ons niet bekend, evenmin als de datering. Over dit laatste bestaat wel enige consensus, het zou omstreeks 1260 geweest kunnen zijn. Een  origineel manuscript ontbreekt, we moeten het doen met latere handschriften of delen daarvan wat de zaak compliceert. Dat geldt trouwens ook voor de rijkdom aan vroege versies, in meerdere talen, wat lijkt te wijzen op een vroege en grote populariteit en mogelijk een orale traditie, als laatmiddeleeuws toneelspel. 

Deze wat lange, door mij al eerder geschreven inleiding brengt ons precies bij het onderwerp van dit blogje: ReinAard. Schelmenroman. Een bewerking van het verhaal van de vos door Tom Lanoye. Hij deed zoiets al eerder – Goethe, Shakespeare, Tsjechov, Euripides – maar hij gaat nu heel ver. Gunt zichzelf zeeën van literaire vrijheid. Het boek verscheen vorig jaar, was een genot om te lezen, maar onlangs verscheen wat je de overtreffende trap zou kunnen noemen: het luisterboek, voorgelezen door Lanoye zelf. De term ‘voorgelezen’ past hier eigenlijk niet, ‘geacteerd’ is passender. En Lanoye’s versie van de ReinAard leent zich daar uitermate voor. Kon je als lezer vorig jaar al zien dat Lanoye van de tekst een spel had gemaakt – de afwisselende typografie is daarbij een leidraad, evenals de ‘streetversion’ van het Engels, een soort rappen, waarop hij overschakelt wanneer ReinAard zichzelf verliest - als luisteraar beleef je dat daadwerkelijk. 

Dit roept om een voorbeeld, een citaat. Welnu, misschien gewoon de eerste alinea van het spel, waarin Lanoye een beetje de draak steekt met zichzelf:

'Ouverture tussen biecht en belofte.

Wat is er fokking fout met mij? / Ik smeet mij wel, zelfs voor goed geld, / Op het verminken van the Shake / En het verbasteren van Vondel. / Geen meesterwerk was mij te heilig - / Amok en bagger maakte ik / Van Goethe en antieke Grieken, / Van tering-Tsjechov, schele Sartre en de rest van de reutemeteuten … / Geen vege voorvader bleef veilig: / Ik goot ze door mijn zeefje tot / Ze klonken als door God gezonden. / (Wel eerst door mij gevierendeeld, Verknipt, verknapt en weer verbonden.) /  Maar nooit, putain! – hoe is dat mogelijk? – Zocht ik mijn stuff in eigen streek. / Juist ik. Gescheten, uitgespogen, / In ’t Zotte Land van Waas en Wee / Waar ooit een vos de wellust preekte.'

En zo gaat het een kleine zeven uren lang door. Luisteren wordt hier een vorm van zinnelijk genot. Lanoye toerde met deze tekst, als solotoneel, langs de theaters in Vlaanderen en Nederland. Ik stel me voor dat wat in de beleving van veel bezoekers altijd ‘een schijnbaar simpel middeleeuws verhaaltje’ was, aan het slot van het spel voor velen een ziel heeft gekregen. Dat is dan te danken aan Lanoye, maar zeker ook aan de hierboven al genoemde Frits van Oostrom, zoals Lanoye verderop in de ouverture grif toegeeft: 

'Wie blijft? / Die schrijft zich in voor vuur / En avontuur. Dat zeg ik niet / Om bestwil of uit hovaardij. / Fok! Ei zo na was er geen shit / Van dit geschrift in huis gekomen. / Het is mij in de maag gesplitst - / Al was er weinig splitsen nodig, / En ook geen sprake van gekift / Of hang naar dwang - / door niemand minder dan: / Professor Frits. Dé specialist / In vossenzaken. Kenner der / Godganse middeleeuwen, met hun letteren en tetteren, / Hun schitterende schetteren - / Daarvan is Frits de beste connaisseur. / Maar ook van mijn, in vergelijk / Daarmee, modeste repertoire.'

Tom Lanoye / ReinAard. Schelmenroman / 321 blz / Prometheus, 2025 // Luisterboek, geacteerd door de auteur / geproduceerd in samenwerking met De Uitsprekerij / 2026 / 6 uur en 44 minuten