Dat Beets (1814-1903) aan de Leidse universiteit theologie kon gaan studeren had hij te danken aan zijn doorzettingsvermogen én de hulp van zijn oudere zus Dorothea. Deze wist vader Beets, een apotheker, ervan te overtuigen dat Nicolaas doodongelukkig zou worden wanneer hij zijn vader zou moeten opvolgen. Een jaar pillendraaien had hem al bijna aan de rand van een zenuwinzinking gebracht. Honings beschrijft de jeugdjaren van Beets in Haarlem beeldend, wat ook geldt voor diens studentenjaren. Een universitaire studie leek indertijd in vrijwel niets op de huidige. Alleen de feesten en drankgelagen lijken onveranderd gebleven. Bij Beets´ Leidse jaren voelt Honings zich merkbaar op vertrouwd terrein. Hij is er sinds 2020 immers aangesteld als Scaliger-hoogleraar, met de opdracht om vanuit bronnen in de collectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek onderzoek te doen. Een van die bronnen is de omvangrijke Beets-collectie.
In Leiden maakte Beets vrienden voor het leven. Met hen deelde hij zijn liefde voor de literatuur, en dan vooral de poëzie. Johannes Kneppelhout, die later onder het pseudoniem Klikspaan beroemd zou worden, was een van hen. Op die studiegenoten probeerde Beets ook zijn eigen vroege gedichten uit, en iets later ook toneelstukken. Die waren sterk beïnvloed door het werk van de kort daarvoor overleden Lord Byron. Beets ontving daarvoor lof, maar niet minder ook scherpe kritiek. Hij werd verweten een slaafse navolger van de Engelsman te zijn. Maar dat deerde hem niet. Aan Johannes Potgieter bekende hij ooit dat hij een verschrikkelijke lust en ambitie bezet om uit te blinken, zelfs als hij daarvoor Byron moest imiteren. Een van de critici verwoordde het zo: ‘Wij moeten ons Hollands tuintje niet laten ontsieren door buitenlandsch gewas dat er geen wortel kan schieten.’ Dat klinkt heerlijk negentiende-eeuws. Het zou tot 1836 duren, halverwege zijn studie, dat hij Byron afzwoer en een eigen stijl ontwikkelde.In 1839 studeerde Beets af en ging hij zich richten op een predikantschap. Dat werd Heemstede, niet te ver van zijn geboortestad Haarlem en, niet onbelangrijk, ook niet al te ver van Heiloo, waar hij een oogje had laten vallen op de aantrekkelijke Aleide van Foreest, een nichtje van zijn Leidse professor. In Heemstede vond een opmerkelijke transformatie plaats, de vrolijke bon-vivant die wel een glaasje lustte veranderde in een sociaal bewogen dominee. Hij maakte zich al snel geliefd bij zijn gemeenteleden. Op de voordeur van zijn woning schroefde hij een koperen plaatje met de tekst ‘N. Beets, Herder’.
Het boek dat hem eeuwige roem heeft verschaft had hij toen al geschreven en gepubliceerd: Camera Obscura. Het is een spiegel van het dagelijks leven in de eerste helft van de negentiende eeuw. Wie wil weten hoe het was om met de trekschuit of diligence te reizen, raadplege het boek. Evenzo voor de sociale omgangsvormen van de burgerij. Beets had er herinneringen aan zijn eigen jeugd in verwerkt en veel van de teksten geschreven in verloren uren, tijdens wandelingen en in ‘vervelende gezelschappen’.De eerste jaren in Heemstede schreef Beets heel weinig. Zijn baan, met twee preken per week, het sociale werk en zijn jonge huwelijk vroegen veel tijd. Maar vanaf 1647 kwam de productie weer op gang. Vrijwel uitsluitend poëzie ditmaal, met af en toe een uitbreiding van de Camera. Zijn gedichten worden thans door de geleerden onder de 'predikantenpoëzie' gerangschikt. Ik vind dat altijd een ietwat neerbuigende benaming. Alsof werkelijk elk van die verzen doordrenkt is van een godsgevoel. Beets’ gedichten, waaruit ieder sprankje Byron nu is verdwenen, zijn kernachtig geformuleerd, speels, vaak lichtvoetig. En bovenal extreem toegankelijk, hij bereikte met zijn talrijke bundels dan ook een groot publiek. De meeste recensenten waren er zeer over te spreken. Een van hen verheugde zich erover dat Beets niet was opgehouden met dichten, ‘maar zijn talent nu inzette om Gods lof te zingen.’
Ik kijk graag naar de filmpjes van Boekhandel De Kler waarin Maarten ’t Hart, gezeten thuis op de bank, steeds een boek bespreekt. Hij doet dat al jaren. Opmerkelijk is dat hij bij biografieën met regelmaat verzucht dat ze veel te dik zijn. Dat je het verhaal van een leven ook best wat beknopter kan opschrijven. Geldt dat ook voor deze dikke pil? Ja en nee. Het kan natuurlijk altijd, maar door de ruimte die Honings zichzelf heeft gegeven weet hij je wel onder te dompelen in een tijdperk. Want het leven van Beets is tegelijkertijd ook een beetje een culturele en sociale geschiedenis van een eeuw. Niet alleen omdat het lang duurde, maar ook omdat Beets, eenmaal een gelauwerde schrijver, toegang kreeg tot allerlei kringen en gezelschappen die typerend waren voor die eeuw. Hij kreeg een professoraat, werd als zodanig geportretteerd door Thérèse Schwartze, zijn preken verschenen in druk, hij bouwde een warme, persoonlijke band op met de Oranjes en ga zo maar door. En de viering van zijn zeventigste verjaardag, in 1884, vertoonde alle trekken van een nationale feestdag.Ik heb mezelf na lezing van deze biografie getrakteerd op het herlezen van de Camera Obscura. Vijftig jaar nadat ik het las voor mijn lijst. Onthaastend lezen, heet dat. Was heel plezierig, nu ik het veel beter dan indertijd kon plaatsen.
Rick Honings / God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets (1814-1903) / 728 blz / Prometheus, 2026



















