zondag 13 juni 2021

Op Texel in WO II

Op Texel was tijdens de Tweede Wereldoorlog sprake van een bijzondere sfeer, volstrekt verschillend van die op het vasteland en bijvoorbeeld een grote stad als Amsterdam. Dat was tenminste het oordeel van Luc Walraven, een jonge arts die in september 1942 op het eiland arriveerde. En hij kon het weten, want hij had in Amsterdam deelgenomen aan verzetsacties en was voor een daarvan, waarbij een jonge vrouw was omgekomen en een Duitse officier gewond geraakt, bij verstek ter dood veroordeeld. Texel vormde dan ook een relatief veilige plek om onder een valse naam ‘onder te duiken’. Hij kon er bovendien aan de slag in het lokale ziekenhuis, waar de geneesheer hem inwijdde in de kunst van de chirurgie. Luc logeerde bij de familie Keijzer, een boerengezin dat hem met open armen ontving. Op een van de dochters raakte hij verliefd. Dat alles, in de setting van een relatief verstild eiland en een soms betoverende natuur, voelde voor hem aan als een lange vakantie. Een oorlogsparadijsje. 

De eilandbewoners en de Duitse bezetters hielden in de eerste tijd dat Luc er was een fragiel evenwicht in stand. De Duitse ‘Inselkommandant’ zorgde ervoor dat het ziekenhuis werd bevoorraad met de noodzakelijke, soms schaarse medicijnen, in ruil waarvoor het ziekenhuis ook Duitse soldaten opnam als hun ziektebeeld te complex was voor de militaire ziekenboeg. Maar toen in de loop van 1943 het oorlogsbeeld kantelde en de Duitse troepen werden vervangen door overgelopen Brits-Indiërs en later Georgische soldaten, werd de sfeer op het eiland grimmiger. Zo ook in de laatste oorlogswinter, waarin sprake was van acties van het ondergrondse verzet en represailles  door de Duitsers. Toen de Georgiërs in de laatste weken van de oorlog in opstand kwamen tegen de Duitse troepen veranderde het tot dan toe vredige eiland in een warzone, waarbij halve dorpen in puin werden geschoten en veel burgers het leven lieten.

Nico Dros, zelf afkomstig van Texel, heeft van Oorlogsparadijs een meeslepend verhaal gemaakt. Hij situeert het in 1962, wanneer Luc – zijn onderduiknaam – als een vooraanstaand medicus en hoogleraar terugkeert naar het eiland waar hij een bekwaam chirurg werd en de liefde vond, maar waar hij ook beschadigd raakte. Zijn oorlogservaringen  op Texel, en even later ook tijdens de politionele acties in Indonesië, maakten van hem een ander mens en bepaalden het verdere verloop van zijn werkzame en persoonlijke leven. Dros is een kundig verteller, met oog voor compositie en sfeer. Gewoon een goede roman, niet meer en niet minder.

Nico Dros / Oorlogsparadijs / 368 blz / Uitgeverij Van Oorschot 

dinsdag 8 juni 2021

Verdwenen

Simon, ruim vijftig, woont al het grootste deel van zijn leven in Calgary, Canada. Hij vertrok ooit uit Nederland om voor hem zwaarwegende redenen, maar dat is iets persoonlijks, iets wat hij niet deelt met anderen en zeker niet met zijn familie. Met hen heeft hij slechts sporadisch contact. Na een mislukt zakelijk avontuur, waarbij hij er door een partner werd ingeluisd, heeft hij een baan gevonden als slijper van boorbuizen voor olieplatforms. Hij doet dat werk in een fabriek maar wel in zijn eentje, heel geconcentreerd, drie buizen in twee dagen. Vrienden heeft hij niet, hij is alleen in de overzichtelijke en veilige wereld die hij voor zichzelf heeft geschapen. Wanneer zijn zus hem vraagt om haar zestienjarige zoon een tijdje als logé op te nemen, vindt hij het moeilijk om nee te zeggen. 

De jongen – lange tijd horen we zijn naam niet – is verkleefd met zijn mobiele telefoon en komt hele dagen niet van de bank af. Niet gewend om in zijn huis te communiceren met iemand anders wordt nu ineens van Simon gevraagd een band op te bouwen met een zo te zien onwillige tiener. Ten einde raad brengt hij hem voor een weekje onder bij een vriendin die een hondenfarm runt. Met matig succes, aan het einde van de stage wil de jongen nog steeds maar één ding, de wens waarmee hij naar Canada kwam: naar de Rocky Mountains. Simon heeft dat steeds afgehouden, vooral omdat hij door een oude beenwond zelf geen bergwandelingen kan maken. Maar ten einde raad gaat hij overstag en reizen ze af naar de bergen.

Daar ontmoeten ze een andere vader en zoon, en ze trekken een paar dagen met elkaar op. Dan verdwijnt de jongen zonder een bericht achter te laten. De andere vader en zijn zoon zijn te zelfder tijd ook vertrokken waardoor Simon, die niet weet wat ervan te denken, die twee feiten combineert tot een verdenking. De ingeschakelde politierechercheurs zien dat ook als een mogelijk spoor. Maar ook Simon zelf wordt door hen ietwat argwanend bekeken. 

Na enkele dagen arriveert Simons zus, die met haar echtgenoot ogenblikkelijk het vliegtuig heeft gepakt. Het verhaal loopt vanaf dan langs twee sporen: de zoektocht naar de jongen en de terugblikken van Simon op zijn leven in Nederland. Dat laatste aangewakkerd door de gesprekken met zijn zus, die al haar opgekropte frustratie over een niet geheel geslaagd huwelijk en een ontsporende zoon botviert op haar broer. Simon weet zich als altijd in te houden, maar kan niet voorkomen dat de situatie hem van slag brengt.

Een relatiedrama, dus. Mooi klein gehouden, met weinig woorden grote gevoelens oproepend, met als decor de ongenaakbare natuur. Lot Vekemans schrijft naast romans – De verdwenene is haar tweede – ook toneelstukken en scenario’s. Dat is te merken aan de dialogen, die tegelijk krachtig zijn én heel naturel. Ik las het luisterboek, door haarzelf voorgelezen. Dat doet ze heel minimaal, zonder enige opsmuk. De tekst zelf moet het doen.

Lot Vekemans / De verdwenene / Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 5 uur en 59 minuten / Cossee, via Storytel  

zondag 6 juni 2021

Amalia

Het is dit jaar 400 jaar geleden dat een jonge vrouw in de Republiek der Verenigde Nederlanden arriveerde die een belangrijke rol zou vervullen in de geschiedenis van dat land. Haar naam was Amalia, gravin van Solms-Braunfels, ze was 19 jaar en hofdame in het gevolg van Elizabeth Stuart, de echtgenote van Frederik V, keurvorst van de Palts. Frederik had een heftige winter achter de rug. Nadat hij, een prominent lid van de Protestantse Unie, in de zomer van 1619 was benoemd tot koning van Bohemen en aan het eind van dat jaar met veel pracht en praal in Praag was gekroond, verloor hij die positie alweer binnen een jaar en werd hij door de legers van de Katholieke Liga verbannen. Terugkeer naar zijn imposante stamslot in Heidelberg was niet mogelijk, daarom vluchtte hij naar Den Haag, waar zijn oom prins Maurits hem onderdak verleende. Vooralsnog zou dat een tijdelijke oplossing zijn, tot het moment dat Elizabeths vader, de Engelse koning Jacobus I, zijn dochter en schoonzoon zou opnemen. Maar deze weigerde dat om politieke redenen, waardoor Frederik en Elizabeth noodgedwongen de rest van hun leven zouden slijten in de Republiek. Omdat ze maar één winter regeerden over Bohemen, staan ze bekend als de Winterkoning en – koningin. Een titel met een wat sprookjesachtige klank, ofschoon de realiteit minder kleurrijk was. 

Amalia van Solms zou tot het voorjaar van 1625 de eerste hofdame zijn van Elizabeth. Op dat moment trad ze in het huwelijk met Frederik Hendrik, de halfbroer van de op sterven liggende Maurits. Deze laatste eiste van Frederik Hendrik dat hij zou trouwen alvorens hij de nieuwe Prins van Oranje en stadhouder zou worden. Aldus geschiedde, en de rest is geschiedenis zeggen we dan. Amalia zou Frederik Hendrik veel kinderen schenken, het ontstaan van een hofcultuur in Den Haag is voor een groot deel haar initiatief en na het overlijden van haar man in 1647 en oudste zoon in 1650 zou zij, tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk, het Huis van Oranje-Nassau bij elkaar houden. Ze wordt wel eens de ‘oermoeder’ van het Huis genoemd, en daar zit een kern van waarheid is. Het is niet voor niets dat onze kroonprinses ook de naam Amalia heeft gekregen.

Matthias Rozemond beperkt zich in Amalia. Prinses van Oranje tot de periode van Amalia’s aankomst in Den Haag in 1621 tot de zomer van 1626. Het aardige daarvan is dat dit de minst bekende jaren van Amalia’s leven zijn, later is dat veel beter gedocumenteerd. Dit geeft de schrijver vanzelfsprekend ook veel meer speelruimte, wat een historische roman alleen maar ten goede kan komen. Want, en dat moet wellicht even worden benadrukt, Rozemond schreef een historische roman. Hij baseert zich daarbij netjes en soms losjes op dat wat bekend is, terwijl hij zijn fantasie loslaat op de zwarte gaten. Dat is het spanningsveld dat eigen is aan dit genre. Het is als balanceren op een koord. Het kan heel fout gaan – als lezer zit je dan bij ontsporingen met kromme tenen – maar het kan ook een onderhoudend verhaal opleveren, in het beste geval met speelse vondsten die de ‘vermoedelijke werkelijkheid’ verfraaien. Dat laatste is hier het geval. Zeker wanneer je je eraan overgeeft, wordt het een uiterst plezierige leeservaring.

Bij Rozemond is Amalia al heel jong een zelfstandige vrouw met uitgesproken meningen. Vanzelfsprekend speelt de liefde een voorname rol in haar leven, al is het vooralsnog voornamelijk in haar gedachten. Aantrekkelijke mannen lopen er genoeg rond in het Den Haag van die dagen, veelal ook nog van adel. Helaas valt ze voor Willem van Oldenbarnevelt, die haar onder een valse naam benadert met de bedoeling haar voor zijn politieke karretje te spannen. Na de onthoofding van zijn vader Johan, de raadpensionaris, enkele jaren eerder Johan woont hij illegaal in Den Haag omdat Maurits hem als staatsgevaarlijk heeft bestempeld. Amalia krijgt langzaam door hoe het spel in elkaar steekt, en dat ze met die vriendschap een groot risico loopt. Rozemond geeft haar eveneens een inhoudelijke rol bij politieke discussies met haar man en de Engelse ambassadeur Dudley Carleton. En als een van de krachten achter de pogingen een Spaanse zilvervloot in handen te krijgen. Bij als deze onderwerpen is het maar de vraag of je Amalia zo’n grote bemoeienis mag toekennen. Waarschijnlijk is dat niet het geval geweest. Maar het is voor Rozemond natuurlijk ook een werkwijze die de lezer laat zien welke onderwerpen er speelden in de Haagse politiek.

Met betrekking tot de amoureuze relaties van Amalia met mannen, en dan vooral met Frederik Hendrik en de hertog van Buckingham, bevindt Rozemond zich op vastere bodem. En viert dan ook gelijk maar de teugels in vlot geschreven scenes en sprankelende gesprekken. De setting ervan, vooral die van het Oude Hof aan het Noordeinde, geeft die direct een hoofse, vorstelijke uitstraling. Naarmate de jaren vorderen blijkt uit het spel van aantrekken en afduwen dat Amalia speelt met Frederik Hendrik steeds duidelijker dat ze voor elkaar zijn voorbestemd.

Rozemond bezit de gave om een context te creëren. Dat toonde hij ook al in zijn roman over de jonge Rembrandt, Het spel van licht en donker (2018). Hier doet hij dat met gebruikmaking van enkele tientallen personages die in een scala aan manieren met elkaar in verbinding staan. Maar sterker nog is misschien wel de sfeertekening van het centrum van Den Haag in die jaren. De kern ervan is nog steeds bewaard, dus identificatie ermee is gemakkelijk. En dat heeft niet alleen betrekking op de adellijke verblijven, ook de nabij liggende mindere buurten weet Rozemond tot leven te brengen. Ook de buitenscènes bij avond rond het Binnenhof, Voorhout en Vijverberg zijn heel geslaagd. Je zou er zo een film van kunnen draaien. 

Het is in deze periode ook dat Amalia de man leert kennen die haar haar leven lang zal dienen als secretaris, vertrouweling en diplomaat: Constantijn Huygens. In het begin vindt ze hem maar raar, ‘met die vissenogen’ van hem, en heeft ze het gevoel dat hij met Frederik Hendrik vertrouwelijker omgaat dan zij dat doet. Maar aan het einde van de roman, in een in 1629 spelende epiloog, wanneer Constantijn Amalia rondleidt tijdens de belegering van Den Bosch, is er tussen beiden een vertrouwelijkheid ontstaan die de rest van hun leven in stand zou blijven. Een passender toekomstbeeld had Rozemond niet kunnen geven. 

Matthias Rozemond / Amalia. Prinses van Oranje /  414 blz / Uitgeverij Luitingh-Sijthoff, 2021

maandag 31 mei 2021

Vriesekoop in het spoor van Pearl S. Buck

Wie leest er in Nederland vandaag de dag nog de boeken van Pearl S. Buck? Ik denk dat het om een heel kleine groep lezers gaat. Slechts een enkele titel is nog in druk, de meeste zal je tweedehands moeten vinden. Dat is toch wel opmerkelijk voor een auteur die in de jaren dertig op indrukwekkende wijze debuteerde, van wie de meest succesvolle boeken wereldwijd oplages haalden van ruim een miljoen en aan wie in 1938 voor haar magnum opus De goede aarde (The Good Earth) de Nobelprijs werd toegekend. Een van haar bewonderaars is Bettine Vriesekoop. De link tussen beide is natuurlijk China, het land waar Buck de eerste helft van haar leven woonde en dat de hoofdrol speelt in de meeste van haar boeken. Vriesekoop beoefende op hoog niveau een sport die in China razend populair is – ergens in het boek noemt zij zichzelf ‘Betty van de pingpong’ – en studeerde na de afsluiting van haar sportloopbaan Chinees. Van 2006 tot 2009 woonde zij in Beijing, als correspondent voor NRC Handelsblad, om vervolgens over het land te blijven publiceren. Dit voorjaar verscheen Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

De afgelopen decennia is een handvol dikke, doorwrochte biografieën van Buck verschenen, alle geschreven door Amerikanen. Vriesekoop koos daarom voor haar boek een ander concept. Ze besloot een reis te maken langs de plekken waar Buck heeft gewoond en gewerkt. Een soort literaire reisgids, in dit geval gewijd aan één auteur. Dat zal niet alleen een feest zijn geweest om te maken, maar werkt ook uitstekend. Als lezer reis je met haar mee, bezoekt dezelfde plekken en bent deelgenoot van haar indrukken. Vriesekoop hanteert een prettig informele journalistieke stijl, waardoor haar verslag leest als een trein. Bovendien spreekt ze Chinees, zodat ze reizend door dat land in gesprek kan gaan met de mensen die haar ontvangen. 

Pearl S. Buck werd geboren in 1892 in Hillsboro, West Virginia.  Toen ze drie maanden was, reisde ze met ouders, een zendelingenechtpaar, naar de provincie Jiangsu. Tot 1934 zou China haar thuis zijn, af en toe onderbroken door een verlof. Soms was zo’n verlof het gevolg van politieke onrust. Dat was het geval in 1900, ten tijde van de Bokseropstand, en in 1934 vanwege de toenemende strijd tussen de communisten en de nationalisten. Dat lange verblijf in China leverde haar een grondige kennis van het land en z’n inwoners op, evenals een vlekkeloze beheersing van de taal. En tevens een levenslange afschuw van het streng-religieuze zieltjes winnen van haar vader. In 1917 trouwde ze met haar eerste echtgenoot, de landbouwkundig ingenieur Lossing Buck. Diens carrière, waarvoor hij vaak van huis was, leidde tot een verwijdering en uiteindelijk tot een scheiding. Zijn naam behield ze.

Buck, die zich realiseerde dat haar liefdeloze huwelijk haar niets zou brengen en dat ze haar eigen weg moest kiezen, begon kort voor 1930 te schrijven. Ze debuteerde als schrijfster in 1930 met East Wind, West Wind. Een jaar later al volgde The Good Earth. Beide romans spelen in China en hebben de levensomstandigheden van doodgewone Chinezen tot onderwerp. Het soort mensen tussen wie Buck al decennia leefde. Het debuut werd goed ontvangen, maar de opvolger bleek een schot in de roos. Haar reputatie was hiermee in één klap gevestigd. Ofschoon een flink deel van het literaire wereldje neerkeek op de ‘streekromans van die mevrouw’. Dat neerbuigende commentaar zou nooit ophouden, haar hele oeuvre lang.

Dat Buck’s boeken in het Amerika van de jaren dertig zo aansloegen, was opmerkelijk. De gemiddelde Amerikaan had in die tijd namelijk een vrij ongunstig beeld van Chinezen – en trouwens ook van andere minderheden. Er woonden er in de Verenigde Staten veel Chinezen, maar ze waren niet bepaald geïntegreerd. En wat je niet kent, dat wil je niet. Dus aan de Chinezen werden al snel allerlei negatieve gedragingen toegekend. Maar blijkbaar voelde het lezerspubliek van Buck zich zo sterk gegrepen door de personages in haar romans, mensen van vlees en bloed die met grote regelmaat gemangeld dreigden te worden door oorlog, hongersnood en achterhaalde tradities, dat ze daarvoor hun stereotiepe beeld van Chinezen opzij schoven. Toen Hollywood echter voor de eerste keer een roman van haar zou verfilmen, was het toch echt uitgesloten dat de Chinese personages gespeeld zouden worden door Chinese acteurs. Dat werden dus Amerikanen. Niet Bucks keuze - het werd wat onbegrijpelijk - maar ze waardeerde de prestaties van de hoofdrolspelers.

Als heel toegankelijke biografie van Buck werkt dit boek prima. De meerwaarde zit hem in, ik zei het al, de opzet ervan als een reis. In de Verenigde Staten bezoekt Vriesekoop de huizen waar haar idool werd geboren en woonde. Herinneringsplekken en musea waar enthousiaste vrijwilligers met een ongelooflijke passie het verhaal van de eens wereldberoemde schrijfster levend houden. Maar waar Vriesekoop zich ook herhaaldelijk afvraagt of alles wat ze ziet wel authentiek is. Of dat zo’n huis deels met spulletjes van de lokale rommelmarkt is ingericht. In China is het soms nog een tandje erger. Een deel van die reis maakt ze in het gezelschap van een groep van zo’n dertig Amerikaanse fans van Buck. De trip, een Footprint Tour, is georganiseerd door de Pearl S. Buck International Foundation. Dat opent deuren. Op de verschillende locaties waar Buck heeft gewoond, zijn de laatste decennia kleine musea neergezet, veelal in de stijl van Bucks voormalige huis. Een enkele maal is dat met respect voor de historie en met liefde gedaan, maar meestal niet. In zo’n laatste geval voel je Vriesekoops ongeloof over de foute keuzes en de wanstaltige smaak van het papier druipen. Prachtig.

Bettine Vriesekoop / Het China-gevoel van Pearl S. Buck. Winnaar Nobelprijs voor Literatuur 1938 / 398 blz / Uitgeverij Brandt, 2021

woensdag 26 mei 2021

Lost at sea

Hans Steketee, redacteur bij NRC Handelsblad, weet nog precies wanneer de geschiedenis begon die hem gedurende een handvol jaren een flink deel van zijn vrije tijd zou kosten. Dat was op de avond van 29 april 2013. Hij was die avond ‘verslaggever van dienst’ op de krant toen via Teletekst het bericht binnenkwam dat een Nederlandse zeilboot met drie opvarenden aan boord en route van Schotland naar Noorwegen werd vermist. Googelend kwam hij er al snel achter dat het geen zeilboot betrof, maar een omgebouwde voormalige Oost-Duitse loodsboot, de Warnow. Twee weken daarvoor was het scheepje vertrokken uit het Schotse havenstadje Stonehaven, sindsdien had niemand een teken van leven ontvangen. Eerder op die 29ste april had de Britse kustwacht een PAN ALERT uitgegeven, waardoor de media op het geval geattendeerd werden. Van de boot en haar drie opvarenden zou nooit iets opduiken maar Steketee, zelf een zeiler op de Noordzee, raakte zo gefascineerd door het hoe en waarom van dit drama dat hij alle aspecten ervan, alsmede de context, zorgvuldig uitploos en in kaart bracht. Met als resultaat dit boek, een reconstructie van de gang van zaken die leidde tot de verdwijning. 

Eigenaar en schipper van de Warnow is Arnoud Brinkman, 47 jaar oud. In 2013 heeft hij een bewogen leven achter de rug. Hij is afkomstig uit een stabiel gezin – moeder lerares, vader wetenschapper – en weet zonder al te veel moeite het Christelijk Gymnasium in Utrecht te doorlopen. Daarna wordt zijn koers wat zwalkend. Een studie scheikunde geeft hij al snel op, datzelfde geldt voor musicologie. Hij musiceert graag, maar de theorie is hem te droog. Daarna enkele relaties en een serieuze verslaving die hij pas na jaren cold turkey weet te overwinnen. Reddingsboei blijft de muziek, hij speelt af en toe in een bandje. En dat op een serieus instrument, de saxofoon. Zijn lichte afkeur van een voorspelbaar bestaan als brave burger pareert hij door een platbodempje te kopen, de Iwan, en daarmee Nederland te doorkruisen. Het water trekt hem, dat wordt steeds duidelijker. Wanneer hij de kans krijgt om voor een prikkie de Warnow over te nemen van een Rotterdamse scheepssloper, is hij zielsgelukkig. Het is vanaf dan niet alleen zijn huis, het  zal ook het schip worden waarmee hij de oceanen zal doorkruisen. Om te beginnen de Noordzee.

Ter voorbereiding op die trip op de Noordzee, richting Noorwegen en het Noorderlicht, verbouwt Arnoud de Warnow flink. Het stuurhuis wordt verplaatst naar voren, zodat hij midscheeps een mast kan neerzetten waarmee het schip een zeilboot wordt. Hij verbouwt daartoe een scheepskraan tot mast. Maar de geheel stalen Warnow is met haar vijftien meter weliswaar een zware boot, maar bezit geen diepliggende kiel of een zwaard. Waardoor zeilen maar heel beperkt kan, eigenlijk alleen maar voor de wind omdat anders het zwaartepunt van de boot een probleem wordt. Arnoud moet zich hebben gerealiseerd dat hij het schip gaat gebruiken voor iets waarvoor het niet is gebouwd: de open zee. Dus last hij extra gangboorden langs de zijden, tegen de hoge golven. Je voelt dat zijn technische oordeelsvermogen – dat hij zeker bezit – het onderspit delft tegen zijn dromen. Maar toch vertrekken hij en de vrienden die hij heeft uitgenodigd zorgeloos uit Schiedam. Maar het eerste deel van de trip, naar Engeland, leidt door storm en hoge golven bijna tot een schipbreuk. De beelden daarvan spreken boekdelen. Er zijn twee Britse reddingsboten voor nodig om ze veilig te laten arriveren. Dat zet sommige passagiers aan het denken.

Steketee reist vanaf 2013 naar alle plekken die met de verdwijning te maken hebben. In de Engelse en Schotse havens die de Warnow heeft aangedaan,  spreekt hij met havenmeesters die het scheepje hebben ontvangen, met kroegbazen bij wie de Hollanders als band hebben opgetreden en ook met andere ooggetuigen. Hij gaat naar Rostock om de voorgeschiedenis van de Warnow te leren kennen. En hij spreekt met enkele leden van de vriendengroep die in Stonehaven, de laatste haven in Schotland vóór de oversteek naar Noorwegen, besluiten dat die onderneming te riskant is en daarom van boord gaan. De beste beslissing van hun leven, zou blijken. Arnoud, zijn vriendin Tirza en vriend Peter vertrekken wel. En worden nooit meer gezien.

Wat maakt De Warnow een boek dat je in één keer uitleest, bij vlagen met kippenvel? Ik heb het gevoel dat Steketee zelf die onderscheidende factor is. Hij zeilt, ook op de Noordzee. Hij is zich terdege bewust van de gevaren, en gedraagt zich daarnaar. Een voorzichtige zeiler, dus. Maar dat is niet voor niets. Zeilen op open zee is een activiteit waarbij van alles mis kan gaan. Een kleine storing kan zich gemakkelijk uitbreiden tot een groter probleem, tot een situatie die je  mogelijk steeds minder in de hand hebt omdat je opties uitgeput raken. Hij geeft daar mooie voorbeelden van, uit eigen ervaring. Het zijn misschien wel die passagen die je duidelijk maken waar Arnoud in de fout is gegaan.

De speurtocht van Steketee biedt je als lezer interessante inkijkjes in de wereld van het zeezeilen, van de technieken waarbij met behulp van satellieten  scheepsbewegingen worden gemonitord, van het maritieme én economische bedrijf op de Noordzee en zeker ook van de strooptochten – je zou het een vorm van piraterij kunnen noemen – die Rotterdamse havenbaronnen direct  na de val van de muur in 1989 in de voormalige DDR ondernamen. De Warnow, genoemd naar de rivier die bij Rostock in de Oostzee uitmondt,  werd bij een van die strooptochten gekocht om nog iets te verdienen aan het schroot. Ze overleefde, maakte nog wat mensen gelukkig, maar ging uiteindelijk samen met hen ten onder. 

Hans Steketee / De Warnow. Een man, een schip, een droom / 301 blz / Uitgeverij Pluim, 2019

zaterdag 22 mei 2021

Zoon en vader

Het lijkt erop dat de op leeftijd komende Huraki Murakami  vaker dan voorheen publicaties doet verschijnen die hoog scoren in de categorie ‘mijmeringen’. Dat is ook het geval bij Een kat achterlaten. Herinneringen aan mijn vader. Daarin doet hij iets dat hij zowel in het echte leven als in zijn literaire productie lange tijd  heeft nagelaten: praten met zijn vader, schrijven over zijn vader. 

Centraal in de herinneringen aan zijn vader staat voor de zoon de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader, gemobiliseerd,  overleefde die door een reeks gelukkige maar ook onbegrijpelijke beslissingen van hogerhand, waardoor hij niet werd ingedeeld bij de fronttroepen maar zijn dienstjaren kon slijten op ongevaarlijke plekken en als student op de Keizerlijke Universiteit.

Voor Murakami lijkt de aanleiding om deze tekst te schrijven en publiceren een heel persoonlijke. In het traject naar volwassenheid van Haruki is er een breuk ontstaan tussen vader en zoon. De aanleiding, zo verklaart de zoon, was de teleurstelling bij de vader toen duidelijk werd dat de zoon geen wetenschappelijke loopbaan ambieerde, überhaupt geen maatschappelijk aanvaardbare loopbaan. Schrijver zijn, en daarbij volkomen onafhankelijk, gaandeweg werd dat het doel. De vader feliciteerde zijn zoon weliswaar bij zijn eerste publicatie, op dertigjarige leeftijd, maar het contact werd er niet beter door. Pas toen zijn vader als negentigjarige in het ziekenhuis op zijn dood lag te wachten, kwam een gesprek op gang.  

Zoals gezegd, het is niets meer dan een heel persoonlijke snipper van het leven. Ook Murakami zelf schrijft in een nawoord dat hij lang heeft getwijfeld hoe deze tekst uit te geven. Desondanks las ik het met plezier. Het bevat ontegenzeggelijk een diepere laag. En de keuze van voor een zelfstandig, prachtig vormgegeven boekje, blijkt de juiste. Een monumentje, heel persoonlijk, voor zijn vader.

Haruki Murakami / Een kat achterlaten. Herinneringen aan mijn vader / Vertaald uit het Japans door Elbrich Fennema / Met illustraties door Marion Vrijburg /  53 blz. / Atlas Contact 

vrijdag 21 mei 2021

De Grote Boze Wolf

De vraag of we in Nederland nog wel beschikken over natuur is voor mijn gevoel het meest kernachtig beantwoordt door de dichter J.C. Bloem. In zijn gedicht De Dapperstraat klinkt het: ‘En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant’. Natuur in Nederland bestaat uitsluitend op miniformaat, zegt Bloem  met de eenvoudig ogende vanzelfsprekendheid die zo kenmerkend voor hem is. En daar kan hij best wel eens gelijk in hebben. Natuurlijk hebben we waardevolle natuurgebieden als Park De Oosterschelde en Park De Hoge Veluwe, en doen we op dit moment ons best om, in onze omgeving, Nationaal Park Hollandse Duinen van de grond te krijgen. Maar het blijft millimeterwerk, gezien in het grote geheel. Oneerbiedig gezegd een beetje gepruts tussen stedelijke gebieden. Uitgestrektheid is ver te zoeken, en van een selfsupporting biotoop is nagenoeg nergens sprake. En als we dit laatste dan toch eens proberen te realiseren, bijvoorbeeld in de Oostvaardersplassen, is vanuit de trein die het gebied doorsnijdt te zien dat het beslist geen overweldigende natuurbeleving oplevert. Kortom: laten we blij zijn met die kleine, bijzondere locaties die we hebben en het daarbij houden.

Waarom deze intro? Nu, enkele jaren geleden, in maart 2015, werden we in Nederland vanuit het niets geconfronteerd met een stukje oernatuur. Er liep namelijk vanuit Duitsland een wolf het land binnen. Dat was voor de media groot nieuws, om niet te zeggen ‘breaking’. Het NOS Journaal opende ermee. Herders waren beducht voor hun kudde. Boeren in de omgeving sliepen met hun hagelgeweer naast het bed. Ouders hielden hun kinderen binnen. Maar de wolf, voor zover die gedurende enkele dagen kon worden gevolgd door journalisten en liefhebbers, sjokte met zijn kenmerkende soepele loop door Groningen en het noorden van Drenthe alvorens weer oostwaarts aan te houden. Richting de uitgestrekte Duitse bossen, vol malse hertjes. Richting de natuur, weg van de Hollandse veenkolonies.

Ook Dik van der Meulen was bij de vroegste nieuwsflitsen in de auto gesprongen. Hij wilde zich de kans niet laten ontnemen om de eerste wilde wolf in Nederland sinds een eeuw met eigen ogen te zien. Wolven fascineerden hem al sinds zijn jeugd, en bovendien legde hij in het voorjaar van 2015 juist de laatste hand aan een boek over het dier. Hij kreeg het schuwe beest niet te zien, maar maakte wel een mooie reportage over de ‘wolvenjagers’, liefhebbers die individueel of in groepjes bij meldingen van een wolf in actie komen en het dier achterna reizen in de hoop het te spotten. In de jaren ervoor, werkend aan zijn boek, had hij dergelijke fanaten ook al ontmoet in Polen, Duitsland, Zweden, het Yellowstone National Park in de Verenigde Staten en een handvol andere plekken waar nog voldoende lege natuur was om grote roedels wolven te herbergen. Waar je de wolven dan wel niet kon naderen, maar waar je je midden in de nacht wel omringd wist door hun gehuil. 

Dik van der Meulen is een ervaren schrijver en biograaf. In 2003 publiceerde hij de voorlopig ultieme biografie van Multatuli, in 2013 de biografie van koning Willem III, voor welke boeken hij respectievelijk de AKO Literatuurprijs en de Libris Geschiedenis Prijs in ontvangst mocht nemen. De grondige aanpak, heldere analyses en bevlogenheid die deze biografieën kenmerken, vinden we ook terug in het wolvenboek. Of het nu gaat om de biologie van de wolf, of om de vaak negatieve reputatie, of om z’n verbeelding in literatuur en kunst – denk aan zoiets simpels als Roodkapje en de hele symboliek eromheen: je vindt het in dit boek. Ook de wisselwerking tussen mens en wolf, en zelfs de spiegeling van aan beiden toegeschreven karaktertrekken komen aan de orde. Want, zoals de Romeinse auteur Titus Maccius Plautus al schreef, ‘De mens is voor zijn medemens een wolf’. En voor wie dan nóg meer wil, legt Van der Meulen geduldig uit hoe de rijksoverheid reageert op de steeds groter lijkende kans dat wolven vaker ons land zullen aandoen: Er is inmiddels op ministerieel niveau regelgeving geformuleerd! Want zonder dat kan de wolf hier natuurlijk niet rondlopen…

Een serieuze historicus is ook maar een mens. Dat is bij Van der Meulen niet anders. Dus aan trivia die niet de kern van de zaak raken maar in zeker opzicht wel fascinerend zijn, biedt hij geen weerstand. Zo weet ik nu waarom de wolf voor de nazi’s zo’n belangrijk symbool was, en waarom Hitler graag door zijn intimi Wolf genoemd wilde worden. Zijn eigen naam, Adolf, is namelijk een samentrekking van de Germaanse woorden ‘adal’ (edel) en ‘wulf’ (wolf) en betekent dus ‘edele wolf’. Tja.

Van der Meulen voelde gaandeweg zijn onderzoek, waarin hij wilde wolven uitsluitend vanuit de verte te zien kreeg, de behoefte er toch eens een aan te raken. Dus begaf hij zich naar een kennel in Duitsland, en liet zich fotograferen tussen twee ‘wilde’ arctische wolven. Er werd hem verzekerd dat dit veilig kon, maar hij lijkt op de foto toch niet heel gerust.

Dat ik enkele avonden zoet zou zijn met een boek over wolven ligt wel enigszins buiten mijn comfort zone. Maar dit is dan ook meer dan een studie over de biologie van de wolf, Van der Meulens aanpak heeft geresulteerd in een complete  cultuurgeschiedenis van het dier. Ik doe daar mijn voordeel mee. De eerstvolgende keer dat ik Drs. P. zijn lied ‘Dodenrit’ hoor aanheffen, de ballade over de man die per slee op weg naar Omsk zijn hele gezin offert aan een roedel achtervolgende wolven om die maar voor te blijven - ‘Troika hier, troika daar, Twee halfom en één tartaar’ - zal ik me realiseren dat de wolf veel meer is dan een bloeddorstige moordenaar. 

Dik van der Meulen / De kinderen van de nacht. Over wolven en mensen / 372 blz. / Querido’s Uitgeverij, 2016 / Foto auteur Tanja Askani