dinsdag 10 maart 2026

'N. Beets, Herder'

Voor veel lezers van nu staat het boek model voor de brave gezapigheid van de Nederlandse literatuur omstreeks 1840. Maar voor de meeste negentiende-eeuwse lezers was het boek niets minder dan een literair hoogstandje. Zij smulden van de fijnzinnige ironie en hadden de meest uitgesproken of aandoenlijke personages na aan het hart liggen. Met tientallen herdrukken, zowel in luxe edities als in goedkope volksuitgaven, drukte het een stempel op het literaire landschap en groeide het uit tot het beroemdste boek van de eeuw. Ik heb het natuurlijk over de Camera Obscura, de verhalenbundel die in 1839 werd gepubliceerd door Hildebrand, het pseudoniem van de student theologie Nicolaas Beets. Over Beets verscheen onlangs de door Rick Honings geschreven biografie God, gezin en vaderland. Met ruim 700 bladzijden een kloek boek, inhoudelijk een schatkamer aan feiten, anekdotes en inzichten.

Dat Beets (1814-1903) aan de Leidse universiteit theologie kon gaan studeren had hij te danken aan zijn doorzettingsvermogen én de hulp van zijn oudere zus Dorothea. Deze wist vader Beets, een apotheker, ervan te overtuigen dat Nicolaas doodongelukkig zou worden wanneer hij zijn vader zou moeten opvolgen. Een jaar pillendraaien had hem al bijna aan de rand van een zenuwinzinking gebracht. Honings beschrijft de jeugdjaren van Beets in Haarlem beeldend, wat ook geldt voor diens studentenjaren. Een universitaire studie leek indertijd in vrijwel niets op de huidige. Alleen de feesten en drankgelagen lijken onveranderd gebleven. Bij Beets´ Leidse jaren voelt Honings zich merkbaar op vertrouwd terrein. Hij is er sinds 2020 immers aangesteld als Scaliger-hoogleraar, met de opdracht om vanuit bronnen in de collectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek onderzoek te doen. Een van die bronnen is de omvangrijke Beets-collectie.

In Leiden maakte Beets vrienden voor het leven. Met hen deelde hij zijn liefde voor de literatuur, en dan vooral de poëzie. Johannes Kneppelhout, die later onder het pseudoniem Klikspaan beroemd zou worden, was een van hen. Op die studiegenoten probeerde Beets ook zijn eigen vroege gedichten uit, en iets later ook toneelstukken. Die waren sterk beïnvloed door het werk van de kort daarvoor overleden Lord Byron. Beets ontving daarvoor lof, maar niet minder ook scherpe kritiek. Hij werd verweten een slaafse navolger van de Engelsman te zijn. Maar dat deerde hem niet. Aan Johannes Potgieter bekende hij ooit dat hij een verschrikkelijke lust en ambitie bezet om uit te blinken, zelfs als hij daarvoor Byron moest imiteren.  Een van de critici verwoordde het zo: ‘Wij moeten ons Hollands tuintje niet laten ontsieren door buitenlandsch gewas dat er geen wortel kan schieten.’ Dat klinkt heerlijk negentiende-eeuws. Het zou tot 1836 duren, halverwege zijn studie, dat hij Byron afzwoer en een eigen stijl ontwikkelde. 

In 1839 studeerde Beets af en ging hij zich richten op een predikantschap. Dat werd Heemstede, niet te ver van zijn geboortestad Haarlem en, niet onbelangrijk, ook niet al te ver van Heiloo, waar hij een oogje had laten vallen op de aantrekkelijke Aleide van Foreest, een nichtje van zijn Leidse professor. In Heemstede vond een opmerkelijke transformatie plaats, de vrolijke bon-vivant die wel een glaasje lustte veranderde in een sociaal bewogen dominee. Hij maakte zich al snel geliefd bij zijn gemeenteleden. Op de voordeur van zijn woning schroefde hij een koperen plaatje met de tekst ‘N. Beets, Herder’.

Het boek dat hem eeuwige roem heeft verschaft had hij toen al geschreven en gepubliceerd: Camera Obscura. Het is een spiegel van het dagelijks leven in de eerste helft van de negentiende eeuw. Wie wil weten hoe het was om met de trekschuit of diligence te reizen, raadplege het boek. Evenzo voor de sociale omgangsvormen van de burgerij. Beets had er herinneringen aan zijn eigen jeugd in verwerkt en veel van de teksten geschreven in verloren uren, tijdens wandelingen en in ‘vervelende gezelschappen’. 

De eerste jaren in Heemstede schreef Beets heel weinig. Zijn baan, met twee preken per week, het sociale werk en zijn jonge huwelijk vroegen veel tijd. Maar vanaf 1647 kwam de productie weer op gang. Vrijwel uitsluitend poëzie ditmaal, met af en toe een uitbreiding van de Camera. Zijn gedichten worden thans door de geleerden onder de 'predikantenpoëzie' gerangschikt. Ik vind dat altijd een ietwat neerbuigende benaming. Alsof werkelijk elk van die verzen doordrenkt is van een godsgevoel. Beets’ gedichten, waaruit ieder sprankje Byron nu is verdwenen, zijn kernachtig geformuleerd, speels, vaak lichtvoetig. En bovenal extreem toegankelijk, hij bereikte met zijn talrijke bundels dan ook een groot publiek. De meeste recensenten waren er zeer over te spreken. Een van hen verheugde zich erover dat Beets niet was opgehouden met dichten, ‘maar zijn talent nu inzette om Gods lof te zingen.’

Ik kijk graag naar de filmpjes van Boekhandel De Kler waarin Maarten ’t Hart, gezeten thuis op de bank, steeds een boek bespreekt. Hij doet dat al jaren. Opmerkelijk is dat hij bij biografieën met regelmaat verzucht dat ze veel te dik zijn. Dat je het verhaal van een leven ook best wat beknopter kan opschrijven. Geldt dat ook voor deze dikke pil? Ja en nee. Het kan natuurlijk altijd, maar door de ruimte die Honings zichzelf heeft gegeven weet hij je wel onder te dompelen in een tijdperk. Want het leven van Beets is tegelijkertijd ook een beetje een culturele en sociale geschiedenis van een eeuw. Niet alleen omdat het lang duurde, maar ook omdat Beets, eenmaal een gelauwerde schrijver, toegang kreeg tot allerlei kringen en gezelschappen die typerend waren voor die eeuw. Hij kreeg een professoraat, werd als zodanig geportretteerd door Thérèse Schwartze, zijn preken verschenen in druk, hij bouwde een warme, persoonlijke band op met de Oranjes en ga zo maar door. En de viering van zijn zeventigste verjaardag, in 1884, vertoonde alle trekken van een nationale feestdag.

Ik heb mezelf na lezing van deze biografie getrakteerd op het herlezen van de Camera Obscura. Vijftig jaar nadat ik het las voor mijn lijst. Onthaastend lezen, heet dat. Was heel plezierig, nu ik het veel beter dan indertijd kon plaatsen.

Rick Honings / God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets (1814-1903) / 728 blz / Prometheus, 2026

dinsdag 3 maart 2026

Schrijver gaat met pensioen...

Toen ik enkele weken geleden Vertrek(punt) kocht, de nieuwe roman van Julian Barnes, was het belangrijkste nieuws daarover al weer bijna oud nieuws: het boek zou Barnes’ laatste roman zijn. Na een literaire loopbaan van ruim vier decennia hing hij zijn lier aan de wilgen. Maar ondanks ik daarvan wist, was het na een kwartiertje lezen toch best nog wel een mededeling: ‘Dit is mijn laatste roman’. Ik heb dat de afgelopen weken moeten laten bezinken. Voor mij was (is) Barnes een schrijver wiens boeken ik eigenlijk altijd las (lees). Zo iemand die ‘er gewoon is’. En die is er dan ineens niet meer, niet met nieuw werk in ieder geval. Wat de mededeling extra laat doordreunen is misschien het gegeven dat weinig schrijvers op deze manier, en publiekelijk, afscheid nemen van hun lezers. De meesten schrijven op oudere leeftijd gewoon door, waarbij het helaas slechts een enkeling – Jeroen Brouwers – gegeven is steeds beter te worden.

Het voorkomen van een openbare aftakeling als schrijver speelt wel mee bij Barnes’ beslissing om te stoppen. ‘Ken je schrijvers die grote romans schreven na hun tachtigste?’, zei hij onlangs tegen een journalist. Barnes is van januari 1946. Een ander schrikbeeld voor hem is te overlijden terwijl hij aan een boek werkt, en dat zijn uitgever dat onvoltooide boek dan toch maar publiceert. Of het door een collega-schrijver laat voltooien. Over deze scenario’s heeft hij de controle, die kan hij ontwijken door gewoon nu te stoppen. Wat hij niet helemaal in de hand heeft is het verloop van de ziekte die enkele jaren geleden bij hem is vastgesteld. Een vorm van bloedkanker. Niet te genezen, wel beheersbaar. Tot op zekere hoogte. De beslissing om te stoppen wordt daarmee wel begrijpelijk. Dat hij dat doet met een fonkelende roman laat zien hoe leven en schrijven bij hem zijn verweven.

Wanneer las ik mijn eerste Barnes? Dat weet ik nog wel. Dat was tijdens een reis door Madagascar, ergens midden jaren negentig. In de laatste week werd mijn vrouw, Brenda, flink ziek. Op dat moment logeerden we in een klein hotelletje in het noorden, in de bush. We besloten dat we daar zouden blijven, terwijl de groep zou doorreizen naar een strandlocatie een paar uur verderop. Na drie dagen zouden ze ons op de terugweg weer oppikken. En omdat het toch een beetje buiten het seizoen was, gaf de hoteleigenaar ons de sleutel van een houten hutje dat een kwartier lopen verderop aan een stroompje lag. Geen doorgaande route, doodse stilte, prachtige natuur. Idyllisch. Ik mocht mij twee keer per dag melden in het hotel, voor een maaltijd, en om gelijk wat mee te nemen voor Brenda. Die snel beter werd.

Maar er was één ding dat voor mijn gevoel de pret enigszins vergalde. Ik had nog maar één boek te lezen. De andere had ik al uit. Indertijd bestonden luisterboeken of e-books nog niet, evenmin als e-readers waarop honderden boeken staan. Voor vertrek van een lange reis schatte je de hoeveelheid boeken die je nodig zou hebben, waarbij het gewicht natuurlijk ook een rol speelde. Dat ene boek dat ik nog niet had gelezen was Flaubert’s Parrot, oftewel Flauberts papegaai. Van Julian Barnes, een mij op dat moment onbekende auteur. Ik las het, en was verkocht. Het beschrijft de speurtocht van een Engelsman op leeftijd die in Normandië op zoek gaat naar alles wat hij kan vinden over Gustave Flaubert (1821-1880), de schrijver van onder andere Madame Bovary. De papegaai speelt daarin een sleutelrol. 

Flaubert’s Parrot is van alles tegelijk: een roman, het verslag van een speurtocht, een stukje autobiografie en wat je verder maar kan bedenken, zoals beeldschone bespiegelingen over van alles en nog wat. Het was eigenlijk precies zoals het leven was. Ik las het de eerste dag in dat sprookjesachtige huisje uit. En las het de volgende dag opnieuw. En beperkte me de laatste dag tot de aangestreepte passages.

Dat was mijn ontdekking van Julian Barnes. We zijn nu dertig jaar verder. Zijn nieuwste boek, en dus ook zijn laatste boek, stelde mij niet teleur. Integendeel. De tekst is de mix waarop hij ons al zo vaak heeft getrakteerd, een hybride van verschillende stijlen. Vertrek(punt) bestaat uit vijf delen. Barnes begint, direct na zijn mededeling dat dit zijn laatste boek zal worden, met een uitvoerige, briljant-informele verkenning van het geheugen. De pijlers daaronder zijn het IAM, het Involuntary Autobiographical  Memory én, haast vanzelfsprekend, de madeleines van Marcel Proust. Het tweede en vierde deel besteedt hij aan zijn vriendschap met twee medestudenten, die hij met de manipulatieve krachten van de schrijver veertig jaar na dato alsnog bij elkaar brengt. 

Het derde deel wijdt hij aan de beslommeringen rondom zijn ziekte. De onderzoeken, de geheimtaal van de artsen, de wetenschap dat het erger had kunnen zijn. Dat hij nog wat tijd heeft, misschien best wel veel. Aandoenlijk is hoe hij snel een koffertje inpakt wanneer de artsen hem voor het eerst naar met spoed naar het ziekenhuis ontbieden. Een appeltje en de Guardian – voor de kruiswoordpuzzel – ontbreken niet. Hij weet de situatie te relativeren. Zijn echtgenote overleed tien jaar geleden na een heel kort ziekbed aan een hersentumor, dat helpt je blijkbaar dingen in het juiste perspectief te zien.  

Vertrek(punt) komt over als de ultieme hybride vertelling, persoonlijker én informeler dan voorheen. Barnes heeft het over ‘Het vertrek waarop geen aankomst zal volgen’. En schroomt niet zijn tekst in toenemende mate als ‘terloopse mijmeringen’ te kenschetsen. Hij maakt de indruk zijn afscheid serieus te nemen, er een punt achter te zetten. Daarin is hij meer dan geslaagd. Maar … mocht hij binnenkort de aandrang voelen toch nog eens iets te schrijven, dan zal ik hem die woordbreuk zeker niet kwalijk nemen.

Julian Barnes / Vertrek(punt) / Vertaald uit het Engels ‘Departure(s)’ door Jelle Noorman / Luisterboek, voorgelezen door Louis van Beek / 5 uur en 16 minuten / Atlas Contact, 2026, via Storytel

dinsdag 24 februari 2026

Onder het juk van de 'boy-gangsters'

Je kan van Bas Heijne denken wat je wil, een fijne neus voor het politieke en sociale klimaat in onze samenleving heeft hij als weinig anderen. En hij weet die ontwikkelingen ook nog eens haarfijn te duiden. Denk aan zijn wekelijkse columns in NRC Handelblad – verleden tijd, helaas – en de bundelingen van die stukken. Enkele weken geleden verscheen, geïnitieerd door Heijne, het essay De tijd van de oligarchen. Dat is een tekst van de hand van de Britse schrijver Aldous Huxley (1894-1963), vooral bekend van zijn visionaire roman Brave New World (1932). Die pakkende titel, De tijd van de oligarchen, had het essay niet bij verschijnen in 1946. Toen heette het Science, Liberty and Peace. Serieus, maar ietwat braafjes. Misschien dat die titel mede debet is aan het geringe succes indertijd van Huxleys tekst. Of anders was het de oorlog wel die net was geëindigd. De meeste mensen hadden in 1946 wel iets anders aan hun hoofd.

Het is nu 2026, tachtig jaar later. Waarom zo’n oude en - laten we eerlijk zijn - vrijwel vergeten tekst opdelven, laten vertalen en van een heldere inleiding voorzien? Wat is de urgentie daarvan? Het antwoord is voor Heijne heel eenvoudig: omdat ons vandaag de dag dreigt te overkomen waar Huxley al bang voor was in 1946. In een iets andere vorm weliswaar, vandaar de door Heijne bedachte nieuwe titel van het essay.

Huxley schreef zijn analyse als een waarschuwing. Je komt de kern van zijn wake-up call dan ook iedere paar bladzijden tegen: ´Tegenwoordig is de bevolking zozeer onder de indruk van de verschrikkingen van onzekerheid […] dat de meeste mensen, als ze de keuze zouden krijgen tussen vrijheid en zekerheid, vrijwel zonder aarzelen zouden kiezen voor zekerheid.’ Wat betekent dat? Het zegt dat de gemiddelde mens ervoor kiest, bewust dan wel onbewust, om niet langer na te denken over de problemen in de wereld en de mogelijke oplossingen daarvoor, maar dat over te laten aan de leiders. Die beschikken over de kennis, over de technologie, over de wapens die daarvoor nodig zijn. Het aantrekkelijke van deze opstelling is dat je, de bescherming van de leiders genietend,  waarschijnlijk een comfortabel en prettig leven kan leiden. 

Dat klinkt prima, zou je zeggen. Een win-win situatie. Maar dat is het natuurlijk niet. Het is het scheppen van een situatie waarbij die leiders steeds meer macht naar zich toe kunnen trekken. En ook rijkdom, want daar gaat het deze oligarchen tenslotte om. De parlementaire democratie is niet langer leidend, machtsspelletjes die worden gespeeld tijdens perioden van maatschappelijke onrust – of die juist die onrust veroorzaken – bepalen het regeringsbeleid. 

Heijne noemt in zijn inleiding het meest actuele voorbeeld van het misbruiken van macht: het voornemen van de Verenigde Staten om reizigers bij hun aankomst in het land digitaal te ‘scannen’. Eén lullige opmerking over Donald Trump op je facebook-pagina en je komt het land niet in. Hoogstens een detentiecentrum. Dat was actueel nieuws … een maand geleden. Maar de ontwikkelingen gaan snel. Inmiddels gaan de discussies in de media over de vraag of we het moeten accepteren dat de bekendste oligarchen als Poetin en Trump, door Heijne boy-gangsters gedoopt, zonder blikken of blozen het internationaal recht aan hun laars lappen. 

Aldous Huxley / De tijd van de oligarchen. Over technologie, vrijheid en vrede / Met een inleiding van Bas Heijne / Vertaald uit het Engels door Thomas Heij / 110 blz / Prometheus, 2026

zondag 22 februari 2026

Langs de Wolga

De Wolga is veruit de langste rivier van Europa. Deze droge mededeling gaat pas leven wanneer je er een kaart van Rusland bijhaalt en ziet wat dat betekent. De rivier ontspringt in Volgoverchovje, een dorpje halfweg Petersburg en Moskou, en stroomt dan via Tver, Jaroslavl en Nizjni Novgorod oostwaarts. Bij Kazan buigt ze af naar het zuiden, om langs Samara, Wolgograd en Astrachan uit te monden in de Kaspische Zee. Het is niet alleen haar lengte van ruim 3.500 kilometer die indrukwekkend is, haar immense stroomgebied doet daar nog een schepje bovenop: het gebied dat afwatert op de Wolga strekt zich uit van het westen van Rusland tot in de Oeral, en van het noorden tot aan het diepe zuiden. De rivier vormt letterlijk én figuurlijk het hart van het land. Voor Rivier van bloed bereisde Michel Krielaars de hele rivier. Hij nam een kijkje bij de bescheiden bron, en boekte passages vanaf Tver. 

Krielaars reisde voor het eerst naar de toenmalige Sovjet-Unie in het befaamde jaar 1989. Zijn studie had hij kort daarvoor afgerond met een scriptie over de mensjewieken, de verliezers van de Russische Revolutie. Hij hoopte in Rusland onderzoek te kunnen doen voor een proefschrift. Het wetenschappelijke klimaat onder Gorbatsjov was immers vrij relaxed. Maar het liep anders, binnen twee jaar hield de Sovjet-Unie op te bestaan en brak de periode Jeltsin aan, met chaos op bijna alle gebieden. 

In 2007 vroeg NRC Handelsblad Krielaars om correspondent te worden in Moskou. Hij zou dat ruim vijf jaar zijn, jaren waarin hij naast zijn reguliere werk kans zag veel door het land te reizen en stukken te schrijven over schrijvers en kunstenaars. Zijn bekendste boeken zijn Het brilletje van Tsjechov (2014), Alles voor het moederland (2017) en De klank van de heilstaat. Musici in de tijd van Stalin (2021). En dan nu Rivier van bloed. Een cultuurgeschiedenis van de Wolga.

Ooit kocht Krielaars in een antiquariaat in Moskou Baedeker’s Russland. Handbuch für Reisende uit 1892, zo’n mooie reisgids in een vuurrode linnen band. Die biedt hem een schat aan informatie om tijdens zijn trips de situatie van het voormalige tsaristische Rusland te kunnen vergelijken met de huidige situatie.  

Een Wolgavakantie is in Rusland net zo populair als in het verleden bij ons een reisje langs de Rijn. Jaarlijks boeken anderhalf miljoen Russen een ticket voor de hele route of een deel daarvan. Goedkoop is een all-inclusive ticket niet, en Krielaars ontdekt al snel dat de meeste passagiers waar voor hun geld willen. Zo wordt bij het ontbijt eerst even met gerookte zalm en roerei een vette bodem gelegd, zodat de wodka daar zonder probleem achteraan kan. Na de dagexcursie, meestal een rondleiding door een van de havensteden, zijn veel passagiers al behoorlijk rozig. Het Happy hour op het schip wordt gewoonlijk ingevuld met zingen waarbij Krielaars de Russen, die hem als buitenlander eerst wat op afstand hielden, verrast met zijn ruime repertoire aan traditionele liederen. Een geoefende bas. Ik kreeg een beeld voor ogen van Ivan Rebroff …..

Maar de verbroedering met zijn medepassagiers en de verdere leut aan boord is niet waar Krielaars op uit is. Het gaat hem om de historie van Rusland, en om de cultuurgeschiedenis. Vrijwel geen plek langs de oevers van de Wolga waar niet in het verleden kunst is vervaardigd, boeken zijn geschreven, denkers hebben gedacht en architecten mooie gebouwen hebben neergezet. Met andere woorden: het leven werd verfraaid. Maar tegelijk geldt datzelfde op veel plekken voor afschuwelijke zaken, zoals onderdrukking door de tsaren of hun voorgangers – Ivan de Verschrikkelijke maakte zijn naam waar – en natuurlijk ook in  de tijd van de Sovjet-Unie. De bloedige jaren van Stalins regime. Het verhaal van die twee polen is wat Krielaars kwijt wil. Hij praat met mensen, draagt romans aan die van de verschrikkingen verhalen, schrijft over de talloze mislukte pogingen om het leven van de Rus te verbeteren. 

De wortels van het Rusland van nu liggen in het verleden’. En vroeger én nu kenmerkt die geschiedenis zich door de gewelddadigheid waarmee de machthebbers de bevolking eronder hielden en houden. Waarbij Poetin en zijn vrienden die geschiedenis zelfs doortrekken om de oorlog in Oekraïne te rechtvaardigen. Zij verwijzen graag naar de Tweede Wereldoorlog – die in Rusland De Grote Oorlog heet –, waarin het heldhaftige Russische leger succesvol streed tegen de nazi’s. Zo’n zelfde klus moet nu worden geklaard in Oekraïne. Dat verhaal werkt, ‘want een meerderheid van de Russen steunt die strijd, uit een misplaatst gevoel van patriottisme vermengd met slaafse gehoorzaamheid aan een leider die beweert als een tsaar voor hen te zullen zorgen.’ En zelfs de Russen die wél zelf nog nadenken, verzetten zich er meestal niet tegen. Want Poetin zorgt voor stabiliteit. Niemand wil de Jeltsin-jaren terug.

Langzaam de rivier afzakkend stelt Krielaars vast dat ondanks het verdwijnen van veel schoons in de stadjes waar ze aanleggen, veel er ook nog is, of is gerestaureerd. Met andere woorden: zijn Baedeker uit 1892 is soms nog best betrouwbaar. Genietend van het weldadige landschap langs de oevers moet Krielaars ook vaststellen dat de Wolga als bindmiddel voor een verhaal met zoveel facetten prima werkt. Zelfs in letterlijke zin want, schrijvend over de massale moordpartijen in de eerste decennia na de revolutie: ‘Dit alles terwijl de Wolga onverstoorbaar bleef stromen en hoogstens zo nu en dan rood kleurde in de buurt van een grote stad waar op de kade een executieplaats was ingericht.’

Michel Krielaars / Rivier van bloed. Een cultuurgeschiedenis van de Wolga / 336 blz / Uitgeverij Pluim, 2026

vrijdag 20 februari 2026

Boedel

Lezen kan vele emoties oproepen. Een daarvan, en zeker niet de minste, is de herkenning. Een gebeurtenis of situatie uit je eigen leven terugvinden in een roman of kort verhaal  maakt dat lezen opeens heel persoonlijk. Ergens op de wereld is een mens, in dit geval de schrijver, die hetzelfde heeft meegemaakt of wiens fantasie het overtuigend wist op te roepen. Op welk gebied de herkenning speelt is niet het belangrijkste, het gaat om de klik die je als lezer ervaart.

Gerbrand Bakker, die de afgelopen jaren zijn dagelijkse leven heeft ‘verliteratuurd’ in maar liefst vier delen privé-domein, is nu een zijpaadje ingeslagen om een gebeurtenis uit zijn leven uit te vergroten. In het vorig jaar verschenen Aan mij heb je niks, zijn vierde privé-domein, beschrijft hij de laatste jaren en het overlijden van zijn moeder. In het onlangs verschenen Boedel boekstaaft hij het leeghalen van haar huis. Dát is nu typisch zo’n gebeurtenis die de meesten van ons van nabij hebben meegemaakt, of nog zullen krijgen. Herkenning, dus.

Oudste broer, buurbroer, Duitse broer, jongste broer en zus: Bakker heeft vier broers en een zus. Ze moeten dus met z’n zessen de boedel verdelen en het huis leegruimen. Het huis waarin zijn moeder bijna haar hele gehuwde leven heeft gewoond staat in de Wieringerwaard, een landelijk gebied in de kop van Noord-Holland. Haar man, Bakkers vader, overleed enkele jaren geleden. Samen hebben vader en moeder meer bewaard dan weggegooid. Om de verdeling ordelijk en vooral eerlijk te laten verlopen, hebben de kinderen iets slims bedacht. Ze hebben een taxateur een lijst laten opstellen van de spullen die enige waarde hebben, en daar een taxatiewaarde aan gehangen. Wie iets heel graag wil hebben, koopt dat dan voor dat bedrag. Dat geld gaat in een pot, en na afloop delen ze de inhoud door zes. Om de erfstukken zonder bijzondere waarde wordt geloot.

Er zijn dingen die iedereen wil hebben, en dingen die niemand mee naar huis wil nemen. Voor de  meubels bestaat geen interesse. Bakker neemt zijn moeders elegante mahonie cilinderbureau uit 1890 mee – door de taxateur op negentig euro geschat, IKEA is duurder -, het overige meubilair gaat voorlopig bij buurbroer in een afgeschot deel van diens schuur. Boeken gaan naar het lokale minibiebje, de postzegelverzameling van vader raken ze aan de straatstenen niet kwijt. Maar het gaat Bakker niet om de logistiek van de verdeling, of de administratie ervan. Een ouderlijk huis leegruimen is vooral geconfronteerd worden met herinneringen. Zo´n twintig objecten waar hij gevoelsmatig iets mee had, heeft hij door het boekje heen gesprokkeld, voorzien van een afbeelding en een kort bijschrift. 

‘Zilveren uierprikker of uierpriem, negentiende-eeuws, met hangeroogje. Met zo’n dingetje, ook wel melkpijpje genoemd, kon een boer een door een ontsteking verstopte tepel weer vrijmaken. Het 6,4 centimeter lange, taps toelopende voorwerp met stompe punt en gaatjes werd in de tepel gestoken en er langzaam weer uitgetrokken, de vier gaatjes het vuil wegschraapten. Waarde: vijftig tot honderdzestig euro.’

In de maanden dat ze met de klus bezig zijn moet Bakker vaak denken aan het televisieprogramma Tussen Kunst & Kitsch. Zijn ouders sloegen geen aflevering over. Als hij ze per ongeluk belde wanneer ze zaten te kijken, moest hij direct neerleggen. Vader en moeder hadden het idee dat veel van hun antieke spullen best wat waard waren. Wat een in 1996 opgemaakte taxatie leek te bevestigde. Maar wat bij de nieuwe taxatie grotendeels was verdampt. Herkenbaar.

Boedel is zo’n boekje dat je aan vrienden geeft die net het huis van hun ouders hebben moeten leegruimen. Ik noem dat een verkapt zelfhulpboek. Maar het is meer dan dat. Bakkers nuchtere stijl en zijn gave om zoiets banaals een warm gevoel mee te geven maken het lezen ervan een feestje. En ik begrijp nu waarom hij het heeft geschreven. Het sluit, na zijn laatste twee delen privé-domein, iets in zijn leven voorgoed af. En dat is dan maar vastgelegd. 

Gerbrand Bakker / Boedel / 141 blz / Cossee, 2025

woensdag 18 februari 2026

De kleine uitgever

Boeken maken en uitgeven is een vak. Het vergt creativiteit, maar niet minder een zeker fingerspitzengefühl voor wat de markt verlangt. En wanneer je het goed doet, en titels wereldwijd weet af te zetten, is er veel geld mee te verdienen. De grote internationale uitgevershuizen getuigen daarvan. Helemaal aan de andere kant van de schaal ziet het boekenbedrijf er totaal anders uit. Dat is de wereld van de kleine uitgever. Eenmansbedrijfjes, of zelfs dat nog niet eens. Het is boeken maken uit liefhebberij, mooi verzorgd en in heel kleine oplages. De bibliofiele edities. Nico Keuning had van 1989 tot 2016 zo’n kleine literaire uitgeverij, en schreef er een aandoenlijk boek over.

Neerlandicus Keuning is vooral bekend als biograaf van schrijvers als Jan Arends, Bob den Uyl en, recentelijk, Belcampo. Degelijke biografieën, goed geschreven en met lof overladen. Naast een baan als docent is Keuning al decennia hartstochtelijk in de weer met – vooral – de Nederlandse literatuur. Talrijke publicaties en columns in dagbladen en in literaire tijdschriften tonen zijn brede interesse. Het onderzoek voor al die publicaties bracht hem regelmatig in contact met schrijvers. Waaruit in de loop van de jaren tachtig, in het begin als aardigheidje, een zelfgemaakt boekje rolde. Daaruit volgde in 1989 een eigen uitgeverij(tje): Reservaat.

In Een innerlijk vuur. Literaire memoires van een kleine uitgever haalt Keuning herinneringen op aan 27 boekjes die hij in samenwerking met een schrijver of diens nazaten maakte: Louis Paul Boon, Carl Jan Schneider (pseudoniem F. Springer), P.F. Thomése, F.B. Hotz, Jeroen Brouwers, L.H. Wiener, Tommy Wierenga, Bob den Uyl, Willem Brakman, Heere Heeresma, René Stoute, F. Starik en vijftien anderen. Soms werden teksten gekozen die al eerder waren gepubliceerd, andere keren ging het om nieuw materiaal. Bij een bibliofiel boekje gaat het niet om de omvang van de teksten, hoe minder hoe beter zou je kunnen zeggen. Waar het wél om gaat? Om hoe het boekje ‘voelt in de hand’, kernachtiger kun je het niet verwoorden. Papier, stevigheid, vorm, beeld. Keuning werkte steeds met dezelfde vormgever, die op basis van de gekozen teksten een bijpassend ontwerp voorstelde – waar soms nog eindeloos aan gesleuteld werd. Die tijd namen ze, niet in het minst omdat ze dit toch echt als de leukste fase van het project ervoeren. 

Het aardigste aspect van Een innerlijk vuur is dat je als lezer een goed beeld krijgt van de totstandkoming van een boekje waarover is nagedacht. En ook, - want de lezer houdt wel van een kleine literair schandaaltje op z’n tijd -, van de haast onvermijdelijke ruzietjes. Om er één voorbeeld uit te halen, het boekje dat Keuning in 2003 maakte met L.H. Wiener. Een meningsverschil met betrekking tot een honorarium. Het bibliofiele boekje in kwestie, Een handdruk en een vuist, bevatte een selectie uit de brieven de schrijver L.H. Wiener vanaf 1966 stuurde aan uitgever Geert van Oorschot. Toen het boekje bijna gereed was, informeerde Wiener Wouter van Oorschot, die inmiddels zijn vader als directeur van de uitgeverij was opgevolgd, dat tijdens het samenstellen van het boekje ook enkele brieven van zijn vader aan Wiener waren opgenomen. Van Oorschot ontstak in woede en eiste per brief een percentage van de winst en een honorarium. Dit laatste gebaseerd op het aantal woorden van zijn vaders brieven, afgezet tegen het honorarium van Wiener zelf.

Van Oorschot had zich duidelijk nog nooit verdiept in de financiële aspecten van de productie van een kleine bibliofiele uitgave. Dat was, in ieder geval bij Reservaat, extreem low-budget. Zowel aan de kostenkant als qua opbrengst. Aan een boekje met een oplage van hoogstens vijfhonderd exemplaren hoop je net genoeg te verdienen om de kosten te dekken. Voor Keuning zelf en de vormgever was het liefdewerk, en Wiener deed het voor een vriendenprijs. Het drukken was de veruit hoogste kostenpost. Maar enfin, Keuning telde woorden, maakte een berekening en liet Van Oorschot per brief weten dat hij Reservaat een factuur van 157,50 euro mocht zenden, die per ommegaande zou worden betaald. Die factuur kwam nooit. Schaamde Van Oorschot zich voor zijn hoge toon?

In 2016 stopte Keuning met Reservaat. En enkele jaren geleden besloot hij het archief ervan te schenken aan het Literatuurmuseum. Dat gaf immers een mooi beeld van een (bescheiden) stukje Nederlandse uitgeef- en literatuurgeschiedenis. Dat was ook de aanleiding om het archief eens op te schonen en te ordenen. En de meest bijzondere verhalen te boekstaven.

Voor het omslag van Een innerlijk vuur koos Keuning een foto van de sfeervolle Oudemanhuispoort in Amsterdam, waar al sinds tijden een dagelijkse boekenmarkt is gevestigd. Die foto sluit mooi aan bij de inhoud van zijn boek. Want in die poort lopen liefhebbers die op zoek zijn naar iets bijzonders, iets wat je niet of nauwelijks kan kopen in de reguliere boekhandel. Wat ook geldt voor kleinschalige bibliofiele edities.

Nico Keuning / Een innerlijk vuur. Literaire memoires van een kleine uitgever / 223 blz /  Walburgpers, 2025

zondag 15 februari 2026

Herman Koch....als vanouds

Als schrijver van een roman hoop je natuurlijk dat het boek na verschijnen lovende recensies aan de critici ontlokt. Of - je kan niet altijd alles hebben – dat het in ieder geval de nodige aandacht krijgt en dat je uit de besprekingen wat positieve quotes kan knippen om bij een eventuele tweede druk op het omslag te zetten. Slecht gerecenseerd worden is dodelijk, zo’n boek vindt je hoogstwaarschijnlijk binnen een jaar bij De Slegte. Maar een héél negatieve recensie, zo een waarbij het boek meedogenloos wordt neergesabeld, hoeft juist weer géén geen ramp te zijn. Kan zelfs positief werken. Een trending topic worden onder lezers. Dan weet iedereen dat het boek is verschenen. De gemiddelde uitgever zal er voor tekenen. 

Het ligt er dan wel een beetje aan wie de auteur is. Het werkt het beste bij een succesvolle publiekslieveling. Zoals bij Herman Koch, wiens nieuwe roman De overbodigen op de dag van verschijnen werd afgeserveerd in NRC Handelblad. Slechts één van de vijf bollen kreeg ie, welhaast een unicum. Sensationeel (!), proefde je in de reacties. Maar wie die term even buiten beschouwing liet, en de recensie rustig las, kon niet anders dan erkennen dat die was gebaseerd op zorgvuldig lezen en een afgewogen analyse. Dat dit leidde tot een negatief oordeel – tuttig schrijven, gemakzuchtige uitwerking van de plot, inhoud moreel niet helemaal fris – is dan niet anders. 

Maar gelukkig is het lezen van literatuur een uiterst individuele bezigheid, wat ook geldt voor het verwerken van het gelezene en daar een mening over hebben. Mijn oordeel? Je zou kunnen zeggen dat ik deels een ander boek heb gelezen dan de recensent van de NRC. Dat tuttig schrijven en die soms ongeloofwaardige uitwerking van de plot stoorden mij ook hier en daar. Maar dat Koch met opzet amoreel handelen door zijn hoofdpersoon tot de kern van zijn verhaal zou hebben gemaakt, dat zelfs tot op zekere hoogte zou vergoelijken? Omdat dit wel zou kunnen in het huidige tijdsgewricht? Dat gaat me te ver. Zo is Koch niet, meen ik. Zo zit hij niet in elkaar. Plots zijn bij hem in sterke mate een Spielerei. Kijk bijvoorbeeld naar zijn roman Het Koninklijk Huis (2022), waarin hij heel ver gaat zonder de grens van het onbetamelijke daadwerkelijk te overschrijden - ofschoon fans van ons koningshuis daar wellicht anders over zullen denken. Ook in De overbodigen laat hij de mannelijke hoofdfiguur – een beroemde bioloog, Nobelprijskandidaat - in zijn denken voortdurend de grenzen van het aanvaardbare opzoeken, en die fysiek zelfs één keer gruwelijk overschrijden. En misschien wel een tweede keer. Maar dat valt nog steeds binnen het kader van de roman, het verhaal, de fantasie.

De roman begint tijdens de avondmaaltijd van twee echtparen, die elkaar hebben leren kennen nadat hun dochter en zoon een relatie kregen. Die dag hebben zij een deel van de Cotswolds Way gelopen, een Engelse langeafstandswandeling. Tijdens die tocht is iets voorgevallen waarover ze tijdens het diner overleggen. Wat er precies is gebeurd zal Koch pas gedurende de verdere wandeling, zorgvuldig gedoseerd over de etappes, onthullen. Maar door hoe ze er met elkaar over spreken krijg je al snel het vermoeden van een ernstig misdrijf. De beide vrouwen en een van de mannen, Martin, willen namelijk de wandeling afbreken en zo snel mogelijk naar huis vertrekken. Maar de andere man, Herbert, is daar tegen. Omdat ze, zoals hij voortdurend naar voren brengt, daarmee een verdenking op zich laden en de politie, wanneer die een onderzoek zou starten, hen gemakkelijk zal kunnen traceren aan de hand van het annuleren van al hun reserveringen voor overnachtingen. Dus zetten ze de tocht voort. Maar de spanning die dat met zich meebrengt zal de verhoudingen tussen de vier langzaam maar zeker slopen.

Koch moet een grote fan zijn geweest van Morse. Hij laat Herbert fantaseren over verhoord worden door de televisie-inspecteur, mocht de politie een onderzoek naar het gebeurde openen en Herbert als een potentiële verdachte worden gezien. Even later komt Koch ook nog met Columbo op de proppen. Weer zo’n Spielerei. En dat terwijl je als lezer nog steeds niet helemaal van de hoed en de rand weet. In het ongewisse verkeert. Wat op zich knap gedaan is, het dwingt je tot doorlezen. Koch schrijft ook heel beeldend, je zou het verhaal zo kunnen verfilmen.

Maar dan verschijnt een Engelse inspecteur ten tonele. Je kon er op wachten. En tot teleurstelling van Herbert is het niet Morse, maar een hedendaagse kloon ervan. Een die zijn speurwerk baseert op niet te weerleggen technische gegevens. En neemt het verhaal een wending die de geloofwaardigheid ervan nou niet bepaald versterkt. Verrassend is die afloop overigens wel, maar dan verrassend op een beetje foute manier. Tip voor de eventuele filmproducent van dit verhaal: overweeg de laatste tien bladzijden te laten herschrijven. Een paar ongelukkig gekozen details in de plot vervangen door iets slimmere oplossingen. Daar kan het alleen maar nóg beter van worden.

Herman Koch / De overbodigen / Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 4 uur en 46 minuten / Ambo|Anthos, via Storytel