donderdag 26 mei 2022

De Kunstmeisjes

Ze noemen zich De Kunstmeisjes. Drie jonge vrouwen die elkaar leerden kennen tijdens hun studie kunstgeschiedenis in Amsterdam. We schrijven dan 2009. Mirjam Kooiman, Nathalie Maciesza en Renee Schuiten-Kniepstra. Samen bezochten ze tentoonstellingen en plaatsten daar wel eens een post over op sociale media onder de hashtag ‘kunstmeisjes’.  Dat groeide uit tot een professioneel blog met wekelijkse tentoonstellingsrecensies onder de kop GO / NO GO. En in 2019 verscheen het speelse De Kunstmeisjes. Vijftig kunstwerken om langer dan twintig seconden naar te kijken. Dat is een boek over kunst waar ik nou vrolijk van wordt.

Onderzoek heeft uitgewezen dat museumbezoekers gemiddeld zo’n twintig seconden naar een object kijken. Dat is inbegrepen het lezen van het begeleidende tekstbordje. Dat is in veel gevallen toch te weinig om iets ‘echt te zien’, tot je te laten doordringen. De kunstmeisjes dwingen je met hun teksten tot een zekere onthaasting, niet steeds door te drentelen maar ook eens stil te blijven staan. Veel van de besproken kunstwerken hebben een tekst van zo’n drie bladzijden, wat dus al gauw drie minuten lezen en kijken is, vijftien keer zo lang als die twintig seconden.  

De vijftig kunstwerken zijn zorgvuldig gekozen. Ze omvatten vijf eeuwen en zo ongeveer alle denkbare media: Schilderijen, sculpturen, altaarstukken, videokunst, fotografie, installaties en ga zo maar door. Er is dus voor ieder wel iets bij. Bovendien hebben de dames hun best gedaan linkjes te vinden naar de belevingswereld  van de hedendaagse lezer. Zo wordt Carel Fabritius’ Puttertje aangevat via de gelijknamige roman van Donna Tart, vormt de weergave van het Jezuskindje in een Mariavoorstelling de aanleiding om het te hebben over begrippen als fitboy en sixpack en bekennen ze bij het dubbelportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laen dat ze alle drie graag kijken naar televisieprogramma’s als Curvy Brides. Innemend, dat is dit boek. 

Mirjam Kooiman, Nathalie Maciesza & Renee Schuiten-Kniepstra / De Kunstmeisjes. Vijftig kunstwerken om langer dan twintig seconden naar te kijken / 263 blz / Meulenhoff, 2019

zondag 22 mei 2022

Stuivertje wisselen

Zo´n tien kilometer onder Zutphen, in het hart van de Achterhoek, ligt Baak. Een klein dorp, met een historische kern waarboven de imposante neogotische Sint-Martinuskerk uittorent. Een tweede beeldbepalend bouwwerk is Huize Baak, veel ouder dan de kerk en daardoor hecht verweven met de geschiedenis van het dorp en de streek. Het huis staat centraal in het vorig jaar verschenen De laatste heer. Hoe de bevoorrechte klasse in Nederland plaatsmaakte voor de gewone man van Astrid Schutte. Deze studie werd onlangs bekroond met de prijs voor het Beste Boek van de Achterhoek & Liemers 2021. Een citaat uit het juryrapport geeft bondig de opzet van het boek weer: ´Het gebeurt niet zo vaak, dat in onze regio een boek wordt geschreven  dat zo sterk is gericht op het beschrijven van de alledaagse maatschappelijke ontwikkelingen in de regio, die tegelijkertijd landelijk zijn. […] We wisten allang dat de grootgrondbezitters in de Achterhoek en Liemers hun kastelen en havezaten uit armoede moesten verkopen of anders moesten inrichten, maar hoe stond de gewone man, de pachtboer, de arbeider in dit proces? De auteur schildert met een fijn penseel de tragiek, de verlangens, de worstelingen, de behoeften en de dromen van twee mensen´.

De samenleving in de Achterhoek is aan het begin van de twintigste eeuw nog grotendeels die van een standenmaatschappij. De tientallen pachtboeren van het landgoed Baak spreken hun heer aan met ‘U’ en nemen de hoed voor hem af, terwijl de kasteelheer hen joviaal bij de voornaam noemt. Tegelijkertijd voelt de heer zich verantwoordelijk voor het wel en wee van zijn pachters, bij ziekte of financiële moeilijkheden probeert hij hen bij te staan. De heer is veruit de belangrijkste man van het dorp en wordt daarom in veel kwesties geraadpleegd. Dit laatste doet hij als een soort tandem met de pastoor, de op-een-na belangrijkste man van het dorp. De heer helpt indien nodig de pastoor – betaalt de bouw van de nieuwe, grote kerk – terwijl de pastoor ervoor waakt dat de bevolking in de pas blijft lopen. In zijn kerk is die standenmaatschappij trouwens nog lange tijd heel goed zichtbaar, omdat hij een keer per jaar de banken in de kerk bij opbod ´verkoopt´. Iedere zondagochtend kun je dus aan de bezetting van de voorste banken weer zien wie het meeste geld heeft, of die indruk wil wekken.

In mei 1940 arriveert Werner Helmich in Baak, die als nieuwe kasteelheer zijn kort tevoren overleden vader opvolgt. Geen beste tijd om het beheer over te nemen, maar Werner doet zijn best. Hij is dan eind twintig, een prima jurist met een groot geloof in de goedheid van de mens, maar hij heeft nauwelijks ervaring met het exploiteren van een landgoed. Hij weet Baak echter ongeschonden door de oorlog te loodsen. Na 1945 gaat hij enthousiast aan de slag om Baak organisatorisch en financieel weer op de been te helpen, maar moet dan constateren dat de wereld langzaam maar zeker aan het veranderen is

Astrid Schutte (1960) vertelt haar verhaal aan de hand van de levens van kasteelheer Werner en van haar eigen vader, Jan Schutte. Een bijzonder verhaal omdat de mannen in de kleine wereld die Baak dan is een tegengesteld parcours in hun leven afleggen. Stuivertje wisselen, als het ware. Een parcours dat model staat voor een algemene maatschappelijke omwenteling, die door als context Schutte mooi wordt geschetst.

Jan Schutte is niet van zulke chique komaf als Werner. Integendeel, zijn vader was een keuterboer. Als Jan op jonge leeftijd wees wordt en van school wordt gehaald om bij zijn stiefouders op de boerderij te helpen, rijpt bij hem het plan om zich op te werken. Via avondstudie begint hij kort na de oorlog opleidingen in de boekhouding en zaakwaarneming, waarbij hij voor de moeilijkste lesstof de hulp inroept van de enige man in Baak die daar verstand van heeft, kasteelheer Werner. Mede door die bijlessen slaagt hij, en bemachtigt vervolgens een boekhoudfunctie bij de landbouwcoöperatie. Verruilt een bemodderde overal voor een witte boord, de eerste stap is dan gezet. Ten tijde van de geboorte van zijn dochter Astrid is hij inmiddels kassier van de lokale Boerenleenbank. Vanuit de landbouwcoöperatie daarnaar solliciteren leek hem kansrijk, dat Werner als bestuurslid van de bank in de selectiecommissie zat hielp wellicht. 

Vanaf het midden van de jaren vijftig is Jan, naast Werner en de pastoor, feitelijk de derde notabele in het dorp. De onderkoning van het dorp. Als kassier en later als directeur van de Boerenleenbank gaat het allang niet meer om het beheren van spaargeld, maar wordt van hem eerder financieel advies verwacht bij zaken als bedrijfsinvesteringen. Zijn maatschappelijk succes ervaart hij als eervol, de gemoedelijkheid van de eerste jaren mist hij steeds meer.

Tegelijkertijd verandert ook het leven van Werner, maar dan in omgekeerde richting. Het in de lucht houden van een landgoed wordt steeds lastiger, de inkomsten lopen terug. En middels wettelijke aanpassingen wordt ook de verhouding tussen heer en pachter zakelijker, en minder lucratief voor de heer. Hij pijnigt zijn hoofd over oplossingen – grond verkopen, vakantiehuisjes neerzetten, het huis ombouwen tot hotel – maar ziet zich uiteindelijk genoodzaakt het landgoed van de hand te doen. De taak die hij zo enthousiast had aangevat eindigt in een sof. Wat dan rest is het proberen op te bouwen van een leven na Baak, een leven als gewone meneer. En dat is best een opgave.

Astrid Schutte / De laatste heer. Hoe de bevoorrechte klasse in Nederland plaatsmaakte voor de gewone man / 320 blz / Ambo Anthos, 2021

dinsdag 17 mei 2022

80 x Van Kooten

Kees van Kooten werd onlangs tachtig jaar en mocht bij die gelegenheid van zijn uitgeverij de ultieme bloemlezing samenstellen uit zijn oeuvre aan korte verhalen. Uit die soms lang geleden verschenen bundels met prachtige titels als Treitertrends  - uit 1969! - en Modernismen. Dat werden er tachtig, die in niet-chronologisch volgorde een plek kregen in De tachtigjarige vrede waardoor er voor de lezer een prettige afwisseling ontstaat. Ik las de bundel als luisterboek, in dit geval een absolute meerwaarde. De verhalen zijn vaak heel subtiel, vol van heel persoonlijke ironie waarmee Van Kooten als geen ander uit de voeten kan. Het waren dan ook heel aangename uren op de fiets en in de auto.

Beginnend met een relaas over zijn geboortedag in 1941, volgt Van Kooten zo’n beetje alle bepalende momenten uit zijn leven. De verhalen zijn veelal realistisch, maar met het grootste gemak zet hij een tandje bij en trekt het in het absurde. Spelen met de lezer heet dat. Niet ongewoon voor iemand die toch vooral van het medium televisie gebruikt maakte en zijn boodschap in sketches verpakte.

Het mooiste verhaal van de tachtig? Misschien dat waarbij ik het hardst heb moeten lachen. In dat stukje vertelt hij hoe hij op zijn vijftigste niet aan de verleiding kon weerstaan een enorme Harley Davidson te kopen. Nadat hij – klein mannetje op grote motor, met echtgenote achterop – voor de deur van zijn huis teveel gas gaf en voor het oog van zo ongeveer de hele straat in de struiken belandde, waarbij hij een arm brak en zijn vrouw ook niet ongeschonden bleef, was zijn tweede poging veel geslaagder. Dat betrof een ritje naar Gent, om een toneelpremière van zijn vriend Kamagurka bij te wonen. Een gezellige party en vier of zo Duvels later stapte hij weer op de motor naar Amsterdam. Het rijden was nu een fluitje van een cent, tot hij op de snelweg een politiecontrole tegenkwam en het lumineuze idee had zich wel uit de situatie te kunnen kletsen …  

Zo’n verhaal is in alle opzichten af. Dat geldt voor veel van de stukken in deze selectie. Zo achter elkaar geplaatst ga je begrijpen waarom de uiterst kritische Kees Fens zo kon genieten van het werk van Van Kooten.

Kees van Kooten / De tachtigjarige vrede / Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 10 uur en 32 minuten / De Bezige Bij, via Storytel

donderdag 12 mei 2022

Het Rampjaar in brieven

Wie vandaag de dag Kasteel Amerongen binnenloopt, zal zich misschien niet realiseren dat dit imposante bouwwerk zijn bestaan dankt aan het Rampjaar. Het ´enige echte´ rampjaar welteverstaan, 1672. Het jaar waarin de Republiek der Nederlanden werd aangevallen door het Frankrijk van Lodewijk XIV, geholpen door Engeland en de bisdommen Keulen en Münster. Het jaar ook waarin de bevolking, in paniek geraakt door de dreigende nederlaag, raadspensionaris Johan de Witt de schuld in de schoenen schoof van de situatie en hem en diens broer Cornelis voor de deur van de Haagse Gevangenpoort afslachtte. En het jaar waarin  Oranje weer aan de macht kwam. Dat de jonge prins Willem III – als militair onervaren maar een snelle leerling - door het onder water zetten van de Hollandse Waterlinie het immense leger van de vijand voorlopig buiten de westelijke provincies wist te houden, bezorgde hem een grote populariteit. Met de successen  van de stadhouder te land, en die van Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp ter zee, veranderde de ‘blitzkrieg’ al snel in een patstelling en vervolgens in een militaire en financiële uitputtingsslag voor alle partijen. Met de Vrede van Nijmegen zou in 1678-’79 de ‘Hollandse Oorlog’ tenslotte na lange onderhandelingen worden beëindigd.

Dit verhaal is al vaak verteld. Soms zo versimpeld dat de indruk ontstaat dat Johan de Witt de boeman is en Willem III de redder in de nood. Daarom is het fijn dat ter gelegenheid van de 350ste herdenking van het jaar een van de beste boeken over het onderwerp is herdrukt: Rampjaar 1672, geschreven door Luc Panhuysen. Voor het eerst verschenen in 2009, is dit alweer de twaalfde druk. 

Het bijzondere van Panhuysens boek is dat hij het verhaal laat vertellen door drie ooggetuigen: Godard Adriaan van Reede, diens echtgenote Margaretha Turnor en hun zoon Godard. De laatste is bij aanvang van de oorlog kolonel in het Staatse leger. Zijn vader is  ambassadeur, de term die indertijd werd gebezigd voor een topdiplomaat, in dienst van de Staten-Generaal. De duizenden brieven die zij aan elkaar en aan Margaretha schrijven zijn grotendeels bewaard gebleven en berusten nu in het Utrechts Archief. De zoon schreef zijn brieven vanuit verschillende locaties aan de frontlinie, de vader vanuit de standplaatsen waar hij naartoe werd gestuurd, onder andere uit Berlijn en Hamburg. Margaretha bewaakte in deze woelige tijden het thuisfront: Kasteel Amerongen. En trok achtereenvolgens naar Amsterdam en Den Haag toen het front dat oude familiebezit te dicht naderde.

De inhoud van de brieven is vaak emotioneel. Niet vreemd gezien de omstandigheden. Margaretha moet toezien hoe het leven van de dorpelingen van Amerongen steeds lastiger wordt, ziet zich genoodzaakt langzamerhand haar hele huisraad in te pakken voor transport naar het westen en ondervindt, eenmaal zelf op de vlucht naar Amsterdam, hoe het land door de oorlogshandelingen en het onder water zetten van grote gebieden in complete chaos verkeert. Intussen is ze door de soms moeizame postbezorging slecht op de hoogte van de actuele ontwikkelingen aan het front, waar haar zoon zijn leven lang niet altijd zeker is. Die zoon, Godard, laat af en toe doorschemeren dat aanstaande schermutselingen zo risicovol zijn dat hij inschat dat het weleens zijn laatste zouden kunnen zijn. De vader, Godard Adriaan, bevindt zich als ambassadeur meestal in relatief veilige omstandigheden aan een Brandenburgs hof waar het goed toeven is. Zijn brieven gunnen ons een kijkje achter de schermen van de diplomatie. Het is zijn taak de keurvorst van Brandenburg te overreden zich bij het Hollandse kamp aan te sluiten, wat hem uiteindelijk – een belangrijke doorbraak - ook lukt. Pas wanneer de keurvorst verlangt dat Godard Adriaan daadwerkelijk meegaat op de militaire campagne zal hij iets proeven van de barre omstandigheden waaronder oorlogen indertijd werden uitgevochten. Middels dit drieluik aan brieven gunt Panhuysen je een heel brede en vooral persoonlijke blik op de gebeurtenissen. 

Bij het gebruik van brieven als bronnen stuit je soms op informatie die de officiële geschiedschrijving niet haalt. Verreweg het aardigst vond ik in dit opzicht een passage in een brief van Godard Adriaan aan Margaretha, uit de zomer van 1672. Godard Adriaan bevindt zich dan tussen twee klussen in in zijn huis aan de Haagse Kneuterdijk. En passant vertelt hij dat hij die middag zijn buurman tegen het lijf liep, Johan de Witt, die herstellende was van een kort daarvoor op hem gepleegde aanslag. En dat zij urenlang met elkaar de politieke situatie doornamen. Daar had je toch bij willen zitten …

In diezelfde zomermaanden, op 2 augustus om precies te zijn, lukt het Godard Adriaan en Margaretha om van de Staten-Generaal een ‘Acte van Indemniteit’ los te krijgen. Een voorzorgsmaatregel waarmee zij, indien hun kasteel door de oorlogshandelingen zou worden beschadigd of verwoest, na afloop van de oorlog een financiële tegemoetkoming in de schade kunnen claimen. Van die vooruitziende actie maken ze na de oorlog dan ook dankbaar gebruik om hun platgebrande kasteel te vervangen door het statige, kolossale huis dat er nu staat.

Soms zou je de brieven waaruit Panhuysen citeert, zelf willen zien en lezen. Ter versterking van het gevoel van authenticiteit waarvan het boek sowieso al is doordrenkt. En laat dat nu nét kunnen. Kasteel Amerongen organiseert ter gelegenheid van het  herdenkingsjaar de tentoonstelling Goet en Bloet. De originele brieven en tal van objecten vertellen daarin het verhaal van een gezin in het rampjaar, een familie die haar eeuwenoude kasteel verloren zag gaan maar er een nieuw, ontworpen naar de laatste mode, voor neerzette.

Luc Panhuysen / Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte / 476 blz / Atlas Contact, 2009 (12de druk 2022)

vrijdag 6 mei 2022

Soldaten zonder schoenen

Ooit had Nederland de ambitie een wereldrijk te zijn, compleet met omvangrijke koloniale bezittingen. Dat was in de nadagen van het bewind van Napoleon Bonaparte. De grootste en rijkste Nederlandse kolonie, Nederlands-Indië, was op dat moment echter in Britse handen. Sinds 1811 oefenden de Britten er een tussenbewind uit, na het verjagen van de Fransgezinde Nederlandse bestuurders. Koning Willem I, net gekroond, realiseerde zich dat hij het immense eilandenrijk uitsluitend van de Britten zou kunnen terugvragen wanneer hij kon garanderen dat Nederland er een krachtige legermacht zou vestigen. Daarom richtte hij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger op, ook wel de Koloniale troepen of Indische brigade genoemd. Afgekort als KNIL. Nog in 1815 vertrok het eerste troepenschip naar de Oost. Over de roerige, 135-jarige geschiedenis van het KNIL die zou volgen publiceerde Vilan van de Loo onlangs een uiterst informatief en onderhoudend boek.

De formele en organisatorische basis onder deze nieuwe legermacht vormde een rapport dat op last van de koning en onder grote tijdsdruk was opgesteld door vier ervaren militairen: ´Rapport eener militaire commissie betrekkelijk de militaire magt op Java´. Het bevatte de hoofdlijnen voor zaken als het militaire optreden, de bezetting, de verzorging en verpleging, en de administratie. In een afzonderlijk reglement werd tot in detail vastgelegd hoe het toekennen van de Militaire Willems-Orde, de onderscheiding voor betoonde moed, zou verlopen. Maar dat Indië een cultuur bezat die hemelsbreed verschilde van de Nederlandse situatie kreeg nauwelijks aandacht…    

Vanaf het begin kregen de troepen te maken met interne opstanden. De Java-oorlog die van 1825 tot 1830 zou duren was de eerste. De aanleiding was een complex van factoren, waaronder het door Nederland verbieden van hoge huurprijzen van landbouwgrond zonder de eigenaren, de adel, daarvoor compensatie te verlenen. Ook een interne machtsstrijd binnen de lokale vorstelijke familie en de algemene weerzin tegen de koloniale bezetting en de westerse cultuur speelden mee. Die gevaarlijke mix van ontevredenheid zou Nederland in de jaren erna vaker tegenkomen. In Atjeh, in Lombok en op een handvol andere plekken. Het KNIL sloeg deze eerste opstand neer, maar wel ten koste van tienduizenden doden, ook aan eigen zijde. Ook dat zou een constante worden.

De overwinning, de eerste voor het nieuwe leger, was zoet. Maar de kosten waren hoog, op het ministerie van Oorlog in Den Haag kreunde men. Bij een reorganisatie in 1830 werd het KNIL daarom overgeheveld naar het ministerie van Koloniën. Mede vanuit de gedachte dat daarmee de kosten van de inzet directer waren gekoppeld aan de baten die het wingewest opleverde: Je weet waarvoor je vecht. Maar de zuinigheid bleef, het budget was altijd te klein, de eisen te hoog. Een absurd maar veelzeggend detail is de houding van de Haagse ambtenarij tegenover het dragen van schoenen door de militairen. De inheemse soldaten moesten het heel lang doen zonder schoenen – ze liepen in het dagelijks leven immers vaak blootsvoets – terwijl de Nederlandse en Europese militairen wél schoeisel kregen. Soldaten zonder schoenen, en niemand in Den Haag die bedacht dat dit mogelijk ten koste ging van de inzetbaarheid.

In dienst zijn van het KNIL was sowieso niet zonder risico’s. De Nederlandse en Europese militairen, die het kader vormden, bleken zeer bevattelijk voor de tropische ziekten die in Indië heersten. Ondanks een goed georganiseerde medische zorg kostte dat vele levens. Ook onder de inheemse soldaten, die in de meerderheid waren, was het verloop groot. Zij vormden bij aanvallen vaak de voorhoede en sneuvelden bij bosjes. Ook de matige uitrusting werkte daaraan mee. Op het hoofdeiland Java beschikten de manschappen wel over wat zwaardere wapens, maar in de Buitengewesten moest je het vaak doen met een eenvoudige karabijn en een klewang – een traditioneel, kort gebogen zwaard. De opstandelingen waren soms beter bewapend. Om die continue verliezen op te vangen organiseerde het KNIL in Indië én in Nederland wervingsacties. Via het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk vertrokken tussen 1822 en 1909 ongeveer 150.000 ongehuwde Nederlandse en andere Europese mannen tussen de 18 tot 30 jaar per schip naar Indië. Nog zo laat als 1938 tekenden ruim 1.000 mannen per maand voor het KNIL, misschien aangetrokken door de slogan ‘Een eervol bestaan. Een behoorlijk traktement.’ 

Vilan van de Loo heeft voor ‘Een eervol bestaan’ een heel toegankelijk concept gekozen. Ze heeft honderden documenten uit de archieven opgediept, zowel officiële stukken als persoonlijke documenten en krantenartikelen . Bij elkaar vertellen die stukken het verhaal van het KNIL. De Loo doet eigenlijk niet veel meer dan die teksten aan elkaar praten, ze in de juiste context plaatsen. Dat werkt, mede omdat de overgrote meerderheid van die documenten zijn opgesteld en neergeschreven door direct betrokkenen. Als lezer brengt dit je heel dicht bij de kern van het bestaan als militair bij het KNIL, zowel de dagelijkse beslommeringen als de militaire acties. 

Je bent op die manier ook ‘ooggetuige’ van de beruchte moordpartijen door het leger. Waaruit blijkt dat generaal Van Heutsz zeker niet de enige is die zich te buiten ging aan nodeloos geweld. Maar het kan erger, doortrapter. In 1923 gaf de gouverneur van Atjeh, Van Sluys, een interview aan het tijdschrift De Indische Gids waarin hij een verklaring geeft voor de nog steeds aanhoudende moordaanslagen door opstandelingen: die mannen zijn eenvoudigweg krankzinnig, lijden aan een geestesziekte. En omdat de Nederlandse overheid een zorgplicht heeft tegenover haar onderdanen, pleit hij voor de bouw van een gesticht waar deze personen kunnen worden vastgezet en behandeld. Dat gesticht kwam er, en een simpele verklaring van een arts was voldoende om de ‘krankzinnigen’ erin op te sluiten. Dom of sluw?

De laatste hoofdstukken van de geschiedenis van het KNIL vallen samen met de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende politionele acties. Het besef dat het KNIL qua uitrusting en ervaring meer een politiemacht is die interne opstanden kan neerslaan dan  een krachtig leger dat aanvallen van buitenaf kan tegenhouden zet de toon voor het einde. Eind jaren dertig wordt gepoogd door wapenaankopen het tij te keren, maar het is te weinig, te laat. En wanneer na de oorlog de onafhankelijke Republiek Indonesië wordt uitgeroepen en Nederland een grote troepenmacht stuurt om de opstand neer te slaan, spreek je eigenlijk al nauwelijks meer van het KNIL. Vanaf 1949 keren de meeste Nederlandse militairen terug naar huis, terwijl een groot deel van de inheemse soldaten zich aanmeldt bij het leger van de nieuwe republiek. Voor de Ambonese KNIL’lers zou het avontuur een lang staartje krijgen. Zij werden door de Nederlandse regering onder valse voorwendselen naar Nederland gebracht, en na aankomst ontslagen. Aan hun lot overgelaten. Dat verhaal kennen wij.

Vilan van de Loo / Een eervol bestaan. De geschiedenis van het KNIL 1814-1950 / 416 blz / Prometheus, 2022

zaterdag 30 april 2022

Een helse tocht

Op een avond worden in een buitenwijk van een grote stad 11 bewoners en een toevallige bezoeker door agenten uit hun flatgebouw gehaald. Waarom dat is, krijgen ze niet te horen. Tijdens de busrit waarmee de agenten hen naar een onbekende bestemming brengen, zien de ´ontvoerden´ grote groepen mensen die te voet vanuit alle kanten dezelfde richting uit lopen. Eenmaal gearriveerd bij een grote bioscoop, blijkt zich achter de gevel  een immens complex te bevinden, waar talloze mensen wachten op instructies of groepsgewijs in de ingewanden van het gebouw verdwijnen. Ook ons twaalftal is op een gegeven moment aan de beurt, bewapend met een plattegrond en de nodige instructies betreden ze een lift die hen met razende vaart, schijnbaar meerdere richtingen uit stuivend, naar een donker, onderaards labyrint brengt dat uiteindelijk uitkomt bij een reusachtig treinstation. Daar worden ze door een beambte naar een wachtkamer gedirigeerd. 

Ze zijn inmiddels doordrongen van het feit dat ze een uitermate vreemd avontuur aan het beleven zijn. Onbegrijpelijk zelfs. De stop in de wachtkamer geeft hen dan ook de hoognodige rust om hun gedachten te ordenen en met elkaar te delen. Het Laatste Oordeel is als verklaring geliefd, maar ook een reclamestunt van het bioscoopconcern of een – al dan niet gezamenlijke – droom scoren hoog. De gevarieerde samenstelling van het groepje – journalist, tandarts, dominee in ruste, lerares, schoenverkoper enzovoorts – zorgt voor een levendige discussie. Dat Vestdijk uitgebreid de tijd neemt om ieders achtergrond te schetsen geeft het geheel een prettige diepgang. Tijdens het verblijf in de wachtkamer rijden treinen af en aan met mensen, waarvan ons groepje inmiddels heeft doorgrond dat iedereen behalve zijzelf al overleden is, soms zelfs eeuwen terug. Zij zijn de enige levenden. Een van de kelners in de wachtkamer is een jonge man. Hij schenkt hen voortdurend wijn uit een karaf die maar niet leeg schijnt te raken en levert op cruciale momenten in de discussie zijn informatieve bijdrage.

Vestdijk publiceerde de roman in 1949. Hij was eraan begonnen in 1940 en voltooide hem pas in 1948. Voor mij is het verhaal doortrokken van het gevoel de zin van het leven niet meer te vatten die velen die kort daarvoor de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt vertrouwd moet zijn geweest. Waarom bestaan wij, wanneer één enkele gek de hele boel kan ontregelen en door zijn gedrag miljoenen mensen in het ongeluk storten? En waarom zouden wij nog geloven na dit alles, God heeft Auschwitz immers niet kunnen voorkomen. Vestdijks subtiele en minder subtiele verwijzingen naar de Bijbel, de God die alles aanstuurt en zijn zoon zorgen ervoor dat je langzaamaan gaat vermoeden hoe het geheel in elkaar steekt. Maar dat moet je zelf maar lezen. Vestdijk als verteller op het toppunt van zijn kunnen.

Ik kocht mijn exemplaar van de roman op 30 november 1979. Herlas het zojuist als onderdeel van mijn voornemen vaker te gaan herlezen nu ik met pensioen ben en daar dus de tijd voor heb. Hele delen van het boek bleken mij nog levendig voor de geest te staan. Moet indertijd dus indruk hebben gemaakt.

Simon Vestdijk / De kellner en de levenden / 252 blz / De Bezige Bij, 1979

donderdag 6 januari 2022

Een droom van een tuin

De tuinen van Bomarzo vormden voor Hella S. Haasse al een soort obsessie lang voordat ze ze bezocht. Het begon met een artikel in een tijdschrift dat haar halverwege de jaren vijftig onder ogen kwam. Een tuincomplex in een grillig landschap, gevuld met majestueuze, zonderlinge en soms wanstaltige beelden. Het fascineerde haar. Die tuinen wilde ze bezoeken. Maar dat kwam er niet van. De vakantiereizen kwamen er niet in de buurt en haar huisgenoten konden zich zo wel een voorstelling maken van Bomarzo, daarvoor hoefden ze het park niet te bezoeken. Maar Haasse was getriggerd, ploos boeken over tuinkunst en het maniërisme door. In haar hoofd vormde zich zelfs, als een soort surrogaat, al een roman, over iemand die deze fascinerende plek maar steeds niet weet te bezoeken. Een roman zou het niet worden. Toen het eindelijk van een bezoek kwam, in 1964, met haar gezin onderweg van Lucca naar Rome, was dat de aanzet tot het schrijven van een historisch-filosofisch essay.

Over het ontstaan en de geschiedenis van de tuinen is weinig bekend. Uit bronnen kan worden opgemaakt dat ze 1564 al bestonden. Mogelijk ook zelfs al mét de groteske beelden en overige tuinarchitectuur. Een familienaam die aan het kasteel en de tuinen verbonden lijkt is die van Orsini. Een geslacht dat nauw verweven was met de kringen die de wereldlijke en geestelijke macht bezaten, zoals de Borgia’s en de Sforza’s. Met dat beetje aan redelijk betrouwbare informatie gaat Haasse aan de slag. Ze werkt min of meer systematisch alle mogelijkheden af, ook met betrekking tot de mogelijke betekenis van de raadselachtige beelden. Een kapstok voor bevlogen verhalen over die tijd en het spuien van haar kennis.  

Aan De tuinen van Bomarzo zie je weer eens bevestigd dat Haasse excelleerde in het literaire spel met de geschiedenis. Vrijwel altijd zijn dat kloeke historische romans, maar ditmaal is het een spielerei van een meer bescheiden omvang. Je leest het in een paar uur uit, waarna je - ik in ieder geval - bedacht dat ik ooit maar eens die kant uit moest.

Hella S. Haasse / De tuinen van Bomarzo / 157 blz / Querido, 2003

dinsdag 4 januari 2022

Een heerlijke poppenkast

Wie wil weten hoe de Russische maatschappij er kort na de Napoleontische oorlog uitzag, die leze Dode zielen van Nikolai Gogol. Dit verhaal over de fraude met de identiteit van gestorven lijfeigenen toont de misstanden in die samenleving en biedt een galerij van slechte eigenschappen van karakters die het niet zo nauw namen met de normen en waarden. Was dit alles, dan had dit verhaal waarschijnlijk nooit zo befaamd kunnen worden, had de roman niet de status bereikt die het nu heeft. Het is Gogols pen die er leven in blaast, die ervoor zorgt dat je als lezer geniet van de schurkenstreken van de hoofdpersoon, van diens verdorven geest. Want ofschoon wij allen in moreel opzicht volkomen correct zijn, is niets zo leuk als je verbijsteren om de ongelooflijke durf van een oplichter en je verkneukelen om de domheid van zijn slachtoffers.

De schurk heet in dit geval Tsjitsjikov, een op het oog keurige meneer. Hij reist rond op het platteland en koopt bij landeigenaren voor een prikkie ‘dode zielen’. Dat zijn de boeren en lijfeigenen die overleden zijn, maar waarvan de dood nog niet is verwerkt in de administratie en gemeld aan de lokale of regionale overheid. Dat bijwerken gebeurde namelijk maar eens in de zoveel tijd. Door juist die dode zielen op te kopen, verkrijgt Tsjitsjikov op papier een groot aantal lijfeigenen of horigen, op basis waarvan hij dan weer leningen of hypotheken kan afsluiten. Van lucht geld maken heet dat.

Gogol zet Tsjitsjikov neer als een bescheiden, wat hoffelijke man, die door die uitstraling geloofwaardig overkomt en zijn zaakjes voor elkaar krijgt. De verkopers van de zielen, van oude weduwtjes tot rijke herenboeren, vormen een mooie afspiegeling van de sociale bovenlaag van de Russische plattelandsbevolking. Dat Gogol zich als alwetende verteller tot zijn lezers richt – heel ouderwets, maar effectief - geeft je het gevoel dat je samen met hem naar deze haast ongeloofwaardige poppenkast zit te kijken.

Nikolai Gogol / Dode zielen (1842) / 530 blz / Vertaald door Charles B Timmer / Uitgeverij Van Oorschot, 1965