zondag 29 januari 2023

Ramsey Nasr bewerkt Thomas Mann

Deze weken kijk ik op NPO 2 met veel plezier naar de prachtige serie Dr. Nasrs Wunderkammer. Ramsey Nasr vertelt daarin over de objecten die hij de afgelopen jaren bijeen heeft gebracht. Wat hij dan verzamelt? Een betere vraag is, zo krijg ik langzamerhand de indruk: wat verzamelt hij niet!? Zijn huis is zo te zien gevuld met een brede verscheidenheid aan kunst, boeken, en vooral een collectie opgezette dieren en andere historische naturalia. Een zo breed opgezette verzameling doet denken aan de Kunst- und Wunderkammer die vanaf de zestiende eeuw door vorstelijke personen en vermogende geleerden werden aangelegd en die beoogden een weerslag te zijn van de gehele zichtbare wereld. Het aardige van de serie is dat Nasr, net als zijn verre voorgangers, de objecten niet alleen verzamelt ‘voor de heb’ maar ook om kennis te vergaren, de wereld te begrijpen. Die kennis geeft hij dan door, in de vorm van mooie verhalen.

Ramsey Nasr is een veelzijdig man, haast tot in het extreme. Een duizendpoot, om in stijl te blijven. Naast verzamelaar is hij acteur, regisseur, schrijft hij essays en libretto’s, vertaalt hij literatuur en was hij van 2009 tot 2013 onze Dichter des Vaderlands. Ook schrijft hij toneelstukken. Door de serie moest ik terugdenken aan een boekje van hem dat ik een hele tijd geleden las en waarover ik nog niet schreef voor mijn leesdagboek. Bij deze dan.   

Het is 23 april 2018. In zijn Amsterdamse keuken staat Ramsey Nasr, geleund tegen het aanrecht, nog wat te peinzen voordat hij zijn gereedstaande koffer zal opnemen en in een taxi naar de luchthaven zal stappen. Aan zijn keukenmuur hangt een klein deel van de omvangrijke verzameling die hij sinds enkele jaren met veel passie bijeenbrengt. Het zijn 19e-eeuwse foto’s van Venetië, een stad die hem fascineert. Het pronkstuk is een foto die genomen is bij nacht, voor die tijd in fotografisch opzicht een technisch hoogstandje. De fascinatie voor Venetië wordt nu menens, want regisseur Ivo van Hove heeft bij hem een toneelbewerking van De dood in Venetië besteld, de novelle die Thomas Mann ruim een eeuw eerder schreef. Nasr was niet eerder in de lagunestad. Hij heeft een werkbeurs geregeld zodat hij deze zomer enkele malen een paar weken in Venetië kan verblijven. Voor onderzoek, maar ook om zich de stad eigen te maken. Vooral gevoelsmatig. In Mijn dood in Venetië zal hij verslag doen van die tripjes.

Zijn thuis is het eilandje San Giorgo Maggiore, recht tegenover het historische centrum. In de rustige wetenschappelijke bibliotheek van de Fondazione Giorgio Cini, gevestigd in een oud klooster, en nog vaker in het aangrenzende parkje, leest hij, bladert hij, overdenkt hij hoe Mann hier geïnspireerd is geraakt. Hij dwaalt door de stad, die bestuderend, zich voorstellend hoe de familie Mann in hun chique hotel  - het Grand Hotel des Bains - aan het Lido de zomer doorbracht, hoe Mann die ene zomer in de ban raakte van de Poolse veertienjarige jongen die hij in de novelle Tadzio zou noemen. Hij realiseert zich hoe bepalend de rol moet zijn geweest die Manns echtgenote Katia daarin heeft gespeeld. Kortom, hij dompelt zich onder in de stad, de schrijver en de novelle. Langzaam groeit bij hem het besef hoe het toneelstuk op te zetten.

Als lezer waardeer je, of het nu om poëzie of proza gaat, Nasrs helderheid van stijl, zijn vermogen om met weinig woorden veel te zeggen. Haast niet meer van deze tijd is het proces dat hij bij veel van zijn werk volgt: een tekst mag langzaam groeien, ontstaat geleidelijk bij het je eigen maken van de inhoud ervan. 

Voor mijn gevoel past dit bescheiden boekje uitstekend bij de novelle, die ondanks haar zeggingskracht in omvang toch óók een bescheiden boekje is. In de eerste helft beschrijft Nasr zijn verblijf in Venetië en de wording van het toneelstuk, de tweede helft bevat de tekst ervan. Daarin stelt Nasr de kwestie centraal van de twee-eenheid tussen Mann en zijn hoofdpersoon en alter ego in de novelle, de componist Gustav von Aschenbach. Met andere woorden: geeft Mann de lezer hier middels Von Aschenbach een verhuld zelfportret? In de novelle is die betekenis impliciet aanwezig en dus uitsluitend voor de ingewijde lezer duidelijk, bij Nasr wordt die expliciet én meer op de voorgrond benoemd. Het toneelstuk werd in 2019 door Toneelgroep Amsterdam opgevoerd, in een samenwerking met het Koninklijk Concertgebouworkest. Het was een sprankelend evenement. Op Youtube staat een trailer van de opvoering. 

En die 19e-eeuwse foto in Nasrs keuken, van Venetië bij nacht? Zijn pronkstukje? Die de cover van het boekje siert? Die bleek later helemaal niet bij nacht genomen - dat kon überhaupt niet in die tijd- maar bij dag, en daarna op een speciale manier bewerkt en afgedrukt. Venetië is theater, zie je dan weer, in alle opzichten …

Ramsey Nasr / Mijn dood in Venetië / 176 blz / De Bezige Bij, 2019

vrijdag 27 januari 2023

The Miniaturist, in de herhaling

Het schrijven van een sequel van een bestseller is een riskante onderneming. De lat ligt hoog, want de critici én de lezers verwachten een verhaal dat hen minstens zo bekoort als het eerdere boek. En The Miniaturist, verschenen in 2014, was een doorslaand succes. Het werd breed vertaald – in Nederland als Het huis aan de Gouden Bocht – en de BBC liet het bewerken tot een miniserie. En dat alles terwijl het voor Jessie Burton haar romandebuut was. Een sprookje.

Het was allemaal begonnen toen Burton in 2009 op een trip naar Amsterdam in het Rijksmuseum het imposante poppenhuis van Petronella Oortman zag. Het ruim tweeëneenhalve meter hoge en bijna twee meter brede  pronkobject maakte diepe indruk op haar. In die dagen schreef ze aan wat haar eerste boek had moeten worden, een historische roman die in Londen speelde. Maar dat project schoof ze na haar bezoek terzijde voor een nieuw verhaal, ditmaal gesitueerd in Amsterdam. 

Het poppenhuis en de eerste eigenaresse ervan, de achttienjarige Petronella Oortman, kregen de hoofdrol. Zojuist in Amsterdam gearriveerd als de kersverse echtgenote van de wat oudere koopman Johannes Brandt, probeert zij zich een plek te verwerven in diens huishouden in een kapitaal pand aan de Herengracht, in de zogenoemde Gouden Bocht. Marin, de zus van Johannes, verhindert dit, terwijl de andere huisgenoten – Otto, de Surinaamse bediende van Johannes, en de dienstmeid Cornelia – zich wat afzijdig houden. Ook Johannes houdt afstand, slaapt niet bij Petronella en heeft een onduidelijke vriendschap met een acteur. Binnen enkele maanden zal die huiselijke situatie ontsporen en zal Johannes wegens sodomie ter dood worden veroordeeld. Zijn weduwe in schande achterlatend.

In de sequel, The House of Fortune – in het Nederlands ietwat verwarrend verschenen als Het huis aan de Herengracht - zijn we achttien jaar verder. De geest van Johannes en van Marin, die stierf na de geboorte van haar dochter Thea, waren nog steeds door het huis. Een vrijwel leeg huis, de meeste kostbaarheden zijn uit geldgebrek verkocht. Petronella heeft in de maanden voor aanvang van het verhaal haar uiterste best gedaan de weg te effenen voor de binnenkort achttien jaar wordende Thea. Een rijke man voor haar vinden is het uiteindelijke doel. Thea, als de meeste meisjes van haar leeftijd, gaat in het geheim voor de ‘echte liefde’, in dit geval de decorschilder van de Amsterdamse schouwburg. Burton schetst die verschillende entourages mooi. Ook de verwikkelingen die volgen op het vinden van een geschikte én willige huwelijkskandidaat, de jonge en rijke jurist Jacob van Loos, beschrijft Burton met kennis van de toenmalige praktijk. Ze is sowieso bedreven in het laten uitwaaieren van de verschillende verhaallijnen én die op een natuurlijke en soms plezierig verrassende wijze weer te laten samenvallen.

Geen kritiek? Jawel. In The Miniaturist speelden de steeds door onbekenden achtergelaten miniatuurpoppetjes waarmee Petronella haar poppenhuis - een cadeau van haar echtgenoot - kon vullen een grote rol. Ze bezaten krachten waarmee ze schijnbaar het verloop van zaken konden beïnvloeden. Ik zie in mijn bespreking over het boek (9 november  2014) dat ik me ergerde aan het gewicht dat Burton aan dit wat ongeloofwaardige element meegeeft. Dat geldt ook voor het vervolg. Het heeft iets van jongleren met symboliek, zonder het raadselachtige verschijnen van die miniaturen een geloofwaardige rol te geven.

Jessie Burton / The House of Fortune / 402 blz / Picador, 2022

[Nederlandse editie: Het huis aan de Herengracht]




zondag 22 januari 2023

Opgejaagd

Volgens de overlevering zag het zwart van de mensen, maar was het desondanks doodstil. Niemand durfde iets te roepen. De datum was 30 januari 1649, de plek een hoog schavot tegen de gevel van Whitehall Palace, Londen. Het was ijzig koud. Dat het toegestroomde volk onder de indruk was, is niet vreemd. Het was immers de koning die op het punt stond te worden onthoofd, een unicum in de Britse geschiedenis. De meeste historici zijn het erover eens dat Charles I zijn ongeluk deels aan zichzelf had te danken. Jarenlange onwil om samen te werken met het Parlement. De wapens opnemen tegen je eigen volk. Niet voor rede vatbaar zijn. Onder leiding van Oliver Cromwell en met steun van het Parlement en flink wat militaire en politieke kopstukken was Charles gearresteerd. Een showproces leidde vervolgens tot de beslissing de koning te doden ‘door zijn hoofd van zijn lichaam te scheiden’. 

Niemand zal op die 30ste januari hebben voorzien dat het doden van de koning slechts tijdelijk tot een andere regeringsvorm zou leiden. Al in 1660, dus elf jaar later, kon Charles II als opvolger van zijn vader de troon weer bestijgen. Oliver Cromwell was inmiddels overleden, diens zoon bleek een zwakke leider en de koningsgezinden grepen opnieuw de macht. De ‘Restauratie’ was een feit. Charles II bleek – enigszins begrijpelijk – vervuld van wraakgevoelens. Iedereen die maar iets te maken had met de moord op zijn vader, In Engeland de regicide geheten, moest er aan geloven. Hij liet zelfs het stoffelijk overschot van Oliver Cromwell opgraven en alsnog ‘executeren’. De jacht op de koningsmoordenaars werd vergemakkelijkt doordat de 59 meest betrokkenen het bevel tot executie van Charles I hadden ondertekend en met hun persoonlijke zegel bevestigd. Sommigen op de lijst waren inmiddels al overleden, anderen uit voorzorg naar het buitenland gevlucht. De rest werd opgepakt en op beestachtige wijze ter dood gebracht. 

Tot zover de geschiedenis zoals die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Robert Harris heeft die als uitgangspunt genomen voor een thriller over de lotgevallen van de twee koningsmoordenaars die het verst weg vluchtten: kolonel Edward Whalley en zijn schoonzoon William Goffe, eveneens met de rang van kolonel. Zij namen onder een valse identiteit de boot naar Boston en kregen onderdak bij een familie in Cambridge, Massachusetts. Dat is het laatste levensteken dat we van hen hebben. Vanaf dat punt is de thrillerschrijver aan het woord.

New England, aan de oostkust van wat later de Verenigde Staten zou worden, stond in 1660 onder Brits gezag. Maar tegelijk lag het ook heel ver weg van Londen en vertoonden de gezagsdragers er in denken én handelen soms een gezonde onafhankelijkheid van het moederland. Zeker na de politieke onrust van de jaren ervoor. Ook speelde het geloof daarin een rol. Veel van de puriteinen in New England moesten niets hebben van de Anglicaanse kerk, dus ook niet van de koning die daar het hoofd van was. Whalley en Goffe maakten dankbaar gebruik van dat sentiment. Het betekende voor hen dat ze, ofschoon als onderduikers, in relatieve veiligheid konden leven.

Dat veranderde toen de koning een prijs op hun hoofd zette. Zelfs puriteinse gouverneurs konden een koninklijk bevel niet zomaar naast zich neerleggen. Dat is het begin van een vlucht door het bergachtige achterland van de oostkust, achterna gezeten door de officier Richard Nayler, een premiejager die in opdracht van de Privy Council, het kantoor van de koning, op hen is afgestuurd. 

Harris toonde al eerder aan als auteur tevens een bevlogen historicus te zijn. De soms bloedstollende achtervolging vindt plaats in een gebied en een samenleving die door hem gloedvol worden beschreven. Het indrukwekkende landschap bepaalt in belangrijke mate de sfeer, de contacten met de bevolking doen Whalley en Goffe steeds beter begrijpen wat ze wel en wat ze niet van de mensen kunnen vragen. Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw was New England nog een leeg en ruig gebied, met kleine nederzettingen en enkele iets grotere dorpen. Ook trokken er nog indianen rond, letterlijk en figuurlijk aan de rand van de maatschappij.

Dit is lang niet het eerste boek dat gewijd is aan de jacht op de koningsmoordenaars. Nog pas tien jaar geleden verscheen het succesvolle Killers of the King, geschreven door Charles Spencer, de 9e Earl Spencer, de jongere broer van Lady Di. Dat richt zich meer op de jacht op de naar Europa uitgeweken regicides en biedt een bredere, historische blik. Robert Harris daarentegen ´verpakt´ zijn verhaal als een thriller en focust op zijn twee hoofdpersonen, waardoor het naar mijn smaak een veel grotere impact heeft. Ideaal boek voor een lange avond bij de open haard, lijkt me. (Is namelijk moeilijk weg te leggen.)

Robert Harris / Regicide / Vertaald uit het Engels door Rogier van Kappel / 368 blz / Cargo, 2022

zondag 15 januari 2023

Muziek in de Sovjet-Unie

Jozef Stalin was een hartstochtelijk liefhebber van klassieke muziek. Op zich lijkt dit een positieve opmerking, maar er valt wel het een en ander op af te dingen. Jozef Stalin was namelijk bepaald geen onbevangen luisteraar. Als leider van de communistische partij, die na 1918 de absolute macht bezat in de Sovjet-Unie, verlangde hij van componisten én uitvoerenden dat zij zich zouden scharen achter de idealen van de nieuwe communistische heilstaat. Welke waren die idealen? Verheffing van het volk, ook in cultureel opzicht, was er één van. Dat betekende dat iedereen de muziek zou moeten kunnen begrijpen. Eenvoudige melodielijnen dus en, als dat mogelijk was, ook het invoegen van wat thema’s uit de populaire volksmuziek. Voor de herkenbaarheid. Daarnaast stond de verheerlijking van de arbeid van het proletariaat hoog op het to do lijstje voor componisten. Dat kon bijvoorbeeld door fabrieksgeluiden te ‘vertalen’ naar muziekinstrumenten. Het lijken eenvoudige richtlijnen, maar dat geldt alleen in technische zin. In moreel opzicht hadden veel  musici en componisten het er moeilijk mee. Waarbij de zaak nog eens werd gecompliceerd doordat Stalin, vanuit zijn hartstochtelijke liefde voor de muziek, alles op de voet volgde. Big Brother was listening, letterlijk. En een ontevreden dictator betekende dat je je leven niet zeker was.

Een van de componisten die dit overkwam was Dmitri Sjostakovitsj. De grote Russische componist van de twintigste eeuw, iemand die feilloos aanvoelde waar de grens lag tussen artistieke vrijheid en de wensen van de communisten. En langs die grens laveerde, hem soms overschreed, naar beide zijden. Julian Barnes bracht enkele jaren geleden in zijn roman over het leven van de componist, The Noise of Time, vertaald als Het tumult van de tijd (2016) op onvergetelijke wijze in beeld wat daar voor Sjostakovitsj de consequentie van was: opgepakt worden door de gevreesde veiligheidsdienst, in het beste geval uitsluitend voor een verhoor. Omdat de componist zijn gezin die onrust wilde besparen, wendde hij zich aan om tijdens het hoogtepunt van de terreur, in het voorjaar van 1937, vanaf middernacht in het trappenhuis van zijn Moskouse appartementsgebouw, aangekleed en wel, en voorzien van een koffertje, te wachten op dat moment. De ene sigaret na de andere rokend. Maar dat moment kwam gelukkig nooit.

Over deze periode schreef Michel Krielaars het boek De klank van de heilstaat. Musici in de tijd van Stalin. Krielaars was correspondent in Rusland voor NRC Handelblad, daarna Chef boeken voor dezelfde krant en tegenwoordig medewerker aan de vrijdagse boekenbijlage. Hij kent Rusland door en door, publiceerde eerder onder andere de verrukkelijke monografie Het brilletje van Tsjechov. In Klank van de heilstaat belicht hij in tien hoofdstukken de lotgevallen van even zovele componisten en musici die onder het bewind van Stalin werkzaam waren. Dmitri Sjostakovitsj heeft geen eigen hoofdstuk, we komen hem geregeld tegen in het leven van de anderen.

Sommige van die musici zijn ook buiten Rusland beroemd, zoals de pianist Sjvatoslav Richter, de componist Sergej Prokofjev en de cellist Mstislav Rostropovitsj, een van de heel weinigen die, zij het ver na Stalins dood, de Sovjet-Unie wisten te verlaten. Het aardige van dit boek is dat de meeste anderen voor niet-Russen minder bekend zijn. Ik had in ieder geval nog nooit gehoord van de componist Vsevolod Zaderatski, de jazz-zanger Vadim Kozin of de zangeres Klavdia Sjoelzjenko, die ook wel de Russische Vera Lynn  wordt genoemd. Zij debuteerde in de jaren twintig met populaire lichte muziek, het waren de jaren waarin foxtrot en tango ook in de Sovjet-Unie populair werden. Maar nadat de invloedrijke, oude Maxim Gorki in 1928 die muziek in een artikel in de Pravda afwees, verdween het al snel van het repertoire. Ook Klavdia Sjoelzjenko leek het raadzaam een andere weg in te slaan. Ze koos voor Russische volksmuziek, de liederen met de vloeiende, herkenbare melodielijnen en een ontroerend of meeslepend verhaal. Gedurende de Tweede Wereldoorlog zong ze die eindeloos voor de troepen aan front, en na de oorlog kon je jarenlang niet door een volkswijk lopen zonder ergens uit een raam haar stem te horen. 

Maar een succesverhaal als dit was voor de meeste musici onder Stalin niet weggelegd, zelfs als je toegaf en je ziel aan de duivel verkocht. Vanuit de ondoorzichtige staatsinstellingen kon het verwijt dat je te formalistisch was, of burgerlijk, of zelfs decadent zomaar worden geuit. Officieel gebaseerd op een beleid, maar in de praktijk vaak onvoorspelbaar. Stalin zelf hield het simpel: hij beluisterde iedere langspeelplaat die was opgenomen en schreef dan op de hoes ‘Goed’, ‘Middelmatig’ of ‘Rotzooi’. Hij volgde daarin trouwens niet altijd zijn eigen richtlijnen.

Krielaars stelt in dit boek meermaals de vraag die al die persoonlijke geschiedenissen overkoepelt: wat doe je als kunstenaar? Geef je toe, of plooi je je voor zover mogelijk, of voor zover je geweten dat toelaat? Ga je schipperen, dat is het juiste woord denk ik. In een van de laatste en langste stukken in dit boek belicht hij de man die vanaf 1948 secretaris-generaal was van de Componistenbond, Tichon Chrennikov (1913-2007). Die wordt gezien als handlanger van het regime, ofschoon hij zelf het tegendeel beweert. ‘Erger voorkwam’ voor zijn collega-schrijvers. Hoe het ook zij, hij is in ieder geval de ideale figuur om je die vragen eens bij te stellen.

Een musicoloog is Krielaars niet, maar hij bezit wel een grote liefde voor muziek, voor Rusland en voor mooie verhalen. Als journalist schrijft hij uitermate leesbaar, wat wordt versterkt doordat hij zijn onderzoek een persoonlijk tintje meegeeft. En de omslag van het boek is een vondst. Het is de affiche van het Leningrad Festival of the Arts 1935. Kunst wordt in de communistische heilstaat gewaardeerd, straalt het uit. Zo lang je maar in de pas liep.  

Michel Krielaars / De klank van de heilstaat. Musici in de tijd van Stalin / 368 blz / Uitgeverij Pluim, 2021

dinsdag 10 januari 2023

Over Vestdijk

Op een ochtend in januari 2020 stuurde Kees ´t Hart een mailtje aan Maarten ´t Hart – geen familie – met een vraag over een foto van Simon Vestdijk. Twee mailtjes later, aan het begin van de middag op diezelfde dag, hadden ze afgesproken een briefwisseling over de schrijver uit Doorn te beginnen. Maarten, bij wie dat idee opkwam, formuleerde het als volgt: ‘Aan Vestdijk denkende dacht ik opeens: kunnen wij niet een briefwisseling beginnen over Vestdijk? Hoe je het onderging om de allereerste Vestdijk te lezen (Rumeiland was dat in mijn geval)  en hoe je maar doorlas, jaar in, jaar uit, steeds uitkijkend naar nieuw werk, en hoe je door Vestdijk bij andere schrijvers (Faulkner!) en dichters (Emily Dickinson) uitkwam, bij Ter Braak en Du Perron, en in mijn geval ook bij allerlei componisten. Hoe je, kortom via de rode loper die Vestdijk uitrolde de letteren en de muziek ingevoerd werd.’ Afgaande op de datering – tenzij die later is gemanipuleerd – verstuurde Maarten nog diezelfde dag de eerste mail aan Kees.

Een aardig idee, en een project waar twee schrijvers op leeftijd, beide geboren in 1944, die op dat moment geen boek op stapel hadden staan hun tanden in kunnen zetten. Ze zijn vertrouwd met het oeuvre van Vestdijk - Maarten iets meer dan Kees - dus zouden ze vrij veel brieven min of meer uit de losse pols kunnen schrijven. Dat laatste blijkt gaandeweg toch wel een beetje tegen te vallen. Vooral Kees begint al vrij snel aan een best indrukwekkende inhaalrace, leest zo te zien meerdere romans van Vestdijk per week. En hij ontdekt ook Vestdijks doorwrochte essays. Dat hij er energie in moet stoppen, komt zijn brieven wel ten goede: hij graaft wat dieper, vraagt zich vaker iets af. De brieven van Maarten zijn inhoudelijk wat lichter, soms op het babbelende af, en het lijkt af en toe alsof hij zijn welbekende stokpaardjes afdraait.

Het aardige van deze bundeling is dat je als lezer een inkijkje krijgt in het oeuvre van Vestdijk, maar eveneens in de persoonlijkheid en het schrijverschap van Kees en Maarten. Zo blijkt Maarten in een ver verleden van plan geweest een biografie van Vestdijk te schrijven. Wat niet doorging, omdat hij opzag tegen het contact met Vestdijks weduwe Mieke en al die andere ´Vestdijkvrouwtjes´, zoals zijn uitgever Martin Ros ze graag noemde. En komt Kees met een doorwrochte analyse van enkele teksten van Maarten waaruit blijkt dat die als schrijver flink schatplichtig is aan Vestdijk. Dat sluipt er haast vanzelf in, zou je denken, wanneer je diens verzamelde romans (52!) meermaals leest. Ook het inkijkje dat ze elkaar geven over hun werkwijze is aardig.

Maar beklijft deze bundeling? Voor mij niet al te lang, denk ik, daarvoor oogt het teveel als een tussendoortje. Ofschoon er grappige opmerkingen worden gemaakt – ‘Harry Mulisch was een praalwagen van eigendunk’- of heel opmerkelijke. Wanneer het gaat over hun idool en de vrouwen, komen vanzelfsprekend Henriëtte van Eyk en Ans Koster voorbij. De eerste was jarenlang zijn minnares, de laatste was de vrouw met wie Vestdijk vanaf 1935 samenwoonde, die zijn hele leven regelde, en waarschijnlijk nog veel meer voor hem was. Iedereen schrijft over de relatie tussen Vestdijk en Ans, niemand kan er met zekerheid de vinger op leggen. Bij dit onderwerpje liggen de literaire biografie en de roddeljournalistiek dicht bij elkaar. Kees en Maarten stellen en passant vast dat de relatie Vestdijk-Ans Koster veel weg heeft van die tussen Wolfgang von Goethe en Christiane Vulpius. Die had ik nou niet zien aankomen…

De briefwisseling  omvat 67 brieven. Zo omstreeks brief nummer vijftig bekroop me het gevoel dat de inspiratie aan het opdrogen was. Alles wat er te zeggen viel, was wel zo’n beetje gezegd. Dat vonden de heren zelf ook en op 20 augustus, op de dag af zeven maanden na de eerste brief, schreven ze elkaar voor het laatst. 

Kees ’t Hart & Maarten ’t Hart / De toetssteen. Brieven over Vestdijk / 343 blz / Nijgh & Van Ditmar, 2021

zondag 8 januari 2023

Trump aan het woord

Dat Donald Trump met zijn presidentschap flink heeft huisgehouden in de Amerikaanse politiek mag duidelijk zijn. Dat bleek deze week weer eens bij het moeizame kiezen van een voorzitter van het Huis van Afgevaardigden. Allerlei ultraconservatieve krachten die deels al latent sluimerden zijn aan de oppervlakte verschenen, geïnspireerd of zelfs openlijk door hem aangemoedigd. Chaos heerst daardoor. Ik las de afgelopen weken een luisterboek waarin dat nog eens heel duidelijk blijkt: The Trump Tapes, van Bob Woodward. Een huiveringwekkende ervaring. 

Woodward geldt als een van de meest vooraanstaande journalisten in de Verenigde Staten. Hij vestigde zijn roem al op jonge leeftijd, in 1973, door samen met zijn collega Carl Bernstein het Watergateschandaal bloot te leggen,  waardoor Richard Nixon uiteindelijk moest aftreden. Dat vergde een knap staaltje onderzoeksjournalistiek, door hen vastgelegd in het boek All The President´s Men. In de gelijknamige verfilming uit 1974 werden zij gespeeld door Robert Redford (Woodward) en Dustin Hoffman (Bernstein). Voor Woodward is het niet bij dit ene project gebleven. Als associate editor van The Washington Post doet hij nu al een halve eeuw onderzoek naar politici en overheidsinstellingen – de CIA, het Hooggerechtshof – en publiceert daarover. Ook schreef hij over iedere president sinds Nixon minstens één boek. Zo ook over Donald Trump. 

Zijn eerste boek over Trump draagt de titel Fear. Trump in the White House (2018). Daarin schetste hij een ontluisterend beeld van de president en zijn entourage. Toen Woodward aankondigde een tweede boek te gaan schrijven, en hij Trump ditmaal vroeg om enkele interviews, stemde deze toe. En niet alleen dat, de president initieerde zelfs méér gesprekken. Vanuit de gedachte dat hij, door intensief met Woodward te praten, hem zou kunnen overtuigen van zijn gelijk. En dus een positiever boek zou krijgen. Ze spraken tussen het najaar van 2019 en de zomer van 2020 twintig keer met elkaar, op verschillende locaties  - de Oval Office in het Witte Huis, Trumps landgoed in Florida - of telefonisch. Eenmaal belde Trump hem zelfs vanuit Air Force One. Het boek verscheen in september 2020, net voor de presidentsverkiezingen die Biden zou winnen. De titel was Rage, in het Nederlands Woede

Ik las de beide boeken niet. Had het gevoel dat ik uit de media-aandacht ervoor al genoeg begreep. Maar ik werd wel heel nieuwsgierig toen Woodward onlangs aankondigde een selectie van de tapes van de gesprekken – hij had die opgenomen – als luisterboek te publiceren. Dat deed hij nooit eerder. Daarmee krijg je dan als het ware de RAW versie van het boek. Daar wilde ik wel wat uurtjes aan spenderen. Dus ik heb de afgelopen twee weken al wandelend of fietsend naar beide heren geluisterd. En dat was fascinerend en ongelooflijk treurig tegelijk.

In de eerste interviews, najaar 2019, kaart Woodward vooral de economie en de buitenlandse politiek aan. Dat zijn dan de trending thema’s in de VS. De economie is natuurlijk great onder Trump, dit in tegenstelling tot de situatie onder loser Obama. Ook het buitenlands beleid heeft onder Trump een opmerkelijke verfrissing ondergaan: ‘Putin likes me, I think, and I like him’. Ook de Noord-Koreaanse leider Kim is volgens Trumps inschatting in de kern een aardige man. Maar de Chinezen zijn boeven die de Amerikaanse industrie kwaad doen, en Mexico is ‘het nieuwe China’. Tot zover weinig nieuws onder de zon. Enger wordt het wanneer Trump ongevraagd voormalige medewerkers afvalt, hen scum noemt, uitschot. Dat overkomt zowel de directeur van de FBI als die van de CIA. Doordat zulke mannen teleurstellend presteren, is Trump gedwongen zelf voor The Lone Ranger te spelen. Welbeschouwd moet Trump eigenlijk alles in de gaten houden, is hij een soort eenmansregering. Ideeën komen ook nooit van anderen, altijd van hemzelf. Op dit soort uitlatingen reageert Woodward niet, hij kiest ervoor Trump te laten praten. ‘Dat maakt het beeld alleen maar duidelijker’, merkt hij in de verantwoording op. Intussen doet hij tussen de gesprekken door wel aan fact-checking, en meldt hij de uitkomst daarvan op de tape steeds direct na een onware bewering van Trump. Het zou grappig zijn wanneer het niet zo triest was.

Voorjaar 2020 worden de interviews scherper, zelfs grimmiger. Onderwerpen veranderen. De pandemie grijpt dan om zich heen, ook in de Verenigde Staten. Woodward is oprecht boos wanneer Trump hem zegt dat ‘downplaying the situation’ hem het beste lijkt, om paniek onder de bevolking te voorkomen. Wanneer Woodward komt met een lijst van twaalf punten waarop in zijn ogen Trump faalt in het beheersen van de pandemie, en met even zoveel aanbevelingen om het beter te organiseren, weet Trump niet anders te doen dan die punten op te schrijven om ze aan zijn ministers te kunnen geven. Een totale blamage, waarmee hij impliciet aangeeft de controle verloren te hebben. Enkele dagen later belt hij Woodward laat op de avond met de opgewekte boodschap dat alles in behandeling is. Wat niet het geval is, merkt Woodward wanneer hij de dagen erna wat contacten in het Witte Huis belt. Ook de dood van George Floyd, eind mei, kruipt in de gesprekken. Voor Trump de aanleiding om te verklaren dat hij meer dan enige president vóór hem heeft gedaan om de situatie van de gekleurde Amerikanen te verbeteren. En impeachment dreigt.

Meer dan al die op zich staande punten van discussie is het de toon van de gesprekken die je steeds meer een ongemakkelijk gevoel geeft. Trump mag dan niet de slimste zijn, en deels in een eigen fantasiewereld leven, zelfs hij lijkt in de zomer van 2020 aan te voelen dat zijn herverkiezing wel eens op een mislukking kan uitlopen. Hij gaat steeds vaker met grof geschut op ‘Sleepy Joe’ Biden vuren. Hij wantrouwt in toenemende mate iedereen: ´Dynamite behind every door, Bob´. En zijn pogingen om Woodward aan zijn zijde te krijgen, hem daarvoor laat in de avond thuis belt, gaan steeds meer op smeekbeden lijken. De president komt dan over als een autoverkoper die eindeloos herhaalt, op luide toon, hoe lekker die auto wel niet rijdt. En dat je hem móet kopen.

Woodward blijft netjes. Met zijn ervaring was het niet moeilijk geweest om Trump te laten struikelen over inconsequenties in zijn verhalen en antwoorden. Daar laat hij zich niet toe verleiden. Maar wanneer hij ontdekt dat Trump al veel eerder dan hij zelf zegt door zijn nationale veiligheidsadviseur is gewaarschuwd voor de gevolgen van de pandemie, kent hij geen genade. Het is de spreekwoordelijke druppel. Wat telefoontjes naar hooggeplaatste medewerkers in het Witte Huis en hij weet het zeker. Voor hem is het hier precies zoals bij Watergate: de president was al lang op de hoogte, maar ontkende dat stelselmatig. Voor Woodward is er dan maar één oordeel mogelijk, verwoordt in de zin waar het boek Rage mee zal eindigen: ‘Trump is volstrekt ongeschikt voor zijn functie’. 

Twee maanden voor de presidentsverkiezingen moet dat voor Trump een nare verrassing zijn geweest. Hij begon immers zo opgewekt aan de interviews, vertelde Melania dat hij goede gesprekken voerde met ‘de grootste Amerikaanse historicus van deze tijd’. Hij mocht ‘Bob’ tegen hem zeggen, terwijl het Woodward verstandiger leek zijn gespreksgenoot met ‘Mr. President’ aan te spreken. Het is op dit moment onduidelijk of Trump opnieuw een gooi zal doen naar het presidentschap. Woodward zal in dat geval waarschijnlijk niet beginnen aan nóg een boek over hem. Zijn laatste woord over Trump is  geschreven.

Bob Woodward / The Trump Tapes. Bob Woodward’s Twenty Interviews with President Donald Trump  / 11 uur en 29 minuten / Simon and Schuster, via Storytel, 2022

woensdag 4 januari 2023

Rondje Noorwegen

Op meerdere momenten in Altijd Noorwegen verzucht Gerrit Jan Zwier dat hij steeds vaker zijn herinneringen achterna reist. Dat is niet verwonderlijk, want Zwier bereist het noordelijke deel van Europa, en in het bijzonder Scandinavië, al sinds de jaren zestig. Sinds hij zich na aanzetten tot de studies geografie, biologie en culturele antropologie realiseerde dat het beroep van reisjournalist veel beter zou aansluiten bij zijn persoonlijkheid en interesses. Tientallen reisboeken en talloze artikelen later zijn er weinig plekken in Noorwegen waar geen voetstappen van de in 1947 geboren Zwier liggen. Maar die verzuchting ‘dat hij hier al eerder was’ is niet bedoeld als een klacht. Integendeel. Zwier reist namelijk niet uitsluitend om iets te zien, eigenlijk reist hij vooral om ergens te zijn. Je één te voelen met een noordelijk landschap. Degenen die ook verslingerd zijn aan wat Zwier noemt ´het noordelijk gevoel’ weten wat hij bedoelt: ‘[…] ruimte en eenzaamheid, het liefst met sneeuw en ijs, met ingetogen weidse landschappen en strenge koude eilanden’.

Altijd Noorwegen is een in 2012 verschenen bundeling van stukken die eerder verschenen in tijdschriften en voor deze gelegenheid zijn herzien en uitgebreid. Zwier bestrijkt heel Noorwegen, beginnend in het zuiden dat hij te voet en met de auto doorkruist. In Bodo, een havenstad halverwege de kust, neemt hij de boot naar de Lofoten, daarvandaan de Hurtigrute naar Kirkenes in het uiterste Noorden van Lapland, tegen de grens met Rusland. En als kers op de taart maakt hij ook een cruise naar het onherbergzame Spitsbergen, op het tegen pakijs versterkte schip Professor Molchanov.

Op de omslag van veel van zijn boeken staat Zwier zelf afgebeeld, meestal gekleed als ruige wandelaar. Daarmee ontstaat al gauw de indruk dat hij met al zijn bagage, inclusief een stormbestendig tentje, in een zware rugzak door het landschap sjouwt. Niets is minder waar. Hij wandelt geregeld, en serieus ook, en besteedt veel aandacht aan flora en fauna, maar voor de overnachtingen is hij wel gesteld op enige luxe. Een schone kamer, een fatsoenlijke maaltijd – verse zalm, rendierbiefstuk, ijstaart met kersen, rode wijn en aquavit, hij somt meer dan eens verlekkerd de menukaart op – en het liefst gelegenheid om wat te kletsen met de lokalen vormen de ideale afsluiting van de dag. 

In Noorwegen bevindt je je bijna overal op de grens van land en water. In het fjordengebied in het zuiden is die grens tegelijk lieflijk en indrukwekkend, op de Lofoten ben je op een meestal woelige open zee, en bij Spitsbergen lijken, wanneer het weer iets minder is, lucht, land, water, sneeuw en ijs met elkaar te versmelten tot één witgrijze soep. Die tocht naar Spitsbergen is met tachtig bladzijden het langste stuk in de bundel. Op het schip is plaats voor zo’n vijftig passagiers. Dat is voor een cruise natuurlijk niet veel maar toch voelt het voor Zwier, op zoek naar het noordelijk gevoel, als net iets te druk. Het noordelijk gelegen Spitsbergen was  omstreeks 1900 het ideale uitgangspunt voor de beroemde expedities naar de Noordpool. Zwier laat zich de mogelijkheid om mooie en dramatische verhalen te vertellen niet ontnemen.

In Noors Lapland onderneemt Zwier een bescheiden bedevaart. Dit is het gebied waar W.F. Hermans, als lector fysische geografie aan de Universiteit Groningen, in 1961 drie maanden veldonderzoek deed. Hij zou die ervaring gebruiken voor zijn roman Nooit meer slapen (1966). Sindsdien proberen literaire wandelaars in de zomermaanden de route van Hermans´ hoofdpersoon, Alfred Issendorf, opnieuw te lopen, maar wat blijkt: bij het volgen van de in de roman beschreven paden kom je er niet, of slechts met enorme omwegen. Hermans creëerde dus chaos, ook hierin. Voor de zekerheid wandelt Zwier de route met een lokale gids. Zo lukt het hem, net zoals hij in 1968 bij Hermans slaagde voor zijn mondeling tentamen cartografie (hoe toepasselijk!) en meteorologie.

Zwier is een ideale gids. Hij wijst je op bijzondere zaken in de natuur, hij kent de geschiedenis en cultuur van het land, is er door zijn vele eerdere bezoeken enigszins thuis en spreekt wat Noors. Zijn schrijfstijl is ter zake, gekoppeld aan een hang naar mooie verhalen, het vermogen om een sfeer heel precies te treffen en niet gespeend van enige humor. 

Gerrit Jan Zwier / Altijd Noorwegen / 270 blz / Atlas Contact, 2012 (zesde druk, 2018)