donderdag 31 augustus 2023

Het kwaad is anoniem

In 2017 debuteerde Femke Brockhus met Laat het stil zijn. Een korte roman waarin ze beschrijft hoe twee zusjes die zijn opgepakt met honderden anderen dagenlang doorbrengen in een schouwburg, in onwetendheid van wat er te gebeuren staat. Vervolgens worden ze in een trein vervoerd naar een plek ver weg, en krijgen ze een slaapplaats toegewezen in een barak, ook weer met honderden anderen. Ditmaal uitsluitend vrouwen. De leeftijd van de zusjes blijft vaag – een jaar of tien, twaalf? – evenals het waarom van de gebeurtenissen. De razzia’s en het wegvoeren van Joden naar kampen uit de Tweede Wereldoorlog is waar je onvermijdelijk aan denkt, maar Brockhus laat dit onbenoemd. De gebeurtenissen krijgen daardoor een andere geldigheid, het kwaad dat anoniem is.

De tekst is een monologue intérieur, het zijn de gedachten van de oudste van de twee meisjes, Ruth. Gesproken, in de vorm van directe rede, wordt er niet. In flashbacks denkt Ruth terug aan het gezinsleven, aan haar ouders van wie ze de huidige verblijfplaats niet kent. Aan de spelletjes die ze speelde met Carmel, haar zusje. Aan haar vader, die de laatste tijd wanneer Ruth aandrong op weggaan steeds op sussende toon zei dat ze nu nog niet aan de uittocht hoefden deel te nemen. Wat dat ook betekende.

Brockhus is spaarzaam met woorden. De tekst bestaat uit fragmenten, vrijwel nooit langer dan een bladzijde. Veel vaker zijn het blokjes van slechts enkele regels, van elkaar gescheiden door een witregel. Een fragmentarisch stijl, dat lijkt de juiste term. Een voorbeeld, het moment dat ze op een druk station een trein worden binnengeduwd: ‘Daar zie ik ze: de papiertjes. Ze vallen van schouders, glijden uit handen, of worden aarzelend losgelaten uit halfopen ramen. Witte, grijze blaadjes, dwarrelend naar beneden, als sneeuw, tussen alle benen door, landen op een bedolven grond en worden daar vertrapt en vergeten, in een kerkhof van woorden.’

De aankomst op de plek van bestemming is een van de dramatisch meest aangrijpendst momenten van de tekst. Omdat Brockhus dat wat Ruth ziet, hoort én denkt tot driemaal toe wel opschrijft maar vervolgens doorstreept. Vervangt door ‘Niets.’ In wat Ruth noemt ‘de nieuwe stad, een eigen systeem’ heerst een streng regime. Regelmatig moeten de vrouwen urenlang in de kou en regen op een betonnen ondergrond op appèl staan. Wie dat niet volhoudt en in elkaar zakt krijgt ter plekke een nekschot: ‘Ze loopt leeg tot aan de voeten van de voorste rij.’ Heel veel bondiger en beeldender kun je het niet zeggen.

Femke Brockhus / Laat het stil zijn / 158 blz / Koppernik, 2017

zondag 27 augustus 2023

Op een eilandje in de Finse Golf

Maakt het iets uit of je een roman leest in een bepaald jaargetijde? Kan het lezen ervan, bijvoorbeeld juist in de zomer of winter, iets toevoegen aan je leesplezier? Ik geloof daar niet zo in. Heb het in ieder geval nooit bewust uitgeprobeerd. Dat gezegd hebbende, is er één boek waarbij dat voor mij wél opgaat. Een beknopte roman die ik over de jaren heen al minstens tien keer heb gelezen. Steeds aan het einde van de zomer, wanneer de eerste tekenen van de herfst in de lucht hangen. Dat boek is Zomerboek of, de titel van de Engelse editie waaronder het wereldberoemd is, The Summer Book. De auteur is Tove Jansson, een Zweedstalige Finse. Het is het verhaal van de zesjarige Sophia die met haar oma en haar vader een lange zomer doorbrengt op hun piepkleine eilandje in de Finse Golf. Sophia’s moeder is overleden, het is haar oma die haar opvoedt. Of althans, dat probeert.

Tove Jansson (1914-2001) is vooral bekend als schrijfster van kinderboeken. Beroemd zijn haar Moemins, wezentjes met het karakter van Scandinavische trollen en een uiterlijk dat aan een nijlpaard doet denken. Ze bracht ze tot leven in handenvol boeken en tientallen stripverhalen. Daarnaast schreef ze enkele romans voor volwassenen, waaronder het hier besproken boek. Voor het leven op het eiland liet ze zich inspireren door haar eigen kleine eilandje in de Finse Golf, Klovaharun. In 1965 liet ze daarop een houten huisje bouwen. (Zie de foto hieronder.) Zeven jaar later verscheen The Summer Book.

Een grootmoeder-kleindochter roman, zo zou je het boek het beste kunnen karakteriseren. Sophia is zes jaar, is nieuwsgierig, ontdekt de wereld en vindt dat reuze spannend. Maar ze ontwikkelt ook een eigen wil, en vertaalt zaken nog graag naar een eigen fantasiewereld. Ze vindt het prettig om alleen te zijn, is dus gelukkig op het eiland met alleen haar vader en oma als gezelschap. Deze laatste heeft haar hele leven in deze streken gewoond, in de lange winter op het vasteland, de rest van het jaar op het eiland. Voor het eilandleven is ze Sophia’s beste vraagbaak. Maar ze is al flink op leeftijd, heeft soms last van duizelingen – maar rookt rustig door – en kan het lichamelijke en geestelijke tempo van haar kleinkind niet altijd meer bijbenen. Sophia’s vader vervult een bijrol, brengt de meeste dagen werkend aan zijn bureau door. Vaart af en toe met de gemotoriseerde sloep naar het vasteland voor boodschappen en de post.

Maanden op een eilandje. Voor een klein meisje tijd te over om alles te bekijken, te onderzoeken en te overdenken. Op sommige momenten regent het vragen, die oma naar beste kunnen beantwoordt. Het gaat daarbij niet alleen over de fysieke natuur – ijsvorming, glimwormen, het wonderlijke leven van mos en ga zo maar door – maar ook over meer ongrijpbare verschijnselen zoals de rol van God, sterven en de functie van liefde in ons leven. Alles kan besproken worden, en het is bewonderenswaardig hoe Jansson erin slaagt het niet te zwaar te laten worden, het blijft prettig licht. Dat is vooral te danken aan grootmoeder, die een wonder van vindingrijkheid blijkt te zijn. Zelfs wanneer Sophia volledig overstuur is nadat ze God om een mooie storm heeft gebeden en een orkaan de volgende dag een spoor van vernieling achterlaat op de honderden eilandjes in de Golf. En aan de ervaring van de kinderboekenschrijver, lijkt me.

Ooit kocht ik het boek op een luchthaven. De Engelse editie. Daar ben ik sindsdien bij gebleven, ofschoon er een Nederlandse vertaling beschikbaar is. Ik heb daar wel eens stukjes in gelezen, maar het leest minder soepel dan de Engelse versie. Vooral in de passages waar het gaat om de sfeer, het gevoel, om de onbenoembare dingen tussen oma en kleindochter die niet worden uitgesproken. En die cover, natuurlijk. Ook een boekomslag is een sfeerbeeld, een weerspiegeling van de inhoud. En dan is ´het echte werk´ soms te verkiezen boven een artistieke impressie daarvan. Maar dat is een kwestie van smaak.

En waarom ik dit boek steeds lees aan het eind van de zomer, net zoals nu? Misschien wordt dat getriggerd doordat de omslag van de seizoenen in het hoge noorden heftiger verloopt dan bij ons. Wanneer de kou langzaam binnendringt in Sophia’s dagen, er in de vroege ochtend alweer wat ijs op het water drijft en het in de avond al vroeg aardedonker is, wordt het eiland winterklaar gemaakt. Alles wat het drietal in staat stelde een lange zomer op hun rotsje – want meer is het niet – te wonen moet worden schoongemaakt, gedemonteerd, vastgesjord of veilig opgeborgen. Het is een vaststaand ritueel, waar ze op hun gemak enkele weken mee bezig zijn. Dat gaat gepaard met een gevoel van weemoed, een gevoel van herfst. Het gevoel van deze weken.

Vorig jaar was het vijftig jaar geleden dat The Summer Book verscheen. Alle extra aandacht die dat jubileum met zich meebracht leidde ook tot het besluit het boek te gaan verfilmen. Ter plekke, in de Finse Golf. Op zo’n leuk eilandje. Met in de rol van de grootmoeder: Glenn Close. Dat kan mooi worden.

Tove Jansson / The Summer Book / Vertaald uit het Zweeds door Thomas Teal / Met een voorwoord door Esther Freud / 172 blz / Penguin, 2003

Nederlandse editie: Zomerboek


 

dinsdag 22 augustus 2023

Rotgrond?

Ergens in de bundel Rotgrond bestaat niet heeft Gerbrand Bakker een etentje met een vriend die hem voorhoudt dat de titel misschien wat verwarrend is. Rotgrond lijkt te veel op potgrond, is een van zijn bezwaren. Maar met de hem kenmerkende Bakkeriaanse vasthoudendheid laat Bakker zich niet ompraten. Dat hij dit gesprek in de bundel opneemt lijkt erop te duiden dat die titel inderdaad een punt van discussie is geweest, niet alleen met die vriend maar vermoedelijk nog eerder met zijn uitgever. Dat hij bij zijn keuze blijft is niet verwonderlijk. Het inzicht dat ´rotgrond´ niet bestaat is voor Bakker immers een van de meest betekenisvolle die tot hem kwam in de periode dat dit boek ontstond. Het kreeg dan ook een plek in een van de langere, en sowieso mooiste teksten. 

Op het eerste oog lijkt Rotgrond bestaat niet op een grabbelton voor lezers die iets hebben met de natuur en met tuinen. Van de tuin en het huis van de Britse filmmaker Derek Jarman, op een kiezelstrand achthonderd meter van de kerncentrale van Dungeness, tot aan het Amsterdamse straatgroen, schrijver én gediplomeerd hovenier Bakker laat er zijn licht over schijnen. Bakkers eigen tuin in de Eifel, logeerhonden en de wekelijkse dertig minuten Monty Don op BBC – in het programma Gardeners' World, voor de niet-tuiniers onder ons – zijn terugkerende elementen die door de vaste lezers zullen worden herkend. Bomengoeroe Peter Wohlleben, een gewezen houtvester die in zijn publicaties verkondigt dat bomen zintuigen hebben, en zelfs een eigen brein, krijgt er van Bakker in meerdere stukken van langs. Een deel van de teksten verscheen eerder als column in Trouw, als artikel in Onze eigen tuin en Bakkers eigen weblog. 

Van Wohlleben naar bomen met een eigen twitteraccount is maar een korte stap. Al is het ook een overgang van een zweverige fantast naar serieuze wetenschappelijke instellingen, in dit geval de Universiteit Wageningen. Die onderhoudt het account van ‘de Wageningse populier’, die op 12 oktober 2017 4.081 volgers had - er zijn BN’ers die het met minder moeten doen. Een korte impressie van de nieuwsberichten. Op 4 oktober: ‘Here is today’s summary: shrunk -0.046 mm, transported 150.7 L of water at a maximum sap flow of 8.9 L/h.’ De dag erop: ‘My sap has started flowing, 40 minutes earlier than yesterday.’ Enkele weken eerder, na een zware septemberstorm: ‘The storm took many of my leaves and even branches. Also lost more water as wind causes a dry microclimate around my leaves. But I survived!

De ondertitel van de bundel verkondigt dat Bakker het zal hebben over cultuurlandschap en natuur. Dus over landschappen mét de mens en landschappen zónder de mens. En hun onderlinge relatie. Het is niet heel verwonderlijk dat de in de Wieringerwaard – een cultuurlandschap bij uitstek – opgegroeide Bakker hier met een persoonlijke statement komt: ‘Wat is er mooier dan een cultuurhistorisch landschap? Je bent er buiten, er is heel veel lucht, vaak water, er zijn bomen en struiken, er zijn dieren. Als het je lukt de strenge definitie van natuur te vergeten (daar waar natuur is, behoren geen mensen (geweest) te zijn), zal het ook wel lukken cultuurlandschap als natuur te ervaren. Maar dan natuur met een extra element, alles gratis en voor niets: de geschiedenis. In de natuur, de échte ongerepte wildernis, valt met de beste wil van de wereld geen geschiedenis te reconstrueren. De natuur is. Het cultuurlandschap is gemaakt.’ Om even verder het cultuurhistorisch landschap te benoemen tot ‘natuur XL’.

Tja, en dan die 'rotgrond'. Een term die door Bakker als hovenier en tuinier in het dagelijks gebruik vaak in de mond werd genomen. Maar niet meer sinds hij zich tijdens een vakantie in het kokend hete Griekenland realiseerde dat olijfbomen zich al sinds mensenheugenis weten te redden in een kurkdroge bodem die ze nauwelijks water en voeding biedt. Ze passen zich gewoon aan, het is niet anders. Het begrip rotgrond kennen ze niet.

Gerbrand Bakker / Rotgrond bestaat niet. Over cultuurlandschap en natuur / 208 blz / Cossee, 2018

zondag 20 augustus 2023

De filosoof op zijn eiland

Cees Nooteboom, die enkele weken geleden negentig jaar werd, is een reiziger. Altijd geweest. Verreweg het grootste deel van zijn werkzame leven heeft hij doorgebracht op plekken in de wereld die iets bij hem losmaakten, of dat nu een stad was als Berlijn of het ruige en hete Spaanse binnenland. ´Wonen´ doet hij op twee plekken: aan een grachtje in Amsterdam en op Menorca, het eiland dat samen met Mallorca en Ibiza de Balearen vormt. Minder toeristisch dan haar zuster-eilanden, heeft het ook meer van haar traditionele cultuur bewaard. Nooteboom en zijn echtgenote, de fotograaf Simone Sassen, hebben er sinds 1965 een grote tuin met daarin een klein traditioneel huis en een studio waar hij kan schrijven. Ze brengen er ieder jaar de – lange - zomer door. 

Eind november vorig jaar was die thuishaven voor iedereen te zien in een van de laatste afleveringen van het helaas al verdwenen VPRO-boekenprogramma Brommer op zee. Presentator Wilfried de Jong sprak er met de schrijver, met als resultaat een heel sfeervolle, verstilde en welhaast poëtische reportage waarin met weinig woorden en veelzeggende beelden een helder portret van Nooteboom ontstond. Die aflevering, waaruit de foto hieronder is genomen, is via NPO-start nog steeds te zien. Een aanrader.

Menorca is voor Nooteboom een plek van bezinning. Hij beleeft zijn directe omgeving intens, met name zijn tuin is voor hem een soort van microkosmos waarvan hij de diepere zin probeert te doorgronden. Zijn vele zelf geplante palmen en cactussen zijn voor hem levende wezens. Hij speelt tegenwoordig zelf niet meer de tuinman, maar kijkt gebiologeerd toe wanneer zijn vaste tuinman langskomt voor herstelwerk na een storm of het behandelen van een zieke plant. In de avond, bij helder weer, ‘wandelt’ hij zittend in een gerieflijke stoel door de sterrenhemel, feilloos zijn weg daarin vindend. Het grote zien in het kleine, en het universum als één samenhangend geheel.

Maar hij is, ook op hoge leeftijd, nog steeds een publicerend schrijver. En zijn uitgever herdrukt, doet nieuwe bundelingen van Nootebooms poëzie verschijnen en kondigt voor begin september het eerste deel van de ‘Dagboeken’ aan. Ik ben heel benieuwd. 

Zijn mooiste publicatie van de laatste jaren, evenwel, is voor mij 533. Een dagenboek. Het is een kleine, handzame bundeling die, de titel zegt het al, gedurende 533 dagen ontstond. Herinneringen uit zijn schrijversleven komen erin naar boven, contacten met bevriende collega’s en passages uit gelezen teksten die hij zich herinnert. Hij leest trouwens nog heel veel. En herleest. Moet dan denken aan Harry Mulisch, die ooit aan hem vroeg: ‘Wie leest er nu nog Slauerhoff, Cees?’ Waarop hij antwoordde: ‘Ik, Harry’. Max Frisch, Bertold Brecht, Borges, de antieken, dat zijn wat van de namen die passeren. En ook zijn eigen schrijverschap komt aan bod. Bijvoorbeeld hoe hij begin jaren zestig, bescheiden want auteur van een nog bescheiden oeuvre, zich wat verloren voelde te midden van het geweld waarmee de toenmalige ‘groten’ – Reve, Hermans, Wolkers – op de trom sloegen. Nu is hij zelf een ‘grote’, niet alleen in Nederland maar ook internationaal. En bouwt, in een tempo dat hoort bij zijn leeftijd, in alle rust verder aan zijn oeuvre. 

Cees Nooteboom / 533. Een dagenboek / 266 blz / De Bezige Bij, 2016

woensdag 16 augustus 2023

Nestvlieders

Nestvlieders zijn vogels die bij hun geboorte al beschikken over een bescherming tegen kou in de vorm van donsveren, daarnaast kunnen ze zien én lopen. Dat maakt hen, in tegenstelling tot de ´nestblijvers´ die dat allemaal niet hebben, wellicht wat avontuurlijk van aard. Ze gaan al snel op stap, de wereld verkennen. De hoofdpersonen in de vier verhalen in deze bundel hebben ook allemaal iets van een nestvlieder: ze zijn jong, ze proberen zich te redden als een zelfstandig mens en ze verkeren in een wereld die vol risico’s is. En eigenlijk gaat dat ook op voor de auteur, Merijn de Boer. Nestvlieders was in 2011 zijn - opvallende - debuut.

De bundel bevat twee korte verhalen en twee langere. In het eerste korte verhaal, getiteld ‘Overal leegte’, raakt een werkeloze juriste die een appartement bewoont in een groot complex waarvan het overgrote deel leegstaat, betrokken bij de letterlijk ‘clowneske’ eigenaardigheden van een mannelijke medebewoner. In het tweede korte verhaal, ‘Kraaien in de schoorsteen’, beschrijft De Boer hoe een jonge man een bezoek aflegt aan zijn moeder, die in haar eentje een groot huis in een bosachtige omgeving bewoont. Een afwezige kat, de lieveling van de jongen, beheerst zijn gedachten. 

In het eerste lange verhaal reist de hoofdpersoon, Balthasar Tak, naar een exotische locatie om daar een baantje in de keuken aan te nemen. Omdat hij heel onhandig blijkt te zijn, wordt hij in de tuinen tewerkgesteld. Hij bewatert de godganse dag de gazons en planten. In het tweede lange verhaal, ‘Luchtkasteel’, reist een jonge vrouw na een noodkreet van een goede vriend te hebben ontvangen naar Parijs. Om daar te ontdekken dat die vriend in een schijnwereld leeft, het zicht op de werkelijkheid is verloren.

Duidelijke, om niet te zeggen stevige verhaallijnen. De korte verhalen zijn voor mijn gevoel sterker, het eerste door de absurde kantjes die verrassen en het tweede door de weemoedige sfeer die De Boer knap, met weinig woorden, weet op te roepen. Bij het lezen van de twee lange verhalen kreeg ik het gevoel dat het allemaal te bedacht is. En daarbij heel duidelijk af en toe ‘geleend’. Zo verandert Balthasar Tak tijdens het uitoefenen van zijn werk langzaamaan in een levensgroot insect! Maar de beklemming die beide lange verhalen doordesemt is mooi opgebouwd.

Merijn de Boer / Nestvlieders. Verhalen / 192 blz / Meulenhoff, 2011

zondag 13 augustus 2023

De kapperszoon

Tenerife. Het woord zal voor de meesten van ons twee associaties oproepen: een mooie vakantiebestemming en de vliegramp van 27 maart 1977. Die vliegramp staat qua slachtoffers te boek als de grootste uit de geschiedenis van de luchtvaart. Plaats van handeling was het vliegveld Los Rodeos. Daar was het die dag in maart extreem druk, omdat meerdere internationale vluchten met als bestemming Las Palmas de Gran Canaria vanwege een bommelding aldaar gedwongen waren uit te wijken naar het honderd kilometer verderop gelegen Tenerife. Toen het vliegveld op Gran Canaria na urenlang wachten eindelijk werd vrijgegeven, wilden de piloten natuurlijk zo snel mogelijk vertrekken. Een van de toestellen, de Boeing 747 ‘De Rijn’ van de KLM, denderde in dichte mist op vol vermogen over de startbaan en raakte daarbij de taxiënde ‘Clipper Victor’ van Pan Am, eveneens een 747, in de flank. 583 passagiers en bemanningsleden verloren het leven, slechts 61 inzittenden overleefden de crash, alle in het Amerikaanse toestel. Onderzoek wees uit dat mist, miscommunicatie en misschien ook ongeduld het ongeluk veroorzaakten.

Geen van de passagiers in het KLM-toestel overleefde dus de ramp. Maar..... was dit wel zo? Weten we dit wel zeker? In Gerbrand Bakkers betoverend mooie roman De kapperszoon is dat de vraag waaromheen de vertelling is opgebouwd. Het is zo’n verhaal waarover je eigenlijk niets zinvols of begrijpelijks kan melden zonder te veel van de plot prijs te geven, maar ik ga een poging wagen.

Simon is herenkapper in de Amsterdamse Jordaan. Op de winkelruit staat in grote letters de naam, CHEZ JEAN. Die naam heeft de zaak sinds de jaren zeventig, daarvoor stond er BARBIER JAN, naar Simons opa, ook kapper. De inrichting van de zaak, met ouderwetse reclameschilden en een ruime keuze uit traditionele reuk- en haarwaters, wijst op een klassieke aanpak. Simon bewoont de twee verdiepingen boven de kapperszaak, alles afbetaald en zijn eigendom. Dat maakt het mogelijk het rustig aan te doen, een handvol klanten per dag houdt de zaak wat hem betreft wel draaiende. Die kalmte is volgens Simons moeder een karaktertrek, ze noemt hem indolent. Simon is midden-veertig. Om precies te zijn is hij van 4 september 1977.

Zijn vader heeft Simon nooit gekend. Die zat, zonder dat zijn zwangere vrouw het wist, in het toestel van de KLM dat op Tenerife neerstortte. Waarom hij een ticket voor die vlucht had geboekt is onbekend, Simon en zijn moeder vragen zich dat na al die jaren ook niet meer af. Maar het feit dat zijn stoffelijk overschot nooit is geïdentificeerd, houdt de mogelijkheid van een ander, ongelooflijk scenario tóch op een kier.  

Simon valt op mannen. In zijn slaapkamer hangen boven zijn bed zorgvuldig ingelijste posters van de zwemkampioenen Aleksandr Popov, Matt Biondi en Mark Spitz, zijn helden. Ooit hoopte hij ook die status te bereiken. Door dat zwemmen ziet hij er nog goed uit voor zijn leeftijd.  Een enkele keer neemt hij een klant met wie het klikt mee naar boven. Dat hij met die voorliefde voor mannen misschien een zoon van zijn vader is, weet hij niet. Tot hij van zijn opa het familiegeheim verneemt: zijn vader zat niet alleen in het vliegtuig, hij was in het gezelschap van de toenmalige stagiair van CHEZ JEAN. Dat zet bij Simon een knop om, vanaf dat moment duikt hij in het dossier Tenerife.  

De Kapperszoon is Gerbrand Bakkers eerste roman in twaalf jaar. Na het enorme succes van zijn romans Perenbomen bloeien wit (1999), Boven is het stil (2006 en Juni (2009), die prijzen wonnen en in meer dan twintig talen werden vertaald, besloot hij tot een break. Terugkijkend op de jaren achter hem realiseerde hij zich dat het hem langzaam te veel was geworden. Hij genoot er ook niet meer van. In plaats van romans schreef hij vanaf 2016 autobiografische schetsen, die werden uitgegeven in de reeks privé-domein. In de eerste daarvan, Jasper en zijn knecht, schreef hij: ‘Een ander punt is dat ik niet gevoelig ben voor lof. Mijn borst zwelt niet als mensen zeggen dat ze mijn werk zo geweldig vinden. Ik heb er niets aan, het voedt me niet, het geeft me niet de energie die misschien nodig is om door te gaan. De conclusie is eenvoudig: Als ik nog eens een roman ga schrijven, doe ik dat voor mezelf.’ Bij deze heeft hij die belofte aan zichzelf ingevuld. 

En waarom noemde ik deze roman hierboven ‘betoverend mooi’? Omdat Bakker erin slaagt de realiteit van alledag zonder opsmuk weer te geven, maar tegelijk de dromen van zijn hoofdpersonen voelbaar weet te maken. Dat geldt voor Simon, maar ook voor zijn vader Cornelis, kapper te Amsterdam, die zijn naam veranderde in Carlos. Dat Bakker die twee werelden geloofwaardig laat samenkomen, in een open einde, tekent zijn vakmanschap.

Gerbrand Bakker / De kapperszoon / 303 blz / Cossee, 2022

vrijdag 11 augustus 2023

Moeder, na vader

Drie jaar geleden, in Knecht, alleen, het tweede deel van zijn ontboezemingen in de reeks privé-domein, schreef Gerbrand Bakker: ‘Twee jaar geleden begon ik aan iets wat een tweede Privé-domeindeel had kunnen worden. Ik hield er na een paar maanden mee op. Ik ontdekte dat ik niet zomaar een dagboek kon bijhouden, dat sloeg nergens op. Ook voor een Privé-domeindeel heb je een kapstok, noem het voor mijn part een thema, nodig. Op de een of andere manier is een rode draad belangrijk.’ Die kapstok vond hij uiteindelijk in het ziekbed en het overlijden van zijn hoogbejaarde vader, en wat dat met zijn 86-jarige moeder deed.

Bakkers vader stapte eind mei 2021 met hevige rugpijn uit een droge sloot op zijn erf in de Wieringerwaard. Dat was het begin van een proces van eerst vooral lichamelijke en vervolgens geestelijke aftakeling dat tweeënhalve maand duurde. Hij werd verzorgd door de kinderen, daarna kwamen zorgmedewerkers in beeld. Bakker en zijn partner Marcel, die een groot deel van de tijd in hun huis in de Eifel wonen, kwamen zoveel als mogelijk langs, of bleven wat dagen achtereen logeren. Om de anderen even wat lucht te geven en zijn moeder wat afleiding. Bakker schrijft wonderlijk mooi over die dagen, waarin als vanzelf ook herinneringen aan zijn vader boven komen drijven. Pas lang achteraf realiseert hij zich het bijzondere van veel momenten. Moeder wordt na het overlijden van haar man gaandeweg wat vergeetachtig, roept regelmatig dat het van haar allemaal niet meer hoeft. ‘Voortsukkelen’ is een toepasselijke term.

Naast het wel en wee van vader en moeder wordt het leven van alledag door Bakker beschreven en becommentarieerd op de wijze die we kennen uit de eerdere delen. De ´depressies´ die we geen depressies mogen noemen zijn zo goed als voorbij. Er is een man in het leven van Bakker gekomen, hij noemt hem M., wat staat voor Marcel. En er is weer een hond. Zouden alleen die laatste twee aspecten meetellen voor een meting, dan mocht je hem wellicht ´gelukkig´ noemen. Maar zo eenvoudig steekt het leven niet in elkaar, er is een veelheid aan dingen die op een mens afkomen. Zoals de ontvangst van nieuw werk. Haalt het een longlist of wellicht shortlist? En wat vinden de critici? Voor De Kapperszoon, Bakkers  eerste roman in twaalf jaar, vielen de meeste recensenten. Dat had hij gehoopt, maar niet verwacht. Toch een beetje gelukkig?

Gerbrand Bakker / Moeder, na vader / privé-domein, nr. 324 / 336 blz / De Arbeiderspers, 2023

woensdag 9 augustus 2023

De affaire Dreyfus

In de laatste jaren van de negentiende eeuw werd de Franse samenleving verscheurd door een militair schandaal, dat uitliep op een politiek schandaal: de affaire Dreyfus. Kapitein Alfred Dreyfus, officier in het Franse leger, werd eind 1894 gearresteerd op beschuldiging van spionage voor Duitsland. Het bewijs leek niet bepaald bikkelhard, maar tijdens een proces achter gesloten deuren veroordeelde een militaire krijgsraad hem tot een levenslange verbanning naar de strafkolonie Duivelseiland, een kaal, rotsachtig eiland voor de kust van Frans Guyana. Hij zou daar de enige gevangene zijn. Dat Dreyfus van Joodse afkomst was speelde in dit proces een rol, het antisemitisme tierde in het Frankrijk van die dagen welig. Begin januari 1895 werd Dreyfus  gedegradeerd, in het openbaar, op de binnenplaats van de Ecole Militaire in Parijs: zijn insignes werden hem afgenomen, zijn zwaard werd doormidden gebroken. De kranten brachten het verslag de volgende dag op sensationele toon, het publiek smulde. De legertop kon, tevreden over haar kordate optreden, achterover leunen. De minister van Oorlog profileerde zich als de held die een Duits-Joodse samenzwering tegen Frankrijk had verijdeld.

Ongeveer een jaar na deze gebeurtenissen ontdekte het nieuw aangestelde hoofd van de militaire inlichtingendienst, Georges Picquart, dat enkele bewijzen die een rol hadden gespeeld in de veroordeling van Dreyfus mogelijk vervalst waren. Toen hij op die bevindingen van zijn medewerkers slechts een lauwe reactie kreeg, en zijn superieuren het hem vervolgens afraadden nog verder te graven, zette hij zijn onderzoek zelf voort zonder hen in te lichten. Het werd zijn persoonlijke missie. Het ging hem zowel om het onrecht dat Dreyfus was aangedaan als om de eer van het Franse leger die dreigde te worden besmeurd.

De Dreyfusaffaire is een geschiedenis die al vaak is verteld. Maar Robert Harris weet, door in de huid van Picquart te kruipen en diens speurtocht meesterlijk te doseren, een bij tijd en wijle bloedstollende spanning te creëren. Harris’ tekening van de generaals van de generale staf, oudere mannen die gepokt en gemazeld zijn in het politieke machtsspel en de veel jongere inlichtingenchef onder druk zetten, is heel overtuigend. Ook wanneer zij, nadat Emile Zola hen in zijn beroemde open brief J’accuse …! aan de schandpaal had genageld en de publieke opinie en de pers aan zijn zijde kreeg, moesten vechten, tegen beter weten in, voor hun carrière, voor hun reputatie. Tevergeefs.

Jeroen Tjepkema, die van het NOS Journaal, leest het boek voor. Dat doet hij precies goed.

Robert Harris / De officier / Vertaald uit het Engels door Paul Witte / luisterboek, voorgelezen door Jeroen Tjepkema / 14 uur en 8 minuten / Cargo, via Storytel

maandag 7 augustus 2023

Knecht, alleen

Je bent als lezer nog geen tien of vijftien bladzijden ver in Knecht, alleen of een heel scala aan rotgevoelens is je al gepasseerd. Dat wat iedereen een depressie noemt, maar dat van Gerbrand Bakker zo niet mag heten, omdat een depressie gelijk staat aan de totale leegheid, een onvermogen om gevoelens te hebben. Wanneer je nog kan huilen, of rouwen, heb je gevoelens en ben je dus niet depressief. Van het een komt ook het ander. Dus je slecht voelen kan betekenen dat je daardoor seksueel tot weinig meer in staat bent, of daar sowieso helemaal geen zin in hebt. Bakker – want dat is de ‘patiënt’ - verkeert in de gelukkige omstandigheid dat hij niet te beschroomd is om specialistische hulp in te roepen. Dus de therapeut, de seksuoloog en hun collega’s komen ook voorbij. Goh, hoor ik u denken, vraag je je dan niet af of het wel leuk is om door te lezen? Het antwoord is dat ik me dat niet hoef af te vragen. Bakker is een meester in het beschrijven van het leven zoals het is. In goede tijden én in slechte tijden. Dus wanneer hij zielsgelukkig en gedachteloos klusjes uitvoert in zijn grote tuin, maar ook wanneer hij zich in totale eenzaamheid afvraagt wat de zin is van het leven. De reeks privé-domein is voor een boek als dit bij uitstek geschikt. In 2017 maakte Bakker ons voor het eerst in dit concept deelgenoot van zijn particuliere leven, in Jasper en zijn knecht. En nu, na de dood van zijn hond Jasper, doet hij dat opnieuw.

De ‘depressie’ staat ditmaal centraal. Maar daarnaast zijn er genoeg gelegenheden en momenten waarbij Bakker zich aan het rotgevoel weet te onttrekken en kan genieten. Zo leest hij al voor de vierde keer Het Bureau van J.J. Voskuil. Die reeks staat in zijn boekenkast in zijn huis in Schwarzbach, een gehucht in de Eifel. Voor hem is dat het mooiste boek ooit geschreven in de Nederlandse taal: ‘Ik heb het nodig nu: Voskuil als troostlezen, een bekende en veilige wereld waarnaar ik elke avond kan terugkeren. Boeken die feitelijk nergens over gaan maar o zo mooi zijn, en zo mooi kaal geschreven. Met humor ook.’ En: ‘Aangenaam aan Voskuil is dat hij het woord “gedeprimeerd” gebruikt en niet depressief.’

Knecht, alleen is geen dagboek in de enge zin ervan. Het is dat slechts deels. Het bevat daarnaast teksten die Bakker schreef voor zijn weblog, een enkele lezing, interviews en wat losse stukken voor speciale uitgaven. Bakker kan heerlijk eerlijk zijn. Zo was het zijn droom om nog eens een deel in de reeks privé-domein te verzorgen. Dus stapte hij op de uitgever af en wist die te overreden. Dat werd Jasper en zijn knecht. Een succes, dus een vervolg? Daarover: ‘Twee jaar geleden begon ik aan iets wat een tweede Privé-domeindeel had kunnen worden. Ik hield er na een paar maanden mee op. Ik ontdekte dat ik niet zomaar een dagboek kon bijhouden, dat sloeg nergens op. Ook voor een Privé-domeindeel heb je een kapstok, noem het voor mijn part een thema, nodig. Op de een of andere manier is een rode draad belangrijk.’

Sindsdien heeft Bakker al tweemaal een ‘rode draad’ gevonden. Zijn geestelijke gezondheid in dit boek en het overlijden van zijn vader en het ouder worden van zijn moeder in het inmiddels verschenen Moeder, na vader. Ga zo door, zou ik zeggen.

Gerbrand Bakker / Knecht, alleen / privé-domein, nr. 309 / 287 blz / De Arbeiderspers, 2020

zondag 6 augustus 2023

Met een giraffe van Marseille naar Parijs

Het moet voor veel Fransen die langs de route Marseille – Parijs wonen even slikken zijn geweest, in de weken tussen 20 mei en eind juni 1827. In die periode trekt namelijk een kleine maar opmerkelijke karavaan te voet van de kust van de Middellandse Zee naar de hoofdstad. Ze wordt aangevoerd door een zoöloog op leeftijd, Etienne Geoffroy Saint-Hilaire, de directeur van de Koninklijke tuinen en menagerie in Parijs. Hij verkeert in gezelschap van een jonge Soedanees, Atir, voormalig slaaf en op deze reis dierenverzorger.  Daarnaast is er nog een tweede oppasser, een Egyptenaar. En op veel trajecten worden ze voorafgegaan door lokale gendarmes te paard, die al te nieuwsgierig volk op afstand moeten houden. Op sommige plekken, vooral bij grotere steden, is dat geen overbodige luxe want de emoties dreigen meer dan eens op te lopen. Het hart van de karavaan is namelijk een uit de kluiten gewassen jonge giraffe. Een dier dat niemand in Frankrijk tot dan ooit in het echt heeft gezien, een dier ook waarvan niemand precies begrijpt, zelfs Saint-Hilaire niet, waarom het eruit ziet zoals het eruit ziet.

Zarafa, de giraffe, is een diplomatiek geschenk van de pasja van Egypte aan de Franse koning, Karel X. Dat dit geschenk in goede gezondheid in Parijs zal arriveren is dan ook van groot belang. Vandaar de oppassers die gewend zijn voor giraffes te zorgen, en vandaar ook de hooggeplaatste ambtenaar die de eindverantwoordelijkheid heeft. Gouverneurs van departementen en burgemeesters langs de route zijn geïnformeerd over het transport, van hen wordt verwacht dat ze een ongehinderde en veilige doortocht mogelijk maken.

Agnita de Ranitz, een Nederlandse die al lange tijd in Frankrijk woont, vertelt met Kom Atir, kom een kleurrijk verhaal. De couleur locale is daarbij niet onbelangrijk. Het imposante, nog grotendeels lege Franse landschap uit het begin van de negentiende eeuw, de verspreid liggende dorpen en stadjes die ieder weer een wereld op zich vormen, de gewichtig doende lokale notabelen en de verraste reacties van de bevolking, bij elkaar ontstaat er een sfeer waardoor je ongewild wordt meegesleept. In dat opzicht heeft het iets weg van het hedendaagse kijken naar de reportages  van de Tour de France: gaat het niet vooral om het landschap? 

Ik hou van dit soort boeken, vederlicht en heerlijk amusant. Voor tussendoor. Leesplezier, heet dat. Dat De Ranitz wat minder sterk is op het punt van de interactie, de dialogen tussen haar personages soms wat houterig overkomen, zij haar in dit geval vergeven. Een plusje noteer ik voor de smaakvolle vormgeving van het boek, en het juweel van een omslag. En voor de verantwoording, waarin ze keurig haar bronnen presenteert.

Twee jaar na verschijnen van Kom Atir, kom en net vóór de Vermeertentoonstelling organiseerde het Rijksmuseum een mooie tentoonstelling over Clara, het nijlpaard dat in 1740 door een kapitein van de VOC van Bengalen naar Amsterdam werd verscheept, en waar hij vervolgens jarenlang Europa mee rondtrok. Een kermisattractie, kijken tegen betaling. De Ranitz, vermoedelijk enthousiast geworden door het succes van haar eersteling, wijdde ook aan Clara een documentaire roman. Die is niet onaardig om te lezen, maar de spontaniteit van haar eerste boek ontbreekt daarin voor mijn gevoel. Bovendien heeft ze, wellicht om de wat monotone herhaling van het steeds weer tentoonstellen te doorbreken, een liefdesgeschiedenis door het verhaal geweven: de VOC-kapitein wordt verliefd op een mooie Groningse adellijke dame, de vrouw van wie hij de nog jonge Clara ooit kocht in Bengalen – toen zij nog de echtgenote was van de lokale gouverneur van de VOC. Dat mag een speelse toevoeging zijn, maar overtuigt mij niet.

En voor wie het allemaal eens zelf wil beleven? De route van de giraffe volgen? Daarvoor heeft De Ranitz inmiddels een tour opgezet, genaamd In de voetsporen van Zarafa. Je reist dan, met de auto, langs de wegen die Zarafa aflegde, logeert in chambres d’hôtes van voornamelijk Nederlanders en Vlamingen en treft bij de avondmaaltijd misschien wel gelijkgestemden. Een mooi initiatief, maar ik betwijfel of Napoleon Bonaparte, met zijn befaamde Route Napoleon, het straks moet afleggen tegen een giraffe.

Agnita de Ranitz / Kom Atir, kom / 348 blz / Uitgeverij De Brouwerij, 2020

Agnita de Ranitz / Clara. De eerste neushoorn in Nederland / 250 blz / Uitgeverij De Brouwerij, 2022