woensdag 31 januari 2018

Vondel over zichzelf

Joost van den Vondel kan niet klagen over een gebrek aan biografen. Al tijdens de laatste jaren van zijn leven liep er een achter hem aan: zijn vriend Geraardt Brandt. Die publiceerde in 1677 een biografie van Pieter Cornelisz. Hooft en zette zich vervolgens aan de klus om de oude Vondel zoveel mogelijk informatie over zijn leven te ontlokken. Die biografie zou drie jaar na het overlijden van de dichter in 1679 verschijnen en is altijd een soort van oertekst gebleven waarop latere biografen zich baseerden. Zelfs Piet Calis, de auteur van de meest recente levensbeschrijving uit 2008, maakte dankbaar gebruik van Brandts tekst. Maar nu is er dan eindelijk de autobiografie, door de meester zélf geschreven. In Ik, Vondel. Aantekeningen uit de laatste jaren van mijn leven laat Hans Croiset de bejaarde dichter zelf aan het woord. Ofschoon het een roman is, en de stem van Vondel dus uit het hoofd van de auteur komt, is de illusie dat Vondel zelf tot je spreekt verdomd overtuigend.

Hans Croiset is een kenner van het leven en werk van Vondel. Als regisseur bracht hij meerdere van diens toneelstukken op de planken, te beginnen met een legendarische opvoering van Lucifer bij het Publiekstheater in 1979. Daarna volgden  nog de Gijsbrecht van Aemstel bij het Nationaal Toneel en Jozef in Egypte bij Het Toneel Speelt. Dat beeldend vermogen waarover Croiset als goede regisseur beschikt komt ook Ik, Vondel ten goede. Scènes waarin meerdere personages voorkomen worden door Croiset benut om er in dramatisch opzicht alles uit te halen. Die taferelen komen tot leven, zie je zo voor je. En tussendoor schuifelt de oude dichter door het leven, met een geest die – zeker in het begin – nog lenig is en in staat tot een rake analyse van personen en situaties.

Bij Croiset is Vondel niet alleen een oude man, maar ook een eenzame. De roman opent met de dichter die waakt bij het sterfbed van zijn dochter Anna, de laatste van zijn kinderen die nog in leven was. Na haar dood schrijft hij: ‘Nu ben ik echt alleen. Ik heb daar lang over gedaan, meer dan achtentachtig jaar: zelfs van mijn kleinkinderen zijn er maar weinig over.’

Tijdens de kerkdienst voorafgaand aan de graflegging van Anna dwalen zijn gedachten af: ‘Knielen, buigen, ik wil het niet meer. Mijn kinderen zijn mij afgenomen, een voor een, wie moet ik daarvoor danken? De afgelopen maanden heb ik het zo min mogelijk over mijn twijfels gehad, om Anna op haar ziekbed niet te kwetsen. Het zou een te grote schok zijn geweest haar vader te zien afglijden. Ongodist op eigen erf.’ Zijn geloof, het katholicisme waartoe hij omstreeks 1640 was overgegaan, zegt hem steeds minder. Hij ziet dan ook af van zijn dagelijkse gang naar de kerk, vroeg in de ochtend. Nog een houvast dat verdwijnt. Hij is op zichzelf teruggeworpen. Voor een autobiografie – als je het positief wil bekijken – een ideaal uitgangspunt.

De laatste jaren van Vondels leven spelen zich voornamelijk af in zijn studeer- annex slaapkamer in zijn eigen huis, waar zijn enige overgebleven kleinzoon Joost – een schoenlapper – en de meid Aeltje bij hem inwonen. Zijn nicht Agnes Block houdt een oogje in het zeil. Vondel laat al het onnodige verwijderen uit de kamer. Het in deze monnikachtige cel dat Geraart Brandt regelmatig langskomt, de man die zichzelf heeft benoemd tot Vondels biograaf. Omdat Vondel hem niet helemaal vertrouwt, besluit hij om ook zelf zijn leven op schrift te stellen: ‘Het aanleggen van een boek met aantekeningen en met belevenissen uit mijn dagelijks leven. En uit mijn voorbije tijd. Een werkboek, een anti-Brandtboek.’ Dat is deze als autobiografie vermomde roman.

Wat volgt is een fascinerende inkijk in Vondels leven. Hij noteert wat hij in het heden meemaakt, maar kijkt ook terug op gebeurtenissen uit zijn lange leven. Een stoet van bekende en minder bekende personen komt voorbij. Als ik daar één gebeurtenis uit moet kiezen, is dat wel het concert in de Oude Kerk in Amsterdam waarvoor collega-dichter Constantijn Huygens hem uitnodigde.

Op een dag in het jaar 1676 krijgt de bijna negentigjarige Vondel de bijna tachtigjarige Huygens op bezoek. Deze laatste komt langs om Vondel uit te nodigen voor het bijwonen van een concert dat ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag door zijn kinderen wordt georganiseerd in de Amsterdamse Oude Kerk. Het onderhoud tussen de gemakkelijk voortbabbelende Huygens en de afwachtende, voorzichtige Vondel is een juweeltje van schrijfkunst. De muziek die tijdens het concert zal worden uitgevoerd is van Claudio Monteverdi. Het zijn de Vespro della Beate Vergine, meestal de Mariavespers genoemd, die Constantijn Huygens een kleine zestig jaar eerder als jonge man had gehoord in Venetië, gedirigeerd door Monteverdi zelf. Katholieke muziek, in een katholieke kerk. De twijfelende katholiek Vondel twijfelt, maar gaat uiteindelijk toch. Om ter plekke te ervaren dat: ‘Het begrip schoonheid was er niet op van toepassing, het was een compositie uit een wereld waar onbekende wetten heersten. […] Weerloos werd ik ondergedompeld in een bad vol liefde en aanbidding. Ik besloot mijn verzet op te geven en me voor de duur van het muziekstuk als een trouwe volgeling van de kerk van Rome te beschouwen.’ In werkelijkheid heeft dit concert nooit plaatsgevonden, maar het is de toneelregisseur Croiset die je weet mee te slepen. Je zou willen dat het wél zo had plaatsgevonden.

Ik, Vondel is voor mij een waardige toevoeging aan de lange reeks van biografieën van de dichter die sinds de tekst van Brandt zijn verschenen. Misschien is het in zekere zin ook wel de mooiste beschrijving van Vondels leven, omdat de verbeelding de boventoon voert.

Hans Croiset
Ik, Vondel. Aantekeningen uit de laatste jaren van mijn leven
288 blz
Cossee

donderdag 25 januari 2018

Met Napoleon naar Rusland

De campagne van Napoleon Bonaparte naar Rusland in 1812 is een van de bekendste veldtochten in de geschiedenis. De voorgenomen aanval op het immense Russische rijk vormde voor hem de bekroning van zijn ambities als heerser. Op die ambities stond sinds zijn kroning tot keizer in 1804 geen limiet meer. Het verhaal van de Russische veldtocht is al vaak verteld. De dramatische afloop, waarbij slechts een klein deel van de honderdduizenden manschappen erin slaagde levend terug te keren, spreekt tot de verbeelding. Maar nog niet eerder was beschreven hoe het de Nederlandse soldaten tijdens die veldtocht was vergaan. Bart Funnekotter, historicus, redacteur van NRC Handelsblad én nazaat van een van die soldaten, doet dat nu in De hel van 1812. Nederlanders met Napoleon op veldtocht naar Rusland.

Waarom besloot Napoleon eigenlijk om Rusland aan te vallen? Zelf noemde de Franse keizer als belangrijkste reden het feit dat Rusland zich niet hield aan het Verdrag van Tilsit dat Frankrijk en Rusland in 1807 sloten. In dat verdrag had Rusland toegezegd zich te houden aan het door Napoleon geïntroduceerde Continentaal Stelsel, dat de handel met Engeland onmogelijk maakte. Het was in feite een economische blokkade, erop gericht de Engelse economie te ontwrichten. Maar Rusland, dat van oudsher veel hout naar Engeland exporteerde voor de scheepsbouw, ontdook haar belofte. Dat Napoleon, tot het uiterste getergd, dan maar besloot de tsaar ‘een lesje te leren’ door hem met een snelle militaire campagne op de knieën te dwingen zegt iets over Napoleons zelfbeeld. Meerdere vooraanstaande adviseurs, waaronder de Franse ambassadeur in Rusland, ontraadden hem de veldtocht. Ze wezen op de enorme afstanden en de koude Russische winter. Maar de keizer zette door.

Vanaf juni 1812 trokken tussen de 550.000 en 600.000 soldaten in Franse dienst Rusland binnen. Een kleine 15.000 daarvan waren Nederlandse manschappen. Deels waren dit beroepsmilitairen, deels dienstplichtigen. Deze laatste groep was door Napoleon ‘opgeveegd’ nadat hij zijn broer Lodewijk Napoleon in 1810 het koningschap van Nederland had ontnomen. Tijdens de laatste jaren van het bewind van Lodewijk Napoleon waren geen dienstplichtigen opgeroepen, omdat de koning van mening was dat dit schadelijk zou zijn voor de toch al zwakke Nederlandse economie. Vanaf 1810 liet Napoleon de betreffende lichtingen met terugwerkende kracht alsnog oproepen.

Niet alle dienstplichtigen trokken met tegenzin naar Parijs. Diederik van Doodewaard, soldaat van het 123e Regiment: ‘Of het bijzonder lichtzinnig was, kan ik niet zeggen, maar ik zag weinig tegen de conscriptie (dienstplicht) op. Lootte ik vrij, dan trad ik op de een of andere manier toch in dienst, was mijn besluit. Ik had lust om de wereld te zien en daar gaf Napoleon gelegenheid toe.’ Hij zou als een van de weinigen de verschrikkingen overleven.

Wij zijn het inmiddels gewend via zenders als CNN oorlogshandelingen bijna live mee te maken. Met een druk op een knop kan een kwaadwillende leider een aanval beginnen die al binnen een dag een mondiaal gevecht kan zijn. In het begin van de negentiende eeuw lag het tempo iets lager. De eerste Franse troepen vertrokken in januari en februari 1812 vanuit hun kazernes in Frankrijk naar het oosten. Medio juni, dus zo’n vier maanden later, hadden zich ongeveer 450.000 manschappen verzameld aan de westelijke oever van de rivier de Niemen, die de grens vormde tussen Pruisen en Rusland. De meeste waren lopend gekomen. Daarnaast lagen zo’n 165.000 soldaten in reserve. Op 23 juni gaf Napoleon het sein tot de aanval.

Funnekotter laat in zijn verslag van de veldtocht de Nederlandse militairen zelf aan het woord. Hij citeert uit brieven die ze naar huis schreven, uit dagboeken en uit de herinneringen die officieren en soldaten na hun terugkeer schreven en soms ook publiceerden. Daardoor maak je als lezer de dagelijkse praktijk van de veldtocht van heel nabij mee, zowel de bloedige veldslagen die werden uitgevochten als de strooptochten voor voedsel en onderdak, waartoe de soldaten steeds meer overgingen naarmate de aanvoerlijnen vanuit de achterhoede langer werden.

Napoleons strijdplan was simpel: Hij wilde zo snel mogelijk de confrontatie met de Russische troepen zoeken, ze in een veldslag in de pan hakken en vervolgens de tsaar dwingen tot een vrede op Franse voorwaarden. Maar - het is bekend - de Russische generaals ontweken in eerste instantie zo’n grote confrontatie en trokken zich steeds verder terug. De Franse aanvoerlijnen werden daardoor steeds langer, terwijl het de Russen de gelegenheid bood een verdedigingslinie op te bouwen in het binnenland om daar met de Fransen slag te leveren.

Pas op 7 september vond bij het plaatsje Borodino die eerste grote slag plaats. De Fransen wonnen die en konden doorstoten naar Moskou, maar tegen een hoge tol: 30.000 soldaten van de Grande Armée sneuvelden. De Russen verloren die dag 45.000 man. De Russische generaal Michail Koetoezov schreef aan de tsaar dat hij ‘de bloedigste veldslag van de moderne tijd’ had gevoerd. Dat klopt, en dat twijfelachtige record zou pas worden gebroken op 1 juli 1916, de eerste dag van de Slag bij de Somme.

Begin september voelde in het binnenland van Rusland aan als december in Nederland, schreef een soldaat naar huis. En de kou zou snel toenemen. Toen de Franse troepen op 15 september het vrijwel verlaten Moskou binnentrokken scheen de zon maar was het koud. Een dag later, terwijl Napoleon zijn vertrekken in het Kremlin inrichtte, stichtten Russische saboteurs brand in enkele grote houden panden. Gedurende drie dagen, aangewakkerd door een harde wind, brandde Moskou. Veel voorraden en gebouwen gingen verloren. In de weken daarop werd het leven moeilijker, zeker voor de honderdduizenden manschappen die buiten de muren van Moskou bivakkeerden. Bovendien pleegden goed bewapende kozakken overvallen op de aanvoerlijnen. Toen begin oktober duidelijk werd dat de Russen niet waren geïnteresseerd in een bestand en tevens de eerste sneeuw viel besloot Napoleon zijn legers terug te trekken op hun vooraf bepaalde winterkwartieren in Smolensk en Wilna.

Waar Funnekotter in de beschrijving van de opmars naar Moskou zoals meegemaakt door de Nederlandse mannen je soms al kippenvel weet te bezorgen, schakelt hij in de aftocht een tandje bij. Dat doet hij niet met opzet, de terugtocht wás daadwerkelijk een hel. De kou nam toe, de wegen waren slecht begaanbaar, kozakken vielen voortdurend de achterhoede aan en er was vrijwel niets te eten. Paarden vielen bij bosjes neer langs de weg, uitgeput en letterlijk op. Die werden direct aan stukken gesneden en opgegeten. Iedere nacht vroren tientallen tot honderden soldaten dood. Napoleon voerde met zijn elitekorps de tientallen kilometers lange karavaan aan, maarschalk Ney was belast met de voortdurend opspelende achterhoedegevechten. Het oversteken van de rivier de Berezina mag je wel de climax van deze tocht noemen. Nadat Napoleon door een slimme manouvre de Russische troepen op het verkeerde been had gezet, wisten enkele honderden manschappen van de genie – waaronder veel Hollanders – in het ijskoude water twee negentig meter lange bruggen te bouwen. Daarna was het, bij een temperatuur van min 30, nog enkele weken lopen naar het veilige Koningsbergen in het oosten van Pruisen.

De brieven en aantekeningen in dagboeken van de Hollandse manschappen tonen de gruwelijke omstandigheden tijdens de terugtocht. Kapitein-adjudant-majoor Theodore Veeren schreef na een gevecht met de Russen aan zijn vrouw dat de ‘levenden nog maar weinig in getal zijn’ en drukte haar op het hart dit niet aan de overige regimentsvrouwen mee te delen. En Rode Lansier François Dumonceau beschreef in zijn memoires het tafereel dat hij aanschouwde vanaf de veilige oever van de Berezina: ‘Net als een dag eerder verzamelde zich een compacte menigte voor de bruggen die zorgde voor een vreselijk tumult […] Op een heuvel vocht het IX korps van Victor, dat onze achterhoede vormde, onophoudelijk met de vijand.’ De Russen hadden een kanon in stelling weten te brengen en vuurden op de mensenmassa. ‘We zagen de menigte als een onstuimige zee heen en weer bewegen, om aan het vuur te ontkomen, rennend van de ene brug naar de andere, in de hoop sneller te kunnen oversteken, waarbij ze werden teruggeduwd door degenen die net de andere kant opgingen. Granaten ontploften in hun midden en kogels sloegen grote gaten in deze compacte massa.’

Een glorieuze veldtocht die eindigde in een slachting. Van het half miljoen manschappen dat op 23 juni en de dagen erna de grens met Rusland overstak keerden er 120.000 terug. Ruim 70% sneuvelde dus. De Hollanders betaalden een nog zwaardere tol, van de 15.000 die vertrokken kwamen er voor zover we weten maar 500 weer thuis. Na het lezen van Funnekotters boek – gebaseerd op gedegen onderzoek en geschreven in een pakkende stijl – kun je je die ongelooflijke cijfers voorstellen. Want je bent met die mannen meegereisd.

Bart Funnekotter
De hel van 1812. Nederlanders met Napoleon op veldtocht naar Rusland
Prometheus
334 blz  


vrijdag 19 januari 2018

Een Poolse Proust

Dat onze herinnering niet een proces is dat volgens chronologische of lineaire lijnen verloopt wordt wel heel duidelijk in De horizon, de onlangs vertaalde roman van de Poolse schrijver WiesŁaw Myśliwski. In die roman beschrijft Myśliwski de kinder- en jeugdjaren van een jongen die Piotr heet. Hij leunt daarvoor zwaar op zijn eigen jeugdherinneringen, je zou het boek ook een verkapte autobiografie kunnen noemen. In De horizon neemt Myśliwski je niet alleen mee naar zijn jonge jaren, maar nadrukkelijk ook naar de context, de wereld waarin hij opgroeide. Dat is het Polen van net vóór tot net ná de Tweede Wereldoorlog. Op een plek in de nabijheid van een forse provincieplaats. Hij schildert je die wereld tot in details, liefdevol en uitvoerig. Als je je daardoor als lezer laat meevoeren – en dat probeert de schrijver natuurlijk te bewerkstelligen – vindt je het ook geen probleem wanneer hij de chronologie doorbreekt en opeens, van de ene op de andere alinea, vanuit een andere tijd of ander perspectief op een gebeurtenis terugkijkt. Zoals gezegd, onze herinnering werkt ook associatief.

Het leven van de jonge Piotr staat voor een groot deel in het teken van de Tweede Wereldoorlog. Daarin is Polen een slagveld. De optrekkende Duitsers vermorzelen het, de terugvechtende Russen gaan een paar jaar later nog eens over die ruïne heen. Voor Piotr, zijn vader en moeder betekent dat een paar keer gedwongen verhuizen. Voor de oorlog wonen zij op de boerderij van zijn grootouders, waar ook ooms en tantes verblijven. Als die boerderij vanwege de oorlogshandelingen moet worden opgegeven, verhuizen zij met z’n drieën naar een souterrain van een groot huis in de stad. Dat huren ze van twee vrouwen die de rest van het huis bewonen, de gezusters Poncka. Of het zussen zijn blijft een vraag, dat ze een bordeel runnen wordt langzaamaan duidelijk. De dames Poncka zijn verzot op de jonge Piotr, richten al hun moederlijke liefde op hem.

De vader van Piotr was officier in het Poolse leger, maar heeft ontslag genomen vanwege een hartkwaal. Ook als boekhouder in dienst van de stad moet hij na verloop van tijd zijn baan opzeggen. Piotr kent hem niet anders dan thuis, op bed liggend, starend naar het raam of plafond. Met zijn moeder heeft Piotr een intensief contact, zij regelt zijn leven. Met haar heeft hij daarom ook de meeste conflicten.

Myśliwski neemt de tijd om zijn verhaal te vertellen. En omdat hij als het ware in zijn geheugen graaft, treden de mooiste herinneringen op de voorgrond. Onvergetelijk is het relaas over de voettocht die Piotr en zijn ouders ondernemen om in een naburige stad op een baan voor zijn vader te solliciteren. Als ze er na uren eindelijk bijna zijn, blijkt dat Piotr een van zijn schoenen – die had hij in een knapzak gestopt om dat ze knelden – is verloren. Zijn moeder kapt het doel van de tocht ogenblikkelijk af en loopt met hem de hele, lange weg terug, zoekend naar de schoen. Tevergeefs. Het is een half uur lezen, magistraal verwoordt. Of het verhaal hoe in 1942 een van Piotr’s ooms op een boerenkar hun Joodse buren met hun bagage naar het station brengt, vanwaar die naar een gebied zullen worden gebracht waar ze een nieuw leven kunnen opbouwen. De buurman is hoopvol over dit vooruitzicht. Schrijnend om te lezen. Of het relaas van de groep Russische soldaten die in 1945 in een grote schuur nabij Piotr’s huis dagelijks honderden uit Duitsland weggevoerde runderen moet slachten, met de eenvoudigste middelen. Of hoe de dames Poncka de iets oudere Piotr de tango leren, en nog meer. Kortom, De horizon bevat een overvloed aan herinneringen. Opgeschreven met een intensiteit die Marcel Proust zou hebben gewaardeerd.

WiesŁaw Myśliwski
De horizon
Vertaald door Karol Lesman
624 blz
Querido

donderdag 11 januari 2018

Losers met een hoge aaibaarheidsfactor

Isebrand Schut is een man met ‘enige afstand tot de maatschappij’ zoals dat tegenwoordig in het welzijnsjargon zo treffend wordt omschreven. Hij is vierendertig en werkeloos. Hij werkte tot voor kort bij een callcenter maar is daar vertrokken toen zijn nieuwe cheffin – Manja van der Ziel, dertig, ex-hockeykeepster, een vrouw met een carrière, niet lullen maar doen – zijn leven te veel ging beheersen. Sindsdien knoopt hij de eindjes aan elkaar met behulp van een uitkering en een parttime baantje als ‘toiletjuffrouw’ in een ondergrond openbaar toilet in de stad Groningen met de toepasselijke naam Metro. Isebrand woont om de hoek ervan, aan het A-Kerkhof. Ondanks zijn tot nog toe niet heel succesvolle loopbaan is Isebrand gezegend met een rijk gevoelsleven. Al is het er wel een waarin de tobberigheid overheerst: ‘Isebrand huiverde tot op het bot. De overweldigende gedachte dat de hele wereld ijskoud en liefdeloos was, vol valkuilen en schrijnende verborgen ellende, vervulde hem met zwarigheid en iets wat wel pure doodsangst leek.’

Isebrands sociale netwerk bestaat hoofdzakelijk uit mannen als hij, die hij kent omdat ze deelnemen aan de door hem opgerichte zelfhulpgroep Man&Post. Tijdens de bijeenkomsten van die groep openen de leden de door hun meegebrachte post. Of laten die, wanneer ze vermoeden dat de inhoud van de enveloppe een naar bericht bevat, of een aanmaning, door een van de anderen openen. Waarna de groep bespreekt hoe de geadresseerde het beste kan omgaan met het ontvangene. De deelnemers zijn vrijwel zonder uitzondering eveneens mannen met enige afstand tot de maatschappij. Ene Jean-Luc heeft een bijstandsuitkering waarop door zijn eigen nalatigheid is gekort, en is daarom een wietplantage begonnen waar hij vanwege het gevaar van ontdekking nu vanaf wil. Of neem Sylvio, die bivakkeert in een gammele stacaravan op het terrein van cavia-opvang Beertje op het Groningse platteland maar ervan droomt veejay te worden in het Groningse uitgaansleven. De handvol mannen zijn bij  Valens stuk voor stuk karakters geworden die je bijblijven. ‘Losers’ met een hoge aaibaarheidsfactor. 

Alles verandert voor Isebrand wanneer Cornelis Meckering toetreedt tot Man&Post. Meckering is een succesvolle zakenman, zeer vermogend en een echter ‘doener’. Hij verbijstert de leden van Man & Post met zijn uitleg over zijn kapitale bezittingen – alles in bezit van de BV Meckering Consultancy. Ook heeft hij goede ideeën voor de organisatie van de groep en komt hij met een nieuwe postbak, de ‘Maserati onder de postbakken’. Meckering neemt Isebrand in dienst als assistent bij het schrijven van een boek over het voorvoegsel Ont. Dat moet het boek Ont- worden.

Het boek Ont is het eerste boek dat ik las van Anton Valens. Het was even wennen aan de speciale humor. Die is droog, ironisch en soms zwartgallig. Het boek is doortrokken van het besef van de zinloosheid van het leven. In de handen van Valens leidt dat tot mooie melancholieke mijmeringen. Hij weet ook meesterlijk scènes te schrijven die je nooit meer zult vergeten. En zinnen te componeren die je direct wilt herlezen en die je na vijf keer nog steeds mooi vindt, of iedere keer mooier. Dat vond ook de jury van de Tzum Prijs, die Het boek Ont in 2013 de prijs voor de beste literaire zin toekende. Dat is tevens de openingszin van het verhaal: ‘Het was dinsdagavond kwart voor acht en een van de laatste dagen van oktober in het roemruchte stervensjaar van de gulden, dat schitterende, harde betaalmiddel met zijn waaier van kleurige biljetten als de staart van een paradijsvogel, dat met goedvinden van de kroon door de directeur van de Nederlandse bank verkwanseld werd voor een grauwe eenheidsmunt waar er al zoveel van zijn en die de ‘euro’ wordt genoemd.’ De prijs bestaat uit een beker en evenveel euro’s als de zin woorden bevat. In dit geval waren dat er 68.

Anton Valens
Het boek Ont
Luisterboek, voorgelezen door Frank Rigter
11 uur en 29 minuten
Rubinstein

zondag 7 januari 2018

Twee Moren

In onze musea van oude kunst hangen ze aan de wand: 17e-eeuwse en 18e-eeuwse portretten van adellijke of vorstelijke personen waarop naast de geportretteerde ook een zwarte man of vrouw is afgebeeld. Het zijn schilderijen die soms reacties uitlokken bij de bezoekers, zeker in een tijd als nu waarin de manier waarop we omgaan met verschijnselen als slavernij en zwarte Piet ter discussie staat. Voor de opdrachtgevers van die portretten was het tonen van hun donkere bediende, lakei of kamerheer echter de gewoonste zaak van de wereld. Ze waren rijk, konden kopen wat ze wilden en daar hoorden ook ‘Moortjes’ bij. Het waren vaak statussymbolen, om die reden geïmporteerd uit verre landen, die door hun uiterlijk een exotisch element toevoegden aan een vorstelijk hof. Ook in Den Haag liepen ze rond, in dienst bij de  Oranjes.

Esther Schreuder heeft van twee van deze mannen, Willem Frederik Cupido en Guan Anthony Sideron, de geschiedenis nageplozen. Cupido was afkomstig uit Guinea in West-Afrika, waar de Hollanders aan de kust forten hadden van waaruit ze handel dreven met de bevolking. Ook handel in slaven. Sideron kwam van Curaçao, het Caribische hoofdkwartier van de West-Indische Compagnie. Sideron arriveerde in 1763 als kleine jongen aan het Haagse hof van prins Willem V, mogelijk als een cadeau van een koopman die tot gouverneur van Curaçao hoopte te worden benoemd en met dit geschenk Willem gunstig wilde stemmen. Cupido kwam drie jaar later aan in Den Haag, hij was iets jonger dan zijn lotgenoot. Ook hij was mogelijk een geschenk.

Beide jongens werden bedienden aan het hof. Ze werden in kleurrijke kostuums gestoken en kregen een opleiding zodat ze na enkele jaren konden lezen, schrijven in een mooi handschrift, rekenen, dansen en paardrijden. Ook leerden ze de Franse taal, die aan de Europese hoven de voertaal was.

Met de komst van de nieuwe echtgenote van Willem V, Wilhelmina van Pruisen, onderging het Haagse hof een wezenlijk uitbreiding. Dat bood Cupido en Sideron de kans op een positieverbetering. Van gewone bedienden werden ze eerst gepromoveerd naar het belangrijke staldepartement, om in 1782 door Willem te worden benoemd tot kamerdienaar. In die functie waren ze belast met de persoonlijke verzorging van de prins en zijn vrouw. Het inkomen dat ze daarmee verdienden was niet slecht, je kon er een gezin van onderhouden en een net huisje bewonen.

Schreuder schetst uitvoerig de historische context, zoals de politieke strubbelingen tussen de prins en zijn opponenten in de Nederlanden. Wanneer het prinselijk paar in 1795 in kleine sloepjes naar Engeland vlucht om aan de troepen van Napoleon te ontkomen, gaat een klein groepje getrouwen en bedienden mee, waaronder Cupido en Sideron. Het mini-hofje wordt gehuisvest in een vleugel van Hampton Court. Maar al snel besluit Willem V dat de Nassause erfgebieden in Duitsland zijn thuisbasis moeten zijn. Door de Napoleontische oorlogen, die ook in die streken worden uitgevochten, zullen ze in de jaren erna een zwervend bestaand leiden. Sideron sterft in 1803, Cupido in 1806. Beide mannen zijn bij hun dood dan precies veertig jaar in dienst van Willem V geweest. Cupido was in 1802 getrouwd met een Duitse en liet bij zijn dood zijn vrouw en twee kinderen achter. Willem V, die in ballingschap in Braunschweig woonde, was van slag nadat hij had gehoord van Cupido’s dood. Hij schreef aan zijn hofmaarschalk: ‘Ik ben ontdaan over het overlijden van de arme Cupido. Hij heeft me zo lang gediend dat ik zijn familie niet in de steek kan laten. Wat denkt u dat ik kan doen voor zijn kinderen?’ De mannen kwamen overeen dat een pensioen voor de weduwe en haar kinderen na zoveel jaren trouwe dienst het minste was wat ze konden regelen.

Het boek biedt een mooie inkijk in een opvallend aspect van de Hollandse hofgeschiedenis. Schreuder laat zich niet verleiden tot een stellingname in het debat over slavernij. Dat had ze zomaar wel kunnen doen, want Willem V was bestuurder van de VOC en de WIC, compagnieën die ook handelden in slaven. Dat hij de twee zwarte jongetjes accepteerde, deels vanwege het exotische element dat ze aan zijn hof toevoegden, past in het beeld van de tijd maar is in onze ogen natuurlijk niet geheel correct. Schreuder maakt daar enkele zijdelingse opmerkingen over, maar concentreert zich vooral op het levensverhaal van Sideron en Cupido. De ‘Moren’, zoals men ze heel soms nog noemde, werden toen ze eenmaal volwassen waren door hun omgeving zonder voorbehoud geaccepteerd als collega’s en gewaardeerd om hun loyale inzet. Hun kleur lijkt aan het hof geen onderwerp te zijn geweest. Het was immers het tijdperk van de Verlichting.

Esther Schreuder
Cupido en Sideron. Twee Moren aan het hof van Oranje
288 blz
Uitgeverij Balans