woensdag 29 juli 2015

Een havik als therapie

Als lezer heb ik in de loop der jaren enkele heel persoonlijke neigingen ontwikkeld. Een daarvan is dat ik in de boekhandel met een boogje om boeken heenloop die een hype zijn. Wat daar de oorzaak van is weet ik niet. Is het uit wantrouwen tegen de uitgever die zijn boek tot zo'n status heeft weten op te pompen? Of - erger - kan een boek dat door heel veel lezers wordt gewaardeerd nooit iets zijn? Ben ik als lezer soms een snobje? Hoe het ook zij, het is een ingesleten gewoonte die me soms mooie dingen doet missen. Af en toe, als ik heel nieuwsgierig raak, koop ik zo'n boek uiteindelijk toch. Dat was onlangs het geval bij H is for Hawk van Helen Macdonald. Het boek is in Engeland al een bestseller sinds de publicatie in 2014 en won de Samuel Johnson Prize voor nonfictie en de Costa Book of the Year Award.

H is for Hawk is het relaas van een jonge vrouw die de rouw om haar gestorven vader verwerkt door een havik te trainen. Maar tegelijk is het een lyrische beschrijving van het Engelse landschap én een verkapte biografie van een Engelse auteur die een kleine eeuw geleden een havik africhtte  en daar eveneens een boek over schreef. Die gelaagdheid maakt het een rijk boek dat ik met veel plezier heb gelezen.

In 2007 overlijdt Helen Macdonalds vader, de bekende persfotograaf Alisdair Macdonald, onverwacht aan een hartstilstand. Haar wereld stort in, letterlijk en figuurlijk. Bij het horen van het bericht begeven haar benen het, in de maanden erna ontspoort haar leven langzaam maar zeker. De band met haar vader was heel hecht, zij deelden veel gezamenlijke liefhebberijen. Een maatje valt weg.

Hoe verwerk je rouw? Veel van de professionele adviseurs hebben ‘erover praten’ bovenaan hun lijstje staan. Helen Macdonald kiest een andere route. Zij begint aan een project dat gedurende maanden vrijwel al haar tijd zal opslokken. Zij koopt een jonge havik en richt die af. ‘Erover praten’ is met de vogel natuurlijk niet mogelijk, afleiding is wat deze therapie behelst. Zij richt zich volledig op de vogel, die ze Mabel noemt. Haar tijdelijke aanstelling aan de universiteit van Cambridge komt even op de tweede plaats, evenals haar sociale contacten. Zij en de vogel worden een twee-eenheid.

Het africhten van de havik is de vervulling van een lang gekoesterde droom, Macdonald werkte ooit als vrijwilliger in een centrum voor valkeniers. Als jong meisje las ze alle boeken over het omgaan met valken die ze kon vinden. Haar lievelingsboek was The Goshawk (De havik) van Terence White. Deze auteur, die in Engeland beroemd is om zijn romans over koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel, trainde in de jaren dertig een havik. Hij deed dat uit romantisch-historische bevlogenheid en met de beste bedoelingen, maar zonder specifieke kennis over de vogel. Hij deed dan ook bijna alles fout. Macdonald spiegelt zijn verhaal aan haar eigen ervaringen met de havik, wat fraaie effecten oplevert. Ook de kleine biografie van White die ze en passant opneemt in haar boek is het lezen meer dan waard. Een interessante, gevoelige man. Een man ook wiens werk een rijke bron van inspiratie vormde voor J.K. Rowling bij het schrijven van de avonturen van Harry Potter.

Een havik is groter en agressiever dan een valk. Wanneer Macdonald na maanden training in huis met Mabel de natuur in gaat is ze zich dat goed bewust: ze laat een moordenaar los. Gevangen konijnen en fazanten worden levend aan stukken gescheurd en opgegeten. Na een paar keer went dat, het is de gang van de natuur. Juist dat laatste ervaart ze gaandeweg als een van de meest wezenlijke kenmerken van het jagen met roofvogels: je richt de dieren zo goed mogelijk af, maar wanneer je ze loslaat moet je als trainer ook zelf loslaten, je overgeven aan de natuur, het lot. Dat werkt bevrijdend en ook verslavend: ‘I had taken flight to a place from which I didn’t want to ever return’.

Na ruim een half jaar is de training van de bijna volwassen havik voltooid. Macdonald loopt eindeloos met Mabel door de glooiende velden en bossen rond Cambridge en beschrijft indringend wat het omgaan met de vogel en de natuur haar doen. Dat ze daar weer vatbaar voor is tekent ook haar eigen vooruitgang. In dat opzicht is het project dubbel geslaagd.

In de boekhandel, de flaptekst lezend, kan dit boek overkomen als een zelfhulpboek. In de kern heeft het daar wel iets van: Macdonald probeert in het reine te komen met het verlies van haar vader, zoekt naar de essentie van zijn leven. Maar het boek is veel meer, is in al zijn gelaagdheid en beschouwelijkheid misschien ook wel een kleine filosofie van verlies, van de natuur en van de plaats van de mens daarin.

donderdag 23 juli 2015

De winnaar van de J.M.A. Biesheuvelprijs

Op 14 februari van dit jaar werd voor het eerst de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt, de prijs voor de beste bundel korte verhalen. De prijs is een initiatief van een groepje van zes mensen die werkzaam zijn in het boekenvak en de literaire wereld. Het bedrag dat de winnaar ontvangt zal jaarlijks verschillen, want het prijzengeld wordt via crowdfunding bijeengebracht. Rob van Essen had de eer de eerste winnaar te zijn, met zijn in 2014 verschenen bundel Hier wonen ook mensen. De jury prees hem voor ‘zijn rijke register aan personages en vertellingen: van realistisch tot absurd, van hilarisch tot diep ontroerend en zo nu en dan dit alles tegelijkertijd’. Dit etiket past precies op de verhalen in deze bundel, maar is opvallend genoeg ook een rake omschrijving van het oeuvre van Maarten Biesheuvel.

Hier wonen ook mensen bevat vijftien verhalen, in lengte variërend van ruim drie tot veertig bladzijden. Mijn favoriet is het titelverhaal, tevens het langste verhaal. Dat begint als volgt: ‘Een terugkerend droombeeld, dat mij steeds weer meeneemt naar die vakantie in Portugal met oom Evert en mijn vader’. Het is het relaas van een twaalfjarige ik, een jongen, die in het begin van het jaar zijn moeder heeft verloren. Zijn oom Evert, een broer van zijn moeder, stelt in mei aan de vader van de jongen voor om met zijn drieën op vakantie naar Portugal te gaan. Om het verlies te verwerken, om er even uit te zijn. Tijdens de lange rit naar Portugal observeert de jongen vanaf de achterbank van de auto zijn vader en oom: ‘Daar zitten ze, twee mannen die aardig voor elkaar proberen te zijn terwijl ze eigenlijk niet goed weten wat ze met elkaar aan moeten (ze hebben nog nooit zoveel tijd met elkaar doorgebracht), en in hun aan de horizon vastgehechte blik lees ik hun twijfel aan de hele onderneming’. In Portugal neemt de tot dan toe misschien wat ongemakkelijke maar verder toch vrij normale trip een bizarre wending. De vader wordt door veel  Portugezen herkend en uiterst vijandig bejegend, terwijl hij toch een wildvreemde voor ze is. In hotels en restaurants, maar ook op straat voelen de jongen, vader en oom zich al snel niet meer veilig. De climax is verrassend, evenals het naspel dat veertig jaar later plaatsvindt.

In het verhaal Dit is wat ik je beloof is de ik-figuur een student in Amsterdam. Tijdens een fietstocht langs de Amstel komt zijn voorwiel in een scheur in het wegdek terecht en gaat hij over de kop. Wanneer hij weer bijkomt denkt hij te dromen. Boven hem zweven de gezichten van vier jonge vrouwen, die zich bezorgd over hem heen buigen: ‘En daarna hun gezichten, boven me, alsof er één gezicht was dat voortdurend van vorm veranderde, en van haarkleur, van oogkleur, van stem, van positie. Wimpers, sproeten, vochtige lippen, witte tanden, donkere neusgaten, stevige blote armen, vingers op mijn huid. En daar overheen, nog sterker, de geuren: zweet en opwinding, warm en fris tegelijk, als zeewater waar de zon op heeft geschenen, als lichamen die hebben gewerkt: meisjes die hebben geroeid’. De dames hebben het ongeluk zien gebeuren en zoeken hem ’s avonds in het ziekenhuis op. Maar niet alleen dat. Een week later komt een van de vrouwen hem opzoeken in de bar waar hij als bijbaan barkeeper is. Ze verleidt hem. Kort daarna volgt de tweede. En zo door. De ik-figuur gaat in op hun avances, eerst schuchter, later gretig. Maar wat betekent dit? Hebben de dames iets afgesproken? De ik-figuur weet het niet, jij als lezer evenmin. En weer is de ontknoping verrassend.

Ik lees eigenlijk niet graag korte verhalen. De lange baan van de roman of de biografie ligt me meer. Dat zal wellicht voor meer lezers het geval zijn, een van de redenen waarom de instelling van de J.M.A. Biesheuvelprijs samenvalt met een vrij nieuw fenomeen, de Week van het Korte Verhaal. Het genre gaat zichzelf beter in de markt zetten.

Deze bundel heb ik echter verslonden. De thematiek van de verhalen is heel divers. En steeds is er die verrassing, het onverwachte. Vrijwel alle verhalen worden verteld door een ik-figuur. Sommige verhalen krijgen daardoor iets van een vertrouwelijk gedane bekentenis: de verteller is zich ervan bewust dat het gebeurde een beetje absurd kan zijn, maar daarom vertelt hij het je ook één op één. Ik heb hierboven alleen mijn twee favoriete verhalen belicht, maar er is veel meer moois te lezen. Het verhaal bijvoorbeeld over de jongen die gefascineerd is door spinnenwebben, en dan vooral die welke zijn gesponnen tussen twee geparkeerde fietsen. En dan te fietsen, en ervoor te zorgen dat het web intact blijft. Een sprookje.

De bundel opent met een verhaal – het kortste – waarin de schrijver Richard Dawkins een ontmoeting heeft met God en met hem van identiteit ruilt. Een schrijver die God wordt, waar zagen we dat eerder? Ja hoor, bij Maarten Biesheuvel. In het eerste verhaal in diens debuut uit 1972, In de bovenkooi, is de schrijver getransformeerd in God en derhalve opgenomen in een inrichting. Daarmee wil ik zeker niet zeggen dat Rob van Essen een navolger is van Maarten Biesheuvel, maar het lijkt er wel op dat beide auteurs zich bij het schrijven soms dezelfde creatieve vrijheden veroorloven. Met heel bijzondere verhalen als resultaat.

vrijdag 17 juli 2015

Dordrechts' beroemdste dichter

Een van de bekendste gedichten in de Nederlandse literatuur ontstond in een sanatorium. Het jaar van schrijven was 1942, de plek het sanatorium Zonnegloren te Soestduinen, de dichter heette C. Buddingh’. Hij was daar in augustus van dat jaar opgenomen met tuberculose, een kwaal die hem met tussenpozen tot 1949 patiënt zou laten blijven. Kees – de C. staat niet voor Cees – gebruikte de zee aan vrije tijd vooral om te lezen. In een hem toegestuurd kinderverhaal van de Engelse schrijfster Edith Nesbitt las hij over een  ‘bluebillgurgle’. Dat woord bleef hangen, hij ging er vervolgens mee spelen en de blauwbilgorgel was geboren: ‘Ik ben de blauwbilgorgel, / Mijn vader was een porgel, / Mijn moeder was een porulan. / Raban! Raban! Raban!’ luidt het eerste couplet van het gedicht De blauwbilgorgel. In het najaar van 1944 zou het clandestien worden gepubliceerd, samen met drie andere ‘gorgelrijmen’ over fantasiedieren.

Kees Buddingh’, geboren in 1918, had eind jaren dertig zijn eerste gedichten ingestuurd aan literaire tijdschriften. De zeven jaren die hij vanaf 1942 in het sanatorium doorbracht, een periode waarin hij soms flink ziek was en enkele zware operaties onderging, zorgden ervoor dat hij pas omstreeks 1950 aan het gewone leven kon gaan deelnemen. Bovenaan zijn lijstje stond toen trouwen met Stientje, zijn verloofde die al die jaren dat hij in het sanatorium verbleef op hem had gewacht. Daarvoor was geld nodig, en door zijn opleiding MO-Engels kon hij vertalen. Met de 250 gulden voorschot die hij van uitgeverij Bruna ontving voor de Nederlandse vertaling van John Galworthy’s The Forsyte Saga bekostigde hij zijn huwelijk.

Dat je van dichten alleen niet kunt leven heeft Buddingh’ zijn hele leven gevoeld. In de jaren vijftig scharrelde hij een inkomen bij elkaar als reclameschrijver, auteur van bedrijfsboeken, als samensteller van het Prisma Citatenboek en de Encyclopedie voor de wereldliteratuur,  als literatuurrecensent voor de krant Het Vrije Volk en als redacteur van het literaire tijdschrift Podium. Voor vier grote regionale kranten maakte hij samen met de Dordtse tekenaar Otto Dicke de dagelijkse strip Spekkie en Blekkie. Hij deed zelfs – tevergeefs - mee aan een prijsvraag voor het beste detectiveverhaal. In literair opzicht was in die jaren de publicatie van de Gorgelrijmen in 1953 een lichtpuntje. De oorspronkelijke, in 1942 geschreven reeks van vier gedichten was inmiddels uitgegroeid tot een serie van 23. De bundel genoot na verschijnen een zekere populariteit die met de jaren zou groeien. Vanaf het midden van de jaren vijftig schreef Buddingh’ gedichten over zijn grote liefde, de jazzmuziek. Die gedichten, geschreven in een nuchtere taal waarin humor en ernstige elementen werden gecombineerd, zonder beeldspraak en rijm - aaneengeschreven zouden  het prozateksten kunnen zijn – beschouwde hij zelf als het eigenlijke begin van zijn poëtische werk.

Wim Huijser, die zich al lange tijd met Buddingh’ bezig houdt en eerder publiceerde over deelonderwerpen, neemt in Dichter bij Dordt de ruimte om dit alles in detail te beschrijven. Het leest prettig, het is genuanceerd en doordacht opgeschreven en je merkt dat Huijser zijn onderwerp heel precies aanvoelt. Ook houdt hij wel van een beetje theater, want hij behandelt het kantelpunt in de literaire loopbaan van Buddingh’, dat plaatsvond in 1966, niet alleen op de chronologisch juiste plaats in de biografie maar geeft die eveneens als een pakkende proloog tot het boek.

Dat moment viel op maandag 28 februari 1966. De plaats van handeling was theater Carré in Amsterdam. Het evenement heette Poëzie in Carré. Simon Vinkenoog had de leiding. Op het podium zaten 25 dichters, oudere én jongere. Onder hen ook Adriaan Roland Holst, de ‘Prins der dichters’, die met zijn gedicht ‘Eens zullen allen / die tussen ons kwamen / zijn weggevallen ….’ grote indruk maakte. Ook Buddingh’ droeg voor uit eigen werk. Voor het eerst voor een groot publiek. Zijn gedicht heette ‘Pluk de dag’.

vanochtend na het ontbijt
ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,
dat het deksel van een middelgroot potje marmite
(het 4 oz formaat)
precies past op een klein potje heinz sandwich-spread
natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd
of het sandwich-spread-dekseltje
ook op het marmite-potje paste
en jawel hoor: …
het paste eveneens.

Buddingh’ las het voor met zijn ietwat rauwe stem, met de juiste intonatie en pauzes. De zaal ging plat. Volgens het Algemeen Dagblad was het optreden van Buddingh’ een van de hoogtepunten van de avond. De krant schreef dat hij door zijn ‘nuchtere vaststelling’ de beoogde sfeer van absurditeit had weten op te wekken. Gewone taal kan ook poëzie zijn.

In de bijna twintig jaar die Buddingh’ na deze avond nog restte was hij een ‘grote dichter’, een man die bij zijn vele lezers geliefd was. Die een drijvende kracht was achter het steeds succesvoller Poetry International. Maar ook een dichter die voor sommige recensenten en collega’s toch vooral een ‘minor poet’ zou blijven die weliswaar soms sublieme gedichten schreef vol creatieve vondsten, maar wiens productie als geheel beneden de maat bleef, of op zijn minst wisselvallig van kwaliteit was.

Populariteit heeft gevaarlijke kanten. Dat merkte Buddingh’ toen hij zich in 1969 liet verleiden – voor 250 gulden per aflevering – het televisieprogramma Poets te presenteren, dat werd gemaakt door Armando en Cherry Duyns. Het vergrootte zijn bekendheid, maar dat was niet om zijn gedichten. Hij werd een BN’er om zijn kop en zijn stem. Dat zinde hem niet. 

In 1970 begon hij zijn dagboeken te publiceren. Daarin geen grote gedachten, wel de dagelijkse bezigheden van hemzelf, zijn gezin en hun kat in een rijtjeshuis in Dordrecht. Een aantal delen lang werden de dagboeken goed verkocht, maar de herhaling werd langzaamaan een sleur. In 1978 maakte Willem Frederik Hermans in een paginagrote recensie in NRC Handelsblad korte metten met het meest recente deel. Dat was voor Buddingh’ een dreun waar hij lang last van zou hebben.

Huijser beschrijft helder en meeslepend hoe het dichterschap van Buddingh’ zich ontwikkelde en wat zijn bijdrage is geweest aan de dichtkunst in de jaren vijftig en zestig. Ook de mens Buddingh’, wiens leven zich grotendeels afspeelde in een straal van een kilometer rondom zijn huis in Dordrecht, komt tot leven. Een vriendelijke man, gesteld op zijn kat en pantoffels, zijn schrijfmachine en zijn sigaren, zijn voetbalclub – DFC Dordrecht – en zijn whisky. Een man die virtuoos kon dichten, mits hij de geest had. Een man die in de dagen vlak voor zijn dood genoot van de uitgave van de Nieuwe gorgelrijmen. Creatief tot het einde.

vrijdag 10 juli 2015

Don't Worry, Be Happy

Aan het eind van de jaren tachtig had Bobby McFerrin een wereldhit met het nummer 'Don't Worry, Be Happy'. Het is een van de vrolijkste en meest ontspannen liedjes die ik ken, de aanstekelijke melodie blijft na afloop nog lang in je hoofd hangen. De tekst verkondigt een dijk van een levenswijsheid: 'In every life we have some trouble / When you worry you make it double / Don't worry, be happy'. De mensen die toch gebukt blijven gaan onder hun zorgen wordt een oplossing geboden: 'Here I give you my phone number / When you worry call me, I make you happy'. Ik moest tijdens het lezen van Dertig dagen, de nieuwe roman van de Belgische auteur Annelies Verbeke, af en toe denken aan dit liedje. De hoofdpersoon van het boek, Alphonse Badji, lijkt de tekst ervan namelijk als zijn levensmotto te hanteren.

Alphonse is binnenhuisschilder. Hij is zojuist met zijn vriendin Kat verhuisd van Brussel naar Zoetemore, een klein dorp in de Westhoek, de Vlaamse streek die aan Frankrijk grenst. Alphonse is afkomstig uit Senegal. Hij is eigenlijk musicus van beroep, hij bespeelt de kora, een West-Afrikaans snaarinstrument. Maar in Zoetemore verdient hij de kost met het schilderen van interieurs. Dagelijks rijdt hij in zijn bestelbus naar een klus. Hij stapt met een opgeruimd gemoed door het leven, is bereid de problemen van Jan en alleman aan te horen en hen ook nog te helpen. Zijn open en relaxte houding maakt dat zijn opdrachtgevers zich ook openstellen, zelfs degenen die even moeten wennen aan het beeld van een donkere man. Bij vrijwel iedere klus ontstaat er zoiets als een vertrouwensband, luistert Alphonse geduldig naar de kleine en grotere problemen van de mensen. Dat hij hen probeert te helpen, of hen advies geeft, is voor hem vanzelfsprekend.

Die opdrachtgevers van Alphonse vormen gemêleerd gezelschap, het is haast onvoorstelbaar dat hij in de dertig dagen die het verhaal omvat met zo’n bonte stoet te maken krijgt. Maar leuk is dat wel. Er zijn de buurechtparen die elkaar haten maar die het tegelijk ook met elkaar doen; de oudere vrouw die een kinderkamer laat schilderen om daarmee van herinneringen verlost te worden; en een schrijfster die door de mannelijkheid van Alphonse wordt geïnspireerd tot een erotisch verhaal, dat ze hem vervolgens te lezen geeft. Ook de mensen met wie hij buiten zijn werk kennismaakt zijn opvallende karakters, zoals de jonge bakker van pitabroodjes wiens hartstocht eigenlijk blijkt te liggen in het vormen van kleine ijssculpturen waarmee de vrieskisten in zijn zaak vol liggen.

Tussen al deze serieuze, minder serieuze en soms kolderieke elementen door leef je mee met de verhouding tussen Alphonse en Kat. Die staat onder druk. Kat kan maar moeilijk  wennen op het platteland, zij mist de grote stad. Ook is zij net genezen van kanker, maar de onzekerheid dat de ziekte terug zou kunnen komen brengt haar uit haar evenwicht. Het zijn de positieve gelijkmoedigheid van Alphonse, hun grote liefde voor elkaar – zij kennen elkaar vanaf hun kindertijd – en hun wil om hun relatie te behouden die de echte kern vormen van het verhaal.

Het leven bestaat uit een aaneenschakeling van toevalligheden. Daarin toch de verbanden willen ontdekken en begrijpen, dat lijkt de motivatie van Verbeke te zijn. De liefde tussen twee mensen is zo’n verband. Ook de geschiedenis van een streek of landschap kan dat zijn. De Westhoek is getekend door de veldslagen en de loopgravenstrijd van de Eerste Wereldoorlog. Kat en Alphonse gaan daar, in gezelschap van hun hoogbejaarde buurman Willem, naar op zoek. Die plekken van herinnering geven het gebied een smoel. Het zijn juist deze twee aspecten, de liefde en de geschiedenis, die leiden tot de – voor mij - mooiste en meest wezenlijke passages in het boek. Zelfs wanneer de actuele geschiedenis uiteindelijk abrupt en onomkeerbaar ingrijpt in het leven van Alphonse blijft het mooi, zelfs poëtisch.

Na een dag schilderen en onderdompeling in de problemen van anderen luistert Alphonse op de terugweg in de auto graag en intens naar muziek: ‘Duke Ellingtons “Caravan”, in een versie van Dizzy Gillespie, hij kent ze. Kamelen trekken door de woestijn, maar de trompet zet fonteinen in werking. Het water vloeit langs zijn schouders, langs zijn rug. Die vreemde vioolsolo ook. Als het nummer voorbij is, zet hij de radio uit’. Ook wanneer hij die muziek zelf maakt, op de kora: ‘Voor de kora gaat verdriet nooit op een klacht lijken, passie niet op hysterie, kwetsbaarheid vervloeit evenmin in een nederlaag’. Jezelf heel bewust resetten, Alphonse kan dat. Don’t worry, be happy. En dat is precies wat dit goed en met plezier geschreven, speelse en verrassende boek met je doet. Ik werd er in ieder geval heel vrolijk van. Het staat op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2015. Van mij mag het naar de shortlist. 

zondag 5 juli 2015

De moord op Margaret Thatcher

De afgelopen jaren had Hilary Mantel een wereldwijd succes met twee romans over Thomas Cromwell, de kanselier van de Engelse koning Hendrik VIII: Wolf Hall (2009) en Bring Up the Bodies (2012). Voor beide won zij de Man Booker Prize. De wereld die zij in die romans tot leven brengt sprankelt in historisch opzicht én als karakterstudie. De tot dan toe wat schimmige Cromwell wordt neergezet als een man van vlees en bloed, zijn drijfveren en ambities worden door Mantel ‘ingevuld’ en vervolgens op intelligente wijze benut voor het creëren van een meeslepende ‘biografie’. Thomas Cromwell volgens Hilary Mantel.

Ook in de verhalenbundel The Assassination of Margaret Thatcher is dat psychologische inzicht in het karakter van haar personages het – voor mij – sterkste element. In de meeste van de elf verhalen, variërend in lengte van tien tot veertig bladzijden, weet zij de hoofdfiguur op zo’n manier neer te zetten dat je die niet snel zult vergeten. De leeftijd van de personages varieert, van jonge meisjes tot gepensioneerde vrouwen. De vrouwen zijn inderdaad in de meerderheid, in verreweg de meeste verhalen treden zij ook op als verteller.

Stroef. Dat is het woord dat ik zou kiezen wanneer ik deze verhalen met maar één woord zou mogen omschrijven. En dan niet in de betekenis dat de verhalen niet lekker lezen, integendeel. Maar het is wel mijn karakterisering van de relatie van de hoofdpersonen tot hun omgeving. In de meeste verhalen verloopt het contact stroef, zit er iets in de weg, ligt men elkaar niet helemaal. Dat wordt niet uitgesproken - we zijn tenslotte beschaafde Engelsen – maar door Mantel wel subtiel uitgewerkt.

Al direct in het eerste verhaal, Sorry to Disturb, is dat het hoofdthema. Een Engelse vrouw die vanwege de baan van haar echtgenoot in Saudi Arabië woont, laat op een dag een Aziatische man binnen die van haar telefoon gebruik wil maken. Zijn dankbaarheid is groot, hij komt een paar dagen later terug om die nog eens te betuigen. En blijft dan terugkomen, en wordt steeds aanhankelijker, of meer opdringerig, net hoe je het bekijkt. Wat doe je daarmee?

Een hoogtepunt vind ik How Shall I Know You? Een schrijfster begeeft zich naar een provinciestad om een lezing te geven. De man van de organiserende leesclub haalt haar van het station en brengt haar naar het hotel. Dat blijkt een sfeerloze, vieze en voor haar gevoel ietwat bedreigende gribus te zijn. Wanneer de man haar een uurtje later weer ophaalt om met haar naar de lezing te rijden – ‘U had al gegeten, neem ik aan? – is ze blij dat die bezoeking aan haar voorbijgaat, hoewel ze omvalt van de honger. Kortom, de donkere kanten van de schrijver als beroemdheid.

Een ander juweeltje is The Heart Fails Without Warning, waarin een elfjarig meisje wordt geconfronteerd met de anorexia van haar drie jaar oudere zus. De onontkoombaarheid van het afglijden wordt door Mantel met ijzingwekkende nuchterheid beschreven. Of The School of English, waarin de lotgevallen worden beschreven van een Afrikaanse werkster bij een familie in St John’s Wood, een chique wijk in Londen. Dat is een Engeland dat wel heel ver is verwijderd van het Engeland van Thomas Cromwell. Maar dat, in zeker opzicht, net zo bizar is.

Het klapstuk van de bundel is het laatste verhaal, The Assassination of Margaret Thatcher. We schrijven 6 augustus 1983. Margaret Thatcher is dan ruim vier jaar premier van het Verenigd Koninkrijk. Ze is op het hoogtepunt van haar roem, nadat ze het jaar ervoor de Falklands heeft heroverd op Argentinië en ze door haar onverzettelijke opstelling de IRA tot wanhoop heeft gedreven. Het verhaal begint met de verbazing van een oudere, alleenstaande vrouw over alle media-aandacht voor een kleine oogoperatie die Thatcher ondergaat in een privékliniek aan de achterzijde van het gebouw waarin zij een appartement bewoont. De premier is daar voor de duur van drie dagen opgenomen, de wijk is door de politie in een onneembare vesting omgebouwd. De vrouw heeft enkele dagen eerder een loodgieter besteld om haar centrale verwarming na te kijken. Wanneer deze aanbelt laat ze hem binnen. Waarna ze langzaam ontdekt dat hij niet de loodgieter is, dat zijn tas geen gereedschap bevat maar een uiterst geavanceerd geweer. Vanaf het raam aan de achterkant van haar appartement heeft hij een vrij schootsveld naar het voorplein van de kliniek, waar Thatcher die middag afscheid zal nemen van de staf van het ziekenhuis en het verplegende personeel. De uren daarna gaat het over Thatcher als premier, over Ierland, over durven kiezen. De oude vrouw is verbaasd over zichzelf ….

Vorig najaar deed Hilary Mantel’s uitgever een voorpublicatie in The Guardian van juist dit verhaal. Dit nadat The Daily Telegraph, die er eerder veel geld voor had neergelegd, zich terugtrok. Die voorpublicatie leidde tot een storm van protest in de media. Tegenstanders spraken er schande van, voorstanders maakten zich sterk voor de vrijheid van meningsuiting. Je kan in ieder geval concluderen dat Margaret Thatcher, 25 jaar na haar terugtreden als premier, nog steeds een aanzienlijke status heeft in Engeland. Of veel vrienden. De lachende derde was natuurlijk Mantel’s uitgever. Zo doe je dat, denk ik dan.