zaterdag 18 juli 2026

John Banville, William Boyd & de traditie

Mij zul je niet snel horen zeggen dat vroeger alles beter was. Ik vind dat een houding die vaak meer zegt over jezelf dan over de wereld waarin wij leven. Terugkijken is prima, maar je haalt meer uit je leven wanneer je vooruit kijkt. Maar toch, wanneer we het hebben over lezen, verlang ik wel eens naar vroeger. Naar die detectives en thrillers die ik met boekenplanken tegelijk verorberde. Naar de o zo simpele sfeertekeningen in een ´Maigret´, naar de duivels intelligente plots van John le Carré of de tergend langzaam uitgetrokken spanningsboog bij Frederick Forsyth. Die heren zijn inmiddels overleden, met de meeste van hun opvolgers heb ik nooit een echte klik gevoeld en daarom lees ik nog maar sporadisch een thriller of detective.

Tot een paar jaar geleden. Toen besloot de Ierse schrijver John Banville te stoppen met het schrijven van literaire romans en voortaan uitsluitend nog detectives te schrijven. Dat deed hij al vaker, maar slechts als een afwisseling van zijn gewone output én onder een pseudoniem, Benjamin Black. Maar nu hij de tachtig naderde viel het jarenlang ploeteren op een grote roman hem steeds zwaarder. Een detective schreef hij daarentegen in een maand of zes. Daarvan verschenen er inmiddels vier. 

De verhalen worden gedragen door inspecteur Strafford, een late dertiger, en patholoog-anatoom Quirke, die een halve generatie ouder is. Hun relatie is niet vrij van wrijving, het schuurt nu en dan. De bedachtzame inspecteur kan zich ergeren aan de doorpakmentaliteit van de patholoog, die ook nog eens een drankprobleem heeft. De plaats van handeling is steeds het Ierland van de jaren vijftig, zowel Dublin als het eindeloos gevarieerde platteland. De locatie is steeds heel bepalend, wat ook geldt voor het weer: het lijkt er altijd druilerig te zijn. Ik kan er eigenlijk kort over zijn: je onderdompelen in de hier door Banville gecreëerde wereld is zo prettig dat je eigenlijk, net als bij George Simenon en zijn Maigret, helemaal niet zit te wachten op de ontknoping. Hoe langer die uitblijft, hoe beter. 

En toen zette vorig jaar een twééde gerenommeerde oudere auteur zijn literaire productie – in elk geval tijdelijk – on hold. William Boyd, midden zeventig, kwam met Gabriel’s Moon, een spionageroman. Zijn hoofdpersoon, Gabriel Dax, is een jonge Britse schrijver van reisboeken. Daarvoor reist hij regelmatig naar het buitenland, en soms krijgt hij dan op verzoek van zijn broer Sefton, die een hoge functie vervult op een ministerie, een pakketje mee dat hij ter plekke moet overhandigen aan een van diens contacten. Een vriendendienst, volkomen onschuldig. Tenminste, dat neemt Gabriel – ietwat goedgelovig - aan. Tot hij wordt benaderd door Faith Green, werkzaam bij de Britse contraspionage, die hem vraagt af en toe hetzelfde voor haar te doen, maar dan tegen betaling. Hij heeft daar aanvankelijk niet veel zin in, maar laat zich toch overreden. Deels omdat Green hem voor de klus een riant bedrag aanbiedt, deels omdat Gabriel aanneemt dat op de een of andere manier zijn broer ermee te maken heeft. En ook een beetje omdat Faith hem fascineert. Wat hij zich echter te laat realiseert is dat het aannemen van de eerste klus tegelijk het point of no return is: hij zal niet meer van haar afkomen. Spion ben je voor altijd.

Gabriel’s Moon was wereldwijd een hit. Dus kwam Boyd met een opvolger, The Predicament. Ook dit speelt in de vroege jaren zestig. De wereld van de Koude Oorlog. Een wereld zonder mobieltjes. Ook hier is de context weer internationaal, de opdrachten brengen Dax naar Guatemala, New York en Berlijn. Van eenvoudige koeriersklusjes, de smoes waarmee hij is geronseld, is al lang geen sprake meer. Gabriel vermoedt dat hij steeds vaker een wezenlijke rol vervult in complexe spionagecomplotten, zonder dat hij als laaggeplaatste pion het hoe en waarom precies kan doorgronden. Klinkt dat niet een beetje als John le Carré? Desondanks groeit Dax in zijn rol, neemt bij onverwachte en potentieel gevaarlijke ontwikkelingen meer dan eens de juiste beslissing en redt zo voor zijn opdrachtgever het project.  

Boyd is een meester in het neerzetten van een karakter. Hij maakt daar bij Gabriël Dax veel werk van, wat doet vermoeden dat ook hij, net als Banville, een lang leven voor zich ziet voor zijn hoofdpersoon. Het zij hem gegund, het verhaal zit slim in elkaar en is uiterst onderhoudend. Maar ik heb wel één bescheiden puntje van kritiek. En dat is dat Boyd zich van mij mag laten inspireren door zoveel van zijn voorgangers als hij maar wil, maar dat er voor mij ergens een grens is. Daarmee doel ik op de laatste scène van het boek. Die speelt zich af in Berlijn, tijdens het bezoek van president Kennedy in 1963. Dax is daar betrokken bij de beveiliging van de president. Meer zeg ik niet, dat zou een spoiler zijn. Maar wie zich de laatste, bloedstollende scène van The Day of the Jackal van Frederick Forsyth herinnert, weet wat ik bedoel.

De vier thrillers van Banville zijn verkrijgbaar in een Nederlandstalige editie: Sneeuw / April in Spanje / De garage / De verdronkene. Die van Boyd (nog) niet. 

 William Boyd / The Predicament / 258 blz / Penguin Viking, 2025 

zaterdag 11 juli 2026

Shakespeare and Company

Het is 1921, hartje Parijs. De Eerste Wereldoorlog eindigde alweer zo’n drie jaar geleden. In Frankrijk hernam het dagelijkse leven langzaamaan z’n vooroorlogse gang. Maar de miljoenen zinloze doden lieten een enorm litteken achter, de omgevallen vorstenhuizen en de toenemende macht van de burgerij en het proletariaat creëerden een politiek instabiele samenleving. Het zou nooit meer worden als vóór 1914. Maar voor kunstenaars waren dit gouden tijden, het gonsde op alle vlakken van de ideeën en initiatieven. Niet dat er altijd geld was voor de realisatie ervan, maar met enthousiasme en vooral ook durf kwam je een eind. Ook op literair gebied gebeurde er van alles. Enerzijds functioneerde de literatuur als een spiegel van de maatschappelijke situatie, anderzijds namen schrijvers zelf het voortouw en kozen voor nieuwe vormen, voor het experimenteren met taal. 

Die grensverleggende romans, verhalen en poëziebundels waren lang niet altijd welkom bij de bestaande uitgeverijen en boekhandels. Er was, zeker vroeg in de jaren twintig, maar een klein publiek voor. Je werd er als uitgever, boekhandelaar én schrijver niet rijk van. Maar gelukkig was daar Sylvia Beach, een jonge Amerikaanse die in 1921 in Parijs een overwegend Engelstalige boekhandel opende waar al die schrijvers wél welkom waren: Shakespeare and Company. Domineesdochter Beach (1887-1962) was verslaafd aan literatuur, stond open voor experimenten en bood daar een podium voor. Toen in 1922 geen enkele uitgever het aandurfde om Ulysses van James Joyce te publiceren, bang voor geldverslindende rechtszaken, deed zij dat wel. Twintig jaar lang, tot ze haar winkel aan de Rue de l’Odeon in 1941 op last van de Duitsers moest sluiten, vormde die een veilige wijkplaats voor vernieuwers. Ook schrijvers die vanaf het begin van de jaren dertig vluchtten uit Nazi-Duitsland waren bij haar welkom, zowel in haar huis als in haar winkel. Dat hun boeken, prominent in haar etalage, in het steeds fascistischer wordende Frankrijk ook haarzelf kwetsbaar maakten, deerde haar niet. 

Het Parijs van begin jaren twintig oefende een grote aantrekkingskracht uit op jonge schrijvers, vooral Amerikaanse. Velen van hen hadden gevochten in de oorlog en daar fysiek of geestelijk iets aan overgehouden. De keuze tussen teruggaan naar huis, waar weinig interesse zou zijn voor hun ervaringen en bovendien de Drooglegging al in gang was gezet, was niet heel aantrekkelijk. In het veel lieflijker Frankrijk blijven, waar iedereen de oorlog écht had meegemaakt en waar je dollar relatief veel waard was, was dan aantrekkelijker. Gertrude Stein, die zelf ook in Parijs woonde, omschreef deze generatie kunstenaars en schrijvers tegenover Ernest Hemingway eens als de ‘Lost Generation’: schrijvers als John Dos Passos, Sherwood Anderson, Ezra Pound en F. Scott Fitzgerald zijn de bekendste. Enigszins gedesillusioneerd bleven ze in het kunst- en alcoholvriendelijke Parijs, op zoek naar zingeving. Ze kwamen elkaar tegen bij Sylvia Beach.

Shakespeare and Company was in essentie een eenmansbedrijfje. Je zou het, kort door de bocht, een uit de hand gelopen liefhebberij kunnen noemen. De winkel en Sylvia waren één, haar persoonlijke overtuigingen zie je erin terug. Zo besloot ze al snel dat Shakespeare and Company naast een boekwinkel ook een leenbibliotheek moest zijn. Veel van haar klanten moesten immers rondkomen van een schamel inkomen, dus moesten ze voor een klein bedragje boeken kunnen lezen. Dat bleek een schot in de roos. En zo kwam ook Ernest Hemingway binnen, direct al in 1921. Een beetje sjofel gekleed, ook hij had het niet breed als Europese sportverslaggever van de Toronto Star. Zijn grote succes zou pas in 1926 komen, met de roman The Sun Also Rises. Hij had zelfs niet genoeg geld om zich in te schrijven als lid van de uitleenbibliotheek. Maar het klikte tussen hem en Sylvia, dus mocht hij voorlopig op de pof. 

Uwe Neumahr schreef eerder boeken over schrijvers in en om de Tweede Wereldoorlog, zoals Februari 1933. De winter van de literatuur en Marseille 1940, over de exodus via het zuiden van Frankrijk. Hij vertelt daarin, net als in De boekhandel van de ballingen, zijn verhaal in korte hoofdstukken en verspringt regelmatig in de tijd. Dat leest heel levendig en is ook de ideale vorm voor het naadloos invoegen van anekdotes. En die zijn er volop. Zoals het drama met de publicatie van Ulysses, waarvoor Beach haar zaak en persoon in de waagschaal stelde en waarin Joyce haar uiteindelijk schandelijk zou behandelen. Of Sylvia’s pogingen om Walter Benjamin, Arthur Koestler en anderen uit handen van de Duitsers te houden. Mooi is ook die over de bijeenkomst waarvoor Sylvia de oude André Gide en de nog Jean-Paul Sartre bijeenbracht voor een van de literaire bijeenkomsten in haar winkel, een debat dat jammerlijk maar vermakelijk mislukt. Desondanks alle puur literaire evenementen die ze organiseerde bleef Shakespeare and Company voor veel schrijvers toch ook de genoeglijke  ontmoetingsplek, de leeszaal, het clubhuis, en zelfs een postkantoor en grenswisselkantoor.  

De foto op de omslag van het boek is genomen in 1928. De wat slungelachtige man is Hemingway, de vrouw naast hem Beach. De vrouw geheel links is Adrienne Monnier, een Française die de boekhandel La Maison des Amis des Livres runde, schuin tegenover die van Beach. En de vrouw met wie zij haar leven deelde, in het appartement boven haar boekhandel. De vrouw ook aan wie zij waarschijnlijk haar leven te danken had toen Monnier Sylvia, nadat deze door de Duitsers was gevangengezet, na eindeloos gedoe vrij wist te krijgen. De oorlog zouden zij beiden overleven. De bevrijding zou voor hen zelfs een persoonlijk, feestelijk tintje krijgen: eind augustus 1944, nadat de komst van de geallieerden in Parijs dagenlang was aangekondigd, reed een colonne jeeps de Rue de l’Odéon binnen. Met in de voorste, staand, een triomfantelijke Hemingway. In die dagen oorlogscorrespondent. Hij wilde zijn vriendinnen persoonlijk bevrijden. Maar kon maar kort blijven, want was met zijn maten op weg naar Hotel Ritz. Specifieker: naar de wijnkelder ervan.

Uwe Neumahr / De boekhandel van de ballingen. Parijs 1940 – Toevlucht en verzet /  Vertaald uit het Duits door Rogier van Kappel / 311 blz / Querido Facto, 2026 

zondag 5 juli 2026

'Gered' door de atoombom

Het verhaal dat Richard Flanagan vertelt in Vraag 7 is in alle opzichten een vlechtwerk. Het uitgangspunt is simpel: zijn vader heeft zijn leven te danken aan de atoombom. En daarmee Flanagan zelf ook, want zonder die bom had zijn vader de oorlog waarschijnlijk niet overleefd en was hijzelf, van 1961, dus nooit verwekt. Maar dat gegeven is slechts de - beknopte - kern van het verhaal. Vandaar uitwaaierend bespreekt Flanagan de aanloop naar de ontwikkeling van de bom, een soms lichtelijk bizarre voorgeschiedenis; heeft hij het over het leven van zijn ouders, zowel vóór de oorlog als erna; en over zijn eigen jeugd; over zijn leven als beginnend schrijver en wat al niet meer. Vraag 7 is dan ook lastig in een hokje te duwen. Het is een memoir, het is fictie én non-fictie, het zijn essays over wetenschapsgeschiedenis. Soms raak je als lezer even de weg kwijt, vraag je je af wat Flanagan wil met het nieuwe hoofdstuk waaraan je net bent begonnen. Tot het je, soms flink wat bladzijden later, daagt. En je moet erkennen dat Flanagan al die tijd precies wist wat hij aan het doen was. Voor zulke boeken heb ik een zwak.

De atoombom is bij Flanagan niet uitsluitend het resultaat van grensverleggend natuurkundig onderzoek. Integendeel, het idee voor zo’n bom traceert hij, nét iets eerder, in de literatuur. De schrijver H.G. Wells, die al vroeg in zijn loopbaan furore maakte met The War of the Worlds, beschreef hem al in zijn roman The World Set Free (1914). En nu hij toch bij Wells is aanbeland, kan Flanagan de verleiding niet weerstaan de liefdesgeschiedenis tussen de oudere Wells en de jonge Rebecca West, veelbelovend schrijver in wording, smakelijk op te dissen. Om van daaruit op behoorlijk onnavolgbare wijze uit te komen bij de natuurkundige Leo Szilard, een vriend van Albert Einstein, en de ontwikkelingen binnen de nucleaire technologie in de jaren dertig van de vorige eeuw. Szilard schreef de beroemde brief aan president Roosevelt - die Einstein mede ondertekende - hem aansporend het onderzoek naar zo´n bom in gang te zetten. En vanzelfsprekend neemt Flanagan meermaals even plaats op de jump seat bij de mannen in de Enola Gay, de B-29 Superfortress die de eerste atoombom op Hiroshima wierp. De bom die zijn vader, die na jaren Japanse dwangarbeid in een kolenmijn meer dood dan levend was, net op tijd de vrijheid zou teruggeven.

Net als in veel van zijn andere boeken komt Flanagan hier uiteindelijk ook weer uit bij Australië, zijn vaderland. In dit geval bij Tasmanië, waaruit zijn ouders afkomstig waren. Schrijven over het karakter van een landschap en de verbondenheid die je daarmee kan voelen, kan hij als geen ander. Las je nog nooit zijn spetterende roman De smalle weg naar het verre noorden, doe dat dan nu. Stop hem in de vakantiekoffer. Krijg je geen spijt van. Maar dat geldt ook voor Vraag 7. De hoofdstukken waarin Flanagan zijn vader na de oorlog laat terugkeren naar zijn geboortegrond om zijn leven weer op te pakken, zijn dan ook de mooiste van dit volstrekt eigenzinnige boek. 

Richard Flanagan / Vraag 7 Vertaald uit het Engels door Thijs van Nimwegen / 248 blz / Koppernik, 2026

Gelezen versie: Question 7




zondag 21 juni 2026

De 'faux pas' van Pyke Koch

Het is een goed gebruik om in een non-fictie of wetenschappelijk boek je dank uit te spreken jegens degenen die jouw bij het onderzoek en het schrijven hebben geholpen. Dat is dan ook wat Susana Puente (1992, New York) in de inleiding van De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch keurig doet. Maar ik gleed zo ongeveer van mijn stoel toen ze dat rijtje namen afsloot met: ‘Maar mijn diepste dank gaat uit naar de Koch-kenners die weigerden met mij te praten: zonder hen zou ik nooit zo geïnspireerd zijn geraakt om zo veel jaren in hun land deze vreemde, slecht gekende en te weinig bekende kunstenaar te onderzoeken.’ Oei, daar had je het al. Al na nauwelijks vijf bladzijden in de inleiding gooit Puente de knuppel in het hoenderhok. Ze heeft het fatsoen die ‘weigeraars’ niet bij naam te noemen, maar acht het wel nodig om op deze prominente en opvallende plek aandacht te vragen voor het feit dat er over Pyke Koch (1901-1991), over de man én de kunstenaar, verschillende opvattingen bestaan. Die soms zo diepgaand zijn dat vakgenoten daarover niet met elkaar willen spreken. 

Nou is het gedoe over Pyke Koch niet nieuw. Het was voor mij juist een van de redenen de biografie te lezen, uit nieuwsgierigheid. Waar gaat het om? Eind jaren dertig ontwikkelde Koch zich tot een fervent aanhanger van het nationaalsocialisme. Een fascist in hart en nieren, die in artikelen en andere publicaties de ideeën van het nationaalsocialisme verkondigde en verheerlijkte. Hoewel hij al binnen enkele jaren moet hebben aangevoeld dat hij hiermee op de verkeerde weg was en vervolgens probeerde zijn straatje schoon te vegen, was dat te laat. Na de oorlog was er voldoende bewijsmateriaal om hem een straf op te leggen. Maar door eigenhandig de voortgang van de verhoren te traineren, alsmede door afnemende interesse bij de speciale rechtbanken, wist hij aan een stevige veroordeling wegens collaboratie te ontkomen, het werd een expositieverbod van enkele jaren.  Daarna ging hij weer aan de slag, alsof er niets was gebeurd.

Nu was Koch, zeker technisch gezien, een fenomenaal goede schilder. Maar indrukwekkend kun je zijn beste werk ook noemen. Wie wel eens een van zijn vroege vrouwenportretten heeft gezien, bijvoorbeeld Bertha van Antwerpen of De schiettent, beide uit 1931, zal die niet snel vergeten. De vrouwen staan groot in beeld, de voorstelling is onaangenaam belicht en het geheel ademt een vleugje magisch realisme. Het waren voorstellingen die vragen opriepen. In de jaren voor de oorlog was dat in binnen- en buitenland een geliefd concept, al heel kocht Museum Boijmans De schiettent. En ook in sociaal opzicht zat Koch goed in z’n vel: Charley Toorop gaf hem in 1935 een plekje op haar monumentale schilderij Maaltijd der vrienden.

Maar zomaar doorgaan na de oorlog? Museumdirecteuren en kunsthistorici zaten daar wel mee in hun maag, al sleet dat gevoel vrij snel. Koch was natuurlijk fout geweest, maar iedereen kan fouten maken was de gedachte. Als hij daarna de dwaling maar inziet. En bovendien: wat er ook is gebeurd, hij blijft een geweldige kunstenaar. De man en zijn kunst werden in deze denktrant van elkaar losgeknipt. In de publicaties die sindsdien over Koch verschenen, was dat het nieuwe narratief. En gaandeweg volgden de musea. Het werk van Koch werd weer salonfähig, hij kreeg tentoonstellingen. 

Susana Puente maakte in 2017 kennis met het werk van Koch, toen zij een stage liep bij de Pyke Koch Stichting en het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD). Ze assisteerde bij het opbouwen van een digitale oeuvrecatalogus van het werk van de kunstenaar. Die zou verschijnen wanneer de Stichting haar omvangrijke archief met persoonlijke documenten van Koch, het Pyke Koch Archief, aan het RKD zou overdragen. Ook ter gelegenheid daarvan zou het Centraal Museum in Utrecht een overzichtstentoonstelling organiseren. Toen Puente die bezocht was ze verbaasd. Ondanks de veelheid aan egodocumenten en andere archiefstukken, waarvan ze er zelf veel onder ogen had gehad, werd er heel weinig gedaan met Kochs sympathie voor het nationaalsocialisme. Ja, het befaamde Zelfportret met haarband uit 1937 was inderdaad een overduidelijk blijk van sympathie voor het nationaalsocialisme. Maar die fase had bij Koch maar heel kort geduurd, en hij was snel daarna tot inkeer gekomen. De politiek en de kunstenaar waren in Utrecht nog steeds twee zaken die weinig met elkaar te maken hadden.

Voor Puente was het daarmee duidelijk: Pyke Koch zou de jaren daarop haar studieonderwerp zijn. Met als doel het beeld van Koch indien nodig bij te stellen. In artikelen en eventueel een monografie de man als geheel te beschouwen, als mens, kunstenaar én denker. Daarbij zou ze het oeuvre dus beschouwen als bronnenmateriaal, omdat het in het grote geheel nieuwe interpretaties zou kunnen opleveren. Die aanpak brengt risico’s met zich mee, realiseerde ze zich. Wetenschap baseert zich immers op bronnen, op hard bewijs. Kunstwerken of een heel oeuvre zo gebruiken is meestal not done. Hoogstens als circumstantial evidence. Ze begaf zich dus op glad ijs.

Lukt het haar? Weet ze te overtuigen? Ja, in behoorlijk wat gevallen komen haar redeneringen, waarvoor ze nu steeds gebruik maakt van meerdere aspecten én jou als lezer de prima kleurenafbeeldingen voorlegt, verhelderend op mij over. Al is er heel af en toe sprake van iets ‘willen zien’ zien in een voorsteling. Maar dat is inherent in de gekozen werkwijze. Haar opstelling in dit betoog is trouwens sympathiek: ‘Velen zullen het niet eens zijn met mijn interpretaties. Dat is prima. Mijn doel is niet om de lezer te overtuigen van mijn absoluut gelijk. Ik wil alleen laten zien dat mijn interpretatie mogelijk is, en plausibel, als je maar diep genoeg graaft. Waarom zou je dat niet doen? Als Kochs werk wordt besproken, laat het dan niet oppervlakkig of halfslachtig gebeuren, maar met vuur en volledige inzet – of anders liever niet.’ 

Susana Puente / De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch / 360 blz / Prometheus, 2026 // Foto Susana Puente: Jeanette Huisman

maandag 15 juni 2026

Schelmenroman wordt solotoneel

Van den vos Reinaerde: ik heb er altijd een wat moeizame relatie mee gehad. Zoals met meer middeleeuwse werken uit onze literatuur – Karel ende Elegast, Hadewijch, Beowulf. Al vanaf de middelbare school. Voor mij als zeventienjarige waren deze verplichte nummers niet heel spannende onderdelen van de literatuurlessen. Lestijd die je in mijn ogen beter had kunnen besteden aan de moderne en hedendaagse literatuur die op dat moment, we schrijven midden jaren zeventig, veel te bieden had. Maar sinds enkele jaren zie ik in dat ik fout zat. Het lezen van het indrukwekkende De Reynaert van Frits van Oostrom heeft mij de ogen geopend, zoals dat heet. In een prachtig opgebouwd betoog doet Van Oostrom wat hij al zo vaak eerder deed: hij neemt je mee in de wereld van de middennederlandse literatuur, schetst de maatschappelijke en sociale context waarin de Reynaert kon ontstaan en fileert de tekst als was hij een volleerd dramaturg. 

Op basaal niveau is het verhaal van de vos eenvoudig en overzichtelijk. Tijdens de jaarlijkse hofdag waarop alle dieren het bewind van de koning, Nobel de leeuw, komen vieren, worden meerdere aanklachten tegen Reynaert de vos ingediend: moord, verkrachting, blindmaking.  Omdat Reynaert als enige niet aanwezig is, geeft Nobel aan achtereenvolgens Bruun de beer, Tybeert de kater en Grimbeert de das opdracht hem te arresteren. De eerste twee laten zich door listen van Reynaert in de luren leggen, de derde lukt het om de vos voor de rechtbank te brengen. Maar, sluw als hij is, weet deze tijdens het proces de koning wijs te maken dat hij de locatie weet waar een vorstelijke goudschat is begraven en dat hij die aan de koning zal onthullen in ruil voor gratie. Dat lukt, en Reynaert weet zelfs nog de benen te nemen voordat de koning doorkrijgt dat hij is bedrogen.

De auteur van de Reynaert is ons niet bekend, evenmin als de datering. Over dit laatste bestaat wel enige consensus, het zou omstreeks 1260 geweest kunnen zijn. Een  origineel manuscript ontbreekt, we moeten het doen met latere handschriften of delen daarvan wat de zaak compliceert. Dat geldt trouwens ook voor de rijkdom aan vroege versies, in meerdere talen, wat lijkt te wijzen op een vroege en grote populariteit en mogelijk een orale traditie, als laatmiddeleeuws toneelspel. 

Deze wat lange, door mij al eerder geschreven inleiding brengt ons precies bij het onderwerp van dit blogje: ReinAard. Schelmenroman. Een bewerking van het verhaal van de vos door Tom Lanoye. Hij deed zoiets al eerder – Goethe, Shakespeare, Tsjechov, Euripides – maar hij gaat nu heel ver. Gunt zichzelf zeeën van literaire vrijheid. Het boek verscheen vorig jaar, was een genot om te lezen, maar onlangs verscheen wat je de overtreffende trap zou kunnen noemen: het luisterboek, voorgelezen door Lanoye zelf. De term ‘voorgelezen’ past hier eigenlijk niet, ‘geacteerd’ is passender. En Lanoye’s versie van de ReinAard leent zich daar uitermate voor. Kon je als lezer vorig jaar al zien dat Lanoye van de tekst een spel had gemaakt – de afwisselende typografie is daarbij een leidraad, evenals de ‘streetversion’ van het Engels, een soort rappen, waarop hij overschakelt wanneer ReinAard zichzelf verliest - als luisteraar beleef je dat daadwerkelijk. 

Dit roept om een voorbeeld, een citaat. Welnu, misschien gewoon de eerste alinea van het spel, waarin Lanoye een beetje de draak steekt met zichzelf:

'Ouverture tussen biecht en belofte.

Wat is er fokking fout met mij? / Ik smeet mij wel, zelfs voor goed geld, / Op het verminken van the Shake / En het verbasteren van Vondel. / Geen meesterwerk was mij te heilig - / Amok en bagger maakte ik / Van Goethe en antieke Grieken, / Van tering-Tsjechov, schele Sartre en de rest van de reutemeteuten … / Geen vege voorvader bleef veilig: / Ik goot ze door mijn zeefje tot / Ze klonken als door God gezonden. / (Wel eerst door mij gevierendeeld, Verknipt, verknapt en weer verbonden.) /  Maar nooit, putain! – hoe is dat mogelijk? – Zocht ik mijn stuff in eigen streek. / Juist ik. Gescheten, uitgespogen, / In ’t Zotte Land van Waas en Wee / Waar ooit een vos de wellust preekte.'

En zo gaat het een kleine zeven uren lang door. Luisteren wordt hier een vorm van zinnelijk genot. Lanoye toerde met deze tekst, als solotoneel, langs de theaters in Vlaanderen en Nederland. Ik stel me voor dat wat in de beleving van veel bezoekers altijd ‘een schijnbaar simpel middeleeuws verhaaltje’ was, aan het slot van het spel voor velen een ziel heeft gekregen. Dat is dan te danken aan Lanoye, maar zeker ook aan de hierboven al genoemde Frits van Oostrom, zoals Lanoye verderop in de ouverture grif toegeeft: 

'Wie blijft? / Die schrijft zich in voor vuur / En avontuur. Dat zeg ik niet / Om bestwil of uit hovaardij. / Fok! Ei zo na was er geen shit / Van dit geschrift in huis gekomen. / Het is mij in de maag gesplitst - / Al was er weinig splitsen nodig, / En ook geen sprake van gekift / Of hang naar dwang - / door niemand minder dan: / Professor Frits. Dé specialist / In vossenzaken. Kenner der / Godganse middeleeuwen, met hun letteren en tetteren, / Hun schitterende schetteren - / Daarvan is Frits de beste connaisseur. / Maar ook van mijn, in vergelijk / Daarmee, modeste repertoire.'

Tom Lanoye / ReinAard. Schelmenroman / 321 blz / Prometheus, 2025 // Luisterboek, geacteerd door de auteur / geproduceerd in samenwerking met De Uitsprekerij / 2026 / 6 uur en 44 minuten

donderdag 4 juni 2026

Homerus, maar dan anders

De uitgever van Zoon van niemand, de zojuist verschenen roman van Yann Martel, heeft op de cover van het boek een sticker laten plakken met de tekst ‘Van de auteur van Life of Pi’. Goudkleurig, het doet denken aan een medaille. Waarom doet hij dit? Uit trots dat hij de Nederlandse editie van deze roman mag uitgeven? Yann Martel is immers een topauteur. Of - een meer venijnige gedachte - om de potentiële koper van het boek eraan te herinneren wie die Yann Martel ook al weer was? Want Life of Pi verscheen vijfentwintig jaar geleden. En ja, het was een weergaloze roman. En ja, het was een bestseller waarvan in tientallen taaledities miljoenen exemplaren over de toonbank gingen. Om over de cijfers van de door Ang Lee geregisseerde speelfilm naar het boek maar te zwijgen. Maar heeft Martel dan sindsdien niets anders geschreven waar je als uitgever naar kan wijzen? Ja en nee.

Life of Pi was de tweede roman van Martel (1963). Hij verscheen op de dag na 9/11. Die dag waarop velen zich realiseerden dat de wereld was veranderd. Dat gold ook voor Martel, maar dan in iets positievere zin. Hij was nu niet langer een beginnende schrijver die iets te vaak door uitgevers werd afgewezen. Integendeel, de uitgevers zaten nu achter hem aan. Maar hun hoge verwachtingen zouden niet helemaal worden ingelost. In de twee romans die volgden, Beatrice en Vergilius (2010) en De hoge bergen van Portugal (2016) koos Martel weliswaar opnieuw voor  vrij absurde verhaallijnen, maar lezers én de meeste recensenten waren niet enthousiast. Die twee romans nog eens doorbladerend bekruipt me het gevoel dat Martel een meester is in het bedenken van een krankzinnig plot, maar dan in de uitwerking zichzelf in de weg zit.

Moet het verse succes dan komen van Zoon van niemand, zijn nieuwste roman? Trouw aan zijn werkwijze bedacht hij opnieuw een hoogst origineel verhaal. Harlow Donne, een Canadese wetenschapper, weet een onderzoekbeurs voor Oxford te bemachtigen. Hij wordt geacht daar in oude teksten op zoek te gaan naar vermeldingen over economische activiteiten. Zijn echtgenote Gail en dochtertje Helen blijven thuis, hen zal hij schrijven en bellen. In Oxford legt hij weinig contacten, wat hem voor zijn speurtocht goed uitkomt; de hoeveelheid tekstfragmenten in Oud-Grieks die hij moet doorploegen is overweldigend, en vaak ook nog eens op uiterst broze snippers (letterlijk!) papyrus die hij tot grotere gehelen probeert te puzzelen. En dan komt er een doorbraak, ofschoon die buiten zijn opdracht valt: herhaaldelijk komt hij vermeldingen tegen van 'Psoas, de zoon van niemand’. Gericht daarop zoeken levert al snel een duidelijker beeld. Het zijn fragmenten van een verloren gegaan epos over de Trojaanse Oorlog. Een tegenvoeter van de Ilias. Een sensatie, denkt Harlow. Zijn wetenschappelijke doorbraak, dat waar hij al niet meer op had gehoopt.

Vanaf dat moment bestaat zijn gezin eigenlijk niet meer voor Harlow. En ook de adviezen van de professor voor wie hij het project uitvoert slaat hij in de wind. Martel weet de trance waarin Harlow langzaamaan raakt subtiel te verwoorden. Hij doet dat op twee manieren: eerst presenteert hij je de door Harlow gevonden en tot een eenheid samengevoegde fragmenten, om die stukken vervolgens van een (wetenschappelijk) commentaar te voorzien, door Harlow zelf. Daar tussendoor dringt zich steeds sterker de communicatie met het thuisfront, met vrouw en dochter die niet helemaal kunnen vatten waar hun echtgenoot en vader mee bezig is. En mocht je denken dat dit voor een lezer nogal onoverzichtelijk moet zijn, dan ken je Martel nog niet. Hij bedacht iets slims, en tegelijk heel simpels. De fragmenten uit de Psoas vullen de bovenste helft van de bladzijden en, na het einde van een fragment, Harlows commentaar de onderste helft. Waarbij dus, voor het goede begrip, steeds één helft van de pagina leeg is. Het is even wennen, maar leest dan heel soepeltjes.

Ik heb geen klassieke opleiding, maar ken wel het werk van Homerus. En zie wat Martel met dat concept uitvoert: hij geeft er een twist aan. Bij Homerus zijn de personages, of het nu (half)goden, adel of stervelingen zijn, bijna altijd ‘de zoon van iemand’. Zo zat die maatschappij in elkaar, zo komt dat in de geschriften uit die tijd terug. Maar bij Martel is niet bekend wie de vader van Psoas was. Hij is niet afkomstig uit de kringen waar dat wordt bijgehouden of genoemd. Hij komt uit het volk. En alleen door zijn succesvolle betrokkenheid bij de Trojaanse Oorlog is zijn naam op traditionele wijze bewaard gebleven, in die geschriften terechtgekomen: Psoas, ‘de zoon van niemand’.  

Heb ik deze roman met plezier gelezen? Ja, eigenlijk wel. Maar misschien is het eerder bewondering die ik voel. Dat Martel erin is geslaagd een toch vrij uitgekauwd verhaal nieuw leven in te blazen. De fragmenten van de Psoas lezen heel vloeiend, hebben soms iets zangerigs. En Harlows commentaren en toelichtingen daarop zijn vaak to-the-point, snedig is misschien het juiste woord. En tussen de regels door roert hij ook nog eens van alles aan waarover hij iets te zeggen heeft, van zinloos geweld en de verheerlijking daarvan tot aan de vraag wat belangrijker is, vriendschap of wetenschap. Hij zal met betrekking tot dit laatste een keuze maken, maar of hij daar gelukkig van zal worden …? 

Yann Martel / Zoon van niemand / Vertaald uit het Engels ‘Son of Nobody’ door Hilje Papma, Marlies Weyergang Arwin van der Zwan / 336 blz / Prometheus, 2026

zaterdag 30 mei 2026

Tijdloze liefdes

Je ziet ze nog wel eens rijden, op mooie zomerse dagen. De 2CV, oftewel de Lelijke Eend. In z´n tijd vooruitstrevend, vooral door de nooit meer overtroffen vering. Maar nu, een kleine tachtig jaar later, op bijna alle andere vlakken ingehaald door de concurrenten. Wie er nu nog in rijdt doet dat uit pure, tijdloze liefde. Wie er nu nog in rijdt mag hopen nooit in een frontale botsing terecht te komen, want over een kreukelzone beschikt het Eendje niet, om het maar niet te hebben over airbags. Ik moest daar aan denken tijdens het lezen van VHS. Mijn eerste liefde van Thomas Heerma van Voss. In diens geboortejaar, 1990, staakte Citroën trouwens de productie van hun meest succesvolle auto ooit, maar Thomas zou al snel verslaafd raken aan een ‘eigen’ wonder der techniek: de videoband. Ofschoon ook die beelddrager inmiddels is ingehaald door nieuwe en veel betere vindingen, vergaat het Heerma van Voss net als met die verstokte liefhebbers van de Eend: je kan er geen afscheid van nemen. De herinneringen zijn te mooi.

VHS. Mijn eerste liefde is een klein boekje van net 60 bladzijden. Zo’n charmant hebbedingetje dat je in een uurtje uit hebt maar dat nog lang blijft hangen. Te lezen als een brief aan zijn beste vriend, met wie Thomas indertijd zijn liefde voor films op de videoband deelde. Jarenlang was videotheek Filmplan, bij hen om de hoek in Amsterdam-Zuid, het centrum van hun wereld. Zij huurden er zo ongeveer vanaf hun achtste of negende elke week een film, na die zorgvuldig te hebben uitgezocht. Een ‘miskoop’ konden ze zich eigenlijk niet veroorloven, want hun gezamenlijke zakgeld was nét genoeg voor één film. Die ze dan gedurende de week meermaals bekeken. 

Anne Marie, de exploitante van Filmplan, was in een vorig leven filmprogrammeur geweest, wist alles van speelfilms en videobanden en vertelde daar de jongens graag over: 'Haar hoofd was een vergaarbak van filmtrivia. Ze liet op haar kleine tv’tje tegenover de toonbank The Shining zien en meldde terloops dat ‘Here’s Johnny!’ geïmproviseerd was, ze wees naar een poster van The Matrix en zei dat al die broncodes sushirecepten waren.' Ze was hun filmmoeder. 

Filmplan is in het geheugen van Thomas gegrift. De geur van de plastic hoezen, Anne Marie op haar inklapbare regisseursstoeltje, haar doorrookte stem. Maar de meeste indruk maakt na al die jaren toch nog steeds de techniek van de videoband: '… het doffe klikgeluid waarmee zo’n dikke, onbuigzame plastic hoes van een videoband openging, zoals de broodtrommels klonken die ik dagelijks meekreeg naar school. Vervolgens: de wiegende klep van de JVC-recorder, een soort brievenbus die toegang gaf tot de ingewanden van het apparaat. Het gebrom wanneer het apparaat vervolgens een film inslikte, gevolgd door een geruststellend geratel. […] Ik herinner me het mechanische gesputter dat uit de speler kwam wanneer we een VHS-band terugspoelden. Minuten nam het in beslag. Iets voor de film bij het begin belandde, ging het spoelen al wat trager, alsof de video afremde.' Netflix maakt geen geluid wanneer ik het activeer, realiseer ik me. Beetje doods, toch?

In 2006 werd de laatste grote Hollywoodfilm op VHS uitgebracht. In datzelfde jaar veranderde de status van Thomas en zijn vriend, van klant werden zij medewerker van Filmplan. Ieder van hen werkte een avond in de week, films mochten ze nu onbeperkt en gratis lenen. Op rustige avonden keken ze samen in de winkel. In 2009 sloot Anne Marie de zaak. De jongens hielpen haar het interieur te slopen, het pand leeg op te leveren. Ze mochten alle films die ze maar wilden meenemen. Maar ook zij keken al niet meer op VHS.

Een memoir als dit loopt gemakkelijk het risico te resulteren in effectbejag, maar Heerma van Voss weet dat te vermijden. Zijn toon is doorvoeld, zijn emotie oprecht. Het mag nog wel eens worden genoemd dat hij langzaamaan een oeuvre neerzet dat ronduit imposant is. Zo schreef hij de laatste twee jaar een reeks artikelen voor de website van het Literatuurmuseum, waarvan een deel uitmondde in de prachtige bundel De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Kort daarvoor imponeerde hij met de semi-autobiografische roman Het Archief.  Zo’n verrassend ‘tussendoortje’ als VHS. Mijn eerste liefde past daar qua aanpak naadloos in. 

Thomas Heerma van Voss / VHS. Mijn eerste liefde / 64 blz / Cossee, 2026

dinsdag 12 mei 2026

Na dertig jaar Siberië

Het is een cynische gedachte, maar ze valt niet te ontkennen: de manier waarop Vladimir Poetin zijn Rusland laat opereren plaatst het land in het centrum van de belangstelling. Wie graag over Rusland leest kan er zijn voordeel mee doen, want uitgevers brengen een constante stroom aan publicaties op de markt met historische overzichten, politieke analyses en kijkjes in het brein van Poetin, om maar enkele onderwerpen te noemen. Een opvallende verschijning in die overvloed is Alles stroomt van Vasili Grossman. Opvallend omdat het gaat om een herdruk van een oudere titel. Er verscheen in 1993 al eens een Nederlandse editie, en Grossman  voltooide het manuscript nog veel eerder, in 1961. Het boek is dus 65 jaar oud. En waarom dan nu toch een herdruk? Heel simpel, omdat de boodschap nog steeds hoogst actueel is. Urgenter dan ooit, zou ik haast zeggen.

Vasili Grossman (1905-1964) was een Russische journalist en oorlogsverslaggever, vooral  bekend door zijn romans Leven & Lot en Stalingrad, waarin hij de strijd van het Russische leger tegen de Duitsers gedurende de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Het zijn omvangrijke boeken, elk zo’n duizend bladzijden. Dat hij ooggetuige was van de gebeurtenissen – de slag om Stalingrad, de inname van Berlijn, de bevrijding van Treblinka – vindt zijn weerslag in het rauwe realisme van veel van de scènes. Dat is ook de reden dat Grossman de boeken niet, of slechts in zwaar gekuiste vorm, mocht publiceren. Waarbij wellicht ook meespeelde dat hij van Joodse, weliswaar niet praktiserend, afkomst was. Hij schreef Alles stroomt, wat zijn laatste roman zou worden, tussen 1954 en 1961. Toen hij drie jaar later stierf aan kanker, ging hij ervan uit dat het boek nooit gepubliceerd zou worden. Dat lukte inderdaad pas tijdens Glasnost.

Alles stroomt is opgebouwd rond Ivan Grigorjevitsj. We ontmoeten hem – een vijftiger in armoedige kledij, oud voor zijn leeftijd, stilletjes – in de trein van Siberië naar Moskou. In zijn kleine houten koffertje, met afbladderende verf, draagt hij wat schamele bezittingen en een homp brood. Het is 1954, Jozef Stalin is het jaar ervoor overleden. Daaraan dankt Ivan het dat hij nu in de trein zit, richting Moskou. Vrijwel alle politieke gevangen die onder Stalins bewind waren vastgezet kregen na diens dood gratie. Ivan zat in een Siberisch werkkamp omdat hij zich als student aan de universiteit had uitgesproken tegen de dictatuur. Hij zou er dertig jaar doorbrengen, zonder enig teken van leven van zijn familie of de autoriteiten. Iedereen leek hem vergeten.  

In Moskou bezoekt hij als eerste zijn neef Nikolaj Andrejevitsj, vooral om bij te praten over de lotgevallen van zijn familie. Maar Nikolaj, die zich schuldig voelt omdat hij al die jaren geen contact heeft gezocht met zijn neef, of diens brieven beantwoordt, praat liever over zichzelf. Over zijn succes als wetenschapper, over zijn luxe leventje als partijlid. Wat hij Ivan niet vertelt is dat hij als zelfbescherming altijd de leiders heeft gevolgd, hun wensen ingewilligd. Bijvoorbeeld toen hij en zijn collega’s in 1938 moesten stemmen over de doodstraf voor Nikolai Boecharin, een vijand van Stalin. Hij had ingestemd. Heel bewust niet getwijfeld: 

‘Want zelfs als hij in zijn hart had geweten dat Boecharin onschuldig was, zou hij toch voor de doodstraf hebben gestemd. Het stemde gemakkelijker als je niet twijfelde, daarom had hij zichzelf wijsgemaakt dat hij niet twijfelde. Niet stemmen kon hij niet, hij geloofde immers in de verheven doelstellingen van de partij van Lenin en Stalin.' Maar Ivan had ook zonder woorden ook wel begrepen dat zijn neef zichzelf had verloochend. Hij had weliswaar niemand verraadden, maar het ook voor niemand opgenomen.

Grossman laat Ivan nog doorreizen naar Leningrad en vervolgens naar een provinciestadje, waar hij een baan als slotenmaker weet te bemachtigen en een relatie krijgt met een lieve  vrouw, Anna, bij wie hij een kamertje huurt. Hij wisselt Ivans verhaal af met beknopte essays waarin hij de Russische maatschappij in context beziet. Bijvoorbeeld over de politieke ontwikkelingen van de afgelopen twee eeuwen in Rusland en het Westen. Waar die in het Westen over het algemeen hebben geleid tot vrijheid, was het resultaat in Rusland juist onvrijheid. Of het nu de absolute heerschappij van de tsaren was, het systeem van lijfeigenschap, de uitkomst van de revolutie of het project van collectivisatie: onvrijheid was het gevolg, onderdrukking de gemene deler. Van die onderdrukking was het maar eens kleine stap naar de Siberische kampen, waar veel gevangenen niet werden opgesloten omdat ze iets hadden gedaan, maar omdat ze dat zouden kunnen doen.

Je voelt Ivan verloren rondlopen, in een land dat hem vreemd is, dat in dertig jaar een volkomen andere wereld is geworden. Wanneer Anna overlijdt en niets hem meer bindt, besluit hij naar de Zwarte Zee te reizen om zijn geboortehuis nog eens te zien. Op zoek naar iets dat hem vertrouwd is. Inmiddels bespeurt hij bij zichzelf ook de neiging in die termen over zijn leven in het kamp te denken.

Grossman kiest in Alles stroomt een verrassend perspectief. Romans over de Goelag, die van Aleksandr Solzjenitsyn voorop, zijn er te over. Maar het verhaal van een terugkeer is nieuw voor mij. Met weinig woorden schept Grossman een sfeer, een gevoelsleven. Je hebt al snel met Ivan te doen, voorvoelt ook dat het misschien slecht zal aflopen. Ronduit prettig is de Grossman van de uitgesproken meningen, waarin je de oorlogsverslaggever herkent die net vier jaar bloedige veldslagen achter de rug heeft. Die is voor duidelijkheid.

Vasili Grossman / Alles stroomt / Vertaald uit het Russisch door Anne Stoffel /  Met een nawoord van Lisa Weeda / 221 blz / Uitgeverij Balans, 2026

dinsdag 5 mei 2026

Hutsch

Een hond als onderwerp van een roman, je denkt dat dit niet al te vaak voorkomt. Maar na enig nadenken borrelen ze toch op: Rekel (2017) van Koos van Zomeren, Tikker (2018) van Jan Siebelink en misschien wel de mooiste, Uit het leven van een hond (2025) van Sander Kollaard. Het recent verschenen Zonderhond van Bert Natter mag daar nu aan worden toegevoegd. Een aanvulling die zich onderscheidt van de anderen omdat de hond bij Natter niet gewoon voor de gezelligheid is aangeschaft, maar een heel specifieke functie vervulde in het gezin: het was de hulphond van Lidewij, de jongste dochter. Bij Lidewij werd op haar vierde, in 2008, een ontwikkelingsachterstand vastgesteld. En op haar elfde bracht genetisch  onderzoek aan het licht dat ze was geboren met een spontane genmutatie, die de oorzaak is van haar gebrekkige motoriek, verstandelijke beperking en het lage sociaal-emotionele niveau waarop ze functioneert. Hutsch, een zwarte labrador, werd in de jaren daarna haar steun en toeverlaat. 

Tijdens haar tienerjaren woonde Lidewij nog thuis. Hutsch maakte het mogelijk dat ze op basaal niveau een zekere zelfstandigheid kon ontwikkelen, bijvoorbeeld door het uitlaten van haar hond. Maar ook de knuffelfactor was van belang. Niet alleen voor haar, ook voor de andere gezinsleden. Iedereen had op zijn of haar manier een band met Hutsch. Hij maakte het leven leuker en beter, vervulde daarmee een centrale rol. 

Natter schreef Zonderhond nadat Hutsch op – voor een hond – vrij jonge leeftijd was gestorven. Hij noemt de tekst een requiem, een mis voor de doden. Zonderhond is een verhaal over familie, liefde en het verlies van dierbaren, met een hoofdrol voor de hond die jarenlang een levensgezel was, zegt de achterflap. Zo is het. Mooi gedaan!

Bert Natter / Zonderhond. Requiem voor een huisdier / 127 blz / Thomas Rap, 2026

zondag 3 mei 2026

Martha Gellhorn, oorlogscorrespondent

De mooiste foto´s zijn die waarin van alles samenkomt. Zoals deze. Hij moet zijn genomen ergens in de jaren tussen 1937 en 1945. De geportretteerde is Martha Gellhorn (1908-1998), oorlogscorrespondent. Zij zit aan een bureautje dat is bezaaid met boeken, vellen met aantekeningen en een draagbare schrijfmachine. Tussen haar vingers houdt ze een sigaret, de rook kringelt omhoog. Aan het meubeltje heeft ze twee foto´s van een man geplakt: gebruind type, rond de veertig, snor, breed lachend. Haar geliefde? Jazeker. Het is Ernest Hemingway, de romanschrijver die haar in 1937 vroeg met hem mee te gaan naar Spanje, om  gezamenlijk verslag te doen van de Burgeroorlog. Ze ging op zijn voorstel in, waarmee een heftig deel van haar leven een aanvang nam. Compleet met een huwelijk met, in 1940, én een scheiding, vijf jaar later, van de wereldberoemde schrijver.

Gellhorn begon haar loopbaan niet als oorlogscorrespondent. Ofschoon de klus die ze daaarvóór, begin jaren dertig, aannam bij tijd en wijle ook hectisch kon zijn. In opdracht van president Roosevelt reisde ze enkele jaren door de Verenigde Staten om de stemming onder de bevolking te peilen over de New Deal, het programma waarmee de president de economische depressie en de hoge werkloosheid bestreed. Ze rapporteerde rechtstreeks aan de directeur van het programma, Harry Hopkins. ‘My Dear Mr. Hopkins’, was de vaste aanhef boven haar brieven aan hem. Over hem schreef Geert Mak vorig jaar zijn monumentale biografie De wisselwachter. De New Deal bracht veel goeds, maar op de werkvloer bleek ook dat veel mislukte. Het boek dat Gellhorn daarover in 1936 publiceerde, The Trouble I’ve Seen, werd een groot succes. Haar naam was gevestigd. 

In Spanje koos Gellhorn haar eigen insteek. In haar reportages voor het Amerikaanse Collier´s Weekly zoek je tevergeefs naar de bloedige militaire strijd. Hoe de dagelijkse sores van de oorlog  het leven van de inwoners van het belegerde Madrid overhoop gooide, dát interesseerde haar. En gelukkig ook de lezers en lezeressen van Collier´s. Geert Mak, die voor deze selectie van Gellhorns artikelen een inleiding schreef, typeert haar toon als volgt: ‘scherp observerend, strak en tegelijk emotioneel, met een uitstekend oog voor het menselijk detail.’

Gellhorn en Hemingway bleven, met onderbrekingen, een kleine drie jaar in Spanje. Voor hen liep de oorlog fout af, de Republikeinse regering werd door generaal Franco verslagen. In januari 1939 waren ze vanuit hun hotelkamer getuige van de val van Barcelona en de afscheidsparade van de Republikeinse troepen. Het jaar erop trouwden ze – voor hem het derde huwelijk, voor haar het tweede – en verhuisden ze naar Cuba, zijn favoriete stek. Maar waar hij rust zocht om zijn ervaringen te verwerken in romans en verhalen, daar werd zij voortdurend aangetrokken door nieuwe brandhaarden. In 1938 was zij in Berlijn en München, in 1940 versloeg zij de 1940 Fins-Russische oorlog, om vervolgens een trip langs het Kantonese front in China te maken – waarop Hemingway haar overigens wel begeleidde. Maar toen zij in 1943 besloot naar het Italiaanse front af te reizen en met het geallieerde leger op te trekken, - de foto hierboven is gemaakt in februari 1944 - was dat volstrekt tegen zijn zin. Maar zij was niet zo’n vrouw die de orders van haar echtgenoot zomaar opvolgde … Ze zouden in 1945 scheiden.

Als oorlogscorrespondent zou Gellhorn tot op hoge leeftijd tientallen grote en kleinere conflicten verslaan. De selectie die nog door haarzelf werd gemaakt voor Het gezicht van de oorlog – inmiddels als The Face of War uitgegroeid tot een klassieker – is indrukwekkend. En toont opnieuw haar voorkeur voor het verhaal achter het verhaal, voor de human interest. Zoals het ontroerende De jongens van de bommenwerpers, gemaakt in Engeland. En vanzelfsprekend was zij er getuige van hoe de Russen Berlijn innamen. En bezocht zij Dachau, en schreef erover – een zwaardere klus had ze nooit gedaan. 

Een mooi staaltje van haar vindingrijkheid is haar reportage over de landing op D-Day, 6 juni 1944. Zij zou daarover schrijven voor Collier’s maar Hemingway, die vond dat hij als ‘belangrijker’ correspondent het eerste recht had, kreeg de redactie van het tijdschrift zover dat ze hem op de lijst met embedded journalisten plaatsten en niet haar. Zodra de situatie na de landing veilig zou zijn, zouden zij door een fregat aan land worden gebracht om hun reportages te maken. Dit onder voortdurende bescherming van het leger. Gellhorn was boos, maar verzon een list. Zij meldde zich in Londen aan als verzorgster op een hospitaalschip, met als gevolg dat zij al op 7 juni op een Normandisch strand met gewonden liep te slepen. Dit terwijl het schip met embedded journalisten – waaronder Hemingway – nog dagen buitengaats moest wachten. Collier’s plaatste haar verhaal, als hoofdartikel. 

In haar inleiding bij Het gezicht van de oorlog vat Gellhorn heel beknopt haar boodschap samen: ‘Ik schreef heel snel, dat moest wel; en ik was altijd bang dat ik zou vergeten wat precies het geluid, de geur, de woorden en gebaren waren die specifiek voor dit moment en deze plaats waren. Ik hoop dat ik in de loop der jaren een beetje beter heb leren schrijven. Waar het om gaat in deze artikelen is dat ze waar zijn; ze vertellen wat ik gezien heb. Misschien doen ze anderen, net als mij, denken aan het gezicht van de oorlog. We kunnen er nauwelijks te veel of te vaak aan herinnerd worden. Ik geloof dat herinnering en verbeelding de grote afschrikmiddelen zijn, en niet de kernwapens.’

Martha Gellhorn / Het gezicht van de oorlog 1937-1946 / Met een voorwoord van Geert Mak / Vertaald uit het Engels ‘The Face of War’ door Kees Helsloot en Leo Huisman / 302 blz / Atlas Contact, 2025 (vierde druk)

dinsdag 28 april 2026

De Waddenthrillers van Mathijs Deen

Mathijs Deen en het Waddengebied zijn zo´n beetje met elkaar vergroeid, mag je zeggen. In het bijzonder met Vlieland, waar het gezin Deen begin jaren zeventig voor het eerst met vakantie kwam. Op advies van de huisarts. Vanwege de gezonde lucht, die heilzaam zou uitwerken op de longaandoening van Deens oudste broer. Dat bleek inderdaad het geval. Nog heilzamer, maar dan tussen de oren, bleek Vlieland te zijn voor vader Deen. Een wat teruggetrokken man, gewend aan het bosrijke, besloten landschap rondom Hengelo, allergisch voor alles wat zijn dagelijkse routine verstoorde. Maar op Vlieland, onder de eindeloze hemel en de weidse vergezichten, werd hij zowaar vrolijk. Dus werd de zomervakantie voortaan op dat eiland doorgebracht. Wat voor de jonge Mathijs (1962) het begin van een levenslange liefde zou blijken te zijn.

De Wadden. Een geschiedenis

In Deens oeuvre kwam die band de afgelopen jaren steeds sterker naar voren. In 2013 publiceerde hij De Wadden. Een geschiedenis. Een bevlogen neergepend relaas over het gebied, waarvoor hij het opnieuw had bereisd, met bewoners en kenners sprak en talloze archiefstukken en andere documenten raadpleegde. Het bleek een klassieker, het boek wordt nog steeds herdrukt. De novelle Het lichtschip (2020) was minder groots van opzet, maar bood juist in de beperking van plek en handeling een indringend beeld van een wat ondergeschoven aspect van het leven op de Waddenzee. En toen was er, in 2022, ineens een ‘Waddenthriller’.

De Waddenthriller

Aan de benaming moesten we misschien even wennen - het genre bestond immers nog niet – maar dat stond een snelle populariteit niet in de weg. Deens hoofdpersoon is inspecteur Liewe Cupido, midden  veertig, een Duitser van Nederlandse afkomst die daarom door zijn collega´s bij de Bundespolizei See in het Noord-Duitse Cuxhaven ´de Hollander´ wordt genoemd. Cupido is een wat zwijgzame man, opgegroeid op de Wadden. Hij onderzoekt, observeert en analyseert door te luisteren en te kijken. Is ook in staat een stap terug te doen voor het overzicht. Zijn zelfstandige, soms wat afzijdige en eigengereide werkwijze doet enigszins denken aan die van denkbeeldige collega’s als commissaris Maigret en inspecteur Morse. Met die laatste heeft hij gemeen dat het werkgebied in sterke mate sfeerbepalend is: bij Morse is dat Oxford en wijde omgeving, bij Cupido het Nederlandse en Duitse Waddengebied.  

Stoppen op het hoogtepunt

De eerste waddenthriller, De Hollander, verscheen in 2022. En enkele weken geleden verscheen alweer het vijfde deel, De visser. Met daarbij, tot mijn verrassing, het bericht dat Deen de serie daarmee afsluit. Dat lijntjes, uitgezet in vorige delen, weer bij elkaar komen. Jammer dus, maar ook wel klasse, stoppen op het hoogtepunt. Je vermijdt dan het risico van het eindeloze uitmelken van het concept, en dat misschien steeds fantasielozer. 

Maar goed, de vijf delen waarbij het blijft zijn inmiddels een doorslaand succes. De Nederlandse edities halen hoge oplagen, maar in Duitsland is Deen écht een fenomeen aan het worden. Waar die populariteit aan ligt? Enerzijds aan de vakkundige opzet van de verhalen, de structuur volgt de regels van het genre, dwingt je tot doorlezen. Maar misschien nog wel belangrijker is de hierboven al genoemde setting, het Nederlands-Duitse Waddengebied. De sfeer van land en water, in een gebied zonder snelwegen en steden, voelt heel bijzonder. 

Moordzaken

Cupido krijgt te maken met uiteenlopende misdrijven, waarbij er vrijwel steeds een of meer doden zijn te betreuren. In De redder spoelt aan de Engelse kust, in Northumberland, een gehavend skelet aan. Het blijkt het stoffelijk overschot te zijn van een kapitein van een zeesleper die in 1995 tijdens een storm verging boven Ameland. Maar wat begint als een routineonderzoek wordt al snel een moordzaak. In De duiker is het vanaf het begin duidelijk dat er een moord is gepleegd. Wanneer in de Duitse Bocht voor het eiland Amrum een onbekend wrak wordt gevonden, doen duikers een gruwelijke ontdekking: aan de trap van de stuurhut is met handboeien een duiker vastgeketend. De sleuteltjes van die boeien hangen aan een haakje net buiten zijn bereik. Hij ziet ze, maar kan er niet bij. Zo moet hij, waarschijnlijk in paniek zijn luchtfles snel leegzuigend, zijn gestikt. Een moordonderzoek volgt. Maar het is niet altijd de zware misdaad die Cupido op zijn geliefde Wadden tegenkomt. Een wadloper die door een miscalculatie door de stroom wordt meegesleurd lijkt een meer alledaags ongeval. Lijkt …

Een speurtocht die persoonlijk wordt

In het afsluitende De Visser staat Cupido zelf centraal. Daartoe aangezet door het overlijden van zijn moeder besluit hij voor eens en altijd uit te zoeken onder welke omstandigheden zijn vader, een visser, tijdens een winternacht op de Noordzee in februari 1984 verdronk. De oorzaak daarvan is altijd wat onduidelijk geweest. Dat onderzoek wordt een heel persoonlijke speurtocht, waarbij hij ook moet graven in zijn eigen verleden en de grens tussen politieman en zoon gaandeweg oplost. 

Mathijs Deen kan schrijven. Dat wisten we al. Toch dwingt hij daarmee ook ditmaal mijn diepe bewondering af, want dat talent is meervoudig. Het verhaal overtuigt, met zijn stijl laat hij menig collega achter zich en hij springt ook heel behendig om met de structuur. Maar daarnaast is hij ook nog eens een begenadigd voorlezer. Zijn ietwat hese stem doet je dat niet direct denken, maar hij maakt dat qua intonatie en beeldend vertellen meer dan goed. Ik kan dat weten, want ik luisterde alle vijf de waddenthrillers, voorgelezen door Deen zelf. En wat is er meer relaxed dan luisteren naar een professioneel ingesproken audioboek, op een locatie als het zonnige Noordzeestrand, met je blik op het water en de horizon …?

Mathijs Deen / De visser. Een waddenthriller / 352 blz / Alfabet Uitgevers, 2026

zondag 26 april 2026

Bert Natter - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

'Aan het einde van de oorlog is een tour de force van Bert Natter, het getuigt van durf om zo'n intense roman te componeren rond de gebeurtenissen in een concentratiekamp.' [Uit het juryrapport]

De Nederlandstalige literatuur kent een handvol romans waarin de Tweede Wereldoorlog zo indringend wordt beschreven dat de heftigste passages eruit waarschijnlijk nooit meer van je netvlies zullen verdwijnen. Hoe die shortlist eruit ziet? Ik denk dat u net als ik de meest voor de hand liggende titels zo kan opnoemen: Het bittere kruid van Marga Minco, De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans en van Harry Mulisch De aanslag. Aangrijpende en meeslepende boeken, daarom ook al tijden populair voor de leeslijst. Daarnaast zal ieder van ons eigen favorieten hebben. Ik in ieder geval wel. En vorig jaar verscheen een roman die ik per direct op dat lijstje zette: Aan het einde van de oorlog, van Bert Natter

Op de verjaardag van de Führer

Plaats van handeling: een concentratiekamp in het noorden van Duitsland. Het is 20 april 1945, de kanonnen van het Rode Leger bulderen dag en nacht, steeds luider, steeds dichterbij. De kampleiding breekt zich het hoofd hoe dát te overleven wat onafwendbaar op ze afstormt. De gevangenen proberen sowieso in de hectiek van de waarschijnlijk laatste weken van de oorlog het vege lijf te redden, te voorkomen dat ze aan de vooravond van hun redding alsnog de gaskamer in moeten. Het is de avond waarop Hitlers verjaardag wordt gevierd met een groot feest voor de bemanning van het kamp. Er is muziek, genoeg te eten en vooral te drinken. De voorraadkelders moeten leeg. De meer dan tienduizend gevangenen, voor het merendeel vrouwen, zitten opgesloten in hun barakken. Piepjonge soldaten zonder ervaring bewaken die avond het kamp. En vanwege een op het laatste moment ingeroosterde vergassing van ruim honderd gevangenen heeft het Sonderkommando dat de gaskamer en de ovens bedient het de hele avond druk.

Dwaalt hij door het kamp?

En dan raakt, terwijl het feest in volle gang is, het elfjarige zoontje van de plaatsvervangend  kampcommandant zoek. Hij komt niet naar huis voor het avondeten. Waar hij is? Tijdens het vissen verdronken in het meer? Weggelopen, na een ruzie met zijn broer? Of dwaalt hij door het kamp, wat misschien wel het gevaarlijkst is? Wij, als lezers, weten waar de jongen is. Hebben een vermoeden van de ontwikkelingen die komen.

Door de ogen van 31 personages

Aan het einde van de oorlog is een kolossale, bloedstollende roman. In ruim 600 bladzijden brengt Natter de zoektocht, de chaos en de toenemende  beklemming tot leven. Hij koos daarvoor een opvallende aanpak: het verhaal kent ruim dertig personages, door wiens ogen je steeds even meemaakt wat er gebeurt. Meestal is zo’n flits niet langer dan een bladzijde, vaak zelfs korter. Die snelle wisseling van perspectief geeft het verhaal vaart, je krijgt als lezer een welhaast filmische sensatie. Naarmate de situatie explosiever wordt – de zoektocht naar de jongen, de aanstormende Russen én de door Berlijn geëiste, directe evacuatie van het kamp én de vernietiging van bewijsmateriaal, het stapelt zich op – intensiveert Natter ook zijn verteltechniek. Je zit met natte handen te zuchten dat je nog honderden bladzijden door moet, maar tegelijk kun je het boek maar nauwelijks wegleggen. 

Ik volg Bert Natter al een hele poos. Hoogtepunten zijn voor mij zijn romandebuut, het speelse Begeerte heeft ons aangeraakt uit 2008, de kleine roman Remington en het ambitieuze Goldberg, beide uit 2015. Succesvolle titels, maar toch brak hij niet echt door naar het heel grote publiek. Het moet gek lopen wanneer hij dat met deze magistrale vertelling niet gaat bereiken.

Bert Natter / Aan het einde van de oorlog / 635 blz / Thomas Rap, 2025

woensdag 22 april 2026

Coco Schrijber - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

'Zelden heeft iemand zo lichtvoetig over de zwaarte van het leven geschreven. Bovendien is Cato’s verhaal geschreven in een zinnelijke taal die constant verrast en verblijdt.’ [Uit het juryrapport]

Cato Goudschenker was ooit, op nog jonge leeftijd, hoogleraar filosofie aan een universiteit. In Amsterdam, als we tussen de regels door lezen. En ooit had ze kinderen, wel een handvol. Of was dit nu niet het geval? En vonden enkele peuters daadwerkelijk op vrij gruwelijke wijze de dood? In de eerste tientallen bladzijden van Het gezoem van bijna alles zijn nogal wat feitjes onzeker. Voor Cato, zoals wij al snel vermoeden, maar ook voor ons als lezers. Maar wanneer de grote ramp in haar leven eenmaal heeft plaatsgevonden, en Cato heeft besloten haar leven om te gooien, komen we in eenduidiger vaarwater. En zal de gemiddelde lezer haar al heel snel in de armen sluiten.

Het omgooien van haar leven bestond uit het verlaten van haar universitaire wereld, haar land, haar vrienden. Cato emigreerde naar een Spaans eiland, waarvoor het Canarische La Palma model moet hebben gestaan. Afgelegen, in de Atlantische Oceaan voor de kust van Afrika. Een plek waar ze niemand kent, maar waar ze door haar baantje als postbode, op de scooter naar de afgelegen adressen, al snel een kennissenkring opbouwt. Zelf woont ze aan de kust, op een klif. Haar huisje is eenvoudig, maar je leeft er een groot deel van het jaar buiten. De lege wijnflessen gooit Cato over haar tuinmuur, waarachter het steil naar zee afloopt. Dat is haar avonddrank, wakker worden doet ze op gitzwarte, gloeiend hete koffie. In haar vrije uren, en dat zijn er veel, kijkt ze mijmerend uit over zee. Nadenkend over alles, ook haar ‘kinderen.’ 

Is haar leven op het eiland een vlucht? Als vooraanstaand filosofe zou ze toch in staat moeten zijn haar eigen gedrag te duiden. Maar daar komt ze vooralsnog niet uit. Het voelt wel goed dat ze, na zich jaren vooral met de gedachten van anderen te hebben beziggehouden, nu eens met haar eigen gedachten aan de gang kan. In die zin is de vlucht toch ook een verrijking.  Er zijn twee calamiteiten voor nodig – een fikse bosbrand en het verongelukken van een eilandvriendin – alvorens ze in haar hoofd een knop omzet. Zich beseft dat wat eens een zinvolle verandering leek inmiddels een doodlopende weg lijkt te worden. Dat je met het rondbrengen van de post niet het beste uit jezelf naar boven haalt. Dat ze zich een doel moet stellen. Ze kiest daarvoor iets uit waar ze in haar jonge jaren goed in was, maar dat ze sinds tientallen jaren heeft laten verslonzen. Bergbeklimmen.

Tot zover het verhaal, verdergaan zou er voor diegenen die het boek nog niet lazen de sjeu afhalen. Maar er blijft genoeg te vertellen. Aansluitend bij het hierboven aangehaalde citaat uit het juryrapport: Schrijbers taalgebruik is inderdaad sprankelend, lichtvoetig én ze schrijft zinnen van vlees en bloed. Of we nu in Cato’s hoofd zijn op het eiland, of halverwege een besneeuwde berg in Peru, iedere zin doet ertoe, hele alinea’s enthousiasmeren je als lezer. Een van de mooiste passages is die waarin ze, zittend op het terras voor haar huisje, op een verder doodstille avond, de langstrekkende walvissen hoort ademhalen. Voor mij is dat de overtreffende trap van het scheppen van een onvergetelijk beeld. 

Op de drempel van haar vertrek van het eiland komt het bij Cato op dat ze in dit leven nog iets zou kunnen nalaten. Aan mensen die ze niet kent, maar die ook Goudschenker heten. Ze schrijft snel nog wat regels, en doet de handvol enveloppes in haast op de bus. Die brieven geven haar leven, haar bestaan, een soort Nachleben. Ook dat is weer een prachtige vondst. Van mij mag dit boek de Librisprijs winnen - ofschoon ik een fráctie blijer zal zijn wanneer die naar Bert Natter gaat.

Coco Schrijber /  Het gezoem van bijna alles / 320 blz / Querido, 2025

zondag 19 april 2026

Lieselot Mariën - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

Het lezen van een ongemakkelijke roman kan zwaar zijn. Bij Als de dieren van Lieselot Mariën had ik beslist dat gevoel. Het is een verhaal over een vrouw die te maken krijgt met een postnatale depressie. De overgang van vrouw naar moeder is voor haar een proces waar ze niet, of in ieder geval heel moeilijk, mee kan omgaan. Dat haar kind een huilbaby is, maakt het er niet gemakkelijker op. Mariën lijkt alle registers van deze aandoening open te trekken, als lezer wordt je ondergedompeld in de ellende. En ik zal eerlijk zijn, en het is misschien omdat ik een man ben, en dan ook nog een zonder kind, maar de gedachte om het boek weg te leggen kwam meer dan eens bij me op. Wat me aan boord hield was de superieure vertelkunst. In dat opzicht is Mariëns romandebuut een grootse prestatie.

Wie de roman vluchtig doorbladert ziet in plaats van de gebruikelijke, min of meer uniforme blokken tekst, een wirwar van blokken, kolommen, een enkele regel tekst of geheel witte pagina’s. Die wirwar wordt overzichtelijker en begrijpelijker wanneer je begint te lezen: het is de door Mariën gekozen structuur die de romantekst ondersteunt. Veel van de terugkerende elementen van het verhaal hebben hun eigen plek of vorm. En het wit, of het nu een regel of langer is, lijkt heel bewust te zijn gebruikt om plek te bieden aan gedachten en overpeinzingen. Op een kwart van het verhaal ben je eraan gewend, weet je niet beter, ervaar je het zelfs als prettig, een handige tool.

In onze huidige verzorgingsmaatschappij kan een vrouw met een postnatale depressie op allerlei manieren en van allerlei instanties hulp krijgen. Voor die variant heeft Mariën niet gekozen. Bij haar moet de vrouw zelf maar uitvogelen hoe ze de aandoening te lijf gaat. Dat gaat haar dan ook uiterst moeizaam af. Allerlei inzichten, zoals het dubbele schuldgevoel van de vrouw, iets dat hulpverleners hadden kunnen detecteren en behandelen, moet ze zelf ontdekken en ermee in het reine komen. In haar eentje voelt ze zich dan ook nog eens heel eenzaam, wat haar situatie niet ten goede komt. Het kan zijn dat Mariën er bewust voor heeft gekozen al die gereedstaande hulpverlening buiten haar verhaal te houden, om zo beter zichtbaar te krijgen hoe slopend zo’n depressie kan zijn, voor de vrouw zelf, maar ook voor haar kind en partner. Als dat zo is, is haar opzet meer dan geslaagd. Het is een gruwelijke aandoening, die je alle plezier in het leven kan ontnemen.

Naast het fragmentarische karakter van het verhaal heeft Mariën ook een vaststaande tekst ingebouwd, een duizenden jaren oude mythe uit Mesopotamië. Deze keert als een dunne rode draag meermaals terug. In De afdaling van Inanna, zoals ze heet, is sprake van een godin die onder andere de liefde, de vruchtbaarheid en de oorlog belichaamd. Om haar angsten te onderkennen én beteugelen ondernam zij een helletocht, daalde via zeven poorten af naar een onderwereld. Niet alleen de geschiedenis van Inanna is voor Mariën van betekenis, als een bedding voor haar eigen verhaal, aan haar roman gaf ze ook nog eens als motto een citaat mee van Dante, uit diens Inferno.  

Hoe diep ze zinkt, en hoe ver ze zich verwijdert van haar gezin, illustreert zomaar een passage. Midden in de nacht heeft ze zich aangekleed, haar kind in een draagzak gedaan en is de stad ingelopen. Zonder doel, zomaar. En zonder haar man in te lichten. Maar al snel wordt er naar haar gezocht. Een citaat: 

Ik geloof dat ik iemand mijn telefoon heb gegeven. Ik geloof dat ze vroegen waar mijn man was. Ik geloof dat ik heb gezegd dat zijn naam Hannes was en dat hij onbereikbaar ver weg was. Ik geloof dat Hannes desondanks niet veel later bij de bestelwagen aankwam waar ik, nog steeds vol afschuw, naar de gesloten deuren van de laadruimte stond te kijken. Ik geloof dat hij jou uit de draagzak op mijn buik wrikte en dat ik niet bewoog. Ik geloof dat hij over jouw rugje wreef en zijn jas om jouw lijfje sloot en ik geloof dat hij met toegeknepen keel tegen mij schreeuwde. Ik geloof …

Laat ik maar ophouden te doen alsof. Ik weet het nog messcherp, allemaal.

Dit is wat hij riep:

‘Ons kind kan toch niet opgroeien met zo’n moeder!

Tijdens het schrijven van haar eerste roman raakte Mariën in verwachting, kreeg een baby en belandde vervolgens in een postnatale depressie. Toen die achter de rug was, vormde haar eigen verhaal de basis voor haar debuut. 

Lieselot Mariën / Als de dieren / 308 blz / Das Mag Uitgevers, 2025