zondag 4 oktober 2026

Victoria & Lord M.

Speels, dat is misschien de beste benaming voor Lord M., de nieuwe roman van Arthur Japin. En dat begint al op het omslag. Dat toont een geschilderd portret van een jonge vrouw, gekleed in historiserend kostuum. Of is het een elegante jongeman? De kortgeknipte krullen brengen je even aan het twijfelen. De hoofdpersoon van de roman is zij vast niet want de titel, Lord M., verwijst nadrukkelijk naar een man, in dit geval William Lamb, Lord Melbourne, van 1834 tot en met 1841 premier van het Verenigd Koninklijk. En dat waren de jaren waarin de nog jonge, onervaren Victoria de Britse troon besteeg. De verstandhouding tussen de nog wat schuchtere vorstin en haar ervaren eerste minister, dat is ditmaal Japins speelveld. Met in de dug-out, zo je wilt, de vrouw van het omslag: Lady Caroline Lamb, de voormalige echtgenote van Lord M. Overleden in 1828, maar niet nadat zij een gigantisch schandaal had veroorzaakt dat Lamb politiek maar nét overleefde, en hem emotioneel voor altijd zou tekenen.

Ofschoon Victoria bij haar aantreden regeerde over een groot deel van de wereld, had ze daarvan op dat moment nog nauwelijks iets gezien. Ze had een beschermde opvoeding genoten, grotendeels binnen de muren van paleizen. Als koningin moest dat zo snel mogelijk veranderen, en Lord Melbourne was de aangewezen persoon om die rol van mentor op zich te nemen. Victoria resideerde in Windsor Castle, per koets of paard een kleine twee uur van het centrum van Londen. Ze liet daarom voor Melbourne een appartement inrichten in het kasteel, waardoor hij na het diner niet in de late avond nog terug hoefde naar huis. Vrijwel dagelijks brachten ze enige uren samen door. Voor de buitenwacht moet het de indruk hebben gewekt van een vader-dochter relatie, en dat was in zekere zin ook zo. Maar Victoria stoorde zich daar niet aan, zij realiseerde zich terdege dat de lessen van de premier essentieel waren voor een succesvol koningschap.

Er is één onderwerp dat Victoria lange tijd voor zich uitschuift: een huwelijk. Melbourne begint daar telkens weer over, maar zij wimpelt hem steevast af. Heeft vermoedelijk in haar familie al teveel slechte voorbeelden meegemaakt om naar zo’n verbintenis uit te zien. Maar nieuwsgierig raakt zij toch. Dus geeft zij haar mentor als kerstcadeau een mooi notitieboek, en vraagt hem daarin zijn eigen gedachten over de liefde, en zijn ervaringen met het huwelijk te beschrijven. Hij doet dat. Eerst met frisse tegenzin, maar gaandeweg ervaart hij het terugkijken als een weldaad, maakt het iets bij hem los dat lange tijd heeft vastgezeten. Ieder voltooid deel levert hij in bij Victoria, die dan haar staatszaken resoluut terzijde schuift en in het voorbije liefdesleven van haar eerste minister duikt. Dat het lezen daarover verslavend werkt begrijp je wanneer je weet dat Melbourne getrouwd was met zijn jeugdliefde, de extraverte Caroline Lamb, dat deze verlieft raakt op Lord Byron en, omdat die hun affaire op een zeker moment beëindigt, die relatie publiekelijk opblaast. In 1812 was dat in Londen hét gesprek.

Het leven en koningschap van Victoria moet welhaast een van de meest uitgemolken historische onderwerpen zijn: boeken, toneelstukken, tentoonstellingen, documentaires, speelfilms, televisieseries, noem het maar op. Alles is al eens gedaan, denk ik dan. Maar dat Japin kiest voor een structuur waarin hij drie levens en twee verhaallijnen subtiel verweeft, en daarnaast lopende tekst afwisselt met dagboeknotities, is een vondst die werkt. 

Ik ben niet iemand die alles van Japin leest. Maar omdat ik een voorliefde heb voor historische romans lees ik hem wel heel regelmatig. Vooral de wat ingetogen romans bekoren mij, zoals het uit 2022 daterende Wat stilte wil, over de geknotte loopbaan van de klassieke zangeres Anna Witsen. Maar ook Lord M. krijgt van mij een plekje hoog op de lijst. Ik las het trouwens als luisterboek, wat ik kan aanraden. Waarom? Nu, niemand is zo enthousiast over het werk van Japin als de auteur zelf. En dat straalt hij uit. Zeker bij het voorlezen ervan. Beslist een meerwaarde.

Arthur Japin / Lord M. / 333 blz / De Arbeiderspers, 2026 // Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 8 uur en 38 minuten / De Arbeiderspers, via Storytel

vrijdag 2 oktober 2026

50 Klimaatspeeches

Vermoeiend, die klimaatconferenties. Er komt meestal weinig uit. Goede bedoelingen, gesmoord in halfbakken compromissen. En dan worden ze ook nog eens gehouden op exotische locaties, waardoor ze deels de geur hebben van een door de baas betaalde vakantie. En wat dacht u van de luchtvervuiling? Want echt niemand komt op de fiets. Ziedaar de beeldvorming van deze bijeenkomsten. Theatermaker Anouk Nuyens, artistiek leider van theatergezelschap Bureau Vergezicht, maakte er in 2024 een voorstelling over: Beste mensen. De opvallendste klimaatspeeches van de afgelopen 50 jaar. Die onlangs verscheen als boek.

Waarom deze exercitie? Waarom, vanuit een club die de mooie naam Bureau Vergezicht draagt, niet vóóruitkijken maar juist terúgkijken? Daartoe haalt Nuyens in haar voorwoord de cultuurcriticus Mark Fisher aan. Deze heeft het in zijn werk, wanneer hij de geschiedenis van de klimaatdiscussie bekijkt, over ‘een gevoel van onvervulde beloftes die de westerse mens permanent achtervolgt. Hij noemt dit de ‘slow cancellation of the future’. Doordat de beloofde toekomst uitblijft, beweegt de westerse cultuur niet vooruit, maar herhaalt die zichzelf, waardoor we niet vooruitkomen.’ Nuyens hoopt door het terugkijken voor zichzelf de factoren te kunnen duiden die de voortdurende hapering van het proces veroorzaken. De klimaatspeeches vormen daarbij een heel toegankelijke, behapbare én min of meer officiële bron; ze werden immers vaak uitgesproken bij die klimaatconferenties. Nuygens las er honderden, vijftig daarvan vonden een plek in haar project.

Het besef dat de mens bezig was het milieu langzaam maar zeker te beschadigen en zelfs vernietigen kreeg omstreeks 1970 een enorme boost door de oprichting van de Club van Rome (1968) en haar rapport Grenzen aan de groei (1972), waarin een link werd gelegd tussen economische groei en de gevolgen daarvan voor het milieu. Ineens was er wereldwijd het besef dat de mensheid wellicht op de verkeerde weg was, ergens een afslag over het hoofd had gezien. Het onderwerp was ineens hot. En modieus, wereldleiders poseerden graag als redder van de mensheid: Richard Nixon (1972), Jimmy Carter (1979) en Ronald Reagan (1984) openen met statements de selectie van Nuygens. Opvallend aan hun bijdragen is het geloof dat de gebundelde kracht van wetenschap en techniek in staat zou moeten zijn de ontwikkelingen te lijf te gaan dan wel af te remmen. Margaret Thatcher (1989) en Koningin Beatrix, in haar Kersttoespraak van 1988, volgen in hun voetspoor, maar zijn meer persoonlijk bevlogen, en noemen man en paard. 

Het aardige van Beste mensen is de chronologische presentatie, waardoor een ontwikkeling zichtbaar wordt in de manier waarop met het probleem is omgegaan. Ook wordt helder dat met het verstrijken van de tijd de oproepen en acties van individuele personen meer effect gaan sorteren dan die van overheden. Denk aan Al Gore, Greta Thunberg en Naomi Klein. Of heel onverwachte bijdragen, zoals die van Leonardo DiCaprio, die was uitgenodigd een openingsspeech te geven bij een VN klimaattop: ‘Als acteur doe ik net alsof ik iemand ander ben. Ik speel fictieve personages en los fictieve problemen op. En ik geloof dat de mens ook zo naar klimaatverandering heeft gekeken: alsof het fictie is, alsof het op een andere planeet gebeurt. […] Dit is een tijd van grote urgentie en een boodschap van grote urgentie. Geachte vertegenwoordigers, leiders van de wereld, mijn leven bestaat uit doen alsof. Het uwe niet. En het is aan u.’(2014)  

Optreden op een klimaatconferentie levert vanzelfsprekend aandacht op. Dat realiseren zowel actievoerder als het organisatiecomité zich. Deze dertienjarige jongen wist in 1992 namens een jeugdbeweging het spreekgestoelte te beklimmen: ‘Ik ben nog maar een kind en ik heb ook niet alle oplossingen, maar ik wil dat u zich realiseert dat u ze ook niet heeft. U weet niet hoe u de zalm kunt terugbrengen naar een opgedroogde rivier, u weet niet hoe u een dier kunt terugbrengen dat inmiddels is uitgestorven, en u kunt geen bossen terugbrengen die ooit groeiden waar nu een woestijn is. Als u niet weet hoe u iets kunt herstellen, hou dan alstublieft op met het kapot te maken.’

De Canadese journalist Naomi Klein, bekend om haar publicaties over multinationals, kwam in 2015 met een te vaak over het hoofd geziene constatering: ‘De harde waarheid in antwoord op de vraag “Wat kan ik, als individu, doen om klimaatverandering te stoppen” is: niets. […] Het gewicht van de wereld rust niet op de schouders van één persoon. Het rust in de kracht van het transitieproces waar miljoenen mensen al deel van uitmaken.’

Maar misschien was de bekende astronoom en presentator van onder andere de serie Cosmos, Carl Sagan, wel de enige echte visionair die zich publiekelijk over het onderwerp uitsprak. In 1990, op een congres van de North Carolina State University, voor een gehoor van duizenden wetenschappers en studenten, vergeleek hij de aanpak van het klimaatprobleem door de Verenigde Staten met de aanpak van de wapenwedloop tijdens de Koude Oorlog. Er was toen een Russische dreiging, wat de Amerikaanse politiek ertoe bracht uit te gaan van een worst case scenario: een massale Russische aanval met kernwapens. Daarop bereidde men zich voor. En gaf daartoe decennialang werkelijk astronomische bedragen uit. En op dezelfde wijze, sprak Sagan zijn gehoor toe, moeten we vandaag beginnen met het aanpakken van het klimaatprobleem. Uitgaan van het slechtste scenario. Maatregelen nemen. Budget reserveren. Dat was 36 jaar geleden. Velen vonden dat hij overdreef.

Anouk Nuyens / Beste mensen. De opvallendste klimaatspeeches van de afgelopen 50 jaar / Vertaling buitenlandse fragmenten Goya van den Berg / 126 blz / De Geus, 2026

woensdag 30 september 2026

Mijn vader, de 'tovenaar'

Eind augustus 1949 werd in Duitsland de 200ste geboortedag van Johann Wolfgang von Goethe gevierd. Grote delen van het land lagen weliswaar nog in puin en het verlies aan mensenlevens was onvoorstelbaar geweest, maar toch werd besloten om Duitslands grootste schrijver te eren. Het zou immers een moment van bezinning kunnen zijn, een voorzichtige stap richting normaal. Hoogtepunt zou een lezing over Goethe zijn, te houden in de twee ‘Goethe-steden’ Frankfurt am Main en Weimar, sinds kort respectievelijk gelegen in de DDR en de Bundesrepublik. Voor die lezing werd Thomas Mann gevraagd. Deze was in 1933, nog tijdens de machtsgreep van Hitler, naar het buitenland uitgeweken. Achtereenvolgens naar het vrije Frankrijk, Zwitserland en de Verenigde Staten. Vanuit zijn ballingschap had hij tijdens de oorlog vrijelijk het regime van de nazi’s kunnen bekritiseren, wat hem bij een deel van de Duitsers geliefd maakte. Maar vanzelfsprekend niet bij iedereen. En in 1949 was Duitsland in die zin nog lang niet ‘opgeschoond’, aanhangers van de nazi’s hadden, vaak achter de schermen, nog veel invloed. Het bezoek van Mann mocht je dus wel ‘beladen’ noemen.

Waarom deze inleiding? Heel simpel. Ik zag in de bioscoop de trailer van de speelfilm Vaterland. Die brengt dat bezoek in beeld. Gefilmd in stemmig zwart-wit, met in de hoofdrollen Hanns Zischler als Thomas Mann en Sandra Hüller als zijn dochter Erika. Zij begeleidde haar vader op deze reis, zoals zij al sinds het einde van de oorlog nauwelijks van zijn zijde week. In de laatste tien jaar van Mann, hij zou in 1955 overlijden, was zij zijn naaste medewerker, zijn redacteur én manager. Meermaals heeft zij over hun samenwerking geschreven, en in 2002 verscheen in de reeks privé-domein een Nederlandstalige bundeling van die teksten en brieven. Ik las dat boek lang geleden, maar trok het bij thuiskomst uit de kast en herlas het in enkele dagen. En ja, ook dat bezoek in 1949 beschrijft ze erin.

Mijn vader, de tovenaar. Herinneringen en brieven bestaat uit drie delen. Het eerste is een lang radio-interview dat Erika in 1968, een jaar voor haar dood, gaf. Dat bevat vooral huiselijke herinneringen aan de familie Mann. De bulk van het boek bestaat uit een selectie uit de briefwisseling tussen Erika en haar vader, met af en toe brief van of aan Katia Mann, haar moeder. De afsluiting wordt gevormd door een tekst uit 1956, waarin Erika op het laatste jaar van haar vader terugkijkt.

Als je Erika met één woord moet karakteriseren, zou dat ‘doortastend’ zijn. Vanaf haar vroege jeugd kwam ze voor zichzelf op en had ze een eigen mening. Dat laatste kwam sterk naar buiten in het cabaretgroepje Die Pfeffermühle dat ze vanaf 1933 in München en later in Zürich zou leiden, en waarin ze onomwonden commentaar leverde op de politieke en maatschappelijke situatie in Duitsland. Ze deelde haar leven met een vrouw, Therese Giehse, die ook in het cabaret zat. In 1933 trouwde ze met de dichter W.H. Auden, puur en alleen om een Brits paspoort te verkrijgen. Essentieel om te kunnen reizen, sinds haar Duitse staatsburgerschap door de nazi’s was ingetrokken. In de oorlog voerde ze opdrachten uit voor de BBC en andere media, en trok vanaf 1943 op met de geallieerde troepen. Organiseren was haar tweede natuur, en dat zou ze vanaf 1947 doen voor haar vader. Ze woonde daarom na de oorlog ook bij haar ouders, eerst in Californië en vanaf 1952 in Küsnacht, bij Zürich.

Het interessantst is voor mij de ruime keuze uit de briefwisseling, die loopt van 1919 tot en met 1955. Meer dan in de twee andere stukken zit je daar bovenop de belevenissen van Erika en haar vader. Dat kan, wellicht wat banaal, gaan over het honorarium dat Mann vangt voor een boek of lezing. Of een discussie over het selecteren van de juiste uitgever, nu de nazi’s zijn vaste uitgever, Fischer, in de tang leken te hebben. Erika’s bemoeienis als redacteur met de teksten van Mann is een eye-opener. Met regelmaat vraagt hij haar om hele hoofdstukken of een heel boek te redigeren, bijvoorbeeld Jozef en zijn broers en Felix Krull, of lezingen met de helft in te korten. Dit laatste was inderdaad ook het geval bij de lezing over Goethe in 1949. Erika schrijft dat ze bij door haar geredigeerde lezingen, die in het redactieproces meermaals heen en weer waren gegaan, tijdens de lezing, zittend in de coulissen van het theater, haar vader uit haar hoofd had kunnen souffleren. Maar dat was nooit nodig, want wanneer Mann eenmaal het podium had beklommen ging het als vanzelf.

De film, Vaterland, wordt verwacht in de loop van oktober. Ik kijk ernaar uit, en ben blij dat ik nog even dit boek heb gelezen. En voor wie zich altijd heeft afgevraagd waarom Mann ‘de tovenaar’ wordt genoemd: ook dat onthuld Erika voor ons. Begin jaren twintig, ze waren toen ongeveer vijftien, waren Erika en haar broer Klaus uitgenodigd voor een carnavalsfeest. En omdat hun moeder Katia niet thuis was, besloten ze om hun vader mee te vragen, anders zat die maar alleen. Die probeerde er onderuit te komen, hij had immers geen verkleedkostuum. Maar Erika drapeerde wat dekens en andere lappen om hem heen en een soort tulband om zijn hoofd, en doopte hem de tovenaar. Omdat Mann in deze periode schreef aan De Toverberg, bleef de naam hangen. Hij ondertekende zelfs zijn brieven met een ‘T’. 

Erika Mann / Mijn vader, de tovenaar. Herinneringen en brieven / Bezorgd door Irmela von der Lühe en Uwe Naumann / Vertaald uit het Duits door Paul Beers / 347 blz / privé-domein nr. 243 / De Arbeiderspers, 2002

zondag 27 september 2026

Cicero en de kunst der welsprekendheid

Vorig jaar verschenen de verzamelde, bewaard gebleven brieven van de Romeinse staatsman Cicero in een nieuwe Nederlandse vertaling. Bijna 2.100 jaar na zijn gewelddadige dood. In onze huidige maatschappij is daar dus een zekere vraag naar, anders zouden tekstbezorgers, fondsen en de uitgever niet hun tijd en geld in het project investeren. Wat is het dat ons nu nog fascineert in Marcus Tullius Cicero, die leefde van 106 tot 43 voor onze jaartelling? Wie dat als geen ander heeft begrepen is Robert Harris, de Britse auteur van historische romans. Tussen 2006 en 2015 publiceerde hij in drie delen de trilogie Imperium – Lustrum – Dictator. Voor mij is dat een van de mooiste en meest indrukwekkende historische romans die ik ooit las. Maar ook een literair monument dat heeft bijgedragen aan Cicero’s huidige populariteit. 

Op het eerste oog is Cicero namelijk niet een van de meest belangrijke Romeinse staatsmannen. Het militaire genie van een Julius Caesar of het bestuurlijk gewicht van de latere keizer Augustus bezat hij niet. Bovendien was hij - in het Rome van zijn tijd geen pluspunt - van relatief eenvoudige afkomst. Hij was weliswaar gedurende een jaar consul, in het pré-keizerlijke Rome de hoogste functie, maar die periode werd ontsierd door list en bedrog van zijn politieke tegenstanders. Maar toch staat hij opgesteld in wat wij het ‘Pantheon der groten’ noemen. Waarom? Als je één doorslaggevend argument mag noemen, is het dat hij als geen ander de kunst der welsprekendheid beheerste. En dat veel van zijn redevoeringen in uitgeschreven vorm bewaard zijn gebleven. Daardoor hebben wij moderne mensen het gevoel dat we hem kennen, dat hij in zekere zin naast ons staat.  

Ooit moet er een biografie van Cicero hebben bestaan, al tijdens en kort na zijn leven opgetekend door Tiro, zijn secretaris. Die tekst is vermoedelijk verloren gegaan. Gedurende Cicero´s gehele loopbaan, van zijn praktijk als jurist en zijn politieke carrière tot aan zijn ballingschap en dood, week Tiro niet van de zijde van zijn meester. Dat kon hij trouwens ook niet, want hij was een slaaf. Later gaf Cicero hem zijn vrijheid terug. Tiro verzorgde Cicero´s agenda, notuleerde gesprekken, stelde contracten op en voerde talloze andere klussen uit. Om zijn snelsprekende baas te kunnen bijhouden ontwikkelde hij een uit notaties bestaand snelschrift, een voorloper van wat wij kennen als steno. Hij moet ook de brieven, een enorme schat, voor het nageslacht hebben bewaard. 

Redenaar is niet de eerste biografie van Cicero, wel de meest recente in een lange, de eeuwen overspannende reeks. Wat Catherine Edwards (1963) toevoegt aan de reeds bestaande biografieën is een prettige toegankelijkheid. Zij doceert oude geschiedenis aan de University of London en weet daardoor dat je verhaal alleen overkomt wanneer je je gehoor – of lezers – blijft boeien. In 21 hecht opgebouwde hoofdstukken neemt ze je mee naar het Rome van de laatste eeuw v.Chr., licht ze helder de soms wat ingewikkelde bestuursstructuur toe, laat ze je kennismaken met illustere mannen als Julius Ceasar en Pompeius de Grote en dompelt ze je bovenal onder in de kille en potentieel gevaarlijke plek die Rome óók was. De samenleving die levensgevaarlijk kon zijn voor ieder die anders over dingen dacht dan de machthebbers van het moment. 

Maar tegelijk voelt het boek, zeker wanneer Cicero in het middelpunt staat, als een warme deken. Edwards beschrijft uitvoerig de opkomst van de jonge Cicero, dan nog advocaat. Mooi zijn de passages waarin hij zich in bekwaamt in de kunst van de welsprekendheid. Hij is ervoor afgereisd naar Athene en de Griekse eilanden. Het zal gedurende zijn gehele loopbaan zijn machtigste en meest effectieve wapen blijven. Cicero’s pogingen een consulaat te bemachtigen vormen voor de lezer een soms onthutsende kennismaking met de Romeinse politieke arena. Een slangenkuil. Daarin als oprecht en principieel man overeind blijven en je tegenstanders verslaan vergt het uiterste van je doorzettingsvermogen en durf. Cicero’s loopbaan wordt enigszins overschaduwd door de pogingen van de legeraanvoerders Caesar, Crassus en Pompeius om het regeringssysteem met twee consuls en de senaat om te vormen tot een zogenoemd triumviraat waarin zij alle macht in zich verenigen. Dat zal er in 60 voor v.Chr. ook komen. Voor Cicero, zijn familie en vrienden betekent dit een totale omwenteling in hun leven. En de voorbode van het einde van Rome als republiek, want enkele decennia later zou de jonge Octavianus, vanaf 27 v.Chr. beter bekend als Augustus, als keizer alle macht naar zich toe trekken. 

Aan Cicero’s legendarische welsprekendheid biedt Edwards door het boek heen ruim aandacht. Die passages zijn een genot om te lezen. Je realiseert je dan eens te meer dat een spreker die een publiek weet mee te slepen overtuigend overkomt, of hij nu de waarheid wat oppoetst of niet. Cicero behaalde er successen mee als pleiter, als consul en ook als privépersoon. Of dat nu in de Senaat was of bij vergaderingen in de buitenlucht, waarbij de Romeinen in grote getale kwam opdagen wanneer hij werd aangekondigd. Omdat Cicero bij zo’n laatste bijeenkomst, sprekend voor het volk, nog wel eens de aristocratie op de korrel wilde nemen, kreeg hij van die edelen geregeld het verwijt dat hij er een ‘anti-aristocratische theaterproductie op het Forum’ van maakte. Maar misschien liet hij zich gewoon meeslepen door het plezier dat hij beleefde aan zijn eigen kunstje, denk ik dan…

 Catharine Edwards / Redenaar. Het leven van Cicero en het einde van de Romeinse Republiek / Vertaald uit het Engels 'Orator' door Brenda Mudde en Maarten van der Werf / 432 blz /  Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2026

zondag 20 september 2026

Een zomer in Sanary-sur-Mer

Een groot schrijver hoeft niet altijd in zijn dagelijkse beslommeringen ook een grote geest te zijn. Thomas Mann is daar bij tijd en wijle een mooi voorbeeld van. De auteur van romans als De Buddenbrooks (1901), De toverberg (1924) en een onvergetelijke novelle als Dood in Venetië (1912), pakte begin februari 1933 zijn koffers om in Amsterdam, Brussel en Parijs een serie lezingen te geven over zijn geliefde componist Richard Wagner. Katia, zijn echtgenote, zou hem vergezellen. Het waren de weken en maanden waarin Adolf Hitler in Duitsland de macht greep, het parlement naar huis stuurde en tal van andere maatregelen nam, vaak per decreet. Met de meeste daarvan had hij de jaren ervóór al gedreigd. Maar de heer en mevrouw Mann stapten, alsof er niets aan de hand was, in München op de trein naar Amsterdam, op weg naar de lezingen. Na afloop wilden ze een korte wintervakantie houden in het Zwitserse Arosa. Om daarna huiswaarts te gaan. Naar een land waar inmiddels een exodus van schrijvers, journalisten en kunstenaars gaande was. Om maar niet te spreken van de joden die de bui zagen hangen.     

Maar van een thuiskomst zou het niet komen. Twee van hun kinderen, Erika en Klaus Mann, praatten eindeloos op hun ouders in, schetsten wat hen mogelijk zou overkomen bij een terugkeer naar het Duitsland van de nazi ‘s. Mann zelf was ervan overtuigd dat hij inmiddels een instituut was, dus onaantastbaar zou zijn. Bovendien had hij vier jaar eerder de Nobelprijs voor Literatuur gekregen, in zijn ogen nóg een bescherming. Maar Katia was Joods. Er werd besloten voorlopig in Zwitserland te blijven, tot de situatie duidelijker werd. Lang zou dat niet op zich laten wachten. Iedere avond luisterde de familie – hun vier andere kinderen druppelen de een na de ander binnen in Arosa – naar het nieuws op de Duitse radio. De nieuwe wetten, de uitsluiting van hele bevolkingsgroepen, het pathetische gebrul: langzaamaan werd het hun duidelijk dat ze ballingen waren geworden, in hun geboorteland niet meer welkom. 

Erika Mann nam het op zich het leven van haar ouders te organiseren. Zelf waren ze daar op dat moment te beduusd voor. Na wat omzwervingen in Zwitserland en Frankrijk vond ze voor hen eind april een villa in het Franse Sanary-sur-Mer, een havenstadje aan de Middellandse Zee. Daar bevond zich al een hele kolonie uit Duitsland gevluchte schrijvers en kunstenaars. In die enigszins onwerkelijke omgeving probeerden ze tot rust te komen. Het aangename klimaat en de ontspannen sfeer hielpen daarbij, er ontstond bij deze en gene zelfs een licht vakantiegevoel. Ofschoon ze dagelijks in de internationale kranten konden lezen hoe in Duitsland de dictatuur het openbare leven in z’n greep kreeg. Toch sloeg Mann in Sanary weer aan het schrijven, aan zijn megaproject Jozef en zijn broers. Maar waar het te publiceren? Bij Fischer, als vanouds? Of juist níet in Duitsland? Een van de meer interessante vragen in dit boek.

Voor Als de zon ondergaat heeft Florian Illies een grote hoeveelheid egodocumenten, zoals dagboeken en briefwisselingen, doorgeploegd, gepubliceerde dan wel ongepubliceerde. Hij gebruikt informatie daaruit in de lopende tekst zo vaak dat je van een stijl kan spreken: je weet vrijwel altijd wat Thomas Mann op een gegeven moment denkt, wat hij vindt van iemand en hoe hij een situatie beoordeelt. Dat geldt ook voor de andere personages in het boek die een dagboek bijhielden of veel brieven schreven, zoals Klaus Mann of iemand als de schrijver Lion Feuchtwanger. Het is een techniek die Illies ook in zijn eerdere boeken hanteerde. Ik vind die soms extreme nabijheid bij de personen wel aangenaam, maar ik kan me ook voorstellen dat je er na een paar honderd bladzijden de kriebels van kan krijgen.

Kunstenaars die hun land de rug toekeerden werden door de nazi’s hun paspoort ontnomen. Ze waren dan stateloos. Hun bezittingen werden verbeurd verklaard, hun bankrekeningen leeggehaald. Dat gevaar liepen ook Thomas en Katia. Het probleem met de bankrekeningen werd door hun zoon Golo opgelost, die op meerdere trips naar Duitsland, en met behulp van bevriende bankdirecteuren en diplomaten, een fors deel van hun tegoeden wist op te nemen en het land uit te smokkelen. 

Ingewikkelder – en minsten even spannend – was het veilig stellen van Thomas Manns dagboeken. Die bevonden zich nog steeds in hun woning in München, op de werkkamer van de schrijver, achter slot en grendel. Mann was in zijn dagboeken altijd heel openhartig geweest, ook over zijn verliefdheden op jonge jongens. Katia was daarvan op de hoogte, en accepteerde het. Maar wat zou er gebeuren wanneer de nazi’s het onbewaakte huis zouden plunderen en de dagboeken vinden? Ze zouden hem belachelijk maken, zijn reputatie slopen. Die gedachte ontnam Mann in het verder idyllische  Sanary zijn slaap- en eetlust. Ook hier bleek Golo weer de reddende engel. Hij reisde naar München, stopte de dagboeken in een koffer samen met andere papieren en deed die op de vrachtpost naar Zuid-Frankrijk. Het duurde weken voor de koffer daar aankwam, en hij bleek bij aankomst zelfs te zijn geopend. Maar de douanebeambte die dat had gedaan was meer geïnteresseerd geweest in de financiële boekhouding van Mann, de dagboeken liet hij onaangetast. Door het oog van de naald, heet dat. Later in zijn leven zou Mann zijn vroege dagboeken verbranden.

De zomer in Sanary werd door – bijna – alle leden van het gezin Mann heel relaxed gevonden. In de herfst verhuisden ze naar Zürich, om kort voor de oorlog uit te wijken naar de Verenigde Staten. Tussen al die verplaatsingen zou Sanary wellicht wat in de vergetelheid zijn geraakt, ware het niet dat Illies met eindeloze ijver en creativiteit die zomer daadwerkelijk tot leven heeft gebracht.

Florian Illies / Als de zon ondergaat. De familie Mann in Sanary /  Vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink en Izaak Hilhorst / 335 blz / Alfabet Uitgevers, 2026

zondag 13 september 2026

De 'Algemeen Leider'

Auke Kok is een begenadigd schrijver. In zijn biografie Mussert. Reis naar het kwaad blijkt dat weer, keer op keer. In de inleiding bijvoorbeeld, wanneer hij het heeft over de jonge Anton Mussert, de hoofdingenieur bij de Provinciale Waterstaat in Utrecht, de man die aanzien genoot en een veelbelovende loopbaan voor zich had maar die omstreeks 1930 koos voor de politiek, schrijft hij: ‘We hadden Ir. A.A. Mussertstraten kunnen hebben. Een prikkelende gedachte.’ Zo’n afsluiting blijft je bij, dat weet ik nu al. 

Maar het zou niet een keurig bestaan als modelburger worden. Integendeel, de wat ingeslapen samenleving die het Nederland van de jaren twintig was, ging hem tegenstaan. Nederland gaf te veel weg, kwam niet genoeg voor zichzelf op. Wat zich bij Mussert langzaamaan ontwikkelde was het gevoel dat er iets als een nationaal reveil nodig was, een nieuwe energie. Nederland kon, met haar roemruchte historie, met haar rijke koloniën en hoge levensstandaard, veel meer betekenen in de wereld dan het deed. En toen zijn vriend Cornelis van Geelkerken, die rondliep met het idee een politieke partij op fascistische grondslag op te richten, hem in 1931 vroeg als leider daarvan ging hij er enthousiast op in. Hij kocht voor 60 cent een brochure over het partijprogramma van Hitlers NSDAP – een samenvatting, wel zo handig, merkt Kok op – en zette zich aan het schrijven van een partijprogramma, hier en daar nog wat rechtse gezichtspunten lenend. In het eindproduct zoek je opvallend genoeg tevergeefs naar antisemitische opmerkingen. Over verkiezingen wordt daarentegen wel een ferme beslissing genomen: die worden afgeschaft. De kern waar de NSB naar streeft is ‘Vernieuwing van de geest, op economisch en staatkundig terrein, in het Rijk der Nederlanden’.   

Kok begint zijn biografie in de zomer van 1935, met Musserts reis door het toenmalige Nederlandsch-Indië. Dat is slim, want dat geeft zijn verhaal direct de nodige vaart. De partij is immers al opgericht en is inmiddels een intrinsiek én opvallend onderdeel van het Nederlandse politieke landschap. Dat de successen bij verkiezingen wat achterblijven is jammer, maar ook daar kan zo’n reis iets aan doen. En inderdaad blijkt de tour een doorslaand succes. Avond na avond zijn de optredens van Mussert volgeboekt, de koloniale bladen schrijven pagina’s vol over de bevlogen stijl van de Leider – ja inderdaad, met een hoofdletter L. 

Met wie had Mussert in Nederlandsch-Indië contact, welke groepen voelden zich door zijn boodschap aangesproken?  Allereerst natuurlijk plantagehouders, ondernemers en zakenlui. Maar ook ambtenaren, waaronder die uit de hoogste bestuurslagen. Zo ging hij tweemaal op bezoek bij Gouverneur-generaal De Jonge, die daarvoor géén toestemming vroeg aan zijn hoogste baas, de minister van Koloniën. En toen Jan Willem Meijer Ranneft, de vice-president van de Raad van Nederlandsch-Indië, Mussert bij een andere gelegenheid vroeg of hij de democratische beginselen respecteerde, gaf hij een ontwijkend antwoord. Meijer Ranneft vermeldde in zijn notities nog wel het volgende citaat van Mussert: ‘Ik ben geen groot man als Mussolini of Hitler, maar wat achter mij staat is wel groot’. De teneur werd steeds duidelijker, stelt Kok vast: Mussert zou zo lang mogelijk van zijn status als ‘ongevaarlijke’ burgerman blijven profiteren, en pas na het bestijgen van de troon het fatsoen en de wet in de hoek trappen.  

De opkomst van de NSB en Musserts rol daarbij in de vooroorlogse periode bevatte voor mij veel nieuws. Dat geldt ook voor Koks’ relaas over de jeugd, zijn jaren als student en zijn wat wonderlijke relatie met Rie Witlam, zijn achttien jaar oudere tante, met wie hij in 1917 op 23-jarige leeftijd trouwde. Kok neemt voor de vroege Mussert alle tijd, in mei 1940 ben je al ruim over de helft van de biografie. 

Mussert en de jaren 1940-’45 is een verhaal  dat bekender is en al vaker uitvoerig beschreven. Maar in de handen van Kok krijgt het een levendigheid die je doet doorlezen. Vooral omdat hij zich richt op de grote lijn en de meest wezenlijke onderwerpen. Een mooi voorbeeld daarvan is zijn behandeling van Musserts wensdroom dat Nederland zou worden benoemd tot een autonome natie binnen de Nieuwe Orde van het Derde Rijk. Met Mussert als Algemeen Leider, vanzelfsprekend. Voor Hitler waren beslissingen daarover iets voor later, maar Mussert wilde het zo snel mogelijk regelen, al was het maar om te voorkomen dat Nederland zou eindigen als een Duitse deelstaat, voor hem een gitzwart scenario. Tijdens een bezoek aan Hitler in de rijkskanselarij, in het najaar van 1940, in het gezelschap van Seyss-Inquart en andere kopstukken, hield de Führer hierover een lange speech zonder daadwerkelijk iets toe te zeggen. Maar Mussert had na afloop beslist niet het gevoel dat hij niet serieus werd genomen, moet Kok concluderen: ‘Mussert maakt deze vaagheid niets uit. Integendeel, hij stapt even later volkomen tevreden weer in de auto. Hij heeft genoeg gehoord. Of liever: hij heeft waarschijnlijk veel meer gehoord dan Hitler heeft gezegd. […] En de aanstichter van al dit groots, de toekomstige wereldleider Adolf Hitler, is op zíjn hand. Dat weet hij nu zeker. Ongelooflijk.’ Kwestie van wishfull thinking, denk ik dan. Het zal zo'n bijeenkomst zijn geweest als op de foto hierboven, waarop Mussert wordt geflankeerd wordt door Seyss-Inquart (links) en Heinrich Himmler (geheel rechts). Die foto bekijkend denk ik: lachen ze hem toe of uit?

Een in de politiek verdwaald burgermannetje, zo wordt Mussert nog wel eens getypeerd. Bij Kok is dat een term die wel passeert, maar dan als een van de aspecten van een toch veelzijdiger karakter. Zelf meende Mussert, tijdens zijn proces in 1946, dat het beeld dat van hem bestond te eenzijdig negatief was. Hij had toch het beste met Nederland voorgehad, en vooral gehandeld uit landsbelang. Maar daar ging de rechter van het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag niet in mee. Hij kreeg de doodstraf, die op 7 mei 1947 op de Waalsdorpervlakte werd voltrokken. 

Daarmee eindigt een wat mij betreft voorbeeldige biografie. Precies zoals Kok zich in de eerste zinnen van zijn inleiding had voorgenomen: ‘Een reportage van zijn leven: dat was mijn plan. Niet moraliseren, althans zo weinig mogelijk, en vooral proberen de gebeurtenissen voor zichzelf te laten spreken.´

Auke Kok / Mussert. Reis naar het kwaad / 480 blz / Hollands Diep, 2026

donderdag 10 september 2026

Wagners Ring filosofisch beschouwd

Het is nét weer achter de rug, dat wat je misschien wel het meest indrukwekkende culturele evenement van Duitsland mag noemen: de Bayreuther Festspiele. Sinds 1876, dit jaar dus precies anderhalve eeuw geleden, worden daar jaarlijks in de zomermaanden Wagners opera’s uitgevoerd, met in het hart van de programmering Der Ring des Nibelungen. Het theatergebouw, het zogenoemde Festspielhaus, werd mede door Richard Wagner (1813-1883) zelf ontworpen en wordt uitsluitend voor de Festspiele gebruikt. Vorige week werd de editie 2026 afgesloten, op de website is het programma van 2027 alweer te zien. Na openstelling van de kaartverkoop moet je er snel bij zijn, anders vis je achter het net. 

Wat verklaart die populariteit van de Ring?  Een mogelijk antwoord is dat het verhaal van de Ring is gebaseerd op wat ik maar zal noemen de Duitse mythische ‘oergeschiedenis’. In de vier delen, Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung wordt je ondergedompeld in het ontstaan van de wereld, compleet met alle strijd en andere vormen van agressie – en ook meer harmonieuze uitingen van emotie - die daarmee gepaard gingen. Ook zal hebben meegespeeld, en dan vooral in de negentiende eeuw, dat de Duitse literatuurgeschiedenis vol zit met dergelijke verhalen, die leerlingen en studenten tijdens hun opleiding als vanzelf meekregen. Voor Duitse operaliefhebbers was wat Wagner deed al snel heel herkenbaar. 

Daarnaast was Wagner een muzikale vernieuwer. Dat klinkt vanuit onze beleving misschien wat ongelooflijk, maar toch heeft hij het genre van de opera wezenlijk veranderd. Tot aan Wagner was een opera gewoonlijk opgebouwd uit aria’s en recitatieven, een afwisseling dus van mooi gezongen liederen en een soort spreekgezangen. In die laatste speelde het drama zich af, terwijl tijdens de aria’s het verhaal even werd stilgelegd ten behoeve van het vocale kunstje – dat overigens lang niet altijd samenhing met het verhaal. Dit zinde Wagner niet, hij pleitte voor een veel sterkere én logischer verstrengeling van muziek en drama. In zijn opera’s introduceerde hij grote, doorgecomponeerde gehelen waarin de muziek en het drama versmolten. Omdat de muziek nu feitelijk ten dienste stond van het drama, werden zijn opera’s gaandeweg bestempeld als muziekdrama’s. En voor zulke werken waren die verhalen uit de verre voorgeschiedenis, teksten van de lange adem, uitermate geschikt. 

Gerbert Faure is filosoof. Zo mag je iemand die promoveerde op het probleem van de vrije wil, het Basisboek filosofie schreef en in het dagelijks leven docent filosofie en Nederlands is toch wel noemen. Ook is hij, het zal u niet verbazen, een groot liefhebber van opera en in het bijzonder van Wagner. In Wagners Ring. Een filosofische reis hanteert hij een verrassende aanpak. Het boek is geen inleiding op de Ring, ook geen handleiding bij het begrijpen ervan of een muzikale analyse. Ofschoon al deze zaken bij Faure óók langskomen, voegt hij iets heel wezenlijks toe: hij stelt vragen. Hij neemt jou als lezer mee door alle vier de drama’s, presenteert zo ongeveer iedere scène en laat zien hoe tekst en muziek samenhangen en elkaar versterken. En dan gaat hij dieper in op de handeling, soms omdat die heel typerend is voor een van de personages, vaker omdat die voortkomt uit een meer algemeen menselijk gedrag. Wat hij aan de orde stelt kan gaan over iets als liefde en lust, het karakter van de dood, de rol van vrouwen in een mannenwereld, het duiden van dromen, de louterende werking van lijden en ga zo maar door. Het klinkt heel zwaar, realiseer ik mij, maar omdat het is verpakt in een drama dat je, zeker wanneer je de tijd en moeite ervoor neemt, steeds meer gaat boeien krijgt doorlezen iets verslavends.

Het enige wat ik heb gemist in dit verder zo doordachte boek is het advies af en toe eens een scène te luisteren. Het daagde mij pas halverwege dat dit een zinvolle toevoeging kon zijn. En inderdaad, dat werkt. Je krijgt het verhaal dan nog indringender binnen, en ziet nog duidelijker hoe Faure zijn commentaren opbouwt. En wanneer je eenmaal aan het luisteren bent, zou je ook de visuele beleving kunnen toevoegen. Tip: de Londense Royal Opera House is al enkele jaren bezig de hele Ring op te voeren, met grote zangers en een veelal oogstrelende enscenering. Daarvoor hoef je niet naar Londen, veel Nederlandse bioscopen bieden van tijd tot tijd de streaming aan. Aanbevolen!

Gerbert Faure / Wagners Ring. Een filosofische reis / 320 blz / Boom, 2026

dinsdag 25 augustus 2026

The Things We Never Say

Nooit eerder las ik iets van Elizabeth Strout. Maar in een ver verleden was ik wel verslaafd aan het werk van John Updike. De vier (vijf) delen Rabbit, vanzelfsprekend, maar misschien nog meer Couples (1968) of The Maples Stories (1979). Romans en verhalen over stellen die in de loop van de jaren ’60 de ietwat kleinburgerlijke mentaliteit van de stadjes aan de oostkust van de  VS van zich afschudden en zich te buiten gingen aan drank, lichte drugs en - vooral – aan overspel. Taaltovenaar Updike beschreef het met een welhaast onvoorstelbare lichtheid en elegantie. Het werd een spel, in alle opzichten.

Die meesterlijke taalbeheersing vond ik tot mijn genoegen terug bij Strout, in haar beknopte roman The Things We Never Say. Evenals de gave om met weinig woorden, eigenlijk indirect, zo’n dorpsgemeenschap neer te zetten. We zijn bij haar in tijd ruim veertig jaar opgeschoven, staan aan het begin van het tijdperk Trump. Artie Dam, 57 jaar, al dertig jaar leraar geschiedenis aan een lokaal college, en zijn echtgenote Evie zijn de hoofdpersonen van The Things We Never Say. Ze wonen luxe, in een prachtig huis dat een cadeau was van haar ouders. Voor de deur ligt een baai, Artie zeilt graag in het weekeinde. Hij heeft steeds meer het gevoel dat hij en Evie langs elkaar heen leven. Ze hebben een zoon die tien jaar eerder een ongeluk veroorzaakte waarbij zijn vriendin omkwam. Dat maakte het noodzakelijk om hun leven te resetten. Dat lijkt gelukt, maar bij Evie iets beter dan bij Artie. Die kan zich ook niet onttrekken aan de indruk dat zijn relatie met zijn leerlingen – die altijd prima was, vijf jaar geleden werd hij gekozen tot beste docent in de staat – wat gaat schuren.

Er wordt in deze roman, conform de titel, tussen de personages veel niet uitgesproken. Jij als lezer krijgt het wél mee. Een mooi spanningsveld!  

Elizabeth Strout / The Things We Never Say / 201 blz / Penguin Viking, 2026

zondag 23 augustus 2026

Boeken als pleisters

Het conflict in het Midden-Oosten duurt al even. Als je erbij stilstaat, waarschijnlijk al veel langer dan je dacht. De Marokkaans-Franse schrijver Rachid Benzine laat zijn roman De boekhandelaar van Gaza beginnen in 1947, bij een aanval op Palestijnse nederzettingen in de buurt van Haifa door een tak van de Hagana, een Joodse paramilitaire organisatie die werd opgericht om de jonge staat Israël te beschermen. Bij die aanval worden duizenden Palestijnse familie verjaagd, terwijl hun schamele huisjes met tanks en bulldozers worden platgewalst. Dat klinkt heel bekend, niet? Terwijl dit toch, op een jaar na, tachtig jaar geleden is. 

Die lengte, het haast onvoorstelbare gegeven dat mensen hun halve of zelfs hun hele leven doorbrengen in wat je toch wel een ‘oorlogssituatie’ kan noemen, is een van de twee rode draden die Rachid Benzine (1971) in zijn roman hanteert. Hij heeft daarvoor een mooie vorm gevonden. Hij laat, nog vóór de verrassingsaanval van Hamas in oktober 2023, een Franse fotograaf afreizen naar Gaza om voor zijn opdrachtgever pakkende beelden te schieten van de ellende onder de inwoners van het gebied. Tijdens een eerste wandelingetje stuit deze Julien in de binnenstad, in een nog nauwelijks gebombardeerd stadsdeel, op een boekwinkeltje. Op de stoep ervoor zit, in kleermakerszit, de boekhandelaar. Verdiept in een boek. Wanneer hij dit sfeerbeeld wil vastleggen, spreekt de oude man hem aan en vraagt hem of hij niet, alvorens de foto te nemen, zijn verhaal wil aanhoren. Een foto mét een verhaal zal toch interessanter zijn dan een zonder. 

En dat is het beslist, zeker in het geval van de boekhandelaar, Nabil el-Jaber. Tijdens enkele achtervolgende middagen vertelt deze aan Julien zijn levensgeschiedenis. Die begint daadwerkelijk bij de al genoemde aanval door de Israëlische paratroepen eind 1947. Om precies te zijn heel kort voor de geboorte van Nabil. Tijdens die aanval schoten de paratroepen in het wilde weg, waardoor ook Nabils hoogzwangere moeder werd getroffen, in haar rug. Hun huis werd in brand gestoken. Op de vlucht, waarbij ze alleen hun kar en ezel mochten meenemen, en wat persoonlijke spullen, was het zaak te voorkomen dat de weeën vroegtijdig zouden beginnen. Dat lukte, Nabil werd veilig geboren. Maar die eerste vlucht, naar Nazareth, en dat wisten ze toen nog niet, zou er een zijn van een hele reeks. Vluchtelingenkampen over heel Israël, en ook in de Jordaanvallei, en uiteindelijk Gaza. 

Wat doe je, wanneer je leven zo overhoop ligt, je nergens kan aarden, je ook nergens een veilig bestaan kan opbouwen, altijd deels afhankelijk zal zijn van (buitenlandse) organisaties. Nabil lukt het wel door hard te werken op eigen benen te staan, zijn jonge gezin te onderhouden. Weet zelfs een klein vissersbootje aan te schaffen, waarmee hij dagelijks in alle vroegte de Middellandse Zee op gaat. Vis is er altijd, en gegeten moet er ook, dus dat is een redelijk stabiele bron van inkomsten. Zo, én met een toegezegde beurs, kan hij ook enkele van zijn kinderen laten studeren. Want dat ziet hij als dé weg naar een enigszins menswaardig bestaan. Maar dan komt in 1987 de eerste Intifada. De grote volksopstand van het Palestijnse volk tegen het Israëlische leger. Verzet dat veel heviger is dan voorheen, en vooral ook veel massaler. En weer alles ligt overhoop.

Terwijl Nabil zijn levensgeschiedenis uit de doeken doet, loopt hij af en toe zijn winkeltje in om een boek uit een van de rekken te halen. Om daaruit Julien iets voor te lezen, uit te leggen waarom juist deze titel van deze schrijver ooit iets voor hem heeft betekend. Hem tijdens moeilijke momenten steun heeft gegeven. Primo Levi’s Is dit een mens is zo’n titel. En ook, wanneer Nabil later langdurig in de gevangenis belandt omdat hij zijn door een kogel getroffen zoon wilde redden, Solzjenitsyn’s Goelag Archipel en Een verliefde gevangene van Jean Genet. En natuurlijk het boek dat je altijd kan herlezen, Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. Literatuur als pleister op een wond die maar niet wil helen. De tweede rode draad in deze roman. Heel mooi gedaan. 

Het enige wat een beetje jammer is aan dit boek is de titel van de Nederlandse uitgave. Benzine gaf de Franse editie de titel L’home qui lisait des livres, in het Nederlands De man die boeken las. Dat is immers de kern van de vertelling. De Nederlandse uitgever koos echter voor De boekhandelaar van Gaza, waarmee het boek voor mijn gevoel een beetje ten onder gaat in de vloedgolf aan boeken met titels als De violist van Auschwitz etc. Het is een keuze vanuit de marketing, dat begrijp ik, maar toch ook een beetje zielloos ….

Rachid Benzine / De boekhandelaar van Gaza / Vertaald uit het Frans L’home qui lisait des livres door Ursula Teijink / 143 blz / Atlas Contact, 2026

donderdag 20 augustus 2026

De rode burgemeester

PRO. Het is er nu dan toch van gekomen, een grote volkspartij aan de linkerzijde van het politieke veld. Lang niet alle betrokkenen waren bereid zomaar de stap te zetten. Lang niet iedereen geloofde in de voordelen. En emotionele aspecten speelden voor velen, vooral de wat oudere kiezers en leden, natuurlijk ook een rol. Of de fusie een goede beslissing was gaan we zien, dat moeten we wat tijd gunnen. 

Wat ik me tijdens de discussies van de afgelopen jaren niet echt heb gerealiseerd was dat binnen de Partij van de Arbeid al veel langer de wens bestond de partij eens goed op te schudden. Te vernieuwen. En dan bedoel ik niet zo’n ietwat modieus initiatief als Nieuw Links (1965-1971), maar grondiger, duurzamer. Ik stuitte daarop tijdens het lezen van De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester. In deze biografie beschrijft Klaas Tammes hoe er, na de Tweede Kamer verkiezingen van 1967, voor het eerst sprake was van de opkomst van veel kleine, veelal linkse partijen die niet aan de regering zouden gaan deelnemen. Dat was eigenlijk jammer van die stemmen, vond Wim Thomassen, direct na de oorlog medeoprichter van de PvdA en in 1967 burgemeester van Rotterdam. Niet de minste, dus. Hij pleitte voor ‘een doorbraak, voor een brede progressieve volkspartij’. De naam PvdA mocht van hem verdwijnen. Het woord ‘arbeid’ in die naam had in 1946 bij de oprichting immers een geheel andere inhoud gehad dan twee decennia later. Maar van de term ‘socialistisch’ moesten ze afblijven. Die was voor hem zoiets als een beginselverklaring. 

Rotterdam was de derde stad waar Thomassen burgemeester was, na Zaandam (1948-58) en Enschede (1958-65). Dat is een mooie loopbaan, zou je zeggen, en Thomassen vond dat zelf ook. Hij hield van het bestuurlijke op stedelijk niveau, dat was niet te groot, dat paste ook goed bij zijn pragmatische instelling, zijn hands-on mentaliteit. Kort na de oorlog was hij enkele jaren lid van de Tweede Kamer, maar dat was hem te abstract. En een functie binnen een regionale samenwerking, zoals in het Openbaar Lichaam Rijnmond, leek hem alleen zinvol wanneer zo’n bestuursorgaan ook daadwerkelijk bevoegdheden kreeg. En dat was in de jaren zestig nog niet het geval.  

Hoe wordt je burgemeester? Bij Thomassen was dat deels een kwestie van de juiste man op het juiste moment. Direct na de oorlog, in de zomer van 1945, was hij drie maanden lang in de rang van majoor hoofd geweest van het Militaire Gezag in de Zaanstreek. En toen hij drie jaar later solliciteerde naar de vacante burgemeesterspost, herinnerde men zich hem als een doortastend en beminnelijk man. Dat hielp. 

Klaas Tammes, die zelf burgemeester in meerdere kleinere gemeenten is geweest, schetst met kennis van zaken de achtereenvolgende posten van Thomassen. Die verschilden zeer. In Zaandam werd het politieke leven in die jaren na de oorlog grotendeels beheerst door de Communistische Partij, die met een grote fractie en een flinke dosis onaangepast gedrag de vergaderingen van de gemeenteraad domineerde. In Enschede was het vooral een kwestie van saneren en wist Thomassen een handvol verouderde en kwakkelende textielbedrijven uit het centrum naar de buitenrand van de stad te krijgen. Daar kwam ook zijn interesse voor stedelijke vernieuwing voor de dag. De stad kreeg zijn ‘Boulevard’, een grote doorsteek, en het centrum onderging een make-over.  En in Rotterdam zou je Thomassen zelfs een projectontwikkelaar kunnen noemen. Als burgemeester had hij daar tevens de haven in zijn portefeuille, een – misschien niet heel verstandige - traditie. Hij zette grote projecten in gang, zoals een nieuwe Maasvlakte voor diepstekende schepen, waarvoor op Voorne een natuurgebied zou moeten wijken. Dat leidde tot een maatschappelijke discussie, met als kernvraag of Rotterdam ‘een haven met een stad, of juist een stad met een haven’ zou moeten zijn. Iets algemener geformuleerd: waar ligt de balans tussen welvaart en welzijn? Voor Thomassen was dat duidelijk, en hij verdedigde zijn visie dan ook hartstochtelijk. 

Kreeg het gedrag van Thomassen in Rotterdam regenteske trekjes? Zag hij zichzelf niet alleen als burgervader maar ook als CEO van een multinational? Je gaat het haast denken. Zijn opvolger zou in 1974 André van der Louw zijn. Een partijgenoot, maar daar houdt iedere vergelijking wel op. 

Een leven als burgemeester betekent dat je midden in het maatschappelijk leven staat. En er niet alleen deel van uitmaakt, maar dat je ontwikkelingen ook mede kan sturen. Een burgemeesterschap is daarmee een soort spiegel van de samenleving, in ieder geval de lokale. Tammes weet dat feilloos te duiden, en dat geeft zijn biografie beslist een meerwaarde. Maar ook door zijn oog voor het detail, voor het meer anekdotische, leer je Thomassen kennen. Ter afsluiting twee aardige voorbeelden daarvan.   

Het eerste: In de zomer van 1958 verhuisde het echtpaar Thomassen naar Enschede. Omdat op dat moment de verbouwing van de ambtswoning nog niet gereed was, wat ook gold voor de gasaansluiting, zette Thomassen zijn caravan op de stoep zodat zijn echtgenote daarin kon koken en koffie zetten. Hoe glorieus kan je intocht als nieuwe burgemeester zijn?

Het tweede: Eind jaren zestig. De Amsterdamse burgemeester Samkalden had het demonstratiebeleid versoepeld, min of meer gedwongen door de omstandigheden. Thomassen dacht daar anders over, vond dat dit beleid moest blijven verlopen binnen het kader van de wet- en regelgeving. Een citaat: ‘Demonstreren hoort tot onze vrijheid. Het gezag is er omwille van die vrijheid. Nu er een gezagscrisis aan de orde is kan tot de oplossing daarvan niet worden bijgedragen door terug te wijken en te buigen voor de waan van de dag. Ik ga bij de demonstraties tussen de mensen staan. De politie ontraadt me dat. Provo-happenings kent Rotterdam niet. […] In Rotterdam wordt gewerkt. Rotterdammers gaan op tijd naar bed.’

Klaas Tammes / De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester / 325 blz /  Prometheus, 2026

zondag 9 augustus 2026

Hoe Maurits, prins van Oranje, aan de macht bleef

Je politieke tegenstander uit de weg ruimen, in het Holland van de zeventiende eeuw was dat een koud kunstje. Mits je over geld en enige invloed beschikte. De keurigste mensen bezondigden zich er aan, zelfs een prins van Oranje. En met hém opent Nicolaas Matsier (1945) zijn onlangs verschenen roman Zonder pardon. Het is een vroege ochtend, eind augustus 1618. Prins Maurits, stadhouder van vijf provinciën en kapitein-generaal van het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden, wacht na een grotendeels doorwaakte nacht op de komst van Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de provincie Holland en na Maurits de machtigste man in de Republiek. In diens agenda staan voor die dag twee vergaderingen, achtereenvolgend met de Staten van Holland en met de Staten-Generaal. Maar Van Oldenbarnevelt zal die bijeenkomsten nooit bereiken. Zodra hij op het Haagse Binnenhof uit zijn koets stapt, wordt hij gearresteerd. Feitelijk in directe opdracht van Maurits. Formeel op last van de Staten-Generaal.

Hoe luidde de aanklacht? Wanneer je het uitvoerige dossier dat werd opgebouwd, met daarin een opsomming van meer dan honderd beschuldigingen, even buiten beschouwing laat wordt het overzichtelijk. Het gaat veelal om bestuurlijke zaken, met daarin religie als zwaartepunt. Na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand in 1609, waardoor de focus op de oorlog tegen Spanje tijdelijk wegviel en opeens allerlei onderlinge geschillen belangrijker leken te worden, ontstonden er irritaties en haperde de communicatie. Een min of meer harmonieuze samenwerking in de strijd tegen een gezamenlijke vijand ontaardde in solistisch optreden van beide kanten. Van Oldenbarnevelt, die bijna veertig jaar – vanaf zijn samenwerking met Willem van Oranje – in het centrum van de macht had verkeerd, ging daarin het verst. Maurits voelde zich de macht ontglippen en greep naar het middel dat hem ten dienste stond: het leger. Hollandse steden, waarvan er tot dan toe veel trouw waren gebleven aan de raadspensionaris, werden ‘gecorrigeerd’. En Van Oldenbarnevelt liet hij voorafgaand aan diens arrestatie maandenlang bespioneren.  

Nicolaas Matsier publiceerde in 2019, precies 400 jaar na de onthoofding van Van Oldenbarnevelt, de roman De advocaat van Holland. En dit voorjaar verscheen de tegenhanger, Zonder pardon. Matsier hanteert in dit tweeluik een opmerkelijke stijl. Verkeerde je in De advocaat als lezer voortdurend in het hoofd van Van Oldenbarnevelt, in Zonder pardon beleef je uitsluitend Maurits’ gedachten. De zinnen zijn kort, de alinea’s nooit langer dan een halve bladzijde en steevast van elkaar gescheiden door een witregel. Er ontstaat daardoor een spervuur aan korte impressies, vaak niet langer dan een tweet. Ben je daar eenmaal aan gewend, dan leest het best prettig.

Vanaf zijn arrestatie tot aan zijn terechtstelling in mei 1619, negen maanden later, wordt Van Oldenbarnevelt gevangen gehouden in een donker appartement boven de Rolzaal in het Haagse Binnenhofcomplex. Nog geen honderd meter van Maurits' verblijf. De ramen ervan zijn dichtgetimmerd om hem te beletten contact met buiten te hebben. Zelfs zijn familie mag hij na zijn arrestatie niet meer zien. Ook de reden van zijn gevangenneming is hem lange tijd niet bekend. De eerste verhoren door een voor de gelegenheid samengestelde rechtbank brengen daarin voor hem geen duidelijkheid. Pas na enige tijd ontdekt hij een patroon in de ondervraging, een denkrichting. Maar lange tijd komt het niet bij hem op dat er wordt aangestuurd op de ultieme straf. Door dat limbo verkeert Van Oldenbarnevelt als het ware in een niemandsland. Hij staat volledig buiten de dagelijkse gang van zaken. De enige afleiding in die eenzame opsluiting is het regelmatige verhoor door de  rechtbank.

Maurits houdt zich buiten het onderzoek en proces, al laat hij zich dagelijks door vertrouwelingen bijpraten. Wanneer hij tegen het einde van het jaar met flink wat militair machtsvertoon alle Hollandse steden achter zich heeft weten te krijgen, breekt een rustige periode aan. En door stilzitten ontstaat er ruimte voor herinneringen, bespiegelingen. Een situatie waarin Van Oldenbarnevelt zich al maanden noodgedwongen bevindt. Voor mij zijn het juist deze passages die beide romans naar een hoger plan tillen. Matsier schetst Van Oldenbarnevelt hier als ambitieus jurist en bestuurder, trots op zijn glansrijke loopbaan die hij wist te bekronen met de machtigste functie binnen het bestuurlijk bestel van de Republiek. Dat je daarbij onherroepelijk vijanden maakt is haast niet te vermijden. Mensen die vinden dat je al veel te lang te veel macht hebt, en die verkeerd gebruikt. En die je daarom liever zien gaan. Is dat wat hem nu overkomt?

De mijmeringen van Maurits zijn wat meer aards van karakter. Hij kijkt weliswaar terug op succesvolle veldslagen en belegeringen, maar kan niet goed omgaan met het maken van vuile handen, ook al was dat soms onvermijdelijk. Zelfs dat wat hij nu Van Oldenbarnevelt aandoet levert hem soms slapeloze nachten op. Ook gaat Maurits de jaren voelen, zijn behoefte aan korte middagslaapjes wordt steeds groter.

Niet iedereen zal zijn geschiedenis van de Hollandse Gouden Eeuw paraat hebben. Van Oldenbarnevelt en Maurits zullen geen probleem zijn. Maar het Twaalfjarig Bestand, de strijd tussen de remonstranten en contraremonstranten, het verzetten van de wet en nog wat van die termen: Matsier veronderstelt ze als bekend. Dus dat wordt dan even naar Wikipedia, een kleine moeite. Maar eigenlijk hoeft dat niet eens, want de geschiedenis is hier niet de hoofdzaak. Wat Matsier ons presenteert is een gevecht tussen twee mannen – beroemd, machtig, rijk -, een gevecht dat we meemaken vanuit het hoofd van die mannen. Dat is gedurfd, en het had gemakkelijk kunnen mislukken. Maar hij maakt het volledig waar.

Nicolaas Matsier / De advocaat van Holland & Zonder pardon / resp. 360 & 208 blz / De Bezige Bij, resp. 2019 & 2026

zondag 2 augustus 2026

De wereld rond, in het spoor van de tijd

De schutbladen van De tijdreiziger, het nieuwe boek van Philip Dröge, tonen een projectie van de wereldkaart. Daarop is niets ingevuld, afgezien van 21 genummerde stippen die door een lijn met elkaar zijn verbonden. De nummering gaat in oostelijke richting, beginnend in Nederland om vervolgens via een Zweeds eilandje naar Praag, Bern, het Griekse Athos en Doha in steeds grotere stappen richting de Stille Zuidzee te gaan. En vandaar, via wat stops in de VS en Midden-Amerika weer naar Nederland. Een wereldreis, zo een als Jules Verne zijn held Phileas Fogg liet maken in Reis om de wereld in tachtig dagen. Maar Dröge maakt er geen wedstrijd van, al staat ook bij hem de tijd centraal. En hij volgt niet precies Foggs route. Nee, Dröge selecteerde bestemmingen waarvan hij hoopt dat hij er wat meer inzicht krijgt in vragen die hem al lang fascineren. Vragen over het fenomeen tijd. In zijn eigen woorden:

‘ […] door langs plekken te reizen die iets met het fenomeen tijd te maken hebben. Om te proberen het meest ongrijpbare toch te vatten en antwoord te krijgen op vragen als: Hoe gaan volkeren rond de wereld om met het mysterie van de klok? Waarom lijken sommigen culturen het temporele helemaal te negeren, terwijl anderen het juist centraal stellen? Waarom hebben buurlanden soms andere tijdsmetingen en bouwen sommige geloven tempels voor de toekomst? En natuurlijk de belangrijkste vraag van allemaal: is tijd echt of slechts een illusie?’

De tijdreiziger is een boek met inzichten op allerlei vlak. Soms heel simpele, zo vanzelfsprekende dat je – lees: ik - er niet eerder bij stilstond. Zoals de begrippen zonnetijd en kloktijd. Het eerste is een natuurkundig verschijnsel, het tweede een afspraak. De zonnetijd geldt steeds maar op een smalle, verschuivende reep, terwijl de kloktijd een veel groter gebied beslaat. De zonnetijd verschuift gelijkmatig van oost naar west, in ons deel van Europa 1 minuut voor iedere 18 kilometer. Een ijzeren regelmaat. De kloktijd is zoals gezegd een afspraak, ooit in het leven geroepen om allerlei aspecten van ons dagelijkse leven te organiseren, structuur te geven. Ook voor Dröge was dit een verhelderend inzicht, dat hij opdeed in Praag, waar de onderhoudsmonteur van de beroemde, levensgrote astronomische klok uit 1410 hem rondleidde. Dat is trouwens een prettig aspect van De tijdreiziger, en ook van veel van Dröges eerdere boeken, dat hij met graag te rade gaat bij lokale (ervarings)deskundigen. Het verlevendigt zijn verhaal, én laat zien dat mensen vaak interessanter zijn dat de geschiedenis, landschap of stad. Een beetje zoals Michael Palin dat deed op zijn reizen voor de BBC.

De keuze van locaties is heel gevarieerd. In Bern bezoekt Dröge het voormalige appartement van Albert Einstein. Diens relativiteitstheorie heeft immers alles te maken met het begrip tijd. De monniken in de twintig kloosters in de Monastieke Republiek Athos daarentegen, in Griekenland, proberen zich niet door de tijd te laten leiden: ´Je betreed er een land dat boven de tijd zweeft´. Hebberig wordt Dröge in Doha, bij de markt van de klokkenmakers van Qatar. Je kan er spetterend dure Rolexen aanschaffen, maar ook goedkope neppers die door de leek vrijwel niet te onderscheiden zijn van echte. Ooit gehoord van de lunisolaire kalender? In Mumbai maakt Dröge kennis met dit systeem, een tijdrekening gebaseerd op een combinatie van de stand van de zon én de maan. Om vervolgens, op weg naar Kathmandu, op irritante wijze kennis te maken met het elastieken tijdsbesef van de Indiase spoorwegen. En bij binnenkomst in Kathmandu, in Nepal, te merken dat zijn horloge verspringt van 15.41 naar 15.56. Ja, een kwartier tijdverschil met India, ook dat kan. Het is maar wat je afspreekt. En natuurlijk vliegt hij over de eindeloos lijkende Pacific naar Samoa, naar de datumgrens. De kers op de taart, zogezegd. 

Maar de meest intense beleving ervaart Dröge op een doodgewoon en vrijwel leeg parkeerterrein in Los Angeles, laat in de avond. Hij parkeert daar zijn gehuurde Nissan, precies op de plek waar Doc Brown in 1985 in Back to the Future een DeLorean uit zijn vrachtauto liet rollen, met de woorden: ‘Als je een tijdmachine in een auto gaat maken, waarom zou je dat dan niet met wat stijl doen.’ Bevangen door jeugdsentiment – Dröge is van 1967 – en het echte, haast letterlijke tijdreizen door in de sportwagen met een ingebouwde fluxcondensator door een scheur in het ruimte-tijdcontinuum te flitsen, blijken op die plek aanleiding te geven tot de misschien wel meest serieuze en ook filosofische overpeinzingen over tijdreizen in het hele boek. Na nog even met zijn huis, tuin & keuken-Nissan plankgas de startbaan van de DeLorean te hebben gevolgd, én op tijd op de rem getrapt, verlaat Dröge dit openbare stukje filmset. Op weg naar zijn laatste reisdoel, New York City. Specifieker, Times Square. What’s in a name …  

Nieuwsgierigheid is wat Dröge steeds maar weer lijkt te leiden naar nieuwe plekken en verhalen. Of het nu de uitbarsting van de vulkaan Tambora in 1815 is, en de wereldwijde gevolgen daarvan; de geschiedenis van het ministaatje Moresnet, zuidelijk van Maastricht; Pelgrim, de biografie van Christiaan Snouck Hurgronje; zijn monografie over Jakarta, Moederstad of het fascinerende De Tawl, zijn speurtocht naar de restanten van de Nederlandse taal in het noordoosten van de Verenigde Staten: het resultaat is iedere keer boeiend. Het is geschiedenis voor een heel breed publiek, gebaseerd op gedegen onderzoek en meeslepend verteld, met gevoel voor het anekdotische detail. Een prima mix. 

Philip Dröge / Tijdreiziger. Een wereldreis naar de verhalen van onze tijd / 320 blz / Spectrum - Uitgeverij Unieboek, 2026

donderdag 23 juli 2026

Twee levens in de kunst

Romans van Dave Eggers zijn meestal sociaal bewogen verhalen over een maatschappelijke ontwikkeling of dito onrecht. Denk aan de veel te sterke overheersing van ons leven door de voortschrijdende digitalisering (The Circle),  de schandalige manier waarop de overheid de inwoners van New Orleans niet wist te beschermen tegen de gevolgen van orkaan Katrina (Zeitoun) of het ten hemel schreiende verhaal van een jongen die het zuiden van Soedan probeert te ontvluchten op zoek naar een beter leven (What is the What). Mijn favoriet is een korte novelle uit 2019, The Captain and the Glory, waarin Eggers Donald Trump op vileine wijze neerzet als de ‘ik weet het beter’ kapitein van een enorm cruiseschip. 

Contrapposto, zijn nieuwste roman, past qua inhoud eigenlijk niet in dat rijtje. Het is een hoogst persoonlijk verhaal over een jongen en een meisje, Cricket en Olympia, die vanaf hun tienerjaren hun weg zoeken – én vinden – in de wereld van de kunst. Cricket is een uiterst begaafd tekenaar, Olympia heeft een haast onfeilbaar oog voor kunst die ertoe doet, het vermogen tot doeltreffend organiseren én het voornemen om er rijk mee te worden. Eggers volgt hen beiden tot ze hoogbejaard zijn.

Cricket en Olympia hebben geen liefdesrelatie. Ze zijn verknocht aan elkaar, misschien is dat de beste omschrijving. Er gaan jaren voorbij dat ze elkaar niet zien en maar nauwelijks in de gaten houden wat de ander doet. Maar steeds is er weer een moment dat ze wel met elkaar te maken krijgen. En terwijl Cricket onverstoorbaar doortekent, of het nu gaat om kunst van hoog niveau of als reclametekenaar omdat hij toch een inkomen moet hebben, werkt Olympia zich op tot een belangrijke mevrouw in de kunstwereld. Ze heeft galeries, verhandelt kostbare werken en runt uiteindelijk het atelier van een Damien Hirst-achtige kunstenaar. Het atelier als kunstfabriek.

Eggers brengt je in contact met allerlei vormen van kunst en kunst maken. Met kunstenaars, van de oprechte eenlingen tot de geslepen ondernemers die ideeën van anderen ‘lenen’. Maar ook met kunst die een boodschap bevat én met kunst die niets anders is dan een lege decoratie. Doet hij uitspraken daarover? Nee, hij laat het alleen zien. Show, don’t tell lijkt zijn houding in deze roman.

Hoe dit verhaal te bestempelen? Naast dat het niets minder is dan een ode aan de beeldende kunst, denk ik  dat ook ‘menselijk’ de lading dekt, zeker als je hem betrekt op de relatie tussen Cricket en Olympia. Ze nemen zich voor je in. Geestig is de roman bij vlagen ook. Eggers hanteert een luchtige toon waarin dat vleugje humor heel mooi past. Ik luisterde het boek grotendeels, voorgelezen door stemacteur Sander de Heer. Die verdient een speciale vermelding voor het overtuigend tot leven brengen van het verhaal. Zijn voordracht is zonder meer een wezenlijke toevoeging.

Dave Eggers / Contrapposto / Vertaald uit het Engels door Gerda Baardman, Betty Klaasse, Jan de Nijs en Bernard Wesseling / 437 blz / De Bezige Bij, 2026 // Luisterboek, voorgelezen door Sander de Heer /15 uur en 25 minuten / De Bezige Bij, via Storytel