zondag 23 augustus 2026

Boeken als pleisters

Het conflict in het Midden-Oosten duurt al even. Als je erbij stilstaat, waarschijnlijk al veel langer dan je dacht. De Marokkaans-Franse schrijver Rachid Benzine laat zijn roman De boekhandelaar van Gaza beginnen in 1947, bij een aanval op Palestijnse nederzettingen in de buurt van Haifa door een tak van de Hagana, een Joodse paramilitaire organisatie die werd opgericht om de jonge staat Israël te beschermen. Bij die aanval worden duizenden Palestijnse familie verjaagd, terwijl hun schamele huisjes met tanks en bulldozers worden platgewalst. Dat klinkt heel bekend, niet? Terwijl dit toch, op een jaar na, tachtig jaar geleden is. 

Die lengte, het haast onvoorstelbare gegeven dat mensen hun halve of zelfs hun hele leven doorbrengen in wat je toch wel een ‘oorlogssituatie’ kan noemen, is een van de twee rode draden die Rachid Benzine (1971) in zijn roman hanteert. Hij heeft daarvoor een mooie vorm gevonden. Hij laat, nog vóór de verrassingsaanval van Hamas in oktober 2023, een Franse fotograaf afreizen naar Gaza om voor zijn opdrachtgever pakkende beelden te schieten van de ellende onder de inwoners van het gebied. Tijdens een eerste wandelingetje stuit deze Julien in de binnenstad, in een nog nauwelijks gebombardeerd stadsdeel, op een boekwinkeltje. Op de stoep ervoor zit, in kleermakerszit, de boekhandelaar. Verdiept in een boek. Wanneer hij dit sfeerbeeld wil vastleggen, spreekt de oude man hem aan en vraagt hem of hij niet, alvorens de foto te nemen, zijn verhaal wil aanhoren. Een foto mét een verhaal zal toch interessanter zijn dan een zonder. 

En dat is het beslist, zeker in het geval van de boekhandelaar, Nabil el-Jaber. Tijdens enkele achtervolgende middagen vertelt deze aan Julien zijn levensgeschiedenis. Die begint daadwerkelijk bij de al genoemde aanval door de Israëlische paratroepen eind 1947. Om precies te zijn heel kort voor de geboorte van Nabil. Tijdens die aanval schoten de paratroepen in het wilde weg, waardoor ook Nabils hoogzwangere moeder werd getroffen, in haar rug. Hun huis werd in brand gestoken. Op de vlucht, waarbij ze alleen hun kar en ezel mochten meenemen, en wat persoonlijke spullen, was het zaak te voorkomen dat de weeën vroegtijdig zouden beginnen. Dat lukte, Nabil werd veilig geboren. Maar die eerste vlucht, naar Nazareth, en dat wisten ze toen nog niet, zou er een zijn van een hele reeks. Vluchtelingenkampen over heel Israël, en ook in de Jordaanvallei, en uiteindelijk Gaza. 

Wat doe je, wanneer je leven zo overhoop ligt, je nergens kan aarden, je ook nergens een veilig bestaan kan opbouwen, altijd deels afhankelijk zal zijn van (buitenlandse) organisaties. Nabil lukt het wel door hard te werken op eigen benen te staan, zijn jonge gezin te onderhouden. Weet zelfs een klein vissersbootje aan te schaffen, waarmee hij dagelijks in alle vroegte de Middellandse Zee op gaat. Vis is er altijd, en gegeten moet er ook, dus dat is een redelijk stabiele bron van inkomsten. Zo, én met een toegezegde beurs, kan hij ook enkele van zijn kinderen laten studeren. Want dat ziet hij als dé weg naar een enigszins menswaardig bestaan. Maar dan komt in 1987 de eerste Intifada. De grote volksopstand van het Palestijnse volk tegen het Israëlische leger. Verzet dat veel heviger is dan voorheen, en vooral ook veel massaler. En weer alles ligt overhoop.

Terwijl Nabil zijn levensgeschiedenis uit de doeken doet, loopt hij af en toe zijn winkeltje in om een boek uit een van de rekken te halen. Om daaruit Julien iets voor te lezen, uit te leggen waarom juist deze titel van deze schrijver ooit iets voor hem heeft betekend. Hem tijdens moeilijke momenten steun heeft gegeven. Primo Levi’s Is dit een mens is zo’n titel. En ook, wanneer Nabil later langdurig in de gevangenis belandt omdat hij zijn door een kogel getroffen zoon wilde redden, Solzjenitsyn’s Goelag Archipel en Een verliefde gevangene van Jean Genet. En natuurlijk het boek dat je altijd kan herlezen, Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. Literatuur als pleister op een wond die maar niet wil helen. De tweede rode draad in deze roman. Heel mooi gedaan. 

Het enige wat een beetje jammer is aan dit boek is de titel van de Nederlandse uitgave. Benzine gaf de Franse editie de titel L’home qui lisait des livres, in het Nederlands De man die boeken las. Dat is immers de kern van de vertelling. De Nederlandse uitgever koos echter voor De boekhandelaar van Gaza, waarmee het boek voor mijn gevoel een beetje ten onder gaat in de vloedgolf aan boeken met titels als De violist van Auschwitz etc. Het is een keuze vanuit de marketing, dat begrijp ik, maar toch ook een beetje zielloos ….

Rachid Benzine / De boekhandelaar van Gaza / Vertaald uit het Frans L’home qui lisait des livres door Ursula Teijink / 143 blz / Atlas Contact, 2026

donderdag 20 augustus 2026

De rode burgemeester

PRO. Het is er nu dan toch van gekomen, een grote volkspartij aan de linkerzijde van het politieke veld. Lang niet alle betrokkenen waren bereid zomaar de stap te zetten. Lang niet iedereen geloofde in de voordelen. En emotionele aspecten speelden voor velen, vooral de wat oudere kiezers en leden, natuurlijk ook een rol. Of de fusie een goede beslissing was gaan we zien, dat moeten we wat tijd gunnen. 

Wat ik me tijdens de discussies van de afgelopen jaren niet echt heb gerealiseerd was dat binnen de Partij van de Arbeid al veel langer de wens bestond de partij eens goed op te schudden. Te vernieuwen. En dan bedoel ik niet zo’n ietwat modieus initiatief als Nieuw Links (1965-1971), maar grondiger, duurzamer. Ik stuitte daarop tijdens het lezen van De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester. In deze biografie beschrijft Klaas Tammes hoe er, na de Tweede Kamer verkiezingen van 1967, voor het eerst sprake was van de opkomst van veel kleine, veelal linkse partijen die niet aan de regering zouden gaan deelnemen. Dat was eigenlijk jammer van die stemmen, vond Wim Thomassen, direct na de oorlog medeoprichter van de PvdA en in 1967 burgemeester van Rotterdam. Niet de minste, dus. Hij pleitte voor ‘een doorbraak, voor een brede progressieve volkspartij’. De naam PvdA mocht van hem verdwijnen. Het woord ‘arbeid’ in die naam had in 1946 bij de oprichting immers een geheel andere inhoud gehad dan twee decennia later. Maar van de term ‘socialistisch’ moesten ze afblijven. Die was voor hem zoiets als een beginselverklaring. 

Rotterdam was de derde stad waar Thomassen burgemeester was, na Zaandam (1948-58) en Enschede (1958-65). Dat is een mooie loopbaan, zou je zeggen, en Thomassen vond dat zelf ook. Hij hield van het bestuurlijke op stedelijk niveau, dat was niet te groot, dat paste ook goed bij zijn pragmatische instelling, zijn hands-on mentaliteit. Kort na de oorlog was hij enkele jaren lid van de Tweede Kamer, maar dat was hem te abstract. En een functie binnen een regionale samenwerking, zoals in het Openbaar Lichaam Rijnmond, leek hem alleen zinvol wanneer zo’n bestuursorgaan ook daadwerkelijk bevoegdheden kreeg. En dat was in de jaren zestig nog niet het geval.  

Hoe wordt je burgemeester? Bij Thomassen was dat deels een kwestie van de juiste man op het juiste moment. Direct na de oorlog, in de zomer van 1945, was hij drie maanden lang in de rang van majoor hoofd geweest van het Militaire Gezag in de Zaanstreek. En toen hij drie jaar later solliciteerde naar de vacante burgemeesterspost, herinnerde men zich hem als een doortastend en beminnelijk man. Dat hielp. 

Klaas Tammes, die zelf burgemeester in meerdere kleinere gemeenten is geweest, schetst met kennis van zaken de achtereenvolgende posten van Thomassen. Die verschilden zeer. In Zaandam werd het politieke leven in die jaren na de oorlog grotendeels beheerst door de Communistische Partij, die met een grote fractie en een flinke dosis onaangepast gedrag de vergaderingen van de gemeenteraad domineerde. In Enschede was het vooral een kwestie van saneren en wist Thomassen een handvol verouderde en kwakkelende textielbedrijven uit het centrum naar de buitenrand van de stad te krijgen. Daar kwam ook zijn interesse voor stedelijke vernieuwing voor de dag. De stad kreeg zijn ‘Boulevard’, een grote doorsteek, en het centrum onderging een make-over.  En in Rotterdam zou je Thomassen zelfs een projectontwikkelaar kunnen noemen. Als burgemeester had hij daar tevens de haven in zijn portefeuille, een – misschien niet heel verstandige - traditie. Hij zette grote projecten in gang, zoals een nieuwe Maasvlakte voor diepstekende schepen, waarvoor op Voorne een natuurgebied zou moeten wijken. Dat leidde tot een maatschappelijke discussie, met als kernvraag of Rotterdam ‘een haven met een stad, of juist een stad met een haven’ zou moeten zijn. Iets algemener geformuleerd: waar ligt de balans tussen welvaart en welzijn? Voor Thomassen was dat duidelijk, en hij verdedigde zijn visie dan ook hartstochtelijk. 

Kreeg het gedrag van Thomassen in Rotterdam regenteske trekjes? Zag hij zichzelf niet alleen als burgervader maar ook als CEO van een multinational? Je gaat het haast denken. Zijn opvolger zou in 1974 André van der Louw zijn. Een partijgenoot, maar daar houdt iedere vergelijking wel op. 

Een leven als burgemeester betekent dat je midden in het maatschappelijk leven staat. En er niet alleen deel van uitmaakt, maar dat je ontwikkelingen ook mede kan sturen. Een burgemeesterschap is daarmee een soort spiegel van de samenleving, in ieder geval de lokale. Tammes weet dat feilloos te duiden, en dat geeft zijn biografie beslist een meerwaarde. Maar ook door zijn oog voor het detail, voor het meer anekdotische, leer je Thomassen kennen. Ter afsluiting twee aardige voorbeelden daarvan.   

Het eerste: In de zomer van 1958 verhuisde het echtpaar Thomassen naar Enschede. Omdat op dat moment de verbouwing van de ambtswoning nog niet gereed was, wat ook gold voor de gasaansluiting, zette Thomassen zijn caravan op de stoep zodat zijn echtgenote daarin kon koken en koffie zetten. Hoe glorieus kan je intocht als nieuwe burgemeester zijn?

Het tweede: Eind jaren zestig. De Amsterdamse burgemeester Samkalden had het demonstratiebeleid versoepeld, min of meer gedwongen door de omstandigheden. Thomassen dacht daar anders over, vond dat dit beleid moest blijven verlopen binnen het kader van de wet- en regelgeving. Een citaat: ‘Demonstreren hoort tot onze vrijheid. Het gezag is er omwille van die vrijheid. Nu er een gezagscrisis aan de orde is kan tot de oplossing daarvan niet worden bijgedragen door terug te wijken en te buigen voor de waan van de dag. Ik ga bij de demonstraties tussen de mensen staan. De politie ontraadt me dat. Provo-happenings kent Rotterdam niet. […] In Rotterdam wordt gewerkt. Rotterdammers gaan op tijd naar bed.

Klaas Tammes / De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester / 325 blz /  Prometheus, 2026

zondag 9 augustus 2026

Hoe Maurits, prins van Oranje, aan de macht bleef

Je politieke tegenstander uit de weg ruimen, in het Holland van de zeventiende eeuw was dat een koud kunstje. Mits je over geld en enige invloed beschikte. De keurigste mensen bezondigden zich er aan, zelfs een prins van Oranje. En met hém opent Nicolaas Matsier (1945) zijn onlangs verschenen roman Zonder pardon. Het is een vroege ochtend, eind augustus 1618. Prins Maurits, stadhouder van vijf provinciën en kapitein-generaal van het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden, wacht na een grotendeels doorwaakte nacht op de komst van Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de provincie Holland en na Maurits de machtigste man in de Republiek. In diens agenda staan voor die dag twee vergaderingen, achtereenvolgend met de Staten van Holland en met de Staten-Generaal. Maar Van Oldenbarnevelt zal die bijeenkomsten nooit bereiken. Zodra hij op het Haagse Binnenhof uit zijn koets stapt, wordt hij gearresteerd. Feitelijk in directe opdracht van Maurits. Formeel op last van de Staten-Generaal.

Hoe luidde de aanklacht? Wanneer je het uitvoerige dossier dat werd opgebouwd, met daarin een opsomming van meer dan honderd beschuldigingen, even buiten beschouwing laat wordt het overzichtelijk. Het gaat veelal om bestuurlijke zaken, met daarin religie als zwaartepunt. Na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand in 1609, waardoor de focus op de oorlog tegen Spanje tijdelijk wegviel en opeens allerlei onderlinge geschillen belangrijker leken te worden, ontstonden er irritaties en haperde de communicatie. Een min of meer harmonieuze samenwerking in de strijd tegen een gezamenlijke vijand ontaardde in solistisch optreden van beide kanten. Van Oldenbarnevelt, die bijna veertig jaar – vanaf zijn samenwerking met Willem van Oranje – in het centrum van de macht had verkeerd, ging daarin het verst. Maurits voelde zich de macht ontglippen en greep naar het middel dat hem ten dienste stond: het leger. Hollandse steden, waarvan er tot dan toe veel trouw waren gebleven aan de raadspensionaris, werden ‘gecorrigeerd’. En Van Oldenbarnevelt liet hij voorafgaand aan diens arrestatie maandenlang bespioneren.  

Nicolaas Matsier publiceerde in 2019, precies 400 jaar na de onthoofding van Van Oldenbarnevelt, de roman De advocaat van Holland. En dit voorjaar verscheen de tegenhanger, Zonder pardon. Matsier hanteert in dit tweeluik een opmerkelijke stijl. Verkeerde je in De advocaat als lezer voortdurend in het hoofd van Van Oldenbarnevelt, in Zonder pardon beleef je uitsluitend Maurits’ gedachten. De zinnen zijn kort, de alinea’s nooit langer dan een halve bladzijde en steevast van elkaar gescheiden door een witregel. Er ontstaat daardoor een spervuur aan korte impressies, vaak niet langer dan een tweet. Ben je daar eenmaal aan gewend, dan leest het best prettig.

Vanaf zijn arrestatie tot aan zijn terechtstelling in mei 1619, negen maanden later, wordt Van Oldenbarnevelt gevangen gehouden in een donker appartement boven de Rolzaal in het Haagse Binnenhofcomplex. Nog geen honderd meter van Maurits' verblijf. De ramen ervan zijn dichtgetimmerd om hem te beletten contact met buiten te hebben. Zelfs zijn familie mag hij na zijn arrestatie niet meer zien. Ook de reden van zijn gevangenneming is hem lange tijd niet bekend. De eerste verhoren door een voor de gelegenheid samengestelde rechtbank brengen daarin voor hem geen duidelijkheid. Pas na enige tijd ontdekt hij een patroon in de ondervraging, een denkrichting. Maar lange tijd komt het niet bij hem op dat er wordt aangestuurd op de ultieme straf. Door dat limbo verkeert Van Oldenbarnevelt als het ware in een niemandsland. Hij staat volledig buiten de dagelijkse gang van zaken. De enige afleiding in die eenzame opsluiting is het regelmatige verhoor door de  rechtbank.

Maurits houdt zich buiten het onderzoek en proces, al laat hij zich dagelijks door vertrouwelingen bijpraten. Wanneer hij tegen het einde van het jaar met flink wat militair machtsvertoon alle Hollandse steden achter zich heeft weten te krijgen, breekt een rustige periode aan. En door stilzitten ontstaat er ruimte voor herinneringen, bespiegelingen. Een situatie waarin Van Oldenbarnevelt zich al maanden noodgedwongen bevindt. Voor mij zijn het juist deze passages die beide romans naar een hoger plan tillen. Matsier schetst Van Oldenbarnevelt hier als ambitieus jurist en bestuurder, trots op zijn glansrijke loopbaan die hij wist te bekronen met de machtigste functie binnen het bestuurlijk bestel van de Republiek. Dat je daarbij onherroepelijk vijanden maakt is haast niet te vermijden. Mensen die vinden dat je al veel te lang te veel macht hebt, en die verkeerd gebruikt. En die je daarom liever zien gaan. Is dat wat hem nu overkomt?

De mijmeringen van Maurits zijn wat meer aards van karakter. Hij kijkt weliswaar terug op succesvolle veldslagen en belegeringen, maar kan niet goed omgaan met het maken van vuile handen, ook al was dat soms onvermijdelijk. Zelfs dat wat hij nu Van Oldenbarnevelt aandoet levert hem soms slapeloze nachten op. Ook gaat Maurits de jaren voelen, zijn behoefte aan korte middagslaapjes wordt steeds groter.

Niet iedereen zal zijn geschiedenis van de Hollandse Gouden Eeuw paraat hebben. Van Oldenbarnevelt en Maurits zullen geen probleem zijn. Maar het Twaalfjarig Bestand, de strijd tussen de remonstranten en contraremonstranten, het verzetten van de wet en nog wat van die termen: Matsier veronderstelt ze als bekend. Dus dat wordt dan even naar Wikipedia, een kleine moeite. Maar eigenlijk hoeft dat niet eens, want de geschiedenis is hier niet de hoofdzaak. Wat Matsier ons presenteert is een gevecht tussen twee mannen – beroemd, machtig, rijk -, een gevecht dat we meemaken vanuit het hoofd van die mannen. Dat is gedurfd, en het had gemakkelijk kunnen mislukken. Maar hij maakt het volledig waar.

Nicolaas Matsier / De advocaat van Holland & Zonder pardon / resp. 360 & 208 blz / De Bezige Bij, resp. 2019 & 2026

zondag 2 augustus 2026

De wereld rond, in het spoor van de tijd

De schutbladen van De tijdreiziger, het nieuwe boek van Philip Dröge, tonen een projectie van de wereldkaart. Daarop is niets ingevuld, afgezien van 21 genummerde stippen die door een lijn met elkaar zijn verbonden. De nummering gaat in oostelijke richting, beginnend in Nederland om vervolgens via een Zweeds eilandje naar Praag, Bern, het Griekse Athos en Doha in steeds grotere stappen richting de Stille Zuidzee te gaan. En vandaar, via wat stops in de VS en Midden-Amerika weer naar Nederland. Een wereldreis, zo een als Jules Verne zijn held Phileas Fogg liet maken in Reis om de wereld in tachtig dagen. Maar Dröge maakt er geen wedstrijd van, al staat ook bij hem de tijd centraal. En hij volgt niet precies Foggs route. Nee, Dröge selecteerde bestemmingen waarvan hij hoopt dat hij er wat meer inzicht krijgt in vragen die hem al lang fascineren. Vragen over het fenomeen tijd. In zijn eigen woorden:

‘ […] door langs plekken te reizen die iets met het fenomeen tijd te maken hebben. Om te proberen het meest ongrijpbare toch te vatten en antwoord te krijgen op vragen als: Hoe gaan volkeren rond de wereld om met het mysterie van de klok? Waarom lijken sommigen culturen het temporele helemaal te negeren, terwijl anderen het juist centraal stellen? Waarom hebben buurlanden soms andere tijdsmetingen en bouwen sommige geloven tempels voor de toekomst? En natuurlijk de belangrijkste vraag van allemaal: is tijd echt of slechts een illusie?’

De tijdreiziger is een boek met inzichten op allerlei vlak. Soms heel simpele, zo vanzelfsprekende dat je – lees: ik - er niet eerder bij stilstond. Zoals de begrippen zonnetijd en kloktijd. Het eerste is een natuurkundig verschijnsel, het tweede een afspraak. De zonnetijd geldt steeds maar op een smalle, verschuivende reep, terwijl de kloktijd een veel groter gebied beslaat. De zonnetijd verschuift gelijkmatig van oost naar west, in ons deel van Europa 1 minuut voor iedere 18 kilometer. Een ijzeren regelmaat. De kloktijd is zoals gezegd een afspraak, ooit in het leven geroepen om allerlei aspecten van ons dagelijkse leven te organiseren, structuur te geven. Ook voor Dröge was dit een verhelderend inzicht, dat hij opdeed in Praag, waar de onderhoudsmonteur van de beroemde, levensgrote astronomische klok uit 1410 hem rondleidde. Dat is trouwens een prettig aspect van De tijdreiziger, en ook van veel van Dröges eerdere boeken, dat hij met graag te rade gaat bij lokale (ervarings)deskundigen. Het verlevendigt zijn verhaal, én laat zien dat mensen vaak interessanter zijn dat de geschiedenis, landschap of stad. Een beetje zoals Michael Palin dat deed op zijn reizen voor de BBC.

De keuze van locaties is heel gevarieerd. In Bern bezoekt Dröge het voormalige appartement van Albert Einstein. Diens relativiteitstheorie heeft immers alles te maken met het begrip tijd. De monniken in de twintig kloosters in de Monastieke Republiek Athos daarentegen, in Griekenland, proberen zich niet door de tijd te laten leiden: ´Je betreed er een land dat boven de tijd zweeft´. Hebberig wordt Dröge in Doha, bij de markt van de klokkenmakers van Qatar. Je kan er spetterend dure Rolexen aanschaffen, maar ook goedkope neppers die door de leek vrijwel niet te onderscheiden zijn van echte. Ooit gehoord van de lunisolaire kalender? In Mumbai maakt Dröge kennis met dit systeem, een tijdrekening gebaseerd op een combinatie van de stand van de zon én de maan. Om vervolgens, op weg naar Kathmandu, op irritante wijze kennis te maken met het elastieken tijdsbesef van de Indiase spoorwegen. En bij binnenkomst in Kathmandu, in Nepal, te merken dat zijn horloge verspringt van 15.41 naar 15.56. Ja, een kwartier tijdverschil met India, ook dat kan. Het is maar wat je afspreekt. En natuurlijk vliegt hij over de eindeloos lijkende Pacific naar Samoa, naar de datumgrens. De kers op de taart, zogezegd. 

Maar de meest intense beleving ervaart Dröge op een doodgewoon en vrijwel leeg parkeerterrein in Los Angeles, laat in de avond. Hij parkeert daar zijn gehuurde Nissan, precies op de plek waar Doc Brown in 1985 in Back to the Future een DeLorean uit zijn vrachtauto liet rollen, met de woorden: ‘Als je een tijdmachine in een auto gaat maken, waarom zou je dat dan niet met wat stijl doen.’ Bevangen door jeugdsentiment – Dröge is van 1967 – en het echte, haast letterlijke tijdreizen door in de sportwagen met een ingebouwde fluxcondensator door een scheur in het ruimte-tijdcontinuum te flitsen, blijken op die plek aanleiding te geven tot de misschien wel meest serieuze en ook filosofische overpeinzingen over tijdreizen in het hele boek. Na nog even met zijn huis, tuin & keuken-Nissan plankgas de startbaan van de DeLorean te hebben gevolgd, én op tijd op de rem getrapt, verlaat Dröge dit openbare stukje filmset. Op weg naar zijn laatste reisdoel, New York City. Specifieker, Times Square. What’s in a name …  

Nieuwsgierigheid is wat Dröge steeds maar weer lijkt te leiden naar nieuwe plekken en verhalen. Of het nu de uitbarsting van de vulkaan Tambora in 1815 is, en de wereldwijde gevolgen daarvan; de geschiedenis van het ministaatje Moresnet, zuidelijk van Maastricht; Pelgrim, de biografie van Christiaan Snouck Hurgronje; zijn monografie over Jakarta, Moederstad of het fascinerende De Tawl, zijn speurtocht naar de restanten van de Nederlandse taal in het noordoosten van de Verenigde Staten: het resultaat is iedere keer boeiend. Het is geschiedenis voor een heel breed publiek, gebaseerd op gedegen onderzoek en meeslepend verteld, met gevoel voor het anekdotische detail. Een prima mix. 

Philip Dröge / Tijdreiziger. Een wereldreis naar de verhalen van onze tijd / 320 blz / Spectrum - Uitgeverij Unieboek, 2026

donderdag 23 juli 2026

Twee levens in de kunst

Romans van Dave Eggers zijn meestal sociaal bewogen verhalen over een maatschappelijke ontwikkeling of dito onrecht. Denk aan de veel te sterke overheersing van ons leven door de voortschrijdende digitalisering (The Circle),  de schandalige manier waarop de overheid de inwoners van New Orleans niet wist te beschermen tegen de gevolgen van orkaan Katrina (Zeitoun) of het ten hemel schreiende verhaal van een jongen die het zuiden van Soedan probeert te ontvluchten op zoek naar een beter leven (What is the What). Mijn favoriet is een korte novelle uit 2019, The Captain and the Glory, waarin Eggers Donald Trump op vileine wijze neerzet als de ‘ik weet het beter’ kapitein van een enorm cruiseschip. 

Contrapposto, zijn nieuwste roman, past qua inhoud eigenlijk niet in dat rijtje. Het is een hoogst persoonlijk verhaal over een jongen en een meisje, Cricket en Olympia, die vanaf hun tienerjaren hun weg zoeken – én vinden – in de wereld van de kunst. Cricket is een uiterst begaafd tekenaar, Olympia heeft een haast onfeilbaar oog voor kunst die ertoe doet, het vermogen tot doeltreffend organiseren én het voornemen om er rijk mee te worden. Eggers volgt hen beiden tot ze hoogbejaard zijn.

Cricket en Olympia hebben geen liefdesrelatie. Ze zijn verknocht aan elkaar, misschien is dat de beste omschrijving. Er gaan jaren voorbij dat ze elkaar niet zien en maar nauwelijks in de gaten houden wat de ander doet. Maar steeds is er weer een moment dat ze wel met elkaar te maken krijgen. En terwijl Cricket onverstoorbaar doortekent, of het nu gaat om kunst van hoog niveau of als reclametekenaar omdat hij toch een inkomen moet hebben, werkt Olympia zich op tot een belangrijke mevrouw in de kunstwereld. Ze heeft galeries, verhandelt kostbare werken en runt uiteindelijk het atelier van een Damien Hirst-achtige kunstenaar. Het atelier als kunstfabriek.

Eggers brengt je in contact met allerlei vormen van kunst en kunst maken. Met kunstenaars, van de oprechte eenlingen tot de geslepen ondernemers die ideeën van anderen ‘lenen’. Maar ook met kunst die een boodschap bevat én met kunst die niets anders is dan een lege decoratie. Doet hij uitspraken daarover? Nee, hij laat het alleen zien. Show, don’t tell lijkt zijn houding in deze roman.

Hoe dit verhaal te bestempelen? Naast dat het niets minder is dan een ode aan de beeldende kunst, denk ik  dat ook ‘menselijk’ de lading dekt, zeker als je hem betrekt op de relatie tussen Cricket en Olympia. Ze nemen zich voor je in. Geestig is de roman bij vlagen ook. Eggers hanteert een luchtige toon waarin dat vleugje humor heel mooi past. Ik luisterde het boek grotendeels, voorgelezen door stemacteur Sander de Heer. Die verdient een speciale vermelding voor het overtuigend tot leven brengen van het verhaal. Zijn voordracht is zonder meer een wezenlijke toevoeging.

Dave Eggers / Contrapposto / Vertaald uit het Engels door Gerda Baardman, Betty Klaasse, Jan de Nijs en Bernard Wesseling / 437 blz / De Bezige Bij, 2026 // Luisterboek, voorgelezen door Sander de Heer /15 uur en 25 minuten / De Bezige Bij, via Storytel


zaterdag 18 juli 2026

John Banville, William Boyd & de traditie

Mij zul je niet snel horen zeggen dat vroeger alles beter was. Ik vind dat een houding die vaak meer zegt over jezelf dan over de wereld waarin wij leven. Terugkijken is prima, maar je haalt meer uit je leven wanneer je vooruit kijkt. Maar toch, wanneer we het hebben over lezen, verlang ik wel eens naar vroeger. Naar die detectives en thrillers die ik met boekenplanken tegelijk verorberde. Naar de o zo simpele sfeertekeningen in een ´Maigret´, naar de duivels intelligente plots van John le Carré of de tergend langzaam uitgetrokken spanningsboog bij Frederick Forsyth. Die heren zijn inmiddels overleden, met de meeste van hun opvolgers heb ik nooit een echte klik gevoeld en daarom lees ik nog maar sporadisch een thriller of detective.

Tot een paar jaar geleden. Toen besloot de Ierse schrijver John Banville te stoppen met het schrijven van literaire romans en voortaan uitsluitend nog detectives te schrijven. Dat deed hij al vaker, maar slechts als een afwisseling van zijn gewone output én onder een pseudoniem, Benjamin Black. Maar nu hij de tachtig naderde viel het jarenlang ploeteren op een grote roman hem steeds zwaarder. Een detective schreef hij daarentegen in een maand of zes. Daarvan verschenen er inmiddels vier. 

De verhalen worden gedragen door inspecteur Strafford, een late dertiger, en patholoog-anatoom Quirke, die een halve generatie ouder is. Hun relatie is niet vrij van wrijving, het schuurt nu en dan. De bedachtzame inspecteur kan zich ergeren aan de doorpakmentaliteit van de patholoog, die ook nog eens een drankprobleem heeft. De plaats van handeling is steeds het Ierland van de jaren vijftig, zowel Dublin als het eindeloos gevarieerde platteland. De locatie is steeds heel bepalend, wat ook geldt voor het weer: het lijkt er altijd druilerig te zijn. Ik kan er eigenlijk kort over zijn: je onderdompelen in de hier door Banville gecreëerde wereld is zo prettig dat je eigenlijk, net als bij George Simenon en zijn Maigret, helemaal niet zit te wachten op de ontknoping. Hoe langer die uitblijft, hoe beter. 

En toen zette vorig jaar een twééde gerenommeerde oudere auteur zijn literaire productie – in elk geval tijdelijk – on hold. William Boyd, midden zeventig, kwam met Gabriel’s Moon, een spionageroman. Zijn hoofdpersoon, Gabriel Dax, is een jonge Britse schrijver van reisboeken. Daarvoor reist hij regelmatig naar het buitenland, en soms krijgt hij dan op verzoek van zijn broer Sefton, die een hoge functie vervult op een ministerie, een pakketje mee dat hij ter plekke moet overhandigen aan een van diens contacten. Een vriendendienst, volkomen onschuldig. Tenminste, dat neemt Gabriel – ietwat goedgelovig - aan. Tot hij wordt benaderd door Faith Green, werkzaam bij de Britse contraspionage, die hem vraagt af en toe hetzelfde voor haar te doen, maar dan tegen betaling. Hij heeft daar aanvankelijk niet veel zin in, maar laat zich toch overreden. Deels omdat Green hem voor de klus een riant bedrag aanbiedt, deels omdat Gabriel aanneemt dat op de een of andere manier zijn broer ermee te maken heeft. En ook een beetje omdat Faith hem fascineert. Wat hij zich echter te laat realiseert is dat het aannemen van de eerste klus tegelijk het point of no return is: hij zal niet meer van haar afkomen. Spion ben je voor altijd.

Gabriel’s Moon was wereldwijd een hit. Dus kwam Boyd met een opvolger, The Predicament. Ook dit speelt in de vroege jaren zestig. De wereld van de Koude Oorlog. Een wereld zonder mobieltjes. Ook hier is de context weer internationaal, de opdrachten brengen Dax naar Guatemala, New York en Berlijn. Van eenvoudige koeriersklusjes, de smoes waarmee hij is geronseld, is al lang geen sprake meer. Gabriel vermoedt dat hij steeds vaker een wezenlijke rol vervult in complexe spionagecomplotten, zonder dat hij als laaggeplaatste pion het hoe en waarom precies kan doorgronden. Klinkt dat niet een beetje als John le Carré? Desondanks groeit Dax in zijn rol, neemt bij onverwachte en potentieel gevaarlijke ontwikkelingen meer dan eens de juiste beslissing en redt zo voor zijn opdrachtgever het project.  

Boyd is een meester in het neerzetten van een karakter. Hij maakt daar bij Gabriël Dax veel werk van, wat doet vermoeden dat ook hij, net als Banville, een lang leven voor zich ziet voor zijn hoofdpersoon. Het zij hem gegund, het verhaal zit slim in elkaar en is uiterst onderhoudend. Maar ik heb wel één bescheiden puntje van kritiek. En dat is dat Boyd zich van mij mag laten inspireren door zoveel van zijn voorgangers als hij maar wil, maar dat er voor mij ergens een grens is. Daarmee doel ik op de laatste scène van het boek. Die speelt zich af in Berlijn, tijdens het bezoek van president Kennedy in 1963. Dax is daar betrokken bij de beveiliging van de president. Meer zeg ik niet, dat zou een spoiler zijn. Maar wie zich de laatste, bloedstollende scène van The Day of the Jackal van Frederick Forsyth herinnert, weet wat ik bedoel.

De vier thrillers van Banville zijn verkrijgbaar in een Nederlandstalige editie: Sneeuw / April in Spanje / De garage / De verdronkene. Die van Boyd (nog) niet. 

 William Boyd / The Predicament / 258 blz / Penguin Viking, 2025 

zaterdag 11 juli 2026

Shakespeare and Company

Het is 1921, hartje Parijs. De Eerste Wereldoorlog eindigde alweer zo’n drie jaar geleden. In Frankrijk hernam het dagelijkse leven langzaamaan z’n vooroorlogse gang. Maar de miljoenen zinloze doden lieten een enorm litteken achter, de omgevallen vorstenhuizen en de toenemende macht van de burgerij en het proletariaat creëerden een politiek instabiele samenleving. Het zou nooit meer worden als vóór 1914. Maar voor kunstenaars waren dit gouden tijden, het gonsde op alle vlakken van de ideeën en initiatieven. Niet dat er altijd geld was voor de realisatie ervan, maar met enthousiasme en vooral ook durf kwam je een eind. Ook op literair gebied gebeurde er van alles. Enerzijds functioneerde de literatuur als een spiegel van de maatschappelijke situatie, anderzijds namen schrijvers zelf het voortouw en kozen voor nieuwe vormen, voor het experimenteren met taal. 

Die grensverleggende romans, verhalen en poëziebundels waren lang niet altijd welkom bij de bestaande uitgeverijen en boekhandels. Er was, zeker vroeg in de jaren twintig, maar een klein publiek voor. Je werd er als uitgever, boekhandelaar én schrijver niet rijk van. Maar gelukkig was daar Sylvia Beach, een jonge Amerikaanse die in 1921 in Parijs een overwegend Engelstalige boekhandel opende waar al die schrijvers wél welkom waren: Shakespeare and Company. Domineesdochter Beach (1887-1962) was verslaafd aan literatuur, stond open voor experimenten en bood daar een podium voor. Toen in 1922 geen enkele uitgever het aandurfde om Ulysses van James Joyce te publiceren, bang voor geldverslindende rechtszaken, deed zij dat wel. Twintig jaar lang, tot ze haar winkel aan de Rue de l’Odeon in 1941 op last van de Duitsers moest sluiten, vormde die een veilige wijkplaats voor vernieuwers. Ook schrijvers die vanaf het begin van de jaren dertig vluchtten uit Nazi-Duitsland waren bij haar welkom, zowel in haar huis als in haar winkel. Dat hun boeken, prominent in haar etalage, in het steeds fascistischer wordende Frankrijk ook haarzelf kwetsbaar maakten, deerde haar niet. 

Het Parijs van begin jaren twintig oefende een grote aantrekkingskracht uit op jonge schrijvers, vooral Amerikaanse. Velen van hen hadden gevochten in de oorlog en daar fysiek of geestelijk iets aan overgehouden. De keuze tussen teruggaan naar huis, waar weinig interesse zou zijn voor hun ervaringen en bovendien de Drooglegging al in gang was gezet, was niet heel aantrekkelijk. In het veel lieflijker Frankrijk blijven, waar iedereen de oorlog écht had meegemaakt en waar je dollar relatief veel waard was, was dan aantrekkelijker. Gertrude Stein, die zelf ook in Parijs woonde, omschreef deze generatie kunstenaars en schrijvers tegenover Ernest Hemingway eens als de ‘Lost Generation’: schrijvers als John Dos Passos, Sherwood Anderson, Ezra Pound en F. Scott Fitzgerald zijn de bekendste. Enigszins gedesillusioneerd bleven ze in het kunst- en alcoholvriendelijke Parijs, op zoek naar zingeving. Ze kwamen elkaar tegen bij Sylvia Beach.

Shakespeare and Company was in essentie een eenmansbedrijfje. Je zou het, kort door de bocht, een uit de hand gelopen liefhebberij kunnen noemen. De winkel en Sylvia waren één, haar persoonlijke overtuigingen zie je erin terug. Zo besloot ze al snel dat Shakespeare and Company naast een boekwinkel ook een leenbibliotheek moest zijn. Veel van haar klanten moesten immers rondkomen van een schamel inkomen, dus moesten ze voor een klein bedragje boeken kunnen lezen. Dat bleek een schot in de roos. En zo kwam ook Ernest Hemingway binnen, direct al in 1921. Een beetje sjofel gekleed, ook hij had het niet breed als Europese sportverslaggever van de Toronto Star. Zijn grote succes zou pas in 1926 komen, met de roman The Sun Also Rises. Hij had zelfs niet genoeg geld om zich in te schrijven als lid van de uitleenbibliotheek. Maar het klikte tussen hem en Sylvia, dus mocht hij voorlopig op de pof. 

Uwe Neumahr schreef eerder boeken over schrijvers in en om de Tweede Wereldoorlog, zoals Februari 1933. De winter van de literatuur en Marseille 1940, over de exodus via het zuiden van Frankrijk. Hij vertelt daarin, net als in De boekhandel van de ballingen, zijn verhaal in korte hoofdstukken en verspringt regelmatig in de tijd. Dat leest heel levendig en is ook de ideale vorm voor het naadloos invoegen van anekdotes. En die zijn er volop. Zoals het drama met de publicatie van Ulysses, waarvoor Beach haar zaak en persoon in de waagschaal stelde en waarin Joyce haar uiteindelijk schandelijk zou behandelen. Of Sylvia’s pogingen om Walter Benjamin, Arthur Koestler en anderen uit handen van de Duitsers te houden. Mooi is ook die over de bijeenkomst waarvoor Sylvia de oude André Gide en de nog Jean-Paul Sartre bijeenbracht voor een van de literaire bijeenkomsten in haar winkel, een debat dat jammerlijk maar vermakelijk mislukt. Desondanks alle puur literaire evenementen die ze organiseerde bleef Shakespeare and Company voor veel schrijvers toch ook de genoeglijke  ontmoetingsplek, de leeszaal, het clubhuis, en zelfs een postkantoor en grenswisselkantoor.  

De foto op de omslag van het boek is genomen in 1928. De wat slungelachtige man is Hemingway, de vrouw naast hem Beach. De vrouw geheel links is Adrienne Monnier, een Française die de boekhandel La Maison des Amis des Livres runde, schuin tegenover die van Beach. En de vrouw met wie zij haar leven deelde, in het appartement boven haar boekhandel. De vrouw ook aan wie zij waarschijnlijk haar leven te danken had toen Monnier Sylvia, nadat deze door de Duitsers was gevangengezet, na eindeloos gedoe vrij wist te krijgen. De oorlog zouden zij beiden overleven. De bevrijding zou voor hen zelfs een persoonlijk, feestelijk tintje krijgen: eind augustus 1944, nadat de komst van de geallieerden in Parijs dagenlang was aangekondigd, reed een colonne jeeps de Rue de l’Odéon binnen. Met in de voorste, staand, een triomfantelijke Hemingway. In die dagen oorlogscorrespondent. Hij wilde zijn vriendinnen persoonlijk bevrijden. Maar kon maar kort blijven, want was met zijn maten op weg naar Hotel Ritz. Specifieker: naar de wijnkelder ervan.

Uwe Neumahr / De boekhandel van de ballingen. Parijs 1940 – Toevlucht en verzet /  Vertaald uit het Duits door Rogier van Kappel / 311 blz / Querido Facto, 2026 

zondag 5 juli 2026

'Gered' door de atoombom

Het verhaal dat Richard Flanagan vertelt in Vraag 7 is in alle opzichten een vlechtwerk. Het uitgangspunt is simpel: zijn vader heeft zijn leven te danken aan de atoombom. En daarmee Flanagan zelf ook, want zonder die bom had zijn vader de oorlog waarschijnlijk niet overleefd en was hijzelf, van 1961, dus nooit verwekt. Maar dat gegeven is slechts de - beknopte - kern van het verhaal. Vandaar uitwaaierend bespreekt Flanagan de aanloop naar de ontwikkeling van de bom, een soms lichtelijk bizarre voorgeschiedenis; heeft hij het over het leven van zijn ouders, zowel vóór de oorlog als erna; en over zijn eigen jeugd; over zijn leven als beginnend schrijver en wat al niet meer. Vraag 7 is dan ook lastig in een hokje te duwen. Het is een memoir, het is fictie én non-fictie, het zijn essays over wetenschapsgeschiedenis. Soms raak je als lezer even de weg kwijt, vraag je je af wat Flanagan wil met het nieuwe hoofdstuk waaraan je net bent begonnen. Tot het je, soms flink wat bladzijden later, daagt. En je moet erkennen dat Flanagan al die tijd precies wist wat hij aan het doen was. Voor zulke boeken heb ik een zwak.

De atoombom is bij Flanagan niet uitsluitend het resultaat van grensverleggend natuurkundig onderzoek. Integendeel, het idee voor zo’n bom traceert hij, nét iets eerder, in de literatuur. De schrijver H.G. Wells, die al vroeg in zijn loopbaan furore maakte met The War of the Worlds, beschreef hem al in zijn roman The World Set Free (1914). En nu hij toch bij Wells is aanbeland, kan Flanagan de verleiding niet weerstaan de liefdesgeschiedenis tussen de oudere Wells en de jonge Rebecca West, veelbelovend schrijver in wording, smakelijk op te dissen. Om van daaruit op behoorlijk onnavolgbare wijze uit te komen bij de natuurkundige Leo Szilard, een vriend van Albert Einstein, en de ontwikkelingen binnen de nucleaire technologie in de jaren dertig van de vorige eeuw. Szilard schreef de beroemde brief aan president Roosevelt - die Einstein mede ondertekende - hem aansporend het onderzoek naar zo´n bom in gang te zetten. En vanzelfsprekend neemt Flanagan meermaals even plaats op de jump seat bij de mannen in de Enola Gay, de B-29 Superfortress die de eerste atoombom op Hiroshima wierp. De bom die zijn vader, die na jaren Japanse dwangarbeid in een kolenmijn meer dood dan levend was, net op tijd de vrijheid zou teruggeven.

Net als in veel van zijn andere boeken komt Flanagan hier uiteindelijk ook weer uit bij Australië, zijn vaderland. In dit geval bij Tasmanië, waaruit zijn ouders afkomstig waren. Schrijven over het karakter van een landschap en de verbondenheid die je daarmee kan voelen, kan hij als geen ander. Las je nog nooit zijn spetterende roman De smalle weg naar het verre noorden, doe dat dan nu. Stop hem in de vakantiekoffer. Krijg je geen spijt van. Maar dat geldt ook voor Vraag 7. De hoofdstukken waarin Flanagan zijn vader na de oorlog laat terugkeren naar zijn geboortegrond om zijn leven weer op te pakken, zijn dan ook de mooiste van dit volstrekt eigenzinnige boek. 

Richard Flanagan / Vraag 7 Vertaald uit het Engels door Thijs van Nimwegen / 248 blz / Koppernik, 2026

Gelezen versie: Question 7




zondag 21 juni 2026

De 'faux pas' van Pyke Koch

Het is een goed gebruik om in een non-fictie of wetenschappelijk boek je dank uit te spreken jegens degenen die jouw bij het onderzoek en het schrijven hebben geholpen. Dat is dan ook wat Susana Puente (1992, New York) in de inleiding van De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch keurig doet. Maar ik gleed zo ongeveer van mijn stoel toen ze dat rijtje namen afsloot met: ‘Maar mijn diepste dank gaat uit naar de Koch-kenners die weigerden met mij te praten: zonder hen zou ik nooit zo geïnspireerd zijn geraakt om zo veel jaren in hun land deze vreemde, slecht gekende en te weinig bekende kunstenaar te onderzoeken.’ Oei, daar had je het al. Al na nauwelijks vijf bladzijden in de inleiding gooit Puente de knuppel in het hoenderhok. Ze heeft het fatsoen die ‘weigeraars’ niet bij naam te noemen, maar acht het wel nodig om op deze prominente en opvallende plek aandacht te vragen voor het feit dat er over Pyke Koch (1901-1991), over de man én de kunstenaar, verschillende opvattingen bestaan. Die soms zo diepgaand zijn dat vakgenoten daarover niet met elkaar willen spreken. 

Nou is het gedoe over Pyke Koch niet nieuw. Het was voor mij juist een van de redenen de biografie te lezen, uit nieuwsgierigheid. Waar gaat het om? Eind jaren dertig ontwikkelde Koch zich tot een fervent aanhanger van het nationaalsocialisme. Een fascist in hart en nieren, die in artikelen en andere publicaties de ideeën van het nationaalsocialisme verkondigde en verheerlijkte. Hoewel hij al binnen enkele jaren moet hebben aangevoeld dat hij hiermee op de verkeerde weg was en vervolgens probeerde zijn straatje schoon te vegen, was dat te laat. Na de oorlog was er voldoende bewijsmateriaal om hem een straf op te leggen. Maar door eigenhandig de voortgang van de verhoren te traineren, alsmede door afnemende interesse bij de speciale rechtbanken, wist hij aan een stevige veroordeling wegens collaboratie te ontkomen, het werd een expositieverbod van enkele jaren.  Daarna ging hij weer aan de slag, alsof er niets was gebeurd.

Nu was Koch, zeker technisch gezien, een fenomenaal goede schilder. Maar indrukwekkend kun je zijn beste werk ook noemen. Wie wel eens een van zijn vroege vrouwenportretten heeft gezien, bijvoorbeeld Bertha van Antwerpen of De schiettent, beide uit 1931, zal die niet snel vergeten. De vrouwen staan groot in beeld, de voorstelling is onaangenaam belicht en het geheel ademt een vleugje magisch realisme. Het waren voorstellingen die vragen opriepen. In de jaren voor de oorlog was dat in binnen- en buitenland een geliefd concept, al heel kocht Museum Boijmans De schiettent. En ook in sociaal opzicht zat Koch goed in z’n vel: Charley Toorop gaf hem in 1935 een plekje op haar monumentale schilderij Maaltijd der vrienden.

Maar zomaar doorgaan na de oorlog? Museumdirecteuren en kunsthistorici zaten daar wel mee in hun maag, al sleet dat gevoel vrij snel. Koch was natuurlijk fout geweest, maar iedereen kan fouten maken was de gedachte. Als hij daarna de dwaling maar inziet. En bovendien: wat er ook is gebeurd, hij blijft een geweldige kunstenaar. De man en zijn kunst werden in deze denktrant van elkaar losgeknipt. In de publicaties die sindsdien over Koch verschenen, was dat het nieuwe narratief. En gaandeweg volgden de musea. Het werk van Koch werd weer salonfähig, hij kreeg tentoonstellingen. 

Susana Puente maakte in 2017 kennis met het werk van Koch, toen zij een stage liep bij de Pyke Koch Stichting en het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD). Ze assisteerde bij het opbouwen van een digitale oeuvrecatalogus van het werk van de kunstenaar. Die zou verschijnen wanneer de Stichting haar omvangrijke archief met persoonlijke documenten van Koch, het Pyke Koch Archief, aan het RKD zou overdragen. Ook ter gelegenheid daarvan zou het Centraal Museum in Utrecht een overzichtstentoonstelling organiseren. Toen Puente die bezocht was ze verbaasd. Ondanks de veelheid aan egodocumenten en andere archiefstukken, waarvan ze er zelf veel onder ogen had gehad, werd er heel weinig gedaan met Kochs sympathie voor het nationaalsocialisme. Ja, het befaamde Zelfportret met haarband uit 1937 was inderdaad een overduidelijk blijk van sympathie voor het nationaalsocialisme. Maar die fase had bij Koch maar heel kort geduurd, en hij was snel daarna tot inkeer gekomen. De politiek en de kunstenaar waren in Utrecht nog steeds twee zaken die weinig met elkaar te maken hadden.

Voor Puente was het daarmee duidelijk: Pyke Koch zou de jaren daarop haar studieonderwerp zijn. Met als doel het beeld van Koch indien nodig bij te stellen. In artikelen en eventueel een monografie de man als geheel te beschouwen, als mens, kunstenaar én denker. Daarbij zou ze het oeuvre dus beschouwen als bronnenmateriaal, omdat het in het grote geheel nieuwe interpretaties zou kunnen opleveren. Die aanpak brengt risico’s met zich mee, realiseerde ze zich. Wetenschap baseert zich immers op bronnen, op hard bewijs. Kunstwerken of een heel oeuvre zo gebruiken is meestal not done. Hoogstens als circumstantial evidence. Ze begaf zich dus op glad ijs.

Lukt het haar? Weet ze te overtuigen? Ja, in behoorlijk wat gevallen komen haar redeneringen, waarvoor ze nu steeds gebruik maakt van meerdere aspecten én jou als lezer de prima kleurenafbeeldingen voorlegt, verhelderend op mij over. Al is er heel af en toe sprake van iets ‘willen zien’ zien in een voorsteling. Maar dat is inherent in de gekozen werkwijze. Haar opstelling in dit betoog is trouwens sympathiek: ‘Velen zullen het niet eens zijn met mijn interpretaties. Dat is prima. Mijn doel is niet om de lezer te overtuigen van mijn absoluut gelijk. Ik wil alleen laten zien dat mijn interpretatie mogelijk is, en plausibel, als je maar diep genoeg graaft. Waarom zou je dat niet doen? Als Kochs werk wordt besproken, laat het dan niet oppervlakkig of halfslachtig gebeuren, maar met vuur en volledige inzet – of anders liever niet.’ 

Susana Puente / De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch / 360 blz / Prometheus, 2026 // Foto Susana Puente: Jeanette Huisman

maandag 15 juni 2026

Schelmenroman wordt solotoneel

Van den vos Reinaerde: ik heb er altijd een wat moeizame relatie mee gehad. Zoals met meer middeleeuwse werken uit onze literatuur – Karel ende Elegast, Hadewijch, Beowulf. Al vanaf de middelbare school. Voor mij als zeventienjarige waren deze verplichte nummers niet heel spannende onderdelen van de literatuurlessen. Lestijd die je in mijn ogen beter had kunnen besteden aan de moderne en hedendaagse literatuur die op dat moment, we schrijven midden jaren zeventig, veel te bieden had. Maar sinds enkele jaren zie ik in dat ik fout zat. Het lezen van het indrukwekkende De Reynaert van Frits van Oostrom heeft mij de ogen geopend, zoals dat heet. In een prachtig opgebouwd betoog doet Van Oostrom wat hij al zo vaak eerder deed: hij neemt je mee in de wereld van de middennederlandse literatuur, schetst de maatschappelijke en sociale context waarin de Reynaert kon ontstaan en fileert de tekst als was hij een volleerd dramaturg. 

Op basaal niveau is het verhaal van de vos eenvoudig en overzichtelijk. Tijdens de jaarlijkse hofdag waarop alle dieren het bewind van de koning, Nobel de leeuw, komen vieren, worden meerdere aanklachten tegen Reynaert de vos ingediend: moord, verkrachting, blindmaking.  Omdat Reynaert als enige niet aanwezig is, geeft Nobel aan achtereenvolgens Bruun de beer, Tybeert de kater en Grimbeert de das opdracht hem te arresteren. De eerste twee laten zich door listen van Reynaert in de luren leggen, de derde lukt het om de vos voor de rechtbank te brengen. Maar, sluw als hij is, weet deze tijdens het proces de koning wijs te maken dat hij de locatie weet waar een vorstelijke goudschat is begraven en dat hij die aan de koning zal onthullen in ruil voor gratie. Dat lukt, en Reynaert weet zelfs nog de benen te nemen voordat de koning doorkrijgt dat hij is bedrogen.

De auteur van de Reynaert is ons niet bekend, evenmin als de datering. Over dit laatste bestaat wel enige consensus, het zou omstreeks 1260 geweest kunnen zijn. Een  origineel manuscript ontbreekt, we moeten het doen met latere handschriften of delen daarvan wat de zaak compliceert. Dat geldt trouwens ook voor de rijkdom aan vroege versies, in meerdere talen, wat lijkt te wijzen op een vroege en grote populariteit en mogelijk een orale traditie, als laatmiddeleeuws toneelspel. 

Deze wat lange, door mij al eerder geschreven inleiding brengt ons precies bij het onderwerp van dit blogje: ReinAard. Schelmenroman. Een bewerking van het verhaal van de vos door Tom Lanoye. Hij deed zoiets al eerder – Goethe, Shakespeare, Tsjechov, Euripides – maar hij gaat nu heel ver. Gunt zichzelf zeeën van literaire vrijheid. Het boek verscheen vorig jaar, was een genot om te lezen, maar onlangs verscheen wat je de overtreffende trap zou kunnen noemen: het luisterboek, voorgelezen door Lanoye zelf. De term ‘voorgelezen’ past hier eigenlijk niet, ‘geacteerd’ is passender. En Lanoye’s versie van de ReinAard leent zich daar uitermate voor. Kon je als lezer vorig jaar al zien dat Lanoye van de tekst een spel had gemaakt – de afwisselende typografie is daarbij een leidraad, evenals de ‘streetversion’ van het Engels, een soort rappen, waarop hij overschakelt wanneer ReinAard zichzelf verliest - als luisteraar beleef je dat daadwerkelijk. 

Dit roept om een voorbeeld, een citaat. Welnu, misschien gewoon de eerste alinea van het spel, waarin Lanoye een beetje de draak steekt met zichzelf:

'Ouverture tussen biecht en belofte.

Wat is er fokking fout met mij? / Ik smeet mij wel, zelfs voor goed geld, / Op het verminken van the Shake / En het verbasteren van Vondel. / Geen meesterwerk was mij te heilig - / Amok en bagger maakte ik / Van Goethe en antieke Grieken, / Van tering-Tsjechov, schele Sartre en de rest van de reutemeteuten … / Geen vege voorvader bleef veilig: / Ik goot ze door mijn zeefje tot / Ze klonken als door God gezonden. / (Wel eerst door mij gevierendeeld, Verknipt, verknapt en weer verbonden.) /  Maar nooit, putain! – hoe is dat mogelijk? – Zocht ik mijn stuff in eigen streek. / Juist ik. Gescheten, uitgespogen, / In ’t Zotte Land van Waas en Wee / Waar ooit een vos de wellust preekte.'

En zo gaat het een kleine zeven uren lang door. Luisteren wordt hier een vorm van zinnelijk genot. Lanoye toerde met deze tekst, als solotoneel, langs de theaters in Vlaanderen en Nederland. Ik stel me voor dat wat in de beleving van veel bezoekers altijd ‘een schijnbaar simpel middeleeuws verhaaltje’ was, aan het slot van het spel voor velen een ziel heeft gekregen. Dat is dan te danken aan Lanoye, maar zeker ook aan de hierboven al genoemde Frits van Oostrom, zoals Lanoye verderop in de ouverture grif toegeeft: 

'Wie blijft? / Die schrijft zich in voor vuur / En avontuur. Dat zeg ik niet / Om bestwil of uit hovaardij. / Fok! Ei zo na was er geen shit / Van dit geschrift in huis gekomen. / Het is mij in de maag gesplitst - / Al was er weinig splitsen nodig, / En ook geen sprake van gekift / Of hang naar dwang - / door niemand minder dan: / Professor Frits. Dé specialist / In vossenzaken. Kenner der / Godganse middeleeuwen, met hun letteren en tetteren, / Hun schitterende schetteren - / Daarvan is Frits de beste connaisseur. / Maar ook van mijn, in vergelijk / Daarmee, modeste repertoire.'

Tom Lanoye / ReinAard. Schelmenroman / 321 blz / Prometheus, 2025 // Luisterboek, geacteerd door de auteur / geproduceerd in samenwerking met De Uitsprekerij / 2026 / 6 uur en 44 minuten

zaterdag 6 juni 2026

Vier flessen wodka en anderhalve liter Fanta

Op 10 december 1990 kwam August Willemsen, begenadigd vertaler uit het Portugees, op weg van de slijter naar huis ten val. Hij lag op straat, niet meer in staat om zelfstandig op te staan. Omstanders belden de politie, maar de agenten die arriveerden lieten weten niet voor ‘dit soort klusjes’ beschikbaar te zijn. Willemsen rook namelijk naar drank, en in zijn boodschappentas bevonden zich vier flessen wodka en anderhalve liter Fanta. Een eveneens opgetrommelde ambulance nam hem wél mee. In het AMC constateerde men een gebroken linkerheup, naast onderkoeling en een ernstige ondervoeding. Van het traject waarin hij vervolgens terecht kwam, heeft hij verslag gedaan in De val, een deeltje privé-domein.

Willemsen (1936-2007) koos hiervoor twee vormen: brieven aan een vriend en dagboekaantekeningen. Je krijgt alles voorgeschoteld, de weg naar de afgrond, naar volledige afhankelijkheid van alcohol, én de weg omhoog, waarin hij zowel lichamelijk en geestelijk met de grootste moeite zichzelf weer terug moet zien te vinden. Het indrukwekkendst is voor mij het verslag van zijn neergang. Dat hij überhaupt, met behulp van aantekeningen in oude agenda’s, tot een soort reconstructie wist te komen is verbazingwekkend. Zijn leven bestond in die jaren immers grotendeels uit hallucinaties en surrealistische dromen. In die teksten herken je de schrijver van het briljante Braziliaanse brieven, de vertaler van het werk van mensen als Fernando Pessoa en Machado de Assis. De beschrijvingen van zijn revalidatie en ontwenning, eerst in het ziekenhuis en daarna in een gespecialiseerde instelling, neigen gaandeweg naar anekdotiek, focussen te veel op zijn medepatiënten. Dat is jammer.  

August Willemsen / De val / 177 blz / privé-domein 177 / De Arbeiderspers, 1991

donderdag 4 juni 2026

Homerus, maar dan anders

De uitgever van Zoon van niemand, de zojuist verschenen roman van Yann Martel, heeft op de cover van het boek een sticker laten plakken met de tekst ‘Van de auteur van Life of Pi’. Goudkleurig, het doet denken aan een medaille. Waarom doet hij dit? Uit trots dat hij de Nederlandse editie van deze roman mag uitgeven? Yann Martel is immers een topauteur. Of - een meer venijnige gedachte - om de potentiële koper van het boek eraan te herinneren wie die Yann Martel ook al weer was? Want Life of Pi verscheen vijfentwintig jaar geleden. En ja, het was een weergaloze roman. En ja, het was een bestseller waarvan in tientallen taaledities miljoenen exemplaren over de toonbank gingen. Om over de cijfers van de door Ang Lee geregisseerde speelfilm naar het boek maar te zwijgen. Maar heeft Martel dan sindsdien niets anders geschreven waar je als uitgever naar kan wijzen? Ja en nee.

Life of Pi was de tweede roman van Martel (1963). Hij verscheen op de dag na 9/11. Die dag waarop velen zich realiseerden dat de wereld was veranderd. Dat gold ook voor Martel, maar dan in iets positievere zin. Hij was nu niet langer een beginnende schrijver die iets te vaak door uitgevers werd afgewezen. Integendeel, de uitgevers zaten nu achter hem aan. Maar hun hoge verwachtingen zouden niet helemaal worden ingelost. In de twee romans die volgden, Beatrice en Vergilius (2010) en De hoge bergen van Portugal (2016) koos Martel weliswaar opnieuw voor  vrij absurde verhaallijnen, maar lezers én de meeste recensenten waren niet enthousiast. Die twee romans nog eens doorbladerend bekruipt me het gevoel dat Martel een meester is in het bedenken van een krankzinnig plot, maar dan in de uitwerking zichzelf in de weg zit.

Moet het verse succes dan komen van Zoon van niemand, zijn nieuwste roman? Trouw aan zijn werkwijze bedacht hij opnieuw een hoogst origineel verhaal. Harlow Donne, een Canadese wetenschapper, weet een onderzoekbeurs voor Oxford te bemachtigen. Hij wordt geacht daar in oude teksten op zoek te gaan naar vermeldingen over economische activiteiten. Zijn echtgenote Gail en dochtertje Helen blijven thuis, hen zal hij schrijven en bellen. In Oxford legt hij weinig contacten, wat hem voor zijn speurtocht goed uitkomt; de hoeveelheid tekstfragmenten in Oud-Grieks die hij moet doorploegen is overweldigend, en vaak ook nog eens op uiterst broze snippers (letterlijk!) papyrus die hij tot grotere gehelen probeert te puzzelen. En dan komt er een doorbraak, ofschoon die buiten zijn opdracht valt: herhaaldelijk komt hij vermeldingen tegen van 'Psoas, de zoon van niemand’. Gericht daarop zoeken levert al snel een duidelijker beeld. Het zijn fragmenten van een verloren gegaan epos over de Trojaanse Oorlog. Een tegenvoeter van de Ilias. Een sensatie, denkt Harlow. Zijn wetenschappelijke doorbraak, dat waar hij al niet meer op had gehoopt.

Vanaf dat moment bestaat zijn gezin eigenlijk niet meer voor Harlow. En ook de adviezen van de professor voor wie hij het project uitvoert slaat hij in de wind. Martel weet de trance waarin Harlow langzaamaan raakt subtiel te verwoorden. Hij doet dat op twee manieren: eerst presenteert hij je de door Harlow gevonden en tot een eenheid samengevoegde fragmenten, om die stukken vervolgens van een (wetenschappelijk) commentaar te voorzien, door Harlow zelf. Daar tussendoor dringt zich steeds sterker de communicatie met het thuisfront, met vrouw en dochter die niet helemaal kunnen vatten waar hun echtgenoot en vader mee bezig is. En mocht je denken dat dit voor een lezer nogal onoverzichtelijk moet zijn, dan ken je Martel nog niet. Hij bedacht iets slims, en tegelijk heel simpels. De fragmenten uit de Psoas vullen de bovenste helft van de bladzijden en, na het einde van een fragment, Harlows commentaar de onderste helft. Waarbij dus, voor het goede begrip, steeds één helft van de pagina leeg is. Het is even wennen, maar leest dan heel soepeltjes.

Ik heb geen klassieke opleiding, maar ken wel het werk van Homerus. En zie wat Martel met dat concept uitvoert: hij geeft er een twist aan. Bij Homerus zijn de personages, of het nu (half)goden, adel of stervelingen zijn, bijna altijd ‘de zoon van iemand’. Zo zat die maatschappij in elkaar, zo komt dat in de geschriften uit die tijd terug. Maar bij Martel is niet bekend wie de vader van Psoas was. Hij is niet afkomstig uit de kringen waar dat wordt bijgehouden of genoemd. Hij komt uit het volk. En alleen door zijn succesvolle betrokkenheid bij de Trojaanse Oorlog is zijn naam op traditionele wijze bewaard gebleven, in die geschriften terechtgekomen: Psoas, ‘de zoon van niemand’.  

Heb ik deze roman met plezier gelezen? Ja, eigenlijk wel. Maar misschien is het eerder bewondering die ik voel. Dat Martel erin is geslaagd een toch vrij uitgekauwd verhaal nieuw leven in te blazen. De fragmenten van de Psoas lezen heel vloeiend, hebben soms iets zangerigs. En Harlows commentaren en toelichtingen daarop zijn vaak to-the-point, snedig is misschien het juiste woord. En tussen de regels door roert hij ook nog eens van alles aan waarover hij iets te zeggen heeft, van zinloos geweld en de verheerlijking daarvan tot aan de vraag wat belangrijker is, vriendschap of wetenschap. Hij zal met betrekking tot dit laatste een keuze maken, maar of hij daar gelukkig van zal worden …? 

Yann Martel / Zoon van niemand / Vertaald uit het Engels ‘Son of Nobody’ door Hilje Papma, Marlies Weyergang Arwin van der Zwan / 336 blz / Prometheus, 2026

zaterdag 30 mei 2026

Tijdloze liefdes

Je ziet ze nog wel eens rijden, op mooie zomerse dagen. De 2CV, oftewel de Lelijke Eend. In z´n tijd vooruitstrevend, vooral door de nooit meer overtroffen vering. Maar nu, een kleine tachtig jaar later, op bijna alle andere vlakken ingehaald door de concurrenten. Wie er nu nog in rijdt doet dat uit pure, tijdloze liefde. Wie er nu nog in rijdt mag hopen nooit in een frontale botsing terecht te komen, want over een kreukelzone beschikt het Eendje niet, om het maar niet te hebben over airbags. Ik moest daar aan denken tijdens het lezen van VHS. Mijn eerste liefde van Thomas Heerma van Voss. In diens geboortejaar, 1990, staakte Citroën trouwens de productie van hun meest succesvolle auto ooit, maar Thomas zou al snel verslaafd raken aan een ‘eigen’ wonder der techniek: de videoband. Ofschoon ook die beelddrager inmiddels is ingehaald door nieuwe en veel betere vindingen, vergaat het Heerma van Voss net als met die verstokte liefhebbers van de Eend: je kan er geen afscheid van nemen. De herinneringen zijn te mooi.

VHS. Mijn eerste liefde is een klein boekje van net 60 bladzijden. Zo’n charmant hebbedingetje dat je in een uurtje uit hebt maar dat nog lang blijft hangen. Te lezen als een brief aan zijn beste vriend, met wie Thomas indertijd zijn liefde voor films op de videoband deelde. Jarenlang was videotheek Filmplan, bij hen om de hoek in Amsterdam-Zuid, het centrum van hun wereld. Zij huurden er zo ongeveer vanaf hun achtste of negende elke week een film, na die zorgvuldig te hebben uitgezocht. Een ‘miskoop’ konden ze zich eigenlijk niet veroorloven, want hun gezamenlijke zakgeld was nét genoeg voor één film. Die ze dan gedurende de week meermaals bekeken. 

Anne Marie, de exploitante van Filmplan, was in een vorig leven filmprogrammeur geweest, wist alles van speelfilms en videobanden en vertelde daar de jongens graag over: 'Haar hoofd was een vergaarbak van filmtrivia. Ze liet op haar kleine tv’tje tegenover de toonbank The Shining zien en meldde terloops dat ‘Here’s Johnny!’ geïmproviseerd was, ze wees naar een poster van The Matrix en zei dat al die broncodes sushirecepten waren.' Ze was hun filmmoeder. 

Filmplan is in het geheugen van Thomas gegrift. De geur van de plastic hoezen, Anne Marie op haar inklapbare regisseursstoeltje, haar doorrookte stem. Maar de meeste indruk maakt na al die jaren toch nog steeds de techniek van de videoband: '… het doffe klikgeluid waarmee zo’n dikke, onbuigzame plastic hoes van een videoband openging, zoals de broodtrommels klonken die ik dagelijks meekreeg naar school. Vervolgens: de wiegende klep van de JVC-recorder, een soort brievenbus die toegang gaf tot de ingewanden van het apparaat. Het gebrom wanneer het apparaat vervolgens een film inslikte, gevolgd door een geruststellend geratel. […] Ik herinner me het mechanische gesputter dat uit de speler kwam wanneer we een VHS-band terugspoelden. Minuten nam het in beslag. Iets voor de film bij het begin belandde, ging het spoelen al wat trager, alsof de video afremde.' Netflix maakt geen geluid wanneer ik het activeer, realiseer ik me. Beetje doods, toch?

In 2006 werd de laatste grote Hollywoodfilm op VHS uitgebracht. In datzelfde jaar veranderde de status van Thomas en zijn vriend, van klant werden zij medewerker van Filmplan. Ieder van hen werkte een avond in de week, films mochten ze nu onbeperkt en gratis lenen. Op rustige avonden keken ze samen in de winkel. In 2009 sloot Anne Marie de zaak. De jongens hielpen haar het interieur te slopen, het pand leeg op te leveren. Ze mochten alle films die ze maar wilden meenemen. Maar ook zij keken al niet meer op VHS.

Een memoir als dit loopt gemakkelijk het risico te resulteren in effectbejag, maar Heerma van Voss weet dat te vermijden. Zijn toon is doorvoeld, zijn emotie oprecht. Het mag nog wel eens worden genoemd dat hij langzaamaan een oeuvre neerzet dat ronduit imposant is. Zo schreef hij de laatste twee jaar een reeks artikelen voor de website van het Literatuurmuseum, waarvan een deel uitmondde in de prachtige bundel De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Kort daarvoor imponeerde hij met de semi-autobiografische roman Het Archief.  Zo’n verrassend ‘tussendoortje’ als VHS. Mijn eerste liefde past daar qua aanpak naadloos in. 

Thomas Heerma van Voss / VHS. Mijn eerste liefde / 64 blz / Cossee, 2026

vrijdag 15 mei 2026

Mensenwerk

De romans van Han Kang lees je niet, die onderga je. Dat klinkt misschien wat overdreven, maar dat is voor mij beslist niet het geval. En ik zou het haast met bewijs kunnen staven, zeker na het lezen van Mensenwerk, een roman die zij in Korea al in 2014 publiceerde en die twee jaar daarna verscheen in een Nederlandse vertaling. Indertijd was zij mij volstrekt onbekend, er moest een Nobelprijs aan te pas komen om haar werk te ontdekken.

Mensenwerk speelt tijdens de militaire dictatuur die in Zuid-Korea duurde tot halverwege de jaren tachtig. In 1980 werd dictator Park Chung Hee vermoordt waarna zijn opvolger, eveneens een hoge militair, het gruwelijke bewind nog een standje sterker aanzette. Critici van de junta, met studenten voorop, werden zonder enige vorm van proces uit de weg geruimd. Hun lijken werden niet eens begraven, mensen die bij razzia’s werden opgepakt kregen een nekschot en werden gedumpt in pakhuizen of scholen die vervolgens werden afgesloten. In die chaotische situatie gaat de 14-jarige Dong-ho op zoek naar zijn vriendje Jeong-dae, die na een razzia spoorloos is. Door Dongs ogen krijg je als lezer een indringend beeld van de slachtingen die worden begaan. 

De nawerking van dergelijke excessen kan voor wie ze heeft meegemaakt intens en langdurig zijn. Dat is de inhoudelijke én stilistische motor in Mensenwerk, maar ook in het tien jaar later verschenen Ik zeg geen vaarwel, dat als een twee-eenheid met Mensenwerk kan worden gelezen. In beide romans weet Han Kang haar complexe vertelling in een gelaagde en indrukwekkende structuur te verpakken. Compleet met de droombeelden en hallucinaties die het lezen van haar werk zo’n bijzondere ervaring maakt.

Hank Kang / Mensenwerk / 235 blz / Nijgh & Van Ditmar, 2016