Wat ik me tijdens de discussies van de afgelopen jaren niet echt heb gerealiseerd was dat binnen de Partij van de Arbeid al veel langer de wens bestond de partij eens goed op te schudden. Te vernieuwen. En dan bedoel ik niet zo’n ietwat modieus initiatief als Nieuw Links (1965-1971), maar grondiger, duurzamer. Ik stuitte daarop tijdens het lezen van De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester. In deze biografie beschrijft Klaas Tammes hoe er, na de Tweede Kamer verkiezingen van 1967, voor het eerst sprake was van de opkomst van veel kleine, veelal linkse partijen die niet aan de regering zouden gaan deelnemen. Dat was eigenlijk jammer van die stemmen, vond Wim Thomassen, direct na de oorlog medeoprichter van de PvdA en in 1967 burgemeester van Rotterdam. Niet de minste, dus. Hij pleitte voor ‘een doorbraak, voor een brede progressieve volkspartij’. De naam PvdA mocht van hem verdwijnen. Het woord ‘arbeid’ in die naam had in 1946 bij de oprichting immers een geheel andere inhoud gehad dan twee decennia later. Maar van de term ‘socialistisch’ moesten ze afblijven. Die was voor hem zoiets als een beginselverklaring.
Rotterdam was de derde stad waar Thomassen burgemeester was, na Zaandam (1948-58) en Enschede (1958-65). Dat is een mooie loopbaan, zou je zeggen, en Thomassen vond dat zelf ook. Hij hield van het bestuurlijke op stedelijk niveau, dat was niet te groot, dat paste ook goed bij zijn pragmatische instelling, zijn hands-on mentaliteit. Kort na de oorlog was hij enkele jaren lid van de Tweede Kamer, maar dat was hem te abstract. En een functie binnen een regionale samenwerking, zoals in het Openbaar Lichaam Rijnmond, leek hem alleen zinvol wanneer zo’n bestuursorgaan ook daadwerkelijk bevoegdheden kreeg. En dat was in de jaren zestig nog niet het geval.
Hoe wordt je burgemeester? Bij Thomassen was dat deels een kwestie van de juiste man op het juiste moment. Direct na de oorlog, in de zomer van 1945, was hij drie maanden lang in de rang van majoor hoofd geweest van het Militaire Gezag in de Zaanstreek. En toen hij drie jaar later solliciteerde naar de vacante burgemeesterspost, herinnerde men zich hem als een doortastend en beminnelijk man. Dat hielp.
Klaas Tammes, die zelf burgemeester in meerdere kleinere gemeenten is geweest, schetst met kennis van zaken de achtereenvolgende posten van Thomassen. Die verschilden zeer. In Zaandam werd het politieke leven in die jaren na de oorlog grotendeels beheerst door de Communistische Partij, die met een grote fractie en een flinke dosis onaangepast gedrag de vergaderingen van de gemeenteraad domineerde. In Enschede was het vooral een kwestie van saneren en wist Thomassen een handvol verouderde en kwakkelende textielbedrijven uit het centrum naar de buitenrand van de stad te krijgen. Daar kwam ook zijn interesse voor stedelijke vernieuwing voor de dag. De stad kreeg zijn ‘Boulevard’, een grote doorsteek, en het centrum onderging een make-over. En in Rotterdam zou je Thomassen zelfs een projectontwikkelaar kunnen noemen. Als burgemeester had hij daar tevens de haven in zijn portefeuille, een – misschien niet heel verstandige - traditie. Hij zette grote projecten in gang, zoals een nieuwe Maasvlakte voor diepstekende schepen, waarvoor op Voorne een natuurgebied zou moeten wijken. Dat leidde tot een maatschappelijke discussie, met als kernvraag of Rotterdam ‘een haven met een stad, of juist een stad met een haven’ zou moeten zijn. Iets algemener geformuleerd: waar ligt de balans tussen welvaart en welzijn? Voor Thomassen was dat duidelijk, en hij verdedigde zijn visie dan ook hartstochtelijk. Kreeg het gedrag van Thomassen in Rotterdam regenteske trekjes? Zag hij zichzelf niet alleen als burgervader maar ook als CEO van een multinational? Je gaat het haast denken. Zijn opvolger zou in 1974 AndrĂ© van der Louw zijn. Een partijgenoot, maar daar houdt iedere vergelijking wel op.Een leven als burgemeester betekent dat je midden in het maatschappelijk leven staat. En er niet alleen deel van uitmaakt, maar dat je ontwikkelingen ook mede kan sturen. Een burgemeesterschap is daarmee een soort spiegel van de samenleving, in ieder geval de lokale. Tammes weet dat feilloos te duiden, en dat geeft zijn biografie beslist een meerwaarde. Maar ook door zijn oog voor het detail, voor het meer anekdotische, leer je Thomassen kennen. Ter afsluiting twee aardige voorbeelden daarvan.
Het eerste: In de zomer van 1958 verhuisde het echtpaar Thomassen naar Enschede. Omdat op dat moment de verbouwing van de ambtswoning nog niet gereed was, wat ook gold voor de gasaansluiting, zette Thomassen zijn caravan op de stoep zodat zijn echtgenote daarin kon koken en koffie zetten. Hoe glorieus kan je intocht als nieuwe burgemeester zijn?
Het tweede: Eind jaren zestig. De Amsterdamse burgemeester Samkalden had het demonstratiebeleid versoepeld, min of meer gedwongen door de omstandigheden. Thomassen dacht daar anders over, vond dat dit beleid moest blijven verlopen binnen het kader van de wet- en regelgeving. Een citaat: ‘Demonstreren hoort tot onze vrijheid. Het gezag is er omwille van die vrijheid. Nu er een gezagscrisis aan de orde is kan tot de oplossing daarvan niet worden bijgedragen door terug te wijken en te buigen voor de waan van de dag. Ik ga bij de demonstraties tussen de mensen staan. De politie ontraadt me dat. Provo-happenings kent Rotterdam niet. […] In Rotterdam wordt gewerkt. Rotterdammers gaan op tijd naar bed.’
Klaas Tammes / De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester / 325 blz / Prometheus, 2026


