zaterdag 30 mei 2026

Tijdloze liefdes

Je ziet ze nog wel eens rijden, op mooie zomerse dagen. De 2CV, oftewel de Lelijke Eend. In z´n tijd vooruitstrevend, vooral door de nooit meer overtroffen vering. Maar nu, een kleine tachtig jaar later, op bijna alle andere vlakken ingehaald door de concurrenten. Wie er nu nog in rijdt doet dat uit pure, tijdloze liefde. Wie er nu nog in rijdt mag hopen nooit in een frontale botsing terecht te komen, want over een kreukelzone beschikt het Eendje niet, om het maar niet te hebben over airbags. Ik moest daar aan denken tijdens het lezen van VHS. Mijn eerste liefde van Thomas Heerma van Voss. In diens geboortejaar, 1990, staakte Citroën trouwens de productie van hun meest succesvolle auto ooit, maar Thomas zou al snel verslaafd raken aan een ‘eigen’ wonder der techniek: de videoband. Ofschoon ook die beelddrager inmiddels is ingehaald door nieuwe en veel betere vindingen, vergaat het Heerma van Voss net als met die verstokte liefhebbers van de Eend: je kan er geen afscheid van nemen. De herinneringen zijn te mooi.

VHS. Mijn eerste liefde is een klein boekje van net 60 bladzijden. Zo’n charmant hebbedingetje dat je in een uurtje uit hebt maar dat nog lang blijft hangen. Te lezen als een brief aan zijn beste vriend, met wie Thomas indertijd zijn liefde voor films op de videoband deelde. Jarenlang was videotheek Filmplan, bij hen om de hoek in Amsterdam-Zuid, het centrum van hun wereld. Zij huurden er zo ongeveer vanaf hun achtste of negende elke week een film, na die zorgvuldig te hebben uitgezocht. Een ‘miskoop’ konden ze zich eigenlijk niet veroorloven, want hun gezamenlijke zakgeld was nét genoeg voor één film. Die ze dan gedurende de week meermaals bekeken. 

Anne Marie, de exploitante van Filmplan, was in een vorig leven filmprogrammeur geweest, wist alles van speelfilms en videobanden en vertelde daar de jongens graag over: 'Haar hoofd was een vergaarbak van filmtrivia. Ze liet op haar kleine tv’tje tegenover de toonbank The Shining zien en meldde terloops dat ‘Here’s Johnny!’ geïmproviseerd was, ze wees naar een poster van The Matrix en zei dat al die broncodes sushirecepten waren.' Ze was hun filmmoeder. 

Filmplan is in het geheugen van Thomas gegrift. De geur van de plastic hoezen, Anne Marie op haar inklapbare regisseursstoeltje, haar doorrookte stem. Maar de meeste indruk maakt na al die jaren toch nog steeds de techniek van de videoband: '… het doffe klikgeluid waarmee zo’n dikke, onbuigzame plastic hoes van een videoband openging, zoals de broodtrommels klonken die ik dagelijks meekreeg naar school. Vervolgens: de wiegende klep van de JVC-recorder, een soort brievenbus die toegang gaf tot de ingewanden van het apparaat. Het gebrom wanneer het apparaat vervolgens een film inslikte, gevolgd door een geruststellend geratel. […] Ik herinner me het mechanische gesputter dat uit de speler kwam wanneer we een VHS-band terugspoelden. Minuten nam het in beslag. Iets voor de film bij het begin belandde, ging het spoelen al wat trager, alsof de video afremde.' Netflix maakt geen geluid wanneer ik het activeer, realiseer ik me. Beetje doods, toch?

In 2006 werd de laatste grote Hollywoodfilm op VHS uitgebracht. In datzelfde jaar veranderde de status van Thomas en zijn vriend, van klant werden zij medewerker van Filmplan. Ieder van hen werkte een avond in de week, films mochten ze nu onbeperkt en gratis lenen. Op rustige avonden keken ze samen in de winkel. In 2009 sloot Anne Marie de zaak. De jongens hielpen haar het interieur te slopen, het pand leeg op te leveren. Ze mochten alle films die ze maar wilden meenemen. Maar ook zij keken al niet meer op VHS.

Een memoir als dit loopt gemakkelijk het risico te resulteren in effectbejag, maar Heerma van Voss weet dat te vermijden. Zijn toon is doorvoeld, zijn emotie oprecht. Het mag nog wel eens worden genoemd dat hij langzaamaan een oeuvre neerzet dat ronduit imposant is. Zo schreef hij de laatste twee jaar een reeks artikelen voor de website van het Literatuurmuseum, waarvan een deel uitmondde in de prachtige bundel De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Kort daarvoor imponeerde hij met de semi-autobiografische roman Het Archief.  Zo’n verrassend ‘tussendoortje’ als VHS. Mijn eerste liefde past daar qua aanpak naadloos in. 

Thomas Heerma van Voss / VHS. Mijn eerste liefde / 64 blz / Cossee, 2026

dinsdag 12 mei 2026

Na dertig jaar Siberië

Het is een cynische gedachte, maar ze valt niet te ontkennen: de manier waarop Vladimir Poetin zijn Rusland laat opereren plaatst het land in het centrum van de belangstelling. Wie graag over Rusland leest kan er zijn voordeel mee doen, want uitgevers brengen een constante stroom aan publicaties op de markt met historische overzichten, politieke analyses en kijkjes in het brein van Poetin, om maar enkele onderwerpen te noemen. Een opvallende verschijning in die overvloed is Alles stroomt van Vasili Grossman. Opvallend omdat het gaat om een herdruk van een oudere titel. Er verscheen in 1993 al eens een Nederlandse editie, en Grossman  voltooide het manuscript nog veel eerder, in 1961. Het boek is dus 65 jaar oud. En waarom dan nu toch een herdruk? Heel simpel, omdat de boodschap nog steeds hoogst actueel is. Urgenter dan ooit, zou ik haast zeggen.

Vasili Grossman (1905-1964) was een Russische journalist en oorlogsverslaggever, vooral  bekend door zijn romans Leven & Lot en Stalingrad, waarin hij de strijd van het Russische leger tegen de Duitsers gedurende de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Het zijn omvangrijke boeken, elk zo’n duizend bladzijden. Dat hij ooggetuige was van de gebeurtenissen – de slag om Stalingrad, de inname van Berlijn, de bevrijding van Treblinka – vindt zijn weerslag in het rauwe realisme van veel van de scènes. Dat is ook de reden dat Grossman de boeken niet, of slechts in zwaar gekuiste vorm, mocht publiceren. Waarbij wellicht ook meespeelde dat hij van Joodse, weliswaar niet praktiserend, afkomst was. Hij schreef Alles stroomt, wat zijn laatste roman zou worden, tussen 1954 en 1961. Toen hij drie jaar later stierf aan kanker, ging hij ervan uit dat het boek nooit gepubliceerd zou worden. Dat lukte inderdaad pas tijdens Glasnost.

Alles stroomt is opgebouwd rond Ivan Grigorjevitsj. We ontmoeten hem – een vijftiger in armoedige kledij, oud voor zijn leeftijd, stilletjes – in de trein van Siberië naar Moskou. In zijn kleine houten koffertje, met afbladderende verf, draagt hij wat schamele bezittingen en een homp brood. Het is 1954, Jozef Stalin is het jaar ervoor overleden. Daaraan dankt Ivan het dat hij nu in de trein zit, richting Moskou. Vrijwel alle politieke gevangen die onder Stalins bewind waren vastgezet kregen na diens dood gratie. Ivan zat in een Siberisch werkkamp omdat hij zich als student aan de universiteit had uitgesproken tegen de dictatuur. Hij zou er dertig jaar doorbrengen, zonder enig teken van leven van zijn familie of de autoriteiten. Iedereen leek hem vergeten.  

In Moskou bezoekt hij als eerste zijn neef Nikolaj Andrejevitsj, vooral om bij te praten over de lotgevallen van zijn familie. Maar Nikolaj, die zich schuldig voelt omdat hij al die jaren geen contact heeft gezocht met zijn neef, of diens brieven beantwoordt, praat liever over zichzelf. Over zijn succes als wetenschapper, over zijn luxe leventje als partijlid. Wat hij Ivan niet vertelt is dat hij als zelfbescherming altijd de leiders heeft gevolgd, hun wensen ingewilligd. Bijvoorbeeld toen hij en zijn collega’s in 1938 moesten stemmen over de doodstraf voor Nikolai Boecharin, een vijand van Stalin. Hij had ingestemd. Heel bewust niet getwijfeld: 

‘Want zelfs als hij in zijn hart had geweten dat Boecharin onschuldig was, zou hij toch voor de doodstraf hebben gestemd. Het stemde gemakkelijker als je niet twijfelde, daarom had hij zichzelf wijsgemaakt dat hij niet twijfelde. Niet stemmen kon hij niet, hij geloofde immers in de verheven doelstellingen van de partij van Lenin en Stalin.' Maar Ivan had ook zonder woorden ook wel begrepen dat zijn neef zichzelf had verloochend. Hij had weliswaar niemand verraadden, maar het ook voor niemand opgenomen.

Grossman laat Ivan nog doorreizen naar Leningrad en vervolgens naar een provinciestadje, waar hij een baan als slotenmaker weet te bemachtigen en een relatie krijgt met een lieve  vrouw, Anna, bij wie hij een kamertje huurt. Hij wisselt Ivans verhaal af met beknopte essays waarin hij de Russische maatschappij in context beziet. Bijvoorbeeld over de politieke ontwikkelingen van de afgelopen twee eeuwen in Rusland en het Westen. Waar die in het Westen over het algemeen hebben geleid tot vrijheid, was het resultaat in Rusland juist onvrijheid. Of het nu de absolute heerschappij van de tsaren was, het systeem van lijfeigenschap, de uitkomst van de revolutie of het project van collectivisatie: onvrijheid was het gevolg, onderdrukking de gemene deler. Van die onderdrukking was het maar eens kleine stap naar de Siberische kampen, waar veel gevangenen niet werden opgesloten omdat ze iets hadden gedaan, maar omdat ze dat zouden kunnen doen.

Je voelt Ivan verloren rondlopen, in een land dat hem vreemd is, dat in dertig jaar een volkomen andere wereld is geworden. Wanneer Anna overlijdt en niets hem meer bindt, besluit hij naar de Zwarte Zee te reizen om zijn geboortehuis nog eens te zien. Op zoek naar iets dat hem vertrouwd is. Inmiddels bespeurt hij bij zichzelf ook de neiging in die termen over zijn leven in het kamp te denken.

Grossman kiest in Alles stroomt een verrassend perspectief. Romans over de Goelag, die van Aleksandr Solzjenitsyn voorop, zijn er te over. Maar het verhaal van een terugkeer is nieuw voor mij. Met weinig woorden schept Grossman een sfeer, een gevoelsleven. Je hebt al snel met Ivan te doen, voorvoelt ook dat het misschien slecht zal aflopen. Ronduit prettig is de Grossman van de uitgesproken meningen, waarin je de oorlogsverslaggever herkent die net vier jaar bloedige veldslagen achter de rug heeft. Die is voor duidelijkheid.

Vasili Grossman / Alles stroomt / Vertaald uit het Russisch door Anne Stoffel /  Met een nawoord van Lisa Weeda / 221 blz / Uitgeverij Balans, 2026

zondag 3 mei 2026

Martha Gellhorn, oorlogscorrespondent

De mooiste foto´s zijn die waarin van alles samenkomt. Zoals deze. Hij moet zijn genomen ergens in de jaren tussen 1937 en 1945. De geportretteerde is Martha Gellhorn (1908-1998), oorlogscorrespondent. Zij zit aan een bureautje dat is bezaaid met boeken, vellen met aantekeningen en een draagbare schrijfmachine. Tussen haar vingers houdt ze een sigaret, de rook kringelt omhoog. Aan het meubeltje heeft ze twee foto´s van een man geplakt: gebruind type, rond de veertig, snor, breed lachend. Haar geliefde? Jazeker. Het is Ernest Hemingway, de romanschrijver die haar in 1937 vroeg met hem mee te gaan naar Spanje, om  gezamenlijk verslag te doen van de Burgeroorlog. Ze ging op zijn voorstel in, waarmee een heftig deel van haar leven een aanvang nam. Compleet met een huwelijk met, in 1940, én een scheiding, vijf jaar later, van de wereldberoemde schrijver.

Gellhorn begon haar loopbaan niet als oorlogscorrespondent. Ofschoon de klus die ze daaarvóór, begin jaren dertig, aannam bij tijd en wijle ook hectisch kon zijn. In opdracht van president Roosevelt reisde ze enkele jaren door de Verenigde Staten om de stemming onder de bevolking te peilen over de New Deal, het programma waarmee de president de economische depressie en de hoge werkloosheid bestreed. Ze rapporteerde rechtstreeks aan de directeur van het programma, Harry Hopkins. ‘My Dear Mr. Hopkins’, was de vaste aanhef boven haar brieven aan hem. Over hem schreef Geert Mak vorig jaar zijn monumentale biografie De wisselwachter. De New Deal bracht veel goeds, maar op de werkvloer bleek ook dat veel mislukte. Het boek dat Gellhorn daarover in 1936 publiceerde, The Trouble I’ve Seen, werd een groot succes. Haar naam was gevestigd. 

In Spanje koos Gellhorn haar eigen insteek. In haar reportages voor het Amerikaanse Collier´s Weekly zoek je tevergeefs naar de bloedige militaire strijd. Hoe de dagelijkse sores van de oorlog  het leven van de inwoners van het belegerde Madrid overhoop gooide, dát interesseerde haar. En gelukkig ook de lezers en lezeressen van Collier´s. Geert Mak, die voor deze selectie van Gellhorns artikelen een inleiding schreef, typeert haar toon als volgt: ‘scherp observerend, strak en tegelijk emotioneel, met een uitstekend oog voor het menselijk detail.’

Gellhorn en Hemingway bleven, met onderbrekingen, een kleine drie jaar in Spanje. Voor hen liep de oorlog fout af, de Republikeinse regering werd door generaal Franco verslagen. In januari 1939 waren ze vanuit hun hotelkamer getuige van de val van Barcelona en de afscheidsparade van de Republikeinse troepen. Het jaar erop trouwden ze – voor hem het derde huwelijk, voor haar het tweede – en verhuisden ze naar Cuba, zijn favoriete stek. Maar waar hij rust zocht om zijn ervaringen te verwerken in romans en verhalen, daar werd zij voortdurend aangetrokken door nieuwe brandhaarden. In 1938 was zij in Berlijn en München, in 1940 versloeg zij de 1940 Fins-Russische oorlog, om vervolgens een trip langs het Kantonese front in China te maken – waarop Hemingway haar overigens wel begeleidde. Maar toen zij in 1943 besloot naar het Italiaanse front af te reizen en met het geallieerde leger op te trekken, - de foto hierboven is gemaakt in februari 1944 - was dat volstrekt tegen zijn zin. Maar zij was niet zo’n vrouw die de orders van haar echtgenoot zomaar opvolgde … Ze zouden in 1945 scheiden.

Als oorlogscorrespondent zou Gellhorn tot op hoge leeftijd tientallen grote en kleinere conflicten verslaan. De selectie die nog door haarzelf werd gemaakt voor Het gezicht van de oorlog – inmiddels als The Face of War uitgegroeid tot een klassieker – is indrukwekkend. En toont opnieuw haar voorkeur voor het verhaal achter het verhaal, voor de human interest. Zoals het ontroerende De jongens van de bommenwerpers, gemaakt in Engeland. En vanzelfsprekend was zij er getuige van hoe de Russen Berlijn innamen. En bezocht zij Dachau, en schreef erover – een zwaardere klus had ze nooit gedaan. 

Een mooi staaltje van haar vindingrijkheid is haar reportage over de landing op D-Day, 6 juni 1944. Zij zou daarover schrijven voor Collier’s maar Hemingway, die vond dat hij als ‘belangrijker’ correspondent het eerste recht had, kreeg de redactie van het tijdschrift zover dat ze hem op de lijst met embedded journalisten plaatsten en niet haar. Zodra de situatie na de landing veilig zou zijn, zouden zij door een fregat aan land worden gebracht om hun reportages te maken. Dit onder voortdurende bescherming van het leger. Gellhorn was boos, maar verzon een list. Zij meldde zich in Londen aan als verzorgster op een hospitaalschip, met als gevolg dat zij al op 7 juni op een Normandisch strand met gewonden liep te slepen. Dit terwijl het schip met embedded journalisten – waaronder Hemingway – nog dagen buitengaats moest wachten. Collier’s plaatste haar verhaal, als hoofdartikel. 

In haar inleiding bij Het gezicht van de oorlog vat Gellhorn heel beknopt haar boodschap samen: ‘Ik schreef heel snel, dat moest wel; en ik was altijd bang dat ik zou vergeten wat precies het geluid, de geur, de woorden en gebaren waren die specifiek voor dit moment en deze plaats waren. Ik hoop dat ik in de loop der jaren een beetje beter heb leren schrijven. Waar het om gaat in deze artikelen is dat ze waar zijn; ze vertellen wat ik gezien heb. Misschien doen ze anderen, net als mij, denken aan het gezicht van de oorlog. We kunnen er nauwelijks te veel of te vaak aan herinnerd worden. Ik geloof dat herinnering en verbeelding de grote afschrikmiddelen zijn, en niet de kernwapens.’

Martha Gellhorn / Het gezicht van de oorlog 1937-1946 / Met een voorwoord van Geert Mak / Vertaald uit het Engels ‘The Face of War’ door Kees Helsloot en Leo Huisman / 302 blz / Atlas Contact, 2025 (vierde druk)