zondag 29 maart 2026

De veiligste plek op aarde?

Wat is de veiligste plek op aarde? Dat moet wel de meest gestelde vraag zijn geweest nadat in de zomer van 1945 door de Amerikaanse luchtmacht boven Hiroshima en Nagasaki twee atoombommen tot ontploffing werden gebracht, waarbij het centrum van die steden in puin werd gelegd, tienduizenden inwoners direct omkwamen en nog eens velen in de jaren erna als gevolg van de blootstelling aan radioactieve straling. Die twee bommen ontketenden een ongekende wapenwedloop, waarbij de nucleaire grootmachten een arsenaal aanlegden waarmee de mensheid meermaals van de aardbodem kon worden geveegd. In de literatuur werd dit vanzelfsprekend een onderwerp. Het meest indrukwekkende boek daarover is voor mij nog steeds On the Beach (1957) van Nevil Shute. Daarin is door een kernoorlog al het leven op het noordelijk halfrond verwoest en de dodelijke straling zakt nu langzaam af naar het zuidelijk halfrond. Shute beschrijft de lotgevallen van een groepje Australiërs in Melbourne die weten dat zij binnen enkele maanden zullen sterven. 

Voor de hoofdpersoon in Bunker, de nieuwe roman van Richard Osinga (1971), bevindt de ultieme overlevingsplek zich niet aan de randen van de aardbol, maar op een plek waar de lokale overheid steekpenningen aanneemt en verder geen vragen stelt. Aan die eisen voldoet een dunbevolkt, bergachtig gebied in Kazachstan. Nadir, een Canadees van Indiase oorsprong, onmetelijke rijk geworden in Silicon Valley, laat daar in een berg een groot ondergronds complex aanleggen waar enkele tientallen mensen geheel zelfvoorzienend langdurig kunnen verblijven. Of anders gezegd: het einde der tijden afwachten. En dat overleven, én vervolgens vanuit die positie een nieuwe start maken. Want daar gaat het toch om. Een reboot.

Osinga houdt zijn hoofdpersoon Nadir een beetje in de luwte. Hij is dan wel de geestelijke vader van het project, en de financier, maar hij is ook een meester in delegeren. Het is vooral Cindy, de jonge vrouw die Nadirs werkzame leven organiseert, die je als lezer het meest nabij meemaakt. Dat geldt ook voor Jonas, een Nederlandse architect die zich heeft gespecialiseerd in zelfvoorzienende woningen. Hij ontwierp het ondergrondse complex. En net als Cindy koos hij ervoor mee te gaan op het avontuur. Zijn vrouw was kort ervoor overleden, dit voelde voor hem iets van een nieuwe start. En dan is er ook nog de moeder van Nadir, Inaya. Ook zij rouwde nog om haar echtgenoot, met haar zoon meegaan bezat een zekere logica. Hen drieën volg je: eerst in hun enthousiasme voor het project dat probleemloos verloopt, dan in hun beginnende twijfel en vervolgens in hun frustratie over de houding van Nadir die als een echte CEO, koel, analytisch en afstandelijk, de zaak aanstuurt. Geen inspraak toelaat.

Terwijl dat toch wel wenselijk zou zijn, want onverwachte ontwikkelingen veroorzaken een neergaande spiraal. Alle deelnemers hebben ingetekend voor een experiment dat één jaar zal duren, waarna de lessons learned zullen worden doorgevoerd in de definitieve versie van de ondergrondse stad. Maar halverwege dat ene jaar laat Nadir de deelnemers weten dat de situatie bovengronds is geëscaleerd, dat een terugkeer daardoor onmogelijk is geworden en dat het experiment daarmee overgaat in the real thing. Een verdere toelichting geeft hij niet. De deelnemers tasten in het duister. Moeten ze blij zijn dat ze de dans zijn ontsprongen? Maar wat is het lot van hun familie en geliefden? En hoe desastreus is de situatie bovengronds? Een voorzichtig kijkje nemen is niet mogelijk, Nadir heeft de uitgang hermetisch laten afsluiten.

Daarmee zijn de opties voor de deelnemers eigenlijk gereduceerd tot nul. Nadir laat hen weten dat een eerste mogelijkheid om heel voorzichtig de buitenwereld te scannen op zijn vroegst over een, twee, vijf of tien jaar plaats kan vinden. Niet iedereen accepteert dit, boosheid en frustratie krijgen de overhand en het project dat eens zo vooruitstrevend was, mondt uit in onenigheid en gedoe. De onbereikbare buitenwereld, en vooral de vrijheid: het voelt aan als het paradijs. Osinga weet ieders verlangen naar die buitenwereld haarscherp te verwoorden. 

Bunker is meer dan een goedgeschreven roman met een spannend plot en een ijzingwekkende finale. Het verhaal past in een tijdgewricht waarin kortzichtige presidenten impulsieve beslissingen nemen, met hun militaire overwicht enorme schade laten aanrichten en pogingen tot doordachte diplomatie worden weggelachen. In een tijdsgewricht, kortom, waarin miljoenen mensen ook wel eens verlangen naar een luxe ondergrondse bunker om betere tijden af te wachten. 

Richard Osinga / Bunker / 286 blz / Wereldbibliotheek, 2026

woensdag 25 maart 2026

Raimund Pretzel alias Sebastian Haffner

Tussen 18 oktober en 23 november 1932, in slechts vijf weken, schreef de jurist in opleiding Raimund Pretzel de roman Abschied. Het is een korte roman met een uiterst overzichtelijke plot. De hoofdpersoon is Raimund, eveneens een jurist in opleiding, die voor enkele dagen vanuit Duitsland overkomt naar Parijs in de hoop iets te bereiken bij Teddy, een aanbiddelijke jonge vrouw met wie hij het jaar ervoor een flirt heeft gehad in Berlijn. Maar in Parijs blijkt een zwerm jongemannen om Teddy heen te draaien, allemaal met dezelfde wens als Raimund. Die ziet al snel het hopeloze van zijn missie in en kan niet anders dan te proberen in zijn laatste dagen in Parijs, voordat hij weer in de trein naar Berlijn zal stappen, kleine momentjes met haar te hebben. Als de anderen even afwezig zijn. 

Teddy moet het hebben van die aanbidders die haar presentjes geven, haar lunches en diners betalen en haar meenemen naar het theater. Zelf heeft ze bijna niets, woont op een klein en koud zolderkamertje. Maar ze is desondanks uit volle overtuiging haar vaderland ontvlucht. Waarom dat is spreekt Pretzel – de schrijver – niet expliciet uit, maar met onze kennis achteraf is dat wel duidelijk. In een nawoord formuleert Volker Weidermann het als volgt: ‘Het is een literair clubje dat daar samengekomen is. Luchtfietsers, fantasten, jonge mensen die naarmate de toekomst donkerder en dreigender lijkt des te hardnekkiger vasthouden aan het vieren van het moment.

Exil-Duitsers zouden ze even later genoemd gaan worden. Grote namen uit de wereld van de literatuur, film en het theater zouden bij het aan de macht komen van de nazi’s dezelfde beslissing nemen als dit groepje jongelui. Abschied mag dan ook gezien worden als de tekst van een jonge schrijver die de vinger aan de pols had, voorvoelde welke kant het zou uitgaan in Europa. Een jonge schrijver die zijn studie rechten voortijdig zou afbreken, en koos voor een loopbaan als journalist. In 1938 vluchtte hij met zijn echtgenote naar Engeland, waar hij ging schrijven voor vooraanstaande kranten. Vanaf dat moment altijd onder een pseudoniem, de schuilnaam waaronder hij wereldberoemd zou worden: Sebastian Haffner.

Als historicus groeide Haffner (1907-1999) na de oorlog uit tot de Duitser die als geen ander inzichtelijk kon maken hoe de gruwelijkheden van de oorlog konden gebeuren. In gewone-mensentaal, in begrijpelijke analyses. Door zijn landgenoten werd hem dat niet altijd in dank afgenomen, maar hij had inmiddels een status van onaantastbaarheid verworven.   

Zou hij naast zijn historische studies ooit nog een roman schrijven? Nee, het bleef bij Abschied. En het zou nog wel even duren voordat dat gepubliceerd werd. Bijna een eeuw zelfs. Zo snel als hij het had geschreven, in die vijf weken, zo lang bleef het in zijn bureaulade liggen. Niemand wist van het bestaan ervan. Pas na zijn dood in 1999 vond zijn zoon Oliver het. En pas nog eens vijfentwintig jaar later – sommige familieleden vreesden in 1999 voor imagoschade bij publicatie van zo’n niemendalletje van de grote man – kon het verschijnen. 

Een niemendalletje, is het dat? Nee. Het is weliswaar in een uiterst luchtige stijl geschreven, de verhaallijnen en gesprekken fladderen haast om je heen, maar de boodschap is serieus. Zoals Haffner in zijn latere historische werk met grote helderheid de geschiedenis kon duiden, dat wat is gebeurd, zo presenteert hij hier een welhaast onuitgesproken voorgevoel, een stemming van onheil, dat wat in een worst-case scenario zouden kunnen gebeuren. En het gebeurde. 

Sebastian Haffner / Afscheid / Vertaald uit het Duits door Elly Schippers / Met een nawoord van Volker Weidermann / 191 blz / Uitgeverij De Arbeiderspers, 2025

vrijdag 20 maart 2026

Germaine De Staël

Er zijn van die historische personen die je wel enigszins in hun tijd kan plaatsen, maar van wie je te weinig weet om hun belang te doorgronden. Voor mij was Madame De Staël zo iemand. Wat ik van haar wist, past met gemak in één alinea: een onafhankelijk denkende vrouw, zo omstreeks het jaar 1800; ze hield lange tijd in Parijs een Salon, een plek waar verlichte geesten van die jaren zich graag lieten zien; ze had een trits lovers, waarvan Benjamin Constant voor ons de meest bekende is; en ze schreef over de sociaal-maatschappelijke situatie in Europa. Napoleon Bonaparte moest niets van haar en haar meningen hebben, en verbande haar daarom langdurig naar haar familiekasteeltje aan het Meer van Genève. Maar ondanks die tegenwerking liet ze zich niet kisten. Het is dan ook haar onverzettelijkheid die in deze mooie biografie door Margot Dijkgraaf als De Staëls meest bepalende  karaktertrek wordt gezien .

Germaine De Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre is niet de eerste studie die Dijkgraaf wijdt aan een vrouwelijke auteur. Ze publiceerde meermaals over het werk én de persoon van Hella S. Haasse. En in 2020 verscheen Zij namen het woord. Rebelse schrijfsters in de Franse letteren. Die laatste titel zou je een aanloop kunnen noemen naar de biografie van Germaine De Staël. Er is vanzelfsprekend geen wet die voorschrijft dat een biografie ván een vrouw het best kan worden geschreven dóór een vrouw, maar in dit geval is het resultaat er wel naar. Je voelt het enthousiasme van Dijkgraaf voor de manier waarop De Staël zich als vrouw een plek in de wereld heeft weten te bemachtigen, zonder dat dit ten koste gaat van een heldere biografische analyse van De Staëls betekenis.

Germaine werd geboren in 1766. Haar ouders, Jacques en Suzanne Necker, namen een vooraanstaande plaats in de maatschappij in. Jacques Necker zou het in de jaren voorafgaand aan de Franse Revolutie brengen tot – een verlichte - Minister van Financiën onder Lodewijk XVI, Suzanne wist zich door haar Salon, die werd bezocht door mensen als Voltaire, Diderot en Rousseau, een machtspositie achter de schermen te verwerven. Haar dochter Germaine mocht al op heel jonge leeftijd mee naar die bijeenkomsten, het zou het fundament vormen voor haar eigen Salon, later, zowel in Parijs als in Chateau Coppet.  

In 1786 trad Germaine in het huwelijk met de Zweed Erik Magnus De Staël Holstein. Hij was bijna twintig jaar ouder dan zij en zou het brengen tot Zweeds ambassadeur in Parijs. Ze vond hem oninteressant en saai: ‘Van alle mannen van wie ik niet houd, geef ik nog de voorkeur aan mijn man.’ Maar hij bood haar door zijn netwerk, vermogen en adellijke titel een platform dat zij zou gebruiken om haar invloed te vergroten. En, niet onbelangrijk, hij bleek zo’n goeie sul dat hij zonder morren de vier kinderen echtte die zij van andere mannen kreeg. 

Na het overlijden van haar moeder werden in Suzannes nalatenschap ettelijke essays en andere teksten aangetroffen. Die had zij nooit gepubliceerd, dat werd van een nette vrouw en echtgenote immers niet echt geaccepteerd. Germaine zou dat anders doen. Haar artikelen en romans bracht zij met veel bombarie in de openbaarheid. Het werden publieke discussiestukken. Haar roman in brieven Delphine, verschenen in 1802, over een vrouw die zich wil ontdoen van haar maatschappelijke ketenen, veroorzaakte een schandaal. Maar dat liet ze van zich afglijden, het ging haar erom met haar boodschap een groot publiek te bereiken. Dat dit met een roman eerder mogelijk was dan met didactische werken was een nieuw inzicht voor haar.

Germaine streefde naar maatschappelijke hervormingen, naar vrijheid en gelijkheid, maar het proces van de Revolutie vond zij veel te radicaal. Het Engelse systeem, met een parlement én een koning, was voor haar en haar vrienden het voorbeeld. In haar Salon ontving zij dan ook politici die de monarchie wilden hervormen, die een systeem van Republikeins liberalisme aanhingen.  

De Revolutie overleefden Germaine en haar familie. Maar Napoleon Bonaparte vormde voor haar op termijn een groter gevaar. Zijn bewind nam gaandeweg absolute trekken aan, waarin voor afwijkende meningen weinig ruimte meer was. Dus ook niet voor Germaine. Over hem schreef zij: ‘In zijn ziel heeft hij een koud en splijtend zwaard.’ Vanaf 1803 verbande hij haar, eerst uit Parijs, daarna uit Frankrijk. Haar opvattingen, zoals haar stelling dat de werkelijke macht in het politieke midden ligt – hoe actueel! -  werden hem te scherp.

Hoe geef je als biograaf een leven weer dat zó vol is van gebeurtenissen en ideeën. Dijkgraaf bedacht een slimme oplossing. In de vroege zomer van 1812 verliet Germaine in het diepste geheim haar kasteeltje in Coppet, aan het Meer van Genève. Haar reisdoel was Londen. Ze reisde alleen, met een koetsier en de officier John Rocca, haar geliefde van dat moment. Die beschikte niet over de juiste papieren, dus reisde op enige afstand te paard mee. Het werd een helse tocht. Precies op dat moment trok Napoleon namelijk oostwaarts door Europa, met een immens leger, op weg naar Rusland. Die moesten ze beslist ontwijken, hij zou haar direct laten arresteren. Dus het werd een helse omweg: Coppet / Zürich / Wenen / Lviv / Brody / Moskou / Sint-Petersburg / Finland /  Stockholm / Göteborg / Londen. Omdat Germaine en Rocca dus ‘op afstand’ samen reisden, schreven ze elkaar brieven. Die, en talloze andere die Germaine in die maanden schreef, doseert Dijkgraaf mondjesmaat tussen de hoofdstukken door. Een geweldige rode draad!

Margot Dijkgraaf / Germaine De Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre / 336 blz / Atlas Contact, 2026

dinsdag 10 maart 2026

'N. Beets, Herder'

Voor veel lezers van nu staat het boek model voor de brave gezapigheid van de Nederlandse literatuur omstreeks 1840. Maar voor de meeste negentiende-eeuwse lezers was het boek niets minder dan een literair hoogstandje. Zij smulden van de fijnzinnige ironie en hadden de meest uitgesproken of aandoenlijke personages na aan het hart liggen. Met tientallen herdrukken, zowel in luxe edities als in goedkope volksuitgaven, drukte het een stempel op het literaire landschap en groeide het uit tot het beroemdste boek van de eeuw. Ik heb het natuurlijk over de Camera Obscura, de verhalenbundel die in 1839 werd gepubliceerd door Hildebrand, het pseudoniem van de student theologie Nicolaas Beets. Over Beets verscheen onlangs de door Rick Honings geschreven biografie God, gezin en vaderland. Met ruim 700 bladzijden een kloek boek, inhoudelijk een schatkamer aan feiten, anekdotes en inzichten.

Dat Beets (1814-1903) aan de Leidse universiteit theologie kon gaan studeren had hij te danken aan zijn doorzettingsvermogen én de hulp van zijn oudere zus Dorothea. Deze wist vader Beets, een apotheker, ervan te overtuigen dat Nicolaas doodongelukkig zou worden wanneer hij zijn vader zou moeten opvolgen. Een jaar pillendraaien had hem al bijna aan de rand van een zenuwinzinking gebracht. Honings beschrijft de jeugdjaren van Beets in Haarlem beeldend, wat ook geldt voor diens studentenjaren. Een universitaire studie leek indertijd in vrijwel niets op de huidige. Alleen de feesten en drankgelagen lijken onveranderd gebleven. Bij Beets´ Leidse jaren voelt Honings zich merkbaar op vertrouwd terrein. Hij is er sinds 2020 immers aangesteld als Scaliger-hoogleraar, met de opdracht om vanuit bronnen in de collectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek onderzoek te doen. Een van die bronnen is de omvangrijke Beets-collectie.

In Leiden maakte Beets vrienden voor het leven. Met hen deelde hij zijn liefde voor de literatuur, en dan vooral de poëzie. Johannes Kneppelhout, die later onder het pseudoniem Klikspaan beroemd zou worden, was een van hen. Op die studiegenoten probeerde Beets ook zijn eigen vroege gedichten uit, en iets later ook toneelstukken. Die waren sterk beïnvloed door het werk van de kort daarvoor overleden Lord Byron. Beets ontving daarvoor lof, maar niet minder ook scherpe kritiek. Hij werd verweten een slaafse navolger van de Engelsman te zijn. Maar dat deerde hem niet. Aan Johannes Potgieter bekende hij ooit dat hij een verschrikkelijke lust en ambitie bezet om uit te blinken, zelfs als hij daarvoor Byron moest imiteren.  Een van de critici verwoordde het zo: ‘Wij moeten ons Hollands tuintje niet laten ontsieren door buitenlandsch gewas dat er geen wortel kan schieten.’ Dat klinkt heerlijk negentiende-eeuws. Het zou tot 1836 duren, halverwege zijn studie, dat hij Byron afzwoer en een eigen stijl ontwikkelde. 

In 1839 studeerde Beets af en ging hij zich richten op een predikantschap. Dat werd Heemstede, niet te ver van zijn geboortestad Haarlem en, niet onbelangrijk, ook niet al te ver van Heiloo, waar hij een oogje had laten vallen op de aantrekkelijke Aleide van Foreest, een nichtje van zijn Leidse professor. In Heemstede vond een opmerkelijke transformatie plaats, de vrolijke bon-vivant die wel een glaasje lustte veranderde in een sociaal bewogen dominee. Hij maakte zich al snel geliefd bij zijn gemeenteleden. Op de voordeur van zijn woning schroefde hij een koperen plaatje met de tekst ‘N. Beets, Herder’.

Het boek dat hem eeuwige roem heeft verschaft had hij toen al geschreven en gepubliceerd: Camera Obscura. Het is een spiegel van het dagelijks leven in de eerste helft van de negentiende eeuw. Wie wil weten hoe het was om met de trekschuit of diligence te reizen, raadplege het boek. Evenzo voor de sociale omgangsvormen van de burgerij. Beets had er herinneringen aan zijn eigen jeugd in verwerkt en veel van de teksten geschreven in verloren uren, tijdens wandelingen en in ‘vervelende gezelschappen’. 

De eerste jaren in Heemstede schreef Beets heel weinig. Zijn baan, met twee preken per week, het sociale werk en zijn jonge huwelijk vroegen veel tijd. Maar vanaf 1647 kwam de productie weer op gang. Vrijwel uitsluitend poëzie ditmaal, met af en toe een uitbreiding van de Camera. Zijn gedichten worden thans door de geleerden onder de 'predikantenpoëzie' gerangschikt. Ik vind dat altijd een ietwat neerbuigende benaming. Alsof werkelijk elk van die verzen doordrenkt is van een godsgevoel. Beets’ gedichten, waaruit ieder sprankje Byron nu is verdwenen, zijn kernachtig geformuleerd, speels, vaak lichtvoetig. En bovenal extreem toegankelijk, hij bereikte met zijn talrijke bundels dan ook een groot publiek. De meeste recensenten waren er zeer over te spreken. Een van hen verheugde zich erover dat Beets niet was opgehouden met dichten, ‘maar zijn talent nu inzette om Gods lof te zingen.’

Ik kijk graag naar de filmpjes van Boekhandel De Kler waarin Maarten ’t Hart, gezeten thuis op de bank, steeds een boek bespreekt. Hij doet dat al jaren. Opmerkelijk is dat hij bij biografieën met regelmaat verzucht dat ze veel te dik zijn. Dat je het verhaal van een leven ook best wat beknopter kan opschrijven. Geldt dat ook voor deze dikke pil? Ja en nee. Het kan natuurlijk altijd, maar door de ruimte die Honings zichzelf heeft gegeven weet hij je wel onder te dompelen in een tijdperk. Want het leven van Beets is tegelijkertijd ook een beetje een culturele en sociale geschiedenis van een eeuw. Niet alleen omdat het lang duurde, maar ook omdat Beets, eenmaal een gelauwerde schrijver, toegang kreeg tot allerlei kringen en gezelschappen die typerend waren voor die eeuw. Hij kreeg een professoraat, werd als zodanig geportretteerd door Thérèse Schwartze, zijn preken verschenen in druk, hij bouwde een warme, persoonlijke band op met de Oranjes en ga zo maar door. En de viering van zijn zeventigste verjaardag, in 1884, vertoonde alle trekken van een nationale feestdag.

Ik heb mezelf na lezing van deze biografie getrakteerd op het herlezen van de Camera Obscura. Vijftig jaar nadat ik het las voor mijn lijst. Onthaastend lezen, heet dat. Was heel plezierig, nu ik het veel beter dan indertijd kon plaatsen.

Rick Honings / God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets (1814-1903) / 728 blz / Prometheus, 2026

dinsdag 3 maart 2026

Schrijver gaat met pensioen...

Toen ik enkele weken geleden Vertrek(punt) kocht, de nieuwe roman van Julian Barnes, was het belangrijkste nieuws daarover al weer bijna oud nieuws: het boek zou Barnes’ laatste roman zijn. Na een literaire loopbaan van ruim vier decennia hing hij zijn lier aan de wilgen. Maar ondanks ik daarvan wist, was het na een kwartiertje lezen toch best nog wel een mededeling: ‘Dit is mijn laatste roman’. Ik heb dat de afgelopen weken moeten laten bezinken. Voor mij was (is) Barnes een schrijver wiens boeken ik eigenlijk altijd las (lees). Zo iemand die ‘er gewoon is’. En die is er dan ineens niet meer, niet met nieuw werk in ieder geval. Wat de mededeling extra laat doordreunen is misschien het gegeven dat weinig schrijvers op deze manier, en publiekelijk, afscheid nemen van hun lezers. De meesten schrijven op oudere leeftijd gewoon door, waarbij het helaas slechts een enkeling – Jeroen Brouwers – gegeven is steeds beter te worden.

Het voorkomen van een openbare aftakeling als schrijver speelt wel mee bij Barnes’ beslissing om te stoppen. ‘Ken je schrijvers die grote romans schreven na hun tachtigste?’, zei hij onlangs tegen een journalist. Barnes is van januari 1946. Een ander schrikbeeld voor hem is te overlijden terwijl hij aan een boek werkt, en dat zijn uitgever dat onvoltooide boek dan toch maar publiceert. Of het door een collega-schrijver laat voltooien. Over deze scenario’s heeft hij de controle, die kan hij ontwijken door gewoon nu te stoppen. Wat hij niet helemaal in de hand heeft is het verloop van de ziekte die enkele jaren geleden bij hem is vastgesteld. Een vorm van bloedkanker. Niet te genezen, wel beheersbaar. Tot op zekere hoogte. De beslissing om te stoppen wordt daarmee wel begrijpelijk. Dat hij dat doet met een fonkelende roman laat zien hoe leven en schrijven bij hem zijn verweven.

Wanneer las ik mijn eerste Barnes? Dat weet ik nog wel. Dat was tijdens een reis door Madagascar, ergens midden jaren negentig. In de laatste week werd mijn vrouw, Brenda, flink ziek. Op dat moment logeerden we in een klein hotelletje in het noorden, in de bush. We besloten dat we daar zouden blijven, terwijl de groep zou doorreizen naar een strandlocatie een paar uur verderop. Na drie dagen zouden ze ons op de terugweg weer oppikken. En omdat het toch een beetje buiten het seizoen was, gaf de hoteleigenaar ons de sleutel van een houten hutje dat een kwartier lopen verderop aan een stroompje lag. Geen doorgaande route, doodse stilte, prachtige natuur. Idyllisch. Ik mocht mij twee keer per dag melden in het hotel, voor een maaltijd, en om gelijk wat mee te nemen voor Brenda. Die snel beter werd.

Maar er was één ding dat voor mijn gevoel de pret enigszins vergalde. Ik had nog maar één boek te lezen. De andere had ik al uit. Indertijd bestonden luisterboeken of e-books nog niet, evenmin als e-readers waarop honderden boeken staan. Voor vertrek van een lange reis schatte je de hoeveelheid boeken die je nodig zou hebben, waarbij het gewicht natuurlijk ook een rol speelde. Dat ene boek dat ik nog niet had gelezen was Flaubert’s Parrot, oftewel Flauberts papegaai. Van Julian Barnes, een mij op dat moment onbekende auteur. Ik las het, en was verkocht. Het beschrijft de speurtocht van een Engelsman op leeftijd die in Normandië op zoek gaat naar alles wat hij kan vinden over Gustave Flaubert (1821-1880), de schrijver van onder andere Madame Bovary. De papegaai speelt daarin een sleutelrol. 

Flaubert’s Parrot is van alles tegelijk: een roman, het verslag van een speurtocht, een stukje autobiografie en wat je verder maar kan bedenken, zoals beeldschone bespiegelingen over van alles en nog wat. Het was eigenlijk precies zoals het leven was. Ik las het de eerste dag in dat sprookjesachtige huisje uit. En las het de volgende dag opnieuw. En beperkte me de laatste dag tot de aangestreepte passages.

Dat was mijn ontdekking van Julian Barnes. We zijn nu dertig jaar verder. Zijn nieuwste boek, en dus ook zijn laatste boek, stelde mij niet teleur. Integendeel. De tekst is de mix waarop hij ons al zo vaak heeft getrakteerd, een hybride van verschillende stijlen. Vertrek(punt) bestaat uit vijf delen. Barnes begint, direct na zijn mededeling dat dit zijn laatste boek zal worden, met een uitvoerige, briljant-informele verkenning van het geheugen. De pijlers daaronder zijn het IAM, het Involuntary Autobiographical  Memory én, haast vanzelfsprekend, de madeleines van Marcel Proust. Het tweede en vierde deel besteedt hij aan zijn vriendschap met twee medestudenten, die hij met de manipulatieve krachten van de schrijver veertig jaar na dato alsnog bij elkaar brengt. 

Het derde deel wijdt hij aan de beslommeringen rondom zijn ziekte. De onderzoeken, de geheimtaal van de artsen, de wetenschap dat het erger had kunnen zijn. Dat hij nog wat tijd heeft, misschien best wel veel. Aandoenlijk is hoe hij snel een koffertje inpakt wanneer de artsen hem voor het eerst naar met spoed naar het ziekenhuis ontbieden. Een appeltje en de Guardian – voor de kruiswoordpuzzel – ontbreken niet. Hij weet de situatie te relativeren. Zijn echtgenote overleed tien jaar geleden na een heel kort ziekbed aan een hersentumor, dat helpt je blijkbaar dingen in het juiste perspectief te zien.  

Vertrek(punt) komt over als de ultieme hybride vertelling, persoonlijker én informeler dan voorheen. Barnes heeft het over ‘Het vertrek waarop geen aankomst zal volgen’. En schroomt niet zijn tekst in toenemende mate als ‘terloopse mijmeringen’ te kenschetsen. Hij maakt de indruk zijn afscheid serieus te nemen, er een punt achter te zetten. Daarin is hij meer dan geslaagd. Maar … mocht hij binnenkort de aandrang voelen toch nog eens iets te schrijven, dan zal ik hem die woordbreuk zeker niet kwalijk nemen.

Julian Barnes / Vertrek(punt) / Vertaald uit het Engels ‘Departure(s)’ door Jelle Noorman / Luisterboek, voorgelezen door Louis van Beek / 5 uur en 16 minuten / Atlas Contact, 2026, via Storytel