zaterdag 16 februari 2019

De straatvechter en de estheet

Het kon slechter, de keuze van de auteurs voor het driehonderdste deel van de mooiste reeks in de Nederlandse literatuur, privé-domein. Met Joseph Roth en Stefan Zweig heb je immers twee schrijvers van wereldformaat in handen. Schrijvers die dan ook nog eens met elkaar correspondeerden in een periode dat hun wereld in duigen viel, de jaren tussen 1927 en 1938. Door die politieke ontwikkelingen moesten Roth en Zweig keuzes maken en standpunten innemen. Het is fascinerend om te lezen hoe zich dat bij beide mannen in een handvol jaren ontwikkelt, het kleurt veel van de brieven. En toch, ondanks dit veelbelovende uitgangspunt, hebben de in Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Brieven 1927-1938 verzamelde brieven soms iets ongemakkelijks, iets schurends. Bovendien is de correspondentie, door de omstandigheden, niet helemaal in balans.

Roth en Zweig hadden een volstrekt verschillende achtergrond. Zweig (1881-1942) was afkomstig uit een welgestelde Joodse familie in het chique Wenen van het fin-de-siècle. Zijn eerste novelle verscheen in 1904 en bij aanvang van zijn correspondentie met Roth was hij een gevierd auteur wiens werk werd vertaald en regelmatig hoge oplagen haalde. De Eerste Wereldoorlog maakte hij mee als verslaggever, waardoor hij voor de rest van zijn leven sympathie voelde voor het pacifisme.

Roth (1894-1939) daarentegen groeide op in het provinciestadje Brody, gelegen in Galicië, nu de grensstreek van Polen en Oekraïne. Ook hij was Joods. Na een afgebroken studie aan de universiteit van Wenen – hij nam in 1916 vrijwillig dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger – ging hij na de Eerste Wereldoorlog aan het werk als journalist voor Duitse en Oostenrijke kranten met een linkse signatuur. Hij had in 1927 een handvol romans gepubliceerd, deels als feuilleton in kranten, maar zijn roem moest nog komen.

De briefwisseling begint zeer ontspannen. Roth is een groot bewonderaar van het werk van Zweig, heeft hem op een voetstuk staan. Je krijgt de indruk dat Zweig zich dat met enig genoegen laat welgevallen. Maar het ontbreekt in deze fase aan voldoende brieven van Zweig om daarover zekerheid te krijgen. Dat is trouwens het gebrek aan balans dat ik al noemde: er zijn veel meer brieven van Roth bewaard gebleven dan van Zweig. Dat kan te maken hebben met het feit dat de laatste lange tijd een vaste woonplek had in Salzburg, en daarna in Londen, en zijn archief zorgvuldig op orde hield, terwijl Roth kortstondige baantjes had, voor zijn werk veel reisde en zijn leven lang bij voorkeur in hotels woonde.

De machtsgreep van Hitler in 1933 verandert het leven van de mannen. Roth verhuist naar Parijs, zowel uit afschuw voor de Nazi’s als voor zijn eigen veiligheid. Zweig verlaat zijn geliefde Salzburg en vestigt zich in Londen, neemt de Engelse nationaliteit aan en beijvert zich om collega’s die het nu lastig krijgen te steunen, maar in de ogen van Roth is dat te weinig en te slap. Hij geeft Zweig er in niet mis te verstane woorden van langs wanneer deze weigert het contact met zijn uitgever te verbreken, die hij verdenkt van sympathie voor de Nazi’s.

Die ferme standpunten van Roth, die met volle overtuiging zijn schepen achter zich verbrandt, tegenover het twijfelen van Zweig die maar niet kan besluiten wanneer voor hem de maat vol is, wordt een constante in hun brieven. Ook het verschil in hun karakters komt er steeds duidelijker in naar voren. Roth is de man van de actie, maakt kort na 1933 nog plannen om met Habsburgse ex-militairen een actie tegen Hitler op te zetten. Zweig vindt dat hij als schrijver het beste met de pen kan vechten, proberen met zijn boeken de mensen tot meer mededogen en waardigheid aan te zetten. Een discussie tussen een straatvechter en een estheet, daar heeft het soms iets van weg.

Daarnaast, en in de brieven een steeds belangrijker rol spelend, is er de privésituatie van Roth. Zijn echtgenote is geestesziek, haar verpleging in klinieken kost veel geld. Ook het wonen in hotels is duur. Maar Roth’s grootste uitgaven zijn die aan de drank. Omstreeks 1930 wordt dat probleem zichtbaar en in de laatste vijf jaar van zijn leven drinkt hij dag en nacht. Ofschoon hij ieder jaar minstens één boek publiceert, dekt dat de kosten voor zijn levensonderhoud volstrekt niet. Gaandeweg wordt het bedelen om geld het centrale thema in de brieven van Roth. Waarop Zweig ten antwoord, met eindeloos geduld – hij schiet nóóit uit zijn slof – probeert betere deals voor Roth te regelen met uitgevers. Ook zorgt hij ervoor dat Roth’s echtgenote in een gratis kliniek terechtkomt, en geeft hij hem grote sommen geld. Tevergeefs, meestal jaagt Roth die er binnen de kortste keren doorheen.

Dit aspect is voor mij wat er schuurt in deze briefwisseling. Ofschoon de literaire productie van beide mannen in deze jaren aan bod komt, ze daarover discussiëren en Roth meermaals manuscripten van Zweig corrigeert en verbetert op een wijze waarvan deze onder de indruk moet zijn geweest, speelt het gat in de hand van Roth een zo grote rol dat het bij vlagen een one-issue briefwisseling lijkt. Dat is jammer. De tragiek van de onverbeterlijke alcoholist, met het einde dat je kan voorspellen, geeft de correspondentie van de laatste jaren een dwingende grondtoon. Zweig die meermaals aanbiedt een ontwenningskuur te bekostigen, Roth die antwoord dat dat nergens voor nodig is, want dat zijn drankgebruik niet overmatig is. Anders zou hij toch nooit al die boeken kunnen schrijven?

Roth overlijdt in mei 1939 in Parijs. Aan de drank, maar natuurlijk indirect ook aan een van de oorzaken daarvan, zijn ballingschap vanwege de politieke situatie. Ook Zweig zal de Nazi’s niet overleven. Hij overlijdt in februari 1942 in Brazilië, samen met zijn minnares, door zelfmoord. Kort daarvoor had hij Die Welt von Gestern (De wereld van gisteren) voltooid, waarin hij de wereld waarin hij was opgegroeid had proberen te beschrijven. Dat is misschien wel het mooiste boek in zijn oeuvre, maar zeker het meest ontroerende boek over het Europa dat door de Eerste Wereldoorlog en de Nazi’s om zeep zou worden geholpen. Roth zou gevonden hebben dat zijn vriend eindelijk stelling had genomen.

Joseph Roth en Stefan Zweig
Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Brieven 1927-1938
Vertaald uit het Duits door Els Snick
Met een nawoord van Heinz Lunzer
420 blz
De Arbeiderspers, privé-domein 300  

zondag 10 februari 2019

Josephine Baker boven het bed

Piet Mondriaan bekeerde zich in 1919 tot de abstractie. Wat die abstractie inhoudt weten we allemaal. Dat werk in die primaire kleuren, met horizontale zwart lijnen, later met dubbele zwarte lijnen en zelfs diagonalen moet welhaast de bekendste ‘stijl’ ter wereld zijn. Zo bekend als die stijl is, en tevens de gelijknamige stroming, zo bekend is de naam Mondriaan. Maar is de persoon Mondriaan ook zo bekend? Wat weet de gemiddelde kunstliefhebber van hem? Voor mijzelf sprekend: niet zo heel veel. Ik heb ook wel een idee hoe dat komt. Het abstracte karakter van het werk biedt geen ‘ingang’ tot de persoon, zoals je dat bijvoorbeeld bij Pablo Picasso wel hebt, waar veel van zijn werk is te koppelen aan zijn levensgeschiedenis. Daarom was De schepping van een aards paradijs. Piet Mondriaan 1919-1933 voor mij een feest om te lezen. Ik ontdekte de mens Mondriaan. En dat is een opmerkelijk verhaal.

Léon Hanssen heeft ervoor gekozen zich voor zijn biografie te beperken tot de veertien jaar dat Mondriaan in Parijs woonde. Die focus maakt het verhaal overzichtelijk. In 1919 heeft Mondriaan gekozen voor de abstractie, vestigt zich in Parijs en ontwikkelt die abstractie in de veertien jaar daarna verder. Dat zijn ook de jaren waarin tal van andere schilders experimenteerden met de abstracte schilderkunst en belangrijke werken creëerden. Dus ook de context van het verhaal over Mondriaan is de abstractie.

Het kunsthistorische verhaal wordt door Hansen in detail geschetst. De samenkomst van de Stijlgroep, de discussies en geschriften; de ontwikkelingen in Duitsland; de Amerikaanse critici en verzamelaars die Mondriaan ontdekken; de revolutie die Kandinsky veroorzaakte; en natuurlijk de ontwikkelingen in Mondriaans stijl. In 28 hoofdstukken, ieder weer onderverdeeld in vier tot negen paragrafen, krijg je als lezer een omvangrijke selectie afgeronde verhalen te lezen. Ook dat maakt het overzichtelijk.

Mondriaans atelier in Parijs was een afspiegeling van zijn stijl. De vlakken waren weliswaar overgezet in een driedimensionale vorm, en de kleurstelling was in wit en grijstinten, maar de balans en strengheid was dezelfde als in zijn werken. Er was daarin één uitzondering: een draagbare grammofoon van het merk Pathé. Hij schafte die aan in 1927, twee jaar nadat hij had kennisgemaakt met de charleston en daaraan verslaafd was geraakt. Met de grammofoon kon hij op muziek door zijn atelier dansen, wat hij heel graag deed. Hij schilderde de grammofoon ‘fel Hollands rood’. Een tweede object dat je als bezoeker niet snel zou verwachten was een foto van Josephine Baker. Tijdens twee bezoeken aan La Revue Nègre had hij haar opwindende dansen gezien en kon die niet meer uit zijn hoofd zetten. De foto van Baker hing boven zijn bed.

Een journalist die Mondriaan in 1926 in zijn atelier bezocht, was verbaasd dat de kunstenaar het gesprek op jazz en moderne dans bracht, en daar overtuigde uitspraken over deed. Vooral van de charleston bleek hij een fan:
JOURNALIST: ‘Maar vindt u deze dans niet vreeselijk physiek en laag-sensationeel?’
MONDRIAAN: ‘Ja, zoo zenuwachtig als de Europeanen hem dansen, lijkt het vaak ’n hysterische dans. Maar bij de negers, bij een Josephine Baker b.v., is het ingeboren, schitterend-beheerste stijl. Alle moderne dansen schijnen slap naast deze machtig volgehouden concentratie van snelheid. Hoe kan men nu in Holland dezen sportieven dans verbieden! Men danst immers op afstand van elkaar en moet zo energiek werken, dat er geen tijd overblijft voor amoureuze gedachten. Als het Charleston-verbod gehandhaafd wordt, is het een reden voor mij om niet meer terug te komen …’

Dat is toch een andere Mondriaan dan die ik kende voor het lezen van deze rijke en vlot geschreven biografie.

Léon Hanssen
De schepping van een aards paradijs. Piet Mondriaan 1919-1923
576 blz
Querido  

zaterdag 2 februari 2019

Ooggetuigen van de oorlog

Met de Slag bij Heiligerlee in 1568 begon de Tachtigjarige Oorlog, het sluiten van Vrede van Münster in mei 1648 markeerde het einde. We kennen allemaal de overige belangrijke momenten, die voor velen dan ook het beeld van die oorlog vormen: de moord op Willem van Oranje in 1584; de Slag bij Nieuwpoort in 1600; het Twaalfjarig Bestand van 1609-1621; Piet Hein die de Spaanse Zilvervloot verovert in 1628 en de inname van Den Bosch in 1629. Maar de oorlog was een hoogst ongewone oorlog, het was een ingewikkeld en gelaagd conflict dat maar liefst zes generaties duurde en dat tegen het einde zelfs een welhaast institutioneel karakter kreeg. Dat betogen Luc Panhuysen en René van Stipriaan in het voorwoord van hun boek Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog. Van de eerste ruzie tot het laatste kanonschot. Een hoogst informatief boek, waarin ze je voortdurend op een nét iets andere manier tegen bekende en minder bekenden gebeurtenissen laten aankijken.

De term ooggetuigen omschrijft precies wat de auteurs bieden. In ruim 130 eigentijdse verslagen van personen die getuige waren van historische gebeurtenissen komt de oorlog heel dichtbij. Al in het eerste verslag zie je dat dit format werkt. Een Engelse koopman, Richard Clough, was in december 1558 in Brussel aanwezig bij de begrafenisceremonie van keizer Karel V, die enkele maanden tevoren was gestorven en al in Spanje was begraven maar nu ook in Brussel werd herdacht. De pracht en praal waarmee die plechtigheid in de Sint-Goedelekerk werd uitgevoerd ervoer Clough als overdonderend. Willem van Oranje, die een favoriet van Karel V was geweest, kreeg een belangrijke rol toebedeeld in de plechtigheden, naast Karels zoon Filips II. De mannen zouden niet lang erna elkaars aartsvijanden worden, wat het fascinerend maakt om Willem in dit verslag nog te zien als prominent lid van de Habsburgse hofentourage.

Panhuysen en Van Stipriaan onderkennen meerdere fasen in de oorlog. Bij hen begint het ‘Voorspel’ al tien jaar vóór het officiële begin, vandaar de scène in Brussel. Vanaf de al genoemde Slag bij Heiligerlee in 1568 komt alles in een stroomversnelling en is er geen sprake meer van wederzijdse speldenprikken en provocaties, maar begint een periode van tomeloze agressie en bloedvergieten op grote schaal, hier ‘Opstand en chaos’ geheten. Een van de afgrijselijkste gebeurtenissen in die periode was bloedbad dat de Spaanse troepen in december 1572 aanrichtten in Naarden. Lambertus Hortensius, rector van de Latijnse School per plaatse en een van de overlevenden, beschreef in detail de slachtpartij waarbij honderden burgers die zich op last van de Spanjaarden in het stadhuis hadden verzameld de dood vonden. Waarna de soldaten de stad introkken, moordend en verkrachtend. Tegen de avond brandde Naarden. Dergelijke moordpartijen, waarvan dit een van de grotere was, vonden in kleinere steden en op het platteland veel vaker plaats.

Omstreeks 1600 laten de auteurs de derde en laatste fase beginnen, ‘Oorlog en uitputting’. De strijd is dan al ruim dertig jaar aan de gang, voor veel inwoners van de Republiek al het grootste deel van hun leven. Het is de periode van het Twaalfjarig Bestand, die behalve een tijdelijke stop op de oorlogshandelingen ook binnenlands politiek geruzie opleverde, met als apotheose de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, tot dan lange tijd de machtigste man in het land. Het is ook de periode dat stadhouder Frederik Hendrik, vanaf 1625 Prins van Oranje en stadhouder, een reeks belangrijke steden op de Spanjaarden veroverde. Maar het is ook de periode dat mensen de voortdurende oorlog moe werden. En dat door het ontstaan van de Dertigjarige Oorlog in 1618 de Europese politieke situatie wel erg complex werd.

De berichten uit deze periode gaan over grote gebeurtenissen – de Slag bij Nieuwpoort, de strijd tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en zijn boekenkist, de vernietiging van de Spaanse Armada – maar ook over kleinere. Zo noteerde Willem Frederik van Nassau-Dietz, stadhouder van de noordelijke provincies, in juli 1646 dat Frederik Hendrik, in het legerkamp in Lokeren, ’s morgens wat in de war was, zijn kleding niet in orde kreeg en in het zicht van zijn officieren over zijn eigen laarzen piste. Waarover hij heel ‘chagrijnig’ was. Twee weken later, op 12 augustus 1646, schreef de secretaris van de prins, Constantijn Huygens, aan diens echtgenote Amalia van Solms aan wie hij had beloofd haar dagelijks in te lichten over de gezondheidstoestand van haar man:
‘Zijne Hoogheid, hoewel zeer verkouden en met hese stem zodat wij vandaag grote moeite hebben hem te verstaan, heeft niet nagelaten tijdens de hele mars te paard te zitten. Eveneens heeft hij de gedeputeerden van de Staten bij elkaar geroepen, nadat hij zich te bed had verkwikt. Ik laat het aan dokter Verstraten om u verder in te lichten over de binnenkant van zijn ongemakken, zoals hij dat kan en niemand hem daarin evenaart. Van buiten vinden we alleen maar een emotie van woede zo sterk en veelvuldig dat zijn kamerdienaren grote moeite hebben om zich van hun plichten te kwijten zonder in opperste verwarring te raken.’
Huygens zag al een poos dat zijn baas lichamelijk en geestelijk aftakelde. Voor hem moest de oorlog niet veel langer duren. Een jaar later was hij overleden. Weer een jaar later was het vrede.

Luc Panhuysen & René van Stipriaan
Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog. Van de eerste ruzie tot het laatste kanonschot
336 blz
Querido   


zondag 27 januari 2019

Het tempo van de pelgrim

De omweg naar Santiago is een liefdesverklaring aan Spanje. Het is een hartstochtelijke ode aan een land met een geheel eigen cultuur. Cees Nooteboom heeft in het boek de stukken bijeengebracht die hij schreef gedurende de tientallen jaren dat hij het land bereisde. Ik kan mij herinneren, het zal in de jaren tachtig zijn geweest, dat zo’n artikel een half katern van het maandblad Avenue of een ander chique tijdschrift besloeg. Het waren reisverslagen van hoog niveau, vaak geïllustreerd met professioneel gemaakte sfeerfoto’s. Ik las ze in de wachtkamer bij de tandarts.

Het lezen van deze bundeling – die trouwens al in 1992 verscheen – was deels een weerzien maar tevens een ontdekking. De samenvoeging geeft een rijk geschakeerd beeld van de cultuur, geschiedenis en kunst van Spanje, maar laat in niet mindere mate zien wat Nooteboom heeft met Spanje. Het is een heel persoonlijke reis waarop je wordt meegevoerd door een auteur die met het land is vergroeid, maar die zich toch nog steeds graag laat verrassen door onbekende plekken en geschiedenissen.

Veel van de reizen die Nooteboom maakt duren enkele weken tot een maand of zo, heb ik de indruk. Hij neemt de tijd, houdt ervan om langer op een plek te blijven om de omgeving op zich te laten inwerken. Hij noemt dat ergens ‘trage dagen’ en heeft het over ‘gestolde tijd’. Vooral in kleine provincieplaatsen waar het leven toch al niet veel vaart heeft werkt dat uitstekend. Hij beschrijft hoe hij dan met een deeltje van Loeb’s Classical Library – altijd bij zich op reis, het is de nóg oudere geschiedenis dan die van de plek waar je bent – op het dorpspleintje onder de platanen plaatsneemt en eerst probeert de oude Latijnse of Griekse tekst te lezen, en vervolgens in de vertaling op de tegenoverliggende bladzijde kijkt hoeveel er van zijn oude talen is blijven hangen. Zich ondertussen opnieuw realiserend dat hij toch echt fysiek verliefd is op het Griekse alfabet. Er zullen dezer dagen maar weinig reizigers zijn die zichzelf zóveel tijd gunnen. Het is het tempo van de pelgrim.

Spanje is voor Nooteboom vooral het land van de ruige, onherbergzame maar meestal beeldschone landschappen. Dorre hoogvlaktes met onvoorstelbaar mooie aardekleuren, uitgedroogde dorpen onder een moordende zon, weelderige valleien en ruime vergezichten. Ook verplaatsingen doet de schrijver daarom op zijn dooie gemak.

De bloedige Spaanse geschiedenis, van de strijdtonelen met de Moren tot aan de Spaanse Burgeroorlog, komt voorbij. Evenals de klassieke reis door Spanje, de pelgrimage naar Santiago de Compostella. Maar ook de architectuur en kunst, die een volstrekt eigen karakter hebben. In het Prado in Madrid heeft Nooteboom de neiging om bij de aardse figuren van de schilder Francisco de  Zurbarán aan de stof van de kleding van diens figuren te voelen. En verliest hij zich, staand voor Las Meninas van Diego Velázquez, in bespiegelingen over het haast onbegrijpelijke ruimtelijke spinnenweb dat de schilder in dat groepsportret heeft geweven.

Nooteboom formuleert zorgvuldig. Hij gebruikt een rijke woordenschat – dat past, want het zijn vaak weldadige zaken die hij opdient – maar tegelijk staat er geen woord teveel in. Ik las dit boek tijdens een lange autorit deels als luisterboek, voorgelezen door Jan Donkers, en dan komt de poëzie in de tekst naar boven. Misschien moet ik toch maar eens met de auto naar Spanje .....

Cees Nooteboom
De omweg naar Santiago
416 blz
De Bezige Bij

[deels via Storytel gelezen als audioboek, voorgelezen door Jan Donkers]

maandag 21 januari 2019

Hoe ik romanschrijver werd

Lang geleden, zo schrijft Huraki Murakami in Romanschrijver van beroep, ontmoette hij de Amerikaanse auteur John Irving. Die vertelde hem dat hij een grote groep trouwe lezers had die hij bij zich hield middels ‘hits in the main line’. Dat is Amerikaans slang voor injecties in de ader. Je maakt van je lezers als het ware verslaafden die eens in de zoveel tijd een shot nodig hebben, in dit geval je nieuwe boek. Ze kunnen niet meer zonder, de schrijver wordt de dealer van de lezer. De deal is dan: jullie kopen steeds mijn nieuwe boek, en ik garandeer het genot, sta ervoor in dat je niet teleurgesteld zal zijn. Murakami vindt de vergelijking met een 'shot' antisociaal, maar voelt wel iets voor het principe. Als beeld prefereert hij een ‘directe buis’ tussen auteur en lezers, via welke ze direct met elkaar kunnen communiceren, zonder dat daarbij marketinginstrumenten – reclame - een rol spelen: ‘Bovenal nodig is, het hoeft niet gezegd, een natuurlijk, spontaan ‘gevoel van vertrouwen’ tussen auteur en lezer. Voldoende lezers moeten denken: als het een boek van Murakami is, laat ik het dan meteen kopen en lezen, want het zal geen tijdverlies of weggegooid geld zijn.’

Het lijkt een methode die je eerder bij een formuleschrijver als Dan Brown verwacht dan bij twee serieuze literaire kopstukken. Maar toch, wanneer je beider oeuvres bekijkt, zit er wel iets in. Irving bereikte in 1978 met zijn vierde boek, The World According to Garp, een miljoenenpubliek en wist dat succes vast te houden met een reeks romans waarin hij grote thema’s ter hand nam en die vaak spectaculair uitwerkte. Voor de doorbraak van Murakami zorgde zijn in 1987 verschenen roman Norwegian Wood. Sindsdien schiep hij in een vijftiental romans en enkele verhalenbundels een eigen wereld die steevast heel karakteristieke en herkenbare ingrediënten bevat. De ‘verslaafde’ fan kan ze zo oplepelen: een alleenstaande man van omstreeks 30-35 jaar, jazzmuziek, simpele maar voedzame en zelf bereidde maaltijden en, meestal, enkele onverklaarbare bovennatuurlijke verschijnselen. In Kafka on the shore regent het op een gegeven moment haringen, om maar iets te noemen. Het werk ademt een heel herkenbare sfeer – dat is misschien wel de grootste aantrekkingskracht - en veel ervan is inmiddels in vijftig talen beschikbaar. Net als bij Irving is hier dus sprake van een wereldwijd succes.

Het toch wel uitgesproken karakter van Murakami’s werk maakt dat lezers ervoor vallen of het verafschuwen. Die indruk krijg je tenminste wanneer je de recensies van zijn werk en de uitingen op de social media een beetje bijhoudt. Ik ben een fan, dan weet u dat.

Liefhebbers van het werk van Murakami hebben een probleem als ze iets meer te weten willen komen over de schrijver. Die schermt zijn eigen persoon namelijk stevig af. Murakami geeft zelden interviews en houdt zich verre van literaire happenings. Dus blijft je kennis beperkt tot wat we al weten: eigenaar van een kleine jazzclub in Tokio, als schrijver autodidact, schreef zijn eerste romans ’s nachts aan de keukentafel. Zo’n tien jaar geleden gaf hij met What I Talk About When I Talk About Running een voorzichtig inkijkje, maar veel verder ging het niet. En dan geeft hij nu opening van zaken over zijn schrijverschap. Want dat is wat hij doet in de elf hoofdstukken met titels als: Hoe ik romanschrijver werd; Zijn romanschrijvers ruimdenkende mensen?; Over originaliteit; Nou, wat moet ik dan schrijven? en Welke personages voer ik op?. In een nawoord schrijft hij: ‘Ik had al veel langer het gevoel dat ik een overzicht wilde geven van wat ik te vertellen had over het schrijven van fictie en over de omstandigheden waarin ik als romanschrijver romans blijf schrijven. Als ik tussen het werk door wat vrije tijd vond, pende ik dat dus stukje bij beetje neer, fragmentarisch, per thema. Dit zijn dan ook geen teksten die ik in opdracht van een uitgever schreef. Ik begon er aanvankelijk spontaan aan, als het ware voor mezelf.’

Murakami schreef de teksten voor dit boek in de stijl van een uit te spreken lezing. Dat geeft ze iets informeels. Hij formuleert soms wat onhandig, zoals in het nawoord: ‘Tot slot wil ik nog benadrukken dat puur verstandelijk nadenken over dingen niet mijn sterkste kant is’. Hij legt vervolgens uit volgens welke methode hij wél kan nadenken – door het op te schrijven – en dan zie je dat die zin onderdeel is van een kort betoog. Maar door zo’n opmerking maak je je toch kwetsbaar. Connie Palmen wist er in de Volkskrant wel raad mee. Het was, schreef ze, na 250 bladzijden de eerste zin waarmee ze het eens was. Tja.

Maar dat informele van de tekst, het zich kwetsbaar opstellen en de oprechtheid waarmee Murakami hier zijn verhaal lijkt te doen vormen ook de sterke kanten van het boek. Je krijgt wat je ziet, meer is er niet. Het mooist is voor mij de tekst over hoe Murakami zijn eigen stijl vond, helemaal aan het begin van zijn schrijverschap. De eerste versie van Luister naar de wind zinde hem niet. Te wollig, te ‘mooi’. Op zijn oude Olivetti met een westers toetsenbord herschreef hij het manuscript in het Engels, een taal die hij toen nog maar nauwelijks beheerste. Daardoor werd de stijl haast vanzelf geknot. Vervolgens vertaalde hij de Engelse versie weer in het Japans en voilà! Hij won met het manuscript een prestigieuze debutantenprijs en zou die karige stijl trouw blijven.

Ofschoon Murakami met Romanschrijver van beroep verder gaat dan ooit in het uit de doeken doen van zijn schrijverschap, veel komt ook niét aan de orde. Hoe zit het bijvoorbeeld met zijn fascinatie voor het bovennatuurlijke, dat onlangs in  De moord op Commendatore nog zo’n allesoverheersende rol speelde? De denkwereld van Haruki Murakami, dat lijkt me een mooi onderwerp voor een volgende ontboezeming.

Haruki Murakami
Romanschrijver van beroep
Vertaald uit het Japans door Luk Van Haute
254 blz
Atlas Contact

dinsdag 15 januari 2019

De zelfrijdende auto is een galante heer

Soms heb ik dat, tijdens het lezen van een boek. Ik word dan langzaamaan heel blij. Omdat het verhaal me boeit, omdat de schrijver me verrast of inhoudelijk uitdaagt, omdat het boek is geschreven in een pakkende stijl. Dit alles gebeurde ook bij het lezen van De goede zoon van Rob van Essen. Maar het werd nóg beter. Want na 250 bladzijden laat Van Essen zijn hoofdpersoon – zijn naam komen we niet te weten – in een zelfrijdende auto stappen en aan een dagenlange rit naar het zuiden beginnen. In vergelijking met de oerversie die wij daarvan kennen zijn die auto’s in de wereld waarin Van Essen zijn verhaal situeert intussen flink doorontwikkeld. Jêrome heet dit exemplaar. Hij converseert met zijn gast, is uiterst voorkomend, aangesloten op Google en kan in enkele seconden een boek lezen. De gesprekken die de auto en zijn passagier voeren doen denken aan die van een psychiater en zijn patiënt: de hoofdpersoon vertelt over zijn leven en Jêrome stelt op het juiste moment de juiste vraag, waarna ze een laagje dieper afdalen. Jêrome blijkt ook te beschikken over gevoel, hij lijkt een zwak te ontwikkelen voor zijn passagier en heeft uiteindelijk zelfs seks met hem – Jêrome in de gedaante van de passagiersstoel, voor wie behoefte heeft aan een beeld. Als de hoofdpersoon honderd bladzijden later de auto verlaat ben je niet alleen ondergedompeld in diens leven en in de soms wat akelige wereld van de nabije toekomst, maar heb je ook een van de mooiste, grappigste en bij vlagen meest poëtische tekst uit de hedendaagse Nederlandse literatuur gelezen.

Die autorit voert dus door een wereld die in de toekomst ligt. Een wereld waarin steden gigantische afmetingen hebben, waarin er sprake is van ‘regenzones’ en landstreken die juist zijn uitgedroogd, waarin iedereen een ‘palio’ heeft, een supersonische versie van onze smartphone, waarin iedereen in Europa een basisinkomen geniet en de meesten dus weinig meer doen, waarin oudere mensen op terrasjes de speciaal voor hen gedrukte papieren krant lezen en waarin robots de zorg en de horeca hebben overgenomen. Voor ons herkenbaar omdat de meeste van die ontwikkelingen al in gang zijn gezet, maar wij de echte gevolgen ervan nog niet kennen. Of willen weten.

In De goede zoon vertelt Van Essen meerdere verhalen. Dat van de hoofdpersoon, de goede zoon uit de titel, is het eigenlijke verhaal. Kort ervoor is zijn moeder op honderdjarige leeftijd overleden. Als een goede zoon bezocht hij haar de laatste twintig jaar van haar leven wekelijks, in de instelling waar zij vanwege haar toenemende dementie verbleef. De zoon zit nog volop in het verwerkingsproces, gedurende de hierboven aangehaalde autorit komt die tot een soort afronding.

Een tweede verhaallijn is die van de hoofdpersoon als jonge man, veertig jaar geleden. Na een gestaakte studie kunstgeschiedenis had hij tal van tijdelijke baantjes. Tijdens een daarvan, het verhuizen en herinrichten van een nieuw depotgebouw van ‘Het Archief’ – te herkennen als het Amsterdamse gemeentearchief - ontmoette hij twee mannen die zijn leven zouden bepalen, Lennox en de man bijgenaamd De Meester.

Een derde lijn is een wat schimmige, met criminele kantjes. Er is sprake van een slechts besmuikt genoemde ontvoering van ‘De Batavier’ - Heineken? - waarbij Lennox en De Meester betrokken zouden zijn geweest. Na afloop daarvan heeft onze hoofdpersoon, van beroep schrijver van onder andere de zogenoemde plotloze romans, geholpen een nieuwe identiteit voor De Meester te bedenken. En omdat daarmee nu, twintig jaar later, een probleem is ontstaan wordt de hulp van de hoofdpersoon opnieuw ingeroepen.

Wanneer in het eerste hoofdstuk Lennox na jaren afwezigheid ineens opduikt in het leven van de hoofdpersoon, en hem vraagt met hem op reis te gaan, brengt dat bij deze een stroom aan herinneringen teweeg. Daardoor, en door de gebeurtenissen en gesprekken tijdens de reis krijgt hij meer inzicht in zichzelf en zijn relatie tot zijn moeder. Van Essen vermengt al die elementen subtiel met elkaar. In de mix die zo ontstaat kan hij op soepele wijze de vele lagen kwijt die hij in zijn verhaal heeft aangebracht. Dat doet hij uitermate knap.

De roman is in recensies wel een road novel genoemd, de term voor een roman over een reis waarop de reiziger zichzelf en de wereld anders gaat zien. Van Essen zinspeelt daar een enkele keer ook op, in de talrijke subtiele hints en toespelingen op identiteit, geheugen en zelfbeeld die hij door zijn verhaal weeft. Je zou het ook een psychologische roman kunnen noemen, of een ideeënroman. En zelfs, als je persé wil categoriseren en het in een hokje stoppen, een fantastische roman. Waarom dat laatste? Nou, bijvoorbeeld omdat in de slotscène van het boek twee mannen het hoofd van een derde binnengaan. Letterlijk. Verder zeg ik niets, maar dat tafereel is van een nachtmerrie-achtige onheilspellendheid. En het is, na die vrijpartij met Jêrome, de zelfrijdende auto, opnieuw uitzonderlijk ongewoon. Zoiets bedenk je eigenlijk niet …. Tenzij je Rob van Essen heet.

Maar misschien moeten we De goede zoon in de eerste plaats een gelaagd en rijk geschakeerd verhaal noemen dat zich onttrekt aan iedere vorm van etikettenplakkerij. Dat doet het meer recht.

Rob van Essen
De goede zoon
382 blz
Atlas Contact

donderdag 10 januari 2019

Wolkers en zijn biograaf

In september 2006 ontving Onno Blom wat hij zelf noemt ‘de opdracht van mijn leven’. Tijdens een bezoek aan Jan en Karina Wolkers, in hun opvallende landhuis Pomona op Texel, vroeg de hoogbejaarde schrijver hem om diens biografie te schrijven. Blom was de koning te rijk, hij was al enige tijd op zoek naar zo’n ‘meesterproef’, een opdracht waar hij serieus zijn tanden in kon zetten. En op een gedegen biografie van Wolkers zou hij ook kunnen promoveren, realiseerde hij zich. Dat Wolkers toezei hem vrije toegang te geven tot zijn literaire en persoonlijk archief, geen geheimen voor hem achter te houden, was het meest ideale uitgangspunt dat hij zich kon wensen. Ze spraken af dat de kersverse biograaf zou gaan grasduinen in dat archief, en dat hij Wolkers van tijd tot tijd zou interviewen over zijn vondsten. Maar voordat het eerste ‘officiële’ vraaggesprek kon plaatsvinden overleed Wolkers, in oktober 2007. In Zo is het genoeg. Het laatste jaar van Jan Wolkers wordt ons een blik gegund op het jaar waarin Blom intensief contact had met Wolkers, wat het laatste jaar van diens leven bleek te zijn. Het is een heel persoonlijk document, je zou het misschien het beste een liefdevol souvenir kunnen noemen.

Het schrijven van de biografie bleek een klus van monumentale proporties te zijn. Blom, die zijn tijd noodgedwongen ook aan andere klussen besteedde om rond te kunnen komen, zou er ruim tien jaar over doen. Op 19 oktober 2017, op de dag af tien jaar na het overlijden van Wolkers, verscheen Het litteken van de dood. De biografie van Jan Wolkers (zie dit blog 17 december 2017). Enkele jaren eerder was Blom begonnen met enige regelmaat een column te schrijven voor de Volkskrant, waarin hij verslag deed van zijn lotgevallen als biograaf. Ook dit project bedacht hij vanzelfsprekend vanwege de financiën, maar het gaf hem tevens een platform om gebeurtenissen en anekdotes uit het leven van zijn onderwerp te publiceren waarvoor geen plaats was in de biografie. En om zijn werk als biograaf toe te lichten, lezers deelgenoot te maken van de opwindende momenten en valkuilen die daarmee gepaard gaan. Veel van die stukken zijn nu gebundeld in Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers. Voor wie de biografie heeft gelezen geeft het een interessant kijkje in de keuken. Voor wie door de ruim 1.100 bladzijden dikke biografie wordt afgeschrikt is het een aardig alternatief.

Zo is het genoeg is een souvenir. In vijf hoofdstukken haalt Blom herinneringen op die hij en anderen hebben aan dat laatste jaar van Wolkers’ leven. Hij schetst uitvoerig diens dagindeling, die een vrij vast en uiterst kalm tempo had. Wolkers was een groot deel van zijn leven een driedubbel-kunstenaar – beeldhouwer, schilder en schrijver, in die volgorde, zei hij zelf altijd – maar in het laatste jaar lukte alleen het schilderen nog, zij het steeds moeizamer. Beeldhouwen was fysiek helemaal onmogelijk, en voor schrijven ontbrak hem de wil en/of concentratie. Omdat reizen hem ook te zwaar viel, kwamen zijn vrienden naar Texel. En die schrokken dan soms van zijn lichamelijke achteruitgang. Wanneer dan het einde komt in oktober 2007, ingeleid door ernstige wondroos aan zijn voet en gevolgd door de diagnose leverfalen, is het snel voorbij. Wolkers laat zich naar huis brengen, geniet nog een middag van zijn gezin en het uitzicht vanuit zijn huis, wordt moe, eet nog hapje van een boterham met jam, zegt dan ‘zo is het genoeg’, valt in slaap en wordt niet meer wakker.

Memoires van een biograaf is complexer van opzet. Ook hierin gaat Blom chronologisch te werk, van de opdracht tot het schrijven van de biografie tot en met de publicatie ervan, maar het is tegelijk een verkenning van het beroep van biograaf. Het leven van Wolkers, het onderzoek daarnaar, het proces van het in kaart brengen en de verantwoording daarvan vormen de kapstok. Maar de jas die daaraan hangt is die van de biograaf, waarmee het in zekere zin ook een biografie is van die biograaf. Blom ‘leeft’ ruim tien jaar met Jan Wolkers, en dat grijpt in je leven in, dat is niet te vermijden. Zonder opdringerig te worden geeft Blom zijn eigen ervaringen en denkbeelden dan ook een plek in het verslag van zijn werkzaamheden.

Je leest met hoeveel aandacht hij Wolkers omvangrijke archief uitpluist en vondsten zorgvuldig analyseert, ze het begin laat zijn van een verdere speurtocht. Het biografische handwerk volgt een vooropgezette planning, de toevallige vondsten of ontmoetingen geven hem energie om door te gaan. Omdat bij Wolkers de romans en verhalen zo sterk zijn verweven met zijn persoonlijke leven, ontmoet Blom ook Wolkers’ literaire creaties in het ‘echt’. Zoals zijn ex-vrouw Annemarie, door hem vereeuwigd als Olga in Turks fruit.

Blom heeft een prettige stijl van schrijven die, in combinatie met zijn gevoel voor relativering, deze memoires zeer leesbaar maken. Een voorbeeld:

‘Vijftig jaar later, in de zomer van 2007, vlak voor zijn dood, sprak ik met Wolkers over het begin van zijn schrijverschap. We liepen samen door de achtertuin naar het schrijvershuisje. Binnen rook het zoet en schimmelig.
Hij nam plaats achter zijn werktafel en streek met zijn oude handen, die pijnlijk waren en knoestig, en waarmee hij zijn eigen naam niet eens meer kon schrijven zonder te trillen, liefdevol over de toetsen van de Olivetti. Ik weet nog dat ik dacht: Horowitz achter de Steinway. Ik weet ook nog dat ik dacht: wat een theatrale gedachte. Die gaat de biografie niet halen.’

Onno Blom
Zo is het genoeg. Het laatste jaar van Jan Wolkers
112 blz
De Bezige Bij
&
Onno Blom
Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers
privé-domein 299
248 blz
De Arbeiderspers