vrijdag 23 oktober 2026

Het lied van Rosa

Er zijn van die romans die je heel voorzichtig moet bespreken. Dat zijn de romans waarin alles met alles is verweven, en waarbij je zomaar een gigantische spoiler kan veroorzaken. De nieuwe roman van Gerwin van der Werf, Het lied van Rosa, is er zo een. Het verhaal is gesitueerd in de Middeleeuwen, zo tegen het jaar 1000, en is overzichtelijk: de jonge Rosa maakt mee dat het dorpje in het Zwarte Woud waar zij met haar familie woont door soldaten van een vijandige vorst wordt uitgemoord. Zij weet te ontsnappen en zoekt haar heil in het naburige klooster, de abdij van Hirsau. Verkleed als jongen, welteverstaan, want vrouwen worden er niet toegelaten. Carolus heet hij/zij voortaan. En zij is een noviet, een kloosterling in opleiding. Opvallend is haar mooie, heldere stem, waarmee zij het niveau van het kloosterkoor flink opkrikt. Omdat niemand voor haar verblijf betaalt, werkt ze hele dagen in de werkplaats waar van geitenhuiden perkament wordt gemaakt. Tussendoor probeert zij uurtjes te stelen om in het scriptorium boeken te lezen.

Deze verhaallijn wordt afgewisseld met die van Friso, een Utrechtse student musicologie, die in 1992 in opdracht van zijn professor afreist naar het Franse Laon, om daar in de universiteitsbibliotheek een beroemde graduale te bestuderen, een muziekboek uit de tiende eeuw waarin alle gezangen voor de mis door het jaar heen zijn opgenomen. Het bijzondere van dit exemplaar is dat de notatie van de tekst en de muziek van meerdere liederen een nieuwigheidje bevat, een neumen, een ‘sprong’ in het notenschrift die voor die tijd ongekend was. Friso had die notaties ook kunnen bekijken op microfiches, maar dat was niet voldoende geweest om uitsluitsel te krijgen over een specifiek onderdeel van deze graduale: er lijken tegen het einde van het boekje meerdere katernen te ontbreken. Om vast te stellen of die eruit zijn verwijderd, gesneden of gescheurd, heb je het fysieke object nodig. 

Het kloosterleven dat Van der Werf schetst is ronduit morsig. De gebouwen zijn slecht onderhouden, de religieuze discipline van veel kloosterlingen is ver te zoeken en onder die mannen bevinden zich de welbekende baantjesjagers en ook de volslagen engerds. Het is dan ook een klooster in de provincie, ver van een van de religieuze centra waar geld in overvloed is. Maar Rosa/Carolus weet zich staande te houden, als jongeman, als cantrix – voorzanger - van het koor en als kopiist van bijzondere handschriften. Wanneer zij door haar abt naar Metz wordt gestuurd om daar een opvallende ontwikkeling in het notenschrift te bestuderen en kopiĆ«ren, en zij in contact komt met kunst, cultuur en wetenschap, maakt ze een snelle geestelijke ontwikkeling door en raakt ze hartstochtelijk verslingerd aan dat nieuwe leven. Een leven dat veel uitdagender is dan de sombere zwaarte van haar in de bossen verscholen klooster. Ze probeert zelfs, heel voorzichtig, een lied te componeren in het notitieboek dat ze voor haar werk gebruikt. Iets dat vrouwen beslist niet was toegestaan.

De lange hoofdstukken met Rosa en de veel kortere met Friso, die in tijd zo’n tien eeuwen van elkaar zijn verwijderd, cirkelen om elkaar heen, voeren een dans uit, raken elkaar soms heel kort, om er dan weer vandoor te gaan, ieder hun eigen verhaal in. Van der Werf leidt dat heel behendig, verspringend in de tijd zoals hij ook al deed in zijn roman Wilgeneiland (2024).

De eigenlijke hoofdpersoon van Het Lied van Rosa is niet Rosa, en ook niet Friso. Nee, alles draait om de muziek. En we hebben het dan over de muziek die een rol speelde tijdens de Middeleeuwse eredienst. Wij noemen dat meestal, voor het gemak alles op een hoop schuivend, Gregoriaanse muziek. Dat is een benaming die in zwang kwam tegen het jaar 1000, een etiket dat werd geplakt op de vernieuwing van de kerkelijke missen en de muziek daarin die al was begonnen onder Karel de Grote, zo’n 200 jaar eerder. 

Muziek speelt een rol bij zo’n beetje alles wat in Het lied van Rosa gebeurt: in gesprekken, in situaties en handelingen, bij het kopiĆ«ren van handschriften. Het is even wennen, bladzijden lang een gesprek over muziek, maar Van der Werf houdt het licht en begrijpelijk. Dat hij is opgeleid als musicoloog en naast zijn schrijverschap muziekdocent is aan een middelbare school is verklaart de helderheid in het overbrengen van die materie. En hoeveel persoonlijker kan het worden: de tweede voornaam van Gerwin van der Werf luidt – volgens Wikipedia – Friso. En laat de student die de graduale wil bekijken nu net Friso van der Werf heten …

Een historische roman valt of staat met het vermogen van de auteur het verleden leven in te blazen. Een van de beste voorbeelden van een geslaagde poging is natuurlijk Umberto Eco met De naam van de roos (1980). Dichter bij huis is daar Willem die Madoc maakte (2021) van Nico Dros. En vergeet Thomas Rosenboom niet, met zijn briljante Gewassen vlees (1994). Wat voor nut heeft zo’n korte opsomming? Wel, het zijn titels die bij mij opkwamen toen ik Het lied van Rosa voor mijzelf even in perspectief wilde plaatsen. Het zijn ook boeken die honderd procent geslaagd zijn. En het zijn inmiddels klassiekers. Dat geldt voor de eerste drie, en ik ben er zeker van dat dat ook gaat gelden voor Gerwin van der Werf. Het moet raar lopen wanneer zijn indrukwekkende roman volgend jaar niet gaat meedingen naar de literaire prijzen.

Gerwin van der Werf / Het lied van Rosa / 456 blz / Atlas Contact, 2026