vrijdag 14 december 2018

Campert geportretteerd

Het is vrij ongebruikelijk dat je tijdens het lezen van een biografie getuige bent van het ontstaan van diezelfde biografie. Er zijn natuurlijk biografen die je laten meekijken bij hun speurtocht in archieven of op plekken die belangrijk zijn geweest in het leven van hun onderwerp, die hun rol als biograaf op die manier – subtiel of minder subtiel – zichtbaar maken. Maar Mirjam van Hengel gaat een stapje verder. Iedere vrijdagmiddag omstreeks vier uur belde ze aan bij de man van wie ze de biografie aan het schrijven was: Remco Campert. Zij, Campert en diens echtgenote Deborah Wolf namen dan plaats aan een tafel in de erker met uitzicht op de Amsterdamse Jan Luijkenstraat, er werd een fles wijn opengetrokken, de sigaretten lagen binnen handbereik. Ze waren overeengekomen dat Van Hengel concrete, duidelijke vragen mocht stellen naar aanleiding van haar onderzoek. Open vragen, in de trant van ‘hoe heb je dat beleefd, vertel eens over’, zou hij niet beantwoorden. Na een uur, maximaal anderhalf, werd de sessie opgeheven. Twee jaar lang werd dit ritueel wekelijks herhaald.

Van Hengel is in een voorwoord in Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert duidelijk over de betekenis van deze gesprekken voor haar onderzoek. Ze is zich bewust van de mogelijke valkuilen – dat Campert zijn eigen biografie gaat inkleuren is de meest voor de hand liggende. Maar dat gebeurt niet, kan je als lezer zelf vaststellen omdat ze de gesprekken met regelmaat laat terugkeren in haar tekst. Interessant zijn wel die momenten waarop Campert zich gebeurtenissen anders herinnert dan zoals zijn biografe ze heeft opgedoken uit brieven of andere documenten. De tijd kleurt herinneringen weleens anders in, denk je dan. En dan zijn er de zaken waarover Campert desgevraagd liever niet blijkt te willen praten, zoals de opvoeding van zijn kinderen. Onbedoeld komt dan het schuldgevoel dat hij daarover heeft aan de oppervlakte. In die zin werken de gesprekken verhelderend, bieden ze Van Hengel de gelegenheid tot een meer uitgebalanceerde interpretatie van haar gegevens. Je zou haast willen dat meer biografen om tafel gaan met hun beoogde onderwerp op het moment dat die de dood al in de ogen kijkt ...

Campert werd geboren in 1929, als zoon van de journalist en dichter Jan Campert en de actrice Joeki Broedelet. Zijn ouders gingen uit elkaar toen Remco drie jaar was, waarna hij afwisselend bij hen, zijn grootouders en een pleeggezin woonde. Jan Campert is als dichter tegenwoordig vooral bekend van ‘De Achttien Dooden’, het gedicht dat hij maakte naar aanleiding van de executie door de Duitsers van een groep verzetsmensen en stakers. Jan Campert werd tijdens het naar België smokkelen van een Joodse onderduiker opgepakt en via verschillende kampen naar het concentratiekamp Neuengamme gebracht, waar hij in januari 1943 overleed aan een borstvliesontsteking. De oorlog en het lot van zijn vader zou in de poëzie van Remco een grote rol blijven spelen.

In veertien hoofdstukken wandelt Van Hengel door Camperts lange leven. In ‘Zand op de achterbank’ is dat zijn jeugd in Kijkduin en Den Haag, ‘Tere vermiljoenen vogel’ gaat over Remco en de Vijftigers, ‘Koukleumen rond de Place de la Contrescarpe’ beschrijft zijn beginjaren als schrijver, ‘Huid over liefde’ behandelt het fascinerende intermezzo én huwelijk met Fritzi ten Harmsen van der Beek op de buitenplaats Jagtlust en het hoofdstuk ‘Het leven is vurrukkulluk’ geeft een beeld van Camperts leven en literaire successen in de jaren zestig. Ook de mindere tijden daarna, zijn overmatige drankgebruik, de financiële malaise en writer’s block in de latere jaren zeventig komen aan bod. De titel ‘Slordig beheer’, ooit al door zijn vader gebruikt voor diens losse levensstijl, is daar toepasselijk. De zorgvuldig gekozen zwart-wit foto’s die spaarzaam in het boek zijn opgenomen dragen bij aan de sfeertekening. Die op het voorplat is omstreeks 1956 door Johan van der Keuken genomen op Jagtlust.

Dat wat Campert als schrijver bewogen heeft komt in de gesprekken aan de orde, maar krijgt van Van Hengel ook een mooi platform door de gedichten en andere teksten die ze in ruime mate opneemt. Ze heeft een gelukkige hand daarin, lijkt het oeuvre goed te kennen. Campert zelf is daarover soms behoorlijk down to earth. Sprekend over de Vijftigers en zijn rol in dat gezelschap, verklaart hij ‘Ik wilde gewoon erg graag bij die jongens horen. Ik herkende die poëzie wel, maar het was ook: hier is iets aan de hand. We zien wel wat er van komt, maar eerst wil ik erbij horen.’ In een ander gesprek heeft hij het over een familie waar hij bij wil horen.

Van Hengel heeft van Campert toestemming gekregen om alles boven water te halen. Zijn werkkamer, met de vele kasten, laden, doosjes en los rondslingerende mappen blijkt een goudmijn te zijn, ze brengt daar vele uren in door. Regelmatig legt ze hem tijdens de vrijdagmiddagsessies brieven of andere schrijfsels voor die hij allang vergeten blijkt te zijn. En ook dan blijkt de door haar gekozen methode vaak heel effectief.

In het voorjaar van 2018 maakte Campert bekend dat hij zou stoppen met het schrijven van romans en zijn columns voor de Volkskrant. Nu waren die laatste al een poos uiterst minimaal, bestonden ze vaak uit niet meer dan een al gepubliceerd gedicht van hemzelf of een andere dichter, voorzien van een beknopte inleiding of opmerking achteraf. Maar toch bracht zijn mededeling een storm aan reacties teweeg in de media, van krantenlezers die het betreurden tot journalisten die zich leken af te vragen of ze Camperts gereedstaande necrologie niet alvast eens zouden oppoetsen. Dat Campert op zijn hoge leeftijd een grote schare liefhebbers heeft is duidelijk. Dit mooie en veelzijdige portret van Van Hengel maakt duidelijk hoe dat zo gekomen is.

Mirjam van Hengel
Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert
584 blz
De Bezige Bij 

zaterdag 8 december 2018

Een visum naar de vrijheid

Durven opstaan en je medemens helpen wanneer dat nodig is, ook onder de moeilijkste omstandigheden. Niet iedereen zou dat zomaar doen, denk ik. Jan Zwartendijk, de Nederlandse consul in Litouwen, deed dat wél in de zomer van 1940. Litouwen bevond zich op dat moment in een hoogst onzekere situatie, ingeklemd als het was tussen de grootmachten Duitsland en Rusland. Polen was in de herfst van het jaar ervoor door Duitse troepen bezet, Rusland had als reactie daarop stellingen in het oosten van Polen ingenomen en stond in het voorjaar van 1940 klaar om de Baltische staten binnen te vallen. Veel Poolse Joden hadden hun toevlucht gezocht in Litouwen. Dat ze daar niet veilig waren drong langzaam maar zeker tot hen door, en ze zochten een uitweg. Jan Zwartendijk was bereid die te leveren.

Zwartendijk was pas kort in functie toen het probleem zich aandiende. In feite was hij op 15 juni 1940, de dag van de Russische bezetting van de Baltische staten, pas één dag consul. In het dagelijks leven was hij directeur van de vestiging van Philips in Kaunas, de hoofdstad van Litouwen. Hij woonde met zijn gezin in een ruim huis in een villawijk aan de rand van het centrum.

Kort na de Russische inval meldden zich bij het Nederlandse consulaat, dat in het Philipskantoor was gehuisvest, de eerste Joden die uit Litouwen wilden vertrekken. Daarvoor hadden zij een visum nodig voor het land van bestemming. In overleg met de Nederlandse ambassadeur voor de Baltische staten die in Letland zetelde, werd besloten dat Curaçao die bestemming zou kunnen zijn. Om te voorkomen dat de gouverneur van Curaçao  om toestemming moest worden gevraagd, werd op de visa in het Frans de mededeling toegevoegd dat ‘het Nederlandse consulaat van Kaunas verklaart dat er voor Curaçao  geen visum nodig is’. Dit laatste was een praktisch handigheidje, niet geheel volgens de regels ...

De enige route waarlangs in 1940 Curaçao bereikt kon worden liep via Rusland en Japan. Rusland werkte mee, maar eiste dat het eerstvolgende doorreisland ook toestemming zou geven. Dus schakelde Zwartendijk de Japanse consul in Kaunas in, Chiune Sugihara. Ook die tekende voor de visa, zonder medeweten van zijn superieuren in Tokio.

In de derde week van juli regelde Zwartendijk het eerste visum. Binnen korte tijd wist heel Litouwen dit en stonden er lange rijen voor het consulaat. Zwartendijk werkte sneller dan zijn Japanse collega. Hij schreef met vulpen én gebruikte een stempeltje, Siguhara kalligrafeerde alles met penseel en zwarte inkt, zes kolommen in Japanse karakters. Tijdens het enige interview dat Zwartendijk ooit gaf, in 1963 aan de Leeuwarder Courant, zei hij daarover: ‘Voor de enige vrolijke noot in deze periode van onheil zorgde de Japanse consul. Deze moest de doorreisvisa met zwarte inkt in de paspoorten penselen. Hij heeft me verschillende malen in paniek opgebeld of ik alsjeblieft niet zo snel te werk wilde gaan, want hij kon het met penselen niet bijhouden. De straat stond bij hem vol met wachtenden …’.

Wekenlang draaiden ze overuren, tot het Nederlandse consulaat door de Russen werd gesloten. Dat de Russen deze actie toelieten was sowieso wonderlijk, maar die beslissing werd vermoedelijk hoog in de partijtop genomen. Eenmaal dreigde het mis te gaan, toen een Russische officier van mening was dat de lange rijen voor het Nederlandse consulaat de openbare orde verstoorden. Zwartendijk wist hem te paaien met een Philishave, het elektrisch scheerapparaat dat in 1939 was geïntroduceerd.

Op basis van lijsten die de beide consuls bijhielden, en aanvullende informatie, schat Brokken het aantal verstrekte visa in die paar weken op ruim boven de tweeduizend. Misschien wel veel meer, als het vermoeden juist is dat Zwartendijk en Siguhara ook na de sluiting van het consulaat in het geheim doorgingen met verstrekken ervan. Wanneer je bedenkt dat op één visum vaak een heel gezin van vier of vijf personen de reis ondernam, moeten de aantallen geredde Joden veel hoger liggen.

Jan Brokken geeft in De rechtvaardigen in bijna vijftig hoofdstukken een rijk geschakeerd beeld van de actie in Kaunas en van de lotgevallen van tientallen Joden die de reis ondernamen. Ook maakt hij inzichtelijk hoe Zwartendijk en Siguhara er toe kwamen deze actie op te zetten en hoe dat een stempel heeft gedrukt op hun verdere leven. Zwartendijk heeft na de oorlog zijn heldendaad altijd kleiner voorgesteld dan deze was, mede omdat hij zich realiseerde dat hij die had ondernomen zonder formele toestemming van het ministerie van Buitenlandse Zaken – dat indertijd naar Londen was uitgeweken. Dat liet Den Haag hem trouwens na de oorlog ook fijntjes weten. In 1964 werd hij op het ministerie ontboden, kreeg een officiële reprimande omdat hij zich niet aan de regels had gehouden en werd hem verteld dat hij om die reden nooit een onderscheiding zou krijgen. Hij was er kapot van.

Ook heeft Zwartendijk nooit geweten hoeveel mensen hij door zijn visa heeft gered. Geen van deze mensen nam namelijk ooit contact met hem op, hij vermoedde daarom het ergste. Ook Siguhara had het door zijn actie niet gemakkelijk na de oorlog, maar kreeg later in zijn leven wel eerherstel. In 1985 werd hij – als enige Japanner ooit - erkend door Yad Vashem, de Israëlische onderscheiding voor niet-Joden die in de Tweede Wereldoorlog Joden het leven hebben gered.  Aan Zwartendijk werd deze onderscheiding toegekend in 1997, postuum. Hij was in 1976 overleden. De namen van beide consuls staan nu vermeldt in het park in Jeruzalem, gewijd aan de ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’.

Brokken baseert zijn verslag op grondig onderzoek ter plekke, in archieven en op gesprekken met betrokkenen en nazaten daarvan. De bronverantwoording achterin het boek is indrukwekkend. De kracht van het verhaal zit hem in het feit dat hij het steeds persoonlijk maakt, je de belevenissen van echte mensen voorschotelt. Dat maakt het aangrijpend. Hij bezoekt met Edith, de nu 89-jarige dochter van Zwartendijk, Litouwen, maakt de reis per trein door Rusland en doet onderzoek op de plekken in Japan en Shanghai waar een deel van de vluchtelingen uiteindelijk bleef hangen. Een ander deel reisde na de oorlog verder naar andere windstreken, meestal de Verenigde Staten. Naar Curaçao reisde niemand. Maar dat was ook nooit de bedoeling geweest. Het ‘Curaçaovisum’, uitgereikt door de man die de bijnaam ‘Engel van Curaçao’ kreeg, was een visum naar de vrijheid, een document waarmee je een kans maakte om aan de vernietiging te ontkomen.

Jan Brokken
De rechtvaardigen
504 blz
Uitgeverij Atlas Contact

zaterdag 1 december 2018

Chantage

Een kleine stad aan de Adriatische kust, kort na de dood van maarschalk Tito. Een schilderachtige vissershaven, een boulevard met palmen, een klokkenmuseum en een kabelspoorweg die de toerist in enkele minuten langs een steile helling driehonderd meter hoger brengt. In 1892, het jaar dat het spoor werd aangelegd, leidde dat naar een orthodox kerkje, sinds dat in de Tweede Wereldoorlog is gebombardeerd trekt alleen het nieuwe monument voor de socialistische helden ernaast af en toe wat bezoekers. Het kabelspoor werkt op het principe van communicerende vaten, er komt geen motor aan te pas. Een wagon met passagiers wordt omhooggetrokken door gebruik te maken van het gewicht van de dalende wagon, aangevuld met water uit een bassin op de berg. Daardoor is het een bezienswaardigheid op zichzelf geworden die in het zomerseizoen bezoekers trekt, daarbuiten nauwelijks. De blauwe zee, de verstilde sfeer en het gevoel dat de tijd er de laatste honderd jaar heeft stilgestaan completeren de setting van Martin Michael Driessens roman De pelikaan.

Driessen geeft zijn stadje geen naam. Maar langs de Kroatische kust zijn er handenvol van te vinden. Stadjes waarop je zo verliefd zou kunnen worden, stadjes die hun rust ontlenen aan het gegeven dat ze voor de hedendaagse, verwende toerist te weinig bieden hebben, en sowieso niet op Michelinsterren kunnen bogen.

De pelikaan is het verhaal van twee mannen. Andrej, de plaatselijke postbode en Josip, die de kabelspoorweg bedient. Wanneer Andrej ontdekt dat Josip een affaire heeft met een wulpse dame  van buiten de stad, maakt hij foto’s van hun samenzijn en chanteert Josip daar anoniem mee. Wanneer Andrej vervolgens een ongeluk krijgt en in het ziekenhuis belandt, ontdekt Josip bij Andrej thuis geopende enveloppen – de zijne – en neemt aan dat Andrej ongeoorloofd post aan derden opent. Daarmee gaat hij hém chanteren, deels om het geld dat hij zelf moet afdragen aan zijn onbekende afperser ‘terug te krijgen’. Dit klinkt als de plot voor een komedie, en dat is het in de uitwerking door Driessen zeker. Vooral ook omdat je je als alwetende lezer al bij voorbaat verkneukelt bij het voorspelbare gedrag van beide mannen, ieder een god in hun eigen koninkrijkje.

Onder de oppervlakte van dit bij vlagen komische verhaal zou je een diepere waarheid kunnen lezen. Driessen heeft zijn vertelling daartoe opgetuigd met betekenisvolle details. De postbode die nauwelijks post heeft rond te brengen en de kabelspoorbestuurder die het grootste deel van de tijd op en neer gaat met bijna lege wagons zijn een verbeelding van stilstand, wat voor dit stadje ook de stilte voor de storm zou kunnen betekenen, de storm de bloedige burgeroorlog die binnen afzienbare tijd zal losbarsten in het voormalige Joegoslavië en die voor het stadje zoals het nu bestaat wellicht het einde zal betekenen. De beide mannen die elkaar kennen, eigenlijk niets tegen elkaar hebben maar elkaar evengoed wel chanteren lijkt een model te zijn voor een houding die je zo over het hele land zou kunnen uitvergroten. Dat er van alles onbedoeld misgaat, er misverstand op misverstand wordt gestapeld, past in hetzelfde stramien.

De wijze waarop Driessen het verhaal op deze twee niveau's heeft geconstrueerd en subtiel met elkaar verweeft, maakt de duiding ervan een spel. Voor de lezer die dergelijke symboliek kan waarderen - ik ben zo'n lezer - geeft dat het verhaal een meerwaarde. Ofschoon het verhaal op het niveau van de alledaagse realiteit, de lotgevallen van de mannen en een handvol bijfiguren, op zichzelf ook ijzersterk is. Het heeft charme en is van een ontwapenende menselijkheid en intimiteit. Dat, én het decor van het stadje, maken het een in alle opzichten geslaagde roman.

Martin Michael Driessen
De pelikaan
200 blz
Uitgeverij Van Oorschot

dinsdag 27 november 2018

Het DNA van muziek

We zijn in staat ruimtevaartuigen naar de verst afgelegen planeten te sturen, met telescopen nog veel vérder het heelal in te kijken en met een joystick vanuit Houston een wagentje op Mars ingewikkelde bewegingen te laten uitvoeren. En dat vinden wij allemaal fantastisch. We zijn ook steeds beter in staat om heel dichtbij, en op microscopisch niveau, technische prestaties te leveren. Zolang dat gaat om ingewikkelde operaties, of om nóg fijner afgestemde behandelingen tegen ziekten, juichen we dat toe. Maar zodra het gaat om doorbraken op het gebied van ons DNA, toch de meest wezenlijke bouwsteen van het leven op aarde, worden we voorzichtig. Dat is enerzijds jammer, want op dat gebied zijn wellicht wezenlijke vorderingen te realiseren. Maar het is ook begrijpelijk, want de kans op manipulatie door kwaadwillenden is niet denkbeeldig.

Peter Els, de hoofdpersoon van Richard Powers’ roman Orfeo, ondervindt aan den lijve wat er gebeurt wanneer je daar zomaar mee aan de slag gaat. Op een avond belt hij 112 omdat zijn hond overleden is. De politieagenten die de oproep beantwoorden en binnenkomen, zien door de open deur van zijn studeerkamer een heus laboratorium. Els kan niet heel duidelijk uitleggen wat hij daarmee doet, mompelt iets over bacteriën. Dat had hij beter niet kunnen doen, want de volgende ochtend staan er mannen van Homeland Security op de stoep. Die ontdekken dat hij sleutelt aan de structuur van DNA.  Voor Els is vanaf dat moment de ellende niet te overzien. Na 9/11 neemt de overheid geen enkel risico meer waar het gaat om terrorisme van welke soort dan ook. De mannen kondigen aan terug te komen met deskundigen om het laboratorium te ontmantelen. Els besluit de benen te nemen.

Els heeft met zijn proeven geen kwade bedoelingen. Integendeel, hij wil DNA inzetten om kunst te maken. Muziek, in dit geval. Els is opgeleid als chemicus, maar zijn hart ligt bij het componeren van muziek. Daarom heeft hij al vroeg in zijn loopbaan een switch gemaakt. Heel succesvol was hij echter niet als componist. Slechts enkele keren was hij in de gelegenheid om mee te werken aan een muziekproject dat onder een klein avant-garde publiek succes had, maar de bulk van zijn composities is nooit uitgevoerd. Nu hij gepensioneerd is – hij gaf les in compositie aan een College – heeft hij zich voorgenomen te proberen DNA zodanig aan te passen dat hij aan die nieuwe structuren volstrekt natuurlijke composities kan ontlenen. Experimenteel is hij altijd al geweest.

De rode draad door het verhaal is vanzelfsprekend de vlucht en de achtervolging door de autoriteiten. Maar het is Powers om meer te  doen. De route die Els kiest voert hem langs zijn ex-echtgenote, een producent van muziekspektakels met wie hij vroeger samenwerkte en zijn uiteindelijk zijn dochter. Hij laat op die manier de belangrijkste mensen en momenten in zijn leven de revue passeren, ook in de herinneringen die opkomen wanneer hij van staat naar staat rijdt. Het is een leven dat hij in volle overtuiging in dienst heeft gesteld van zijn talent, componeren. Maar de term ‘opgeofferd’ is misschien juister. In zekere zin heeft hij door zijn ambities te willen realiseren ook veel verloren laten gaan. Voor zichzelf en zijn directe omgeving. Voor Powers is de kern van zijn verhaal dan ook de vraag of de keuzes die Els heeft gemaakt – die wij allen zouden kunnen maken – de gevolgen daarvan  vergoelijken.

De roman is doortrokken van muziek. Vanaf het moment dat Els die als jonge jongen ontdekt staat ze centraal in zijn leven. Tientallen componisten en hun werken komen voorbij, van Monteverdi tot John Cage, door Powers gloedvol beschreven. Dat maakt nieuwsgierig, Spotify is dan een uitkomst. Ik heb hele hoofdstukken gelezen met de ‘passende’ muziek erbij. Powers slaagt er ook in om de belangrijkste personages mensen van vlees en bloed te laten zijn. De gesprekken tussen Els en zijn ex, en later met zijn dochter, ontroeren. Datzelfde geldt voor het slot, jammer dat er geen prijs bestaat – voor zover ik weet – voor indrukwekkende laatste pagina’s.

Door het hele boek staan losse zinnen in een kader, vetgedrukt, nooit meer dan drie regels maar meestal korter. Ze lijken commentaar te leveren op de lopende tekst, een toelichting daarop te zijn, maar hun precieze functie blijft onduidelijk. Pas tegen het einde, wanneer het net om Els zich langzaam sluit, heb je door wat ze zijn. Mooie vondst, heel cool.

Richard Powers
Orfeo
370 blz
Atlantic Books

[ Nederlandse editie: Orfeo ]

donderdag 22 november 2018

Op zoek naar het onbenoembare

De geschiedenis gaat steeds sneller. Dat lijkt een vreemde zin, maar in de beleving van mensen is dat zo. Ik bedoel ermee dat de ontwikkelingen in de maatschappij, of het nu op technisch of maatschappelijk gebied is, elkaar steeds sneller opvolgen en dat het voorbije daarom steeds sneller veroudert en langer geleden lijkt te zijn dan het daadwerkelijk is. Ik moest daar met enige regelmaat aan denken tijdens het lezen van De mensengenezer van de Vlaamse auteur Koen Peeters. Zijn roman vangt aan ergens in de jaren dertig en heeft een vervolg in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Maar de plekken waar het verhaal zich afspeelt zijn er niet meer in die vorm. Peeters: ‘Dit verhaal gaat over een wereld die allang vervlogen is: een boerenbestaan dat verdwenen is, een koloniaal verleden dat men nauwelijks nog kan vatten.’ De manier waarop hij die werelden vervolgens oproept, bevlogen en met liefde, maakt zijn verhaal tot een grootse roman.

De Westhoek in Vlaanderen is een leeg gebied. Dat is zelfs nu nog zo, als je er met de auto doorheen rijdt. Het vlakke land wordt beheerst door ver uit elkaar liggende boerderijen, hier en daar is het heel lichtjes heuvelachtig. De mist van de Westhoek is legendarisch. In het najaar, winter en vroege voorjaar kun je op de landweggetjes bij tijden geen hand voor ogen zien. Dat versterkt het gevoel van de bewoners dat ze in een wereld op zichzelf wonen.

Remi, de jongste zoon in een boerenfamilie, is een van de twee vertellers. Voor hem heeft de Westhoek iets magisch, wat niet alleen wordt veroorzaakt door het landschappelijke karakter van het gebied maar ook door de verhalen van zijn oom Marcel - ongetrouwd en knecht op de boerderij - over de ‘geest’ die in de streek rondwaart, een genius of daimon, en over een raadselachtige soldaat uit Belgisch Congo. Remi zuigt deze verhalen op, ze leven voor hem en worden een intrinsiek onderdeel van zijn beleving van zijn geboortestreek. Dat hij er niet voor zal kiezen zijn vader als boer op te volgen, maar in te treden in de Orde der Jezuïeten is voor zijn familie een nare verrassing maar betekent voor hem de start van iets moois. Hij geeft daarmee toe aan iets wat hij diep in zijn hart voelt.

De geschiedenis van Remi wordt door hemzelf verteld, op oudere leeftijd. Hij is dan een gepensioneerde professor in de antropologie aan de universiteit van Leuven. Hij doet zijn verhaal aan een student, de auteur, die zich tientallen jaren na zijn studie heeft voorgenomen om tóch nog zijn afstudeerscriptie te schrijven. Die heeft daarvoor een  Congolees onderwerp uitgekozen, de angstpsychose voor krokodillen bij een stam in de binnenlanden van Congo. Remi, die daar na zijn opleiding als missionaris lang heeft verbleven, is de deskundige begeleider die hij nodig heeft.

De roman is opgedeeld in twee keer veertig korte hoofstukken waarin Remi en de student elkaar afwisselen als verteller. Dat dubbele perspectief werkt zowel inhoudelijk als qua dynamiek uitstekend. Dat Peeters een heldere, vloeiende schrijfstijl hanteert draagt ook bij aan het leesplezier. Bij een bezoek aan een oorlogskerkhof in de Westhoek: ‘Witte slagroomwolken trokken schaduwen over de rijen van zerkjes. Wilde ganzen vlogen gakkend over. Soms was zo’n begraafplaats slechts een ommuurd gazonnetje met twintig graven erin. Daarnaast een zee van zwarte plastic tuinbouwtunnels, gedeukte landbouwmachines en rode kool.’ Of: ‘De boeren zagen elkaar maar één keer in de week en dan dronken ze snel en veel. Ze praatten te luid, maar dat was omdat ze al drie dagen geen woord hadden gezegd.’

In zijn beschrijving van Remi’s verblijf als missionaris in Congo, in de jaren voor het zelfstandig worden van de kolonie in 1958,  weet Peeters de denkwereld van de Congolezen én de kloof tussen hen en ons westerlingen mooi te duiden. Net als in de Westhoek is ook dat leven in de Congo zo’n inmiddels verdwenen wereld die door de auteur overtuigend wordt opgeroepen, de opmerking waarmee ik opende. Maar daarnaast is de roman ook een levensgeschiedenis, een die inzicht biedt in de dromen en ambities van een jongen en man die is gefascineerd door die zaken in het leven die wij al snel met de term ‘onbenoembaar’ aanduiden. Dat Peeters die soms complexe materie weet te verwoorden in een roman die leest als een trein toont zijn vakmanschap.       

Koen Peeters
De mensengenezer
320 blz
De Bezige Bij

zaterdag 17 november 2018

Onze man in Rusland

De eerste jaren die volgden op de ineenstorting van de USSR waren voor de voormalige communistische heilstaat van een onbeschrijflijke chaos. De nieuwe tsaar, Vladimir Poetin, was nog niet opgestaan en de ‘tussenpausen’ deden wat ze konden maar het ontbrak hen aan de macht om een echt beleid te voeren. Dus grepen slimme mannen hun kans en vergaarden in korte tijd een vermogen. Industrieën die onder de communisten staatseigendom waren geweest werden door hen voor een schijntje overgenomen. De nieuwe rijken oriënteerden zich op het vrije Westen, kochten er grond en landhuizen, stuurden hun kinderen er naar dure scholen en investeerden er hun geld. Rusland en de andere staten van de voormalige USSR werden leeggeplukt. De modale Rus werd geconfronteerd met werkeloosheid, armoede en een uitzichtloosheid die soms groter was dan voorheen. Slechts voor jongeren lagen er kansen.

Dit is de maatschappij die de achtergrond vormt voor Pieter Waterdrinkers roman Lenins balsem. De hoofdpersoon, Olaf Weber, is lichtjes gemodelleerd naar Waterdrinker zelf. Hij is een Nederlander die min of meer bij toeval in Rusland terecht is gekomen en daar groepen buitenlandse toeristen rondleidt. Want dat is in die jaren de enige industrie die opbloeit, nu het veel gemakkelijker is geworden het land te bezoeken. Ook Weber pakt waar mogelijk wat extraatjes mee. Want waarom zou je je reisgezelschap urenlang in de rij voor het mausoleum van Lenin laten wachten, als de bewakers bereid zijn ze voor een relatief klein bedragje in roebels direct naar binnen te loodsen? Je vraagt dan zelf aan je reizigers vanzelfsprekend een wat hoger bedrag, in dollars. Iedereen blij.

Webers handelwijze is slechts een minuscuul schakeltje in de van corruptie doortrokken maatschappij. Dat verandert wanneer hij in contact komt met een louche zakenman, Alexander Perelman. En betrokken raakt bij een plan om achter de samenstelling te komen van de vloeistof waarin het gebalsemde lichaam van Lenin al sinds 1924 regelmatig wordt ondergedompeld. De artsen die dat werk verrichten, hebben ze opgemerkt, zijn wat oudere mannen die opmerkelijk jonge en zachte handen hebben. De handen waarmee ze Lenin van tijd tot tijd in zijn badje laten zakken. Zou die balsem hen, op de markt gebracht als antirimpelcrème, niet schatrijk kunnen maken?

Met de jacht op de formule, een staatsgeheim dat slechts bij enkele wetenschappers bekend is, begint een dolle en uiterst vermakelijke tocht door Rusland. Dat de zoektocht voor Waterdrinker vooral een vehikel is om ons het Rusland van het begin van de jaren negentig te schetsen mag de pret niet drukken. Dat Waterdrinker het gebalsemde lichaam van Lenin benut als hart van zijn vertelling, het lichaam dat door de communisten altijd is vereerd als een van de oersymbolen van de USSR maar dat in fysiek opzicht en na 1990 ook in figuurlijk opzicht een lege huls is geworden, is pure bravoure. Dat Weber in het verhaal en passant ook de beeldschone Masja ontmoet, en dat ze elkaar aan het eind krijgen, heeft iets té zoets maar accepteer je. Voeg daarbij het verhaal over Webers tante Felicia, die vanuit Parijs naar Rusland afreist en een gruwelijk oorlogsverleden blijkt te hebben, naast de vele andere personages, ontmoetingen en soms verbijsterende, dan weer komische situaties - die met Lenin in de badkuip is onbetaalbaar - en je realiseert je dat je met Lenins balsem een boek aan het lezen bent waarvan het enthousiasme en het schrijfplezier afspatten, dat is geschreven vanuit een grote verbondenheid met het huidige Rusland en dat als ondertoon een serieuze boodschap heeft. Een boodschap die onze man in Rusland sprankelend heeft verpakt. Wat wil je als lezer nog meer?

Pieter Waterdrinker
Lenins balsem
400 blz
Nijgh & Van Ditmar

zondag 11 november 2018

Open all hours

In Japan is de convenience store een begrip. Een gemiddelde stadswijk heeft er al gauw tientallen. Ze zijn 24 uur per dag geopend en verkopen zo ongeveer alles wat je voor je dagelijkse leven nodig hebt. Sfeervol zijn ze allerminst, in de meeste hangt het plafond vol met witter-dan-witte neonbuizen, waardoor je ze bij avond al van ver kunt spotten. Op vakantie in Japan is het nooit langer dan een paar minuten lopen van je hotel naar de dichtstbijzijnde, wat handig is want na een dag stappen ben je wel toe aan een snack of glaasje sake. Het meest opmerkelijke aspect van deze winkels is voor mij het personeel, en hoe dat jou tegemoet treedt. Bij binnenkomst roepen de kassamedewerkers in koor ‘Irasshaimasé’! Met een lange uithaal van de laatste lettergreep, waardoor het klinkt als ‘Irasshaimaséeeeeeee’. Heel zangerig, best aardig zo’n welkom denk je dan. Maar als je er vijf minuten over doet om je keuze te maken en af te rekenen, en je hoort die begroeting – zeker wanneer het wat drukker is –  vrijwel continu, dan ervaar je bij het verlaten van de winkel de gewone stadsgeluiden als een weldadige rust.

Sayaka Murata (1979) is een bij ons onbekende Japanse auteur. Zij publiceerde een tiental romans en won meerdere prijzen. Naast haar schrijverschap werkt ze al jaren parttime in een convenience store. Met de korte roman Convenience Store Woman, haar eerste die in het Engels is vertaald, schetst ze ons die wereld zoals voor mijn gevoel alleen een insider dat kan. Murata’s verhaal reikt dieper dan de uiterlijk verschijning van zo’n winkel zoals ik die hierboven schetste, ze legt de filosofie achter het verschijnsel bloot.

Keiko is een vrouw van 36. Op haar achttiende, ze is net begonnen aan een universitaire studie, stuit ze op een zondagmiddag in een kantorendistrict in Tokio op een binnenkort te openen buurtsuper. Een convenience store dus. Vlakbij een metrostation waarnaar het is genoemd, de Hiiromachi Station Smile Mart. Op de ruit hangt een kaartje waarin wordt gevraagd om personeel. Keiko’s toelage van thuis is bescheiden, ze kan wel wat extra geld gebruiken en solliciteert. Na een grondige training, die er vooral op is gericht de klant dienstbaar te benaderen, gaat ze aan het werk. Al op de openingsdag realiseert ze zich dat ze haar bestemming heeft gevonden: ‘At that moment, for the first time ever, I felt I’d become a part in the machine of society. I’ve been reborn, I thought. That day, I actually became a normal cog in society.’ Een constatering die begrijpelijk wordt wanneer je weet dat Keiko door haar omgeving altijd is beschouwd als een wat zonderling meisje, dat zich gedroeg alsof ze geen benul had van ‘normale’ menselijke relaties.

Achttien jaar later werkt Keiko nog steeds in diezelfde convenience store. Tot haar eigen volle tevredenheid. Ze richt haar leven er helemaal op in, draait extra diensten als haar collega’s een zondag vrij willen hebben en gaat steevast vroeg naar bed om de volgende dag fris op haar werk te verschijnen. Ze koopt zelfs al haar maaltijden in de winkel. Het rafelrandje dat haar stoort is dat haar familie en kennissen haar loopbaan – of eigenlijk, het ontbreken daarvan – bekritiseren. Evenals het feit dat ze nog steeds niet tegen een echtgenoot is aangelopen. Als dan in de winkel een nieuwe collega verschijnt, de jongeman Shiraha, die evenals Keiko een wat onaangepast karakter heeft, neemt ze een gedurfd besluit.

Verpakt in een overzichtelijk verhaaltje legt Murata hier de vinger precies op de zere plek van enkele kwesties in de Japanse maatschappij. Het individu dat moeite heeft zich te voegen naar de groep is in het traditioneel op groepsgedrag ingestelde Japan al heel lang een thema. Zo ook de positie van de niet meer zo jonge, ongetrouwde vrouw. Conservatieve Japanse mannen noemen vrouwen die op hun 25ste nog geen partner hebben niet voor niets ‘Christmas girls’.

Wat bij mij vooral blijft hangen van deze roman is de eenzaamheid van Keiko. Tussen de regels door proef je soms dat ze zich dat realiseert. De laatste scène van de roman is onbetaalbaar. Daar maakt Keiko een levensbepalende keuze, en dat doet ze op een ontroerende wijze. Daar laat ze zien dat ze inderdaad de belichaming is van de convenience store woman.

Sayaka Murata
Convenience Store Woman
Vertaald uit het Japans naar het Engels door Ginny Tapley Takemori
164 blz
Portobello Books