vrijdag 27 september 2019

Levenslang?

Ben je voor altijd schuldig aan iets wat je hebt veroorzaakt maar niet hebt gewild? Niet bewust heb gewild, in ieder geval? Het is een heldere vraag, maar de materie is uiterst complex en kent juridische, morele en emotionele kanten. Het is de vraag waaromheen Oek de Jong zijn recent verschenen roman Zwarte schuur heeft opgebouwd. De hoofdpersoon is Maris Coppoolse, een wereldberoemde kunstenaar. Samenvallend met de opening van een grote overzichtstentoonstelling van zijn schilderijen in het Stedelijk Museum in Amsterdam verschijnt in een toonaangevend opinieblad een groot artikel over iets dat hem vijfenveertig jaar overkwam, toen Coppoolse veertien was. Die gebeurtenis leidde tot de dood van een meisje. De kunstenaar wordt daarvoor nu, ofschoon hij indertijd voor zijn daad is bestraft, alsnog publiekelijk aan de schandpaal genageld. Alsof hij door het nooit te hebben genoemd zich schuldig zou hebben gemaakt aan het verzwijgen ervan. Omdat zijn tentoonstelling ‘hot’ is, wordt de onthulling het eveneens. Het versterkt elkaar. Ook op Coppoolse heeft het dat effect, waardoor hij ongewild wordt teruggeworpen op zijn verleden. Voor die terugblik op zowel het fatale moment als Coppoolse’s leven sindsdien neemt De Jong alle tijd en ruimte.  Waarmee zijn verhaal een weldadig uitgebalanceerde analyse van bovenstaande vraagstelling wordt, rijk geschakeerd en vlot geschreven.

Je boek de titel Zwarte schuur meegeven is gedurfd. Het klinkt nogal negatief, is niet wat uitgevers een sexy, lekker bekkende titel noemen. Maar die titel staat wel voor de kern van het verhaal. Niet alleen vond de dodelijke gebeurtenis plaats in een van die karakteristieke boerenschuren die je in het Zeeuwse landschap ziet staan, Coppoolse heeft het voorval al die jaren weggedrukt op een onvindbare plek in zijn geest, liet het als het ware in een zwart gat verdwijnen. De wijze waarop De Jong zijn hoofdpersoon in zijn geest de weg terug naar dat moment laat afleggen, zijn levenspad sindsdien in omgekeerde richting afleggend - langs zijn liefdes, zijn huwelijk, zijn loopbaan, zijn oeuvre - is zo vakkundig en subtiel gedoseerd dat je haast met het water in je handen aan ieder nieuw hoofdstuk begint. Meeslepend is het juiste woord.

Oek de Jong is een schrijver die ik volg sinds Opwaaiende zomerjurken, dat ik las in 1982. Die roman scoort nog steeds heel hoog wanneer ik mijn favoriete top 100 zou moeten samenstellen. In 2013 las ik het opnieuw, als luisterboek (zie dit weblog, 13 maart 2013). Dat ik nu, een kleine veertig jaar later, opnieuw wordt gegrepen door zijn nieuwste roman vind ik toch wel bijzonder.

Oek de Jong
Zwarte schuur
492 blz
Atlas Contact

vrijdag 20 september 2019

Zitten voor Freud

Sterren op het Doek van omroep Max is een bijzonder populair televisieprogramma. Het concept is eenvoudig. Iedere aflevering wordt een Bekende Nederlander door drie kunstenaars geportretteerd. Na enkele weken werken aan hun portret presenteren de kunstenaars het eindresultaat, waaruit de BN’er zijn of haar keuze maakt. Dat portret mag mee naar huis. De kunstenaars zijn zo geselecteerd dat er – idealiter - drie volstrekt verschillende portretten ontstaan, wat voor de geportretteerde de keuze meestal vrij eenvoudig maakt. Het is een onderhoudend en soms ook informatief programma, waarbij het vooral aardig is dat je een blik in de ziel van de BN’er mag werpen: tijdens de poseersessie, wanneer de presentator met hem of haar een gesprekje heeft, en tijdens het keuzemoment achteraf, wanneer de BN’er – zich meestal zichtbaar ongemakkelijk voelend – moet kiezen.

Wat ik jammer vindt is dat het poseren maar zo kort duurt. De kunstenaars kennen hun model niet, zien het tijdens die sessie voor het eerst in levende lijve en voor ze goed en wel een ruwe schets op het doek hebben is het alweer voorbij. Moeten ze het de weken erna doen met foto’s of film – die er natuurlijk in overvloed zijn. Maar een band tussen kunstenaar en model kan op deze wijze nauwelijks ontstaan. Of dat noodzakelijk is? Nou nee, het hoeft natuurlijk niet. Maar je kan je voorstellen dat een kunstenaar bij het maken van een portret niet alleen de uiterlijke trekken van het model in het portret wil leggen maar ook iets van het innerlijk, het karakter van de geportretteerde wil laten zien. Dat lukt veel beter wanneer er gelegenheid is om elkaar beter kunnen leren kennen. Dus meer poseersessies.

Toen de Britse kunstcriticus Martin Gayford in het najaar van 2003 aan zijn vriend Lucian Freud (1922-2011) vroeg of deze hem niet eens wilde portretteren, en Freud direct toehapte, wist hij niet dat hij daarmee tekende voor zo’n veertig maal urenlang poseren. Maar dat is hoe de kunstenaar werkt, een schilderij ontstaat bij hem niet volgens een vooropgezet plan maar groeit als vanzelf, de ene sessie wat sneller en dan weer heel langzaam. Gayford krijgt dat pas echt door wanneer hij, nog vrij aan het begin, na afloop van het zitten aan Freud vraagt wat er ditmaal is bijgekomen en Freud hem wijst op een minuscuul stukje van de rechterwenkbrauw. Op Gayford komt dat toch enigszins over als verspilde tijd, maar in Freuds beleving is de sessie uiterst zinvol geweest omdat dat het stukje wenkbrauw de uitkomst is van een wezenlijke beslissing die hij heeft genomen over het vervolg van het proces.

Waarom stelde Gayford aan een van de grootste Britse kunstenaars van dat moment voor om hem te portretteren? Misschien kwam er een beetje ijdelheid bij kijken, de gedachte door middel van zo’n portret een zekere onsterfelijkheid te verkrijgen. Maar het was vooral nieuwsgierigheid naar het verloop van zo’n proces, schrijft hij in een kort voorwoord. Hij was al zo vaak op Freuds atelier geweest om recent werk of werk in uitvoering te bekijken dat hij zelf wel eens deel wilde uitmaken van dat creatieve proces. Die ervaring zou hij dus in overvloed krijgen.

Wat leverden de sessies nog meer op dan het gestage tot stand komen van een portret? De schilder en zijn model spraken over van alles: hun voorkeuren in de kunst, wederzijdse vrienden, de kunstkritiek en het leven in het algemeen. Over andere kunstenaars heeft Freud - de kleinzoon van - uitgesproken meningen: de late Titiaan en Rembrandt bewondert hij, voor Da Vinci en Raphael geeft hij geen stuiver. In het werk van de laatste zit totaal geen leven, is zijn oordeel. Francis Bacon, de Britse kunstenaar met wie Freud lang optrok, is een dankbaar, terugkerend onderwerp. De poseersessies bij avond sluiten Freud en Gayford regelmatig af met een etentje in de stad.

Het daagt Gayford langzaamaan hoe belangrijk die informele gesprekken zijn: ‘The talk is, I begin to realize, almost as much part of the sitting process as the drawing and painting. Portraiture requires observation of the subject, not just as an inert and motionless living-statue, but also moving, speaking, reacting in all manner of moods and circumstances – some characteristic of the sitter’s everyday behaviour, some more exceptional. It is precisely those movements of the eyes, mouth and the mobile topography of the face that make an image like a person, rather than a waxwork.’

En het eindresultaat, hoe ervaart Gayford dat? Het portret toont hem met een intense, doordringende blik. Hij verklaart die als ‘it is in part, I think, a painting of my own fascination with the whole process of being painted. I see that intensity of interest in the picture. It’s me looking at him looking at me’.

Het portret siert nu een wand bij John and Frances Bowes, een Californisch verzamelaarspaar. Anoniem, als ‘Man with a Blue Scarf’. Maar ook weer niet zo anoniem, want Gayford ontmoette hen tijdens de Biennale in Venetië, kort nadat ze het portret hadden verworven. Hij maakt nu in zekere zin deel uit van hun leven. Ook dat is een fascinerende gedachte.

Martin Gayford / Man with a Blue Scarf. On Sitting for a Portrait by Lucian Freud / 248 blz / Thames & Hudson, 2019


zondag 15 september 2019

De orgelstemmer en de Braziliaanse

De romans en verhalen van Maarten 't Hart worden met het klimmen der jaren vertrouwder. Hij was altijd al een herkenbare schrijver, met een regelmatig terugkerende ‘biotoop’ en variaties op vrijwel steeds dezelfde thema’s. Dat geldt in sterke mate voor zijn meer recente werk, de roman Magdalena en de mooie verhalenbundel De moeder van Ikabod. Maar ook met het zojuist verschenen De nachtstemmer is dat weer het geval. Het verhaal is gesitueerd in Maassluis, het leven van de hoofdpersoon draait om de muziek, hij is een stuntelaar waar het vrouwen en de liefde betreft en het boek wemelt van nogal kleurrijke gereformeerde figuren. Ziedaar de wereld van Maarten ’t Hart.

Het verhaal is overzichtelijk. Gabriel Pottjewijd, een brave Groningse orgelstemmer, reist eind jaren tachtig van de vorige eeuw naar een stadje aan de Nieuwe Waterweg – Maassluis, maar de naam wordt niet genoemd - om daar het orgel in de Groote Kerk te stemmen. Hij wordt ondergebracht in een pension en gaat de volgende dag aan het werk. Al gauw wordt hem gevraagd ook het orgel in de Immanuëlkerk onder handen te nemen. Na enkele dagen ontmoet hij Gracinha, een beeldschone Braziliaanse van omstreeks veertig, de weduwe van een Nederlandse scheepskapitein, en haar dochtertje. Het meisje, dat licht autistisch lijkt te zijn, is gefascineerd door Gabriels werk en komt hem helpen. Ze drukt graag heel lang een toets of pedaal in, wat Gabriel van pas komt. Haar moeder ontfermt zich over Gabriel, vraagt hem om mee te eten. Hij helpt haar om haar Nederlands te verbeteren. Een beginnende liefde lijkt onvermijdelijk. Wanneer Gabriel een anonieme dreigbrief ontvangt waarin hem de omgang met Gracinha wordt afgeraden, krijgt het verhaal een iets grimmiger wending, een onzekerheid en spanning die ’t Hart mooi weet uit te rollen over de tweede helft van zijn roman. 

Het verhaal wemelt van mannen met op zijn minst opmerkelijke namen. Nu is Pottjewijd al een vrij opvallende achternaam, maar wat dacht u van deze kleine selectie: Koster de Koeier, Broeder Koevoet, Hendrik Schoonbrood, IJzerhard Paalvast en Okke Hokke. Ik veronderstel dat ’t Hart hiermee een bepaalde sfeer wil scheppen, de lezer het gevoel wil geven dat het stadje een wereldje op zich is, niet het Nederland dat wij kennen. Op enig moment refereert Pottjewijd in een gesprek met een mannenbroeder aan de schrijver Bordewijk, die ook een voorkeur had voor veelzeggende namen – denk aan Bint. Veel van deze mannen zijn trouwens lid van de Mannenvereniging Schrift en Belijdenis. Kom je ook niet in iedere stad tegen.

Maar goed. Ofschoon dit soort details de leesvreugde verhogen en ’t Hart een verhaal vaart kan meegeven, kan ik niet spreken van een bijzondere leeservaring. Het is op zijn best onderhoudend. De voorspelbaarheid qua thematiek bezorgt het verhaal een flinke deuk, de neiging van ’t Hart om los te gaan op een van zijn stokpaardjes – de onbetrouwbaarheid van de bijbel, de vraag of een vrouw wel mooi moet willen zijn – is irritant, soms tenenkrommend. Voor de fans is dit boek natuurlijk een verplicht nummer, maar ik denk niet dat ik het met Kerst aan iemand cadeau zal geven.

Maarten ’t Hart
De nachtstemmer 
316 blz
De Arbeiderspers


woensdag 11 september 2019

Op zoek naar de Chinese ziel

Victor Segalen (1878-1919) was een Franse marine-arts en schrijver. Zijn oeuvre, dat bestaat uit romans, toneelstukken, gedichten en essays, werd tijdens zijn leven maar mondjesmaat gepubliceerd. Segalens grote passie was reizen. Tussen 1903 tot 1905 maakte hij zijn eerste grote tocht, naar Polynesië. Hij deed daarvan verslag in Journal des Iles. Daarin komt hij naar voren als een reiziger die zich grondig documenteert over het gebied dat hij bereist en de indrukken die hij opdoet zorgvuldig boekstaaft om ze later nog eens te kunnen gebruiken. Een in de Stille Zuidzee geschreven essay over Paul Gaugain, de Franse schilder die er zijn laatste jaren doorbracht, verscheen al in 1904 in het toonaangevende tijdschrift Mercure de France.

Al kort na aankomst in Polynesië onderzocht Segalen of hij er blijvend zou kunnen wonen. Dat kwam er niet van, maar de lange reis die hij vanaf 1909 ondernam naar China had opnieuw dit doel. Hij vertrok eind april 1910 vanuit Marseille per schip naar Shanghai, zijn echtgenote Yvonne zou hem pas een jaar later volgen. Aan haar schreef hij tijdens de reis zijn later befaamd geworden brieven. Zijn voorbereiding op de reis kun je grondig noemen. Nog in Parijs had hij maandenlang intensief Chinese lessen gevolgd, zodat hij de reis kon maken in de hoedanigheid van tolk-vertaler Chinees. Zijn reisgenoot was zijn vriend Graaf Auguste Gilbert de Voisins (1877-1939), die misschien nog wel enthousiaster was over de onderneming dan Segalen zelf. De Voisins was financieel onafhankelijk en betaalde een fors deel van de reis in China voor hen beiden, maar voor zijn overtocht – en die van Yvonne - en uitrusting had Segalen zelf fors moeten investeren. Hij had daarvoor geld geleend van zijn ouders, van de bank, én met bloedend hart zijn Gaugains verkocht.

De tocht van Segalen en De Voisins voerde hen door het hart van China. Het ‘oude’ China, welteverstaan. Anderhalf jaar later, in 1911, zou het Chinese keizerrijk door een revolutie ten onder gaan. Ze reisden zoals reizigers van stand dit eeuwenlang hadden gedaan, met een gevolg bestaande uit ruiters, dragers, gidsen, een kok en andere helpers. Ze hadden grote tenten bij zich voor het geval ze ergens geen onderdak konden vinden. En ze hadden geen haast, op 10 augustus 1909 vertrok de kleine karavaan uit Peking om pas eind januari 1910 in Shanghai te arriveren. Ze trokken door een keur aan landschappen, zakten in het laatste deel van de tocht de rivier de Yangtze af en ontmoetten kleurrijke figuren. Segalen deed er in zijn brieven aan Yvonne op bevlogen wijze verslag van. De hele reis was voor hem in artistiek en literair opzicht één grote bron van inspiratie. In de cultuur, eigenlijk de ‘ziel’ van het land, haar geschiedenis en bewoners vond hij talrijke zaken die leidden tot overpeinzingen, tot aanzetjes voor essays en verhalen. Ook deze stuurde hij soms als brief aan Yvonne, waardoor ook wij ze te lezen krijgen. Het zijn de teksten van een estheet, tegelijk intellectueel en zintuigelijk, van een auteur die de schoonheid van het leven beschrijft, de soms onbenoembare gevoelens die door een hem nieuwe, vreemde cultuur worden opgeroepen. Als kunstenaar voelde Segalen zich verwant aan grootheden als Joris-Karl Huysmans en Claude Debussy, aan stromingen als het symbolisme en impressionisme.

Het reizen door China was in deze jaren een hele onderneming, zowel door de afstanden als de onbetrouwbaarheid van de wegen. Langdurige regenval kon redelijk begaanbare routes veranderen in rivieren van modder die wekenlang onbegaanbaar bleven. Ook verdwaalde de gids weleens. Segalen schrijft uitvoerig over deze reiservaringen. Wat verbazend goed functioneerde waren de posterijen. Het is haast komisch om te lezen hoe hij en zijn Yvonne elkaar per brief wisten te bereiken terwijl de een zich in het diepste binnenland van China bevond en de ander aan boord van een schip dat op weg naar Shanghai havens als Aden, Colombo en Singapore aandeed.

In 1906, kort na terugkomst van zijn reis naar Polynesië, had Segalen verklaard: ‘Ik ben geboren om te zwerven, om alles te zien en te voelen wat er op de wereld gezien en gevoeld kan worden. Ik wil mijn collectie uitbreiden. Om te beginnen met het Verre Oosten’. Dat Verre Oosten, in dit geval China, beviel hem zo dat hij er na zijn trektocht een poos met Yvonne zou blijven wonen. Nog tijdens de reis schreef hij haar met de gedachte te spelen in Saigon of Peking een goedlopende huisartsenpraktijk over te nemen. Zo’n definitief thuis werd China niet voor hem en zijn gezin, maar hij zou er wel enkele jaren blijven. Het waren gelukkige jaren. Hij reisde rond voor archeologisch onderzoek, waarbij hij opzienbarende ontdekkingen deed. Daartussendoor gaf hij colleges aan de medische faculteit in Tianjin en werd hij in 1912 benoemd tot privé-arts van Yuan Shikai, de eerste president van de Republiek China.

In 1914 werd hij als militair arts opgeroepen voor dienst in de Eerste Wereldoorlog. De verschrikkingen van de loopgraven zouden hem diep aangrijpen. De laatste jaren van zijn leven leed hij aan depressies. In 1919 overleed hij door een ongelukkige val, tijdens een eenzame wandeling in het bos, niet ver van zijn geboorteplaats Brest. Zijn literaire werk, waarvan op dat moment slechts een fractie was gepubliceerd, zou pas een halve eeuw later meer bekendheid krijgen. Met Brieven uit China als zijn meest gelezen werk.

Victor Segalen
Brieven uit China
Vertaald, geannoteerd en van een nawoord voorzien door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts
362 blz
De Arbeiderspers, privé-domein nr. 253

woensdag 4 september 2019

Voor galg en rad ...

Vroeg in de ochtend van de 8ste juli 1895 vermoordde de dertienjarige Robert Coombes zijn slapende moeder met een of meerdere messteken. Daarna kleedden hij en zijn één jaar jongere broertje Nattie zich netjes aan, namen wat geld mee en trokken naar de chique Londense wijk St. John’s Wood, waar ze op de Lords Cricket Ground een spannende wedstrijd zagen. Ook de volgende dagen van die warme junimaand trakteerden ze zichzelf op uitjes. Hun vader, steward op een vrachtschip, was op weg naar New York. Hun moeder werd door de buren in de nette arbeiderswijk waar ze woonden wel gemist, maar de jongens zeiden dat ze voor familiebezoek naar Liverpool was. Na een dag of tien roken die buren een vreemde stank. Omdat de broertjes hen niet binnenlieten, haalden ze de politie erbij. Die trof in de slaapkamer het dode lichaam van de vrouw des huizes aan, in verregaande staat van ontbinding en bedekt met aaseters. Een onbeschrijfelijk gruwelijk tafereel.

Dit verhaal heeft veel weg van het script van een horrorfilm. De kranten in Londen en ver daarbuiten wisten er dan ook wel raad mee. Na de sensationele koppen de dag na de ontdekking deden ze ook verslag van het vervolg: het politieonderzoek, de verhoren van de jongens en hun na enkele weken teruggekeerde vader, en natuurlijk van de rechtszaak. Mede daardoor is dit een van de bekendste Engelse moorden. In The Wicked Boy. The Mystery of a Victorian Child Murderer beschrijft Kate Summerscale de hele geschiedenis, van de moord tot het overlijden van beide jongens vele jaren later, als volwassen mannen. Ze doet dat op een wijze die het een veel rijker en complexer verhaal maakt dan de moordzaak alleen. Zo gaat ze op zoek naar de gedachtewereld van Robert, probeert te analyseren waardoor hij werd geïnspireerd, wat hij meemaakte en wat hij las, wat hem kortom zou kunnen hebben aangezet tot de moord. Zij ontdekt dat hij graag zogenoemde ‘Penny Dreadfuls’ las, versimpeld opgeschreven avonturen- en griezelverhalen die je indertijd voor een penny kon kopen. Op zijn kamer lagen stapels van dat spul.

Ook de rechtszaak en de jaren die Robert in de gevangenis doorbracht worden door Summerscale aan een nauwgezet onderzoek onderworpen én in een bredere context geplaatst. De wijze waarop rechters, juristen en psychologen tegen jeugdige delinquenten aankeken, hun misdaden analyseerden en de mate en vorm van straf bepaalden levert een voor mij als leek fascinerend beeld op. De gevangenis waarin Robert uiteindelijk terechtkwam, het Broadmoor Criminal Lunatic Asylum, was een wereld op zich. Een wereld die Robert uiteindelijk omvormde tot een man die weer op de maatschappij kon worden losgelaten. Summerscale’s uitvoerige beschrijving van het leven in die instelling, de talrijke ‘karakters’ die Robert daar ontmoette en de behandelmethoden waarvoor werd gekozen maken ook van dit deel van het verhaal weer een klein essay in sociale geschiedenis.

Met Robert kwam het uiteindelijk goed. Hij zou als militair zelfs heldendaden verrichten in een van de bloedigste veldslagen van de Eerste Wereldoorlog, die bij het Turkse Gallipoli. Wanneer Summerscale voor haar onderzoek naar het latere leven van Robert afreist naar de Australische outback, komt ze alleen maar mensen tegen die hem zich herinneren, zelf of uit de verhalen van hun ouders, als een voorbeeldig en goedhartig mens.

The Wicked Boy verscheen in 2016. Vertaald in het Nederlands werd het niet. Dat is jammer, want door de opzet, het voorbeeldige en uitputtende onderzoek dat Summerscale ervoor verrichtte, alsmede door haar vlotte stijl van schrijven is het een boek dat een groot publiek verdient.

Kate Summerscale
The Wicked Boy. The Mystery of a Victorian Child Murderer
378 blz
Bloomsbury

vrijdag 30 augustus 2019

Wachten op Goethe

Wat hebben het provinciaalse Franeker en het verlichte Weimar met elkaar te maken? Niets, zou je zeggen. Een grotere tegenstelling tussen twee stadjes lijkt nauwelijks denkbaar. Maar met de publicatie van De ziekte van Weimar, de recent verschenen roman van Kees 't Hart, verandert dat. 't Hart beschrijft daarin een geschiedenis die zich afspeelt in het jaar 1807. Het bestuur van de Academie, de Franeker universiteit, ziet met lede ogen steeds meer studenten kiezen voor de veel grotere universiteit in het nabij gelegen Groningen. Om dat proces te stoppen wordt bedacht dat er in Franeker een monument zou moeten komen dat de grote waarde van de universiteit en de wetenschapsbeoefening belicht. Een monument dat de aandacht moet trekken van koning Lodewijk Napoleon, die dan vervolgens meer middelen beschikbaar zal stellen waardoor Franeker haar Academie een 'boost' kan geven. Is de gedachte ... Een monument heeft men ook al op het oog. Het is de Stein des guten Glücks, een stenen bol die op een stenen vierkant rust. Het origineel daarvan staat in de tuin van het Gartenhaus van niemand minder dan Johann Wolfgang von Goethe, in Weimar. Goethe ontwierp het monument tientallen jaren eerder, naar het schijnt als cadeau voor zijn vriendin Charlotte von Stein. Het is een van de vroegste abstracte sculpturen, misschien wel de vroegste. Over de betekenis ervan bestaan veel theoriën. Dat de kopie naar dit beeld dat voor Franeker zal worden gemaakt veel groter zal moeten zijn staat buiten kijf. Hoe groter, des te meer indruk het zal maken.

In het eerste deel van de roman bevinden we ons in Franeker. In het hoofd van Albert van Huszen, de universiteitsklerk die zal worden belast met de opdracht om naar Weimar te reizen en aan Goethe toestemming te vragen voor de kopie. Albert is een vrijgezel die samenwoont met zijn zus, die weduwe is. Die zus is de enige jonge vrouw waarmee Albert een normale relatie heeft, het gezelschap van andere huwbare dames levert hem meestal zo'n spanning op dat hij bij de minste aanraking een zaadlozing heeft. Hij mijdt hun gezelschap dan ook zoveel mogelijk, wat de hunkering en dus het probleem alleen maar verergert. In deze ietwat overspannen toestand hoort Albert op straat de eerste geruchten over het plan voor het monument en ontdekt hij in de bibliotheek van zijn zus langzaam wie Goethe is. Bladerend door Das Leiden des Jungen Werthers stuit hij op een gedicht waaruit hij meent op te maken dat ook Werther, en dus wellicht ook diens schepper, last heeft van hetzelfde probleem. De ziekte van Weimar.

Zo compact en overtuigend als 't Hart de aanloop schetst, is het vervolg helaas niet. Vanaf het moment dat Albert samen met drie hoogleraren in een koets richting Weimar stapt lijkt de focus verdwenen. Waren de scènes in Franeker soms op een koortsachtige manier dwingend, Alberts lotgevallen tijdens de reis en in Weimar zijn dat niet. In de Duitse gebieden zijn de Napoleontische veldslagen net achter de rug. Er zwerven nog veel losgeslagen soldaten rond, rovend en plunderend. De Franeker delegatie zal dat aan den lijve ondervinden. Dat, en verwikkelingen die daaruit volgen, levert verhaallijntjes op die het kernverhaal enigzins versluieren. Bezwaarlijker is voor mij dat sommige van de veelbelovende verhaalelementen niet lijken te landen noch worden afgehecht. Of nogal onrealistisch blijken te zijn. Ik las door omdat het verhaal best onderhoudend is, maar veel indruk maakte het niet meer. Het was eigenlijk wachten tot Goethe zou verschijnen. Maar of dat mijn verwachtingen inlostte ....

Kees 't Hart
De ziekte van Weimar
416 blz
Querido

zondag 25 augustus 2019

Kunstenaars & de Russische Revolutie

Ooit hadden avant-gardistische kunstenaars het in Rusland voor het zeggen. Dat was in 1918, kort na de Russische Revolutie. De bolsjewieken, die uit alle macht probeerden de gigantische omwenteling die ze in gang hadden gezet onder controle te houden, benoemden een handvol kunstenaars op hoge ambtelijke posten in het ‘Volkscommissariaat van de Verlichting’. Van de kunstenaars in kwestie, onder wie Kazimir Malevitsj, Vasili Kandinsky en Marc Chagall, werd verwacht dat zij een revolutionaire koers zouden uitstippelen voor de kunsten, een koers waarbij de kunst zou worden ingezet om de maatschappij te helpen omvormen. Maar zoals bij meer bevlogen ideeën van Lenin en zijn kameraden duurde de droom maar kort, hielp de realiteit van alledag haar om zeep. Sjeng Scheijen beschrijft in De avant-gardisten. De Russische Revolutie in de kunst 1917-1935 minutieus hoe dit proces verliep. Hij maakt daarbij ruim gebruik van egodocumenten van de betrokken kunstenaars, zoals dagboeken en brieven, zodat je als lezer het gevoel krijgt het van zeer nabij mee te maken.

Wisten de bolsjewieken wie ze benoemden? Jazeker, daarover mag geen twijfel bestaan. De abstracte kunst die het merendeel van deze kunstenaars vervaardigde werd al voor de Eerste Wereldoorlog in tentoonstellingen gepresenteerd én door de pers besproken. Het suprematisme, zoals zij hun abstracte kunst noemden, had zich een plek verworven. Een van de krachtigste schilderijen in deze stijl, Majevitsj’ doek Zwart vierkant, stamt al uit 1913. Dus de heren – en een enkele dame – waren bekend.

Monumentale propaganda, dat is waar de kunstenaars zich in die eerste periode het meest mee bezighielden. Voor de grote socialistische herdenkingen en andere evenementen bedachten zij de artistieke aankleding. Hoogtepunt was de installatie die ze ontwierpen voor de viering van de eerste verjaardag van de revolutie op het plein voor het Winterpaleis in Petrograd, nu Sint-Petersburg. Dat door-en-door historische plein, met een oppervlakte van ruim vijftig hectare, werd met behulp van meerdere immense, felgekleurde suprematistische installaties ‘de nieuwe tijd ingeschopt’.

Het hart van de avant-gardisten lag bij de vernieuwing van het kunstonderwijs. De realisatie daarvan zou pas een echte omwenteling betekenen. De hoogste kunstopleiding in Rusland, de traditionele Keizerlijke Academie, was reeds door de bolsjewieken opgeheven. Dat maakte het voor de avant-gardisten mogelijk om al in de zomer van 1918 de afdelingen van die Academie in Moskou en Petrograd om te vormen tot ‘Vrije Statelijke Kunstateliers’ waar zijzelf de belangrijkste docenten werden. In de statige, paleisachtige gebouwen betrokken zij ook hun ateliers. Op foto’s uit deze periode kijken de avant-gardisten zelfbewust in de lens, voldoening uitstralend over het plotselinge geluk dat hen ten deel is gevallen. Dat in het Rusland van net na de revolutie voedsel en brandhout schaars waren, en ze vaak hongerig en in koude ateliers de kunstgeschiedenis een nieuw élan gaven, was bijzaak.

Die nieuwe kunst werd al snel opgemerkt in het westen. Majevitsj, Kandinsky, Chagall en Vladimir Tatlin werden daar graag geziene exposanten. Het is schrijnend dat tegelijk met de grotere aandacht in het westen de positie van de kunstenaars in Rusland zelf onder druk kwam te staan. De ineenstortende landbouw en economie, de dood van Lenin en de opkomst van de sociaal-realistische kunst als de officiële partijkunst drong hen in een hoek.  Na 1925 vertrokken de meeste avant-gardisten naar de provincie of, zoals in het geval van Chagall, naar het westen. Degenen die achterbleven moesten meemaken hoe hun verdere loopbaan zich afspeelde in de uiterste marge van de kunstwereld.

Deze summiere weergave doet geen recht aan het karakter van Scheijens boek. Bijna zeshonderd bladzijden lang neemt hij je mee in de wereld van de avant-gardisten, toont hij je hun ambities, hun hart. Zij deelden veel van hun dromen, maar het waren tegelijk ook zeer onderscheiden karakters. Zo bevlogen en dominant als Majevitsj was, zo poëtisch en visionair was Tatlin. Dat diens befaamde ontwerp voor het monument voor de IIIde Internationale uit 1919 de omslag van het boek siert is meer dan terecht. Als er één kunstwerk is dat vrijwel alle facetten van deze periode in de Russische kunst in zich vertegenwoordigt, dan is het dit fragiele, uit houten latjes samengestelde model voor een toren van honderden meters hoog die de nieuwe maatschappij moest symboliseren. Het zou er niet van komen, het monument niet en de gedroomde samenleving evenmin.

Sjeng Scheijen
De avant-gardisten. De Russische Revolutie in de kunst 1917-1935
588 blz
Prometheus