zaterdag 4 november 2023

Doorzonwoning in een museumzaal

Hoe zou het zijn om een schrijver aan het werk te zien? Gebeurt er dan genoeg om je aandacht vast te houden? Of moet je de beleving zelf invullen? Mij lijkt het laatste het meest waarschijnlijk, maar dat zou misschien per auteur kunnen verschillen. Afgelopen februari konden bezoekers van het Koninklijk Museum voor Schone Kunst Antwerpen het ervaren. Saskia de Coster zat daar op een van de zalen in een glazen cabine, met alleen een bureau en haar laptop. En een stapel boeken van andere auteurs, voor de niet-schrijfmomenten. ‘The author is present’ heette de – ja, hoe noem je zoiets, een performance? In een reportage op internet vraagt een journalist bezoekers naar hun indrukken. ‘Het intrigeert me’, antwoordt een oudere meneer. ‘Dapper’, zegt een jongeman. Maar ze lijken er wat verwonderd naar te kijken. De oudere bezoeker steekt, alvorens de zaal te verlaten, zijn duim op naar De Coster. Het voordeel van de twijfel?

De roman die Coster in haar glazen hokje schrijft is Net echt, enkele maanden na de act verschenen. Het is het verhaal van Max en Manon, en hun opgroeiende dochter Noah. Hij is architect, zij jurist. Ze wonen in een welgestelde buurt in Antwerpen. Aan het begin van het verhaal wordt hun dochtertje geboren, aan het einde slaat die haar vleugels uit. Daartussen gaat een half leven voorbij, gevuld met de hoogte- en dieptepunten die zo’n beetje in ieders leven voorkomen. En met die dagelijkse brij die bij onzorgvuldige omgang ermee uitgroeit tot een sleur. Manon maakt carrière in een nieuwe baan, een start-up die automobilisten wereldwijd  assisteert bij het vinden van vrije parkeerplekken. Tegen het einde van de roman verhuist ze er zelfs voor naar Californië. Max dreigt van zijn werk een burn-out te krijgen en wordt huisman. En begint een affaire met de buurvrouw. Hun dochter laveert tussen beide ouders, heeft met geen van beide een sterke band en voelt zich gaandeweg emotioneel wat gehavend  en gebutst worden. Maar leert daarvan.

Een gezin waarbij de schrijver je naar binnen laat kijken. Als woonde het niet in een herenhuis in Antwerpen in Antwerpen maar in een Hollandse doorzonwoning. Zou dat de relatie zijn met het glazen kamertje in het museum? Ik betwijfel het, te simpel.

Ook tijdens het lezen ‘zie’ je trouwens de schrijver aan het werk. Tussen de hoofdstukken door die steeds aan een van de personages zijn gewijd, neemt ook De Coster in eigen hoofdstukjes de gelegenheid om opmerkingen te maken, zaken te verduidelijken, te vertellen over haar eigen leven en zo meer. Soms voegt dat iets toe, andere keren vraag je je af wat ze ermee beoogt. 

Ik luisterde het boek, nadat ik in de boekhandel wat gebladerd en gelezen had. Daardoor mis je de bijzondere vormgeving, waar duidelijk over is nagedacht. Maar wat je met luisteren ontegenzeggelijk wint is levendigheid. En dat kan dit verhaal, dat deels bestaat uit vrij alledaagse en soms voorspelbare gebeurtenissen, wel gebruiken.

Saskia de Coster / Net echt / Luisterboek, voorgelezen door Lore Dejonckheere / 3 uur en 45 minuten / Das Mag Uitgevers, 2023 / via Storytel

donderdag 2 november 2023

De werkbare waarheid

De term ´werkbare waarheid´ klinkt niet heel fris. Hij roept een beeld op van subjectief geschipper, van compromissen aangaan en van het eigenbelang laten prevaleren boven dat van de gemeenschap. De term wordt - iets te vaak - gehanteerd door enkele van de personages in Schemering, de nieuwe roman van Philippe Claudel. In de eerste bladzijden daarvan wordt de pastoor van een landelijk dorpje dood aangetroffen op straat. Zijn schedel is ingeslagen. Het oplossen van deze moord is de taak van de Politieman en zijn assistent, de Plaatsvervanger. Maar al snel merken zij dat de notabelen van het dorpje driftig meedenken en met de namen van mogelijke daders komen aanzetten. In hun ogen kan het niet anders dan dat een van de moslims die in het voornamelijk christelijke dorp wonen de dader is. Waarmee het ineens een religieuze moord is geworden. Dat is een werkbare waarheid, en tegelijk de waarheid van de meerderheid. Want de oplossing is simpel: het elimineren van het groepje moslims.

De personages die deze roman bevolken hebben vanzelfsprekend allemaal een naam, maar Claubel noemt ze bij hun functie: Pastoor, Imam, Burgemeester, Notaris, Dokter, Bisschop, Commandant, Markgraaf en, zoals al genoemd, Politieman en Plaatsvervanger. Uitsluitend bij  die laatste twee maakt hij werk van een karakterbeschrijving, vrijwel alle anderen zijn types met maar één uitgesproken karaktertrek die door Claudel flink wordt aangezet: de Burgemeester is laf, de Bisschop lui, de Commandant doet aan damage control enzovoorts. 

Het verhaal is gesitueerd in een niet nader benoemd gebied aan de rand van een groot rijk. Ver van het dorp, in de hoofdstad, zetelt de keizer. Het zal omstreeks 1900 zijn, in de nadagen van de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie. De monarchie waarin er voor lang niet alle bevolkingsgroepen vrijheid van denken en geloof was. Even verderop van het dorp, net over de grens is de Islam een belangrijk geloof.

Tijdens een groot deel van het verhaal is het dorpje als gevolg van heftige sneeuwval zo goed als geïsoleerd van de buitenwereld. Dat geeft een ietwat beklemmend effect dat de dramatische werking van het verhaal, de jacht op een moordenaar, versterkt. Maar Schemering is veel meer dan een prettig weglezende thriller. Het is een doordachte schets van een samenleving onder allerlei soorten van druk, een maatschappij die tot stilstand lijkt te komen, waarin al te lang allerlei doodlopende paden worden bewandeld. Waarin mensen niet langer zelf hoeven na te denken, dat doen de bestuurders wel. En waarin bewijs niet meer nodig is om een moordenaar aan te wijzen. 

Philippe Claudel / Schemering / Vertaald uit het Frans door Manik Sarker / 414 blz / De Bezige Bij, 2023

zondag 29 oktober 2023

Hellevaart op de Congo

In 1899 verscheen in drie achtereenvolgende nummers van het Britse tijdschrift Blackwood´s Magazine een roman die wereldberoemd zou worden: Heart of Darkness. Het is het verhaal van een tocht over de Congorivier, stroomopwaarts, het donkere binnenland in. De schrijver, Joseph Conrad, putte uit eigen ervaring. Een kleine tien jaar eerder had hij als kapitein van een stoomboot diezelfde tocht gemaakt. In de roman krijgt ene Charlie Marlow opdracht die tocht ook te maken, met een tweeledig doel: een lading ivoor bemachtigen en het traceren van de handelsagent Kurtz, die geflipt is en midden in de jungle een eigen staatje heeft gecreëerd. Het lukt Marlow om Kurtz te vinden, die inderdaad een volstrekt bandeloze tiran blijkt te zijn. 

De roman zou een bron van inspiratie worden voor schrijvers en filmers waaronder – de meest beroemde ontlening – Francis Ford Coppola’s speelfilm Apocalypse Now. Daar is het verhaal weliswaar verplaatst naar Vietnam en Cambodja omstreeks 1970, maar in de kern intact gebleven. Marlon Brando speelt op onnavolgbare wijze Kurtz, nu een gedeserteerde Amerikaanse kolonel.

Ook in de Nederlandse literatuur heeft Conrads roman sporen nagelaten. De vroegste, in moment van verschijnen vrijwel aansluitend op Conrad, is de roman Tropenwee van Henri van Booven. Fragmenten daaruit verschenen vanaf 1901 in verschillende bundelingen en literaire tijdschriften, in 1904 publiceerde Van Booven het uiteindelijk in boekvorm. Tropenwee groeide in de decennia erna met maar liefst achttien drukken uit tot een van de meest succesvolle Nederlandse romans uit die jaren. Maar na de laatste druk, in 1948, verdween het volledig van de radar. De Belgische uitgeverij Davidsfonds bracht eerder dit jaar een mooie nieuwe editie uit. Naast de roman vinden we daarin ook brieven en dagboekaantekeningen die Van Booven tijdens de tocht schreef. Want hij maakte, net als Conrad, daadwerkelijk de reis over de Congo.

Conrad was scheepskapitein van beroep, voor hem betekende de reis over de Congo niet meer dan een van zijn vele opdrachten. Maar wat dreef een jongeman van 21 jaar om in dienst te treden van de Nieuwe Afrikaansche Handels-Vennootschap (NAHV) en in oktober 1898 in Antwerpen in te schepen op een luxe passagiersschip met bestemming Congo, in de wetenschap dat een groot deel van de ambitieuze jonge mannen die ditzelfde deden binnen korte tijd bezweken aan een tropische ziekte? In zijn dagboek schrijft hij: ‘Ik verliet Holland om in de Congo geld te verdienen, me in het Engels te bekwamen doch in de eerste plaats om als journalist iets van de wereld te zien en ondervinding op te doen.’ Ondervinding zou hij krijgen.

Congo-Vrijstaat was ontstaan tijdens de zogenoemde Conferentie van Berlijn in 1884, waar Europese mogendheden onder leiding van kanselier Bismarck Afrika onder elkaar verdeelden. De nieuwe kolonie werd niet toegewezen aan een land, maar werd het particuliere bezit van de Belgische koning Leopold II. Deze had zich enkele jaren eerder de oneindige mogelijkheden van het gebied gerealiseerd en had de ervaren ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley ingehuurd om de talloze lokale stammen zover te krijgen dat zij hun landrechten aan hem zouden afstaan. Dat lukte Stanley binnen enkele jaren, dus had de koning tijdens de bijeenkomst in Berlijn recht van spreken – vond men. En mocht hij zich de gelukkige eigenaar noemen van een immens gebied dat extreem rijk was aan de meest gewilde grondstoffen en andere producten.

Van Boovens alter ego in de roman heet Jules. Op de boot naar Congo, een reis van drie weken, leest hij de reisverslagen van Livingstone en Stanley. Hij voelt zich herboren, deel uitmakend van een grandioos project: ‘Een nieuwe, geweldige wereld vol ontzaglijke belofte leefde in zijn verbeelding, hij was stil verheugd dat het einde van de reis nu snel ging komen, hij zag er vol begeerte en verwachting naar uit.’ Na aankomst wordt hij direct doorgestuurd naar zijn post in de binnenlanden. Gaandeweg bekruipen hem dan wat onrustgevoelens, veroorzaakt door geluiden in de nacht, door de wijze waarop de ‘witte mannen’ gedreven door eigenbelang de ‘zwarten’ als vuil behandelen, door signalen van corruptie of moedwillige verloedering, door het lek geprikt worden door muggen en ga zo maar door. Het betekent een aanslag op lichaam en geest. De jubelende stemming van Jules maakt tijdens de tocht naar zijn factorij plaats voor de eerste tekenen van uitputting. Op een wrakke boot, van God en alle mensen verlaten, en ver van enige vorm van medische hulp, krijgt hij malaria en zinkt weg in een delirium.

Van Booven hield van mooi schrijven. Van woordkunst. Zakelijkheid en realisme maken dan ook bij vlagen, vooral in de koortsachtige passages of bij de beschrijving van natuurverschijnselen, plaats voor een overdadige schrijfstijl:

De Holland kwam nu recht op de steile, rode rotsen aan, die, zo dicht bij de plaats waar de rivier in Stanley Pool mondt, dreigend uit het gele water van de stroom zich hieven. De lage zon deed tegen de loodrecht opstaande wanden een wild gespeel van enorme schaduwen gaan, schaduwen die velerlei grillig gevormde, loerende monsters geleken. […] Hier kropen de oevers naar elkander toe. Langzaam, gestadig vernauwde zich dit uitgestrekte watervlak weer tot een rivier, die zo snel tussen de bergen zich wrong, dat de oude, wrakke Holland daar bijna niet vorderde. In het woeste licht van de rode avond geleken nu de nabije, purperen rotsen de grimmige wachters voor de ingangen van oorden waarheen de hopeloze, eeuwig rampzalige gedoemden gaan ….’

Het is een heel persoonlijke, hartstochtelijke stapeling van beelden. Zwanger van een broeiend noodlot. Luc Renders, die een nawoord verzorgt, heeft het over ‘een gekunstelde woordlawine waarin de lezer volledig ondergedompeld wordt.’ Op mij kwam het over alsof je niet met Jules maar met Couperus op de Congo vaart -alleen was die een begaafdere stilist.

Wekenlang zweeft Jules op het randje van de dood, maar hij overleeft zijn hellevaart. Verzwakt wordt hij op de boot naar huis gezet. Lang heeft zijn verblijf in Congo niet geduurd, maar daar heeft hij achteraf vrede mee. De lokale kerkhoven liggen immers vol met jongens die nog geen vijfentwintig zijn. Hij heeft geluk gehad.

Congo als een plek die je lichaam sloopt, die je geest afstompt, die je ertoe brengt medemensen te behandelen als vee: ziedaar het thema van Tropenwee. Het is geen aanklacht tegen het kolonialisme op zich, tegen onderdrukking. Al zal Van Booven in de jaren erna, bij meerdere van de vele herdrukken, aanpassingen doen om de roman te laten aansluiten bij de veranderende publieke opinie, de tijdgeest zo u wilt. Maar dat is een stukje literatuurgeschiedenis. 

Van Booven zou nooit meer zo’n avontuurlijk project ondernemen. Maar het schrijven en de journalistiek hadden hem na Tropenwee wel gegrepen. Hij zou nog tientallen romans schrijven, die echter nooit het succes van zijn debuut evenaarden. Zijn journalistieke werk verrichtte hij voor de NRC. En in 1933 publiceerde hij de eerste biografie van zijn grootste literaire held. Wie dat was? Louis Couperus, vanzelfsprekend.

Henri van Booven / Tropenwee / Met een nawoord van Luc Renders / 477 blz / Uitgeverij Davidsfonds, 2023

donderdag 26 oktober 2023

Het eilandgevoel

Dörte Hansen schrijft over het verloren gaan van een manier van leven, van landschappen, van groepen mensen die voelen dat ze met elkaar zijn verbonden. Dat was zo in haar eerste twee romans, Het oude land en Het middaguur (zie dit weblog respectievelijk 15 september & 25 oktober 2020). Het fruitteeltgebied bij Hamburg stond centraal in haar eerste boek, het boerenland van het eveneens Noordduitse Sleeswijk-Holstein in het tweede. Ditmaal blijft ze weliswaar in de noordwesthoek van Duitsland, maar benoemt het gebied nadrukkelijk niet: ‘Op een eilandveer, ergens in Jutland, Friesland of Zeeland, …’, opent ze de roman. Naar zee speelt zich af op een willekeurige plek, een locatie die model kan staan voor zovele van dergelijk eilanden voor de Deense of Duitse kust.

Het is de wereld van de lokale visserij die langzaam maar zeker verloren gaat. Bij nacht en ontij uitvaren voor een schrale vangst loont steeds minder, weegt niet meer op tegen de hoge brandstofprijzen en het arbeidsloon. Je boot ombouwen zodat je er in de zomermaanden toeristen mee op een ‘authentieke visvaart’ kan meenemen is beter voor jezelf en je banksaldo. Die toeristen zijn dan ook een zegen, maar voor anderen een gruwel: ze kopen karakteristieke eilandhuisjes die ze opknappen of verbouwen met nét die verkeerde instelling; voor het ‘eilandgevoel’ kopen ze smakeloze kunstobjecten die zijn vervaardigd uit wrakhout en ander aangespoeld spul; en ze bezoeken graag ‘havendagen’ en dergelijke voor hen bedachte evenementen die niets meer te maken hebben met het leven op het eiland, zoals het was.

Hansen laat haar verhaal vertellen door de leden van een gezin, de familie Sander. Vader Jens leeft al twintig jaar als een kluizenaar in een vogelreservaat voor de kust, nadat hij als kapitein van een vrachtschip een afschuwelijke ervaring had. Hanne, zijn echtgenote, woont nog in het familiehuis, runt het lokale museumpje en is in wezen net zo ontoegankelijk in de omgang als haar echtgenoot. Zoon Ryckmer lijkt op zijn vader, maar is daarbij ook alcoholist. Weinig in zijn leven gaat goed. Dochter Eske is verpleegkundige in het lokale verzorgingshuis en bestudeert als liefhebberij het eilanddialect – vindt in haar patiënten, oude mensen, een dankbare bron. De jongste zoon, Henrik, tovert strandvondsten om tot kunst en verdient daarmee een goede boterham. Daarnaast is er nog de dominee, wiens echtgenote kortgeleden naar het vasteland is verhuisd en die hem de meeste weekenden een bezoek brengt. Zijn geloof in God is niet meer heel rotsvast.

Zie daar de elementen van Hansens verhaal. Las ik de roman met plezier? Ja, zeker. De sfeer van het eiland en de onderlinge relaties van de hoofdpersonen zijn goed getroffen. Er wordt weinig gesproken, veel gedacht. Ook dat werkt prima. Maar ik was ditmaal niet zo onder de indruk als bij de eerdere boeken. Waar dat aan ligt, daar kan ik moeilijk de vinger op leggen. Is het misschien te bedacht, te veel een professioneel uitgedokterde formule die precies klopt? Welke streken of culturen zijn dan hierna aan de beurt? Samengevat: voor mij is de verrassing er een beetje af. Dat zal het zijn.

Dörte Hansen / Naar zee / Vertaald uit het Duits door Lucienne Pruijs / 270 blz / HarperCollins, 2023

zondag 22 oktober 2023

Een hofhouding zonder vorst

´En weg waren ze.´ Het is maar zelden dat een boek begint met een zo korte zin. Maar hij geeft precies aan wat er gebeurde in die meidagen van 1940, toen Nederland onder de voet werd gelopen door het Duitse leger. De koninklijke familie bevond zich bij de inval weliswaar in Den Haag, dus redelijk veilig. Maar gelet op de gebeurtenissen ieder uur wat minder veilig. Op 12 mei vertrokken daarom Juliana en Bernhard in een geheim transport. Het ging per gepantserde wagen van de Nederlandsche Bank naar IJmuiden, vandaar per torpedojager naar Engeland. Een dag later volgde Wilhelmina. Beroemd is de foto waarop ze met helm en gasmasker in de hand achter een marineofficier aanloopt. Slechts enkele van de meest vertrouwde hovelingen gingen mee. Voor het grootste deel van de hofhouding kwam het vertrek van de koninklijke familie als een complete verrassing. Van de ene op de andere dag waren de mensen voor wie ze werkten, wiens orders ze opvolgden, allemaal vertrokken. Ze voelden zich verweesd.

Flip Maarschalkerweerd, die van 2003 tot 2019 directeur was van het Koninklijk Huisarchief en de Koninklijke Verzamelingen, beschrijft in De achterblijvers. Het hof na de vlucht van Wilhelmina 1940-1945 op basis van uitvoerig onderzoek hoe het werkzame leven van de hoveling eruitzag gedurende de bezetting. Zijn jarenlange ervaring met het hofleven is daarbij een voordeel: hij is niet alleen de onderzoeker die de historische feiten analyseert en interpreteert, maar kan zich ook verplaatsen in de gemoedstoestand waarin vooral de hoger geplaatste leden van de hofhouding zich moeten hebben bevonden. Want die kregen nogal wat voor hun kiezen.

Het werd na de capitulatie al snel duidelijk dat de bezetter, onder leiding van Reichskommissar Seyss-Inquart, een benadering ‘met de fluwelen handschoen’ van het Nederlandse volk voorstond. Het zou immers na de oorlog onderdeel worden van het Groot-Germaanse Rijk. Maar toen de Nederlandse bevolking daar weinig voor bleek te voelen en verzetsacties organiseerde, maakte hij een draai. Een eerdere gedachte, afschaffing van het Nederlandse Koningshuis, onteigening van haar vermogen en bezittingen, en verkoop van die laatste in Duitsland, werd vanaf begin 1941 het officiële beleid.  Voor de uitvoering van dat project werd een speciale afdeling opgezet, die in de praktijk directe verantwoording aflegde aan Seyss-Inquart. De Keulse advocaat en Oberleutnant Karl Bockamp, die ervaring had met vermogensbeheer, werd aangesteld als waarnemend Verwalter en later liquidator. De man die feitelijk het project zou leiden. Met hem zou de hofhouding de komende jaren veel te maken krijgen.

Het plan leek overzichtelijk, om niet te zeggen simpel. Maar er waren wat hobbels. Zo was lang niet van alle paleizen de inventaris degelijk geïnventariseerd. Ontbrak een recente taxatie van vooral de kostbare objecten. Was tevens niet altijd duidelijk wat eigendom was van de Nederlandse Staat en wat van de koningin. Bovendien had Wilhelmina de tegenwoordigheid van geest gehad om bij haar vlucht kistenvol met waardepapieren mee te nemen. Waardoor een substantieel deel van het vermogen van de Oranjes zich buiten bereik van de Duitsers bevond. En de opbrengst van de door hen te organiseren verkoop kleiner zou zijn dan in eerste instantie gedacht. Desondanks probeerde een hofcommissie, samengesteld uit de leidinggevende leden van de hofhouding en aangestuurd door de hofmaarschalk, in nauwe samenwerking met Bockamp het project op de rails te krijgen. 

Wat dan volgt deed mij denken aan een schimmenspel, een spel waarbij niemand zich recht in de ogen laat kijken en waarvan de spelregels niet vastliggen. Om de zaak zo correct mogelijk uit te voeren streefde de hofcommissie ernaar te kunnen beschikken over volledige, heldere dossiers. Ze huurde deskundigen uit het erfgoed en de museale wereld in om te adviseren. Dirk Hannema, in die jaren nog directeur van Museum Boymans, was een van hen. Hij bleek net als enkele van zijn collega’s een meester in het slinks traineren. Van Duitse zijde was liquidator Bockamp bij alles betrokken. De werkrelatie tussen hem en de hofcommissie was prima. Ook hij realiseerde zich weliswaar dat de voortgang er niet echt in zat, maar accepteerde dit. De vertraging die dit alles veroorzaakte zorgde ervoor dat, afgezien van enkele minder belangrijke zaken, de verkoop nooit gerealiseerd zou worden. Was die vertraging een bewuste tactiek, in de gedachte van uitstel komt afstel? Maarschalkerweerd beschrijft het proces levendig en met oog voor detail. Maar de vraag waarom de Duitsers de vertragingstactiek van het hof zomaar accepteerden, ja waaraan Bockamp soms zelfs een steentje leek bij te dragen, lijkt niet te beantwoorden. Een schimmenspel.

Naast het gedoe met betrekking tot de bezittingen ging voor het grootste deel van de hofhouding – het ging om honderden werknemers - het dagelijkse leven gewoon door. Voor hofdames en kamerheren, die hun functies veelal als vrijwilliger uitoefenden, waren het zeer rustige jaren. Voor veel andere niet. De houtvesters bijvoorbeeld, die in de regio rondom Paleis Het Loo de uitgestrekte bossen beheerden en exploiteerden, was het werkzame leven in oorlogstijd niet wezenlijk anders. En hun functioneren was essentieel, de verkoop van hout droeg immers in belangrijke mate bij aan de inkomsten van het hof, en dus aan het kunnen uitbetalen van de salarissen. 

Leeg leken de meeste paleizen. Veel dagelijkse spullen zoals gebruiksmeubilair werden door de Duitsers afgevoerd naar het oostfront. Maar de kostbaarder zaken waren er nog steeds, opgeslagen in kelders en zolders. Met zulke gigantische hoeveelheden kisten was het relatief eenvoudig om schuilplaatsen te bouwen. Voor onderduikers. Men kwam voor elkaar en voor vrienden en familie op, zeker vanaf het begin van de verplichte arbeidsinzet. Intussen braken de Duitsers zich het hoofd over een nieuwe functie voor de paleizen: museum (Soestdijk), ziekenhuis en feestlocatie (bijgebouwen en hoofdgebouw Het Loo). Voor Huis ten Bosch dreigde lange tijd sloop, vanwege haar ligging in het Sperrgebiet

Tijdens het lezen van dit boek bekroop me af en toe wel het gevoel dat er ernstiger zaken speelden in de oorlog. Dat daarbij de zorg en aandacht voor het erfgoed van de Oranjes in het niet viel. Zo dachten Wilhelmina en Juliana er, op te maken uit hun briefwisseling, ook over. Maar voor de hovelingen verpersoonlijkte Wilhelmina het land, zij was een instituut. Door haar wekelijkse praatjes voor Radio Oranje verkreeg ze in deze jaren een status die ze voor de oorlog nooit had bezeten, zowel bij haar eigen werknemers als bij een groot deel van de bevolking. Haar symboolwaarde speelde tijdens de bezetting een grote rol. 

Van Maarschalkerweerd geeft de grote inzet die de meeste werknemers van de koningin aan de dag legden veel aandacht. Hij doet dat op correcte wijze, gebaseerd op de informatie uit de bronnen. Vanuit de objectieve instelling van de wetenschapper. Maar tegen het einde maakt hij zich flink boos. Op wie? Op Wilhelmina. Op de vrouw die na haar terugkomst de inzet van mensen die in haar geloofden, die hadden voorkomen dat haar bezittingen waren verkocht, beantwoordde met een grote mate van ondankbaarheid, soms welhaast met een vijandige opstelling. Het meest extreme voorbeeld hiervan is het ontslag van een medewerker, direct na haar terugkomst,  omdat hij met een Duitse vrouw was getrouwd. Waarbij Wilhelmina voor het gemak vergat dat ook zij met een Duitser getrouwd was geweest, en haar schoonzoon ook een Duitser was. Dat soort incidenten gaf een smet die zou blijven. Maarschalkerweerd: ‘voor mij viel ze door dat gedrag van haar voetstuk’. 

En prins Bernhard, heeft hij naast zijn schoonmoeder en echtgenote nog een rol in deze geschiedenis? Nauwelijks, hij nam immers deel aan de oorlogshandelingen. Hoewel … midden in dit toch wel kloeke boek stuit je op een uiterst interessante voetnoot. In een verslag over Bernhards pogingen om de vanwege verzetsactiviteiten gearresteerde Willem Roëll, de intendant van Soestdijk en houtvester van Het Loo, vrij te krijgen, iets waarvoor hij zijn vroegere Duitse netwerk aansprak, meldt Maarschalkerweerd dat hij tijdens het inventariseren van Bernhards persoonlijke archief stuitte op iets ‘dat geen parkeerbon’ was: de lidmaatschapskaart van de NSDAP. Waarvan hij dus tóch lid was geweest, tot zijn opzegging in 1937. Iets wat hij altijd ten stelligste heeft ontkend. De vondst van deze kaart leidde enkele weken geleden tot veel media-aandacht. Te veel, naar mijn idee. We zouden er toch al lang aan gewend moeten zijn dat deze ‘gigolo’ – de benaming is van Hitler -  altijd weer als een duveltje uit een doosje opduikt?

Met De achterblijvers heeft Maarschalkerweerd een genuanceerd, uiterst informatief en goed geschreven monument opgericht voor al die mensen wiens rol tot nu toe grotendeels in de schaduw bleef. 

Flip Maarschalkerweerd / De achterblijvers. Het hof na de vlucht van Wilhelmina 1940-1945 / 463 blz / Uitgeverij Balans, 2023

donderdag 19 oktober 2023

Een jaar tussen de boeken

Ik ben er nog niet geweest, maar dit is een boekhandel die ik ken als mijn broekzak: The Bookshop in Wigtown. Een beetje verstopt in landelijk Schotland, maar inmiddels bekend tot ver over de grenzen – bij liefhebbers van tweedehands boeken, dan welteverstaan. Dat is te danken aan Shaun Bythell, sinds 2001 de eigenaar. Een handvol jaren geleden schreef hij The Diary of a Bookseller, een dag-voor-dag verslag van zijn leven in zijn winkel, een jaar lang. Dat werd een (cult)hit, dus volgde Confessions of a Bookseller. Meer van hetzelfde, maar net zo leuk. Blogjes over beide boeken vind je eerder in dit weblog (3 maart 2018, 4 januari 2020). Het tweede blogje eindigde ik met de mededeling dat ik weliswaar uitkeek naar deel drie, maar dat ik daar vermoedelijk geen aandacht meer aan zou besteden. Omdat alles al is gezegd. Maar na lezing van het derde deel, Remainders of the Day, kan ik het toch niet laten.

Kort dan. De grootste tweedehands boekwinkel van Schotland, meer dan honderdduizend boeken op de plank. Bezoekers komen van heinde en verre. Veel buitenlanders, op hun vakantie. Wigtown ontwikkelde zich de afgelopen decennia tot een boekenstadje, met meerdere boekhandels en aan literatuur gewijde festivals. Je kan zelfs een weekje reserveren in The Open Book, een boekhandel die je in die week zelf moet runnen. Hoe leuk is dat niet!

Ook in dit boek weer kleurrijke klanten, vriendelijke mensen die na het overlijden van een familielid of vriend Shaun vragen de bibliotheek over te nemen of gratis af te voeren, slimme maar ook ietwat contactgestoorde stagiaires, kortom de dagelijkse sleur die in een winkel als deze natuurlijk nooit een sleur wordt. Bythells speelse filmpjes op youtube geven een goede indruk. En is hij het toch zat, dan is het maar een paar stappen naar het indrukwekkende Schotse landschap voor een flinke wandeling of heerlijk ontspannen vissen in de rivier.

Dit stukje schrijvend ontdek ik dat hij nóg een boek schreef, dat ik blijkbaar heb gemist. Seven Kinds of People You Find in Bookshops. Toch maar aanschaffen, denk ik... 

Shaun Bythell / Remainders of the Day. More Diaries from The Bookshop, Wigtown / 377 blz / Profile Books, 2022 

zondag 15 oktober 2023

Eindelijk ook verhalen

Een speeltuin, zo noemt Erwin Mortier het schrijven van korte verhalen. Of, iets serieuzer, een laboratorium. Werk voor de korte baan, ideaal om de gedachten te verzetten tijdens het schrijven van een roman: ‘Ze houden de vingers soepel, bieden mijn schrijversgeest verstrooiing en leeftocht tijdens de arbeid aan verhalen van langere adem – en ze scheppen genot’. Hij beschikte al jaren over een ‘rommelbak’ vol, variërend van een korte schets tot vrijwel uitgewerkte teksten. Maar publiceerde ze niet eerder. Nu, met de zojuist verschenen bundel Glorie en Heerlijkheid, is dat wel het geval. De ondertitel is dan ook wel passend: Eindelijk ook verhalen.

Wie enigszins bekend is met het oeuvre van Mortier zal veel herkennen: de plek - het landelijke gebied tussen Gent en Brugge; de tijd - een groot deel van de vorige eeuw bestrijkend; de levens van kleine mensen in kleine dorpen en het vermogen van Mortier om in hun hoofd te kruipen, hen zelf hun verhaal te laten doen. Dat geldt voor de vol melancholie en weemoed beschreven familiebijeenkomsten, voor Mortier vroege herinneringen. Hij is van 1965. Of voor de indrukwekkende alleenspraak van de iets oudere dorpsonderwijzer die, in afwachting van het openen van de schooldeur voor het nieuwe leerjaar, overdenkt hoe hij op deze plek is belandt. En wat hij nog uit het leven wil halen.

Maar wat bovenal herkenbaar is, is Mortiers magistrale taalgevoel, het vermogen proza welhaast te laten klinken als poëzie. Een van de mooiste passages is het begin van het verhaal Onder de bramen, waarin hij bedroefd terugdenkt aan een jeugdliefde:

Dat je nog altijd mijn dromen komt bezoeken, meer dan veertig jaar later, onaangekondigd, zoals engelen doen, die dragers van troebele openbaringen, had ik nooit verwacht. Dat je op de meest onverwachte momenten in mijn slaap en mijn botten komt verpoppen, in mijn borst een holte uitslijt waarin je om en om wentelt, misschien om de laatste scherpe kanten van mijn rouw glad te schrapen en wie weet jezelf weer tot een ovale foetus te polijsten die in het vruchtwater van mijn tanend geheugen wil baden – het blijft me verwonderen, en verwonden.

Ondanks al dat vijzelen en knarsen, en al dat droge witte poeder in mijn ziel, blijft het bijten, het gemis. En heel zal je verhakkelde lijf nooit meer worden, mijn jongen, tenzij hier misschien, op dit vel en in mijn hoofd, en in het geheugen van mijn huid – en dan nog: we wisten nooit goed waar te beginnen. Te geschrokken van onze honger naar elkaar, te gulzig ook.’ 

Het is een taal die niet alleen stilistisch overtuigt, het is ook persoonlijk, kwetsbaar en vol emotie in een mate die je niet vaak tegenkomt.

(And now for something completely different.) 

Een verrassing waren voor mij de verhalen waarin Mortier, een uiterst speelse Mortier, zijn fantasie en pen geheel de vrije loop laat. Zowel in het absurde als meer realistische. Wat te denken bijvoorbeeld van de piepkleine tuinkabouter die samen met zijn zus Margot onderdak heeft gevonden in de navel van een schone jongeling? ’s Avonds na de maaltijd, tegen bedtijd, gaat hij op pad, beklimt de borstkas tot aan een tepel en neemt dan even wat rust ter voorbereiding op de steile klim langs de hals naar de oorschelp: ‘De piepkleine tuinkabouter houdt ervan om wat te kunnen bezinken op je rechtertepel, om het panorama van de huidplooien in je oksels, zo maanlandschapachtig zijdezilverzacht, in te drinken met zijn blik.’ De piepkleine tuinkabouter inspireert Mortier tot maar liefst drie verhalen, verrukkelijke mengsels van diepe gedachten en absurde situaties.

Het titelverhaal, Glorie en Heerlijkheid, is in al zijn eenvoud misschien wel het meest vermakelijk. We zijn in het Vaticaan, waar zojuist door de stemgerechtigde kardinalen een nieuwe paus is gekozen. Maar er lijkt iets mis te zijn. Geen van de drie beschikbare soutanes, van small tot large, kan door de pauselijke kleermaker snel worden vermaakt, noch ingenomen, noch uitgelegd. Op hém, afkomstig uit de Congo-delta,  hadden ze blijkbaar echt niet gerekend. En tijdens de balkonscène hoort hij de massa wel hartstochtelijk ‘Viva la Papa’ joelen, maar hij ziet ze niet. En zij zien hem niet ...

Het mag duidelijk zijn, met deze bundel overtuigt Mortier ook als verteller van korte verhalen. Van mij mag hij nog eens een greep doen in zijn ‘rommelbak’.

Erwin Mortier / Glorie en Heerlijkheid. Eindelijk ook verhalen / 315 blz / De Bezige Bij, 2023