vrijdag 17 juli 2015

Dordrechts' beroemdste dichter

Een van de bekendste gedichten in de Nederlandse literatuur ontstond in een sanatorium. Het jaar van schrijven was 1942, de plek het sanatorium Zonnegloren te Soestduinen, de dichter heette C. Buddingh’. Hij was daar in augustus van dat jaar opgenomen met tuberculose, een kwaal die hem met tussenpozen tot 1949 patiënt zou laten blijven. Kees – de C. staat niet voor Cees – gebruikte de zee aan vrije tijd vooral om te lezen. In een hem toegestuurd kinderverhaal van de Engelse schrijfster Edith Nesbitt las hij over een  ‘bluebillgurgle’. Dat woord bleef hangen, hij ging er vervolgens mee spelen en de blauwbilgorgel was geboren: ‘Ik ben de blauwbilgorgel, / Mijn vader was een porgel, / Mijn moeder was een porulan. / Raban! Raban! Raban!’ luidt het eerste couplet van het gedicht De blauwbilgorgel. In het najaar van 1944 zou het clandestien worden gepubliceerd, samen met drie andere ‘gorgelrijmen’ over fantasiedieren.

Kees Buddingh’, geboren in 1918, had eind jaren dertig zijn eerste gedichten ingestuurd aan literaire tijdschriften. De zeven jaren die hij vanaf 1942 in het sanatorium doorbracht, een periode waarin hij soms flink ziek was en enkele zware operaties onderging, zorgden ervoor dat hij pas omstreeks 1950 aan het gewone leven kon gaan deelnemen. Bovenaan zijn lijstje stond toen trouwen met Stientje, zijn verloofde die al die jaren dat hij in het sanatorium verbleef op hem had gewacht. Daarvoor was geld nodig, en door zijn opleiding MO-Engels kon hij vertalen. Met de 250 gulden voorschot die hij van uitgeverij Bruna ontving voor de Nederlandse vertaling van John Galworthy’s The Forsyte Saga bekostigde hij zijn huwelijk.

Dat je van dichten alleen niet kunt leven heeft Buddingh’ zijn hele leven gevoeld. In de jaren vijftig scharrelde hij een inkomen bij elkaar als reclameschrijver, auteur van bedrijfsboeken, als samensteller van het Prisma Citatenboek en de Encyclopedie voor de wereldliteratuur,  als literatuurrecensent voor de krant Het Vrije Volk en als redacteur van het literaire tijdschrift Podium. Voor vier grote regionale kranten maakte hij samen met de Dordtse tekenaar Otto Dicke de dagelijkse strip Spekkie en Blekkie. Hij deed zelfs – tevergeefs - mee aan een prijsvraag voor het beste detectiveverhaal. In literair opzicht was in die jaren de publicatie van de Gorgelrijmen in 1953 een lichtpuntje. De oorspronkelijke, in 1942 geschreven reeks van vier gedichten was inmiddels uitgegroeid tot een serie van 23. De bundel genoot na verschijnen een zekere populariteit die met de jaren zou groeien. Vanaf het midden van de jaren vijftig schreef Buddingh’ gedichten over zijn grote liefde, de jazzmuziek. Die gedichten, geschreven in een nuchtere taal waarin humor en ernstige elementen werden gecombineerd, zonder beeldspraak en rijm - aaneengeschreven zouden  het prozateksten kunnen zijn – beschouwde hij zelf als het eigenlijke begin van zijn poëtische werk.

Wim Huijser, die zich al lange tijd met Buddingh’ bezig houdt en eerder publiceerde over deelonderwerpen, neemt in Dichter bij Dordt de ruimte om dit alles in detail te beschrijven. Het leest prettig, het is genuanceerd en doordacht opgeschreven en je merkt dat Huijser zijn onderwerp heel precies aanvoelt. Ook houdt hij wel van een beetje theater, want hij behandelt het kantelpunt in de literaire loopbaan van Buddingh’, dat plaatsvond in 1966, niet alleen op de chronologisch juiste plaats in de biografie maar geeft die eveneens als een pakkende proloog tot het boek.

Dat moment viel op maandag 28 februari 1966. De plaats van handeling was theater Carré in Amsterdam. Het evenement heette Poëzie in Carré. Simon Vinkenoog had de leiding. Op het podium zaten 25 dichters, oudere én jongere. Onder hen ook Adriaan Roland Holst, de ‘Prins der dichters’, die met zijn gedicht ‘Eens zullen allen / die tussen ons kwamen / zijn weggevallen ….’ grote indruk maakte. Ook Buddingh’ droeg voor uit eigen werk. Voor het eerst voor een groot publiek. Zijn gedicht heette ‘Pluk de dag’.

vanochtend na het ontbijt
ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,
dat het deksel van een middelgroot potje marmite
(het 4 oz formaat)
precies past op een klein potje heinz sandwich-spread
natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd
of het sandwich-spread-dekseltje
ook op het marmite-potje paste
en jawel hoor: …
het paste eveneens.

Buddingh’ las het voor met zijn ietwat rauwe stem, met de juiste intonatie en pauzes. De zaal ging plat. Volgens het Algemeen Dagblad was het optreden van Buddingh’ een van de hoogtepunten van de avond. De krant schreef dat hij door zijn ‘nuchtere vaststelling’ de beoogde sfeer van absurditeit had weten op te wekken. Gewone taal kan ook poëzie zijn.

In de bijna twintig jaar die Buddingh’ na deze avond nog restte was hij een ‘grote dichter’, een man die bij zijn vele lezers geliefd was. Die een drijvende kracht was achter het steeds succesvoller Poetry International. Maar ook een dichter die voor sommige recensenten en collega’s toch vooral een ‘minor poet’ zou blijven die weliswaar soms sublieme gedichten schreef vol creatieve vondsten, maar wiens productie als geheel beneden de maat bleef, of op zijn minst wisselvallig van kwaliteit was.

Populariteit heeft gevaarlijke kanten. Dat merkte Buddingh’ toen hij zich in 1969 liet verleiden – voor 250 gulden per aflevering – het televisieprogramma Poets te presenteren, dat werd gemaakt door Armando en Cherry Duyns. Het vergrootte zijn bekendheid, maar dat was niet om zijn gedichten. Hij werd een BN’er om zijn kop en zijn stem. Dat zinde hem niet. 

In 1970 begon hij zijn dagboeken te publiceren. Daarin geen grote gedachten, wel de dagelijkse bezigheden van hemzelf, zijn gezin en hun kat in een rijtjeshuis in Dordrecht. Een aantal delen lang werden de dagboeken goed verkocht, maar de herhaling werd langzaamaan een sleur. In 1978 maakte Willem Frederik Hermans in een paginagrote recensie in NRC Handelsblad korte metten met het meest recente deel. Dat was voor Buddingh’ een dreun waar hij lang last van zou hebben.

Huijser beschrijft helder en meeslepend hoe het dichterschap van Buddingh’ zich ontwikkelde en wat zijn bijdrage is geweest aan de dichtkunst in de jaren vijftig en zestig. Ook de mens Buddingh’, wiens leven zich grotendeels afspeelde in een straal van een kilometer rondom zijn huis in Dordrecht, komt tot leven. Een vriendelijke man, gesteld op zijn kat en pantoffels, zijn schrijfmachine en zijn sigaren, zijn voetbalclub – DFC Dordrecht – en zijn whisky. Een man die virtuoos kon dichten, mits hij de geest had. Een man die in de dagen vlak voor zijn dood genoot van de uitgave van de Nieuwe gorgelrijmen. Creatief tot het einde.

vrijdag 10 juli 2015

Don't Worry, Be Happy

Aan het eind van de jaren tachtig had Bobby McFerrin een wereldhit met het nummer 'Don't Worry, Be Happy'. Het is een van de vrolijkste en meest ontspannen liedjes die ik ken, de aanstekelijke melodie blijft na afloop nog lang in je hoofd hangen. De tekst verkondigt een dijk van een levenswijsheid: 'In every life we have some trouble / When you worry you make it double / Don't worry, be happy'. De mensen die toch gebukt blijven gaan onder hun zorgen wordt een oplossing geboden: 'Here I give you my phone number / When you worry call me, I make you happy'. Ik moest tijdens het lezen van Dertig dagen, de nieuwe roman van de Belgische auteur Annelies Verbeke, af en toe denken aan dit liedje. De hoofdpersoon van het boek, Alphonse Badji, lijkt de tekst ervan namelijk als zijn levensmotto te hanteren.

Alphonse is binnenhuisschilder. Hij is zojuist met zijn vriendin Kat verhuisd van Brussel naar Zoetemore, een klein dorp in de Westhoek, de Vlaamse streek die aan Frankrijk grenst. Alphonse is afkomstig uit Senegal. Hij is eigenlijk musicus van beroep, hij bespeelt de kora, een West-Afrikaans snaarinstrument. Maar in Zoetemore verdient hij de kost met het schilderen van interieurs. Dagelijks rijdt hij in zijn bestelbus naar een klus. Hij stapt met een opgeruimd gemoed door het leven, is bereid de problemen van Jan en alleman aan te horen en hen ook nog te helpen. Zijn open en relaxte houding maakt dat zijn opdrachtgevers zich ook openstellen, zelfs degenen die even moeten wennen aan het beeld van een donkere man. Bij vrijwel iedere klus ontstaat er zoiets als een vertrouwensband, luistert Alphonse geduldig naar de kleine en grotere problemen van de mensen. Dat hij hen probeert te helpen, of hen advies geeft, is voor hem vanzelfsprekend.

Die opdrachtgevers van Alphonse vormen gemêleerd gezelschap, het is haast onvoorstelbaar dat hij in de dertig dagen die het verhaal omvat met zo’n bonte stoet te maken krijgt. Maar leuk is dat wel. Er zijn de buurechtparen die elkaar haten maar die het tegelijk ook met elkaar doen; de oudere vrouw die een kinderkamer laat schilderen om daarmee van herinneringen verlost te worden; en een schrijfster die door de mannelijkheid van Alphonse wordt geïnspireerd tot een erotisch verhaal, dat ze hem vervolgens te lezen geeft. Ook de mensen met wie hij buiten zijn werk kennismaakt zijn opvallende karakters, zoals de jonge bakker van pitabroodjes wiens hartstocht eigenlijk blijkt te liggen in het vormen van kleine ijssculpturen waarmee de vrieskisten in zijn zaak vol liggen.

Tussen al deze serieuze, minder serieuze en soms kolderieke elementen door leef je mee met de verhouding tussen Alphonse en Kat. Die staat onder druk. Kat kan maar moeilijk  wennen op het platteland, zij mist de grote stad. Ook is zij net genezen van kanker, maar de onzekerheid dat de ziekte terug zou kunnen komen brengt haar uit haar evenwicht. Het zijn de positieve gelijkmoedigheid van Alphonse, hun grote liefde voor elkaar – zij kennen elkaar vanaf hun kindertijd – en hun wil om hun relatie te behouden die de echte kern vormen van het verhaal.

Het leven bestaat uit een aaneenschakeling van toevalligheden. Daarin toch de verbanden willen ontdekken en begrijpen, dat lijkt de motivatie van Verbeke te zijn. De liefde tussen twee mensen is zo’n verband. Ook de geschiedenis van een streek of landschap kan dat zijn. De Westhoek is getekend door de veldslagen en de loopgravenstrijd van de Eerste Wereldoorlog. Kat en Alphonse gaan daar, in gezelschap van hun hoogbejaarde buurman Willem, naar op zoek. Die plekken van herinnering geven het gebied een smoel. Het zijn juist deze twee aspecten, de liefde en de geschiedenis, die leiden tot de – voor mij - mooiste en meest wezenlijke passages in het boek. Zelfs wanneer de actuele geschiedenis uiteindelijk abrupt en onomkeerbaar ingrijpt in het leven van Alphonse blijft het mooi, zelfs poëtisch.

Na een dag schilderen en onderdompeling in de problemen van anderen luistert Alphonse op de terugweg in de auto graag en intens naar muziek: ‘Duke Ellingtons “Caravan”, in een versie van Dizzy Gillespie, hij kent ze. Kamelen trekken door de woestijn, maar de trompet zet fonteinen in werking. Het water vloeit langs zijn schouders, langs zijn rug. Die vreemde vioolsolo ook. Als het nummer voorbij is, zet hij de radio uit’. Ook wanneer hij die muziek zelf maakt, op de kora: ‘Voor de kora gaat verdriet nooit op een klacht lijken, passie niet op hysterie, kwetsbaarheid vervloeit evenmin in een nederlaag’. Jezelf heel bewust resetten, Alphonse kan dat. Don’t worry, be happy. En dat is precies wat dit goed en met plezier geschreven, speelse en verrassende boek met je doet. Ik werd er in ieder geval heel vrolijk van. Het staat op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2015. Van mij mag het naar de shortlist. 

zondag 5 juli 2015

De moord op Margaret Thatcher

De afgelopen jaren had Hilary Mantel een wereldwijd succes met twee romans over Thomas Cromwell, de kanselier van de Engelse koning Hendrik VIII: Wolf Hall (2009) en Bring Up the Bodies (2012). Voor beide won zij de Man Booker Prize. De wereld die zij in die romans tot leven brengt sprankelt in historisch opzicht én als karakterstudie. De tot nu toe wat schimmige Cromwell wordt neergezet als een man van vlees en bloed, zijn drijfveren en ambities worden door Mantel ‘ingevuld’ en vervolgens op intelligente wijze benut voor het creëren van een meeslepende ‘biografie’. Thomas Cromwell volgens Hilary Mantel.

Ook in de verhalenbundel The Assassination of Margaret Thatcher is dat psychologische inzicht in het karakter van haar personages het – voor mij – sterkste element. In de meeste van de elf verhalen, variërend in lengte van tien tot veertig bladzijden, weet zij de hoofdfiguur op zo’n manier neer te zetten dat je die niet snel zult vergeten. De leeftijd van de personages varieert, van jonge meisjes tot gepensioneerde vrouwen. De vrouwen zijn inderdaad in de meerderheid, in verreweg de meeste verhalen treden zij ook op als verteller.

Stroef. Dat is het woord dat ik zou kiezen wanneer ik deze verhalen met maar één woord zou mogen omschrijven. En dan niet in de betekenis dat de verhalen niet lekker lezen, integendeel. Maar het is wel mijn karakterisering van de relatie van de hoofdpersonen tot hun omgeving. In de meeste verhalen verloopt het contact stug, zit er iets in de weg, ligt men elkaar niet helemaal. Dat wordt niet uitgesproken - we zijn tenslotte beschaafde Engelsen – maar door Mantel wel subtiel uitgewerkt.

Al direct in het eerste verhaal, Sorry to Disturb, is dat het hoofdthema. Een Engelse vrouw die vanwege de baan van haar echtgenoot in Saudi-Arabië woont, laat op een dag een Aziatische man binnen die van haar telefoon gebruik wil maken. Zijn dankbaarheid is groot, hij komt een paar dagen later terug om die nog eens te betuigen. En blijft dan terugkomen, en wordt steeds aanhankelijker, of meer opdringerig, net hoe je het bekijkt. Wat doe je daarmee?

Een hoogtepunt vind ik How Shall I Know You? Een schrijfster begeeft zich naar een provinciestad om een lezing te geven. De man van de organiserende leesclub haalt haar van het station en brengt haar naar het hotel. Dat blijkt een sfeerloze, vieze en voor haar gevoel ietwat bedreigende gribus te zijn. Wanneer de man haar een uurtje later weer ophaalt om met haar naar de lezing te rijden – ‘U had al gegeten, neem ik aan? – is ze blij dat die bezoeking aan haar voorbijgaat, hoewel ze omvalt van de honger. Kortom, de donkere kanten van de schrijver als beroemdheid.

Een ander juweeltje is The Heart Fails Without Warning, waarin een elfjarig meisje wordt geconfronteerd met de anorexia van haar drie jaar oudere zus. De onontkoombaarheid van het afglijden wordt door Mantel met ijzingwekkende nuchterheid beschreven. Of The School of English, waarin de lotgevallen worden beschreven van een Afrikaanse werkster bij een familie in St John’s Wood, een chique wijk in Londen. Dat is een Engeland dat wel heel ver is verwijderd van het Engeland van Thomas Cromwell. Maar dat, in zeker opzicht, net zo bizar is.

Het klapstuk van de bundel is het laatste verhaal, The Assassination of Margaret Thatcher. We schrijven 6 augustus 1983. Margaret Thatcher is dan ruim vier jaar premier van het Verenigd Koninkrijk. Ze is op het hoogtepunt van haar roem, nadat ze het jaar ervoor de Falklands heeft heroverd op Argentinië en ze door haar onverzettelijke opstelling de IRA tot wanhoop heeft gedreven. Het verhaal begint met de verbazing van een oudere, alleenstaande vrouw over alle media-aandacht voor een kleine oogoperatie die Thatcher ondergaat in een privékliniek aan de achterzijde van het gebouw waarin zij een appartement bewoont. De premier is daar voor de duur van drie dagen opgenomen, de wijk is door de politie in een onneembare vesting omgebouwd. De vrouw heeft enkele dagen eerder een loodgieter besteld om haar centrale verwarming na te kijken. Wanneer deze aanbelt laat ze hem binnen. Waarna ze langzaam ontdekt dat hij niet de loodgieter is, dat zijn tas geen gereedschap bevat maar een uiterst geavanceerd geweer. Vanaf het raam aan de achterkant van haar appartement heeft hij een vrij schootsveld naar het voorplein van de kliniek, waar Thatcher die middag afscheid zal nemen van de staf van het ziekenhuis en het verplegende personeel. De uren daarna gaat het over Thatcher als premier, over Ierland, over durven kiezen. De oude vrouw is verbaasd over zichzelf ….

Vorig najaar plaatste Hilary Mantel’s uitgever een voorpublicatie in The Guardian van juist dit verhaal. Dit nadat The Daily Telegraph, die er eerder veel geld voor had neergelegd, zich terugtrok. Die voorpublicatie leidde tot een storm van protest in de media. Tegenstanders spraken er schande van, voorstanders maakten zich sterk voor de vrijheid van meningsuiting. De lachende derde was natuurlijk Mantel’s uitgever. Zo doe je dat, denk ik dan.

Hilary Mantel / The Assassination of Margaret Thatcher / 304 blz / Harper Collins, 2015 // Nederlandstalige editie: De moord op Margaret Thatcher

dinsdag 30 juni 2015

Op vakantie om je huwelijk te redden

Vastgeroest zijn in je relatie. Veel mensen zullen zich in die situatie bevinden. Maar hoeveel daarvan beseffen dat ook? Douglas Petersen in ieder geval niet. Hij is 54, werkt als manager in de biochemie, is getrouwd met Connie en is vader van een zoon van zeventien, Albie. Douglas is zoals de meesten van ons redelijk tevreden met het leven. Hij doet zijn werk met plezier, zijn huwelijksleven is stabiel en hij is met zijn gezin kortgeleden verhuisd van een te klein appartement in Londen naar een riant vrijstaand huis in een dorp bij Oxford. Op een nacht maakt Connie hem wakker. En deelt de slaperige Douglas mee dat zij geen toekomst meer ziet in hun relatie. Dat zij wil scheiden zodra hun zoon na de zomer het huis heeft verlaten om te gaan studeren.

Voor die zomer is de vakantie al gepland. Op initiatief van Connie zullen ze een reis maken langs Europese steden: Parijs, Amsterdam, München, Verona, Venetië, Florence, Rome, Napels. De reis is een geschenk voor Albie, een Grand Tour zoals ook welgestelde jongemannen in de achttiende eeuw die aan het einde van hun opleiding ondernamen. Voor de kunstminnende Connie wordt het vooral een weerzien met oude bekenden, voor man en zoon is het meeste nieuw. Douglas ziet de reis als de perfecte gelegenheid om Connie voor zich terug te winnen.

Albie stapt niet helemaal vrijwillig in de trein naar Parijs. Het vooruitzicht dat hij vier weken lang met zijn ouders historische gebouwen gaat bekijken en in stoffige musea de oude meesters moet bewonderen maakt hem wat opstandig. Al na de eerste dag in Parijs gaat hij een middag alleen op stap, met zijn gitaar op de rug. Om 's avonds laat terug te keren in gezelschap van Cat, een jonge straatmuzikante uit Nieuw-Zeeland. Albie is hopeloos verliefd op haar. Wanneer Douglas, Connie en Albie enkele dagen later in Amsterdam zijn duikt Cat daar ook op. Gitaarspeler en accordeoniste lijken onafscheidelijk.

De Grand Tour wordt een onvergetelijke reis, al wordt niet de gehele geplande route gevolgd en maakt niet iedereen steeds deel uit van het gezelschap. Ook gaat het al snel niet meer in de eerste plaats om de bezienswaardigheden. Het wordt meer een Grand Tour langs twintig jaar huwelijksleven en de relatie tussen vader, moeder en zoon. Vooral Douglas wordt naarmate de reis vordert - en gaandeweg ontspoort - geconfronteerd met zijn houding als vader. Een houding die vaak was gebaseerd op zenden, niet zozeer op ontvangen.

Met Us schreef David Nicholls een bewonderenswaardige roman over een relatie. Op de eerste bladzijde informeert Connie haar man dat ze hem wil verlaten omdat hun huwelijk opgebruikt is. Ruim vierhonderd bladzijden later weet je hoeveel ze voor elkaar hebben gevoeld en nóg voelen. Heb je de tedere, mooie momenten van hun relatie meegemaakt, maar ook de mindere. Begrijp je dat haar mededeling midden in de nacht een enorme beslissing voor haar was, maar tegelijkertijd onontkoombaar. En dat die mededeling voor Douglas als een bominslag kwam, volkomen onverwacht. Voor hem begint het proces van terugkijken en analyseren pas op dat moment.

Luchtig schrijven over serieuze onderwerpen is een gave die Nicholls bezit. Daarbij hanteert hij een onderkoelde, heldere en beknopte schrijfstijl, met soms een licht ironische ondertoon. De taal lijkt eenvoudig, de zeggingskracht is groot. Wat Connie en Douglas overkomt stijgt dan uit boven het persoonlijke, wordt universeler. De dialogen zijn sprankelend en verraden Nicholls’ ervaring als scriptschrijver voor Engelse sitcoms als Cold Feet. De keuze voor de Grand Tour als structuur van het verhaal werkt uitstekend: het haalt de hoofdpersonen fysiek en mentaal uit hun vertrouwde omgeving én het biedt een afwisselend decor. Dat laatste is een beetje als bij de televisiebeelden van de Tour de France: je kijkt voor de wedstrijd, maar zonder het prachtige landschap zou het zeker minder leuk zijn.

Komt het goed, wil je dan weten. Tja ....., wat is 'goed' in een situatie als deze? Ook dat is een inzicht dat Connie en Douglas uiteindelijk verwerven. De afloop is welbeschouwd zoals die moet zijn: wijs. Je accepteert die omdat de auteur je uren leesgenot heeft bezorgd, tot op de laatste bladzijde.

woensdag 24 juni 2015

Een road novel

Remington van Bert Natter is een onvervalste road novel. De hoofdpersoon, een succesvolle kunstenaar, krijgt een telefoontje van zijn vader. Deze is in zijn antieke Mercedes afgereisd naar zijn geboortestad Hamburg maar durft de terugreis niet meer alleen te ondernemen. Of de zoon hem direct wil komen ophalen. Wanneer deze zijn vader oppikt in het hotel merkt hij dat de oude man trilt. Ietwat ongerust begint hij aan de terugtocht. De oude Mercedes gaat niet harder dan tachtig, dus nemen ze de binnenweg. Er is tijd om te praten. Ze wisselen meningen uit, ook herinneringen, soms zelfs iets dat op gevoelens lijkt. Ze zeggen elkaar dingen die ze niet eerder durfden te zeggen. Een road novel, dus.

De vader is een bekende dichter. Hij begon ooit als romanschrijver. Had jarenlang een column in een landelijke krant. Totdat zijn hoofdredacteur hem verweet dat hij het in zijn column had gehad over Heinrich Heine, zonder zijn lezers toe te lichten dat dit de ‘bekende Duitse negentiende-eeuwse dichter’ was. Daarna schreef hij uitsluitend – en spaarzaam – gedichten. Soms wonnen zijn bundels een literaire prijs, maar ze verkochten matig. Hij schreef zijn werk op een typemachine van het merk Remington. Die ligt in de kofferbak van de Mercedes. Hij kan lyrisch vertellen over het mechaniek dat in beweging komt wanneer hij een letter aanslaat.

De zoon is minder fysiek met zijn kunst bezig. Hij bedenkt slechts het concept, de uitvoering van de soms enorme installaties laat hij over aan assistenten. Hij heeft al als tiener gekozen voor de kunst, zijn moeder gaf hem op het juiste moment het beslissende zetje. Zij is een paar jaar eerder overleden. Ook aan haar halen de mannen herinneringen op.

De gesprekken van vader en zoon gaan vooral over hun relatie. De vader doet pogingen het verloop van zijn schrijversloopbaan te analyseren, voor zichzelf te verantwoorden of het zin had zijn leven te wijden aan het schrijven van gedichten. Is de voldoening die het maken van kunst kan geven genoeg, ook als de roem wegblijft? De zoon doet hetzelfde voor zijn eigen kunstenaarschap. De liefde komt voorbij, kunst, muziek, de oorlog. De structuur van het verhaal biedt Natter de gelegenheid om van alles ter sprake te brengen. Hij lijkt zich hier en daar in filosofische overpeinzingen zelfs de rol van derde man in het gezelschap aan te meten. Remington is een praatroman, een tekst vol persoonlijke ontboezemingen en ideeën die op vanzelfsprekende en soepele wijze hun plek in het verhaal hebben gekregen.

Remington is doortrokken van weemoed, van melancholie en berusting. Met op de achtergrond een onbestemd gevoel van sluimerende dreiging. Die is al in de eerste zin aanwezig: ‘Mijn vader is er niet meer’. De Mercedes rijdt dan over de Afsluitdijk, richting de kop van Noord-Holland. Naarmate het verhaal vordert wordt je langzaam duidelijk dat de vader zich met een vooropgezette bedoeling door zijn zoon uit Hamburg liet ophalen. Dat de tocht voor hem een afscheid is. Dat afscheid, wanneer het komt, is te bizar voor woorden. Maar past ook wel weer bij het volstrekt eigenzinnige karakter van deze mooie roman. 

zondag 21 juni 2015

Verboden geaardheid

‘Nu moet ik goed opletten, dacht Jonathan. Nu. Het begint nu. Hij legde zijn trillende handen in zijn schoot en wreef met de duim van zijn rechterhand langzaam over het kootje van zijn linker, in de hoop dat het hem kalm zou maken. Het was de laatste ochtend van zijn gevangenschap’. Zo begint Muidhond, de debuutroman van Inge Schilperoord. Jonathan, dertig jaar, heeft de dag ervoor bericht gekregen dat het gerechtshof hem in hoger beroep heeft vrijgesproken. Er was te weinig bewijs, de verklaringen van zijn slachtoffer konden niet worden gestaafd. De gevangenisstraf waartoe Jonathan was veroordeeld en de opgelegde tbs waren daarmee van de baan. Hij mocht naar huis.

Dat ‘thuis’ is bij zijn bejaarde moeder, in een vissersdorp ergens in Nederland, achter de duinen. De wijk met oude visserswoninkjes waar zij wonen is op twee huizen na afgebroken, de overige bewoners zijn al verhuisd naar een aangrenzende nieuwbouwwijk. Jonathan komt thuis tijdens een vreselijk warme dag, het begin van een hittegolf. In het kleine, benauwde huis kan hij voor zijn gevoel nauwelijks ademhalen. Voor zijn astmatische moeder moet dat nog lastiger zijn, hij hoort voortdurend haar moeizame, piepende ademhaling. Zo snel als hij kan verlaat hij het huis om met de hond in de duinen te gaan wandelen. Voor hem is dat duinlandschap het mooiste dat hij kent, de plek die hij nooit zal verlaten. Hij is er één met de natuur, voelt zich er volkomen op zijn gemak: ‘Hier had hij elke smerige seconde van die eindeloze dagen en nachten op gewacht. Om hier weer te zijn, vertrouwd, alleen met de hond’.

Jonathan werkt overdag in het visverwerkingsbedrijf bij de haven, waar hij aan de lopende band vissen schoonmaakt en aan stukken snijdt. Contact met zijn collega’s vermijdt hij, hij heeft daar geen behoefte aan. In de lunchpauze leest hij het Natuurblad. Na zijn werk verricht hij volgens een strak, door hemzelf opgezet tijdschema, allerlei klusjes: de hond uitlaten, boodschappen doen, eten koken, samen met zijn moeder eten, samen met haar een uurtje koffiedrinken, op zijn zolderkamertje  zijn oefeningen maken. Dat laatste heeft hij de gevangenispsycholoog beloofd. Omdat hij tot tbs was veroordeeld had hij, vooruitlopend op zijn hoger beroep, alvast een begin gemaakt met de zogenaamde pre-therapie. Jonathan maakt dagelijks een of twee van de oefeningen in zijn werkboek. Hij leert daardoor hoe hij zich moet gedragen, wat goed is en wat niet. Hij vindt het soms lastig om zonder begeleiding de bedoeling van de oefeningen te doorgronden, maar denkt dan maar aan de psycholoog die termen gebruikte als terugvalpreventieplan en signaleringssysteem.

Het buurhuis, het enige andere huis dat nog niet is afgebroken, wordt bewoond door een alleenstaande vrouw en haar dochtertje van tien, Elke. Het meisje liet dagelijks de hond uit in de maanden dat Jonathan in de gevangenis zat. Dat wil zij graag blijven doen, desnoods samen met Jonathan. Elke is zoals de meeste meisjes van haar leeftijd ongecompliceerd, heel direct in haar uitingen. Ze is gefascineerd door de vis die Jonathan in een duinmeertje vangt en in een aquarium op zijn kamertje houdt. Een muidhond, een karperachtige soort. Die komt ze dagelijks bekijken. Op die momenten is Jonathan in verwarring. Net zoals de eerste keer dat hij haar zag: ‘Ze was erg jong, dacht hij, nog geen tien. Hij zag nog wat dons in haar hals. Ze had kleine, lieve, ontroerende oren. Niet doen, dacht hij. Niet zo denken. Voor je het weet heb je gedachten die niet goed zijn. Cognitieve vervormingen. Of goedpraters. Of iets anders. Hij wist even niet meer precies wat wat was, maar hij zou het zometeen opzoeken’.

Je bent als lezer dan op nauwelijks éénderde van het boek, je ziet wat eraan komt maar hebt het spannendste deel van het verhaal nog tegoed. Schilperoord beschrijft meesterlijk wat er in Jonathans hoofd omgaat, zijn gevecht met zichzelf en met de omstandigheden. Zijn omgang met Elke is vergelijkbaar met de situatie die leidde tot zijn eerdere misdrijf en zijn arrestatie. Hij probeert oprecht zichzelf in de hand te houden, vlucht keer op keer in de oefeningen in zijn werkboek, ziet die als zijn reddingsboei. Maar hij staat alleen, hij heeft niemand die hem helpt. Ik had met hem te doen.

Inge Schilperoord werkt als forensisch psycholoog bij onder andere het Pieter Baan Centrum. De deskundigheid waarmee ze beschrijft wat zich in Jonathans hoofd afspeelt is griezelig overtuigend. Ook laat ze zien wat de therapeutische oefeningen beogen te bewerkstelligen, en waarom die voor Jonathan in zijn specifieke omstandigheden niet het optimale effect hebben. Pedofilie kiezen als onderwerp voor je debuutroman is dapper, dat kan eigenlijk alleen wanneer je het verantwoord kunt uitwerken.

Die inhoudelijke deskundigheid is in deze roman niet de enige sterke kant van Schilperoord. Ze kan ook schrijven. Heel subtiel weet ze het effect van Jonathans gevecht te versterken. Zo raakt door de aanhoudende hitte niet alleen de natuur van slag, ook Jonathan raakt er door uitgeput. De broeierigheid die door de hitte ontstaat is ook een passende tegenhanger van de steeds koortsachtiger geestesgesteldheid van Jonathan. Van de muidhond ten slotte is bekend dat hij het bij een hogere watertemperatuur dan 23 graden Celsius moeilijk krijgt. Zo ook zijn verzorger. Hoeveel meer secundaire aanwijzingen wil je hebben voor de wending die het verhaal zou kunnen nemen? Maar dan beslist Schilperoord anders. En verrast je met een grootse ontknoping. Laat je stil achter. Heel knap.

zondag 12 april 2015

Harry Mulisch: de Mythe

Sander Bax bestudeert het omvangrijke oeuvre van Harry Mulisch al jaren. Maar hij ontmoette hem nooit. En toch had hij, toen hij op 6 november 2010 voor de televisie zat en de begrafenis van de schrijver bekeek, het gevoel dat daar iemand werd begraven die hij kende. Hoe kan dat? Kun je als lezer een persoonlijke band hebben met een auteur via diens boeken en artikelen? Of heeft het in dit geval te maken met het optreden van de schrijver in andere media? Mulisch trad graag op voor radio en televisie, wist als geen ander altijd weer de schrijvende pers te vinden. Die instelling maakte hem vanaf de jaren zestig een bekende Nederlander. Zelfs als je nooit een boek van Mulisch had gelezen, of alleen maar De Aanslag als film had gezien, wist je wel wie hij was. Hij was voor velen, dus ook voor niet-lezers, dé schrijver. Hij groeide uit tot een mythe. Over die mythe, en over de manier waarop Mulisch die zorgvuldig uitbouwde en in stand hield, gaat deze opmerkelijke studie.

De traditionele biografie van een schrijver behandelt diens persoonlijke leven, het oeuvre en in het ideale geval ook nog de verbanden daartussen. Bax legt in De Mulisch Mythe een ander accent. Bij hem staat het openbare leven van Mulisch centraal, het publieke optreden. Mulisch nam daarin, meer dan andere auteurs, zijn eigen beeldvorming ter hand. Hij deed dat oprecht, gedreven, slim en opportunistisch, net zoals hem dat uitkwam. Soms was verontwaardiging over politiek of sociaal onrecht zijn drijfveer, een andere keer de promotie van zijn eigen schrijverschap. Wanneer het ging om politieke of sociale vraagstukken stelde hij zich graag op als een activist, als een visionair. Als schrijver daarentegen was hij in toenemende mate een filosoof.

Bax ziet in het schrijverschap van Mulisch drie hoofdlijnen. De eerste is die van de autonome schrijver, die (vrijwel) onzichtbaar is in zijn werk. Dat is de Mulisch van vroege romans als Archibald Strohalm (1952) en Het stenen bruidsbed (1959) en latere als Twee vrouwen (1975) en De ontdekking van de hemel (1992). Daarin onderscheidt Mulisch zich niet van zijn schrijvende collega’s.

De tweede hoofdlijn is die van de publieke intellectueel die zonder aarzelen stelling neemt in het openbare debat. Daarin herkennen we de Mulisch die zich in 1966 enthousiast aansluit bij de provobeweging en verklaart: ‘Ik beweer dat dit de belangrijkste sociale ontwikkeling is die wij sinds de oorlog hier gehad hebben’. Dit is ook de Mulisch die in de bevlogen én speelse bundel Bericht aan de rattenkoning (1966) pleit voor een revolutie in de westerse industrielanden om daarmee een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld te bewerkstelligen. En de Mulisch die in 1967 en ’68 afreist naar Cuba, er Fidel Castro ontmoet en over het sociale paradijs dat hij aantreft bericht in Het woord bij de daad (1968). Hij is in zijn oordeel zo enthousiast en onbevangen blijmoedig dat het zijn vriend de schaker Jan Hein Donner de nuchtere opmerking ontlokt dat er sinds Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst niet meer zo jubelend – en zonder relativering - is geschreven over socialisme en revolutie.

De derde en laatste hoofdlijn is de Mulisch als bekende Nederlander, de Mulisch van de mediaoptredens, de BN’er Mulisch, de mythe Mulisch. In deze lijn komen de schrijver en de publieke intellectueel samen en worden zij door Mulisch gebruikt als bouwstenen, als het fundament onder zijn publieke imago.

Waarom besteedde Mulisch zo veel aandacht aan de cultivering van zijn imago? Een van de door Bax aangedragen redenen is dat Mulisch hiermee vooral de verkoop van zijn boeken wilde stimuleren. Dat zal ongetwijfeld deels zo zijn, want pas vanaf het succes van De Aanslag in 1982 werden zijn boeken in zulke aantallen verkocht dat hij er ruim van kon leven. IJdelheid kan ook een drijfveer zijn geweest. Een van Mulisch’ bekendste uitspraken is immers: ‘Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan’.

Een zekere ijdelheid was Mulisch inderdaad niet vreemd. Door sommigen werd dat gezien als arrogantie. Hij werd er vaak mee op de hak genomen. Uit het Amsterdamse studentenblad Propria Cures komt het volgende verslag: ‘Americain. Aan het derde tafeltje van links vanaf de leestafel. Hij staart onbestemd voor zich uit. Zijn introverte schrijversblik.? […] Dan staat hij op en slentert naar de portier. – Zeker weer afroepen? Vraagt deze. – Om het kwartier, zegt Mulisch en gaat weer terug naar zijn plaats. – Is de heer Mulisch aanwezig, de heer Mulisch …’. Of deze, wat vijandiger: ‘Harry heeft de overrompelende stijl van de man die – op dezelfde wijze als sommige krankzinnigen denken dat ze Jezus zijn – in de waan verkeert dat hij een schrijver is. Harry schrijft dus wat hij denkt dat een groot schrijver zou schrijven. Hij schrijft gelukkig niet wat hij denkt. Nergens in de literatuur vindt met een voorbeeld van dergelijke zelfverloochening’.

Als je zo sterk doet aan zelfrepresentatie kun je dit soort reacties verwachten. Die op zich weer bijdragen aan het beeld. Het boek van Bax staat er vol mee. De mooiste is van Gerard Reve, die heeft opgemerkt dat Mulisch zich in zijn dure open sportwagen naar rellen in Amsterdam begeeft, om daaraan mee te doen dan wel gefotografeerd te worden. Voor Reve is hij een ‘gemotoriseerde relletjesvoyeur’. Bax biedt je ook uitvoerige, gedetailleerde analyses van Mulisch’ werk en zijn persoon, soms op het overdadige af. Voor de liefhebber van Mulisch, wat ik ben, is het een schat aan informatie waar je nu uitpikt wat je interesseert en waarin je via een gedegen register op een later moment alles kunt terugvinden.

Het boek lezend ging ik me ook afvragen wat voor mij nu het meest wezenlijke deel is van het schrijverschap van Mulisch. Dat is de Tweede Wereldoorlog. Hij belichtte dat thema van alle kanten, vanaf Het stenen bruidsbed (1959) - een roman over het geallieerde bombardement op Dresden in februari 1945 – tot aan zijn laatste roman Siegfried (2001), over de vermeende zoon van Adolf Hitler en Eva Braun. Zijn meest indrukwekkende boek daarover is voor mij De zaak 40/61. In 1961 bracht de staat Israël Adolf Eichmann in Jeruzalem voor de rechter, nadat de Israëlische veiligheidsdienst hem eerder uit Argentinië had weten te ontvoeren. Mulisch deed als journalist voor Elseviers Weekblad verslag van deze rechtszaak. In Jeruzalem kwam Mulisch definitief tot het inzicht dat als een totalitaire staat in het algemeen, of het fascisme in het bijzonder, het mogelijk maakt dat een ‘machinemens’ als Eichmann zonder nadenken vernietigende instructies van hogerhand opvolgt, er iets fundamenteels mis is met de mensheid. Dat besef zou hem de veertig jaar daarna bezighouden. Of, zoals hij later zou zeggen: ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog’. Ook dat was vanzelfsprekend bedoeld als een bouwsteentje aan de mythevorming.