zondag 25 februari 2018

Alleen tegen de wereld

Ik las onlangs een boek uit waarover ik jaren heb gedaan. Drie jaar, om precies te zijn. Het boek in kwestie is De zanger van de wrok, het tweede deel  van de door Willem Otterspeer geschreven biografie van Willem Frederik Hermans. Het eerste deel, De mislukkingskunstenaar, verscheen in november 2013. Dat las ik direct en besprak het voor dit blog (zie 15 december 2013). Ruim een jaar later, vroeg in 2015, verscheen deel 2.  Ook dat nam ik kort na verschijnen ter hand. Maar ergens rond bladzijde 400, na het hoofdstuk over Nooit meer slapen, stokte het. Waarom is moeilijk te zeggen. Was daarmee voor mij het essentiële deel van de man en zijn oeuvre beschreven? Zou zomaar kunnen. Of was deze biografie simpelweg zo dik – beide delen samen omvatten  zo’n tweeduizend bladzijden – dat na verloop van tijd andere boeken die langskwamen en om aandacht vroegen me aantrekkelijker leken? Best mogelijk. Feit is dat ik sindsdien af en toe een hoofdstuk las, de samenhang daardoor wat uit beeld raakte en ik het boek de afgelopen weken daarom maar opnieuw vanaf het begin heb gelezen. De moraal van dit verhaal? Ten eerste dat ik óók een dik boek het beste in één keer kan uitlezen, zowel om inhoudelijke als organisatorische redenen. Mijn blog heet niet voor niets boekvoorboek. Ten tweede dat een biograaf zijn grenzen moet kennen, en ook die van zijn lezers.

Het is natuurlijk wat flauw om de bespreking van een degelijke en interessante biografie zo te beginnen, maar het moest me even van het hart. Die omvang heeft me trouwens niet gehinderd in het waarderen van de inhoud.

Evenals in het eerste deel graaft Otterspeer hier opnieuw diep. Hermans’ leven wordt door hem uitgeplozen, diens werk geanalyseerd. Hij vindt verbanden tussen de twee  en presenteert die met overtuiging. In het eerste deel vormde Otterspeers stelling dat Hermans bewust een ‘mislukkingskunstenaar’ was de ruggengraat van zijn betoog. Ook ditmaal kiest de biograaf voor een rode draad. Dat is het begrip wrok. Die wrok uit zich bij Hermans als de wraak van een eenling, gericht tegen een persoon of een groep door wie hij zich niet begrepen voelt of die het voor zijn gevoel fout heeft. Om het de lezer duidelijk te maken dat dit voor hem de grondtoon vormt van Hermans' leven en werk, laat Otterspeer dit deel van de biografie voorafgaan door een inleidend hoofdstuk getiteld ‘Van de wrok en de wraak’. Hij plaatst het begrip daarin in een literaire traditie en biedt vindplaatsen in Hermans’ oeuvre waar deze zelf ingaat op het verschijnsel. Mocht je als lezer daarmee nog niet voldoende handvat hebben voor het - op de juiste manier - lezen van de biografie, is daar altijd nog het motto dat Otterspeer aan het boek meegeeft. Dat is een citaat van Hermans zelf en luidt: ‘Ik heb geschreven om wraak te nemen – wat is daar voor bijzonders aan.’

Die hierboven genoemde eenling is bij Hermans soms een van zijn romanpersonages, zoals in de roman De tranen der acacia’s. Maar het kan ook Hermans zelf zijn. In meerdere publieke debatten waartoe hij zich liet verleiden - of die hij zelf creëerde - speelde hij die rol met verve. In de Weinreb-affaire bijvoorbeeld waren naast de vermeende collaborateur Weinreb vooral diens verdedigers Renate Rubinstein en Aad Nuis het mikpunt van Hermans’ gifaanvallen. Die richtte hij ook op het blad waarin Rubinstein en Nuis publiceerden, het indertijd linkse Vrij Nederland. Hermans haalde na jaren van onderzoek door Lou de Jong in een officieel rapport van het RIOD uiteindelijk zijn gelijk, maar bleef daarna doorzeuren en het linkse Nederland van zijn opponenten aanvallen. ‘Hij kreeg gelijk, maar bleef verongelijkt’ schreef een journalist.  En wie herinnert zich niet het vraaggesprek dat Adriaan van Dis had met Hermans, waarin de schrijver op een botte, haast verzuurde manier Van Dis beschuldigde van totale onwetendheid over de ‘echte’ situatie in Zuid-Afrika? Hier had hij niet gelijk, en volhardde misschien wel tegen beter weten in in zijn vooraf ingenomen positie.

Otterspeer behandelt Hermans’ oeuvre vanaf Paranoia en Mandarijnen op zwavelzuur uitputtend. Evenals in het eerste deel leidt dat tot heldere, meeslepend geformuleerde analyses. Zoals gezegd, het werk van na 1970 vindt ik over het algemeen minder uitgesproken en krachtig, het sprankelende is er dan wel vanaf. Dat merk je toch ook bij Otterspeer.

Het privéleven van de schrijver speelde zich vanaf 1953 af op twee plekken. De eerste twintig jaar in Haren, een dorp onder Groningen. Aan de Groningse universiteit doceerde hij fysische geografie. In het najaar van 1973 verhuisden Hermans en zijn echtgenote Emmy naar Parijs. Dat dit laatste zowel een langgekoesterde wens was van Hermans als een noodzaak omdat hij zich in Groningen en de rest van Nederland flink wat vijanden op de hals had gehaald maakt Otterspeer mooi inzichtelijk. Ook dat Hermans nooit echt inburgerde in Parijs. Achteraf beschouwd was hij daar meestal erg alleen, zo niet eenzaam: ‘Veel verder dan tot toerist had hij het niet gebracht.’ Soms kreeg hij er bezoek van literaire vrienden als Freddy de Vree en Frans Janssen, die onderzoek deden naar zijn werk en daarover publiceerden. Hijzelf lijkt in de eerste Parijse jaren nog het meeste plezier te hebben beleefd aan de columns die hij onder het pseudoniem Age Bijkaart schreef voor het Parool. Hierin en in ander journalistiek getint werk kon hij vanaf een veilige afstand de goegemeente die hij had verlaten onder vuur nemen.

De laatste jaren woonde het echtpaar Hermans in Brussel. Schrijven kwam er niet meer van, Hermans doodde zijn tijd met antiek- en rommelmarkten afstruinen, zich zorgen maken over zijn financiën en terugkijken op zijn leven. Ook zijn gezondheid baarde hem zorgen, zijn altijd al aanwezige rokershoestje klonk steeds luider. In het voorjaar van 1995 werd terminale longkanker bij hem vastgesteld. Hij werd overgebracht naar het Academisch Ziekenhuis in Utrecht, waar hij in tegenstelling tot Brussel wel euthanasie kon krijgen. Na die verlossende injectie draaide hij zich af van zijn naaste familie om te sterven. Alleen.

Wat levert het op, een kleine tweeduizend bladzijden lezen over een schrijver die je altijd heeft gefascineerd en waarvan zeker een handvol boeken bij je favorieten hoort? Dat is vooral het gevoel de persoon Hermans veel beter te kennen, en daarmee zijn werk en het ontstaan ervan te kunnen duiden. Bij Hermans zijn oeuvre en leven nauw met elkaar verbonden, de romans en verhalen zijn daadwerkelijk ontkiemd uit de manier waarop Hermans het leven en de wereld beschouwde. Dat Otterspeer de tijd neemt om die samenhang te presenteren, inclusief veel ter zake doende en wellicht ook minder relevante wetenswaardigheden en feitjes, heb je hem bij het dichtslaan van deel 2 vergeven. Omdat hij je aandacht heeft weten vast te houden. Met de - voor mij - vaak nieuwe informatie, de heldere schrijfstijl en analyses en het vermogen tot ironie en relativeren. Kortom: een goed geschreven biografie die leest als een trein.

Willem Otterspeer
De zanger van de wrok. Willem Frederik Hermans
1.150 blz
De Bezige Bij

zondag 11 februari 2018

Love from Boy

Ruim dertig jaar geleden keek ik graag naar een van de aardigste series die ooit op de Nederlandse televisie is vertoond: 'Tales of the Unexpected'. Het was mijn eerste kennismaking met Roald Dahl, de schrijver op wiens korte verhalen veel van die afleveringen waren gebaseerd. De aantrekkingskracht van die verhalen ligt in de verrassende ontknoping die de lezer niet ziet aankomen. De extra bonus voor de kijker naar de serie bestond uit de grote namen die zich lieten strikken voor een rol. Ik herinner me onder andere Sir John Gielgud en Derek Jacobi. Roald Dahl presenteerde die afleveringen zelf, gezeten in een schrijfstoel naast een haardvuur, omringd door boeken. Voor mij is Dahl sinds die tijd het prototype van de schrijver die met grote creativiteit én zichtbaar plezier heel ongewone verhalen voor volwassenen en kinderen bij elkaar fantaseert. Ik kon Love from Boy. Roald Dahl's Letters to His Mother dan ook niet laten liggen in de boekhandel.

Tussen 1925 en 1965 schrijft Dahl ruim 600 brieven aan zijn moeder, Sofie Magdalene Dahl. De vroegste verstuurt hij vanaf St. Peter’s, de kostschool waarop zijn ouders hem zoals in die tijd de gewoonte was bij de upperclass hadden geplaatst. Die brieven zijn de schrijfsels van een jongen van amper negen jaar: verslagen van zijn dagelijkse belevenissen, doorspekt met aandoenlijke taalfouten. Het naar huis schrijven doet hij misschien uit vrije wil, maar het is eveneens een opdracht van de school. Leraren houden toezicht tijdens die schrijfsessies en kunnen ook meelezen. De jonge Roald schrijft dan ook altijd dat hij het naar zijn zin heeft.

In 1930 gaat Roald naar een nieuwe kostschool, Repton. Op die middelbare  school voelt hij zich buitengewoon ongelukkig. Het schoolsysteem, met het standenonderscheid tussen oudere en jongere leerlingen, de clubjes en de in het leven teleurgestelde leraren is niets voor hem. Hij heeft er wel enkele goede vrienden, maar leren is niet zijn ding. Hij is dan ook geen intellectuele hoogvlieger. Liever scheurt hij over binnenwegen op de motorfiets die zijn moeder in 1933 voor hem koopt. In 1934, wanneer hij zijn opleiding voltooit, weet hij dan ook zeker dat hij niet gaat studeren. In plaats daarvan meldt hij zich aan voor een expeditie van zes weken door het Canadese Newfoundland. Doel van die tocht is om slecht toegankelijke gebieden in het binnenland beter in kaart te brengen. Die ervaring verandert hem voor de duur van de decennia erna in een reislustig man.

Maar voor hij de wereld kan gaan zien gaan vier jaar voorbij. Hij woont dan thuis bij zijn moeder, in haar grote huis ten zuiden van Londen, heeft een administratief baantje bij de Asiatic Petroleum Company in Londen en forenst daar zes dagen per week met de trein naar toe. Vanzelfsprekend zijn er uit die vier jaar geen brieven. In de zomer van 1938 gebeurt dan waar hij al jaren op hoopt: hij wordt uitgezonden naar een exotische plaats, een olieterminal van Shell aan de kust bij Dar es Salaam in Tanganyika, het huidige Tanzania. Een brievenstroom komt op gang, waarin hij in detail en met veel enthousiasme zijn dagelijkse leven beschrijft. Zijn moeder moet uit die beschrijvingen wel een heel koloniaal beeld van het leven van haar zoon hebben gekregen. Hij deelt een groot huis met twee collega’s, stuurt de bedienden aan, bezoekt iedere middag de sociëteit alwaar hij stevig drinkt – alcohol kost hier niets, schrijft hij opgetogen – en onderneemt tochtjes. Dahl geniet van zijn nieuwe leven, maar leert tegelijk ook verantwoordelijkheden te dragen en wordt volwassen.

Als in 1939 de oorlog op uitbreken staat komt aan de zorgeloze sfeer een einde. Tanganyika was immers voorheen een Duitse kolonie, Duits Oost-Afrika. De vele Duitsers die er nog verblijven worden geïnterneerd. Dahl besluit om zich in te zetten voor de strijd en meldt zich aan als piloot bij de Engelse luchtmacht. Hij krijgt zijn opleiding in Kenia en Irak, raakt zwaar gewond bij een crash in de Libische woestijn, ondergaat een langdurige revalidatie in Egypte en is vervolgens gestationeerd in Griekenland. Daar neemt hij deel aan luchtgevechten en haalt hij meerdere vijandelijke vliegtuigen neer voordat zijn verwondingen weer opspelen en hij eind 1941 moet terugkeren naar Engeland.

De crash en de bijna-dood ervaring doen Dahl in de revalidatieperiode naar de pen grijpen. Niet voor een brief aan zijn moeder, maar voor een kort verhaal. Hij wil zo vasthouden wat er gebeurde en wat dat met hem deed. Hij is een ‘echte’ schrijver geworden. In zijn brieven aan zijn moeder kan hij zijn ei in dit opzicht niet kwijt. Hij is daarin lyrisch over mooie landschappen en de sensatie die het vliegen hem geeft, maar verzwijgt de ernst van zijn verwondingen. Ook spreekt uit die brieven een grote bezorgdheid om de veiligheid van zijn moeder en verdere familie. Hij dringt er keer op keer op aan dat zij het huis bij Londen verkopen en verhuizen naar het westen, buiten het bereik van de Duitse bommenwerpers.

Vroeg in 1942 krijgt hij het aanbod om op de Britse ambassade in Washington de functie van Assistant Air Attaché te bekleden. Die buitenkans grijpt hij. Zijn enthousiasme en uitstraling openen in de Verenigde Staten deuren, waardoor hij al snel in contact komt met beroemdheden. Voor Walt Disney werkt hij in Los Angeles aan een verfilming van zijn net geschreven verhaal over de Gremlins, hij ontmoet er zo ongeveer alle filmsterren die hij kent van het witte doek en president Roosevelt vraagt hem te eten. Ook schrijft hij nieuwe korte verhalen. Eind 1945 verschijnt zijn eerste bundel, Over to You,  waarin zijn verzamelde vliegeniersverhalen zijn opgenomen.

De brieven die Dahl in de jaren 1938-1945 aan zijn moeder schrijft beslaan de helft van deze bundeling. Omdat hij steeds op andere plekken verblijft en er steeds nieuws is te melden vormen deze het meest levendige deel van de selectie. Na de oorlog blijft Dahl schrijven, maar het leven wordt kalmer. De jonge schrijver werkt veelal in de Verenigde Staten, trouwt in 1953, krijgt kinderen en settelt zich in 1961 in Engeland. Hij koopt een cottage met een grote tuin waarin hij zijn beroemde schrijfhutje bouwt. Daarin zal het mooiste deel van zijn oeuvre ontstaan. Het eerste verhaal dat hij er schrijft is Charlie and the Chocolate Factory uit 1964. Zijn moeder woont enkele mijlen verderop. Brieven zijn dan niet meer nodig.

Leer je Dahl kennen uit deze brieven? Ja, beslist. Er zijn meerdere uitvoerige biografieën over hem verschenen, maar dit bundeltje met brieven is een soort 'crash course' in zijn leven, en dan met name in zijn 'coming-of-age' jaren. Het is jammer dat hij de brieven van zijn moeder niet heeft bewaard, maar ook uit deze eenrichtingscorrespondentie wordt duidelijk dat hij al op jonge leeftijd graag schrijft, een gebeurtenis vastlegt en de brieven die zijn moeder hem stuurt steevast beschouwt als een signaal dat ook hij de pen moet opnemen. Het schrijven van brieven is iets van de korte baan. Zijn eerste literaire pennenvruchten, de korte verhalen met zijn oorlogsbelevenissen, zijn dat ook. Kortom, we moeten zijn moeder dankbaar zijn.

Donald Sturrock (ed.)
Love from Boy. Roald Dahl's Letters to His Mother
304 blz
John Murray Publishers

[Nederlandse editie: Roald Dahl. Liefs van Boy. Brieven aan mijn moeder]


zondag 4 februari 2018

Maarten's moeder

In de proloog van Magdalena, de herinneringen aan zijn moeder die Maarten ’t Hart in 2015 publiceerde, laat hij geen twijfel bestaan over hun relatie: ‘Als kind heb ik zielsveel van haar gehouden, […] en die liefde is nooit overgegaan, in weerwil van alles wat ik met haar heb meegemaakt. Ze was geduldig en zachtmoedig […] de zorgzaamheid zelve […]. Ze stond dag en nacht voor je klaar.’ Dat doet je denken dat ’t Harts moeder een engel was, maar dat is nu ook weer niet het geval. Ze blijkt namelijk behept te zijn geweest met uiterst vreemde complexen. Waarvan de meest opmerkelijke is dat ze haar hele leven meende dat haar man voortdurend vreemdging. Ze verdacht hem – van beroep doodgraver – zelfs van afspraakjes met losbandige vrouwen in de familiegraven op het kerkhof waar hij werkte. Bewijs had ze daar niet voor, maar het was haar niet uit het hoofd te praten. Een standvastige vrouw, dat wel.

Magdalena van der Giessen werd geboren in 1920, in Poeldijk. In 1941 trouwde ze met Pau ’t Hart en betrok ze met hem een piepklein arbeidershuisje in Maassluis. Beiden behoorden tot de Gereformeerde Kerk en ze voedden hun kinderen ook in dat geloof op. Pau behoorde tot de strenge richting, waar ‘hel en verdoemenis predikende kanselredenaars’ de dienst uitmaakten. Magdalena vond dat verschrikkelijk. ’t Hart schrijft:  ‘Mijn moeder moest niets van dat soort zwartkijkers hebben. Ze was voorstander van een blij geloof, je moest de hele dag door in juichstemming verkeren omdat je verlost was door de Here Jezus en gewassen in zijn dierbaar bloed.’ Maar desondanks kon ook zij onverbiddelijk zijn. Zo was euthanasie voor haar een misdaad. Toen haar lievelingsbroer in het laatste stadium van kanker besloot tot een zelfgekozen einde, verketterde ze hem. Het begrip ondraaglijk lijden zei haar niets, want er was er immers maar één die ondraaglijk had geleden, en dat was ‘de Here Jezus zelf.’

Het opgroeien in een streng gelovig gezin en alles wat dat met zich meebrengt is een rode draad in het oeuvre van ’t Hart. Veel van wat hij in Magdalena beschrijft zal voor zijn lezers  dan ook heel vertrouwd klinken. Daarnaast komen allerlei andere onderwerpen aan bod, vaak van nogal dagelijkse aard, zoals de aanvankelijk onwil van Pau en Magdalena om hun zoon te laten doorleren, de introductie – op advies van de rector van het lyceum – van het gebruik van een tandenborstel in Huize ’t Hart, de relatie van de inmiddels weduwe geworden Magdalena met haar jeugdvriend en de jacht door de auteur op een ‘grommende muis’ waarover de hoogbejaarde Magdalena klaagt. Het leest allemaal prettig en is onderhoudend, af en toe zelfs uitermate geestig. Maar het is ook nogal anekdotisch – in dat opzicht is het een échte ’t Hart – en komt daardoor op mij over als een bundel met korte verhalen. Het gaat bovendien zelden echt de diepte in, zoals je dat in een portret als dit zou verwachten. ’t Hart lijkt dat ook wel aan te voelen, want hij begint een van de hoofdstukken met de verzuchting dat het mooi zou zijn wanneer hij zijn moeder zelf aan het woord zou kunnen laten, want ongefilterd zou de lezer haar pas echt leren kennen. Ja, dacht ik toen, dat klopt. En misschien zou ’t Hart zelf dan ook ietsje minder aanwezig zijn. Zou hij zich minder vaak hebben laten verleiden bouwsteentjes voor zijn autobiografie voor te sorteren.

Maarten 't Hart
Magdalena
250 blz
Uitgeverij De Arbeiderspers

woensdag 31 januari 2018

Vondel over zichzelf

Joost van den Vondel kan niet klagen over een gebrek aan biografen. Al tijdens de laatste jaren van zijn leven liep er een achter hem aan: zijn vriend Geraardt Brandt. Die publiceerde in 1677 een biografie van Pieter Cornelisz. Hooft en zette zich vervolgens aan de klus om de oude Vondel zoveel mogelijk informatie over zijn leven te ontlokken. Die biografie zou drie jaar na het overlijden van de dichter in 1679 verschijnen en is altijd een soort van oertekst gebleven waarop latere biografen zich baseerden. Zelfs Piet Calis, de auteur van de meest recente levensbeschrijving uit 2008, maakte dankbaar gebruik van Brandts tekst. Maar nu is er dan eindelijk de autobiografie, door de meester zélf geschreven. In Ik, Vondel. Aantekeningen uit de laatste jaren van mijn leven laat Hans Croiset de bejaarde dichter zelf aan het woord. Ofschoon het een roman is, en de stem van Vondel dus uit het hoofd van de auteur komt, is de illusie dat Vondel zelf tot je spreekt verdomd overtuigend.

Hans Croiset is een kenner van het leven en werk van Vondel. Als regisseur bracht hij meerdere van diens toneelstukken op de planken, te beginnen met een legendarische opvoering van Lucifer bij het Publiekstheater in 1979. Daarna volgden  nog de Gijsbrecht van Aemstel bij het Nationaal Toneel en Jozef in Egypte bij Het Toneel Speelt. Dat beeldend vermogen waarover Croiset als goede regisseur beschikt komt ook Ik, Vondel ten goede. Scènes waarin meerdere personages voorkomen worden door Croiset benut om er in dramatisch opzicht alles uit te halen. Die taferelen komen tot leven, zie je zo voor je. En tussendoor schuifelt de oude dichter door het leven, met een geest die – zeker in het begin – nog lenig is en in staat tot een rake analyse van personen en situaties.

Bij Croiset is Vondel niet alleen een oude man, maar ook een eenzame. De roman opent met de dichter die waakt bij het sterfbed van zijn dochter Anna, de laatste van zijn kinderen die nog in leven was. Na haar dood schrijft hij: ‘Nu ben ik echt alleen. Ik heb daar lang over gedaan, meer dan achtentachtig jaar: zelfs van mijn kleinkinderen zijn er maar weinig over.’

Tijdens de kerkdienst voorafgaand aan de graflegging van Anna dwalen zijn gedachten af: ‘Knielen, buigen, ik wil het niet meer. Mijn kinderen zijn mij afgenomen, een voor een, wie moet ik daarvoor danken? De afgelopen maanden heb ik het zo min mogelijk over mijn twijfels gehad, om Anna op haar ziekbed niet te kwetsen. Het zou een te grote schok zijn geweest haar vader te zien afglijden. Ongodist op eigen erf.’ Zijn geloof, het katholicisme waartoe hij omstreeks 1640 was overgegaan, zegt hem steeds minder. Hij ziet dan ook af van zijn dagelijkse gang naar de kerk, vroeg in de ochtend. Nog een houvast dat verdwijnt. Hij is op zichzelf teruggeworpen. Voor een autobiografie – als je het positief wil bekijken – een ideaal uitgangspunt.

De laatste jaren van Vondels leven spelen zich voornamelijk af in zijn studeer- annex slaapkamer in zijn eigen huis, waar zijn enige overgebleven kleinzoon Joost – een schoenlapper – en de meid Aeltje bij hem inwonen. Zijn nicht Agnes Block houdt een oogje in het zeil. Vondel laat al het onnodige verwijderen uit de kamer. Het in deze monnikachtige cel dat Geraart Brandt regelmatig langskomt, de man die zichzelf heeft benoemd tot Vondels biograaf. Omdat Vondel hem niet helemaal vertrouwt, besluit hij om ook zelf zijn leven op schrift te stellen: ‘Het aanleggen van een boek met aantekeningen en met belevenissen uit mijn dagelijks leven. En uit mijn voorbije tijd. Een werkboek, een anti-Brandtboek.’ Dat is deze als autobiografie vermomde roman.

Wat volgt is een fascinerende inkijk in Vondels leven. Hij noteert wat hij in het heden meemaakt, maar kijkt ook terug op gebeurtenissen uit zijn lange leven. Een stoet van bekende en minder bekende personen komt voorbij. Als ik daar één gebeurtenis uit moet kiezen, is dat wel het concert in de Oude Kerk in Amsterdam waarvoor collega-dichter Constantijn Huygens hem uitnodigde.

Op een dag in het jaar 1676 krijgt de bijna negentigjarige Vondel de bijna tachtigjarige Huygens op bezoek. Deze laatste komt langs om Vondel uit te nodigen voor het bijwonen van een concert dat ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag door zijn kinderen wordt georganiseerd in de Amsterdamse Oude Kerk. Het onderhoud tussen de gemakkelijk voortbabbelende Huygens en de afwachtende, voorzichtige Vondel is een juweeltje van schrijfkunst. De muziek die tijdens het concert zal worden uitgevoerd is van Claudio Monteverdi. Het zijn de Vespro della Beate Vergine, meestal de Mariavespers genoemd, die Constantijn Huygens een kleine zestig jaar eerder als jonge man had gehoord in Venetië, gedirigeerd door Monteverdi zelf. Katholieke muziek, in een katholieke kerk. De twijfelende katholiek Vondel twijfelt, maar gaat uiteindelijk toch. Om ter plekke te ervaren dat: ‘Het begrip schoonheid was er niet op van toepassing, het was een compositie uit een wereld waar onbekende wetten heersten. […] Weerloos werd ik ondergedompeld in een bad vol liefde en aanbidding. Ik besloot mijn verzet op te geven en me voor de duur van het muziekstuk als een trouwe volgeling van de kerk van Rome te beschouwen.’ In werkelijkheid heeft dit concert nooit plaatsgevonden, maar het is de toneelregisseur Croiset die je weet mee te slepen. Je zou willen dat het wél zo had plaatsgevonden.

Ik, Vondel is voor mij een waardige toevoeging aan de lange reeks van biografieën van de dichter die sinds de tekst van Brandt zijn verschenen. Misschien is het in zekere zin ook wel de mooiste beschrijving van Vondels leven, omdat de verbeelding de boventoon voert.

Hans Croiset
Ik, Vondel. Aantekeningen uit de laatste jaren van mijn leven
288 blz
Cossee

donderdag 25 januari 2018

Met Napoleon naar Rusland

De campagne van Napoleon Bonaparte naar Rusland in 1812 is een van de bekendste veldtochten in de geschiedenis. De voorgenomen aanval op het immense Russische rijk vormde voor hem de bekroning van zijn ambities als heerser. Op die ambities stond sinds zijn kroning tot keizer in 1804 geen limiet meer. Het verhaal van de Russische veldtocht is al vaak verteld. De dramatische afloop, waarbij slechts een klein deel van de honderdduizenden manschappen erin slaagde levend terug te keren, spreekt tot de verbeelding. Maar nog niet eerder was beschreven hoe het de Nederlandse soldaten tijdens die veldtocht was vergaan. Bart Funnekotter, historicus, redacteur van NRC Handelsblad én nazaat van een van die soldaten, doet dat nu in De hel van 1812. Nederlanders met Napoleon op veldtocht naar Rusland.

Waarom besloot Napoleon eigenlijk om Rusland aan te vallen? Zelf noemde de Franse keizer als belangrijkste reden het feit dat Rusland zich niet hield aan het Verdrag van Tilsit dat Frankrijk en Rusland in 1807 sloten. In dat verdrag had Rusland toegezegd zich te houden aan het door Napoleon geïntroduceerde Continentaal Stelsel, dat de handel met Engeland onmogelijk maakte. Het was in feite een economische blokkade, erop gericht de Engelse economie te ontwrichten. Maar Rusland, dat van oudsher veel hout naar Engeland exporteerde voor de scheepsbouw, ontdook haar belofte. Dat Napoleon, tot het uiterste getergd, dan maar besloot de tsaar ‘een lesje te leren’ door hem met een snelle militaire campagne op de knieën te dwingen zegt iets over Napoleons zelfbeeld. Meerdere vooraanstaande adviseurs, waaronder de Franse ambassadeur in Rusland, ontraadden hem de veldtocht. Ze wezen op de enorme afstanden en de koude Russische winter. Maar de keizer zette door.

Vanaf juni 1812 trokken tussen de 550.000 en 600.000 soldaten in Franse dienst Rusland binnen. Een kleine 15.000 daarvan waren Nederlandse manschappen. Deels waren dit beroepsmilitairen, deels dienstplichtigen. Deze laatste groep was door Napoleon ‘opgeveegd’ nadat hij zijn broer Lodewijk Napoleon in 1810 het koningschap van Nederland had ontnomen. Tijdens de laatste jaren van het bewind van Lodewijk Napoleon waren geen dienstplichtigen opgeroepen, omdat de koning van mening was dat dit schadelijk zou zijn voor de toch al zwakke Nederlandse economie. Vanaf 1810 liet Napoleon de betreffende lichtingen met terugwerkende kracht alsnog oproepen.

Niet alle dienstplichtigen trokken met tegenzin naar Parijs. Diederik van Doodewaard, soldaat van het 123e Regiment: ‘Of het bijzonder lichtzinnig was, kan ik niet zeggen, maar ik zag weinig tegen de conscriptie (dienstplicht) op. Lootte ik vrij, dan trad ik op de een of andere manier toch in dienst, was mijn besluit. Ik had lust om de wereld te zien en daar gaf Napoleon gelegenheid toe.’ Hij zou als een van de weinigen de verschrikkingen overleven.

Wij zijn het inmiddels gewend via zenders als CNN oorlogshandelingen bijna live mee te maken. Met een druk op een knop kan een kwaadwillende leider een aanval beginnen die al binnen een dag een mondiaal gevecht kan zijn. In het begin van de negentiende eeuw lag het tempo iets lager. De eerste Franse troepen vertrokken in januari en februari 1812 vanuit hun kazernes in Frankrijk naar het oosten. Medio juni, dus zo’n vier maanden later, hadden zich ongeveer 450.000 manschappen verzameld aan de westelijke oever van de rivier de Niemen, die de grens vormde tussen Pruisen en Rusland. De meeste waren lopend gekomen. Daarnaast lagen zo’n 165.000 soldaten in reserve. Op 23 juni gaf Napoleon het sein tot de aanval.

Funnekotter laat in zijn verslag van de veldtocht de Nederlandse militairen zelf aan het woord. Hij citeert uit brieven die ze naar huis schreven, uit dagboeken en uit de herinneringen die officieren en soldaten na hun terugkeer schreven en soms ook publiceerden. Daardoor maak je als lezer de dagelijkse praktijk van de veldtocht van heel nabij mee, zowel de bloedige veldslagen die werden uitgevochten als de strooptochten voor voedsel en onderdak, waartoe de soldaten steeds meer overgingen naarmate de aanvoerlijnen vanuit de achterhoede langer werden.

Napoleons strijdplan was simpel: Hij wilde zo snel mogelijk de confrontatie met de Russische troepen zoeken, ze in een veldslag in de pan hakken en vervolgens de tsaar dwingen tot een vrede op Franse voorwaarden. Maar - het is bekend - de Russische generaals ontweken in eerste instantie zo’n grote confrontatie en trokken zich steeds verder terug. De Franse aanvoerlijnen werden daardoor steeds langer, terwijl het de Russen de gelegenheid bood een verdedigingslinie op te bouwen in het binnenland om daar met de Fransen slag te leveren.

Pas op 7 september vond bij het plaatsje Borodino die eerste grote slag plaats. De Fransen wonnen die en konden doorstoten naar Moskou, maar tegen een hoge tol: 30.000 soldaten van de Grande Armée sneuvelden. De Russen verloren die dag 45.000 man. De Russische generaal Michail Koetoezov schreef aan de tsaar dat hij ‘de bloedigste veldslag van de moderne tijd’ had gevoerd. Dat klopt, en dat twijfelachtige record zou pas worden gebroken op 1 juli 1916, de eerste dag van de Slag bij de Somme.

Begin september voelde in het binnenland van Rusland aan als december in Nederland, schreef een soldaat naar huis. En de kou zou snel toenemen. Toen de Franse troepen op 15 september het vrijwel verlaten Moskou binnentrokken scheen de zon maar was het koud. Een dag later, terwijl Napoleon zijn vertrekken in het Kremlin inrichtte, stichtten Russische saboteurs brand in enkele grote houden panden. Gedurende drie dagen, aangewakkerd door een harde wind, brandde Moskou. Veel voorraden en gebouwen gingen verloren. In de weken daarop werd het leven moeilijker, zeker voor de honderdduizenden manschappen die buiten de muren van Moskou bivakkeerden. Bovendien pleegden goed bewapende kozakken overvallen op de aanvoerlijnen. Toen begin oktober duidelijk werd dat de Russen niet waren geïnteresseerd in een bestand en tevens de eerste sneeuw viel besloot Napoleon zijn legers terug te trekken op hun vooraf bepaalde winterkwartieren in Smolensk en Wilna.

Waar Funnekotter in de beschrijving van de opmars naar Moskou zoals meegemaakt door de Nederlandse mannen je soms al kippenvel weet te bezorgen, schakelt hij in de aftocht een tandje bij. Dat doet hij niet met opzet, de terugtocht wás daadwerkelijk een hel. De kou nam toe, de wegen waren slecht begaanbaar, kozakken vielen voortdurend de achterhoede aan en er was vrijwel niets te eten. Paarden vielen bij bosjes neer langs de weg, uitgeput en letterlijk op. Die werden direct aan stukken gesneden en opgegeten. Iedere nacht vroren tientallen tot honderden soldaten dood. Napoleon voerde met zijn elitekorps de tientallen kilometers lange karavaan aan, maarschalk Ney was belast met de voortdurend opspelende achterhoedegevechten. Het oversteken van de rivier de Berezina mag je wel de climax van deze tocht noemen. Nadat Napoleon door een slimme manouvre de Russische troepen op het verkeerde been had gezet, wisten enkele honderden manschappen van de genie – waaronder veel Hollanders – in het ijskoude water twee negentig meter lange bruggen te bouwen. Daarna was het, bij een temperatuur van min 30, nog enkele weken lopen naar het veilige Koningsbergen in het oosten van Pruisen.

De brieven en aantekeningen in dagboeken van de Hollandse manschappen tonen de gruwelijke omstandigheden tijdens de terugtocht. Kapitein-adjudant-majoor Theodore Veeren schreef na een gevecht met de Russen aan zijn vrouw dat de ‘levenden nog maar weinig in getal zijn’ en drukte haar op het hart dit niet aan de overige regimentsvrouwen mee te delen. En Rode Lansier François Dumonceau beschreef in zijn memoires het tafereel dat hij aanschouwde vanaf de veilige oever van de Berezina: ‘Net als een dag eerder verzamelde zich een compacte menigte voor de bruggen die zorgde voor een vreselijk tumult […] Op een heuvel vocht het IX korps van Victor, dat onze achterhoede vormde, onophoudelijk met de vijand.’ De Russen hadden een kanon in stelling weten te brengen en vuurden op de mensenmassa. ‘We zagen de menigte als een onstuimige zee heen en weer bewegen, om aan het vuur te ontkomen, rennend van de ene brug naar de andere, in de hoop sneller te kunnen oversteken, waarbij ze werden teruggeduwd door degenen die net de andere kant opgingen. Granaten ontploften in hun midden en kogels sloegen grote gaten in deze compacte massa.’

Een glorieuze veldtocht die eindigde in een slachting. Van het half miljoen manschappen dat op 23 juni en de dagen erna de grens met Rusland overstak keerden er 120.000 terug. Ruim 70% sneuvelde dus. De Hollanders betaalden een nog zwaardere tol, van de 15.000 die vertrokken kwamen er voor zover we weten maar 500 weer thuis. Na het lezen van Funnekotters boek – gebaseerd op gedegen onderzoek en geschreven in een pakkende stijl – kun je je die ongelooflijke cijfers voorstellen. Want je bent met die mannen meegereisd.

Bart Funnekotter
De hel van 1812. Nederlanders met Napoleon op veldtocht naar Rusland
Prometheus
334 blz  


vrijdag 19 januari 2018

Een Poolse Proust

Dat onze herinnering niet een proces is dat volgens chronologische of lineaire lijnen verloopt wordt wel heel duidelijk in De horizon, de onlangs vertaalde roman van de Poolse schrijver WiesŁaw Myśliwski. In die roman beschrijft Myśliwski de kinder- en jeugdjaren van een jongen die Piotr heet. Hij leunt daarvoor zwaar op zijn eigen jeugdherinneringen, je zou het boek ook een verkapte autobiografie kunnen noemen. In De horizon neemt Myśliwski je niet alleen mee naar zijn jonge jaren, maar nadrukkelijk ook naar de context, de wereld waarin hij opgroeide. Dat is het Polen van net vóór tot net ná de Tweede Wereldoorlog. Op een plek in de nabijheid van een forse provincieplaats. Hij schildert je die wereld tot in details, liefdevol en uitvoerig. Als je je daardoor als lezer laat meevoeren – en dat probeert de schrijver natuurlijk te bewerkstelligen – vindt je het ook geen probleem wanneer hij de chronologie doorbreekt en opeens, van de ene op de andere alinea, vanuit een andere tijd of ander perspectief op een gebeurtenis terugkijkt. Zoals gezegd, onze herinnering werkt ook associatief.

Het leven van de jonge Piotr staat voor een groot deel in het teken van de Tweede Wereldoorlog. Daarin is Polen een slagveld. De optrekkende Duitsers vermorzelen het, de terugvechtende Russen gaan een paar jaar later nog eens over die ruïne heen. Voor Piotr, zijn vader en moeder betekent dat een paar keer gedwongen verhuizen. Voor de oorlog wonen zij op de boerderij van zijn grootouders, waar ook ooms en tantes verblijven. Als die boerderij vanwege de oorlogshandelingen moet worden opgegeven, verhuizen zij met z’n drieën naar een souterrain van een groot huis in de stad. Dat huren ze van twee vrouwen die de rest van het huis bewonen, de gezusters Poncka. Of het zussen zijn blijft een vraag, dat ze een bordeel runnen wordt langzaamaan duidelijk. De dames Poncka zijn verzot op de jonge Piotr, richten al hun moederlijke liefde op hem.

De vader van Piotr was officier in het Poolse leger, maar heeft ontslag genomen vanwege een hartkwaal. Ook als boekhouder in dienst van de stad moet hij na verloop van tijd zijn baan opzeggen. Piotr kent hem niet anders dan thuis, op bed liggend, starend naar het raam of plafond. Met zijn moeder heeft Piotr een intensief contact, zij regelt zijn leven. Met haar heeft hij daarom ook de meeste conflicten.

Myśliwski neemt de tijd om zijn verhaal te vertellen. En omdat hij als het ware in zijn geheugen graaft, treden de mooiste herinneringen op de voorgrond. Onvergetelijk is het relaas over de voettocht die Piotr en zijn ouders ondernemen om in een naburige stad op een baan voor zijn vader te solliciteren. Als ze er na uren eindelijk bijna zijn, blijkt dat Piotr een van zijn schoenen – die had hij in een knapzak gestopt om dat ze knelden – is verloren. Zijn moeder kapt het doel van de tocht ogenblikkelijk af en loopt met hem de hele, lange weg terug, zoekend naar de schoen. Tevergeefs. Het is een half uur lezen, magistraal verwoordt. Of het verhaal hoe in 1942 een van Piotr’s ooms op een boerenkar hun Joodse buren met hun bagage naar het station brengt, vanwaar die naar een gebied zullen worden gebracht waar ze een nieuw leven kunnen opbouwen. De buurman is hoopvol over dit vooruitzicht. Schrijnend om te lezen. Of het relaas van de groep Russische soldaten die in 1945 in een grote schuur nabij Piotr’s huis dagelijks honderden uit Duitsland weggevoerde runderen moet slachten, met de eenvoudigste middelen. Of hoe de dames Poncka de iets oudere Piotr de tango leren, en nog meer. Kortom, De horizon bevat een overvloed aan herinneringen. Opgeschreven met een intensiteit die Marcel Proust zou hebben gewaardeerd.

WiesŁaw Myśliwski
De horizon
Vertaald door Karol Lesman
624 blz
Querido

donderdag 11 januari 2018

Losers met een hoge aaibaarheidsfactor

Isebrand Schut is een man met ‘enige afstand tot de maatschappij’ zoals dat tegenwoordig in het welzijnsjargon zo treffend wordt omschreven. Hij is vierendertig en werkeloos. Hij werkte tot voor kort bij een callcenter maar is daar vertrokken toen zijn nieuwe cheffin – Manja van der Ziel, dertig, ex-hockeykeepster, een vrouw met een carrière, niet lullen maar doen – zijn leven te veel ging beheersen. Sindsdien knoopt hij de eindjes aan elkaar met behulp van een uitkering en een parttime baantje als ‘toiletjuffrouw’ in een ondergrond openbaar toilet in de stad Groningen met de toepasselijke naam Metro. Isebrand woont om de hoek ervan, aan het A-Kerkhof. Ondanks zijn tot nog toe niet heel succesvolle loopbaan is Isebrand gezegend met een rijk gevoelsleven. Al is het er wel een waarin de tobberigheid overheerst: ‘Isebrand huiverde tot op het bot. De overweldigende gedachte dat de hele wereld ijskoud en liefdeloos was, vol valkuilen en schrijnende verborgen ellende, vervulde hem met zwarigheid en iets wat wel pure doodsangst leek.’

Isebrands sociale netwerk bestaat hoofdzakelijk uit mannen als hij, die hij kent omdat ze deelnemen aan de door hem opgerichte zelfhulpgroep Man&Post. Tijdens de bijeenkomsten van die groep openen de leden de door hun meegebrachte post. Of laten die, wanneer ze vermoeden dat de inhoud van de enveloppe een naar bericht bevat, of een aanmaning, door een van de anderen openen. Waarna de groep bespreekt hoe de geadresseerde het beste kan omgaan met het ontvangene. De deelnemers zijn vrijwel zonder uitzondering eveneens mannen met enige afstand tot de maatschappij. Ene Jean-Luc heeft een bijstandsuitkering waarop door zijn eigen nalatigheid is gekort, en is daarom een wietplantage begonnen waar hij vanwege het gevaar van ontdekking nu vanaf wil. Of neem Sylvio, die bivakkeert in een gammele stacaravan op het terrein van cavia-opvang Beertje op het Groningse platteland maar ervan droomt veejay te worden in het Groningse uitgaansleven. De handvol mannen zijn bij  Valens stuk voor stuk karakters geworden die je bijblijven. ‘Losers’ met een hoge aaibaarheidsfactor. 

Alles verandert voor Isebrand wanneer Cornelis Meckering toetreedt tot Man&Post. Meckering is een succesvolle zakenman, zeer vermogend en een echter ‘doener’. Hij verbijstert de leden van Man & Post met zijn uitleg over zijn kapitale bezittingen – alles in bezit van de BV Meckering Consultancy. Ook heeft hij goede ideeën voor de organisatie van de groep en komt hij met een nieuwe postbak, de ‘Maserati onder de postbakken’. Meckering neemt Isebrand in dienst als assistent bij het schrijven van een boek over het voorvoegsel Ont. Dat moet het boek Ont- worden.

Het boek Ont is het eerste boek dat ik las van Anton Valens. Het was even wennen aan de speciale humor. Die is droog, ironisch en soms zwartgallig. Het boek is doortrokken van het besef van de zinloosheid van het leven. In de handen van Valens leidt dat tot mooie melancholieke mijmeringen. Hij weet ook meesterlijk scènes te schrijven die je nooit meer zult vergeten. En zinnen te componeren die je direct wilt herlezen en die je na vijf keer nog steeds mooi vindt, of iedere keer mooier. Dat vond ook de jury van de Tzum Prijs, die Het boek Ont in 2013 de prijs voor de beste literaire zin toekende. Dat is tevens de openingszin van het verhaal: ‘Het was dinsdagavond kwart voor acht en een van de laatste dagen van oktober in het roemruchte stervensjaar van de gulden, dat schitterende, harde betaalmiddel met zijn waaier van kleurige biljetten als de staart van een paradijsvogel, dat met goedvinden van de kroon door de directeur van de Nederlandse bank verkwanseld werd voor een grauwe eenheidsmunt waar er al zoveel van zijn en die de ‘euro’ wordt genoemd.’ De prijs bestaat uit een beker en evenveel euro’s als de zin woorden bevat. In dit geval waren dat er 68.

Anton Valens
Het boek Ont
Luisterboek, voorgelezen door Frank Rigter
11 uur en 29 minuten
Rubinstein