Wij gaan graag op wintersport naar Scandinavië. En in het vroege voorjaar en late najaar naar een sfeervol huisje in Duitsland of Frankrijk. Mijn echtgenote zoekt en boekt die bestemmingen dan, ik bemoei me eigenlijk maar met één detail: er moet een open haard in het huisje zijn. Of op zijn minst een houtkachel. Voor de sfeer, ik vind dat geweldig. En helemaal gelukkig wordt ik wanneer ik na aankomst ontdek dat er niet alleen een houtvoorraad klaar ligt, maar dat er ook stukken stam liggen die nog klein gehakt moeten worden. Wat dat is weet ik niet. Een oergevoel? In de zin van ‘man zorgt voor zijn vrouw?’ Hoe het ook zij, ik ga vrolijk met de bijl aan de slag en zorg ervoor dat ook iedereen die na ons in het huisje arriveert een kant-en-klare houtvoorraad aantreft.
Ik heb dan ook met veel plezier het boek De man & het hout van de Noorse auteur Lars Mytting gelezen. Mytting is een journalist en schrijver van romans die een aantal jaren geleden verhuisde naar Elverum, een klein dorp in het zuidoosten van Noorwegen. Hij moest daar voor het eerst van zijn leven zijn huis verwarmen door het stoken van hout. Dat fascineerde hem zo dat hij besloot er een boek over te schrijven. Het boek verscheen in 2011 in Noorwegen en is inmiddels een internationale bestseller. In Engeland en de Verenigde Staten werd het boek gepubliceerd onder de titel Norwegian Wood, wat ook de titel is van een nummer van The Beatles en een roman van Haruki Murakami. Dat is slim. Maar het is niet alleen een uitgekiende marketing die dit succes teweegbrengt. Mytting weet ook de juiste snaar te raken wanneer het gaat om een eeuwenoude Scandinavische traditie.
Dat Noorwegen, Zweden en Finland bedekt zijn met bossen weet iedereen. Er zijn zelfs beroemde romans verschenen waarvan de titel dat nog eens benadrukt, zoals Eeuwig zingen de bossen (1933), het eerste deel van de trilogie Het geslacht Bjǿrndal van de Noorse auteur Trygve Gulbranssen. Maar dat die bossen en de snelheid waarmee ze groeien het complete Scandinavische woningbestand gemakkelijk van warmte zouden kunnen voorzien was nieuw voor mij. Dat geldt ook voor het gegeven dat het stoken van hout, mits op de juiste wijze gedaan, het milieu niet belast. In Scandinavië is enkele jaren geleden een grote publiekscampagne georganiseerd om de inwoners aan te zetten tot ‘omgekeerd stoken’. Daarbij maak je een vuurtje in een open haard of houtkachel niet van onderaf aan, maar van bovenaf! En als je dan ook nog beschikt over een moderne houtkachel, waarbij de uit het hout vrijkomende gassen direct worden verbrand, is de milieubelasting nihil. Raadpleeg voor verdere details het boek, Mytting geeft gedetailleerde informatie en bovendien overzichtelijke tabellen.
Maar daar las ik het boek natuurlijk niet in de eerste plaats voor. Het gaat mij om de emotie van het werken met hout. Om het stoken van het vuurtje. En daaraan is gelukkig het grootste deel van het boek gewijd. In hoofdstukken met titels als Het bos, De kettingzaagpioniers, Het hakblok, De stapel, Het drogen, De kachel en Het vuur gaat Mytting uitvoerig in op alle aspecten van het hout en het kappen, bewaren en stoken ervan. Met veel feitelijke informatie, prachtige anekdotes, rijk geïllustreerd en in een aantrekkelijke vormgeving.
Een eeuwenoude traditie betekent natuurlijk veel aandacht voor het ambachtelijke aspect. Bijlen in alle soorten en maten, én hoe ze te gebruiken, komen voorbij. Ook het stapelen van de houtblokken voor het drogen, in de bekende vormen en uiterst ongewone vormen, worden belicht. Na lezing weet je ook welke bomen wel en vooral niet om te hakken voor je vuur.
Voor het kappen van het hout heb je maar vier dingen nodig: een bijl, een kettingzaag, een auto (lees: Volvo) en een aanhanger. Mits bewust uitgezocht zijn dat zaken die je hele leven meegaan. Een eenmalige investering dus.
In al zijn encyclopedische volledigheid is er één puntje dat wellicht wat gevoelig ligt. De titel van het boek. De man & het hout. Op het achterplat heeft de uitgever van de Nederlandse editie in kapitalen de volgende slogan laten afdrukken: ‘HET IDEALE BOEK VOOR IEDEREEN (M/V) DIE EEN ECHTE MAN WIL ZIJN.’ Tja. Daar begrijp ik niets van. Gelukkig doet Mytting daar niet moeilijk over. Ik citeer, uit het hoofdstuk over het gereedschap: ‘De keuze van de kettingzaag definieert de man. Het is een aankoop die niet gedaan moet worden in het tuincentrum op een zaterdag dat het ijs bij de kinderen over de vingers loopt en de vrouw zeurt dat de parkeertijd bijna afloopt. De kettingzaag van een man is – in lijn met het jachtgeweer, de auto en de stereo-installatie – een keuze die uitvoerig overwogen moet worden. Catalogi moeten worden doorgespit, specificaties vergeleken, nieuwe catalogi doorgelezen op het toilet, elke decimale over pk’s en handvattrilling moet uitgeplozen worden voordat tot de keuze kan worden overgegaan.’
Mannen: er is nog een gebied dat (vrijwel) exclusief van ons is. Koester het. Koop dit boek. Het zal je leven verrijken.
zaterdag 9 januari 2016
zondag 3 januari 2016
Ontmoetingen
Je zou de inhoud van een mensenleven ruwweg kunnen verdelen in alledaagse
zaken, in gebeurtenissen die belangrijk zijn én dat wat we graag zien als de
essentiële, allesbepalende momenten. Maar bestaat dat onderscheid wel, en zo
ja, zijn wij in staat om dat wat ons overkomt te duiden en het de juiste plek
te geven? Of, algemener geformuleerd, zien wij het verschil tussen de
werkelijkheid en de waarheid? In zijn roman Als de winter voorbij is speelt Thomas
Verbogt met die vraag een vernuftig spel. Het gaat over ontmoetingen. Over de
onvoorspelbaarheid ervan, het toevallige, maar ook over een impact die je lang
onbewust met je kan meedragen: ‘Het gebeurt dat je getroffen wordt door een
blik, dat iemand je even aanraakt, terloops – per ongeluk, lijkt het, dat je
getroffen wordt door een glimlach of een oogopslag, maar je beseft nauwelijks
dat dat gebeurt.’
De aanleiding is simpel. De verteller, een man die net als de auteur
begin zestig is, ontruimt de etage waar hij vijftien jaar heeft gewoond omdat
hij bij zijn nieuwe lief zal intrekken. Tijd voor het vullen van vuilniszakken,
het ‘elimineren van ballast’. Oude (liefdes)brieven en boeken moeten eraan
geloven. De afzenders, de schenkers, wat zeggen ze nog: ‘Het zijn flarden van
mensen die iets betekend hebben voor me. Wat die betekenis was en is, heb ik
meegenomen naar later. De betekenis verbind ik haast niet meer met de dagen van
toen, met de mensen met wie ik verkeerde. Bij wie sta ik stil?’
Twee mensen en twee momenten blijken voor de verteller van cruciale
betekenis te zijn geweest. De eerste is Becky, een meisje dat als tweejarige in
1944 langs een spoorlijn in Duitsland werd gevonden en enkele jaren later werd
opgenomen door de latere ouders van de verteller. Met deze ‘zus’, tien jaar
ouder dan hij, had hij een innige band. Op haar achttiende verliet zij het huis
om in New York te gaan wonen. De verteller, toen een jongen van acht, wist door
zijn emoties niets te zeggen bij haar afscheid, haar nauwelijks aan te kijken.
Becky kwam nog dezelfde dag om het leven bij een treinongeluk. De jongen voelt
zich schuldig, denkt dat hij door wél iets te zeggen het afscheid misschien
vertraagd zou hebben, Becky haar trein had laten missen.
Het tweede voorval vond plaats toen de verteller bijna twintig was.
Tijdens een zomerkamp van zijn oude school waarop hij mee was als begeleider,
kuste een dertienjarig meisje hem tot tweemaal toe op de mond. Ook met die
situatie weet hij op het moment zelf niet om te gaan. Ze blijft hem later
achtervolgen. Alweer een gemiste kans, of betekende het niets?
Deze ervaringen draagt de verteller weliswaar met zich mee in zijn
verdere leven en ze hebben onbewust invloed op zijn handelen, maar voor Verbogt is een plot die bij A begint en bij Z eindigt
in deze roman niet het belangrijkst. Het verhaal is eerst en vooral een
overpeinzing. Over het leven, ‘dat broze, briljante bolwerk dat herinneringen
huisvest.’ Over de liefde: ‘Ze legt haar hand op de mijne, een zacht gebaar
waarmee ik verder reis in mijn leven.’ Of over ‘gelukkige momenten, fracties
van seconden, flarden van gebeurtenissen. Glimlach die ik nog niet ken, voor
mij bedoeld. […] Geur die bij een afscheid hoort maar nog even blijft hangen.’
Als de winter voorbij is nodigt uit tot citeren, merk ik. Dat is niet
verwonderlijk, de roman staat vol met prachtige, poëtische zinnen. Zinnen die kernachtig
verwoorden waar het om gaat. Ze nodigen uit tot herlezen, blijven je ook bij. Ze
geven de roman een luchtigheid die haar ondanks het onderwerp heel toegankelijk
maakt.
Als je deze roman moet karakteriseren, zou het zijn als de poging van een schrijver om te benoemen wat in het leven nu echt belangrijk is. Wat maakt van die zeventig of tachtig jaar dat wij hier rondlopen nu de essentie uit? De grootvader van de verteller weet het op zijn sterfbed wel: ‘Uiteindelijk
zijn er maar een paar momenten die ertoe doen. Dat zou ik vroeger niet geloofd
hebben. En het zijn maar kleine dingen, wat ik vroeger ook niet geloofd zou
hebben.’
maandag 28 december 2015
Afzender: Heere Heeresma
Op 25 juni 1975 schreef
Heere Heeresma vanuit zijn huis in de Ardèche een brief aan de uitgever Bert Bakker.
Na een korte terechtwijzing aan het adres van de uitgever over diens
besluiteloosheid lezen we daarin de volgende passage: ’[…] maar ten eerste heb
ik zo mijn eigen tempo en in de 2e plaats ben jij zowel als ik
ronduit gebaat bij een snelle konkretisering van onze voornemens i.v.m.
herdrukken en nieuw werk. Jij weet dan waaraan je toe bent en kan dan rustig je
plannen met mijn boeken ontplooien, en
ik kan […] mij volledig konsentreren op het werk dat ik voor je onder handen
heb’. Dit lijkt een vrij normale correspondentie tussen een auteur en zijn
uitgever, maar in Bleib gesund!, de zojuist verschenen bloemlezing uit de
brieven van Heeresma, zijn opvallend veel van dergelijke brieven te vinden. Ze
tonen een auteur die voortdurend op zoek is naar betere uitgeefdeals, die met
zijn oeuvre leurt als ware het pure handelswaar.
Nu was het oeuvre van
Heeresma halverwege de jaren zeventig misschien ook wel het spreekwoordelijke
goudmijntje. Met zijn vroege poëzie had hij geen succes geboekt, maar een
handvol romans en bundels met korte verhalen die hij vanaf 1962 publiceerde
werden mateloos populair: Een dagje naar het strand (1962), Geef die mok eens
door, Jet! (1968), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) en Zwaarmoedige
verhalen voor bij de centrale verwarming (1973) beleefden herdruk na herdruk,
werden vertaald en in enkele gevallen ook verfilmd. Daarna viel de productie een
beetje stil, belangrijk nieuw werk bleef uit. Heeresma was dus wel gedwongen
bij steeds andere uitgevers naar geld te zoeken, waarbij hij ze zijn oude
successen én nieuw werk dat ‘in de maak was’ als lokkertjes voorhield. Het
lukte hem meer dan eens om grote voorschotten los te krijgen. Hij ontving die
het liefst in contanten, cash in het
handje zogezegd, want hij hield zich bij voorkeur verre van officiële
instanties. De belastingdienst, bijvoorbeeld.
Enigszins onaangepast
was Heeresma wel. Dat hij geen belasting wilde betalen, is daar maar één aspect
van. Dat weigerde hij trouwens niet uitsluitend om financiële redenen. Hij
wilde ook gewoon niet met zijn hele handel en wandel bij de overheid geregistreerd
staan. Om dezelfde reden zag hij lange
tijd af van een telefoonaansluiting. En gebruik van het internet was natuurlijk
volstrekt ondenkbaar. Maar per brief was hij uitstekend bereikbaar. In zijn boeken
liet hij altijd zijn postbusnummer in Amsterdam vermelden – 10579 – en die bus
leegde hij eens in de week. Brieven van lezers werden, als hij daar tijd voor
had, steevast beantwoord.
Hij trok soms
opmerkelijke consequenties uit zijn teruggetrokken manier van leven. In een
brief van 9 augustus 1984 aan Ischa
Meijer luidt het: ‘Lieve Iesj! Helaas, te laat dus tevergeefs. Tien, pakweg,
zeven jaar geleden zou ik nog op je uitnodiging voor een interview in Vrij
Nederland ingegaan zijn maar nu is het inmiddels zoals ik eerder tegen Adriaan
van Dis mocht getuigen: “Wat zal ik in uw speelkwartier? Geef mij daarvoor één
goede reden”. Want, nietwaar, voor mijn oeuvre behoef ik het niet meer te doen.
Dat bestaat inmiddels, gelijk een perpetuum mobile, om zichzelfs wille. En de
lust die zovelen onder ons weer aanzet tot een persoonlijke manifestatie in
pers en omstreken, nâh, is me wezensvreemd’. Ik ben benieuwd wat zijn uitgever
daarvan vond.
Naarmate hij ouder werd
raakte Heeresma meer geïnteresseerd in geloofszaken. Dat had hij van huis al
meegekregen, zijn in de oorlog gestorven vader was godsdienstleraar. Samensteller Hein
Aalders heeft voor zijn ruime selectie ook brieven over dat onderwerp
opgenomen. Dat is even vreemd om te lezen – het is een Heeresma die je niet
kent. Dat geldt ook voor andere persoonlijke zaken. Waar hij in de brieven aan
vakgenoten en uitgevers vaak zijn gebruikelijke houding aanneemt – resoluut,
formulerend vanuit ingenomen standpunten, speels uitdagend, soms kort door de
bocht, woordgrapjes – daar liggen de zaken in zijn privéleven gevoeliger,
genuanceerder.
Gerard Reve kondigde
jarenlang zijn ultieme boek aan, zonder haast te maken dat ook daadwerkelijk te
schrijven. Dat was Het boek van het violet en de dood. Ook Heeresma heeft
decennialang zo’n droomboek gehad: Kaddisj voor een buurt. Dat zou moeten gaan over
zijn jeugd in Amsterdam-Zuid, waar hij in 1932 werd geboren en waar hij veel
van zijn Joodse vriendjes en kennissen in de oorlog weggevoerd zag worden. Dat
boek kwam er uiteindelijk in 2005, onder de titel Een jongen uit plan zuid. Het
bleek een aangename verrassing. De vroege Heeresma van de ironische, komische maar
soms ook wat melige romans en verhalen bleek te hebben plaatsgemaakt voor een
auteur die volgens een van de recensies ‘indringend verhaalt […] over onze
geschiedenis die ook de zijne is: onnavolgbaar, met een taalvirtuositeit die de
lezer van de eerste regel af aan bij de strot grijpt’. […] Er zitten diepe
lessen in dit ontroerende juweeltje van Heere Heeresma’. Deze late waardering,
op een moment dat vrijwel niemand meer iets van hem had verwacht, deed Heeresma
goed. Een fotokopie van de hier geciteerde recensie stuurde hij trots aan
vrienden. Met erbij de mededeling dat hij ervan ‘ondersteboven was gegaan’.
Heeresma had als auteur
een heel uitgesproken, uiterst persoonlijke toon. Hij was altijd zichzelf, zou
je kunnen zeggen. Zelfs als hij iets speelde, dan nog was het meestal een
aangezette, gecultiveerde versie van zichzelf. Uit de brieven in Bleib gesund!
komt hij naar voren als een energieke man, een optimist, een levensgenieter. De
jonge Heeresma was op een gegeven moment niet meer welkom in de Haagse Bodega
De Posthoorn, waar hij in dronken toestand bitterballen tegen de schilderijen kwakte.
De oude Heeresma reed in Hilversum in zijn scootmobiel naar de plaatselijke
supermarkt om er ingeblikt voedsel te kopen. En vond dat hij maar bofte, dat het
met hem wel erger gesteld had kunnen zijn. Met zijn relativerend vermogen was
niets mis.
zaterdag 28 november 2015
Uitgever uit hartstocht
Een van de mooiste beelden uit de biografie Geert van Oorschot,
uitgever van Arjen Fortuin is dat van de uitgever die midden in de nacht,
sigaar in de mond en hemd uit de broek, in de kelder van zijn pand aan de
Herengracht in Amsterdam boeken inpakt voor verzending. Het is voor mij de
bevestiging van het beeld dat ik altijd van Geert van Oorschot heb gehad, dat
van een man die in zijn eentje zijn uitgeverij draaiende hield. Dat was feitelijk
niet het geval, want zelfs in de beginjaren van zijn bedrijf beschikte hij over enkele
medewerkers, maar zijn werkwijze én zijn optreden naar buiten deden die indruk
gemakkelijk ontstaan. Van Oorschot cultiveerde dat beeld zelfs, het
onderscheidde hem van veel andere Nederlandse uitgevers. Arjen Fortuin schreef
over deze opmerkelijke man een biografie die een feest is om te lezen.
De provinciestad Vlissingen was de plek waar het allemaal begon. Geert
van Oorschot werd daar in 1909 geboren als zoon van Johanna Smallegange en
Levien van Oorschot. Zijn ouders waren overtuigde vrijdenkers. In 1919 was
Levien, metselaar van beroep, lijsttrekker van de ‘Socialistische Partij’ en
kwam in de gemeenteraad. Hij zou het tot wethouder en loco-burgemeester
brengen. In het gezin Van Oorschot speelde cultuur een belangrijke rol. Beide
ouders waren betrokken bij de toneelvereniging ‘Uit het volk – Voor het volk’,
Levien vooral als regisseur en Johanna als steractrice. Later in zijn leven zou
Geert van Oorschot zich trots herinneren hoe zijn moeder schitterde in Op hoop van zegen van Herman Heijermans,
die zelf naar de première kwam. Als uitgever zou hij Heijermans’ verzameld werk
in chique dundruk aan zijn fonds toevoegen.
Met zijn diploma van de HBS op zak verliet de zeventienjarige Van
Oorschot Vlissingen. Hij wilde de grote wereld in. Het liefst als dichter, of
anders in de politiek. Beide dromen zou hij niet waarmaken. Zijn gedichten, vaak
enigszins pathetische verzen overstromend van romantiek of sociaal gevoel,
vonden geen publiek. Ook zijn betrokkenheid bij de politiek werd gekenmerkt
door hartstocht. Zo weigerde hij in 1928 de militaire dienstplicht, wat hem op
een gevangenisstraf van acht maanden kwam te staan. De koers van de SDAP,
gericht op langzame en ‘natuurlijke’ verandering van de maatschappij, was niets
voor hem. Vanaf het begin was hij daarom betrokken bij de afsplitsing in 1932 van
de linkervleugel van de SDAP in een nieuwe partij, de Onafhankelijke
Socialistische Partij. Als bevlogen redenaar reisde hij het land rond. Hij
trakteerde zijn gehoor niet alleen op meeslepende betogen, maar bood het ook de
gelegenheid tijdens de bijeenkomsten verantwoorde literatuur aan te schaffen.
Dat deed hij als een van de medeoprichters en de drijvende kracht achter Het
Roode Baken, een vereniging die zich beijverde goedkope bundels socialistische
literatuur uit te geven.
Poëzie, politiek, literatuur met een boodschap: rond zijn
vijfentwintigste had Van Oorschot al ruime ervaring opgedaan met wat later de
kern van zijn uitgeversactiviteiten zou vormen. Voeg daaraan zijn talent om
producten aan de man te brengen toe en het beeld is compleet. In de jaren
dertig doorkruiste hij Nederland op een fiets met op de bagagedrager zijn
‘vliegende boekhandel’, op zoek naar lezers. Hij was ook verkoper voor de
uitgevers Stols en Querido. Het laatste bedrijf leidde hij als directeur veilig
door de oorlog. En toen, in 1945, was het tijd voor zijn eigen uitgeverij.
Zoals de meeste beginnende uitgevers had ook Van Oorschot
het de eerste jaren financieel niet gemakkelijk. Wat hem erdoorheen hielp waren
zijn literaire smaak en zijn zakelijk instinct. In later jaren, toen hij al de sterrenstatus
had bereikt, vertelde hij graag dat hij uitsluitend goede boeken uitgaf. Dat
was lichtelijk bezijden de waarheid, maar zijn eigen inhoudelijke oordeel woog
wél zwaar bij uitgeefbeslissingen. Zo wilde hij graag de klassieke Russen
uitbrengen omdat hij die graag las. En wist hij daar zakelijk op de lange
termijn een succesvol project van te maken door een oorspronkelijk idee voor een
selectie uit de verhalen van Tsjechov om te buigen naar een reeks waarin het werk
van alle Russen grotendeels in nieuwe vertalingen zou verschijnen. De finishing touch was zijn beslissing de
boeken uit te voeren in dundruk, in een linnen band en met chique vormgeving.
De boeken werden daarmee ook een ‘hebbeding’. Op
22 april 1953 verstuurde hij het persbericht over de Russische Bibliotheek: een
reeks vertalingen van ‘een der grootste
perioden uit de litteraire geschiedenis van de mensheid’ in 33 delen. De
benodigde fondsen voor dit megaproject wist Van Oorschot los te krijgen via zijn
netwerk.
Naast smaak en zakelijk inzicht moet een uitgever ook de durf hebben om
een groot project aan te gaan, of om een omstreden boek uit te geven. Van dat
laatste zijn de vroege romans De tranen
der acacia’s (1949) en Ik heb altijd
gelijk (1951) van Willem Frederik Hermans een mooi voorbeeld. In het
laatste boek moeten de katholieken het ontgelden. De verontwaardiging bij het
gelovige volksdeel was groot, op last van de minister van justitie leidde het
zelfs tot een proces tegen de schrijver. Van Oorschot vond dit prachtig,
enerzijds omdat hij het met de strekking van de roman eens was en het waard
vond die te verdedigen, maar zeker ook vanwege de publiciteit. Het boek vloog
de boekhandels uit.
De soms bijna ongelooflijke verhalen over de uitgever Van Oorschot
kennen we allemaal. Hoe hij boekhandelaren, hoewel ze vastbesloten waren niet
al te veel in te kopen, bij zijn bezoek opzadelde met veel te grote voorraden.
Hoe hij jarenlang auteurs, met Willem Frederik Hermans en Gerard van het Reve
voorop, afrekeningen overlegde die wel erg voordelig waren voor de uitgeverij.
En hoe hij vrienden en relaties boeken schonk, om ze dan enkele dagen later
door de administratie een factuur te laten sturen. Al deze verhalen en nog veel
meer, geplaatst in een context, staan in deze prachtige biografie. Tezamen
geven ze een fascinerende inkijk in een stukje van het literaire leven van de
tweede helft van de twintigste eeuw. De eyeopener voor mij zijn echter vooral de
passages die Fortuin besteed aan het privéleven van de uitgever.
De scheiding tussen werk en privé is bij Geert van Oorschot soms
moeilijk te maken. Zijn auteurs waren ook zijn vrienden. Hij nodigde ze uit
voor etentjes en logeerpartijen, maar kon ook onverwacht bij hen voor de deur
staan, een boek (geschenk) en een fles jenever (voor zichzelf) in de hand. In
1963 maakte Guido, zijn zoon uit zijn eerste huwelijk, op negentienjarige
leeftijd een einde aan zijn leven. Dat veroorzaakte bij Van Oorschot en zijn
vrouw Hillie een trauma waar ze tot het einde van hun leven onder leden. Van
Oorschot voelde zich schuldig. In zijn houding naar jonge mannelijke auteurs werd
dat soms zichtbaar, de relatie leek voor Van Oorschot soms verder te gaan dan
alleen die tussen uitgever en auteur. Jeroen Brouwers, jarenlang bevriend, was
een van de voornaamste objecten van affectie.
De uitgever wilde als jongeman graag dichter worden. Poëzie bleef zijn hele leven zijn passie, maar hij werd uiteindelijk schrijver van proza. Onder het pseudoniem R.J. Peskens publiceerde Geert van Oorschot in 1975 de verhalenbundel Twee vorstinnen en een vorst, waarin hij terugkeert naar zijn jeugd in Vlissingen. Dat boek werd een bestseller. Nog enkele bundels zouden volgen. Voor hemzelf was deze erkenning als auteur misschien wel even wezenlijk als het succes van zijn uitgeverij. Ofschoon ook hier de grenzen vervaagden. Van Oorschot liet de opbrengsten van zijn boeken volledig terugvloeien in zijn uitgeverij: want de uitgeverij, dat was hijzelf.
De uitgever wilde als jongeman graag dichter worden. Poëzie bleef zijn hele leven zijn passie, maar hij werd uiteindelijk schrijver van proza. Onder het pseudoniem R.J. Peskens publiceerde Geert van Oorschot in 1975 de verhalenbundel Twee vorstinnen en een vorst, waarin hij terugkeert naar zijn jeugd in Vlissingen. Dat boek werd een bestseller. Nog enkele bundels zouden volgen. Voor hemzelf was deze erkenning als auteur misschien wel even wezenlijk als het succes van zijn uitgeverij. Ofschoon ook hier de grenzen vervaagden. Van Oorschot liet de opbrengsten van zijn boeken volledig terugvloeien in zijn uitgeverij: want de uitgeverij, dat was hijzelf.
zondag 1 november 2015
Op zoek naar Goldberg
Een biografie schrijven over een historische figuur wiens bekende biografische
gegevens met gemak op een A-4tje passen? Niet te doen, zou je zeggen. Of: Je
moet maar durven. Bert Natter vond voor zijn boek over de achttiende-eeuwse componist
Johann Gottlieb Goldberg – die van de beroemde variaties – een mooie oplossing.
Hij laat een hedendaagse musicoloog op zoek gaan naar Goldbergs sporen. Een
zoektocht die zich grotendeels afspeelt in Dresden, de stad waar de componist
jarenlang verbleef. Het resultaat is een
roman over het onderzoek voor een biografie. Dat is een vorm die veel meer
vrijheid biedt dan een gewone biografie, een vrijheid die de creatieve Natter
dan ook tot de laatste letter benut. Het barokke Dresden vormt een passend
decor voor een bij vlagen barok verhaal waarin de tot nu toe wat schimmige
Goldberg tot leven komt. En dat alles in een pageturner van ruim 600
bladzijden.
Bas Lesage is de musicoloog die wordt gefascineerd door Goldberg. Hij
is een gesjeesde Utrechtse student muziekwetenschappen. Zijn afstudeerscriptie
over Johann Sebastian Bach werd afgewezen, waarna hij per direct zijn studie
beëindigde. Een uitgever zag echter wel iets in de scriptie, wijzigde Bas’ naam
toepasselijk in Sebastian Savage en publiceerde het werk onder de titel ‘Bach
als atheïst’. Dat boekje deed weinig, maar een latere herdruk begon opeens wél
te verkopen. Er kwam zelfs een Duitse editie van, waarvan de titel ‘Was wir tatsächlich wissen über Johann
Sebastian Bach’ weergeeft wat Sebastians uitgangspunt was bij zijn onderzoek:
hij baseerde zich uitsluitend op authentieke bronnen. Op de kale,
controleerbare feiten.
Tijdens een promotietoer voor die Duitse uitgave wordt Sebastian
aangesproken door een oudere heer, ene prof. Weiβ, die hem informeert dat hij beschikt
over onbekende gegevens met betrekking tot Goldberg. Sebastian realiseert zich
dat dit, als het klopt, sensationeel zou zijn. Maar hij doet niets met de
uitnodiging van de man om eens langs te komen. Pas jaren later, wanneer hij een
nieuwe uitnodiging ontvangt, gaat hij er op in. Zijn privéleven heeft dan inmiddels
zo’n wending genomen dat hij behoefte heeft aan rust, aan zich concentreren op
iets inhoudelijks, iets wezenlijks.
Sebastian ervaart het onderzoek als een weldadig bad. Al tijdens het
bestuderen van het archief van prof. Weiβ stuit hij op documenten die nieuwe
informatie over Goldberg lijken op te leveren. In de dagen daarop is dat in het
staatsarchief niet anders. Vooral uit de brieven die hij onder ogen krijgt doemt
voor hem een beeld op van de persoon Goldberg en de kringen waarin deze
verkeerde. Goldergs leermeesters, Johann Sebastian Bach en zijn oudste zoon
Wilhelm Friedemann, komen langs. Zo ook graaf Heinrich von Brühl, aan wiens hof
in Dresden Goldberg de laatste vijf jaar van zijn leven werkzaam was. En
natuurlijk wordt Sebastian ook geconfronteerd met de befaamde legende met
betrekking tot de Goldberg variaties, die Johann Sebastian Bach componeerde
voor Hermann Karl von Keyserlingk, ambassadeur van de Russische tsaar in Saksen.
Deze leed aan slapeloosheid en zou Bach hebben verzocht om muziek die hem de
slapeloze nachten wat zou verlichten. De nog heel jonge Goldberg, bij Von
Keyserlingk in dienst als klavecimbelspeler, zou die muziek nacht na nacht
virtuoos hebben gespeeld. Vandaar de bijnaam van de variaties.
Dresden in de achttiende eeuw wordt voor Sebastian steeds meer een realiteit. Zijn
zoektocht krijgt hallucinaire trekjes. Hij ontmoet enkele van de
hoofdrolspelers, praat met ze, is toeschouwer bij wat zij beleven. ‘Living
history’ heet dat tegenwoordig. Maar dan, in dit geval, anders. Sebastian
beleeft die momenten heel intens, soms heel heftig. Het wordt dan een soort hellevaart
à la Vestdijk. Voor mij groeit de roman in die passages uit tot een meesterwerk,
meeslepend en betoverend.
In verschillende interviews heeft Bert Natter verteld over de
totstandkoming van zijn roman. Dat was een proces van vallen en opstaan, van
weggooien en herschrijven, van het zoeken naar de juiste vorm. Het resultaat is
een gedurfd boek. Het resultaat is ook zeker géén biografie. Het heeft meer iets van een ontmoeting tussen een biograaf en zijn onderwerp. Met als resultaat een roman die toont hoe het korte leven van Goldberg – hij stierf op
zijn 29ste - misschien wel is
geweest: heftig, vol van emoties, creatief. En het zou zomaar kunnen dat ik, als ik weer eens naar de beroemde variaties luister, niet kan ontkomen aan het beeld van Goldberg die, als
veertienjarige jongen, de muziek nacht na nacht speelt voor zijn slapeloze meester.
zaterdag 17 oktober 2015
Onbevangen nieuwsgierig
Wie kan er zo raak schrijven over de schilderijen van Mark Rothko als
Joost Zwagerman? Hij karakteriseert diens wonderlijke doeken als ‘het grootste,
het sacraalste, het subliemste’ en tegelijk als ‘het teerste, het warmste, het
ijlste en het stilste’. En wie kan er zulke treffende statements maken als
bijvoorbeeld deze over Joseph Mallord William Turner: ‘Hij vocht zich het
zonlicht in, als in het oog van een orkaan’. Iedere keer wanneer ik zo’n zin lees
realiseer ik mij dat je die alleen maar kunt opschrijven wanneer je één bent
met het onderwerp, wanneer je de kunstwerken waar het om gaat niet alleen
beoordeelt op hun esthetiek maar je je ook afvraagt wat de kunstenaar bezielde.
Joost Zwagerman kon dat, wílde dat. Dat maakt de meeste van de ruim veertig
essays in deze bundel een genot om te lezen. Dat zorgt er voor dat je in veel
stukken een eyeopener tegenkomt.
De grote kunstenaars zijn in De stilte van het licht ruim vertegenwoordigd: naast
de al genoemde Mark Rothko en J.M.W. Turner zijn dat onder andere Andy Warhol,
Piet Mondriaan, Henri Matisse, Giorgio Morandi, Jan van Eyck, Edward Hopper,
Jeff Koons, Joan Miró, James Ensor, Marlene Dumas, Kazimir Malevich en Pierre
Bonnard. Dat zijn gevestigde kunstenaars, aan hun werk wijden musea regelmatig ambitieuze
tentoonstellingen. Tentoonstellingen die Zwagerman dan ook allemaal afloopt,
krijg je de indruk. De meest verrassende stukken vond ik ditmaal die over de
minder bekende kunstenaars. De vergeten meesters. De (her)ontdekkingen. Voor
Zwagerman is dat een essentieel deel van zijn kunstbeleving, het blijven open staan
voor nieuwe indrukken: ‘Onvoorbereid en zonder één procent voorkennis over een
kunstenaar iets wonderbaarlijks aantreffen: het is een sensatie die zeldzamer
wordt naarmate je ouder wordt. Je meent “de canon” tot je te hebben genomen,
die canon stroomt als het ware door je bloedbaan. Maar soms moet je weer eens
vóélen dat je bloed stroomt – alsof je uit een narcose ontwaakt’.
Een van die onbekende kunstenaars is Mira Schendel (1919-1988).
Zwitserse, Joodse ouders, opgevoed in Italië, gevlucht voor Mussolini en na een
lange zwerfvluchttocht in 1949 in Brazilië aangekomen. Daar, ver van de
internationale kunstcentra, schiep zij gedurende de rest van haar leven een eigenzinnig
oeuvre. Een deel van dat oeuvre zag Zwagerman op een retrospectief in de Tate
Modern in Londen. Zijn oordeel is dat Mira Schendel het werk van alle ‘groten’
kende, het verwerkte en er iets volstrekt eigens mee deed: ‘Haar kunst gaat ook
over de breekbaarheid van mensenlevens. In laatste instantie bepeinzen haar
kunstwerken het onzegbare. Kalm, vastberaden en met groot gevoel voor poëzie
fluistert Schendel over het sublieme. Het is radicale kunst, van het hoogste
intellectuele niveau, maar nergens ontoegankelijk, en voorts zeer fijnzinnig
aangedreven door geloof, hoop en liefde’. Je moet het werk tijdens het lezen
van deze aanbeveling zien, maar dat kan tegenwoordig gelukkig heel eenvoudig. In
het boek wordt bovendien een selectie van de besproken werken afgebeeld.
Met veel genoegen las ik ook het stuk over het plastic tasje. Een zéér
alledaags gebruiksvoorwerp, bijna even gewoontjes als de krant waarin de vis
wordt verpakt. Zwagerman schrijft lyrisch over twee bijzondere projecten met
zo’n stukje plastic. Het eerste is dat van de fotograaf Hendrik Kerstens, die
een model als muts een plastic tasje op het hoofd zette, gevouwen als een kap
zoals zeventiende-eeuwse vrouwen geportretteerd door Frans Hals die dragen. Het
tweede is dat van een scène uit de Amerikaanse speelfilm American Beauty
(1999). Daarin speelt een amateurvideo een rol, waarin minutenlang een plastic
tasje te zien is dat in een leeg winkelcentrum door de wind wordt voortgeblazen.
Is dit kunst? Valt dit nog binnen de uiterste grenzen van de kunst? Na het
lezen van Zwagermans enthousiaste beschrijving zeg je volmondig ‘ja, kunst’.
Zwagermans uitgangspunten bij vrijwel iedere beschouwing zijn nieuwsgierigheid, analyse en enthousiasme. Of het nu gaat om vroege Vlaamse schilderkunst, Pop Art of abstracte kunst, hij benadert zijn onderwerp steeds vanuit een open en ontvankelijke houding.
Zwagermans uitgangspunten bij vrijwel iedere beschouwing zijn nieuwsgierigheid, analyse en enthousiasme. Of het nu gaat om vroege Vlaamse schilderkunst, Pop Art of abstracte kunst, hij benadert zijn onderwerp steeds vanuit een open en ontvankelijke houding.
De bundel eindigt met een essay getiteld ‘Het eindeloze wit’. Daarin analyseert
en beschrijft Zwagerman lyrisch de witte schilderijen van Kazimir Malevich, Jan
Schoonhoven, Jan Andriesse en anderen. Kunstenaars die de grenzen van de kunst
en van onze beleving daarvan opzoeken door schilderijen te vervaardigen waarin vrijwel
uitsluitend wit te zien is. Dat is een eindpunt, maar dan wel een volmaakt
eindpunt. Zwagerman: ‘In het hart van het wit [….] bevindt zich de absolute
stilte van het leven. Het is het gebenedijde Niets van het hier en nu. Eeuwige
verlichting. Nirwana’.
woensdag 14 oktober 2015
Een autobiografie in snippers
Jean Pierre Rawie, een van de meest gelezen dichters van ons land,
schrijft ook een column voor Dagblad van het Noorden. Daar is natuurlijk niets
mis mee – hij woont in de stad Groningen en waarom zou een goede column minder
zijn dan een verheven gedicht – maar in de inleiding van de meest recente
bundeling van die stukken wil hij daar zelf wel even bij stilstaan. Hij
schrijft: ‘Je ganselijk onttrekken aan de “waan van de dag” is natuurlijk
onmogelijk, hoe graag ik dat ook zou willen. Zelfs in de dichtkunst – mijn
eigenlijke roeping – lukt het maar een enkele keer werkelijk tijdloos te zijn’.
Maar veel van deze stukjes voor de krant blijken bij lezing wel degelijk uit te
stijgen boven de boekstaving van alledag. Dat komt doordat ze vaak over hemzelf
gaan, over dingen die hij meemaakt en zaken die hij overpeinst. Ze vormen een autobiografie
in snippers, zou je kunnen zeggen.
Rawie heeft de stukjes in Mijn
ouders hadden één kind en een dochter gegroepeerd rond thema’s als religie,
vorsten, bloedverwanten, academici, kunstbroeders, Groningers , buitenstaanders
en autobiografisch. De onderwerpen lopen al evenzeer uiteen als deze titels,
van een lunch op Paleis Noordeinde tot het karakter van huisdieren en van de
Dichter des Vaderlands tot euthanasie. Wie we in deze columns leren kennen is
een dichter van in de zestig, een bescheiden man die graag een glas drinkt, een
man die samenwoont met ‘De Jonge Vrouw Die De Beste Jaren Van Haar Leven Aan
Mij Vergooit’ en een man die het leven met een mengeling van afstandelijkheid
en ironie ondergaat en daar met gevoel voor understatement over kan vertellen.
De mooiste passages zijn voor mij die waarin Rawie vrienden beschrijft.
Dat doet hij met liefde, en ook weemoed wanneer het om reeds gestorvenen gaat.
Komisch is zijn relaas van de verkiezing van Driek van Wissen tot Dichter des
Vaderlands in 2005. In de felle strijd om die functie bediende Van Wissen zich
van ongewone methoden, tot aan het uitdelen van viltstiften met de opdruk ‘Wie
vakkundig kan beslissen / in de jaren des verstands / is ervoor dat Driek van
Wissen / Dichter wordt des Vaderlands’. In een stukje over legendarische
drinkers die hij heeft gekend richt Rawie een klein monumentje op voor
schrijver en vertaler August Willemsen. Maar ook onbekende mensen die kleur
geven of gaven aan de binnenstad van Groningen krijgen een plek. De stukken over zijn ouders en zijn jeugd zijn
onopgesmukt en soms ontroerend.
Rawie citeert graag uit de wereldliteratuur. En doet dat soms op
precies het juiste moment. Ooit zat hij op Paleis Noordeinde samen met
olympische sporters aan tijdens een lunch voor verdienstelijke Nederlanders. Willem-Alexander, toen nog kroonprins,
vroeg hem of hij belang stelde in lichamelijke oefening. Rawie wist niet beter
dan te antwoorden met een citaat van Churchill: ‘Whenever the thought of sports
occurs to me, I lie down till it is over’. Het verdere gesprek vlotte niet
echt.
Soms betrapt Rawie zichzelf op wat al te veel zelfrepresentatie. En
corrigeert dat dan: ‘Maar genoeg koketterie’. De bundeling bevat ruim honderd
stukken. Dat grote aantal past wel bij een uitspraak die Rawie ooit deed: ‘Vaak
blijf ik, om de conversatie te redden, maar zelf aan het woord’.
Abonneren op:
Posts (Atom)






