zaterdag 9 januari 2016

Hout

Wij gaan graag op wintersport naar Scandinavië. En in het vroege voorjaar en late najaar naar een sfeervol huisje in Duitsland of Frankrijk. Mijn echtgenote zoekt en boekt die bestemmingen dan, ik bemoei me eigenlijk maar met één detail: er moet een open haard in het huisje zijn. Of op zijn minst een houtkachel. Voor de sfeer, ik vind dat geweldig. En helemaal gelukkig wordt ik wanneer ik na aankomst ontdek dat er niet alleen een houtvoorraad klaar ligt, maar dat er ook stukken stam liggen die nog klein gehakt moeten worden. Wat dat is weet ik niet. Een oergevoel? In de zin van ‘man zorgt voor zijn vrouw?’ Hoe het ook zij, ik ga vrolijk met de bijl aan de slag en zorg ervoor dat ook iedereen die na ons in het huisje arriveert een kant-en-klare houtvoorraad aantreft.

Ik heb dan ook met veel plezier het boek De man & het hout van de Noorse auteur Lars Mytting gelezen. Mytting is een journalist en schrijver van romans die een aantal jaren geleden verhuisde naar Elverum, een klein dorp in het zuidoosten van Noorwegen. Hij moest daar voor het eerst van zijn leven zijn huis verwarmen door het stoken van hout. Dat fascineerde hem zo dat hij besloot er een boek over te schrijven. Het boek verscheen in 2011 in Noorwegen en is inmiddels een internationale bestseller. In Engeland en de Verenigde Staten werd het boek gepubliceerd onder de titel Norwegian Wood, wat ook de titel is van een nummer van The Beatles en een roman van Haruki Murakami. Dat is slim. Maar het is niet alleen een uitgekiende marketing die dit succes teweegbrengt. Mytting weet ook de juiste snaar te raken wanneer het gaat om een eeuwenoude Scandinavische traditie.

Dat Noorwegen, Zweden en Finland bedekt zijn met bossen weet iedereen. Er zijn zelfs beroemde romans verschenen waarvan de titel dat nog eens benadrukt, zoals Eeuwig zingen de bossen (1933), het eerste deel van de trilogie Het geslacht Bjǿrndal van de Noorse auteur Trygve Gulbranssen. Maar dat die bossen en de snelheid waarmee ze groeien het complete Scandinavische woningbestand gemakkelijk van warmte zouden kunnen voorzien was nieuw voor mij. Dat geldt ook voor het gegeven dat het stoken van hout, mits op de juiste wijze gedaan, het milieu niet belast. In Scandinavië is enkele jaren geleden een grote publiekscampagne georganiseerd om de inwoners aan te zetten tot ‘omgekeerd stoken’. Daarbij maak je een vuurtje in een open haard of houtkachel niet van onderaf aan, maar van bovenaf! En als je dan ook nog beschikt over een moderne houtkachel, waarbij de uit het hout vrijkomende gassen direct worden verbrand, is de milieubelasting nihil. Raadpleeg voor verdere details het boek, Mytting geeft gedetailleerde informatie en bovendien overzichtelijke tabellen.

Maar daar las ik het boek natuurlijk niet in de eerste plaats voor. Het gaat mij om de emotie van het werken met hout. Om het stoken van het vuurtje. En daaraan is gelukkig het grootste deel van het boek gewijd. In hoofdstukken met titels als Het bos, De kettingzaagpioniers, Het hakblok, De stapel, Het drogen, De kachel en Het vuur gaat Mytting uitvoerig in op alle aspecten van het hout en het kappen, bewaren en stoken ervan. Met veel feitelijke informatie, prachtige anekdotes, rijk geïllustreerd en in een aantrekkelijke vormgeving.

Een eeuwenoude traditie betekent natuurlijk veel aandacht voor het ambachtelijke aspect. Bijlen in alle soorten en maten, én hoe ze te gebruiken, komen voorbij. Ook het stapelen van de houtblokken voor het drogen, in de bekende vormen en uiterst ongewone vormen, worden belicht. Na lezing weet je ook welke bomen wel en vooral niet om te hakken voor je vuur.

Voor het kappen van het hout heb je maar vier dingen nodig: een bijl, een kettingzaag, een auto (lees: Volvo) en een aanhanger. Mits bewust uitgezocht zijn dat zaken die je hele leven meegaan. Een eenmalige investering dus.

In al zijn encyclopedische volledigheid is er één puntje dat wellicht wat gevoelig ligt. De titel van het boek. De man & het hout. Op het achterplat heeft de uitgever van de Nederlandse editie in kapitalen de volgende slogan laten afdrukken: ‘HET IDEALE BOEK VOOR IEDEREEN (M/V) DIE EEN ECHTE MAN WIL ZIJN.’ Tja. Daar begrijp ik niets van. Gelukkig doet Mytting daar niet moeilijk over. Ik citeer, uit het hoofdstuk over het gereedschap: ‘De keuze van de kettingzaag definieert de man. Het is een aankoop die niet gedaan moet worden in het tuincentrum op een zaterdag dat het ijs bij de kinderen over de vingers loopt en de vrouw zeurt dat de parkeertijd bijna afloopt. De kettingzaag van een man is – in lijn met het jachtgeweer, de auto en de stereo-installatie – een keuze die uitvoerig overwogen moet worden. Catalogi moeten worden doorgespit, specificaties vergeleken, nieuwe catalogi doorgelezen op het toilet, elke decimale over pk’s en handvattrilling moet uitgeplozen worden voordat tot de keuze kan worden overgegaan.’

Mannen: er is nog een gebied dat (vrijwel) exclusief van ons is. Koester het. Koop dit boek. Het zal je leven verrijken.

zondag 3 januari 2016

Ontmoetingen

Je zou de inhoud van een mensenleven ruwweg kunnen verdelen in alledaagse zaken, in gebeurtenissen die belangrijk zijn én dat wat we graag zien als de essentiële, allesbepalende momenten. Maar bestaat dat onderscheid wel, en zo ja, zijn wij in staat om dat wat ons overkomt te duiden en het de juiste plek te geven? Of, algemener geformuleerd, zien wij het verschil tussen de werkelijkheid en de waarheid? In zijn roman Als de winter voorbij is speelt Thomas Verbogt met die vraag een vernuftig spel. Het gaat over ontmoetingen. Over de onvoorspelbaarheid ervan, het toevallige, maar ook over een impact die je lang onbewust met je kan meedragen: ‘Het gebeurt dat je getroffen wordt door een blik, dat iemand je even aanraakt, terloops – per ongeluk, lijkt het, dat je getroffen wordt door een glimlach of een oogopslag, maar je beseft nauwelijks dat dat gebeurt.’

De aanleiding is simpel. De verteller, een man die net als de auteur begin zestig is, ontruimt de etage waar hij vijftien jaar heeft gewoond omdat hij bij zijn nieuwe lief zal intrekken. Tijd voor het vullen van vuilniszakken, het ‘elimineren van ballast’. Oude (liefdes)brieven en boeken moeten eraan geloven. De afzenders, de schenkers, wat zeggen ze nog: ‘Het zijn flarden van mensen die iets betekend hebben voor me. Wat die betekenis was en is, heb ik meegenomen naar later. De betekenis verbind ik haast niet meer met de dagen van toen, met de mensen met wie ik verkeerde. Bij wie sta ik stil?’

Twee mensen en twee momenten blijken voor de verteller van cruciale betekenis te zijn geweest. De eerste is Becky, een meisje dat als tweejarige in 1944 langs een spoorlijn in Duitsland werd gevonden en enkele jaren later werd opgenomen door de latere ouders van de verteller. Met deze ‘zus’, tien jaar ouder dan hij, had hij een innige band. Op haar achttiende verliet zij het huis om in New York te gaan wonen. De verteller, toen een jongen van acht, wist door zijn emoties niets te zeggen bij haar afscheid, haar nauwelijks aan te kijken. Becky kwam nog dezelfde dag om het leven bij een treinongeluk. De jongen voelt zich schuldig, denkt dat hij door wél  iets te zeggen het afscheid misschien vertraagd zou hebben, Becky haar trein had laten missen.

Het tweede voorval vond plaats toen de verteller bijna twintig was. Tijdens een zomerkamp van zijn oude school waarop hij mee was als begeleider, kuste een dertienjarig meisje hem tot tweemaal toe op de mond. Ook met die situatie weet hij op het moment zelf niet om te gaan. Ze blijft hem later achtervolgen. Alweer een gemiste kans, of betekende het niets?

Deze ervaringen draagt de verteller weliswaar met zich mee in zijn verdere leven en ze hebben onbewust invloed op zijn handelen, maar voor Verbogt is een plot die bij A begint en bij Z eindigt in deze roman niet het belangrijkst. Het verhaal is eerst en vooral een overpeinzing. Over het leven, ‘dat broze, briljante bolwerk dat herinneringen huisvest.’ Over de liefde: ‘Ze legt haar hand op de mijne, een zacht gebaar waarmee ik verder reis in mijn leven.’ Of over ‘gelukkige momenten, fracties van seconden, flarden van gebeurtenissen. Glimlach die ik nog niet ken, voor mij bedoeld. […] Geur die bij een afscheid hoort maar nog even blijft hangen.’

Als de winter voorbij is nodigt uit tot citeren, merk ik. Dat is niet verwonderlijk, de roman staat vol met prachtige, poëtische zinnen. Zinnen die kernachtig verwoorden waar het om gaat. Ze nodigen uit tot herlezen, blijven je ook bij. Ze geven de roman een luchtigheid die haar ondanks het onderwerp heel toegankelijk maakt.

Als je deze roman moet karakteriseren, zou het zijn als de poging van een schrijver om te benoemen wat in het leven nu echt belangrijk is. Wat maakt van die zeventig of tachtig jaar dat wij hier rondlopen nu de essentie uit? De grootvader van de verteller weet het op zijn sterfbed wel: ‘Uiteindelijk zijn er maar een paar momenten die ertoe doen. Dat zou ik vroeger niet geloofd hebben. En het zijn maar kleine dingen, wat ik vroeger ook niet geloofd zou hebben.’ 

maandag 28 december 2015

Afzender: Heere Heeresma

Op 25 juni 1975 schreef Heere Heeresma vanuit zijn huis in de Ardèche een brief aan de uitgever Bert Bakker. Na een korte terechtwijzing aan het adres van de uitgever over diens besluiteloosheid lezen we daarin de volgende passage: ’[…] maar ten eerste heb ik zo mijn eigen tempo en in de 2e plaats ben jij zowel als ik ronduit gebaat bij een snelle konkretisering van onze voornemens i.v.m. herdrukken en nieuw werk. Jij weet dan waaraan je toe bent en kan dan rustig je plannen met mijn  boeken ontplooien, en ik kan […] mij volledig konsentreren op het werk dat ik voor je onder handen heb’. Dit lijkt een vrij normale correspondentie tussen een auteur en zijn uitgever, maar in Bleib gesund!, de zojuist verschenen bloemlezing uit de brieven van Heeresma, zijn opvallend veel van dergelijke brieven te vinden. Ze tonen een auteur die voortdurend op zoek is naar betere uitgeefdeals, die met zijn oeuvre leurt als ware het pure handelswaar.

Nu was het oeuvre van Heeresma halverwege de jaren zeventig misschien ook wel het spreekwoordelijke goudmijntje. Met zijn vroege poëzie had hij geen succes geboekt, maar een handvol romans en bundels met korte verhalen die hij vanaf 1962 publiceerde werden mateloos populair: Een dagje naar het strand (1962), Geef die mok eens door, Jet! (1968), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973) beleefden herdruk na herdruk, werden vertaald en in enkele gevallen ook verfilmd. Daarna viel de productie een beetje stil, belangrijk nieuw werk bleef uit. Heeresma was dus wel gedwongen bij steeds andere uitgevers naar geld te zoeken, waarbij hij ze zijn oude successen én nieuw werk dat ‘in de maak was’ als lokkertjes voorhield. Het lukte hem meer dan eens om grote voorschotten los te krijgen. Hij ontving die het  liefst in contanten, cash in het handje zogezegd, want hij hield zich bij voorkeur verre van officiële instanties. De belastingdienst, bijvoorbeeld.

Enigszins onaangepast was Heeresma wel. Dat hij geen belasting wilde betalen, is daar maar één aspect van. Dat weigerde hij trouwens niet uitsluitend om financiële redenen. Hij wilde ook gewoon niet met zijn hele handel en wandel bij de overheid geregistreerd staan. Om dezelfde reden zag hij  lange tijd af van een telefoonaansluiting. En gebruik van het internet was natuurlijk volstrekt ondenkbaar. Maar per brief was hij uitstekend bereikbaar. In zijn boeken liet hij altijd zijn postbusnummer in Amsterdam vermelden – 10579 – en die bus leegde hij eens in de week. Brieven van lezers werden, als hij daar tijd voor had, steevast beantwoord.

Hij trok soms opmerkelijke consequenties uit zijn teruggetrokken manier van leven. In een brief van 9 augustus 1984 aan  Ischa Meijer luidt het: ‘Lieve Iesj! Helaas, te laat dus tevergeefs. Tien, pakweg, zeven jaar geleden zou ik nog op je uitnodiging voor een interview in Vrij Nederland ingegaan zijn maar nu is het inmiddels zoals ik eerder tegen Adriaan van Dis mocht getuigen: “Wat zal ik in uw speelkwartier? Geef mij daarvoor één goede reden”. Want, nietwaar, voor mijn oeuvre behoef ik het niet meer te doen. Dat bestaat inmiddels, gelijk een perpetuum mobile, om zichzelfs wille. En de lust die zovelen onder ons weer aanzet tot een persoonlijke manifestatie in pers en omstreken, nâh, is me wezensvreemd’. Ik ben benieuwd wat zijn uitgever daarvan vond.

Naarmate hij ouder werd raakte Heeresma meer geïnteresseerd in geloofszaken. Dat had hij van huis al meegekregen, zijn in de oorlog gestorven vader was godsdienstleraar. Samensteller Hein Aalders heeft voor zijn ruime selectie ook brieven over dat onderwerp opgenomen. Dat is even vreemd om te lezen – het is een Heeresma die je niet kent. Dat geldt ook voor andere persoonlijke zaken. Waar hij in de brieven aan vakgenoten en uitgevers vaak zijn gebruikelijke houding aanneemt – resoluut, formulerend vanuit ingenomen standpunten, speels uitdagend, soms kort door de bocht, woordgrapjes – daar liggen de zaken in zijn privéleven gevoeliger, genuanceerder.

Gerard Reve kondigde jarenlang zijn ultieme boek aan, zonder haast te maken dat ook daadwerkelijk te schrijven. Dat was Het boek van het violet en de dood. Ook Heeresma heeft decennialang zo’n droomboek gehad: Kaddisj voor een buurt. Dat zou moeten gaan over zijn jeugd in Amsterdam-Zuid, waar hij in 1932 werd geboren en waar hij veel van zijn Joodse vriendjes en kennissen in de oorlog weggevoerd zag worden. Dat boek kwam er uiteindelijk in 2005, onder de titel Een jongen uit plan zuid. Het bleek een aangename verrassing. De vroege Heeresma van de ironische, komische maar soms ook wat melige romans en verhalen bleek te hebben plaatsgemaakt voor een auteur die volgens een van de recensies ‘indringend verhaalt […] over onze geschiedenis die ook de zijne is: onnavolgbaar, met een taalvirtuositeit die de lezer van de eerste regel af aan bij de strot grijpt’. […] Er zitten diepe lessen in dit ontroerende juweeltje van Heere Heeresma’. Deze late waardering, op een moment dat vrijwel niemand meer iets van hem had verwacht, deed Heeresma goed. Een fotokopie van de hier geciteerde recensie stuurde hij trots aan vrienden. Met erbij de mededeling dat hij ervan ‘ondersteboven was gegaan’.

Heeresma had als auteur een heel uitgesproken, uiterst persoonlijke toon. Hij was altijd zichzelf, zou je kunnen zeggen. Zelfs als hij iets speelde, dan nog was het meestal een aangezette, gecultiveerde versie van zichzelf. Uit de brieven in Bleib gesund! komt hij naar voren als een energieke man, een optimist, een levensgenieter. De jonge Heeresma was op een gegeven moment niet meer welkom in de Haagse Bodega De Posthoorn, waar hij in dronken toestand bitterballen tegen de schilderijen kwakte. De oude Heeresma reed in Hilversum in zijn scootmobiel naar de plaatselijke supermarkt om er ingeblikt voedsel te kopen. En vond dat hij maar bofte, dat het met hem wel erger gesteld had kunnen zijn. Met zijn relativerend vermogen was niets mis.

zaterdag 28 november 2015

Uitgever uit hartstocht

Een van de mooiste beelden uit de biografie Geert van Oorschot, uitgever van Arjen Fortuin is dat van de uitgever die midden in de nacht, sigaar in de mond en hemd uit de broek, in de kelder van zijn pand aan de Herengracht in Amsterdam boeken inpakt voor verzending. Het is voor mij de bevestiging van het beeld dat ik altijd van Geert van Oorschot heb gehad, dat van een man die in zijn eentje zijn uitgeverij draaiende hield. Dat was feitelijk niet het geval, want zelfs in de beginjaren van zijn bedrijf beschikte hij over enkele medewerkers, maar zijn werkwijze én zijn optreden naar buiten deden die indruk gemakkelijk ontstaan. Van Oorschot cultiveerde dat beeld zelfs, het onderscheidde hem van veel andere Nederlandse uitgevers. Arjen Fortuin schreef over deze opmerkelijke man een biografie die een feest is om te lezen.

De provinciestad Vlissingen was de plek waar het allemaal begon. Geert van Oorschot werd daar in 1909 geboren als zoon van Johanna Smallegange en Levien van Oorschot. Zijn ouders waren overtuigde vrijdenkers. In 1919 was Levien, metselaar van beroep, lijsttrekker van de ‘Socialistische Partij’ en kwam in de gemeenteraad. Hij zou het tot wethouder en loco-burgemeester brengen. In het gezin Van Oorschot speelde cultuur een belangrijke rol. Beide ouders waren betrokken bij de toneelvereniging ‘Uit het volk – Voor het volk’, Levien vooral als regisseur en Johanna als steractrice. Later in zijn leven zou Geert van Oorschot zich trots herinneren hoe zijn moeder schitterde in Op hoop van zegen van Herman Heijermans, die zelf naar de première kwam. Als uitgever zou hij Heijermans’ verzameld werk in chique dundruk aan zijn fonds toevoegen.

Met zijn diploma van de HBS op zak verliet de zeventienjarige Van Oorschot Vlissingen. Hij wilde de grote wereld in. Het liefst als dichter, of anders in de politiek. Beide dromen zou hij niet waarmaken. Zijn gedichten, vaak enigszins pathetische verzen overstromend van romantiek of sociaal gevoel, vonden geen publiek. Ook zijn betrokkenheid bij de politiek werd gekenmerkt door hartstocht. Zo weigerde hij in 1928 de militaire dienstplicht, wat hem op een gevangenisstraf van acht maanden kwam te staan. De koers van de SDAP, gericht op langzame en ‘natuurlijke’ verandering van de maatschappij, was niets voor hem. Vanaf het begin was hij daarom betrokken bij de afsplitsing in 1932 van de linkervleugel van de SDAP in een nieuwe partij, de Onafhankelijke Socialistische Partij. Als bevlogen redenaar reisde hij het land rond. Hij trakteerde zijn gehoor niet alleen op meeslepende betogen, maar bood het ook de gelegenheid tijdens de bijeenkomsten verantwoorde literatuur aan te schaffen. Dat deed hij als een van de medeoprichters en de drijvende kracht achter Het Roode Baken, een vereniging die zich beijverde goedkope bundels socialistische literatuur uit te geven.

Poëzie, politiek, literatuur met een boodschap: rond zijn vijfentwintigste had Van Oorschot al ruime ervaring opgedaan met wat later de kern van zijn uitgeversactiviteiten zou vormen. Voeg daaraan zijn talent om producten aan de man te brengen toe en het beeld is compleet. In de jaren dertig doorkruiste hij Nederland op een fiets met op de bagagedrager zijn ‘vliegende boekhandel’, op zoek naar lezers. Hij was ook verkoper voor de uitgevers Stols en Querido. Het laatste bedrijf leidde hij als directeur veilig door de oorlog. En toen, in 1945, was het tijd voor zijn eigen uitgeverij.

Zoals de meeste beginnende uitgevers had ook Van Oorschot het de eerste jaren financieel niet gemakkelijk. Wat hem erdoorheen hielp waren zijn literaire smaak en zijn zakelijk instinct. In later jaren, toen hij al de sterrenstatus had bereikt, vertelde hij graag dat hij uitsluitend goede boeken uitgaf. Dat was lichtelijk bezijden de waarheid, maar zijn eigen inhoudelijke oordeel woog wél zwaar bij uitgeefbeslissingen. Zo wilde hij graag de klassieke Russen uitbrengen omdat hij die graag las. En wist hij daar zakelijk op de lange termijn een succesvol project van te maken door een oorspronkelijk idee voor een selectie uit de verhalen van Tsjechov om te buigen naar een reeks waarin het werk van alle Russen grotendeels in nieuwe vertalingen zou verschijnen. De finishing touch was zijn beslissing de boeken uit te voeren in dundruk, in een linnen band en met chique vormgeving. De boeken werden daarmee ook een ‘hebbeding’. Op 22 april 1953 verstuurde hij het persbericht over de Russische Bibliotheek: een reeks vertalingen  van ‘een der grootste perioden uit de litteraire geschiedenis van de mensheid’ in 33 delen. De benodigde fondsen voor dit megaproject wist Van Oorschot los te krijgen via zijn netwerk.

Naast smaak en zakelijk inzicht moet een uitgever ook de durf hebben om een groot project aan te gaan, of om een omstreden boek uit te geven. Van dat laatste zijn de vroege romans De tranen der acacia’s (1949) en Ik heb altijd gelijk (1951) van Willem Frederik Hermans een mooi voorbeeld. In het laatste boek moeten de katholieken het ontgelden. De verontwaardiging bij het gelovige volksdeel was groot, op last van de minister van justitie leidde het zelfs tot een proces tegen de schrijver. Van Oorschot vond dit prachtig, enerzijds omdat hij het met de strekking van de roman eens was en het waard vond die te verdedigen, maar zeker ook vanwege de publiciteit. Het boek vloog de boekhandels uit.

De soms bijna ongelooflijke verhalen over de uitgever Van Oorschot kennen we allemaal. Hoe hij boekhandelaren, hoewel ze vastbesloten waren niet al te veel in te kopen, bij zijn bezoek opzadelde met veel te grote voorraden. Hoe hij jarenlang auteurs, met Willem Frederik Hermans en Gerard van het Reve voorop, afrekeningen overlegde die wel erg voordelig waren voor de uitgeverij. En hoe hij vrienden en relaties boeken schonk, om ze dan enkele dagen later door de administratie een factuur te laten sturen. Al deze verhalen en nog veel meer, geplaatst in een context, staan in deze prachtige biografie. Tezamen geven ze een fascinerende inkijk in een stukje van het literaire leven van de tweede helft van de twintigste eeuw. De eyeopener voor mij zijn echter vooral de passages die Fortuin besteed aan het privéleven van de uitgever.

De scheiding tussen werk en privé is bij Geert van Oorschot soms moeilijk te maken. Zijn auteurs waren ook zijn vrienden. Hij nodigde ze uit voor etentjes en logeerpartijen, maar kon ook onverwacht bij hen voor de deur staan, een boek (geschenk) en een fles jenever (voor zichzelf) in de hand. In 1963 maakte Guido, zijn zoon uit zijn eerste huwelijk, op negentienjarige leeftijd een einde aan zijn leven. Dat veroorzaakte bij Van Oorschot en zijn vrouw Hillie een trauma waar ze tot het einde van hun leven onder leden. Van Oorschot voelde zich schuldig. In zijn houding naar jonge mannelijke auteurs werd dat soms zichtbaar, de relatie leek voor Van Oorschot soms verder te gaan dan alleen die tussen uitgever en auteur. Jeroen Brouwers, jarenlang bevriend, was een van de voornaamste objecten van affectie.

De uitgever wilde als jongeman graag dichter worden. Poëzie bleef zijn hele leven zijn passie, maar hij werd uiteindelijk schrijver van proza. Onder het pseudoniem R.J. Peskens publiceerde Geert van Oorschot in 1975 de verhalenbundel Twee vorstinnen en een vorst, waarin hij terugkeert naar zijn jeugd in Vlissingen. Dat boek werd een bestseller. Nog enkele bundels zouden volgen.  Voor hemzelf was deze erkenning als auteur misschien wel even wezenlijk als het succes van zijn uitgeverij. Ofschoon ook hier de grenzen vervaagden. Van Oorschot liet de opbrengsten van zijn boeken volledig terugvloeien in zijn uitgeverij: want de uitgeverij, dat was hijzelf.

zondag 1 november 2015

Op zoek naar Goldberg

Een biografie schrijven over een historische figuur wiens bekende biografische gegevens met gemak op een A-4tje passen? Niet te doen, zou je zeggen. Of: Je moet maar durven. Bert Natter vond voor zijn boek over de achttiende-eeuwse componist Johann Gottlieb Goldberg – die van de beroemde variaties – een mooie oplossing. Hij laat een hedendaagse musicoloog op zoek gaan naar Goldbergs sporen. Een zoektocht die zich grotendeels afspeelt in Dresden, de stad waar de componist jarenlang verbleef.  Het resultaat is een roman over het onderzoek voor een biografie. Dat is een vorm die veel meer vrijheid biedt dan een gewone biografie, een vrijheid die de creatieve Natter dan ook tot de laatste letter benut. Het barokke Dresden vormt een passend decor voor een bij vlagen barok verhaal waarin de tot nu toe wat schimmige Goldberg tot leven komt. En dat alles in een pageturner van ruim 600 bladzijden.

Bas Lesage is de musicoloog die wordt gefascineerd door Goldberg. Hij is een gesjeesde Utrechtse student muziekwetenschappen. Zijn afstudeerscriptie over Johann Sebastian Bach werd afgewezen, waarna hij per direct zijn studie beëindigde. Een uitgever zag echter wel iets in de scriptie, wijzigde Bas’ naam toepasselijk in Sebastian Savage en publiceerde het werk onder de titel ‘Bach als atheïst’. Dat boekje deed weinig, maar een latere herdruk begon opeens wél te verkopen. Er kwam zelfs een Duitse editie van, waarvan de titel  ‘Was wir tatsächlich wissen über Johann Sebastian Bach’ weergeeft wat Sebastians uitgangspunt was bij zijn onderzoek: hij baseerde zich uitsluitend op authentieke bronnen. Op de kale, controleerbare feiten.

Tijdens een promotietoer voor die Duitse uitgave wordt Sebastian aangesproken door een oudere heer, ene prof. Weiβ, die hem informeert dat hij beschikt over onbekende gegevens met betrekking tot Goldberg. Sebastian realiseert zich dat dit, als het klopt, sensationeel zou zijn. Maar hij doet niets met de uitnodiging van de man om eens langs te komen. Pas jaren later, wanneer hij een nieuwe uitnodiging ontvangt, gaat hij er op in. Zijn privéleven heeft dan inmiddels zo’n wending genomen dat hij behoefte heeft aan rust, aan zich concentreren op iets inhoudelijks, iets wezenlijks.

Sebastian ervaart het onderzoek als een weldadig bad. Al tijdens het bestuderen van het archief van prof. Weiβ stuit hij op documenten die nieuwe informatie over Goldberg lijken op te leveren. In de dagen daarop is dat in het staatsarchief niet anders. Vooral uit de brieven die hij onder ogen krijgt doemt voor hem een beeld op van de persoon Goldberg en de kringen waarin deze verkeerde. Goldergs leermeesters, Johann Sebastian Bach en zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann, komen langs. Zo ook graaf Heinrich von Brühl, aan wiens hof in Dresden Goldberg de laatste vijf jaar van zijn leven werkzaam was. En natuurlijk wordt Sebastian ook geconfronteerd met de befaamde legende met betrekking tot de Goldberg variaties, die Johann Sebastian Bach componeerde voor Hermann Karl von Keyserlingk, ambassadeur van de Russische tsaar in Saksen. Deze leed aan slapeloosheid en zou Bach hebben verzocht om muziek die hem de slapeloze nachten wat zou verlichten. De nog heel jonge Goldberg, bij Von Keyserlingk in dienst als klavecimbelspeler, zou die muziek nacht na nacht virtuoos hebben gespeeld. Vandaar de bijnaam van de variaties.

Dresden in de achttiende eeuw wordt voor Sebastian steeds meer een realiteit. Zijn zoektocht krijgt hallucinaire trekjes. Hij ontmoet enkele van de hoofdrolspelers, praat met ze, is toeschouwer bij wat zij beleven. ‘Living history’ heet dat tegenwoordig. Maar dan, in dit geval, anders. Sebastian beleeft die momenten heel intens, soms heel heftig. Het wordt dan een soort hellevaart à la Vestdijk. Voor mij groeit de roman in die passages uit tot een meesterwerk, meeslepend en betoverend. 

In verschillende interviews heeft Bert Natter verteld over de totstandkoming van zijn roman. Dat was een proces van vallen en opstaan, van weggooien en herschrijven, van het zoeken naar de juiste vorm. Het resultaat is een gedurfd boek. Het resultaat is ook zeker géén biografie. Het heeft meer iets van een ontmoeting tussen een biograaf en zijn onderwerp. Met als resultaat een roman die toont hoe het korte leven van Goldberg – hij stierf op zijn 29ste -  misschien wel is geweest: heftig, vol van emoties, creatief. En het zou zomaar kunnen dat ik, als ik weer eens naar de beroemde variaties luister, niet kan ontkomen aan het beeld van Goldberg die, als veertienjarige jongen, de muziek nacht na nacht speelt voor zijn slapeloze meester. 

zaterdag 17 oktober 2015

Onbevangen nieuwsgierig

Wie kan er zo raak schrijven over de schilderijen van Mark Rothko als Joost Zwagerman? Hij karakteriseert diens wonderlijke doeken als ‘het grootste, het sacraalste, het subliemste’ en tegelijk als ‘het teerste, het warmste, het ijlste en het stilste’. En wie kan er zulke treffende statements maken als bijvoorbeeld deze over Joseph Mallord William Turner: ‘Hij vocht zich het zonlicht in, als in het oog van een orkaan’. Iedere keer wanneer ik zo’n zin lees realiseer ik mij dat je die alleen maar kunt opschrijven wanneer je één bent met het onderwerp, wanneer je de kunstwerken waar het om gaat niet alleen beoordeelt op hun esthetiek maar je je ook afvraagt wat de kunstenaar bezielde. Joost Zwagerman kon dat, wílde dat. Dat maakt de meeste van de ruim veertig essays in deze bundel een genot om te lezen. Dat zorgt er voor dat je in veel stukken een eyeopener tegenkomt.

De grote kunstenaars zijn in De stilte van het licht ruim vertegenwoordigd: naast de al genoemde Mark Rothko en J.M.W. Turner zijn dat onder andere Andy Warhol, Piet Mondriaan, Henri Matisse, Giorgio Morandi, Jan van Eyck, Edward Hopper, Jeff Koons, Joan Miró, James Ensor, Marlene Dumas, Kazimir Malevich en Pierre Bonnard. Dat zijn gevestigde kunstenaars, aan hun werk wijden musea regelmatig ambitieuze tentoonstellingen. Tentoonstellingen die Zwagerman dan ook allemaal afloopt, krijg je de indruk. De meest verrassende stukken vond ik ditmaal die over de minder bekende kunstenaars. De vergeten meesters. De (her)ontdekkingen. Voor Zwagerman is dat een essentieel deel van zijn kunstbeleving, het blijven open staan voor nieuwe indrukken: ‘Onvoorbereid en zonder één procent voorkennis over een kunstenaar iets wonderbaarlijks aantreffen: het is een sensatie die zeldzamer wordt naarmate je ouder wordt. Je meent “de canon” tot je te hebben genomen, die canon stroomt als het ware door je bloedbaan. Maar soms moet je weer eens vóélen dat je bloed stroomt – alsof je uit een narcose ontwaakt’.

Een van die onbekende kunstenaars is Mira Schendel (1919-1988). Zwitserse, Joodse ouders, opgevoed in Italië, gevlucht voor Mussolini en na een lange zwerfvluchttocht in 1949 in Brazilië aangekomen. Daar, ver van de internationale kunstcentra, schiep zij gedurende de rest van haar leven een eigenzinnig oeuvre. Een deel van dat oeuvre zag Zwagerman op een retrospectief in de Tate Modern in Londen. Zijn oordeel is dat Mira Schendel het werk van alle ‘groten’ kende, het verwerkte en er iets volstrekt eigens mee deed: ‘Haar kunst gaat ook over de breekbaarheid van mensenlevens. In laatste instantie bepeinzen haar kunstwerken het onzegbare. Kalm, vastberaden en met groot gevoel voor poëzie fluistert Schendel over het sublieme. Het is radicale kunst, van het hoogste intellectuele niveau, maar nergens ontoegankelijk, en voorts zeer fijnzinnig aangedreven door geloof, hoop en liefde’. Je moet het werk tijdens het lezen van deze aanbeveling zien, maar dat kan tegenwoordig gelukkig heel eenvoudig. In het boek wordt bovendien een selectie van de besproken werken afgebeeld.

Met veel genoegen las ik ook het stuk over het plastic tasje. Een zéér alledaags gebruiksvoorwerp, bijna even gewoontjes als de krant waarin de vis wordt verpakt. Zwagerman schrijft lyrisch over twee bijzondere projecten met zo’n stukje plastic. Het eerste is dat van de fotograaf Hendrik Kerstens, die een model als muts een plastic tasje op het hoofd zette, gevouwen als een kap zoals zeventiende-eeuwse vrouwen geportretteerd door Frans Hals die dragen. Het tweede is dat van een scène uit de Amerikaanse speelfilm American Beauty (1999). Daarin speelt een amateurvideo een rol, waarin minutenlang een plastic tasje te zien is dat in een leeg winkelcentrum door de wind wordt voortgeblazen. Is dit kunst? Valt dit nog binnen de uiterste grenzen van de kunst? Na het lezen van Zwagermans enthousiaste beschrijving zeg je volmondig ‘ja, kunst’.

Zwagermans uitgangspunten bij vrijwel iedere beschouwing zijn nieuwsgierigheid, analyse en enthousiasme. Of het nu gaat om vroege Vlaamse schilderkunst, Pop Art of abstracte kunst, hij benadert zijn onderwerp steeds vanuit een open en ontvankelijke houding. 

De bundel eindigt met een essay getiteld ‘Het eindeloze wit’. Daarin analyseert en beschrijft Zwagerman lyrisch de witte schilderijen van Kazimir Malevich, Jan Schoonhoven, Jan Andriesse en anderen. Kunstenaars die de grenzen van de kunst en van onze beleving daarvan opzoeken door schilderijen te vervaardigen waarin vrijwel uitsluitend wit te zien is. Dat is een eindpunt, maar dan wel een volmaakt eindpunt. Zwagerman: ‘In het hart van het wit [….] bevindt zich de absolute stilte van het leven. Het is het gebenedijde Niets van het hier en nu. Eeuwige verlichting. Nirwana’.

woensdag 14 oktober 2015

Een autobiografie in snippers

Jean Pierre Rawie, een van de meest gelezen dichters van ons land, schrijft ook een column voor Dagblad van het Noorden. Daar is natuurlijk niets mis mee – hij woont in de stad Groningen en waarom zou een goede column minder zijn dan een verheven gedicht – maar in de inleiding van de meest recente bundeling van die stukken wil hij daar zelf wel even bij stilstaan. Hij schrijft: ‘Je ganselijk onttrekken aan de “waan van de dag” is natuurlijk onmogelijk, hoe graag ik dat ook zou willen. Zelfs in de dichtkunst – mijn eigenlijke roeping – lukt het maar een enkele keer werkelijk tijdloos te zijn’. Maar veel van deze stukjes voor de krant blijken bij lezing wel degelijk uit te stijgen boven de boekstaving van alledag. Dat komt doordat ze vaak over hemzelf gaan, over dingen die hij meemaakt en zaken die hij overpeinst. Ze vormen een autobiografie in snippers, zou je kunnen zeggen.

Rawie heeft de stukjes in Mijn ouders hadden één kind en een dochter gegroepeerd rond thema’s als religie, vorsten, bloedverwanten, academici, kunstbroeders, Groningers , buitenstaanders en autobiografisch. De onderwerpen lopen al evenzeer uiteen als deze titels, van een lunch op Paleis Noordeinde tot het karakter van huisdieren en van de Dichter des Vaderlands tot euthanasie. Wie we in deze columns leren kennen is een dichter van in de zestig, een bescheiden man die graag een glas drinkt, een man die samenwoont met ‘De Jonge Vrouw Die De Beste Jaren Van Haar Leven Aan Mij Vergooit’ en een man die het leven met een mengeling van afstandelijkheid en ironie ondergaat en daar met gevoel voor understatement over kan vertellen.

De mooiste passages zijn voor mij die waarin Rawie vrienden beschrijft. Dat doet hij met liefde, en ook weemoed wanneer het om reeds gestorvenen gaat. Komisch is zijn relaas van de verkiezing van Driek van Wissen tot Dichter des Vaderlands in 2005. In de felle strijd om die functie bediende Van Wissen zich van ongewone methoden, tot aan het uitdelen van viltstiften met de opdruk ‘Wie vakkundig kan beslissen / in de jaren des verstands / is ervoor dat Driek van Wissen / Dichter wordt des Vaderlands’. In een stukje over legendarische drinkers die hij heeft gekend richt Rawie een klein monumentje op voor schrijver en vertaler August Willemsen. Maar ook onbekende mensen die kleur geven of gaven aan de binnenstad van Groningen krijgen een plek. De stukken over zijn ouders en zijn jeugd zijn onopgesmukt en soms ontroerend.

Rawie citeert graag uit de wereldliteratuur. En doet dat soms op precies het juiste moment. Ooit zat hij op Paleis Noordeinde samen met olympische sporters aan tijdens een lunch voor verdienstelijke  Nederlanders. Willem-Alexander, toen nog kroonprins, vroeg hem of hij belang stelde in lichamelijke oefening. Rawie wist niet beter dan te antwoorden met een citaat van Churchill: ‘Whenever the thought of sports occurs to me, I lie down till it is over’. Het verdere gesprek vlotte niet echt.

Soms betrapt Rawie zichzelf op wat al te veel zelfrepresentatie. En corrigeert dat dan: ‘Maar genoeg koketterie’. De bundeling bevat ruim honderd stukken. Dat grote aantal past wel bij een uitspraak die Rawie ooit deed: ‘Vaak blijf ik, om de conversatie te redden, maar zelf aan het woord’.