woensdag 26 september 2018

Amerika, maar dan anders

Ons beeld van de Verenigde Staten heeft de afgelopen decennia een wezenlijke verandering ondergaan. Tot in de jaren zestig was het heel normaal om over de VS te spreken als ‘het land van de onbegrensde mogelijkheden’, en ook de zegswijze ‘van krantenjongen tot miljonair’ kwam je regelmatig tegen in de media. Ik herinner me dat uit mijn jeugd. Vreemd was die bewondering en halve verering van de Amerikaanse maatschappij niet, zeker niet als je bedenkt dat er in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog in Nederland vooral bewondering was voor wat ‘onze bevrijders’ hadden bereikt. Vandaag de dag hoor je deze karakterisering van de VS nooit meer. De recente Amerikaanse geschiedenis, van Vietnam tot Donald Trump, heeft ervoor gezorgd dat we nu welingelicht en veel kritischer naar het land kijken, ook meer oog hebben voor de uitwassen.

In de VS zelf wordt het probleem van die uitwassen erkend, met als belangrijkste problemen de heel losse wapenwetgeving, het fenomeen fake news en de betrouwbaarheid van de journalistiek in het algemeen. Ook de rol van president Trump, die zich niet bepaald als een rolmodel opstelt, is een belangrijke factor in dit proces. Sommige Amerikaanse media hebben het anno 2018 zelfs over een maatschappij waarin zulke grote sociale en politieke tegenstellingen ontstaan dat het gevaar dreigt dat ze uiteenvalt.

Dat dit alles bij mij opkomt door het lezen van Days of Awe van de Amerikaanse schrijfster A.M. Homes is niet zo vreemd. Ze staat bekend als een auteur die de vinger weet te leggen op de gevoelige plekken van de Amerikaanse samenleving, op die plekken waar het schuurt. Voor haar zijn dat vooral de heersende oppervlakkigheid, het onvermogen van het individu om weerstand te bieden aan maatschappelijke conventies en de consequenties van het wél een eigen koers volgen. Humor en ironie zijn  bij Homes altijd aanwezig, dat maakt haar heel leesbaar.

De verhalen ‘Hello Everybody’ en She Got Away’ zijn daar mooie voorbeelden van. Homes schetst daarin de dagelijkse lotgevallen van een gezin in Californië, te oordelen naar de omstandigheden ergens in de nabije of iets verdere toekomst. Het is er kokend heet, buiten zitten kan alleen aan de rand van het zwembad waarin je af en toe verkoeling zoekt. Binnen is het, met de airco op vol vermogen, aangenaam. Contact hebben is niet meer dan opmerkingen maken die de ander rakelings passeren, zoiets.  Iedereen ziet er cool uit, het spuitje met Botox staat dan ook naast de elektrische tandenborstel. Om er mooi uit te blijven zien bestaat een maaltijd uit maximaal enkele tientallen calorieën. Restaurants zijn daarop ingesteld. Dat een lichaam dat op den duur niet trekt, en uitvalverschijnselen gaat vertonen, wordt niet begrepen.

Ook in de overige tien verhalen is het soms genieten. Het verhaal van de man die in een opwelling ontsnapt uit zijn grauwe bestaan, in een vliegtuig stapt en in Disneyland een korte romance beleeft met een ‘cast member’, ontroert. ‘The National Cage Bird Show’, over een chatroom voor liefhebbers van parkietjes, is hilarisch en treurig tegelijk.

Als je zoals Homes op het scherp van de snede probeert aspecten van de Amerikaanse samenleving te ontleden, gaat het natuurlijk ook wel eens mis. Dan is de boodschap te nadrukkelijk aanwezig, of werkt de gekozen vorm niet. Voor mij doet dat niet af aan haar ambitie om de samenleving weer te geven zoals zij die ervaart. Beter sterven in schoonheid dan slagen met een zesje, denk ik dan maar.

A.M. Homes
Days of Awe
288 blz
Granta

[ Nederlandstalige editie: Dagen van inkeer ]


vrijdag 21 september 2018

Roman van zoon en vader

Er zijn van die romans die staan als een huis. Karakter van Ferdinand Bordewijk is er zo een. Neem alleen de eerste zin al: ‘In het zwartst van de tijd, omtrent Kerstmis, werd op de Rotterdamse kraamzaal het kind Jacob Willem Katadreuffe met de sectio caesarea ter wereld geholpen’. Een somberder en stroever opening lijkt haast niet mogelijk. Je weet na die beginzin al dat je geen vrolijke roman gaat lezen, dat speelsheid ver te zoeken zal zijn. En toch is dit zo’n roman die je lang bijblijft. Een boek dat je misschien weleens zal herlezen. Dit geldt in ieder geval voor mijzelf. Ik ontdekte het toen ik zeventien was, en twintig jaar later las ik het nog eens. Waarna ik dat deze zomer opnieuw deed, nu als luisterboek. Adriaan van Dis, de voorlezer, komt in een nawoord tot maar liefst zeven lezingen. Vanaf de allereerste keer raakte het boek hem persoonlijk, bood het hem inzichten en bleek het in zeker opzicht een leidraad voor zijn eigen leven.

Dat Karakter dit bij lezers kan bewerkstellingen komt ongetwijfeld door de thematiek. Die zou je beknopt kunnen omschrijven als de relatie tussen een opgroeiende zoon en zijn vader, met daartussenin een iets meer op de achtergrond blijvende moederfiguur. Dit is een universeel thema, dat bij lezers herkenning kan oproepen.

Het verhaal is bekend. De deurwaarder Dreverhaven verwekt bij zijn dienstmeid Jacoba Katadreuffe een kind. Zij besluit om dat kind te krijgen, en noemt de jongen Jacob. Voedt hem op eigen kracht op. Zij vertelt hem niet wie zijn vader is. Wanneer Jacob zo’n twintig jaar later, nadat een poging een sigarenwinkel te runnen is geëindigd in een faillissement, een baan bemachtigt op een vooraanstaand advocatenkantoor en besluit om rechten te gaan studeren, komt zijn vader weer in beeld. Niet om hem te helpen, maar om hem tegen te werken. Het wordt een strijd, die de zoon langzaamaan leert te voeren. En die hij uiteindelijk ook zal winnen.

Wat maakt het boek nu zo bijzonder, waardoor heeft het sinds de publicatie in 1938 steeds weer nieuwe lezers weten te boeien? Waarom is deze titanenstrijd tussen vader en zoon inmiddels verfilmd als televisieserie (1971) én als speelfilm (1997) en werd het in 2010 ook nog als toneelstuk op de planken gebracht? Het verhaal, met de talrijke emotionele momenten tussen vader en zoon, zal daar de belangrijkste reden voor zijn. Maar ook de locatie, het Rotterdam in de periode tussen de beide wereldoorlogen, en het korte, afgemeten taalgebruik dat Bordewijk hier hanteert dragen bij aan de beleving van de lezer. Het verhaal krijgt daardoor een enigzins sobere, ‘strenge’ setting. Voeg daarbij de neiging van Bordewijk om de karakters van de belangrijkste personages uit te vergroten tot soms theatrale proporties – de boosaardige doortraptheid van deurwaarder Dreverhaven, het monsterachtige voorkomen en optreden van zijn assistent, de waardigheid van advocaat Stroomkoning, Jacobs patroon - en je hebt de aantrekkingskracht van het verhaal wel benoemd.

Adriaan van Dis is een ideale voorlezer, ik heb dat eerder geschreven (zie dit weblog, 11 oktober 2017). Hij heeft een geweldige intonatie, beschikt over het vermogen de tekst daarmee de juiste inhoudelijke lading mee te geven. Ik heb het gevoel - maar misschien leg ik dat erin - dat hij er plezier in heeft een roman die hem bijzonder dierbaar is op een nieuwe wijze tot leven te brengen. Dat vonden blijkbaar meer luisterlezers, want Van Dis ontving voor zijn vertolking de Luisterboek Award 2016.

Ferdinand Bordewijk
Karakter. Roman van zoon en vader
Luisterboek, voorgelezen en toegelicht door Adriaan van Dis
8 uur en 44 minuten
Atlas Contact (via Storytel)

zondag 16 september 2018

Onder de Russen

Deze zomer organiseerde de uitgever van Pieter Waterdrinker een publiciteitsoffensief. Zo mag je het wel noemen wanneer je een ruime selectie uit ouder werk in een nieuwe editie aanbiedt en tevens een recente roman als Poubelle opnieuw in het zonnetje zet, maar nu als mooi uitgevoerde hardcover. De aanleiding was het optreden van Waterdrinker in Zomergasten. Dergelijke media-aandacht voor een schrijver heeft bewezen te leiden tot verkoop van diens boeken. Met het Boek van de Maand in DWDD werkt het niet anders.  Waterdrinker kon die publiciteit en zo’n actie wel gebruiken. Hij publiceerde de afgelopen twintig jaar tien romans en verhalenbundels, maar bereikte jammer genoeg nooit het grote publiek. Zijn roman Tsjaikovskistraat 40 (zie dit weblog 5 mei 2018) bracht daar vorig jaar al enigszins verandering in, Zomergasten doet de rest. Mogen we hopen.

Een dame in Kislovodsk bevat een selectie uit de eerder verschenen verhalenbundels Kaviaar en ander leed (2000), Montagne Russe (2007) en De correspondent (2014). Zes van de verhalen verschenen niet eerder in boekvorm. Ik las geen van deze bundels, dus voor mij waren alle verhalen nieuw.

Waterdrinker woont ruim twintig jaar in Rusland. Dat land is dan ook het onderwerp in bijna al deze verhalen. De breedte aan onderwerpen is groot. Hij schrijft even gemakkelijk over zijn bezoek aan het Dostojevskimuseum in Petersburg, waar hij een praatje maakt met de achter-achterkleinzoon van de grote schrijver als over een winterse jachtpartij met enkele van de ‘nieuwe rijken’ of over het werk van oorlogscorrespondenten in het uiterste zuiden van Rusland. De verhalen zijn soms ontstaan uit reportages die Waterdrinker schreef voor Nederlandse bladen. Voor een correspondent heeft hij de juiste instelling: nieuwsgierigheid naar een gebeurtenis is vaak de reden om direct in de auto of een vliegtuig te stappen en ergens in dat uitgestrekte land op onderzoek uit te gaan. De meerwaarde van deze stukken zit hem in de persoonlijke noot, de visie van Waterdrinker op het Rusland van nu en zijn grote kennis van het inmiddels voorbije Rusland. 

Maar nog mooier dan die stukken zijn voor mij de verhalen waarin Waterdrinker toont met de Russische cultuur en literatuur te zijn vergroeid. Dit geldt voor het van weemoed doortrokken titelverhaal, maar het verhaal De goudmaker van Soezdal is daar zonder twijfel het mooiste voorbeeld van. Het speelt zich af in Soezdal, een van die historische steden die deel uitmaken van de zogenoemde Gouden Ring rond Moskou. Voor wie er nooit is geweest: Souzdal heeft iets van een filmdécor, met zijn tientallen kerken, kloosters en andere monumenten. Het stadje staat op de werelderfgoedlijst van de Unesco. Waterdrinker belandt er door omstandigheden: ‘Vorig jaar winter was ik onderweg van Moskou naar Kostroma toen een sneeuwstorm mij dwong te overnachten in Soezdal. De laatste keer dat ik in het wereldberoemde Oud-Russische stadje was, zag ik moddervette ganzen waggelen door de straten; hooi werd door mannen met gebruinde torso’s op paard en wagen tongklakkend binnengehaald; meisjes in dunne jurken deden zingend bij de rivier de was. Nu deed niets aan deze zomerse idylle denken. De sneeuwjacht hing als loeiende vitrage tussen de huizen. Ik was moe, wilde eten, slapen – maar waar?
Na wat zoeken komt Waterdrinker terecht in een klooster, waar de poortwachter hem een cel ter beschikking stelt. Later op de avond neemt de poortwachter Waterdrinker mee naar Joeri Vodopjanov, die hem wordt voorgesteld als een alchemist die daadwerkelijk goud kan maken. Deze man, die eruit ziet als een kabouter en een indrukwekkende werkplaats heeft, geeft Waterdrinker een demonstratie van dat proces. Na afloop mag onze correspondent zelf proeven van het goedje, dat ruikt naar 'gefilterd maagdelijk godinnenzweet'. Een goddelijke ervaring.

Zo’n sfeervol en verrassend verhaal schrijven is het handelsmerk van de grote Russen. Waterdrinker kan het ook.

Pieter Waterdrinker
Een dame in Kislovodsk. En andere Russische vertellingen
416 blz
Nijgh & Van Ditmar

maandag 10 september 2018

'Bommenneef'

Meeslepend is een heerlijk woord. Gebruik het in een blogje over een boek  en iedereen wordt enthousiast. Het duidt op intens leesplezier. Ik probeer mezelf altijd te beheersen, het uitsluitend te gebruiken als ik er een paar weken na lezing van een boek nog steeds achter sta. Dat is op dit moment zeker het geval, en in behoorlijk sterke mate zelfs. Het gekke is dat het boek waarop dit betrekking heeft bij aanvang niet direct zo aanvoelt, misschien wel omdat het is opgebouwd rond een heel simpel gegeven: een jonge vrouw, in verwachting, besluit uit te zoeken of de verre oom naar wie ze haar kind wil vernoemen inderdaad een oorlogsheld is, zoals hij binnen de familie bekend staat. Dat leidt tot verrassende inzichten.

'Bommenneef', zo wordt oom Frans door zijn familie genoemd. Die naam dankt hij aan zijn heldendaad, een bomaanslag, op de Prinsengracht in Den Haag, op een vermeende collaborateur. Dat die aanslag pas na de oorlog plaatshad, op Sinterklaasavond 1946, is voor de familie geen probleem. Gerechtigheid kent geen tijd, de man was een schurk en verdiende dus zijn straf. Zo ongeveer is de gedachtegang in de familie.

Op haar achttiende krijgt Marjolijn van Heemstra, de vrouw in kwestie, van haar oma een ring cadeau. Die ring is afkomstig van oom Frans, hij heeft hem vlak voor zijn dood aan Marjolijns oma gegeven. Met de opdracht de ring door te geven aan een toekomstige naamgenoot in de familie. Marjolijn wordt door het geschenk dus eigenlijk met de vervulling van die wens opgezadeld. Als ze dan in verwachting raakt, en weet dat het een jongen wordt, besluit ze de belofte in te lossen. Maar ze neemt zich daarbij wel voor uit te zoeken hoe de heldendaad precies in elkaar stak.

Ze begint bij haar familieleden, van wie velen wel het een en ander weten van de roemruchte oom. Vaak is die informatie weinig ter zake doende, of nog vaker heeft de bron het ook maar ‘van horen zeggen’. Na enkele weken bestaat haar dossier uit twee mappen: ‘feiten’ en ‘overig’. Het raadplegen van archieven blijkt vruchtbaarder, maar de informatie die ze daar vindt zet het verhaal dat ze kent soms behoorlijk op zijn kop.

De zoektocht naar wat zich werkelijk heeft afgespeeld levert veel nieuwe informatie op, maar leidt ook tot vragen. Hoe sterk was het bewijs waarop werd besloten tot de aanslag? Mag je eigen rechter spelen? Is een aanslag te verantwoorden wanneer daar ook anderen dan alleen het vooraf gekozen doelwit gewond raken of zelfs omkomen? Gaandeweg groeien deze vragen uit tot de kern van de roman. Maken er een indrukwekkend verhaal van.

Marjolijn van Heemstra heeft haar roman - een documentaire roman zou je het kunnen noemen - een subtiele compositie meegegeven. De hoofdstuktitels tellen af, van 27 weken ervoor tot de dag van de bevalling. Die spiegeling van haar zwangerschap en haar onderzoek levert een dwingende voortgang op, waarbij beide trajecten met een resultaat zouden moeten eindigen. Dat doen ze, en ook die uitkomsten zijn mooi met elkaar verweven. En we noemen hem is een kleine roman waarover goed is nagedacht en die in alle opzichten overtuigt. Een avond puur leesplezier.

Marjolijn van Heemstra
En we noemen hem
218 blz
Das Mag Uitgevers

donderdag 6 september 2018

Inburgeren in de Bijlmer

Murat Isik kwam begin jaren tachtig met zijn familie vanuit Turkije naar Nederland. Het gezin Isik kreeg een woning toegewezen in de Amsterdamse Bijlmer. Murat en zijn zusje gingen er naar school, kregen vriendjes en vriendinnen, speelden op straat en raakten ingeburgerd. Voor hun moeder duurde de aanpassing aan de Nederlandse maatschappij wat langer, dat lukte pas toen zij zich wist te onttrekken aan de overheersing door haar man. Deze laatste zou de overstap naar Nederland nooit echt maken. De lotgevallen van hemzelf en zijn familie zijn door Isik nu verwerkt in Wees onzichtbaar, een roman die hijzelf beschouwt als het verhaal dat  hij móest schrijven.

Isiks alter ego heet Metin. Een bescheiden jongen, wat verlegen en teruggetrokken. Hij heeft ontzag voor zijn vader en probeert diens regelmatig opstekende toorn te ontlopen door zich zo onzichtbaar mogelijk op te stellen. Op de middelbare school wordt hij als Turk door een groep medeleerlingen met de nek aangekeken. Hij wordt aangesproken als ‘de schoonmaker’. Er is een loyale medeleerling voor nodig, én een sterker gevoel van eigenwaarde dat zich in zijn tienerjaren geleidelijk ontwikkelt, om zich daartegen teweer te durven stellen.

De vader van Metin heeft, op een kort intermezzo na, geen baan. Hij is ook niet actief op zoek naar een betrekking. Als communist en zeer traditioneel-conservatief ingestelde Turk vindt hij de meeste baantjes beneden zijn waardigheid. Iemand boven zich dulden en diens mening accepteren gaat hem eveneens moeilijk af. Hij ligt een groot deel van de dag  op de bank, leest Marx en de overige klassieke linkse en sociaal bewogen schrijvers en bezoekt zijn Turkse vrienden in het Turkse café. Zijn uitkering beschouwt hij als een verworven recht. Hij behandelt zijn echtgenote als vuil – naar onze maatstaven dan, niet naar de zijne. Het is dát laatste waartegen zijn vrouw en kinderen op een gegeven moment in opstand komen, wat het begin is van hun emancipatie. Ze onttrekken zich aan  zijn gezag. Zijn nederlaag is compleet wanneer zijn echtgenote een mooie loopbaan weet op te bouwen en feitelijk de kostwinner wordt.

Deze wat recht-toe, recht-aan samenvatting doet geen recht aan de kracht van het boek. Isik heeft een bevlogen, bewogen en op momenten hartstochtelijk enthousiaste geschiedenis van zijn familie geschreven. In zo’n honderd niet al te lange hoofstukken krijg je een rijk geschakeerd verhaal voorgeschoteld met personages die overtuigend worden neergezet. Sommige scènes zijn aandoenlijk, zoals die waarin de familie iets probeert bij te verdienen door op Koninginnedag in het centrum van Amsterdam Turkse lekkernijen aan de man te brengen. Of die met meneer Rolf, een gepensioneerde en wat vereenzaamde man die een van de eerste bewoners was van de Bijlmer. Hij is de sociale gedachte achter het concept van de wijk altijd trouw gebleven en moet met pijn in het hart meemaken dat de Bijlmer langzaamaan verloedert en uiteindelijk grotendeels wordt gesloopt.

Isik schetst een omvangrijk panorama, waarin zijn familie én de Bijlmer centraal staan. Ik luisterde het boek, voorgelezen door de voormalige Amsterdamse burgemeester Job Cohen. Dat voegt aan je beleving wel een stukje authenticiteit toe.

Murat Isik
Wees onzichtbaar
Luisterboek, voorgelezen door Job Cohen
18 uur en 8 minuten
Ambo Anthos

donderdag 30 augustus 2018

Kellendonks brieven

Het is alweer 28 jaar geleden dat Frans Kellendonk overleed, nog geen veertig jaar oud. Hij stierf aan de gevolgen van aids, in de periode dat er tegen deze ziekte nog geen effectief medicijn bestond. Daarmee kwam een einde aan een schrijverschap dat veelbelovend was. Een dezer dagen verschijnt een biografie van de hand van de letterkundige Jaap Goedegebuure. Daaruit zal ongetwijfeld een compleet beeld van de schrijver opdoemen. Omdat ik ditmaal de behoefte voelde Kellendonk beter te leren kennen middels zijn eigen werk, heb ik de afgelopen week De brieven gelezen, in een editie uit 2015 die werd bezorgd door Goedegebuure en collega-schrijver en vriend Oek de Jong.

Kellendonk komt uit die brieven naar voren als een gepassioneerd mens, hartstochtelijk bezig met de literatuur en zijn eigen literaire werk. Hij neemt geen blad voor de mond, waaruit je wellicht mag opmaken dat hij de brieven nooit voor publicatie heeft bedoeld. Hij is open en oprecht. Dat geldt de literatuur – in zijn leven het belangrijkst – maar zeker ook de liefde. Van beide geniet hij hartstochtelijk. Hij kan ter plekke wegsmelten voor een mooie jongen die hij tegenkomt in de supermarkt, maar zich ook met hart en ziel geven in een duurzame relatie. In een brief aan zijn vriend Jan Duyx van februari 1974 staat een passage die zijn plezier in het leven mooi weergeeft: ‘Herinner je je die dag nog, toen het ook ineens lente was, en die meneer bij broodje Corona, die begon te zingen? Iedereen had het in de bol. Het is hoop die het ogenblik dat ze duidelijk wordt door het bewustzijn wordt vervuld. Het Goede Leven. Het plezier in de Dingen Zelf. De geest zit in het lichaam opdat de geest van het lichaam kan genieten. Je weet wel wat ik bedoel en ik hoef mijn lippen maar tegen de jouwe te drukken om te weten wat ik bedoel. Ik hoef je niet eens op te eten om te weten, te smaken hoe heerlijk je bent.’

Een schrijver moet ook leven, en uit de literatuur zijn lang niet altijd voldoende inkomsten te halen. Zeker niet voor een beginnende schrijver. Kellendonk was daarom genoodzaakt klussen in de marge aan te nemen. In het studiejaar 1981/’82 - hij was vijf jaar eerder gedebuteerd met de jubelend ontvangen verhalenbundel Bouwval - was hij writer in residence in Minneapolis. Dat gaf hem de rust om te schrijven, maar hij was ook ver van huis en vrienden. Het internet bestond nog niet, dus zijn brieven naar familie en vrienden waren gevuld met vragen naar het nieuws van de dag. Je proeft er een zekere eenzaamheid uit.

Na ruim driehonderd bladzijden is ‘het’ daar ineens, in een brief aan Oek de Jong van september 1983: ‘Vrijdag vertrek ik naar Boston, met schoorvoetende instemming van de hematoloog, die nog steeds niet weet wat er met me aan de hand is, na al dat bloed dat ik voor hem heb vergoten. Hij denkt aan een milde vorm van de nieuwe Amerikaanse ziekte. Ik heb nu zo ongeveer de ‘keus’ om me ziek te voelen of gezond. Bij mijn huidige welbevinden is dat geen moeilijk dilemma. In Boston zal ik nadenken over artikelen voor het blad (en een naam) en je van daaruit opnieuw schrijven. Ik heb er, net  als jij, veel zin in.’ Kellendonk en De Jong liepen rond met een plan voor een nieuw literair tijdschrift.

De brieven zijn niet doortrokken van het ziek zijn. Integendeel, het lijkt alsof Kellendonk zich daarin juist bezighoudt met alles  wat hem inspireert, en níet met zijn ziekte. In de laatste periode worden de brieven zeldzamer. Oek de Jong heeft over die laatste fase van Kellendonks leven geschreven in zijn essaybundel Het visioen aan de binnenbaai (zie dit blog, februari 2017). Kellendonk verloor langzaam maar zeker de energie om te leven, in wat dan ook geïnteresseerd te zijn. Trok zich letterlijk terug uit de wereld, die op het laatst niet groter was dan zijn slaapkamer.

Wat rest zijn enkele spraakmakende romans, verhalenbundels en essays, waaruit een onafhankelijke, onderzoekende geest spreekt. En een groot stilist. Deze omvangrijke selectie brieven, waarin Kellendonk je heel dichtbij laat komen, voegt daaraan iets heel wezenlijks toe.     

Frans Kellendonk. De brieven
Samengesteld, ingeleid en geannoteerd door Oek de Jong en Jaap Goedegebuure
480 blz
Querido

donderdag 23 augustus 2018

Versailles in Zeeland

Ellewoutsdijk is een dorpje op het Zeeuwse eiland Zuid-Beveland. Vanaf de hoge dijk kijk je er uit over de Westerschelde, recht aan de overzijde van het water ligt Terneuzen. Iets ten westen van het dorp gaat het polderland over in het havengebied van Vlissingen, de kerncentrale ben je dan al gepasseerd. Ellewoutsdijk is geen zelfstandige gemeente meer, het maakt tegenwoordig onderdeel uit van de gemeente Borssele. Zo’n 150 jaar geleden was dat anders. Het dorp was nog zelfstandig, had een eigen burgemeester, een haven, een school, winkels en vanaf de kerktoren zag je akkers tot aan de horizon. Het is dát dorp, in het jaar 1860, waarin Anna van Suchtelen de kroniek van haar familie, Versailles aan de Schelde, laat beginnen. Het dorp dat voor drie generaties in zekere zin de thuisbasis van haar familie zou zijn. Tot in oktober 1944 geallieerde bombardementen Ellewoutsdijk in een smeulende verzameling ruïnes veranderden.

In de zomer van 1860 bezoekt Jan Christiaan van Hattum voor het eerst Ellewoutsdijk. Hij is de jonge directeur van het gelijknamige Sliedrechtse baggerbedrijf en is op zoek naar werklui voor opdrachten die hij in Zeeland heeft aangenomen. Prümers, de plaatselijke notaris ontvangt hem. Diens twintigjarige dochter Frederika en de iets oudere Jan Christiaan voelen zich tijdens dit bezoek tot elkaar aangetrokken. Twee jaar later trouwen ze. Waarmee de familiekroniek een aanvang neemt. 

Jan Christiaan legt in de decennia na 1860 de fundering waarop het familiebedrijf zich kan ontwikkelen tot een belangrijke speler in de markt. Hij neemt grote waterstaatswerken aan, in Nederland én daarbuiten. Het is de tijd van de industrialisatie en er worden spoorlijnen door heel Nederland aangelegd, waardoor ook uit de meer afgelegen regio’s opdrachten binnenkomen. Naast grote binnenlandse projecten waarbij het bedrijf is betrokken, zoals het Noordzeekanaal, wordt ook het buitenland steeds interessanter. Jan Christiaan weet een technisch ingewikkelde klus bij het graven van het Panamakanaal binnen te halen, waardoor het bedrijf internationaal de aandacht op zich vestigt. Tinus, de zoon van Jan Christiaan en Frederika gaat in Delft voor ingenieur studeren, om later het bedrijf van zijn vader over te kunnen nemen.

Het is hard werken, maar het geld stroomt binnen. Het echtpaar Van Hattum koopt een kapitaal huis in Den Haag, aan de oude Scheveningseweg. Maar Zeeland is nooit uit het hart. Nadat in 1864 het buitenhuis Zorgvliet, het voornaamste huis van Ellewoutsdijk, door Jan Christiaan en Frederika is aangeschaft verwerven ze ook de rechten van de ambachtsheerlijkheid Ellewoutsdijk en drie omliggende dorpen. Als ambachtsheer en –vrouw zijn ze dan daadwerkelijk geworteld in de Zeeuwse klei. Hun rijkdom stelt hen in staat om werken te bekostigen die het dorp ten goede komen – een schooltje, reparaties aan de kerk. Dat wordt van het verwacht, ze doen het met liefde en het dorp is hen dankbaar. Die dankbaarheid wordt getoond op hoogtijdagen in de familie – verjaardagen, huwelijken – waarop vrijwel het gehele dorp acte de présence geeft. Dit op een manier die wij tegenwoordig alleen nog maar reserveren voor koninklijke feestdagen. Ook bouwen ze Zorgvliet om tot een omvangrijk complex met Moorse trekjes in de architectuur, met een uitgestrekte parkaanleg, een toneelzaal en een heuse galerij voor de vele schilderijen die Jan Christiaan inmiddels heeft verzameld.

Die activiteiten blijven niet onopgemerkt. Een journalist van de Zeeuwse Courant die een rondleiding krijgt van Jan Christiaan kijkt zijn ogen uit. Hij is nog maar net bekomen van zijn verbazing over de tennisbaan, het cricketveld, het voetbalveld én de boogschuttersbaan als hij zich in het huis vergaapt aan de hypermoderne elektrische verlichting en de honderden schilderijen van vooraanstaande kunstenaars. Het is niets minder dan een ‘Versailles in miniatuur’, en hij prijst de ‘toovenaar’ die dit ‘paleisje’ heeft neergezet op dit ‘vergeten uithoekje’.

De kroniek bestrijkt ook de lotgevallen van de tweede en derde generatie, om te eindigen met het bombardement dat aan bijna alles een eind maakt. Het familiebedrijf floreert in de eerste helft van de twintigste eeuw, ondanks de Eerste Wereldoorlog, de politieke onrust in Duitsland en de economische crisis. Maar de bedrijfsvoering wordt moderner, er komen fusies, Van Hattum wordt onderdeel van een conglomeraat. Het verhaal van de zoon en kleinzoon van Jan Christiaan verschilt daardoor wezenlijk van dat van hun vader en grootvader.

Anna van Suchtelen beschrijft de familiegeschiedenis levendig en met kennis van zaken. Dat is niet vreemd, ze schrijft over haar voorouders en had de beschikking over het familiearchief. Maar haar verhaal stijgt ook boven het persoonlijke uit. De geschiedenis van het bedrijf, de relatie van haar voorouders met de lokale bevolking én het verhaal van de buitenplaats die werd omgetoverd tot een lusthof zijn zo in te bedden in de algemene ontwikkelingen op dat vlak. Al was de locatie van het frivole ‘paleisje’, op het Zeeuwse platteland direct achter de dijk van de Westerschelde, wel heel bijzonder.

Anna van Suchtelen
Versailles aan de Schelde. Familiekroniek
320 blz
Cossee