dinsdag 30 juni 2015

Op vakantie om je huwelijk te redden

Vastgeroest zijn in je relatie. Veel mensen zullen zich in die situatie bevinden. Maar hoeveel daarvan beseffen dat ook? Douglas Petersen in ieder geval niet. Hij is 54, werkt als manager in de biochemie, is getrouwd met Connie en is vader van een zoon van zeventien, Albie. Douglas is zoals de meesten van ons redelijk tevreden met het leven. Hij doet zijn werk met plezier, zijn huwelijksleven is stabiel en hij is met zijn gezin kortgeleden verhuisd van een te klein appartement in Londen naar een riant vrijstaand huis in een dorp bij Oxford. Op een nacht maakt Connie hem wakker. En deelt de slaperige Douglas mee dat zij geen toekomst meer ziet in hun relatie. Dat zij wil scheiden zodra hun zoon na de zomer het huis heeft verlaten om te gaan studeren.

Voor die zomer is de vakantie al gepland. Op initiatief van Connie zullen ze een reis maken langs Europese steden: Parijs, Amsterdam, München, Verona, Venetië, Florence, Rome, Napels. De reis is een geschenk voor Albie, een Grand Tour zoals ook welgestelde jongemannen in de achttiende eeuw die aan het einde van hun opleiding ondernamen. Voor de kunstminnende Connie wordt het vooral een weerzien met oude bekenden, voor man en zoon is het meeste nieuw. Douglas ziet de reis als de perfecte gelegenheid om Connie voor zich terug te winnen.

Albie stapt niet helemaal vrijwillig in de trein naar Parijs. Het vooruitzicht dat hij vier weken lang met zijn ouders historische gebouwen gaat bekijken en in stoffige musea de oude meesters moet bewonderen maakt hem wat opstandig. Al na de eerste dag in Parijs gaat hij een middag alleen op stap, met zijn gitaar op de rug. Om 's avonds laat terug te keren in gezelschap van Cat, een jonge straatmuzikante uit Nieuw-Zeeland. Albie is hopeloos verliefd op haar. Wanneer Douglas, Connie en Albie enkele dagen later in Amsterdam zijn duikt Cat daar ook op. Gitaarspeler en accordeoniste lijken onafscheidelijk.

De Grand Tour wordt een onvergetelijke reis, al wordt niet de gehele geplande route gevolgd en maakt niet iedereen steeds deel uit van het gezelschap. Ook gaat het al snel niet meer in de eerste plaats om de bezienswaardigheden. Het wordt meer een Grand Tour langs twintig jaar huwelijksleven en de relatie tussen vader, moeder en zoon. Vooral Douglas wordt naarmate de reis vordert - en gaandeweg ontspoort - geconfronteerd met zijn houding als vader. Een houding die vaak was gebaseerd op zenden, niet zozeer op ontvangen.

Met Us schreef David Nicholls een bewonderenswaardige roman over een relatie. Op de eerste bladzijde informeert Connie haar man dat ze hem wil verlaten omdat hun huwelijk opgebruikt is. Ruim vierhonderd bladzijden later weet je hoeveel ze voor elkaar hebben gevoeld en nóg voelen. Heb je de tedere, mooie momenten van hun relatie meegemaakt, maar ook de mindere. Begrijp je dat haar mededeling midden in de nacht een enorme beslissing voor haar was, maar tegelijkertijd onontkoombaar. En dat die mededeling voor Douglas als een bominslag kwam, volkomen onverwacht. Voor hem begint het proces van terugkijken en analyseren pas op dat moment.

Luchtig schrijven over serieuze onderwerpen is een gave die Nicholls bezit. Daarbij hanteert hij een onderkoelde, heldere en beknopte schrijfstijl, met soms een licht ironische ondertoon. De taal lijkt eenvoudig, de zeggingskracht is groot. Wat Connie en Douglas overkomt stijgt dan uit boven het persoonlijke, wordt universeler. De dialogen zijn sprankelend en verraden Nicholls’ ervaring als scriptschrijver voor Engelse sitcoms als Cold Feet. De keuze voor de Grand Tour als structuur van het verhaal werkt uitstekend: het haalt de hoofdpersonen fysiek en mentaal uit hun vertrouwde omgeving én het biedt een afwisselend decor. Dat laatste is een beetje als bij de televisiebeelden van de Tour de France: je kijkt voor de wedstrijd, maar zonder het prachtige landschap zou het zeker minder leuk zijn.

Komt het goed, wil je dan weten. Tja ....., wat is 'goed' in een situatie als deze? Ook dat is een inzicht dat Connie en Douglas uiteindelijk verwerven. De afloop is welbeschouwd zoals die moet zijn: wijs. Je accepteert die omdat de auteur je uren leesgenot heeft bezorgd, tot op de laatste bladzijde.

woensdag 24 juni 2015

Een road novel

Remington van Bert Natter is een onvervalste road novel. De hoofdpersoon, een succesvolle kunstenaar, krijgt een telefoontje van zijn vader. Deze is in zijn antieke Mercedes afgereisd naar zijn geboortestad Hamburg maar durft de terugreis niet meer alleen te ondernemen. Of de zoon hem direct wil komen ophalen. Wanneer deze zijn vader oppikt in het hotel merkt hij dat de oude man trilt. Ietwat ongerust begint hij aan de terugtocht. De oude Mercedes gaat niet harder dan tachtig, dus nemen ze de binnenweg. Er is tijd om te praten. Ze wisselen meningen uit, ook herinneringen, soms zelfs iets dat op gevoelens lijkt. Ze zeggen elkaar dingen die ze niet eerder durfden te zeggen. Een road novel, dus.

De vader is een bekende dichter. Hij begon ooit als romanschrijver. Had jarenlang een column in een landelijke krant. Totdat zijn hoofdredacteur hem verweet dat hij het in zijn column had gehad over Heinrich Heine, zonder zijn lezers toe te lichten dat dit de ‘bekende Duitse negentiende-eeuwse dichter’ was. Daarna schreef hij uitsluitend – en spaarzaam – gedichten. Soms wonnen zijn bundels een literaire prijs, maar ze verkochten matig. Hij schreef zijn werk op een typemachine van het merk Remington. Die ligt in de kofferbak van de Mercedes. Hij kan lyrisch vertellen over het mechaniek dat in beweging komt wanneer hij een letter aanslaat.

De zoon is minder fysiek met zijn kunst bezig. Hij bedenkt slechts het concept, de uitvoering van de soms enorme installaties laat hij over aan assistenten. Hij heeft al als tiener gekozen voor de kunst, zijn moeder gaf hem op het juiste moment het beslissende zetje. Zij is een paar jaar eerder overleden. Ook aan haar halen de mannen herinneringen op.

De gesprekken van vader en zoon gaan vooral over hun relatie. De vader doet pogingen het verloop van zijn schrijversloopbaan te analyseren, voor zichzelf te verantwoorden of het zin had zijn leven te wijden aan het schrijven van gedichten. Is de voldoening die het maken van kunst kan geven genoeg, ook als de roem wegblijft? De zoon doet hetzelfde voor zijn eigen kunstenaarschap. De liefde komt voorbij, kunst, muziek, de oorlog. De structuur van het verhaal biedt Natter de gelegenheid om van alles ter sprake te brengen. Hij lijkt zich hier en daar in filosofische overpeinzingen zelfs de rol van derde man in het gezelschap aan te meten. Remington is een praatroman, een tekst vol persoonlijke ontboezemingen en ideeën die op vanzelfsprekende en soepele wijze hun plek in het verhaal hebben gekregen.

Remington is doortrokken van weemoed, van melancholie en berusting. Met op de achtergrond een onbestemd gevoel van sluimerende dreiging. Die is al in de eerste zin aanwezig: ‘Mijn vader is er niet meer’. De Mercedes rijdt dan over de Afsluitdijk, richting de kop van Noord-Holland. Naarmate het verhaal vordert wordt je langzaam duidelijk dat de vader zich met een vooropgezette bedoeling door zijn zoon uit Hamburg liet ophalen. Dat de tocht voor hem een afscheid is. Dat afscheid, wanneer het komt, is te bizar voor woorden. Maar past ook wel weer bij het volstrekt eigenzinnige karakter van deze mooie roman. 

zondag 21 juni 2015

Verboden geaardheid

‘Nu moet ik goed opletten, dacht Jonathan. Nu. Het begint nu. Hij legde zijn trillende handen in zijn schoot en wreef met de duim van zijn rechterhand langzaam over het kootje van zijn linker, in de hoop dat het hem kalm zou maken. Het was de laatste ochtend van zijn gevangenschap’. Zo begint Muidhond, de debuutroman van Inge Schilperoord. Jonathan, dertig jaar, heeft de dag ervoor bericht gekregen dat het gerechtshof hem in hoger beroep heeft vrijgesproken. Er was te weinig bewijs, de verklaringen van zijn slachtoffer konden niet worden gestaafd. De gevangenisstraf waartoe Jonathan was veroordeeld en de opgelegde tbs waren daarmee van de baan. Hij mocht naar huis.

Dat ‘thuis’ is bij zijn bejaarde moeder, in een vissersdorp ergens in Nederland, achter de duinen. De wijk met oude visserswoninkjes waar zij wonen is op twee huizen na afgebroken, de overige bewoners zijn al verhuisd naar een aangrenzende nieuwbouwwijk. Jonathan komt thuis tijdens een vreselijk warme dag, het begin van een hittegolf. In het kleine, benauwde huis kan hij voor zijn gevoel nauwelijks ademhalen. Voor zijn astmatische moeder moet dat nog lastiger zijn, hij hoort voortdurend haar moeizame, piepende ademhaling. Zo snel als hij kan verlaat hij het huis om met de hond in de duinen te gaan wandelen. Voor hem is dat duinlandschap het mooiste dat hij kent, de plek die hij nooit zal verlaten. Hij is er één met de natuur, voelt zich er volkomen op zijn gemak: ‘Hier had hij elke smerige seconde van die eindeloze dagen en nachten op gewacht. Om hier weer te zijn, vertrouwd, alleen met de hond’.

Jonathan werkt overdag in het visverwerkingsbedrijf bij de haven, waar hij aan de lopende band vissen schoonmaakt en aan stukken snijdt. Contact met zijn collega’s vermijdt hij, hij heeft daar geen behoefte aan. In de lunchpauze leest hij het Natuurblad. Na zijn werk verricht hij volgens een strak, door hemzelf opgezet tijdschema, allerlei klusjes: de hond uitlaten, boodschappen doen, eten koken, samen met zijn moeder eten, samen met haar een uurtje koffiedrinken, op zijn zolderkamertje  zijn oefeningen maken. Dat laatste heeft hij de gevangenispsycholoog beloofd. Omdat hij tot tbs was veroordeeld had hij, vooruitlopend op zijn hoger beroep, alvast een begin gemaakt met de zogenaamde pre-therapie. Jonathan maakt dagelijks een of twee van de oefeningen in zijn werkboek. Hij leert daardoor hoe hij zich moet gedragen, wat goed is en wat niet. Hij vindt het soms lastig om zonder begeleiding de bedoeling van de oefeningen te doorgronden, maar denkt dan maar aan de psycholoog die termen gebruikte als terugvalpreventieplan en signaleringssysteem.

Het buurhuis, het enige andere huis dat nog niet is afgebroken, wordt bewoond door een alleenstaande vrouw en haar dochtertje van tien, Elke. Het meisje liet dagelijks de hond uit in de maanden dat Jonathan in de gevangenis zat. Dat wil zij graag blijven doen, desnoods samen met Jonathan. Elke is zoals de meeste meisjes van haar leeftijd ongecompliceerd, heel direct in haar uitingen. Ze is gefascineerd door de vis die Jonathan in een duinmeertje vangt en in een aquarium op zijn kamertje houdt. Een muidhond, een karperachtige soort. Die komt ze dagelijks bekijken. Op die momenten is Jonathan in verwarring. Net zoals de eerste keer dat hij haar zag: ‘Ze was erg jong, dacht hij, nog geen tien. Hij zag nog wat dons in haar hals. Ze had kleine, lieve, ontroerende oren. Niet doen, dacht hij. Niet zo denken. Voor je het weet heb je gedachten die niet goed zijn. Cognitieve vervormingen. Of goedpraters. Of iets anders. Hij wist even niet meer precies wat wat was, maar hij zou het zometeen opzoeken’.

Je bent als lezer dan op nauwelijks éénderde van het boek, je ziet wat eraan komt maar hebt het spannendste deel van het verhaal nog tegoed. Schilperoord beschrijft meesterlijk wat er in Jonathans hoofd omgaat, zijn gevecht met zichzelf en met de omstandigheden. Zijn omgang met Elke is vergelijkbaar met de situatie die leidde tot zijn eerdere misdrijf en zijn arrestatie. Hij probeert oprecht zichzelf in de hand te houden, vlucht keer op keer in de oefeningen in zijn werkboek, ziet die als zijn reddingsboei. Maar hij staat alleen, hij heeft niemand die hem helpt. Ik had met hem te doen.

Inge Schilperoord werkt als forensisch psycholoog bij onder andere het Pieter Baan Centrum. De deskundigheid waarmee ze beschrijft wat zich in Jonathans hoofd afspeelt is griezelig overtuigend. Ook laat ze zien wat de therapeutische oefeningen beogen te bewerkstelligen, en waarom die voor Jonathan in zijn specifieke omstandigheden niet het optimale effect hebben. Pedofilie kiezen als onderwerp voor je debuutroman is dapper, dat kan eigenlijk alleen wanneer je het verantwoord kunt uitwerken.

Die inhoudelijke deskundigheid is in deze roman niet de enige sterke kant van Schilperoord. Ze kan ook schrijven. Heel subtiel weet ze het effect van Jonathans gevecht te versterken. Zo raakt door de aanhoudende hitte niet alleen de natuur van slag, ook Jonathan raakt er door uitgeput. De broeierigheid die door de hitte ontstaat is ook een passende tegenhanger van de steeds koortsachtiger geestesgesteldheid van Jonathan. Van de muidhond ten slotte is bekend dat hij het bij een hogere watertemperatuur dan 23 graden Celsius moeilijk krijgt. Zo ook zijn verzorger. Hoeveel meer secundaire aanwijzingen wil je hebben voor de wending die het verhaal zou kunnen nemen? Maar dan beslist Schilperoord anders. En verrast je met een grootse ontknoping. Laat je stil achter. Heel knap.

zondag 12 april 2015

Harry Mulisch: de Mythe

Sander Bax bestudeert het omvangrijke oeuvre van Harry Mulisch al jaren. Maar hij ontmoette hem nooit. En toch had hij, toen hij op 6 november 2010 voor de televisie zat en de begrafenis van de schrijver bekeek, het gevoel dat daar iemand werd begraven die hij kende. Hoe kan dat? Kun je als lezer een persoonlijke band hebben met een auteur via diens boeken en artikelen? Of heeft het in dit geval te maken met het optreden van de schrijver in andere media? Mulisch trad graag op voor radio en televisie, wist als geen ander altijd weer de schrijvende pers te vinden. Die instelling maakte hem vanaf de jaren zestig een bekende Nederlander. Zelfs als je nooit een boek van Mulisch had gelezen, of alleen maar De Aanslag als film had gezien, wist je wel wie hij was. Hij was voor velen, dus ook voor niet-lezers, dé schrijver. Hij groeide uit tot een mythe. Over die mythe, en over de manier waarop Mulisch die zorgvuldig uitbouwde en in stand hield, gaat deze opmerkelijke studie.

De traditionele biografie van een schrijver behandelt diens persoonlijke leven, het oeuvre en in het ideale geval ook nog de verbanden daartussen. Bax legt in De Mulisch Mythe een ander accent. Bij hem staat het openbare leven van Mulisch centraal, het publieke optreden. Mulisch nam daarin, meer dan andere auteurs, zijn eigen beeldvorming ter hand. Hij deed dat oprecht, gedreven, slim en opportunistisch, net zoals hem dat uitkwam. Soms was verontwaardiging over politiek of sociaal onrecht zijn drijfveer, een andere keer de promotie van zijn eigen schrijverschap. Wanneer het ging om politieke of sociale vraagstukken stelde hij zich graag op als een activist, als een visionair. Als schrijver daarentegen was hij in toenemende mate een filosoof.

Bax ziet in het schrijverschap van Mulisch drie hoofdlijnen. De eerste is die van de autonome schrijver, die (vrijwel) onzichtbaar is in zijn werk. Dat is de Mulisch van vroege romans als Archibald Strohalm (1952) en Het stenen bruidsbed (1959) en latere als Twee vrouwen (1975) en De ontdekking van de hemel (1992). Daarin onderscheidt Mulisch zich niet van zijn schrijvende collega’s.

De tweede hoofdlijn is die van de publieke intellectueel die zonder aarzelen stelling neemt in het openbare debat. Daarin herkennen we de Mulisch die zich in 1966 enthousiast aansluit bij de provobeweging en verklaart: ‘Ik beweer dat dit de belangrijkste sociale ontwikkeling is die wij sinds de oorlog hier gehad hebben’. Dit is ook de Mulisch die in de bevlogen én speelse bundel Bericht aan de rattenkoning (1966) pleit voor een revolutie in de westerse industrielanden om daarmee een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld te bewerkstelligen. En de Mulisch die in 1967 en ’68 afreist naar Cuba, er Fidel Castro ontmoet en over het sociale paradijs dat hij aantreft bericht in Het woord bij de daad (1968). Hij is in zijn oordeel zo enthousiast en onbevangen blijmoedig dat het zijn vriend de schaker Jan Hein Donner de nuchtere opmerking ontlokt dat er sinds Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst niet meer zo jubelend – en zonder relativering - is geschreven over socialisme en revolutie.

De derde en laatste hoofdlijn is de Mulisch als bekende Nederlander, de Mulisch van de mediaoptredens, de BN’er Mulisch, de mythe Mulisch. In deze lijn komen de schrijver en de publieke intellectueel samen en worden zij door Mulisch gebruikt als bouwstenen, als het fundament onder zijn publieke imago.

Waarom besteedde Mulisch zo veel aandacht aan de cultivering van zijn imago? Een van de door Bax aangedragen redenen is dat Mulisch hiermee vooral de verkoop van zijn boeken wilde stimuleren. Dat zal ongetwijfeld deels zo zijn, want pas vanaf het succes van De Aanslag in 1982 werden zijn boeken in zulke aantallen verkocht dat hij er ruim van kon leven. IJdelheid kan ook een drijfveer zijn geweest. Een van Mulisch’ bekendste uitspraken is immers: ‘Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan’.

Een zekere ijdelheid was Mulisch inderdaad niet vreemd. Door sommigen werd dat gezien als arrogantie. Hij werd er vaak mee op de hak genomen. Uit het Amsterdamse studentenblad Propria Cures komt het volgende verslag: ‘Americain. Aan het derde tafeltje van links vanaf de leestafel. Hij staart onbestemd voor zich uit. Zijn introverte schrijversblik.? […] Dan staat hij op en slentert naar de portier. – Zeker weer afroepen? Vraagt deze. – Om het kwartier, zegt Mulisch en gaat weer terug naar zijn plaats. – Is de heer Mulisch aanwezig, de heer Mulisch …’. Of deze, wat vijandiger: ‘Harry heeft de overrompelende stijl van de man die – op dezelfde wijze als sommige krankzinnigen denken dat ze Jezus zijn – in de waan verkeert dat hij een schrijver is. Harry schrijft dus wat hij denkt dat een groot schrijver zou schrijven. Hij schrijft gelukkig niet wat hij denkt. Nergens in de literatuur vindt met een voorbeeld van dergelijke zelfverloochening’.

Als je zo sterk doet aan zelfrepresentatie kun je dit soort reacties verwachten. Die op zich weer bijdragen aan het beeld. Het boek van Bax staat er vol mee. De mooiste is van Gerard Reve, die heeft opgemerkt dat Mulisch zich in zijn dure open sportwagen naar rellen in Amsterdam begeeft, om daaraan mee te doen dan wel gefotografeerd te worden. Voor Reve is hij een ‘gemotoriseerde relletjesvoyeur’. Bax biedt je ook uitvoerige, gedetailleerde analyses van Mulisch’ werk en zijn persoon, soms op het overdadige af. Voor de liefhebber van Mulisch, wat ik ben, is het een schat aan informatie waar je nu uitpikt wat je interesseert en waarin je via een gedegen register op een later moment alles kunt terugvinden.

Het boek lezend ging ik me ook afvragen wat voor mij nu het meest wezenlijke deel is van het schrijverschap van Mulisch. Dat is de Tweede Wereldoorlog. Hij belichtte dat thema van alle kanten, vanaf Het stenen bruidsbed (1959) - een roman over het geallieerde bombardement op Dresden in februari 1945 – tot aan zijn laatste roman Siegfried (2001), over de vermeende zoon van Adolf Hitler en Eva Braun. Zijn meest indrukwekkende boek daarover is voor mij De zaak 40/61. In 1961 bracht de staat Israël Adolf Eichmann in Jeruzalem voor de rechter, nadat de Israëlische veiligheidsdienst hem eerder uit Argentinië had weten te ontvoeren. Mulisch deed als journalist voor Elseviers Weekblad verslag van deze rechtszaak. In Jeruzalem kwam Mulisch definitief tot het inzicht dat als een totalitaire staat in het algemeen, of het fascisme in het bijzonder, het mogelijk maakt dat een ‘machinemens’ als Eichmann zonder nadenken vernietigende instructies van hogerhand opvolgt, er iets fundamenteels mis is met de mensheid. Dat besef zou hem de veertig jaar daarna bezighouden. Of, zoals hij later zou zeggen: ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog’. Ook dat was vanzelfsprekend bedoeld als een bouwsteentje aan de mythevorming.

zondag 30 november 2014

Met Nooteboom door de Duitse geschiedenis

In oktober 2016 zal de Nederlandse literatuur centraal staan tijdens de Frankfurter Buchmesse. Ongetwijfeld zullen Nederlandse uitgeverijen proberen daar hun voordeel mee te doen. Maar of het gaat lukken om Adriaan van Dis, Arnon Grunberg, Nelleke Noordervliet, P.F. Thomése, A.F.Th van der Heijden en hun talrijke collega’s onder de aandacht van de Duitse pers en uitgevers te brengen en Duitstalige uitgaven van hun werk te realiseren is maar de vraag. Nederlands auteurs, en dat geldt zeker voor de jongere generatie, zijn voor het Duitse lezerspubliek vrijwel onbekend. Bovendien hebben enkele van hun veelgelezen voorgangers de lat hoog gelegd. De hoofdredacteur van een grote Duitse uitgeverij verwoordde dat onlangs als volgt: ‘Ik ben opgegroeid met Nooteboom en Mulisch. Dat is voor mij de norm’.

Cees Nooteboom wordt al sinds het midden van de jaren tachtig in Duitsland veel gelezen. Een groot deel van zijn oeuvre is er in vertaling verkrijgbaar. En hij ontvangt er prijzen. De bundel Berlijn laat mooi zien dat die belangstelling wederzijds is. Duitsland is voor Nooteboom het land van de Europese cultuur, van de denkers, schrijvers en kunstenaars. Het land van Goethe, maar ook dat van de DDR en verwoeste levens.

Door een gelukkige samenloop van omstandigheden – of voelde hij iets in de lucht hangen? – woonde Nooteboom in 1989 een groot deel van het jaar in Berlijn. Op de avond van 9 november hoort hij in een taxi het bericht dat de Muur open is. Hij spoedt zich naar de Brandenburger Tor en is daar getuige van de emotionele taferelen. De mensenmassa uit het Oosten ontmoet daar de toegestroomde West-Berlijners. Er wordt gefeest, gezongen en gehuild. Jongeren klimmen op de muur, worden er vanuit de DDR weer vanaf gespoten. Dan ziet Nooteboom ook de Oost-Duitse soldaten staan: ‘De jongens dansen in hun waterstralen, de kwetsbare rij soldaten vormt het decor voor hun ballet. In het halfduister kan ik hun gezichten niet zien, en zij zien alleen de dansers. De anderen, het grote dier van de massa die steeds groter wordt, kunnen ze alleen maar horen. Dit is de afbraak van hun wereld, de enige wereld die ze ooit gekend hebben’.

De val van de Berlijnse muur is het scharnierpunt in deze bundel, die eerder werd uitgegeven als Berlijn 1989-2009. Nooteboom blijft daarna het herenigde Duitsland volgen, zoals hij ook teruggaat naar zijn eerste bezoek aan Berlijn, in januari 1963. Meestal reist hij alleen, soms heeft hij een reisgenoot: zijn echtgenote Simone Sassen, die de sfeervolle foto’s maakt; de journalist W.L. Brugsma, in 1963, en veel later de kunstenaar Armando, die gepreoccupeerd lijkt door tekenen van verval. Naast Berlijn reist Nooteboom ook naar München, Neurenberg, Weimar, het Walhalla bij Regensburg en tal van andere historische plekken. De spectaculaire gebeurtenissen van november 1989 zetten een proces in gang dat hem mateloos fascineert. Het gaat hem daarbij dan niet om de ‘breaking news’ momenten, maar om de bewegingen die op een ander niveau plaatsvinden: ‘Geschiedenis is een substantie die uit zichzelf vervaardigd wordt, als je je van het staccato van de krantenkoppen afwendt en heel goed luistert hoor je het oneindig trage knarsen van de grote wielen, waartussen nooit iets verloren gaat’.

De reiziger Nooteboom is in deze bundel geen toerist die bezienswaardigheden bekijkt omdat hij die gezien wil hebben, wil kunnen afstrepen van zijn lijstje. Hij is ook geen reiziger die gebouwen of schilderijen vooral beleeft als grote architectuur of grote kunst. De geschiedenis is zijn drijfveer, hij bezoekt plekken om wat er heeft plaatsgevonden. Dat leidt tot bespiegelingen, evenzeer als bespiegelingen de aanleiding kunnen zijn om een plek te bezoeken. Het volgen van een gids heeft voor hem geen zin, het strooien met benamingen voor stijlperioden zegt hem weinig. Hij luistert meestal niet want ‘Zoals altijd werd de aandacht van de reiziger getrokken door iets wat nu juist niets betekende’. 

maandag 24 november 2014

Kom hier dat ik u kus

De foto op de omslag van Kom hier dat ik u kus van Griet op de Beeck toont een oude man en vrouw op een bank. Ze zijn gekleed in het wit, wat ook de kleur is van de bank. Ze dragen feestmutsjes en houden ieder een ballon vast, ook wit. De afbeelding is een still uit de video The Stewarts have a party uit 2006 van kunstenaar Hans op de Beeck, een neef van de schrijfster. Maar de man en vrouw lijken niet in feeststemming te zijn. Integendeel, ze kijken je met een volstrekt neutrale, ietwat gereserveerde gelaatsuitdrukking aan. Zo’n zelfde tegenstelling zit ook in de roman. De titel Kom hier dat ik u kus associeer je met spontaniteit en liefde. Maar dat zijn nu net de zaken die Mona, de hoofdpersoon, het grootste deel van het boek moet ontberen.

Het verhaal is opgezet als een drieluik. In het eerste deel is Mona negen jaar oud. Al na enkele bladzijden komt haar moeder om het leven bij een verkeersongeluk. Haar vader kan dat moeilijk verwerken en vlucht daarom in zijn tandartspraktijk en in een snel gesloten huwelijk met een jongere vrouw, Marie. Voor Mona en haar jongere broertje zal Marie nooit een echte moeder worden. Zelfs voor het kind dat ze zelf krijgt lukt haar dat niet. Haar goedbedoelde onhandigheid en vooral haar gebrek aan liefde staan in de weg.

In 1991 is Mona vierentwintig. Zij werkt als dramaturg bij een vooraanstaand toneelgezelschap en krijgt een relatie met een iets oudere schrijver, Louis. Een heel positief zelfbeeld heeft ze niet. Nadat ze direct in het begin heeft opgemerkt dat ze lelijke tenen heeft en dat haar haar ‘ongelukkig’ is, volgt een lange opsomming van de andere dingen waaraan ze een hekel heeft. Die eindigt met: ‘Aan mijn eigen wankelmoedigheid, mijn eigen niesbuien, mijn eigen machteloosheid, mijn eigen verzwijgen, mijn eigen grote dromen (soms), mijn eigen zwaktes, mijn eigen nood aan houvast en aan liefde, veel liefde.’ Die liefde vindt zij niet bij Louis. Dat is goedbeschouwd een egoïst met een veel te positief beeld van zijn eigen literaire kwaliteiten.

De ontknoping volgt in 2002, Mona is dan vijfendertig. Haar vader blijkt ongeneeslijk ziek te zijn. Die situatie brengt bij haar een proces op gang waarin zij inziet dat zij beslissingen moet durven nemen wil ze haar leven niet laten verzanden in vreugdeloze alledaagsheid.

Kom hier dat ik u kus is beslist geen somber boek, al zou de samenvatting hierboven dat misschien doen denken. Griet op de Beeck zet Mona overtuigend neer. Het ik-perspectief maakt dat je als lezer al snel vertrouwd raakt met Mona’s  gevoelsleven. De sterkste passages zitten voor mij in het eerste en het laatste van de drie delen. De emoties, verlangens en twijfel van Mona als kind zijn heel sec verwoord, dat is mooi gedaan. Ook de passages in het laatste deel, waarin Mona en haar vader elkaar aan zijn ziekbed beter leren begrijpen, zijn sterk. Het is alsof de concentratie op een klein iets, de heel directe weergave van een intense relatie, Op de Beeck het beste ligt. Het middendeel van de roman, waarin de relatie tussen Mona en Louis ontstaat, vind ik een stuk zwakker. Het veel bredere beeld dat Op de Beeck hier schetst – de vlucht die de loopbaan van Mona neemt, het artistieke wereldje van het toneelgezelschap, de vrijage en daaropvolgende relatie met Louis – gaf me soms het gevoel een doorsnee, wat brave en modieuze relatieroman te lezen. Die Louis is bovendien een uiterst akelig ventje. Al is zijn manier om bij onenigheid met Mona de situatie te redden – door het volstrekt zouteloos uitspreken van de titel van het boek – wel een grappige vondst.

woensdag 19 november 2014

Liefde, een leven lang

Een echte schrijver durft risico’s te nemen. Dat realiseerde ik mij nog eens tijdens het lezen van Godin, held van Gustaaf Peek. Het is een meeslepend verhaal over de liefde tussen Tessa en Marius. Zij is schrijfster, hij journalist en columnist. Ze ontmoeten elkaar af en toe, maar zijn niet elkaars officiële partners. Tijdens hun ontmoetingen bedrijven zij de liefde, maar je kan wat zij hebben geen affaire noemen, of overspel. Zij hebben elkaar in hun jeugd gevonden en voelden toen aan dat zij bij elkaar hoorden. Die gevoelsverwantschap duurt een leven lang, zal pas eindigen met hun dood. Peek schetst deze geschiedenis in 51 fragmenten. Niet in chronologische volgorde maar achterstevoren, van 51 naar 0. Het is ook een heel zinnelijk verhaal, met – prachtig beschreven - seks in een hoofdrol.

Het verhaal vangt aan met het einde, de crematie van Tessa. Zij heeft Marius vijfentwintig jaar overleefd. De afscheidsdienst vindt plaats in een onpersoonlijke nieuwbouw, langs de snelweg net buiten de stad. In de zaal zitten verspreid wat bezoekers. Niemand spreekt. De begrafenisondernemer voert Tessa’s laatste wens uit, hij leest een aan haar gerichte liefdesbrief voor. Ongetwijfeld van Marius, van lang geleden. Een eenzaam, wat ontluisterend einde van een leven. Maar ook ontroerend, want enkele bladzijden eerder koos Peek als motto voor zijn roman de laatste regels van sonnet 87 van William Shakespeare: ‘Thus have I had thee as a dream doth flatter / In sleep a king, but waking no such matter’. Dat sonnet gaat over afscheid nemen, maar bezingt tegelijk de prachtige momenten die er waren.

Die momenten in de relatie tussen Tessa en Marius bestaan uit afspraakjes in hotels, bij elkaar thuis als de partner er niet is, op reis en tijdens een enkele gezamenlijke vakantie. We maken ze mee, teruggaand in de tijd. Van de latere ontmoetingen, wanneer het heimelijk organiseren ervan een ingesleten routine is geworden, tot het eerste rendez-vous dat voor beiden nog onwennig is. Kort voor die eerste afspraak hebben ze elkaar na jaren weer eens gezien tijdens een borrel. De aantrekkingskracht die tussen hen bestond tijdens hun schooljaren was er nog, merkten zij toen, en zou vanaf dat moment ook niet meer verdwijnen. De verliefdheid is totaal, ze genieten van elkaars nabijheid én elkaars lichaam. De seks is zinnelijk, teder en rauw. Peek beschrijft die scènes heel direct, maar ook heel mooi. Nergens wordt het grof. Het is vaak wel hoogst erotisch.

Marius is de held, Tessa zijn godin. Zo noemen ze elkaar een enkele keer. We volgen van hun beider levens vrijwel uitsluitend de ontmoetingen, wat daarbuiten gebeurt komt hoogstens in de marge aan bod. In de zeldzame fragmenten waarin slechts één van hen beiden optreedt, is die ene vrijwel altijd in gedachten altijd bij de ander. Hun relatie kent stemmingswisselingen. Die worden veroorzaakt door hun beider privéleven of, in het geval van Marius, door een vaag gevoel van ontevredenheid over het verschil in status van hun  beroep, journalist/columnist en schrijfster. Maar dat speelt op de achtergrond, het bolwerk van hun liefde lijdt er niet wezenlijk onder.

Het teruggaan in de tijd heeft een verrassend effect. Als lezer ken je de afloop al, je raakt nu benieuwd naar de oorzaken. En natuurlijk naar het allereerste begin. Tessa en Marius krijgen gaandeweg een meer onbevangen karakter, zij ervaren hun ontmoetingen als spannender omdat die steeds nieuwer zijn. De vraag waarom twee mensen het grootste deel van hun leven op deze manier geestelijk en lichamelijk aan elkaar verslaafd blijven wordt prachtig beantwoord in de slotpassages over hun tienerjaren.

Godin, held is zo’n leeservaring die ik maar af en toe heb. In dit geval kwamen het onderwerp, de structuur van het verhaal en de schrijfstijl zo mooi bij elkaar dat ik binnen een half uur verkocht was.