Een Napolitaanse volkswijk, jaren vijftig en zestig. Een
omgeving waar iedereen elkaar kent, waar licht ontvlambare karakters geregeld
leiden tot ruzie en soms een echte familievete, waar de jongens flaneren op een
Vespa of in een kleine Fiat, waar de meisjes zich langzaam onttrekken aan de
overheersende machocultuur. In die sfeervolle setting - denk aan een film als Vittorio De Sica's Fietsendieven - plaatst Elena Ferrante
haar verhaal over twee vriendinnen, de daadkrachtige, uitbundige Lila en de
stillere, volgzame Elena.
De meisjes groeien op in arme gezinnen. Elena is de
ik-figuur, het verhaal wordt verteld vanuit haar perspectief. Haar gevoelsleven
wordt beheerst door een sterk besef van minderwaardigheid, zij voelt zich maar
klein naast haar hartsvriendin. Dat gevoel wordt sterker als Lila zich in haar
puberteit ontwikkelt tot een schoonheid, terwijl Elena nog lang puisterig
blijft. Op intellectueel vlak zijn ze beter aan elkaar gewaagd, ze zijn
beiden vaak de beste van hun klas. Wanneer Lila niet verder mag leren en Elena
wel, neemt de laatste een voorsprong. Maar niet zonder slag of stoot, want de
intelligente Lila werpt zich met hart en ziel op zelfstudie door boeken uit de
plaatselijke bibliotheek te lenen en die ’s avonds door te werken. Overdag
werkt zij in de schoenmakerij van haar vader.
De wens van beide vrouwen om zich te ontworstelen aan hun
milieu is de rode draad in het verhaal. Elena probeert dat door haar studie, Lila
door haar huwelijk. Maar of zij daar in slagen, en of zij dat elkaar gunnen? Het
boek is een terugblik en begint met een telefoontje dat Elena ontvangt van Rino, de zoon van Lila.
Deze vertelt haar dat zijn moeder met de noorderzon is vertrokken zonder een
bericht achter te laten. Ook heeft zij alle fysieke herinneringen aan zichzelf
uitgewist. De reactie van Elena daarop is, gelet op de vraag hierboven, veelzeggend:
‘Lila wil weer eens overdrijven, dacht
ik. [….] Ze wilde, zesenzestig jaar oud, niet alleen zelf verdwijnen, maar ook
het hele leven dat ze achter zich had uitwissen. Ik was verschrikkelijk boos.
Laten we maar eens zien wie dit keer zijn zin krijgt, zei ik bij mezelf. Ik
zette de computer aan en begon onze geschiedenis op te schrijven, alles wat ik
me ervan herinner, tot in de details’.
Wanneer een auteur zijn personages zo intens en overtuigend
weet neer te zetten als in De geniale vriendin wil je graag meer over hem of haar te weten komen. Bij
Elena Ferrante is dat niet mogelijk omdat zij de publiciteit mijdt. Ze geeft
sinds het begin van haar schrijversloopbaan, zo’n twintig jaar geleden,
uitsluitend schriftelijke interviews, niemand kent haar gezicht of stem. Het is zelfs de vraag of het
een man of een vrouw is. Zelf schrijft ze (hij)
daarover: ‘Ik geloof dat boeken, als ze
geschreven zijn, hun auteurs niet meer nodig hebben. Als ze wat te zeggen hebben,
zullen ze vroeg of laat lezers vinden. [….] Een auteur die publiciteit
accepteert, heeft tenminste in theorie geaccepteerd dat zijn hele persoon, met
al zijn ervaringen en gevoelens ter verkoop wordt aangeboden samen met zijn
boek. En dat doe ik niet’.
woensdag 28 augustus 2013
zondag 25 augustus 2013
Bami
P.F. Thomése is een schrijver met twee gezichten. Het
grootste deel van zijn oeuvre bestaat uit serieuze romans en verhalen, zoals Zuidland, Schaduwkind, Wladiwostok
en De weldoener. Maar af en toe
schrijft hij een roman waarin het verhaal er weinig toe doet en de goede smaak
geheel ontbreekt. Het lijkt erop dat Thomése ervan geniet in die romans de
teugels te laten vieren en de grenzen van het betamelijke op te zoeken. In 2009
verscheen J. Kessels. The novel, een
doorslaand succes. En nu is er het vervolg, Het
Bamischandaal, dat weer rond diezelfde J. Kessels is opgebouwd.
J. Kessels bestaat werkelijk en is ook in het echt een goede
vriend van Thomése. Zij leerden elkaar kennen op de sportredactie van Het
Nieuwsblad van het Zuiden. J. Kessels woont in Tilburg-Noord, ‘net onder het
spoor door’. Hij is een liefhebber van countrymuziek, de rauwe romans van
Charles Bukowski en van roken. Hij houdt niet van formaliteiten, hard werken,
vergaderen en ander gezeik.
Het verhaal begint wanneer Thomése wordt opgebeld door een
gezamenlijke vriend, Peerke Sonnemans. Die meldt hem de plotselinge verdwijning
van J. Kessels. Hun vriend is ingepalmd door een Chinese schone, werkzaam bij
de afhaalchinees om de hoek, en is met haar naar Shanghai afgereisd. Thomése is er
niet gerust op en laat zich overhalen met Peerke mee te gaan naar Shanghai om
J. Kessels te zoeken. Het wordt een zoektocht zonder structuur, want ze hebben
niets voorbereid. Ze worden geholpen door een paar Brabanders die in Shanghai
wonen, waaronder de volslanke en hitsige Bernadette van Rooij uit Aarle-Rixtel die
als een blok voor Thomése valt. Vele kostbare uren die besteed hadden kunnen
worden aan de zoektocht naar J. Kessels worden daarom vrijend in de hotelkamer
doorgebracht. Ondertussen is Peerke ondergebracht bij een andere Brabander, de
Schel, die als gids met een groep Duitse homo’s door Shanghai fietst. De
gedachte daarachter is dat Peerke, al fietsend door de miljoenenstad, misschien J. Kessels tegenkomt.
In deze stuurloosheid lijkt alles wat hen overkomt puur toeval, tot en met het
vinden van J. Kessels en het ontdekken van het bamischandaal.
Deze stuurloosheid brengt Thomése er enkele malen toe uit
zijn rol te stappen en ons direct toe te spreken, commentaar leverend op het gedrag van zijn personages. Wanneer Peerke in plat
Tilburgs weer eens een tirade heeft afgestoken tegen homo’s, tegen inwoners van
Breda en tegen aanhangers van NAC – als rasechte Tilburger en fan van Willem II
is hij van mening dat alle mannen uit Breda en in het bijzonder de supporters van NAC homo’s zijn – verzucht Thomése gelaten: ‘Een
schrijver hoort zijn eigen personages niet af te vallen, dat is waar. Maar, zeg
ik ter verdediging, ik heb hier niet om gevraagd, om deze uit de hand gelopen
bijfiguren.’ Een ander voorbeeld van dit amusante spel met de werkelijkheid is: ‘Ik heb
de Nobelprijs inmiddels wel uit mijn hoofd gezet, maar als Peer zo bladzijde na
bladzijde doorgaat met Duitsers discrimineren zullen straks zelfs homo’s mijn
boek niet meer kopen. Wie blijft er dan over?’ En, met Bernadette op de
hotelkamer: ‘Sorry mensen, het is altijd gênant als een auteur uitgebreid gaat
liggen neuken in zijn eigen boek, maar het moet even, niks aan te doen, ik kan
het gewoon niet tegenhouden. Sommige dingen gebeuren gewoon.’
De zoektocht naar J. Kessels is niet meer dan een kapstok
voor Thomése om ons te trakteren op briljant geformuleerde en verpakte banaliteiten,
ranzigheid, seks, gezwets, gevloek, en ferm uitgesproken vooroordelen. Als je
daar tegen kunt, is het een uiterst geestig boek. Ik ‘las’ het luisterboek,
door Thomése zelf voorgelezen. Hij spreekt feilloos Tilburgs, wat de
authenticiteit natuurlijk versterkt. En ik luisterde het de afgelopen week op
de fiets, wat af en toe verbaasde gezichten van voorbijgangers opleverde
wanneer ik schaterlachend voorbijkwam.
woensdag 21 augustus 2013
Alaska
David Vann is geboren in Alaska en bracht daar ook zijn jeugd door. In zijn eerste roman, Caribou Island, speelt dit onherbergzame gebied een alles overheersende rol. Zoals dat ook al het geval was in zijn eerder verschenen verhalenbundel, Legende van een zelfmoord. Het lijkt alsof Vann de enorme krachten van de natuur - kou, ijs, wind, zeestromingen, wilde dieren - gebruikt als tegenwicht voor de heftige gemoedstoestanden die het leven van zijn hoofdpersonen beheersen. En om te benadrukken dat hun levens nietig zijn in vergelijking met de krachtige, eeuwigdurende cyclus van de natuur.
De hoofdpersonen in deze roman zijn Gary en Irene. Hij heeft middeleeuwse geschiedenis gestudeerd maar daar nooit zijn beroep van gemaakt, omdat hij voor een project naar Alaska kwam en daar is gebleven. Zij is een zojuist gepensioneerde onderwijzeres. Nu Irene over genoeg vrije tijd beschikt wil Gary samen met haar een lang gekoesterde droom realiseren: het bouwen van een blokhut op Caribou Island, dat enkele mijlen uit de kust ligt. De blokhut is niet bedoeld als een tweede huisje, maar moet de vervanging worden van hun eenvoudige maar warme, gerieflijke huis aan de kust. Het is zijn droom, niet de hare.
Al snel wordt duidelijk dat het bouwen van de hut voor Gary een diepere zin heeft. Hij beschouwt zijn leven als grotendeels mislukt. Zijn huwelijk met Irene ziet hij als de hoofdoorzaak van het niet realiseren van zijn ambities. Dat hij Irene dwingt hem te helpen bij de bouw is deels bedoeld om haar te straffen; zij vindt het hele plan onzinnig. Irene op haar beurt heeft het ook moeilijk. Zij is bang dat Gary haar zal verlaten als zij hem niet helpt. Die angst voor verlaten worden dateert uit haar jeugd. Haar moeder pleegde zelfmoord door ophanging toen zij tien jaar was, Irene trof haar bij thuiskomt aan, hangend aan de balken.
De bouwstenen voor dit verhaal lijken door zo'n beknopte opsomming heel heftig - en dat zijn ze natuurlijk ook - maar Vann doseert ze subtiel. Gedurende de aanloop naar de bouw van de blokhut krijg je steeds meer zicht op de levens van Gary en Irene. Ook bekruipt je tegelijkertijd het onbehaaglijke gevoel dat dit verhaal vreselijk zal aflopen. De bouw van de hut is een ongeorganiseerd project. Gary begint te laat, zodat de winter hen dreigt in te halen. Hij koopt de foute bouwmaterialen, vervoert die in een te kleine boot over een te ruwe zee naar het eiland, waar hij vervolgens gaat bouwen zonder dat hij een bouwtekening heeft gemaakt. Irene balanceert voortdurend op de rand van een zenuwinzinking. Die nog verergert wanneer hun dochter aankondigt te gaan trouwen met haar vriend, een huwelijk dat Irene nu al kan uittekenen als een herhaling van het slechtste uit haar eigen huwelijk. Dat wil ze niet meemaken.
Vann voert de spanning op zoals Hitchock dat deed in veel van zijn films: in kleine stapjes en sterke beelden, met toenemend inzicht voor de kijker/lezer en zonder een enkele terugval. Het vertelperspectief ligt steeds bij een van de hoofdpersonen, waardoor je sterk met ze meeleeft. Het ijzingwekkende slot laat je achter met water in je handen, maar is bij teruglezen eigenlijk al lang tevoren aangekondigd.
De hoofdpersonen in deze roman zijn Gary en Irene. Hij heeft middeleeuwse geschiedenis gestudeerd maar daar nooit zijn beroep van gemaakt, omdat hij voor een project naar Alaska kwam en daar is gebleven. Zij is een zojuist gepensioneerde onderwijzeres. Nu Irene over genoeg vrije tijd beschikt wil Gary samen met haar een lang gekoesterde droom realiseren: het bouwen van een blokhut op Caribou Island, dat enkele mijlen uit de kust ligt. De blokhut is niet bedoeld als een tweede huisje, maar moet de vervanging worden van hun eenvoudige maar warme, gerieflijke huis aan de kust. Het is zijn droom, niet de hare.
Al snel wordt duidelijk dat het bouwen van de hut voor Gary een diepere zin heeft. Hij beschouwt zijn leven als grotendeels mislukt. Zijn huwelijk met Irene ziet hij als de hoofdoorzaak van het niet realiseren van zijn ambities. Dat hij Irene dwingt hem te helpen bij de bouw is deels bedoeld om haar te straffen; zij vindt het hele plan onzinnig. Irene op haar beurt heeft het ook moeilijk. Zij is bang dat Gary haar zal verlaten als zij hem niet helpt. Die angst voor verlaten worden dateert uit haar jeugd. Haar moeder pleegde zelfmoord door ophanging toen zij tien jaar was, Irene trof haar bij thuiskomt aan, hangend aan de balken.
De bouwstenen voor dit verhaal lijken door zo'n beknopte opsomming heel heftig - en dat zijn ze natuurlijk ook - maar Vann doseert ze subtiel. Gedurende de aanloop naar de bouw van de blokhut krijg je steeds meer zicht op de levens van Gary en Irene. Ook bekruipt je tegelijkertijd het onbehaaglijke gevoel dat dit verhaal vreselijk zal aflopen. De bouw van de hut is een ongeorganiseerd project. Gary begint te laat, zodat de winter hen dreigt in te halen. Hij koopt de foute bouwmaterialen, vervoert die in een te kleine boot over een te ruwe zee naar het eiland, waar hij vervolgens gaat bouwen zonder dat hij een bouwtekening heeft gemaakt. Irene balanceert voortdurend op de rand van een zenuwinzinking. Die nog verergert wanneer hun dochter aankondigt te gaan trouwen met haar vriend, een huwelijk dat Irene nu al kan uittekenen als een herhaling van het slechtste uit haar eigen huwelijk. Dat wil ze niet meemaken.
Vann voert de spanning op zoals Hitchock dat deed in veel van zijn films: in kleine stapjes en sterke beelden, met toenemend inzicht voor de kijker/lezer en zonder een enkele terugval. Het vertelperspectief ligt steeds bij een van de hoofdpersonen, waardoor je sterk met ze meeleeft. Het ijzingwekkende slot laat je achter met water in je handen, maar is bij teruglezen eigenlijk al lang tevoren aangekondigd.
zaterdag 17 augustus 2013
Wunderkinder
Is het mogelijk om een luchtige roman te schrijven
over het leven in Duitsland tussen 1912 en 1955? Een periode met twee
wereldoorlogen, de val van het keizerlijke Duitsland, de chaos van de
Weimarrepubliek, de economische crisis en de nazitijd met haar miljoenen
slachtoffers? Het antwoord is: ja. Want Hugo Hartung schreef met Wij
wonderkinderen. Ondanks alles een vrolijke roman van ons leven die roman, die
na verschijnen in 1957 in Duitsland een ongekend succes was, die een
miljoenenoplage haalde en die vrijwel direct werd verfilmd.
Hartung koos voor het vertellen van zijn verhaal
een speelse vorm. De hoofdpersoon, de journalist ‘R’, krijgt midden jaren
vijftig van een tijdschrift de opdracht een groot biografisch artikel te
schrijven over zijn jeugdvriend Bruno Tiches. Deze is kort daarvoor overleden,
waarna in de nalatenschap zijn dagboeken zijn aangetroffen. ‘R’ leest die dagboeken
en ontdekt dat hij er regelmatig in voorkomt. Alleen herinnert hij zich
allerlei gebeurtenissen soms net iets anders dan zijn vriend ze in zijn
dagboeken heeft opgetekend. Het lezen van de dagboeken doet bovendien ook
allerlei herinneringen bij hem herleven, waardoor het verhaal een terugblik
wordt op hun beider levens.
Bruno Tiches is een meeloper en een opportunist. Hij
zweert trouw aan de keizer, is een van de eerste volgelingen van Adolf Hitler,
maakt carrière in het Derde Rijk en weet zich na de Tweede Wereldoorlog – na
een intermezzo als pannenverkoper - te profileren als leider van een kleine populistische
politieke partij. Hij sterft als een vermogend man. ‘R’ daarentegen verkoopt
zijn ziel nooit. Hij blijft trouw aan zijn principes, ook al verliest hij zijn baan
als journalist door toedoen van de nazi’s en moet hij zijn levensonderhoud bij
elkaar scharrelen door grotere en kleinere schrijfklussen. Desondanks is hij gelukkig, als student met een jonge barones uit Letland en later met
de Deense Kirsten, met wie hij trouwt en kinderen krijgt.
Pas halverwege het verhaal begon
langzaam tot mij door te dringen dat dit eigenlijk een heel opmerkelijk boek
is. De historische gebeurtenissen uit deze periode hebben namelijk wel invloed
op het leven van de personages, maar worden hoogstens zijdelings benoemd. Dat
‘R’ in de oorlog aan het front vocht en pas na een lange krijgsgevangenschap
terugkeerde naar zijn gezin is een mededeling in een bijzin. Zoals ook de hele
oorlog nauwelijks wordt genoemd en de opkomst van de nazi’s vooral wordt
verteld aan de hand van de dagboeken van Bruno Tiches, dus uit de tweede hand.
Dat de nazi’s en hun gedachtengoed verwerpelijk zijn maakt ‘R’ nadrukkelijk
duidelijk. Maar vervolgens doet hij er niets tegen, ondergaat de ontwikkelingen
lijdzaam. Het privéleven is voor hem een schuilplaats voor de boze buitenwereld,
een plek waar het leven licht is.
Het boek verscheen in 1957. De meeste Duitsers
waren toen druk bezig met de wederopbouw van hun land en hun leven, niet zozeer
met de recente geschiedenis. Maar toch moeten ze massaal in Wij wonderkinderen iets van zichzelf
hebben herkend: het zonder verzet ondergaan van het nazibewind; het ervoor wegvluchten
in je persoonlijke leefwereld; het na de oorlog niet specifiek benoemen van
gruwelen als de vernietigingskampen. Een intrigerend boek. Mooi uitgegeven in
de reeks Cossee Century, met een informatief nawoord over het ontstaan en de
ontvangst van het boek.
woensdag 14 augustus 2013
Brazzaville Beach
Ik lees graag boeken van William Boyd en kijk in het modern antiquariaat altijd even bij de B of er een vroeg boek van hem staat dat ik nog niet heb. Ik was dan ook blij toen ik daar Brazzaville Beach vond, een roman uit 1990. Mijn paperback heeft een werkelijk prachtige afbeelding op de omslag, veel sfeervoller dan de dertien-in-een-dozijn omslag die de huidige editie heeft. Het schilderij toont een strand in de tropen, met palmbomen, een wit houten strandhuis met veranda en daarvoor een vrouw die naar de diepblauwe zee kijkt. Dit omslag straalt een lekker vakantiegevoel uit, ware het niet dat zich boven zee een dreigend uitziende onweerswolk ontwikkelt. Dat is ook kenmerkend voor de sfeer in deze roman: een idyllische omgeving waarin plots onstuimige en verwoestende gebeurtenissen plaatsvinden.
De vrouw die we op de omslag op de rug zien is Hope Clearwater. Zij bewoont aan het einde van de roman het huis op het strand aan de Congolese kust, hoewel nergens in het boek de naam van het land wordt genoemd. Het is de ideale plek om bij te komen van de heftige gebeurtenissen eerder in het verhaal en langzaam haar leven weer op te pakken. In Congo was zij werkzaam in het Grosso Arvore onderzoekscentrum, een reservaat in de jungle waar wetenschappers het gedrag van chimpansees bestuderen. Hope, een jonge biologe, koos voor een positie als onderzoeker in Grosso Arvore nadat een dramatische gebeurtenis een einde had gemaakt aan haar huwelijk in Engeland met een briljante maar geesteszieke wiskundige. Het centrum wordt geleid door Eugene Mallabar, die na ruim 25 jaar onderzoek en enkele baanbrekende boeken over chimpansees een autoriteit is op zijn gebied. Hope brengt dagelijks vele uren door bij een groep chimpansees diep in het bos. Zij observeert hun gedrag, analyseert en beschrijft dat. Het zijn door de jaren heen haar eigen chimpansees geworden, ze heeft ze in strijd met de regels ook namen gegeven in plaats van de gebruikelijke nummers.
Op een dag is ze er getuige van dat enkele mannelijke chimpansees van een andere groep een van haar chimpansees op gruwelijke wijze vermoorden. En daarna gebeurt dat nog eens. Mallabar, aan wie zij het vertelt, weigert haar te geloven. Het staat haaks op zijn beeld van de chimpansees in het reservaat en bovendien zouden de moordpartijen slechte publiciteit zijn op een moment dat belangrijke geldschieters op het punt staan grote giften aan het centrum te doen. Hope blijft echter bij haar verhaal, waardoor een gespannen situatie ontstaat. Wanneer dan ook nog de smeulende burgeroorlog in het land in een echte strijd verandert waar Hope en haar collega's bij betrokken raken volgen de dramatische gebeurtenissen elkaar snel op.
Boyd vertelt de drie verhaallijnen - Hope's leven in Engeland, in het reservaat en aan het strand - tegelijkertijd, ingenieus met elkaar verweven. Ambachtelijk schrijverschap, om het zo maar te noemen. Voor de beschrijving van het onderzoek naar het gedrag van de chimpansees zal hij zich hebben laten inspireren door het werk van Jane Goodall. Het verhaal speelt zich af in de jaren zestig, toen ook de jonge Goodall haar werk in Afrika begon. Net als Hope gaf Goodall haar chimpansees namen in plaats van nummers en observeerde zij als eerste gevechten tussen chimpansees en kannibalisme onder mensapen. Hoe Goodall dat heeft beschreven weet ik niet, maar Boyd beschrijft de dreiging tussen de groepen chimpansees en de gevechten bloedstollend spannend.
De vrouw die we op de omslag op de rug zien is Hope Clearwater. Zij bewoont aan het einde van de roman het huis op het strand aan de Congolese kust, hoewel nergens in het boek de naam van het land wordt genoemd. Het is de ideale plek om bij te komen van de heftige gebeurtenissen eerder in het verhaal en langzaam haar leven weer op te pakken. In Congo was zij werkzaam in het Grosso Arvore onderzoekscentrum, een reservaat in de jungle waar wetenschappers het gedrag van chimpansees bestuderen. Hope, een jonge biologe, koos voor een positie als onderzoeker in Grosso Arvore nadat een dramatische gebeurtenis een einde had gemaakt aan haar huwelijk in Engeland met een briljante maar geesteszieke wiskundige. Het centrum wordt geleid door Eugene Mallabar, die na ruim 25 jaar onderzoek en enkele baanbrekende boeken over chimpansees een autoriteit is op zijn gebied. Hope brengt dagelijks vele uren door bij een groep chimpansees diep in het bos. Zij observeert hun gedrag, analyseert en beschrijft dat. Het zijn door de jaren heen haar eigen chimpansees geworden, ze heeft ze in strijd met de regels ook namen gegeven in plaats van de gebruikelijke nummers.
Op een dag is ze er getuige van dat enkele mannelijke chimpansees van een andere groep een van haar chimpansees op gruwelijke wijze vermoorden. En daarna gebeurt dat nog eens. Mallabar, aan wie zij het vertelt, weigert haar te geloven. Het staat haaks op zijn beeld van de chimpansees in het reservaat en bovendien zouden de moordpartijen slechte publiciteit zijn op een moment dat belangrijke geldschieters op het punt staan grote giften aan het centrum te doen. Hope blijft echter bij haar verhaal, waardoor een gespannen situatie ontstaat. Wanneer dan ook nog de smeulende burgeroorlog in het land in een echte strijd verandert waar Hope en haar collega's bij betrokken raken volgen de dramatische gebeurtenissen elkaar snel op.
Boyd vertelt de drie verhaallijnen - Hope's leven in Engeland, in het reservaat en aan het strand - tegelijkertijd, ingenieus met elkaar verweven. Ambachtelijk schrijverschap, om het zo maar te noemen. Voor de beschrijving van het onderzoek naar het gedrag van de chimpansees zal hij zich hebben laten inspireren door het werk van Jane Goodall. Het verhaal speelt zich af in de jaren zestig, toen ook de jonge Goodall haar werk in Afrika begon. Net als Hope gaf Goodall haar chimpansees namen in plaats van nummers en observeerde zij als eerste gevechten tussen chimpansees en kannibalisme onder mensapen. Hoe Goodall dat heeft beschreven weet ik niet, maar Boyd beschrijft de dreiging tussen de groepen chimpansees en de gevechten bloedstollend spannend.
zondag 11 augustus 2013
Schrijven tegen Napoleon
De omslag van Lotte Jensens boek
Verzet tegen Napoleon toont een poging tot moord: een man, gewapend met een oranje vlag
met daarop de tekst ‘Oranje boven’, duwt een tegenstribbelende Napoleon
Bonaparte van een klif af, zijn dood tegemoet in een zee van vlammen. Het onderschrift bij de prent luidt:
‘O Nappie!!! Daar ga je’. Het is een toepasselijk omslag voor een boek dat gaat
over het verzet van Nederlandse schrijvers tegen Napoleon. Al zijn die
schrijvers nooit zo ver gegaan als de oranjeklant in de prent.
Vaak wordt aangenomen dat in
Nederland nauwelijks verzet werd gepleegd tegen de Franse overheersing, die
duurde van 1795 tot 1813, maar dat beeld klopt niet. Er waren zeker mensen en
groeperingen die zich tegen de Fransen keerden, vooral nadat Napoleon in 1806 het
Koninkrijk Holland uitriep, met zijn broer Lodewijk Napoleon als koning. Na de daadwerkelijke
inlijving bij Frankrijk in 1810 werd het protest nog sterker. Vaak was dit direct
gericht tegen impopulaire maatregelen als extra belastingheffing, dienstplicht
voor ambtenaren en het plaatsen van de schutterijen, de gewapende burgerkorpsen,
onder Frans gezag.
Protesterende schrijvers kozen
hun eigen vorm. Naarmate de ‘verfransing’ van Nederland sterker werd
opgedrongen, verheerlijkten zij in hun romans en gedichten juist de typisch
Nederlandse kenmerken van maatschappij en samenleving. De belangrijkste daarvan
waren de Hollandse huiselijkheid van de achttiende eeuw met het gezin als kern,
de Hollandse helden uit de Gouden Eeuw – prins Maurits, Hugo de Groot en
Michiel de Ruyter - en niet te vergeten de schoonheid van onze taal. De eigen
taal werd beschouwd als ‘het kloppende hart van de natie’. Zolang er nog
Nederlands gesproken en geschreven werd, bestond het vaderland nog.
Dat het ‘verzet’ van die
schrijvers sterk heeft bijgedragen tot het opbloeien van een gevoel van nationale
identiteit blijkt al uit de titels van enkele van hun werken, in dit geval
gedichten. Cornelis Loots was beroemd om zijn ‘De Hollandsche taal’ (1810). Jan
Frederik Helmers dankte zijn reputatie aan ‘De Hollandsche natie’ (1812, drieduizend versregels). Hendrik Tollens tenslotte schreef tussen 1807 en 1813 lange
gedichten over Kenau Hasselaar, over prins Maurits en de list met het turfschip
van Breda en over andere Hollandse helden die, in het nauw gedreven door de
vijand, hun vastberadenheid en moed niet verloren.
Deze gedichten zijn doortrokken
van oorlogstaal. Een mooi voorbeeld daarvan uit ‘De Hollandsche taal’ van Loots
is de hieronder volgende passage, die niets minder is dan een oproep aan zijn
collega-schrijvers om zich in de strijd te mengen. Met de pen als wapen, wel te
verstaan:
Op, Neêrlands zonen! op dan, helden!
Met waapnen van vernuft omgord;
Gij, die nog nooit, in
lettervelden,
Voor sterker’ vijand schoot te
kort;
O, HELMERS ! KINKER ! op, o koren
Van Barden! doet den veldkreet
hooren!
Op, TOLLENS ! steek de
krijgstrompet.
Vanzelfsprekend is dit onderwerp maar
een voetnoot in de geschiedenis van de Franse tijd in Nederland. Maar dan wel
een intrigerende voetnoot, door Jensen met verve gebracht. Of het culturele
verzet van de schrijvers daadwerkelijk verschil heeft gemaakt is hoogst
onzeker. Maar hun teksten waren wel de weerklank van een gevoel dat veel breder
onder de bevolking leefde. De
populariteit van de teksten hielp ook het moreel hoog te houden. De dichter
Willem Bilderdijk had zo’n oppepper niet nodig. Hij bleef altijd geloven in de
goede afloop, getuige het slot van een gedicht dat hij op 10 januari 1811
voordroeg – ongetwijfeld met de nodige pathos - in de Amsterdamse afdeling van
het genootschap Hollandsche Maatschappij voor Fraaije Kunsten en Wetenschappen:
Holland groeit weêr!
Holland bloeit weêr!
Hollands naam is weêr hersteld!
Holland, uit zijn stof herrezen,
Zal op nieuw ons Holland wezen;
Stervend heb ik ’t u gemeld!
zondag 4 augustus 2013
De eerste weken van het Koninkrijk
In het kader van de herdenking 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden is een flink aantal nieuwe publicaties
verschenen. Een nog grotere stroom staat ons de komende twee jaar nog te
wachten. Een van de aardigste tot nu toe gepubliceerde boeken is 1813 - Haagse bluf. De korte chaos van de vrijwording,
de studie die Wilfried Uitterhoeve schreef over de eerste weken en maanden van
het bevrijde Nederland. Het boek geeft een indringend beeld van de onzekerheid en chaos
waarmee de omwenteling gepaard ging.
Op 19 oktober 1813 leed een grote
Franse legermacht onder leiding van Napoleon een zware nederlaag in de
zogenoemde Volkerenslag bij Leipzig. De Fransen werden daardoor in heel Noord-Duitsland
teruggedrongen naar het westen, tot aan de Rijn en de Nederlanden. Het Franse
gezag in Duitsland stortte in. Toen deze ontwikkeling enkele weken later tot
ons land doordrong, ontstond grote onrust onder de hier gelegerde Franse
militairen én onder de Franse ambtenaren die met het bestuur van Nederland
waren belast. Veel van die ambtenaren vluchtten ijlings naar hun vaderland, de
militairen werden eerst samengetrokken op strategische punten en later in
zuidelijke richting verplaatst. De eerste Russische en Pruisische troepen
bereikten op 9 november onze oostgrens, op 19 november stak een voorhoede van
kozakken de IJssel over.
In Den Haag wierpen Gijsbert
Karel van Hogendorp, Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg
Stirum zich op 17 november op als het Voorlopig Bewind, beter bekend als het
Driemanschap. Drie dagen later vaardigden zij een proclamatie uit waarin zij
het algemeen bestuur opeisten. Om dit vervolgens een dag later nogmaals te
doen, nu namens de Prins van Oranje.
Deze bevond zich op dat moment in Engeland. Het Driemanschap nodigde hem
per brief uit naar Nederland te komen en als ‘soeverein vorst’ de regering op
zich te nemen. Het driemanschap wilde voorkomen dat er anarchie zou ontstaan of
dat, bij gebrek aan bestuur, Pruisen of Engeland in de verleiding zouden komen
Nederland in te lijven. Willem stak de Noordzee over en landde op 30 november
in Scheveningen. De rest is bekend.
Het fascinerende van dit boek is
dat het zo mooi laat zien hoe chaotisch de overgang van het Franse bewind naar
het Nederlandse bestuur verliep. De chaos werd vooral veroorzaakt door trage communicatie.
De lokale Franse militairen en bestuurders wisten niet altijd wat de lijn van hun
opperbevelhebber was. Evenmin was het de Nederlanders ter plekke altijd
duidelijk of het al veilig genoeg was het bewind over te nemen, de nationale driekleur te
hijsen en het ‘Oranje boven’ aan te heffen.
Uitterhoeve koos ervoor de
ontwikkelingen steeds per plaats te beschrijven. Elk van de 29 hoofdstukken in
het boek beschrijft de omwenteling in één stad op dorp. Den Haag en Amsterdam,
waar zich de bekende, formele politieke gebeurtenissen afspeelden, keren
regelmatig terug. Maar voor mij zijn het vooral de verhalen over de
gebeurtenissen in de provinciesteden die het boek interessant maken: de spagaat
waarin Gorinchem zich bevond, het doortastende optreden van de burgers in
Kampen, de afwachtende houding in Leeuwarden en ‘de ramp van Woerden’. Het zijn plaatselijke verhalen, vaak verteld
vanuit dagboeken en brieven van inwoners die het meemaakten. Soms verliep de
wisseling van de macht vlot en zonder bloedvergieten. Andere keren was een
stadje dagenlang een strijdtoneel. Sommige steden bleven nog maandenlang onder
Frans gezag, zoals Den Helder. De vlootcommandant aldaar, admiraal VerHuell,
weigerde tot april 1814 zijn eed van trouw aan Napoleon te herroepen en zich onder Nederlands gezag te plaatsen.
Een ander voordeel van die
beschrijving per plaats is dat je als lezer een goed beeld krijgt van de soms
complexe lokale machtsverhoudingen. Verbazend vaak zijn de plaatselijke of
regionale autoriteiten van vóór 1795, tijdens de Franse tijd en na de
omwenteling van 1813 dezelfde personen, of afkomstig uit dezelfde families. En
regelmatig spelen deze verhoudingen een grote rol in het verloop van de
omwenteling.
1813 - Haagse bluf biedt een schat aan
informatie, per hoofdstuk steeds gepresenteerd
als een beknopt, afgerond relaas en daardoor zeer toegankelijk. De titel van
het boek verwijst naar het optreden van het Driemanschap. Ook voor hen was de situatie in die weken niet
altijd even duidelijk. Toen zij namens de Prins van Oranje op 21 november per
proclamatie het algemeen bestuur opeisten, hadden zij nog geen contact gehad met
de prins. Sterker, zij wisten niet eens zeker waar hij verbleef, in Engeland of
Duitsland. Naar beide landen hadden zij een diplomaat gestuurd om de prins te
zoeken. Pas een week later kregen ze contact met hem. Tot die tijd speelden ze
blufpoker.
Abonneren op:
Posts (Atom)






