woensdag 10 juli 2013

Gestrand

In 1954 publiceerde William Golding zijn roman Lord of the Flies. Het is het verhaal van een groep Engelse jongens die door een vliegtuigcrash terechtkomen op een onbewoond eiland in de zuidelijke Grote Oceaan. Het boek had bij verschijnen niet heel veel succes, maar in de loop der jaren is het uitgegroeid tot een klassieker. Het heeft zelfs een zekere cultstatus. Die is waarschijnlijk te danken aan het feit dat je het verhaal op meerdere niveaus kunt lezen. De lotgevallen van de jongens op hun eiland is wat Golding ons presenteert. Maar dat verhaal is ook te zien als een verbeelding van het menselijk gedrag in zijn algemeen.
Wanneer de jongens zich na de crash verzamelen blijkt dat ze met een flinke groep zijn. De ene helft is ongeveer zes of zeven jaar oud, de anderen zijn zo'n twaalf jaar of iets ouder. Een van de oudere jongens, Ralph, laat zich tot leider kiezen. Hij probeert wat structuur aan te brengen in het leven op het eiland. Zo organiseert hij het oprichten en in stand houden van een vuur, in de hoop dat passerende schepen op de rookpluim zullen afkomen. Wat er in de buitenwereld precies aan de hand is maakt Golding niet duidelijk. Maar er is sprake van het gooien van een atoombom op Engeland, waardoor de jongens geëvacueerd moesten worden.
De goede bedoelingen van Ralph en enkele anderen worden al snel gefrustreerd. De verveling slaat toe, de verzengende hitte maakt lui en de discipline is ver te zoeken. Een van de jongens, Jack, is de leider van een jongenskoor dat zich aan boord van het vliegtuig bevond. Hij richt een jachtgroep op, die de op het eiland levende zwijnen probeert te doden om zo wat meer variatie in het voedsel te brengen. Dat jagen wordt een populair spel, waardoor zelfs het vuur wordt vergeten en dooft. Wanneer net op dat moment een schip aan de horizon voorbij glijdt is de kiem voor onenigheid en ruzie gelegd.
Golding bouwt de spanning zorgvuldig op. Ook weet hij een dreigende, onheilspellende sfeer te creëren. De 'Lord of the Flies' uit de titel speelt daarbij een rol, evenals een spookachtig monster dat de jongens een enorme angst inboezemt. Je voelt daaraan dat het fout zal aflopen. Het machtsspel dat door Ralph en Jack wordt gespeeld leidt tot een splitsing in twee kampen die elkaar uiteindelijk naar het leven staan.
Een verhaal over jongens op een onbewoond eiland doet je direct denken aan Robinson Crusoe. Maar daarmee heeft het weinig overeenkomsten. Je zou het hoogstens de horrorversie ervan kunnen noemen. Golding,die het boek begin jaren vijftig schreef, leefde in een wereld die bestond uit twee politieke kampen die met elkaar in een ideologische strijd en een wapenwedloop waren verwikkeld. Geplaatst in die context krijgt het verhaal de juiste diepgang.

zondag 7 juli 2013

Couperus in brieven

'Enfin, dat scharrelen met geld zal ik wel tot mijn dood moeten doen, denk ik' schrijft Louis Couperus in april 1903 vanuit zijn woonplaats Nice aan zijn uitgever Lambertus Jacobus Veen. En in een brief aan Veen een half jaar later luidt het: 'God, god. Ik moet zoo rekenen om er te komen. Dat vervloekte geld! Wij leven zoo eenvoudig wij het kunnen doen, misschien alleen reizen wij nog te veel, maar daar heb ik soms zoo een behoefte aan: ik kan niet vastgroeien op een plek, maar verder draai ik iedere sou om die ik uitgeef! En het is altijd rekenen en nog eens rekenen: mijn arme vrouw doet wonderen om de boel aan de gang te houden.' In deze laatste brief doet hij Veen ook het voorstel om de rechten op zijn tot dan toe verschenen werk te kopen. In mei 1904 vindt dit zijn beslag. Veen betaalt daarvoor aan Couperus 12.000 gulden, waarvan 5.000 gulden de aflossing is van een eerder verleend voorschot.
Het lijkt vreemd dat een bekend schrijver als Couperus zich zo beklaagt over zijn financiële situatie. Maar lang niet al zijn boeken waren bestsellers. Na het succes van zijn eerste roman Eline Vere (1889) en de goede verkoop van titels als Majesteit (1893) en De stille kracht (1900) werd het publiek Couperus een beetje moe. De historische en mythologische romans die daarna verschenen waren minder succesvol. Maar ook de verkoop van de uit vier delen bestaande reeks Boeken der kleine zielen (1901-1903) en Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (1906) viel zwaar tegen. De briefwisseling tussen Couperus en Veen lezend kreeg ik steeds meer bewondering voor de uitgever. Hij bleef zijn sterauteur trouw, verleende hem voorschotten en gaf zijn boeken zeer verzorgd uit, in mooie omslagen en met illustraties van kunstenaars als Jan Toorop. Het is dan wel wat wrang dat Couperus die zelfopoffering van Veen niet lijkt te zien. Weliswaar is hij vaak heel tevreden met de verzorgde uitgave van zijn boeken, maar hij vindt in toenemende mate de honoraria te laag en begrijpt maar niet dat Veen niet meer boeken weet te verkopen. Maar wanneer Veen hem in 1912 vraagt om een wervende tekst voor een prospectus over de reisimpressies Uit blanke steden onder blauwe lucht laat hij het na lang dralen afweten met de woorden: 'Beste vriend, een prospectus zou ik gaarne voor je willen schrijven als ik wist wat er in te zeggen. Maar ik kan heusch zo moeilijk reclame voor mijzelven maken. Misschien kun je zelve iets opstellen ...'. De banale alledaagsheid van het verkopen van boeken, zelfs van zijn eigen boeken, was blijkbaar niets voor onze verfijnde estheet.
Een flink deel van de ruim 1.400 in Louis Couperus. De correspondentie verzamelde brieven zijn van Couperus en Veen en gaan over de productie en uitgave van Couperus' boeken. Daarnaast is er correspondentie met schrijvers, met de redactie van literaire tijdschriften, met familie, vrienden en bewonderaars en, tegen het einde van zijn leven, met literair agenten over de buitenlandse vertaalrechten en filmrechten van zijn boeken.Want na de Eerste Wereldoorlog ontstond er in Engeland en de Verenigde Staten belangstelling voor Couperus' vroege romans, vooral voor De stille kracht en Noodlot. Couperus onderhandelde zelfs met producenten over de filmrechten ervan!
Is het de moeite waard om enkele weken te besteden aan het doorploegen van deze twee dikke pillen? Jazeker, het is fascinerend. De brieven in het eerste deel beslaan bijna duizend bladzijden, het supplement met de noten voegt daar nog ruim vierhonderd bladzijden in een kleine letter aan toe. Die toelichtingen zijn haast nog leuker om te lezen dan de brieven. H.T.M. van Vliet, de bezorger van de uitgave, geeft daarin een schat aan informatie over de correspondenten en andere zaken waardoor je de brieven in hun juiste context kunt plaatsen. Couperus schrijft slechts af en toe over de inhoud van zijn boeken. Veel vaker gaat het over het schrijfproces, over zijn leefomstandigheden en over het land en de stad waar hij en zijn vrouw verblijven. Want er wordt veel gereisd én voor langere tijd in het buitenland gewoond. Van 1901 tot 1910 was het Zuidfranse Nice hun woonplaats, gevolgd door enkele jaren in Florence en Rome. Ook maakten zij maandenlange reizen naar Duitsland, de Alpenlanden, Spanje, Noordafrika, Nederlands-Indië, China en Japan. Deze laatste vier bestemmingen bereisden zij in de jaren 1920-1922, in opdracht van de Haagse krant Het Vaderland. De krant betaalde de reis, Couperus leverde een wekelijkse column met reisimpressies. Deze columns waren heel populair bij de lezers van de krant, zoals ook ruim dertig jaar eerder zijn eerste roman, Eline Vere, een hit was geweest toen het als feuilleton in dezelfde krant verscheen.
In brieven zoals de hier verzamelde, die niet met het oog op publicatie zijn geschreven, leer je de correspondenten goed kennen. Couperus hartstochten - en ook zijn ijdelheden en stokpaardjes - staan ongefilterd op papier. De brieven tussen schrijver en uitgever vormen voor mij het hoogtepunt. Maar ook de sfeer van het deftige en wat kleinburgerlijke Den Haag, het veel feestelijker leven in Nice en het gevoel van voldoening waarmee Couperus flaneert tussen de antieke monumenten in Rome en Florence zijn treffend beschreven. Daaruit wordt ook duidelijk dat Couperus zich bijna overal  gelukkiger voelde dan in Nederland. Wanneer de Eerste Wereldoorlog het echtpaar dwingt om hun geliefde Italië te verruilen voor een etage aan de Hoogewal in het druilerige Den Haag, is dat een schok. Die enigszins wordt verzacht door de groeiende waardering voor de schrijver en zijn werk, de vele uitnodigingen voor lezingen en de lucratieve reizen voor Het Vaderland. Bij zijn zestigste verjaardag, in juni 1923, wordt hij gehuldigd, geridderd en schenken zijn bewonderaars hem en zijn vrouw een kleine villa in De Steeg, bij Arnhem. Hij is dan al een tijdje ziek en verzwakt, nadat tijdens de reis door Japan een jaar eerder paratyfus heeft opgelopen. Een maand na de feestelijkheden overlijdt hij in zijn nieuwe huis.

maandag 1 juli 2013

Van Dis in Parijs

Nadat hij bijna veertig jaar had gezegd dat hij ooit in Parijs zou gaan wonen, liet Adriaan van Dis in 2003 zijn droom in vervulling gaan. Hij huurde een klein zolderappartement, slechts 31 vierkante meter, maar wel zonnig. In het zesde arrondissement, vlakbij de Jardin du Luxembourg. Hij zou in de jaren daarop nog drie keer verhuizen, steeds naar een mooier en groter appartement. In 2012 keerde hij terug naar Nederland.
Van Dis benut de acht jaar in Parijs om de stad grondig te leren kennen. Hij wandelt dagelijks, steeds weer door een andere wijk. Hij heeft een neus voor details en doet ontdekkingen. In zijn straat is hij Parijzenaar met de Parijzenaars, doet er zijn boodschappen, maakt een praatje in het buurtcafé, helpt mee om de clochard in leven te houden. In het grotere Parijs geniet hij van de anonimiteit, niemand kent hem.
Het Parijs van Van Dis in Stadsliefde. Scènes in Parijs is de stad van Ernest Hemingway en Gertrude Stein, auteurs die er woonden en er over schreven. Maar het is voor hem ook de stad van de banlieu, de uitgestrekte en vaak troosteloze buitenwijken waar de kansarme immigranten wonen. Hun subcultuur fascineert hem. Hij bezoekt er een illegale bokswedstrijd waaraan de zoon van zijn werkster meedoet. En hij doet verslag van de rellen in diezelfde banlieu in 2005. Andere stukken gaan over de geuren en geluiden van Parijs, over de eetcultuur, over fietsen, Yves Saint Laurent, Héloïse en Abélard, de revolutie en over nog tientallen andere onderwerpen.
Van Dis schrijft liefdevol over de stad en haar bewoners. Hij leeft met ze, observeert en begrijpt. Hij probeert zelfs zijn literaire jeugdliefde Louis Couperus te begrijpen. Die deed in 1890 een poging om in Parijs te wonen, maar de stad viel hem tegen en binnen een half jaar vertrok hij weer naar Den Haag. Na een middag langs Couperus-plekken te hebben gewandeld vraagt Van Dis zich af hoe hij dichter bij zijn idool kan komen. In de etalage van een chique Engelse schoenenwinkel ziet hij lila sokken liggen. Die koopt hij, om bij zijn volgende wandeling te dragen. Als klein eerbetoon aan de schrijver die met lila inkt schreef.

vrijdag 21 juni 2013

De zanger, zijn fan en diens vrouw

Nick Hornby is vooral bekend van zijn roman About A Boy uit 1998 en van de verfilming daarvan met Hugh Grant. Maar hij heeft nog een handvol romans geschreven die ook zeer de moeite waard zijn. Mijn favoriet is sinds vorige week Juliet, Naked uit 2009. Het is een heel geestig verhaal over popmuziek, over verloren liefdes, over eenzaamheid en over het grijpen van kansen.
Annie en Duncan zijn een stel van tegen de veertig. Ze wonen al vijftien jaar samen in een troosteloos stadje aan de Engelse oostkust. Annie werkt in het plaatselijke museum, Duncan is leraar. Er gebeurt in hun leven weinig spannends. Duncan is een grote fan van Tucker Crowe, een vrij succesvolle amerikaanse singer-songwriter die zich twintig jaar geleden van de ene op de andere dag uit de muziek én het openbare leven terugtrok. Duncan heeft een website gebouwd waarop hij met andere Tucker-fanaten contact heeft over hun idool. Bij gebrek aan recente informatie over Tucker circuleren op die site de wildste verhalen over de reden van diens kluizenaarschap en huidige leven.
Het boek begint tijdens een reis van Annie en Duncan door de Verenigde Staten, langs plekken die een rol hebben gespeeld in het leven van Tucker Crowe. Gedurende die bedevaart merkt Annie voor het eerst echt hoe Duncan is vergroeid met Tucker. Ze reizen duizenden kilometers zodat hij in aanbidding kan staan voor het geboortehuis van de zanger. Ook bezoeken ze het herentoilet in een nachtclub in Minneapolis waar Tucker de beslissing zou hebben genomen zijn carrière te beëindigen. Duncan staat erop dat Annie hem daar fotografeert terwijl hij poseert naast het urinoir dat Tucker gebruikt zou hebben op 'het heilige moment'. In San Francisco laat Duncan alle bezienswaardigheden schieten om het huis te bekijken van de vriendin die Tucker inspireerde tot het maken van zijn beroemdste album, 'Juliet'. De reis roept bij Annie een lichte twijfel op over de manier waarop haar partner in het leven staat: zo veel aandacht als Duncan heeft voor alles wat met Tucker te maken heeft, zo weinig kan het hem schelen wat Annie denkt en voelt.
Een tijdje later verschijnt er plots een nieuwe CD van Tucker. Het is het album Juliet, maar dan de solo-opnamen die Tucker maakte voordat hij met zijn band de opnamestudio instapte. Duncan vindt deze akoestische versie veel mooier dan het beroemde album. Alleen de man, zijn stem en zijn gitaar: het ontroert hem. Hij prijst het album op zijn site de hemel in en doopt het 'Juliet, Naked'. Annie daarentegen vindt de soloversie afschuwelijk. Na een discussie daarover daagt Duncan haar uit om haar oordeel op te schrijven en op zijn website te publiceren. Dat doet ze. De volgende dag vindt ze in haar mailbox een reactie op haar stuk. Van niemand minder dan Tucker Crowe. Ze neemt contact met hem op, maar houdt dat verborgen voor Duncan.
De ontwikkelingen gaan daarna snel en in de kenmerkende stijl van Hornby: geestig, lichtvoetig en speels. Maar met een serieuze ondertoon. Die bevat de vraag of je verloren jaren kunt inhalen. En of je je leven moet omgooien als je niet zeker weet of de nieuwe richting kans van slagen heeft. Een hartverwarmend boek.

zaterdag 8 juni 2013

Sterven in schoonheid

Mag een kunsthandelaar zich laten meeslepen door zijn passie voor mooie objecten? Of moet hij of zij altijd de professional blijven die verstand boven gevoel plaatst? En wat doe je als kunsthandelaar wanneer een goede klant betrokken lijkt te zijn bij dubieuze zaakjes? Meld je dat, of hou je je van de domme? Met het in 2006 verschenen Verfhuid schreef de eerder dit jaar overleden Rascha Peper een intrigerende korte roman waarin deze vragen centraal staan.
De hoofdpersoon is Arnold Kee, een Amsterdamse handelaar in negentiende-eeuwse schilderijen.Hij is van middelbare leeftijd, zijn vriend is twintig jaar jonger. De zaak is door zijn vader opgebouwd en heeft een goede reputatie. Kee verdient goed, maar is niet rijk geworden van de handel. Het leven kabbelt eigenlijk rustig voort.
Tot op een dag een van zijn vaste klanten, een man van Duitse origine genaamd Terwindus, de winkel binnenstapt en hem vertelt dat hij een prachtig doek bezit van de beroemde Duitse schilder Caspar David Friedrich. Dat schilderij is zojuist door het museum in Keulen aangevraagd voor een tentoonstelling en Terwindus vraagt Kee advies hoe daar mee om te gaan. Ze spreken af dat Kee het schilderij bij Terwindus thuis zal komen bekijken. Wanneer Kee daar is, blijkt de verzamelaar te beschikken over een omvangrijke collectie met daarin ook echte topstukken. Kee is vooral verrukt van een klein schilderijtje van een Deense kunstenaar. Wanneer hij, terug op de zaak, dat schilderijtje nazoekt op het internet blijkt het enkele jaren eerder te zijn gestolen uit een Deens museum.
Vanaf dat moment krijgt het verhaal spanning en vaart. Kee is eerst verbijsterd door zijn ontdekking, daarna herinnert hij zich allerlei eigenaardigheden uit zijn eerdere contacten met Terwindus en vallen de stukjes van de puzzel op hun plaats. Hij kan niet besluiten hoe te handelen op basis van zijn informatie en daardoor raakt hij steeds meer verwikkeld in de situatie. De ontknoping is origineel en heel verrassend. Die zag ik echt niet aankomen. Kee zal zijn leven lang een geheim met zich moeten meedragen.
Verfhuid is een onderhoudende roman. Peper schrijft soepel, haar zinnen lezen lekker. Ze weet uitstekend voelbaar te maken hoe zowel Kee als Terwindus door hun passie voor schilderijen langzaamaan de realiteit uit het oog verliezen. 'Sterven in schoonheid' zou een passend motto voor het boek zijn.

vrijdag 7 juni 2013

Stoner

Wat maakt dat je Stoner van John Williams na het lezen dichtslaat met de gedachte: dit is een klassieker! Is dat het verhaal, dat gaat over het leven van William Stoner? Hij wordt aan het einde van de negentiende eeuw geboren als zoon van een arme boer in Missouri. Zijn ouders sturen hem naar de universiteit, in de hoop dat hij door een studie landbouwkunde vooruit zal komen in het leven. William besluit echter al na korte tijd over te stappen op een studie Engels, iets dat hij zijn ouders niet vertelt. Zij ontdekken het vier jaar later op de dag dat hij afstudeert. Hij blijft als docent verbonden aan de universiteit, waar hij nooit echt carrière maakt. Hij trouwt met Edith, de haast mensenschuwe dochter van een bankier. Zij frustreert veel van zijn pleziertjes en zorgt er door haar gedrag voor dat hun dochter van Stoner vervreemdt. Een relatie met een jonge promovenda verbreekt hij na druk van zijn omgeving. En hij overlijdt enkele weken na zijn pensionering. Een heel middelmatig leven, zonder hoogtepunten.
Of is het zo'n sterk boek omdat Stoner zich ondanks alles geestelijk overeind weet te houden door zijn grote liefde, de literatuur? Hij blijkt geen groot onderzoeker te zijn: zijn enige wetenschappelijke publicatie is een degelijk boek, maar bij lange niet briljant. Door gekonkel en vriendjespolitiek aan de universiteit strandt zijn loopbaan al in de lage regionen. Ondanks alles blijft hij heel lang veel voldoening houden in het overbrengen van zijn kennis op zijn studenten. Voor hem is dat genoeg als een rechtvaardiging van zijn bestaan.
Ik denk dat de kracht van het boek vooral ligt in de combinatie van de inhoud én de taal van Williams. Hij beschrijft het leven van Stoner in precies de juiste toon: sober, heel direct en met mededogen maar zonder dat dit melodramatisch wordt. Het is haast een feitelijk verslag, maar dan met een hoog inlevingsvermogen. Een indrukwekkende prestatie.

dinsdag 4 juni 2013

Operette en collaboratie

De Weense componist Franz Lehár is een van de allergrootste namen in het genre van de operette. Zijn succesvolste werken, waaronder Die lustige Witwe (1905), Zigeunerliebe (1910) en Das Land des Lächelns (1929) staan nog steeds op het repertoire. De verhalen zijn sprookjesachtig, de vrolijke en lichte muziek blijft na het beluisteren in je hoofd zitten, of je wilt of niet. Maar zijn leven had ook een minder zorgeloze kant. Zijn echtgenote Sophie was een Joodse, wat in het Wenen van de jaren dertig, en zeker na de Anschluss bij Duitsland van 1938, garant stond voor een vrijwel zekere arrestatie en deportatie naar een concentratiekamp. Lehár wist zijn vrouw daarvoor te behoeden, maar wel tegen een prijs.
In Componist van Hitler. Franz Lehár, operette en ontkenning in Wenen beschrijft Johan Bosveld in detail de houding van Lehár tegenover de Nazi's. De opstelling van de componist tijdens de Eerste Wereldoorlog is in dat opzicht een veeg teken. Hij is dan al beroemd, maar meldt zich vrijwillig aan om als dirigent van een militair orkest de troepen aan het front te gaan vermaken. Voordat hij met zijn operettes roem verwierf was hij ook lange tijd dirigent van blaaskapellen geweest. Hij ziet met eigen ogen de vreselijke verwondingen van de frontsoldaten en hoe ze geestelijk aan de situatie ten onder dreigen te gaan. Maar zodra hij hoort dat in Wenen zijn naaste concurrent gebruik maakt van zijn afwezigheid om de theaters te vullen met nieuwe operettes, snelt hij terug naar huis en slaat in alle haast aan het componeren. Zijn eigen carrière gaat voor.
Na de machtsovername van Hitler in 1933 wordt ook Lehár geconfronteerd met de maatregelen van de Nazi's: de rassenwetten, allerlei verboden voor Joden en uiteindelijk de inlijving van Oostenrijk bij Duitsland. Eind 1934 verbiedt het Duitse Kulturambt de uitvoering van zijn werk in Duitsland. De redenen: de libretto's van veel van Lehárs operettes zijn geschreven door Joodse tekstschrijvers; de muziek is van een laag gehalte, zogenaamde Unterhaltungsmusik, én mevrouw Lehár is een Jodin. De componist protesteert, schrijft brieven aan Joseph Goebbels en Adolf Hitler. Hij heeft het geluk dat Hitler zijn muziek verafgoodt en dat Goebbels zich realiseert dat het uitbannen van zoveel 'Joodse' populaire muziek niet goed is voor het moraal van de bevolking. De kwestie wordt op hoog niveau 'opgelost'. Mevrouw Lehár krijgt de status van ere-Ariër, wat haar behoedt voor vervolging. Lehár zelf wordt lid van de Kulturkammer en zegt toe de verhalen van een aantal van zijn operettes zo te herschrijven dat de Joodse elementen eruit verdwijnen.
Dit is slechts het begin. In de jaren erna zal Lehár weinig of niets doen om veel van zijn Joodse vrienden die worden opgepakt te helpen. Wel stuurt hij verjaardagscadeaus aan Hitler en Goebbels, vergezeld van onderdanige briefjes. En de Nazi's stellen grote sommen geld beschikbaar voor bijzondere opvieringen van zijn operettes en verfilmingen ervan. Bosveld put zich uit in de anekdotes die daarover bekend zijn. In combinatie met zijn informatie over de grote lijn ontstaat een bijna ongelooflijk verhaal over een man die niet wilde weten wat er om hem heen gebeurde. Een man die dat na de oorlog ook zou ontkennen, dan wel probeerde het te bagatelliseren of goed te praten.
Bosveld neemt je als lezer mee op zijn speurtocht. Hij bezoekt het luxueuze kasteeltje van de Lehárs in de buitenwijken van Wenen, de kapitale villa in de bergen, het staatsarchief Berlijn. Ook laat hij de sfeer van het vooroorlogse Wenen tot leven komen. Wanneer je van operette houdt of geïnteresseerd bent in de Tweede Wereldoorlog, geeft dit boek je een opmerkelijke inkijk in een kleine maar uiterst saillante geschiedenis.