Een boek over de jeugd van Jezus? Ik weet nog dat ik de boekhandel verliet met The Childhood of Jesus van J.M.Coetzee in mijn tas en dacht: dat wordt spannend, want wat is daarover nu helemaal bekend?
Maar J.M. Coetzee heeft die titel bewust gekozen, want zijn roman gaat wel degelijk over de jeugd van Jezus. Maar toch ook weer niet.
Het verhaal begint met de aankomst van een iets oudere man en een jongen van vijf in een niet nader aangeduid land. Ze arriveren per schip. Op zee is de jongen een brief kwijtgeraakt die informatie bevatte over zijn moeder. Sindsdien ontfermt de man zich over hem, hij wil de jongen helpen zijn moeder te vinden. De man en de jongen krijgen na aankomst een naam, Simón en David. Ze hebben geen herinneringen aan hun oude leven, niemand van de vele immigranten heeft die. De instanties die zijn belast met de zorg voor de immigranten zijn heel behulpzaam. Binnen enkele weken heeft Simón een appartement en werkt hij als sjouwer in de haven. En hij vindt Davids moeder. Althans, hij ontmoet een vrouw waarbij hij ogenblikkelijk voelt dat zij de moeder moet zijn. Zij, Ines, is een ongetrouwde vrouw van omstreeks de dertig. Hij biedt haar spontaan de jongen aan, én zijn appartement. Zelf verhuist hij naar een schuurtje langs de kade waar hij werkt.
Waar speelt het verhaal zich af? Tijd en plaats worden niet exact benoemd. In het land wordt Spaans gesproken. Er zijn ouderwetse auto's, paard en wagen worden nog gebruikt, schepen worden door sjouwers gelost, dossiers bevinden zich nog in eindeloze rijen archiefkasten. Coetzee lijkt hiermee aan te geven dat tijd en plaats onbelangrijk zijn, dat zijn verhaal van alle tijden kan zijn. Arbeid wordt goed betaald, voedsel is goedkoop maar smakeloos, de meeste mensen eten voornamelijk brood, de uniforme behuizing (woonkazernes) is gratis. Niemand heeft uitgesproken meningen, iedereen stelt zich 'redelijk' op. Een zorgzame, misschien wel socialistische staat, waar hartstocht en passie ver te zoeken zijn en niemand zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt.
Gaandeweg draait het verhaal steeds meer om het gedrag van de jongen David. Hij is wat je kunt noemen 'een onafhankelijke geest'. Hij leert snel, maar vindt het niet belangrijk dat op school aan zijn leraar te laten blijken. Hij heeft afwijkende oordelen over van alles en nog wat en hij uit die opvattingen ook. Hij vertelt andere kinderen dat hij tovenaar wil worden. Dit gedrag irriteert de schoolleiding en er wordt een procedure in gang gezet om hem op een speciale school te plaatsen én hem te onttrekken aan de zorg van Simón en Ines. Dat brengt hen tot de ultieme daad van verzet en de daaruit volgende ongewisse toekomst voor Simón, Ines en David geeft het boek een mooi open einde.
Het kostte mij na lezing wel een paar dagen om te begrijpen waar het boek nu eigenlijk over gaat. Over immigratie, over het vluchtelingenprobleem, over een zorgzame en/of controlerende overheid? Ja, die onderwerpen spelen een rol en Coetzee doet er uitspraken over. Maar het verhaal gaat vooral over onaangepast gedrag, over een afwijkende opstelling en de mogelijke reacties daarop van de samenleving. Precies de dingen waar het bij Jezus ook om ging en die leidden tot zijn kruisiging. Coetzee legt die link nadrukkelijk. Het verhaal bevat veel verwijzingen naar het leven van Jezus, zowel heel duidelijke als slim gecamoufleerde. Dat iedereen voornamelijk brood eet is een direct herkenbare link, evenals de wens van David om twee broertjes te hebben, zodat hij deel uitmaakt van een driemanschap. Maar andere verbanden zijn lastiger op te merken, het werd tijdens het lezen een soort sport om ze te herkennen.
Het gaat Coetzee in dit boek niet in de eerste plaats om het verhaal zelf. Dat is meer een vehikel om allerlei zaken - waaronder de hierboven genoemde - aan de orde te stellen. De essentie speelt zich af op een abstracter niveau. Het verhaal is een allegorie Als lezer blijf je door die gelaagdheid wel achter met vragen. Die je zelf mag oplossen. Maar als dan na nog eens doorbladeren van het boek en enig nadenken de stukjes steeds meer op hun plek beginnen te vallen, blijkt het verhaal heel knap in elkaar te zitten.
zondag 21 april 2013
zondag 14 april 2013
De weg naar het koningschap
Jan Hoedeman en Remco Meijer
schrijven voor de Volkskrant over het Koninklijk Huis. In 2004 verscheen van
hun hand het boek Vrouwen van Oranje. De nieuwe prinsessen en de
monarchie. In 2010 publiceerden zij Willem IV. De biografie, op dat moment de
meest volledige biografie over de kroonprins. Van dit boek verscheen nu
een bijgewerkte versie. Met een deels herziene titel, want Willem-Alexander koos ervoor als koning zijn eigen naam te behouden, en niet als Willem
IV aan te sluiten bij zijn mannelijke voorgangers uit de negentiende eeuw. Daarom nu de titel Willem-Alexander. Van prins tot koning. De biografie.
Een biografie schrijven van
iemand die pas midden
veertig is, is niet eenvoudig. Veel gebeurtenissen liggen
pas kort achter ons, waardoor reflectie daarop of een historische analyse ervan
nauwelijks mogelijk is. Dergelijke biografieën monden dan al snel uit in een
chronologische opsomming van de gebeurtenissen in het leven van de hoofdpersoon.
veertig is, is niet eenvoudig. Veel gebeurtenissen liggen
pas kort achter ons, waardoor reflectie daarop of een historische analyse ervan
nauwelijks mogelijk is. Dergelijke biografieën monden dan al snel uit in een
chronologische opsomming van de gebeurtenissen in het leven van de hoofdpersoon.
De auteurs hebben hier echter voor
een min of meer thematische opzet gekozen, waardoor die valkuil wordt vermeden.
Het boek begint met de perikelen rondom de verloving en het huwelijk van Willem
Alexander en Maxima, daarna volgen hoofdstukken over de jonge jaren, de prins
als student en zijn groeiende betrokkenheid bij maatschappelijke
ontwikkelingen. Hoedeman en Meijer citeren ruim uit de bijna honderd gesprekken
die zij hebben gevoerd met mensen uit de omgeving van de prins. Daardoor heeft
de tekst vaak het karakter van een levendig ooggetuigenverslag, wat heel
prettig leest.
Die gesprekspartners zijn
enerzijds mensen die gedurende lange tijd met de prins te maken hebben gehad,
zoals zijn particulier secretaris Jaap Leeuwenburg, maar veel vaker ook
personen die incidenteel met hem in contact kwamen. Zo doorliep Willem
Alexander, nadat hij in Leiden zijn studie geschiedenis had afgerond, een door
Herman Tjeenk Willink bedacht oriëntatieprogramma waarbij hij informele bezoeken
bracht aan tal van maatschappelijke sectoren zoals de rechtshandhaving, het
bedrijfsleven en de museumwereld. Een autoriteit uit zo’n sector werd dan gevraagd
het programma in te vullen. Floris Maljers, oud-topman van Unilever, nam de kennismaking
van de prins met het bedrijfsleven voor zijn rekening, terwijl de kunst aan
Henk van Os, hoogleraar en oud-directeur van het Rijksmuseum, werd
toevertrouwd.
Door hun uitvoerige onderzoek en
zorgvuldig geschreven tekst slagen de auteurs erin een helder en genuanceerd
beeld te geven van de prins en zijn voorbereiding op het koningschap. Hoe hij
zijn rol als koning zal invullen en welke plaats hij zich daarmee verwerft in
de Nederlandse samenleving moet nog blijken, maar ik vond het zinvol dit boek
te lezen om de persoon van onze nieuwe koning iets beter te leren kennen. Een
aanrader.
donderdag 11 april 2013
Zacht
John Steinbecks Of Mice and Men is een klassieker. Het boek verscheen in 1937 en is sindsdien vaste prik op veel leeslijsten van scholieren. Een niet onbelangrijke reden daarvoor zal de beknopte omvang van de roman zijn. Maar ook de heldere structuur van het verhaal maakt het een ideale kennismaking met de literatuur.
Het is de geschiedenis van George Milton en Lennie Small, twee vrienden die tijdens de Great Depression in Californië van ranch naar ranch trekken op zoek naar werk. George is slim, Lennie is een reus met het verstand van een klein kind. Ze hebben een droom: een kleine ranch voor zichzelf, waar ze hun eigen voedsel kunnen verbouwen en waar Lennie konijnen kan verzorgen. Hij houdt namelijk van het strelen van zachte oppervlakken, de vacht van een konijn is zijn ultieme genot. George en Lennie zijn gevlucht van de vorige ranch waar ze werkten omdat Lennie de fluwelen jurk van een vrouw had betast, haar daarna niet meer had losgelaten en vervolgens werd beschuldigd van een poging tot aanranding.
Ze vinden werk op een nieuwe ranch, waar het ze lukt Lennie's beperkte verstandelijke vermogens te verhullen. Ook ontmoeten ze daar een knecht met wie het klikt en die hen aanbiedt samen een kleine ranch te kopen. Maar alles loopt fout wanneer George met de andere knechten gaat stappen in een naburige stad en Lennie alleen achterlaat. Die raakt aan de praat met de jonge vrouw van de zoon van de rancheigenaar en biecht haar op dat hij graag zachte dingen aanraakt. Ze biedt hem dan aan dat hij haar lange blonde krullen mag strelen. Dat is het begin van het einde. Er vallen doden.
Ook ik las dit boek ooit voor mijn lijst De kern van het verhaal was me wel bijgebleven, maar de details en veel van de sfeer was ik inmiddels vergeten. In dit luisterboek is die sfeer optimaal tot leven gebracht: het dialect van de personages zoals gesproken door voorlezer Gary Sinise, de stiltes die vallen op lome avonden, muziek uit de streek waarmee de hoofdstukken worden geopend en afgesloten. Die effecten versterken de indrukwekkende tragiek van Steinbecks verhaal. Dat maakte het herlezen tot een uiterst plezierige bezigheid.
Het is de geschiedenis van George Milton en Lennie Small, twee vrienden die tijdens de Great Depression in Californië van ranch naar ranch trekken op zoek naar werk. George is slim, Lennie is een reus met het verstand van een klein kind. Ze hebben een droom: een kleine ranch voor zichzelf, waar ze hun eigen voedsel kunnen verbouwen en waar Lennie konijnen kan verzorgen. Hij houdt namelijk van het strelen van zachte oppervlakken, de vacht van een konijn is zijn ultieme genot. George en Lennie zijn gevlucht van de vorige ranch waar ze werkten omdat Lennie de fluwelen jurk van een vrouw had betast, haar daarna niet meer had losgelaten en vervolgens werd beschuldigd van een poging tot aanranding.
Ze vinden werk op een nieuwe ranch, waar het ze lukt Lennie's beperkte verstandelijke vermogens te verhullen. Ook ontmoeten ze daar een knecht met wie het klikt en die hen aanbiedt samen een kleine ranch te kopen. Maar alles loopt fout wanneer George met de andere knechten gaat stappen in een naburige stad en Lennie alleen achterlaat. Die raakt aan de praat met de jonge vrouw van de zoon van de rancheigenaar en biecht haar op dat hij graag zachte dingen aanraakt. Ze biedt hem dan aan dat hij haar lange blonde krullen mag strelen. Dat is het begin van het einde. Er vallen doden.
Ook ik las dit boek ooit voor mijn lijst De kern van het verhaal was me wel bijgebleven, maar de details en veel van de sfeer was ik inmiddels vergeten. In dit luisterboek is die sfeer optimaal tot leven gebracht: het dialect van de personages zoals gesproken door voorlezer Gary Sinise, de stiltes die vallen op lome avonden, muziek uit de streek waarmee de hoofdstukken worden geopend en afgesloten. Die effecten versterken de indrukwekkende tragiek van Steinbecks verhaal. Dat maakte het herlezen tot een uiterst plezierige bezigheid.
zondag 7 april 2013
Zweven
Vaslav Nijinsky staat te boek als een van de grootste dansers aller tijden. Hij beschikte over een springtechniek waardoor hij even leek te zweven, de zwaartekracht leek te ontkennen. Na een ontmoeting in 1909 met de impresario Sergei Diaghilev trad hij toe tot diens gezelschap Les Ballets Russes. Hij was daarvan de sterdanser. Beroemde balletten als Le sacre du printemps op muziek van Igor Strawinsky ontstonden in die jaren. Hij en Diaghilev waren ook minnaars. In 1913 kwam aan die relatie een einde. Les Ballets Russes ging op tournee naar Zuid-Amerika zonder Diaghilev, die bang was voor zeereizen. Tijdens die overtocht werd Nijinsky ingepalmd door de danseres Romola Pulszky, en zij trouwden nog tijdens de tournee. Zodra Diaghilev daarvan hoorde ontsloeg hij Nijinski, per telegram.
Arthur Japin heeft voor zijn roman Vaslav een interessant uitgangspunt gekozen. De handeling speelt zich af op 19 januari 1919, in Sankt Moritz in Zwitserland. Vaslav Nijinsky verblijft daar met vrouw en kind en zal die dag voor het eerst in lange tijd een solo-opvoering geven. Die opvoering zou tevens de laatste in zijn loopbaan zijn, tot aan zijn dood in 1950 trad hij nooit meer op. Een groot deel van die resterende jaren zou hij vanwege schizofrenie doorbrengen in psychiatrische klinieken. Maar dat is op de ochtend van die 19de januari nog niet bekend, hoewel de hoofdpersonen wel vermoeden dat er met Vaslav iets vreemds aan de hand is.
Het verhaal heeft de vorm van een drieluik. We beleven het door de ogen van drie personen: Peter, de jonge bediende van Vaslav; Sergei Diaghilev, die zonder vooraankondiging is overgekomen uit Londen om zijn voormalige partner nog eens te ontmoeten; en Romola Pulszky, de echtgenote. Bij die laatste twee, beide gedreven door ambitie en door de vurige wens het dreigende verval van Vaslav te stoppen, spelen de emoties hoog op. Peter is de meer objectieve verteller.
Het gaat Japin om meer dan alleen de val van Vaslav. De gedrevenheid je leven te willen wijden aan de dans, alles opzij te willen zetten voor een vluchtig moment van uiterste perfectie fascineert hem en hij weet die levenshouding perfect onder woorden te brengen. Zijn zorgvuldige formuleringen én de effectieve spanningsopbouw maken dit boek een genot om te lezen.
Arthur Japin heeft voor zijn roman Vaslav een interessant uitgangspunt gekozen. De handeling speelt zich af op 19 januari 1919, in Sankt Moritz in Zwitserland. Vaslav Nijinsky verblijft daar met vrouw en kind en zal die dag voor het eerst in lange tijd een solo-opvoering geven. Die opvoering zou tevens de laatste in zijn loopbaan zijn, tot aan zijn dood in 1950 trad hij nooit meer op. Een groot deel van die resterende jaren zou hij vanwege schizofrenie doorbrengen in psychiatrische klinieken. Maar dat is op de ochtend van die 19de januari nog niet bekend, hoewel de hoofdpersonen wel vermoeden dat er met Vaslav iets vreemds aan de hand is.
Het verhaal heeft de vorm van een drieluik. We beleven het door de ogen van drie personen: Peter, de jonge bediende van Vaslav; Sergei Diaghilev, die zonder vooraankondiging is overgekomen uit Londen om zijn voormalige partner nog eens te ontmoeten; en Romola Pulszky, de echtgenote. Bij die laatste twee, beide gedreven door ambitie en door de vurige wens het dreigende verval van Vaslav te stoppen, spelen de emoties hoog op. Peter is de meer objectieve verteller.
Het gaat Japin om meer dan alleen de val van Vaslav. De gedrevenheid je leven te willen wijden aan de dans, alles opzij te willen zetten voor een vluchtig moment van uiterste perfectie fascineert hem en hij weet die levenshouding perfect onder woorden te brengen. Zijn zorgvuldige formuleringen én de effectieve spanningsopbouw maken dit boek een genot om te lezen.
maandag 1 april 2013
Een pelgrimage
Harold Fry is sinds zes maanden met pensioen. Die periode heeft hij grotendeels doorgebracht in verveling. Soms doet hij een boodschap of een klusje, maar de meeste tijd brengt hij door in een stoel in de huiskamer. Hij werkt zijn vrouw Maureen op de zenuwen. En zit ook in de weg wanneer zij het huis z'n dagelijkse schoonmaakbeurt geeft. Harold en Maureen praten niet, ze leven langs elkaar heen.
Dan ontvangt Harold op een dag een brief van Queenie, een oud-collega van de bierbrouwerij waar hij lang als vertegenwoordiger heeft gewerkt. Het is een afscheidsbrief, Queenie schrijft dat ze ongeneeslijk ziek is. Dat bericht brengt Harold van slag. Hij schrijft een kort antwoordbriefje en gaat daarmee naar de brievenbus, maar kan er niet toe besluiten zich er zo gemakkelijk van af te maken. Dus loopt hij een brievenbus verder, en nog een, en nog een. Eenmaal wandelend, en geïnspireerd door een toevallige ontmoeting in een benzinestation waar hij iets te eten koopt, besluit hij naar Queenie te lopen om haar zelf bij te staan. Hij belt het hospice waar zij ligt, schrijft onder het briefje aan Queenie 'PS. Wacht op mij', doet het alsnog op de bus en begint aan zijn tocht.
Harold woont in Dorset, aan de Engelse zuidkust. Queenie ligt in een hospice in het noorden. De route dwars door Engeland beslaat meer dan vijfhonderd mijl. Harold loopt op zijn bootschoenen en draagt een eenvoudig windjack. Hij heeft wel geld bij zich, maar zijn mobiele telefoon ligt thuis. Ook heeft hij geen wandelkaart, hij loopt daarom maar over de autowegen. Zijn weinige bagage zit in een plastic tas. Hij overnacht in eenvoudige pensions.Wanneer hij na een week enigszins gewend is aan de fysieke inspanning ontstaat er in zijn hoofd plek voor andere gedachten. Hij maakt een praatje met mensen die hij tegenkomt en vertelt hen van zijn tocht. Hij neemt de tijd om tijdens het lopen het landschap te bekijken. Met behulp van een natuurhandboek ontdekt hij planten en dieren. Door het langzame tempo en de overvloed aan indrukken komen bij Harold herinneringen naar boven aan zijn jeugd, zijn huwelijk en zijn werk. Herinneringen die hij bewust of onbewust had weggedrukt. Zo krijgt de tocht een extra dimensie: naast een poging om door zijn pelgrimage de dood van Queenie uit te stellen of haar misschien wel te genezen, wordt het ook een reflectie op zijn eigen leven en onverwerkte emoties.
Rachel Joyce heeft van Harold een aandoenlijke man gemaakt. Hij is een beetje naïef, misschien ook wel wereldvreemd, maar hij is oprecht en de vasthoudendheid waarmee hij de tocht volbrengt neemt je als lezer voor hem in. Maureen, die in het begin wordt neergezet als een bitch, ontwikkelt door de situatie een andere kijk op haar huwelijk. Uiteindelijk is zij het die ervoor zorgt dat Harold zijn missie volbrengt. Het verhaal is met veel creativiteit geschreven. Al na tien bladzijden staat het einddoel vast, maar de weg erheen zit vol verrassende wendingen.Zonder het slot te willen onthullen - niet alles loopt goed af - is het wel zo dat ik na de laatste bladzijde met een heel goed gevoel achterbleef. Rachel Joyce was actrice bij de Royal Shakespeare Company en schreef hoorspelen voor BBC Radio 4. The Unlikely Pilgrimage of Harold Fry is haar eerste roman.
Dan ontvangt Harold op een dag een brief van Queenie, een oud-collega van de bierbrouwerij waar hij lang als vertegenwoordiger heeft gewerkt. Het is een afscheidsbrief, Queenie schrijft dat ze ongeneeslijk ziek is. Dat bericht brengt Harold van slag. Hij schrijft een kort antwoordbriefje en gaat daarmee naar de brievenbus, maar kan er niet toe besluiten zich er zo gemakkelijk van af te maken. Dus loopt hij een brievenbus verder, en nog een, en nog een. Eenmaal wandelend, en geïnspireerd door een toevallige ontmoeting in een benzinestation waar hij iets te eten koopt, besluit hij naar Queenie te lopen om haar zelf bij te staan. Hij belt het hospice waar zij ligt, schrijft onder het briefje aan Queenie 'PS. Wacht op mij', doet het alsnog op de bus en begint aan zijn tocht.
Harold woont in Dorset, aan de Engelse zuidkust. Queenie ligt in een hospice in het noorden. De route dwars door Engeland beslaat meer dan vijfhonderd mijl. Harold loopt op zijn bootschoenen en draagt een eenvoudig windjack. Hij heeft wel geld bij zich, maar zijn mobiele telefoon ligt thuis. Ook heeft hij geen wandelkaart, hij loopt daarom maar over de autowegen. Zijn weinige bagage zit in een plastic tas. Hij overnacht in eenvoudige pensions.Wanneer hij na een week enigszins gewend is aan de fysieke inspanning ontstaat er in zijn hoofd plek voor andere gedachten. Hij maakt een praatje met mensen die hij tegenkomt en vertelt hen van zijn tocht. Hij neemt de tijd om tijdens het lopen het landschap te bekijken. Met behulp van een natuurhandboek ontdekt hij planten en dieren. Door het langzame tempo en de overvloed aan indrukken komen bij Harold herinneringen naar boven aan zijn jeugd, zijn huwelijk en zijn werk. Herinneringen die hij bewust of onbewust had weggedrukt. Zo krijgt de tocht een extra dimensie: naast een poging om door zijn pelgrimage de dood van Queenie uit te stellen of haar misschien wel te genezen, wordt het ook een reflectie op zijn eigen leven en onverwerkte emoties.
Rachel Joyce heeft van Harold een aandoenlijke man gemaakt. Hij is een beetje naïef, misschien ook wel wereldvreemd, maar hij is oprecht en de vasthoudendheid waarmee hij de tocht volbrengt neemt je als lezer voor hem in. Maureen, die in het begin wordt neergezet als een bitch, ontwikkelt door de situatie een andere kijk op haar huwelijk. Uiteindelijk is zij het die ervoor zorgt dat Harold zijn missie volbrengt. Het verhaal is met veel creativiteit geschreven. Al na tien bladzijden staat het einddoel vast, maar de weg erheen zit vol verrassende wendingen.Zonder het slot te willen onthullen - niet alles loopt goed af - is het wel zo dat ik na de laatste bladzijde met een heel goed gevoel achterbleef. Rachel Joyce was actrice bij de Royal Shakespeare Company en schreef hoorspelen voor BBC Radio 4. The Unlikely Pilgrimage of Harold Fry is haar eerste roman.
zondag 24 maart 2013
Wanhoop
In Mogelijke memoires
van Herman Brusselmans gebeurt na
130 bladzijden iets opmerkelijks: het wordt opeens, van de ene op de andere
zin, een totaal ander boek. Tot dan hebben we samen met de schrijver
teruggekeken op zijn jeugd. In twaalf hoofdstukken beschrijft Brusselmans
chronologisch de momenten en gebeurtenissen die hem hebben gevormd. We
ontmoeten zijn vader, die trambestuurder is; zijn moeder, die een model-moeder
is; zijn blinde grootvader Frans; zijn oom Manke Theofiel en Ludovic, de
kroegbaas van café De Maréchal. Kleurrijke figuren die de jonge Herman
Brusselmans omringen.
Deze vertoont zelf nogal uitgesproken gedrag. Hij
verlummelt zijn dagen op de manier die
we kennen van de volwassen auteur. Hij is bij vlagen hondsbrutaal. En hij
schrijft als vijftienjarige graag brieven naar bekende schrijvers als Hubert
Lampo, Ward Ruyslinck en Hugo Claus. Wanneer hij dan geen antwoord krijgt of
een antwoord dat hem niet bevalt, leest hij nooit meer iets van ze. De toon van
deze hoofdstukken is soms weemoedig, de sfeer af en toe wat folkloristisch. Het
is een milde terugblik, de aanzet tot memoires.
Maar dan ineens, tijdens een
scène die zich afspeelt op een huwelijksfeest, vervalt de handeling en treedt
de schrijver naar voren. Die geeft aan dat hij het leven niet meer volhoudt,
dat hij bang is voor de inktzwarte nacht, dat zijn geliefde hem heeft verlaten,
dat het allemaal zinloos is. Daarmee zijn we terug bij Brusselmans’ roman Watervrees tijdens een verdrinking,
waarin hij het vertrek van zijn echtgenote probeerde te verwerken.
Dat dit
proces twee jaar later nog lang niet is afgerond blijkt uit de ruim tweehonderd
bladzijden die volgen. In één lang hoofdstuk, zonder onderbrekingen of zelfs
maar een witregel, laat de auteur ons delen in zijn misère. Hij leeft 's
nachts, slaapt in de ochtend, rookt zich te pletter, is sinds het vertrek van
zijn geliefde Lio impotent, heeft geen sex maar fantaseert er des te meer over,
bouwt een deels denkbeeldige kring van vriendinnen op en mijmert over de waarde
van zijn oeuvre. Hij ontmoet Lio bijna dagelijks, maar meer dan zijn
boodschappen doen en voor hem koken zit er niet in. In de nacht schrijft hij
aan het tweede deel van het onderhavige boek en ontmaskert daarin veel
biografische feiten uit het eerste deel als pure fantasie. Op zijn manier is
hij op zoek naar zijn ware ik. En gaat daarbij diep. Maar 'op zijn manier'
betekent ook dat het verhaal is doorspekt met kolder, met geestige woordgrapjes
en met verhalen in verhalen.
Ik ben een liefhebber van Brusselmans, dus voor mij
geldt hoe heftiger hoe beter. Maar ook wanneer je het objectiever beschouwt is het
tweede deel van Mogelijke memoires beslist
een kunststukje. Het is één heel lange litanie van klachten van een schrijver
die de vaste grond onder zijn voeten kwijt is. De wanhoop is voelbaar. Het is
wonderlijk hoe het Brusselmans lukt het verhaal tegelijk ook geestig, vaak
bijna kluchtig te laten zijn. Maar alleen zo is het uit te houden, zowel voor
de auteur als voor de lezer.
zaterdag 16 maart 2013
De verrekijker
Het boekenweekgeschenk zou je het nationale discussieboek kunnen noemen. Geen andere Nederlandstalige uitgave wordt ieder jaar weer door de pers en door ons lezers zo verschillend beoordeeld. Dat is natuurlijk niet vreemd, want de enorme oplage betekent een brede verspreiding, terwijl het geschenk bij veel meer verschillende groepen lezers terechtkomt dan welk ander boek ook. En dat alles steeds weer in een tijdsbestek van anderhalve week, waarin de meeste boekenbijlagen het al in de eerste dagen bespreken.
Vorig jaar schreef Tom Lanoye een mooi boekenweekgeschenk: helder plot, strak opgeschreven, subtiele spanningsopbouw, gedurfd einde. Toen ik dat boekje dichtsloeg dacht ik: zo doe je dat! Bij Kees van Kooten's De verrekijker daarentegen had ik niet direct zo'n duidelijke mening. Het is dan ook een heel ander boek. Hier geen dwingende verhaallijn en spanningsopbouw, maar een welhaast associatief herinneren. Dat begint wanneer hij het album doorbladert dat zijn vader in de oorlog heeft bijgehouden. Tussen de foto's, knipsels en aantekeningen vindt hij een aan zijn vader gerichte officiële brief van het leger, gedateerd 1 augustus 1940. Hierin wordt deze gesommeerd een verrekijker terug te geven die hij in zijn functie van sergeant bij de Landmacht in april van dat jaar heeft gevorderd van ene J. Treurniet in Berkel en Rodenrijs. Eerst is Van Kooten van slag door de gedachte dat zijn vader zoiets zou kunnen doen, dan vraagt hij zich af of het dezelfde prachtige verrekijker is die hij al zijn hele leven bezit en vervolgens besluit hij uit te zoeken wat er werkelijk is gebeurd. Dat is het begin van een speurtocht die hem bij het NIOD, het Nationaal Archief en uiteindelijk in Berkel en Rodenrijs brengt.
Het duurt lang voordat Van Kooten meer duidelijkheid krijgt omtrent de gebeurtenissen. De waarheid - een onverwachte en verrassende - wordt pas in de laatste bladzijden van het boek onthuld. Maar voor het zover is fantaseert hij over de mogelijke scenario's, die jammer genoeg niet de sterkste onderdelen van het verhaal zijn. Ook haalt hij herinneringen op en slaat hij veelvuldig allerlei zijpaden in, mijmerend over het verschil tussen vroeger en nu: de vulpen versus de iPad, de Grote Winkler Prins encyclopedie versus Wikipedia. Dat je door de opkomst van het digitale boek straks niet meer iemands karakter kunt aflezen aan zijn of haar boekenkast doet hem pijn. Grappig vond ik zijn constatering dat een E-reader wel de inhoud van 30.000 boeken kan bevatten maar niet de 'uithoud'.
En dan maar de hamvraag van ieder jaar: is het een geslaagd boekenweekgeschenk? Ik denk het wel. Je kunt kritiek hebben op de vrijblijvende structuur, waardoor de focus enigszins vervaagt. Maar Van Kooten blijft daarin wel op en top zichzelf, het is allemaal erg herkenbaar. Dit persoonlijke aspect geeft het verhaal ook zijn charme. Naast de - soms flauwe, soms geestige - woordgrapjes en de bekende stokpaardjes. En laten we vooral niet vergeten dat het geschenk ook bedoeld is om mensen aan het lezen te krijgen. Dit heel toegankelijke boekje zal een brede groep aanspreken.
Vorig jaar schreef Tom Lanoye een mooi boekenweekgeschenk: helder plot, strak opgeschreven, subtiele spanningsopbouw, gedurfd einde. Toen ik dat boekje dichtsloeg dacht ik: zo doe je dat! Bij Kees van Kooten's De verrekijker daarentegen had ik niet direct zo'n duidelijke mening. Het is dan ook een heel ander boek. Hier geen dwingende verhaallijn en spanningsopbouw, maar een welhaast associatief herinneren. Dat begint wanneer hij het album doorbladert dat zijn vader in de oorlog heeft bijgehouden. Tussen de foto's, knipsels en aantekeningen vindt hij een aan zijn vader gerichte officiële brief van het leger, gedateerd 1 augustus 1940. Hierin wordt deze gesommeerd een verrekijker terug te geven die hij in zijn functie van sergeant bij de Landmacht in april van dat jaar heeft gevorderd van ene J. Treurniet in Berkel en Rodenrijs. Eerst is Van Kooten van slag door de gedachte dat zijn vader zoiets zou kunnen doen, dan vraagt hij zich af of het dezelfde prachtige verrekijker is die hij al zijn hele leven bezit en vervolgens besluit hij uit te zoeken wat er werkelijk is gebeurd. Dat is het begin van een speurtocht die hem bij het NIOD, het Nationaal Archief en uiteindelijk in Berkel en Rodenrijs brengt.
Het duurt lang voordat Van Kooten meer duidelijkheid krijgt omtrent de gebeurtenissen. De waarheid - een onverwachte en verrassende - wordt pas in de laatste bladzijden van het boek onthuld. Maar voor het zover is fantaseert hij over de mogelijke scenario's, die jammer genoeg niet de sterkste onderdelen van het verhaal zijn. Ook haalt hij herinneringen op en slaat hij veelvuldig allerlei zijpaden in, mijmerend over het verschil tussen vroeger en nu: de vulpen versus de iPad, de Grote Winkler Prins encyclopedie versus Wikipedia. Dat je door de opkomst van het digitale boek straks niet meer iemands karakter kunt aflezen aan zijn of haar boekenkast doet hem pijn. Grappig vond ik zijn constatering dat een E-reader wel de inhoud van 30.000 boeken kan bevatten maar niet de 'uithoud'.
En dan maar de hamvraag van ieder jaar: is het een geslaagd boekenweekgeschenk? Ik denk het wel. Je kunt kritiek hebben op de vrijblijvende structuur, waardoor de focus enigszins vervaagt. Maar Van Kooten blijft daarin wel op en top zichzelf, het is allemaal erg herkenbaar. Dit persoonlijke aspect geeft het verhaal ook zijn charme. Naast de - soms flauwe, soms geestige - woordgrapjes en de bekende stokpaardjes. En laten we vooral niet vergeten dat het geschenk ook bedoeld is om mensen aan het lezen te krijgen. Dit heel toegankelijke boekje zal een brede groep aanspreken.
Abonneren op:
Posts (Atom)






