zondag 1 februari 2026

Menken melk, lekkere melk

Jutta Chorus publiceerde de afgelopen twintig jaar over tal van maatschappelijke onderwerpen, variërend van de moord op Theo van Gogh (In godsnaam, 2005) tot het dagelijks leven in een Rotterdamse migrantenwijk (Afri, 2009). In 2013 verscheen haar veelgeprezen biografie van koningin/prinses Beatrix. Haar belangstelling is breed, mag je vaststellen. Voor haar nieuwste project bleef ze dichter bij huis. Letterlijk, in dit geval. In Dagen van melk beschrijft ze de geschiedenis van het bedrijf dat haar overgrootvader en grootvader vanaf de eerste decennia van de twintigste eeuw oprichtten en uitbouwden: Menken. Maar het boek is meer geworden dan alleen een bedrijfsgeschiedenis. Als lid van de familie kon Chorus beschikken over een enorme hoeveelheid bronnen, zowel de fysieke als bijvoorbeeld de herinneringen van haar al flink op leeftijd zijnde ooms en tantes. Daarmee is het ook het verhaal van een familie geworden. Zich afspelend in Leiden, Oegstgeest en Wassenaar. 

Eerst een persoonlijke noot. Wij dronken en aten vroeger thuis zo’n beetje alle melkproducten van Menken. Dat was niet alleen omdat wij in Wassenaar woonden, de thuisbasis van het bedrijf, maar ook omdat mijn vader er vanaf het begin van de jaren zeventig werkte. Voor mij bestond dat bedrijf dan ook voor een groot deel uit zijn verhalen. De fabriek was een omvangrijk complex, verborgen in het groen van een villawijk langs de Rijksstraatweg (N 44) tussen Leiden en Den Haag. Vanaf die weg was ze niet te zien. Verrassend was dat het beeld dat ik had van het bedrijf zoals het was in die jaren, als een ‘stand-alone’ met een overzichtelijke structuur, bij lezing van ‘Dagen van melk’ niet helemaal meer bleek te kloppen. Dat was het gevolg van economische en politieke ontwikkelingen, die ervoor zorgden ervoor dat Nederland Melkland vanaf de jaren zestig volledig op de schop ging. 

Maar terug naar het begin, naar de vroege twintigste eeuw in Leiden en de boerendorpen eromheen. Melk speelde toen in het dagelijkse menu een belangrijke rol. En het melkbedrijf mocht je gerust een industrie noemen. Maar dan wel een die nog geheel van mankracht afhankelijk was. Van het ophalen van de gevulde melkbussen bij de boer, het in kleine melkinrichtingen verwerken van de rauwe melk tot een drinkbaar product of afgeleiden daarvan zoals pap, tot aan het zorgvuldig spoelen van de bussen en die weer terugbrengen naar de boer. Maar dan moest het product nog naar de consument. Die taak lag bij de melklopers, die dagelijks in een of meerdere wijken de melk bij de klant aan huis afleverden. Het beeld dat daarbij hoort: een handkar of ponykar met daarop enkele glanzend opgewreven koperen melkbussen met onderaan een kraantje. Uitermate arbeidsintensief, dus. Wat later kwamen melkwinkels in zwang, waar de klant ook de andere lekkernijen van de melkinrichting kon kopen, zoals pap, room, kaas en in de zomer zelfs ijs.

Leiden en omgeving telde honderden, veelal kleine melkinrichtingen en melkwijken, en zag daarnaast in de jaren twintig steeds meer kleine melkwinkels verschijnen. Een daarvan was die van Leen Menken, die met zijn vrouw Anna van der Drift in 1925 een moderne winkel opende. Dat getuigde van veerkracht, want het ondernemerschap van zijn vader was enkele jaren eerder jammerlijk mislukt waardoor Leen, die zijn vaders schulden had afbetaald, als het ware vanaf  een nulpunt opnieuw had moeten beginnen. Ainderdaadls melkloper. Maar die veerkracht en werkweken van tachtig uur resulteerden een halve eeuw later wel in een bedrijf met vijfhonderd werknemers. Chorus beschrijft het levendig, met oog voor sprekende details en een goed gevoel voor de balans tussen de geschiedenis van een familiebedrijf en het grotere economische en maatschappelijke plaatje.

De Menkens waren goede katholieken. Je kijkt dan ook niet op van het aantal kinderen die Leen en Anna op de wereld zetten: vijftien. Elf jongens – inderdaad, een voetbalelftal – en vier meisjes. Je kijkt wel op van de manier waarop Leen tegen het einde van zijn loopbaan zijn kinderen bedankte voor hun vaak tomeloze inzet, of dat nu in het bedrijf of in het huishouden was. De vier oudste zoons volgden hem op als directeur, met Ad als algemeen directeur. Ook erfden zij de aandelen. De andere zoons werden door hun vader weliswaar geholpen met hun carrière, maar moesten het zelf klaarspelen. Wat financiële steun konden ze van hun vader desgevraagd wel krijgen, maar dan tegen een nette rente van 6%. Van de dochters, die niet hadden mogen doorleren, werd verwacht dat ze een goede partij aan de haak zouden slaan, het liefst een katholieke.

De vier zoons die hun vader opvolgden hadden het niet gemakkelijk. Was melk tot in de jaren vijftig nog een booming business, daarna ging het langzaam maar zeker bergaf. Dat is goed af te lezen aan de bemoeienis van de rijksoverheid in pogingen de industrie overeind te houden. Uitgaand van het feit dat melk drinken gezond was, zette die allerlei campagnes op touw. De schoolmelk bijvoorbeeld, in die leuke driehoekige kartonnetjes die ieder kind dagelijks kreeg uitgereikt, stamt al van voor de oorlog. Latere campagnes herken je aan de slogans als Joris Driepinter en Met melk meer mans. Zelfs Remco Campert werd ingehuurd, die de briljante leuze Melk is verrukkulluk wist te bedenken. Kassa! Geestig is ook hoe het gezondheidsaspect daarin door de jaren heen een rol in heeft gespeeld. In de eerste Schijf van Vijf, wisten de ministeries van Landbouw en Economie zuivelproducten in drie van de vakjes te krijgen, ofschoon een grote groep artsen wees op een teveel aan vet dat men binnen zou krijgen. Vijftien jaar later was melk in nog maar één vakje te vinden, en uitsluitend in de magere versie.

Bij ieder contact dat Chorus had met haar nog levende ooms en tantes kwam de vraag terug hoe het toch kon dat het bedrijf de familie was ontglipt. Lag dat aan de vier opvolgers? Waren de concurrenten doortastender geweest? Of was Menken gewoon te klein geweest om zelfstandig winst te blijven maken? Feit is dat de groei van de coöperaties, waarbij de boeren ook aandeelhouders zijn van hun melkbedrijf, een rol heeft gespeeld. Zij waren eenvoudigweg te groot – qua volume, financieel - om door een particuliere onderneming als Menken met succes te worden bestreden. En de ogenschijnlijk gunstige politieke steunmaatregel als de vaste melkprijs, eerst landelijk, daarna Europees, kwam als een boemerang terug. Denk aan de Melkplas, of de Boterberg. De opkomst in de jaren zestig van de supermarkten zette uiteindelijk alles onder druk. Alleen de grote coöperaties zoals Melkunie, later opgaand in Campina, wisten zich teweer te stellen tegen de giganten als Albert Heijn. Het speelveld was voortaan voorbehouden aan de economische reuzen. Een daarvan kocht in 1997 Menken op. Waarmee het verhaal van de ‘straatarme melkloper tot zuivelgigant’ geschiedenis werd. Door Chorus voorbeeldig opgetekend.

Jutta Chorus / Dagen van melk. De geschiedenis van ons familiebedrijf / 256 blz / Pluim, 2025 // Luisterboek, voor gelezen door de auteur / 8 uur en 4 minuten / Pluim, 2025, via Storytel