woensdag 28 april 2021

De spinnende theemuts

Er zijn maar weinig boeken die ik herlezen heb. En er is maar één boek dat ik vaker las: De Aaibaarheidsfactor van Rudy Kousbroek. Het verscheen ruim vijftig jaar geleden, als een serie korte essays. Kousbroek ordende daarin zijn persoonlijke dierenwereld, met als doorslaggevende factor hoe graag je een dier zou willen aaien. Vissen en aanverwante schepselen scoorden vanzelfsprekend niet hoog, in tegenstelling tot de kat. Dat was de onbetwiste winnaar. Het boekje werd indertijd ook uitgegeven met een aaibare omslag.

Van twee van de stukken kan ik nooit genoeg krijgen. Ten eerste het hoofdstuk met tips hoe de huiskat te testen op de eigenschappen waarop zijn faam berust, zoals miauwvolume en spinvermogen. Het tweede, nog veel mooier, is de handleiding hoe zelf een kat te bouwen. Een theemuts en opvouwbare voorpoten vallen onder de onontbeerlijke ingrediënten.

Het was trouwens de eerste keer dat ik het boekje luisterde. Midas Dekkers leest het voor. De meerwaarde daarvan is dat hij, wanneer hij praat over dieren, sowieso een toon weet te treffen die aangeeft dat hij die wezens volkomen doorgrondt. Zo ook hier. Wat bij een kat knap mag worden genoemd. 

Rudy Kousbroek / De Aaibaarheidsfactor / Luisterboek, voorgelezen door Midas Dekkers / 2 uur en 34 minuten / Atlas Contact, via Storytel 

maandag 26 april 2021

De hersenman

Het eerste hoofdstuk van Theo Mulder’s De hersenverzamelaar opent met een fascinerend beeld. Vier koetsen – twee voor personen, twee voor vracht – bewegen zich schommelend en schokkend door een modderig boslandschap. Het is in het vroege voorjaar, nat en koud. We bevinden ons in het hart van het Duitse rijk, en route van Wenen naar Berlijn. Het jaar is 1805. De vrachtkoetsen torsen een enorme verzameling menselijke en dierlijke schedels, in de personenkoetsen bevinden zich de beroemde arts Franz Joseph Gall, zijn assistent, een bediende en een ambachtsman gespecialiseerd in het vervaardigen van wasvormen. Ze onderwerpen zich niet vrijwillig aan de lange en oncomfortabele tocht. Kort tevoren heeft de Oostenrijkse keizer Franz II een einde gemaakt aan de theatrale en drukbezochte lezingen die Gall, een autoriteit op het gebied van de hersenen, in zijn huis organiseerde. En waarbij hij ook hersenen ontleedde. Gall heeft dan ook besloten zijn onderzoek en kunsten op andere plekken aan te bieden. Berlijn is de eerste stop, waarna hij al rondreizend zelfs in Nederland zal belanden. Het eindstation zal Parijs zijn, waar zijn theorieën door collega’s  zullen worden verguisd maar waar het publiek hem op handen zou dragen. Maar op deze mistige dag is dat alles nog ver weg. De mannen kijken verveeld uit de ramen van de koets. Wat ook de twee meereizende apen doen.

Had de keizer gelijk gehad met zijn veroordeling van Galls praktijken? Achteraf beschouwd niet. Het stopzetten van de werkzaamheden van Gall gebeurde vermoedelijk niet uitsluitend omdat het hof en haar adviseurs de openbaar toegankelijke ontledingen van de hersenen smakeloos achtte. De kans is groot dat ze ideeën van Gall stilzwijgend veel gevaarlijker vonden. Als een van de eerste wetenschappers was hij er namelijk van overtuigd dat specifieke psychologische eigenschappen gelokaliseerd konden worden in specifieke delen van de hersenen. Wij vinden die stelling vandaag de dag weinig opzienbarend, maar in Galls tijd was dat een sensationele stellingname. Er is sindsdien veel onderzoek naar gepleegd, in toenemende mate met geavanceerde apparatuur, onderzoek dat nog steeds gaande is. Het wordt gezien als een van de meest fascinerende onderzoeksgebieden van de neurowetenschappen. Gall heeft door zijn inzichten daarvoor mede de fundamenten gelegd, en dat in een tijd dat de meeste van zijn collega’s de hersenen, op basis van traditionele inzichten daarover, een volstrekt oninteressant deel van het lichaam vonden, dat voor hen geen geheimen meer kende. 

Neuropsycholoog Theo Mulder betoogt dat Franz Joseph Gall als onderzoeker zijn tijd ver vooruit was. Dat hij op basis van zijn theorie ook kon poneren dat een geestesziekte haar oorsprong vond in de hersenen en niet in het uit balans zijn van de vier lichaamssappen, zoals tot dan toe nog vaak werd gedacht. Gall vond zelfs dat misdadigers wier gedrag was terug te voeren op geestelijke afwijkingen of ziekten met meer clementie door de rechters zouden moeten worden beoordeeld. Dat laatste kun je echt een gevalletje ‘zijn tijd vooruit’ noemen. 

Maar, komt dan de vraag op, waarom is Gall dan niet wereldberoemd? Waarom heeft zijn fabelachtige kunnen als anatoom van de hersenen hem niet een ereplaats gegeven in de geschiedenis van de medische wetenschappen? Het antwoord daarop is volgens Mulder eenvoudig: ‘Hij was een wetenschapper, maar ook een fantast, een publieke figuur, een zakenman en een flamboyant burger van het Europa van de late achttiende en begin negentiende eeuw.’ Vooral dat woord ‘fantast’ blijft dan hangen. Dat heeft vooral betrekking op het ‘schedel voelen’ dat Gall deed. In het verlengde van zijn theorie dat specifieke psychologische eigenschappen gelokaliseerd konden worden in specifieke delen van de hersenen, was hij ervan overtuigd dat je aan de buitenzijde van de schedel kon voelen hoe sterk een eigenschap was ontwikkeld. Dat is op zich weer geen gekke gedachte, want die sterke of veelgebruikte hersendelen zijn vaak meer ontwikkeld dan andere, maar of dat nu aan de buitenkant te bevoelen is als een uitstulping… Maar Gall was ervan overtuigd, en toonde dat na zijn vertrek uit Wenen aan in talloze openbare lezingen in theaters en schouwburgen in de Europese hoofdsteden.

Vanaf maart 1806 vertoefde Gall enige weken in Nederland. Hij kwam uit Duitsland, waar zijn optredens een groot succes waren geweest. Hij hield voordrachten in Utrecht, Amsterdam en Leiden, gaf een tiendelige cursus en sprak met journalisten. Zijn theorie vormde de basis voor die optredens, maar het bevoelen van de schedel was steeds het hoogtepunt. Een voorval tijdens zijn optreden in Amsterdam is een mooie weergave van zijn werkmethode. Het speelde zich af op 12 april 1806, in herberg Het wapen van Amsterdam op de Kloveniersburgwal, tijdens een meerdaagse cursus war hij vertelde over zijn ervaringen: ‘Toen ik mijn hand onder haar achterhoofd schoof om haar te ondersteunen voelde ik een flinke uitpuiling in de nek die gloeide van de hitte. Ik had letterlijk het gebied waar de geslachtsdrift in de hersenen is gelokaliseerd in mijn handen’. Je kan het aanschouwelijk onderwijs noemen.   

Na Holland kwam Frankrijk, waar Gall zou verblijven tot zijn dood. Omstreden, maar strijdbaar en nog steeds in staat een groot publiek te trekken. Mulder besteedt ook ruim aan dacht aan Galls erfenis, de zich sterk ontwikkelende pseudowetenschap van de frenologie, de professionelere vorm van het schedel voelen. Die uiteindelijke ook misbruikt zou worden vanuit racistische motieven.

Dat Mulder de noodzaak voelde een monument op te richten voor de grotendeels vergeten Gall is begrijpelijk, diens bijdrage aan de medische wetenschap is door zijn ‘out-of-the-box’ benadering immers fors. Maar tegelijk gooide Gall door zijn optredens voor een deel zijn eigen wetenschappelijke glazen weer in. Wat dan wel weer een fascinerend tijdsbeeld oplevert. Dat is ook het aardige van deze studie. Enerzijds is het een biografie van een opmerkelijke man, een wetenschapper én een charmante oplichter, anderzijds biedt ze een bevlogen beschrijving van de wetenschappelijke wereld omstreeks 1800. Met veel plezier gelezen.

Theo Mulder / De hersenverzamelaar. Het veelbewogen leven van Franz Joseph Gall (1758-1828) / 343 blz / Uitgeverij Balans 

woensdag 21 april 2021

Voor haar debuutroman Wij zijn licht liet Gerda Blees zich inspireren door een gebeurtenis die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. In de zomer van 2017 overleed in een woongroep in Utrecht een vrouw. Onderzoek door de politie bracht aan het licht dat haar dood wellicht het gevolg was van de levenswijze die in de groep werd gepropageerd. Al snel gaan in zo’n geval natuurlijk de wildste geruchten rond. Blees heeft de vrijheid genomen haar verhaal zo in te vullen dat ze het proces rondom zo’n gebeurtenis overtuigend maar ook in alle literaire vrijheid kon vormgeven.

De vorm die ze daarvoor kiest is opvallend. Ze roept als het ware alle getuigen van het voorval op en laat hen hun verhaal vertellen. Die getuigen zijn zowel personen van vlees en bloed – de advocaat, de ouders van de dode - als dingen. Het huis van de woongroep bijvoorbeeld komt als een van de eersten aan het woord. Maar ook de cello die de overleden vrouw bespeelde, of twee sigaretten die de rechercheur van politie rookt tussen de verhoren door, de geur van een sinaasappel of gewoon de nacht. Het verhaalperspectief voelt daardoor zodanig rijk en volledig aan dat je als lezer het gevoel krijgt nu wel zo ongeveer alles – en nog meer dan dat – van deze geschiedenis en haar context te weten. Je wordt er haast letterlijk in ondergedompeld.

Die vorm trekt alle aandacht, waardoor je haast over het hoofd ziet dat de keuze daarvoor een heel slimme is. Een ontsporing als in de woongroep ‘Klank en liefde’ roept allerlei reacties op. Zeker zoiets extreems als het luchtdieet dat de leden volgden. Daarbij eet en drink je zo weinig mogelijk en geef je je intensief over aan meditatie. Door dit gegeven door vijfentwintig stemmen te laten beschrijven en becommentariëren, heeft Blees de vrije hand om alle voors en tegens een plek te geven. De schuldvraag blijkt mede daardoor ook een lastige, zowel voor de recherche als voor jou als lezer. Een fascinerend experiment.

Gerda Blees / Wij zijn licht / Luisterboek, voorgelezen door Maartje van de Wetering / 6 uur en 31 minuten / Uitgeverij Podium, via Storytel

zondag 18 april 2021

Duitse bruiloft

Pieter Waterdrinker zet zaken graag stevig aan. Je zal hem niet snel betrappen op onduidelijkheden die voortkomen uit een nét iets te subtiel uitgewerkt verhalend element. Dit is niet negatief bedoeld. De bij vlagen rondborstige stijl en het grote gebaar passen prima bij zijn verhalen, maken ze heel vlot leesbaar. Dit geldt ook voor Duitse bruiloft, een vroege roman uit 2005. Het verhaal is overzichtelijk: Liza Bender, de enige dochter van een Keulse worstfabrikant, komt met haar ouders naar Zandvoort om te trouwen met Ludo Bagman, de oudste zoon van een hoteliersechtpaar. Het is eind jaren vijftig, in Duitsland is het Wirtschaftswunder op stoom gekomen, terwijl in Nederland de omgang met Duitsland en Duitsers nog altijd heel gevoelig ligt, zelfs in een badplaats die er eigenlijk naar hunkert weer door onze oosterburen te worden overspoeld. 

Dit gegeven nodigt uit tot bespiegelingen over vijandschap en vriendschap, schuld en vergiffenis, en zeker tot het creëren, aan de hand van de opvattingen en gevoelens van de belangrijkste personages, van een tijdsbeeld. Ook het decor leent zich daar immers prima voor. Waterdrinker doet dat ook, in die zin krijg je als lezer een goed en soms amusant beeld van het dorpse leven achter de schermen in een kleine badplaats, net vóór de maatschappelijke omwentelingen van de jaren zestig. 

Maar Waterdrinkers ambitie reikte in zijn vierde boek verder dan dat. Hij maakte er een stevige zwarte komedie van, waarin ieder van de personages een geheim met zich meedraagt. Liza is niet zwanger van Ludo, zoals ze wel beweert om zo de toestemming van haar ouders te krijgen voor het huwelijk. Ludo heeft tijdens zijn laatste uitspattingen als vrijgezel een geslachtsziekte opgelopen, waardoor hij zich wekenlang – ook tijdens de huwelijksnacht – zal moeten onthouden van seks. Kati Bender, de moeder van Liza, is verslaafd aan de drank en aan stevige mannen, waarvoor de daags na het huwelijk zal afreizen naar een wellnessfarm in de Beierse Alpen. Hans Matti, Liza’s vader, onderhoudt een maîtresse in Hamburg. Jacob Bagman, de vader van Ludo, wordt er in het plaatselijke sufferdje van beschuldigd als antiekhandelaar te hebben geprofiteerd van Joden die in de oorlog hun kostbare antiek moesten verkopen. Deze geheimen zijn latent aanwezig, de mogelijkheid dat ze in de dagen rondom de bruiloft ineens zouden uitkomen, creëert de nodige spanning. 

De apotheose is niet wat je ervan verwacht. Dat hoort natuurlijk ook in een professioneel opgebouwde plot, maar in dit geval verandert ook de toon van het verhaal er compleet door. Van de term ‘zwarte komedie’ mag je dan het laatste woord wel deleten. 

Pieter Waterdrinker / Duitse bruiloft / Luisterboek, voorgelezen door Jan Donkers / 11 uur en 16 minuten / Nijgh & Van Ditmar Audiobeek, via Storytel

donderdag 15 april 2021

De andere Simenon

Georges Simenon dankt zijn roem in de eerste plaats aan de romans met inspecteur Maigret in de hoofdrol. Daarvan schreef hij er tussen 1931 en 1972 maar liefst 76, die als warme broodjes verkochten. De meeste daarvan werden ook nog eens verfilmd of bewerkt voor televisie en bereikten zo een miljoenenpubliek. Daarnaast schreef hij 117 ‘serieuze’ romans, een kleine twintig delen memoires en, als jonge journalist, onder pseudoniem talloze stuiverromans. Een productieve schrijver dus. De Maigrets heb ik ooit verslonden, de televisiefilms herinner ik me vooral vanwege het heerlijke langzame tempo. Maar een serieuze roman, of een ‘roman dur’ zoals hij ze noemde, een ‘moeilijke roman’, las ik niet eerder. Uitgeverij De Bezige Bij publiceerde recent een nieuwe vertaling van Les Anneaux de Bicêtre, maar ik las het boek in de vertaling van K.H. Romijn uit de jaren zestig, mooi uitgegeven met een omslagontwerp van Dick Bruna. Vorig jaar zomer op een boekenmarkt in Zeeland voor een euro aangeschaft. Lezen kan een ongelooflijk goedkope liefhebberij zijn.

In De klokken van Bicêtre wordt René Maugras, 54 jaar oud, succesvol uitgever van meerdere Parijse dag- en weekbladen, wakker in het ziekenhuis van Bicêtre. Hij kan zich niet bewegen, zijn stem niet gebruiken, maar ziet en hoort alles. Hij blijkt na een overdadige lunch die hij maandelijks in een goed restaurant organiseert met een tiental oude vrienden in elkaar te zijn gezakt op het herentoilet. In het ziekenhuis wordt een beroerte vastgesteld, met als voorlopig resultaat een eenzijdige verlamming. De prognose daarvan hoeft niet rampzalig te zijn, maar twee goede vrienden van Maugras die het ook overkwam leefden respectievelijk nog vijf dagen in het ziekenhuis en vijf jaar in een rolstoel. Hij beseft dan ook direct de ernst van de situatie.

Van lange dagen waarin hij verreikende beslissingen nam, met zijn bladen reputaties kon maken of breken, de gehele dag in contact stond met politici, bankiers en beroemdheden, is zijn wereld ineens niet groter dan zijn privékamer met privézuster in het ziekenhuis. Hij wordt op zichzelf teruggeworpen en gaat, nadat een week na het ongeval zijn conditie ietwat verbeterd, zijn leven overdenken. En moet vaststellen dat, wanneer de schone schijn van het succes, het geld en de contacten is weggevallen, het beeld zakelijk en privé veel minder rooskleurig is. De relatie met zijn echtgenote is problematisch, eigenlijk zijn ze altijd vreemden voor elkaar gebleven. Het verzoek van zijn hoofdredacteur en directeur om zich gaandeweg weer met het werk te bemoeien houdt hij af, weigert zelfs en telefoon op zijn kamer te laten installeren. Want wat bracht het werk hem immers aan duurzaams? Zijn tijdelijk kleine wereld, de afzondering, de mogelijkheid zaken goed te overdenken, eigenlijk geniet hij ervan en talmt met het afstaan ervan. Het is de totale ommekeer die hem bevalt.

Simenon is meesterlijk in de beschrijving van de relaties tussen Maugras en de personen rondom hem. Zuster Blanche, de privézuster, roept bij Maugras warme gevoelens op. Hij idealiseert haar, is benieuwd naar het leven dat zij leidt zoals hij dat nog nooit is geweest naar het leven van zijn vrouw. Het Bicêtre is een huis voor zieken, geestelijk gestoorden en gewone oude mannen. Hoe zij zich bewegen over de immense binnenplaats van het complex, suffen in de zon en met elkaar een praatje maken, het fascineert Maugras. Lichamelijk lijkt het goed met hem te gaan aflopen, maar geestelijk? Zal hij zich herpakken  en zijn oude leven weer gaan leiden, of is er iets wezenlijks veranderd? Simenon werkt er subtiel doserend naartoe. 

Zoals hierboven opgemerkt, wordt in het oeuvre van Simenon door critici altijd een scheiding aangebracht tussen de ‘detectives’ met inspecteur Maigret, en de ‘serieuze’ romans. Als liefhebber en dus een beetje kenner van de Maigrets, moet het mij van het hart dat ik – in ieder geval bij deze ‘serieuze’ roman – het onderscheid niet zo heel groot vind. Simenon kruipt in de huid van René Maugras en laat hem communiceren met enkelen in zijn omgeving. Dat is toch precies zijn aanpak bij het overgrote deel van de Maigrets? Die juist daardoor het niveau van de rechttoe rechtaan detectives zonder meer overstijgen.

Georges Simenon / De klokken van Bicêtre / Vertaald uit het Frans door K.H. Romijn / 207 blz / A.W. Bruna & Zoon, 1969

maandag 12 april 2021

De laatste socialiste

Na de Wende ontstond in de twee Duitslanden al snel het idee dat je voor kansen in het Westen moest zijn, en dat achterblijven in het Oosten de kwaliteit van je bestaan waarschijnlijk geen goed zou doen. Een leegloop was het gevolg, zowel in steden als meer landelijke gebieden. Inge Lohmark, lerares biologie op een middelbare school die naar Charles Darwin is genoemd, is een achterblijver. In alles verkeert zij nog in het socialistische verleden, ook in haar lesmethode die het midden houdt tussen op afstandelijke wijze college geven en drillen. Op de klasseplattegrond heeft zij bij de namen van de leerlingen van haar eigen klas een korte karakterschets geplaatst die vooral bedoeld lijkt om het overwicht te helpen handhaven. 'Ken uw vijand', zogezegd. Ze spreekt haar leerlingen ook onveranderlijk met 'U' aan, ook daarmee aangevend dat ze niet uit is op al te veel zinvol persoonlijk contact. Haar bespiegelingen, vooral die over haar leerlingen, zijn doorspekt met het gedachtengoed en vooral het jargon van de naamgever van de school. De klassedocent als koele observator van de groep die ze juist tegen haar hart zou moeten drukken.

Judith Schalansky vertelt haar verhaal vanuit het hoofd van mevrouw Lohmark. Geen moment verlaat ze dat brein. Op een gegeven moment krijg je als lezer het gevoel één lange, continue overpeinzing van een dwangmatige geest te lezen. Een ietwat claustrofobische sensatie. 

Het verhaal overtuigt wel. Dat is vooral omdat na de val van de muur in de voormalige DDR de samenleving op verschillende manieren uit elkaar getrokken werd, en je je goed kan voorstellen dat reacties als van mevrouw Lohmark daarvan het gevolg zijn geweest.  Haar leven buiten de school deelt ze met ene Wolfgang, die een fokkerijtje van struisvogels heeft opgezet dat aardig loopt, en daardoor wordt gezien als een succesverhaal. Hoe zielig kan het zijn.

Schalansky heeft haar boek verlucht met tekeningen van dieren en planten van eigen hand. Op een voor mij ongrijpbare wijze geeft dat wat lucht, wat dit strak vertelde relaas wel kan gebruiken. 

Judith Schalansky / De lessen van mevrouw Lohmark / Vertaald uit het Duits door Goverdien Hauth-Grubben / 222 blz / Signatuur, 2012

vrijdag 9 april 2021

Dood van een kluizenaar

Daniel was misschien ietwat zonderling. Hij boerde op een bedrijf in het Belgische Henegouwen, vlak tegen de grens met Frankrijk. Hij was alleen, woonde als het ware samen met zijn vijf witblauwe dikbilkoeien die hij bij hun naam aansprak. Hij had nog wat land, maar het grootste deel had hij in de loop der jaren van de hand gedaan. Eens in de week reed hij voor zijn boodschappen met zijn tractor naar de plaatselijke supermarkt. Daar hadden ze hem gevraagd tegen sluitingstijd te komen, dan was het meestal wat rustiger. Daniel verspreidde namelijk een nogal penetrante lichaamsgeur. Zijn boodschappen betaalde hij altijd contant, hij trok dan een met bankbiljetten gevuld plastic zakje uit de binnenzak van zijn overjas. Hij was 84. In 2014 werd hij laat op een avond thuis overvallen, beroofd van zijn geld en mishandeld. De boerderij werd in brand gestoken, waarschijnlijk om de sporen te wissen. Daniel overleefde het niet.

Daniel had al in geen twintig jaar contact gehad met zijn familie. Die stond dan ook niet te springen om na zijn dood de zaken af te wikkelen. Dat vroegen ze aan Chris De Stoop, een neef van Daniel. Die ging aan de slag met de verzekering en verkocht met hulp van een makelaar wat er restte van de boerderij, inclusief de koeien. Ook vertegenwoordigde hij de familie tijdens de rechtszaak tegen de schuldigen, die al snel na de roof werden gearresteerd.

De daders bleken jongelui die afkomstig waren uit de banlieu van Roubaix. Jongens van allochtone afkomst, die via via hadden gehoord van het pak geld waarmee Daniel boodschappen deed. Ze waren laat in de avond zijn boerderij binnengedrongen, hadden hem zwaar mishandeld en waren er met de inhoud van een geldkist vandoor gegaan. Later waren ze nog teruggekomen om de boerderij in brand te steken, om hun sporen uit te wissen. Dat bleek een nutteloze exercitie, want met de buit kochten ze dure gadgets. Een tweedehands auto, een dure IPhone en andere zaken. Dat viel op, daardoor werden ze gepakt.

De Stoop is een boerenzoon. Zijn ouderlijke boerderij stond in de Zaligempolder, in Zeeuwsch-Vlaanderen. De naastgelegen polder, de Hedwigepolder, geniet landelijke bekandheid sinds de regering besloot deze in het kader van natuurcompensatie aan de Westerschelde terug te geven. In 2015 schreef De Stoop daarover het indrukwekkende Dit is mijn hof (zie dit blog, 21 februari 2016), een grondig gedocumenteerd verslag en analyse van de gevolgen van die operatie voor de boeren en bewoners van de streek. Ook ditmaal duikt hij in de zaak. De beschrijving die hij geeft van zijn oom, diens geschiedenis en diens manier van leven is indrukwekkend. Lijnrecht daarop staat de wereld van de aanslagplegers, de inhoudsloze consumptiemaatschappij met haar bling-bling. Daniel paste daar niet in, zijn aanvallers zagen hem dan ook als een hen wezensvreemd element waarmee ze geen mededogen voelden – als ze dat vermogen tot empathie überhaupt al bezaten.

De Stoop leest dit luisterboek zelf voor, wat het heel authentiek doet aanvoelen. Zijn verontwaardiging klinkt oprecht evenals later, wanneer de hoofdschuldigen worden veroordeeld en hij daarna contact met hen zoekt, het besef dat de jongens hier mogelijk niet heel veel van hebben geleerd. Berusting. Met de kanttekening dat de vastlegging van het gebeurde ervoor zorgt dat het misschien niet helemaal voor niets is geweest. 

Chris De Stoop / Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 8 uur en 19 minuten / De Bezige Bij, Uitgeverij De Audioboek, via Storytel