In 2008 fietste Ilja Leonard Pfeijffer met zijn vriendin van Leiden naar Rome. Zij keerden niet terug en wonen sindsdien in Italië. In Genua, de stad waar zij tijdens hun doortocht verliefd op werden. In zijn nieuwe roman La Superba - dat is de bijnaam van Genua - beschrijft Pfeijffer de stad. De vorm die hij daarvoor heeft gekozen is niet die van de reisgids, en ook niet die van een stadsgeschiedenis. Wat hij wel doet is veel persoonlijker. Hij beschrijft de lotgevallen van ene Ilja Leonard Pfeijffer, afkomstig uit een Noordeuropees land, die zich vestigt in Genua. Deze Pfeijffer is daar om een roman te schrijven over de stad. Hij bewoont een klein appartement in een vervallen gebouw in het historische centrum. Hij leeft buiten, zit van het vroege voorjaar tot het late najaar op terrasjes en dwaalt door de stad om haar te leren kennen. Hij maakt vrienden, probeert een eigen plek te vinden tussen de Italianen. Hij is zijn geboorteland ontvlucht omdat alles daar te geregeld was, zijn imago als schrijver er vastgetimmerd leek, het leven er te voorspelbaar werd. In Genua hoopt hij 'wakker te worden in een nieuwe stad waar niets vanzelf spreekt en waar ik het voorrecht heb om mezelf helemaal opnieuw uit te vinden'.
Genua is een stad met een lange en roemrijke geschiedenis. Het heeft een historisch centrum met eeuwenoude gebouwen en een omvangrijk labyrint van middeleeuwse straten en steegjes waarin je gemakkelijk verdwaalt. Het is een in zichzelf besloten wereld waar Pfeijffer zich vol overgave in onderdompelt. Hij wordt verliefd op 'het mooiste meisje van Genua', de serveerster in zijn vaste bar. Een aan alcohol verslaafde Schot die al twintig jaar in Genua woont vertelt hem zijn levensverhaal. Hij leert Afrikanen kennen, die net als hij naar Italië zijn gekomen op zoek naar een ander en beter leven. Hij neemt deel aan een poging een leegstaand theatertje over te nemen en loopt tegen de mores van de maffia en de ambtenarij aan. Een oudere vrouw ziet in hem haar persoonlijke gigolo. En hij vindt een been, gehuld in een sexy kous, wat leidt tot opmerkelijke verwikkelingen. Het is een bonte stoet aan verhalen, de ene keer ontroerend, dan weer hilarisch. Tezamen tonen ze Genua als een stad met een ziel, een stad die aanleiding geeft tot verlangen en fantaseren, een stad die iets toevoegt aan je leven. Het boek is een liefdesverklaring.
Pfeijffer speelt een amusant spel met de werkelijkheid. In de eerste plaats zijn daar al de twee Pfeijffers, het romanpersonage en de echte die je als lezer kent. Zij zijn grotendeels identiek en lijken in het verhaal één-en-dezelfde persoon te zijn, maar dan opeens weer niet. Dan is er de naam van de bar waar het mooiste meisje van Genua werkt: Bar met de Spiegels. Is zijn verliefdheid echt of is het een reflectie? Wanneer de roman-Pfeijffer tegen het einde van het verhaal zijn zekerheden verliest krijgt de werkelijkheid absurde trekjes. Of is het gewoon een onwaarschijnlijke fantasie?
Leesplezier betekent voor mij dat ik wil worden verrast. En wil worden uitgedaagd om een verhaal dat soms niet eenduidig is toch te doorgronden. Dat leesplezier biedt La Superba volop. Daarbij weet Pfeijffer (de echte!) zijn liefde voor de stad over te brengen. Hij doet dat in een prachtige taal, nu eens poëtisch, dan weer spitsvondig, altijd beeldend.
zaterdag 9 maart 2013
vrijdag 8 maart 2013
Kunst of liefde
Remco Campert is een meester op de korte baan. Zowel in zijn gedichten als in zijn niet al te lange romans weet hij veel te zeggen met weinig woorden. Zijn roman Het satijnen hart uit 2006 is daar een goed voorbeeld van. Hoofdpersoon is Hendrik van Otterlo, een beeldend kunstenaar van tegen de tachtig. Wanneer hij het overlijdensbericht ontvangt van Cissy, een vriendin met wie hij twintig jaar geleden brak, is dat de aanleiding tot nadenken over zijn leven. De breuk met Cissy was een bewuste keuze van Van Otterlo. Hij vond dat haar liefde hem afleidde van het scheppen van kunst. Dus koos hij voor de kunst, zoals hij dat vaker in zijn leven had gedaan. In de nacht van de breuk schilderde hij nog een zelfportret, dat hij als zijn beste werk beschouwt. Daarna sloot hij zijn atelier en kwam er nooit meer terug. De laatste twintig jaar werkte hij thuis, maar werk van enig niveau kwam niet meer tot stand. Inmiddels is zijn lichamelijke aftakeling begonnen. Het enige familielid dat hem nog bezoekt is zijn halfzuster Bettina, die hem komt wassen. Zijn beste vriend is Jongerius jr., een jeugdvriend en schildercollega. Deze komt regelmatig een borrel drinken en bijpraten. In tegenstelling tot de nurkse, uitgebluste en teruggetrokken Van Otterlo staat Jongerius nog volop in het leven.
De flashbacks van Van Otterlo vormen de enige handeling in deze roman. Geleidelijk realiseert hij zich dat de keuze voor de kunst, ten koste van de liefde, van hem geen betere kunstenaar heeft gemaakt. En misschien ook geen beter mens. Wanneer zijn oude atelier dreigt te worden afgebroken laat hij zich door een actiegroep verleiden te helpen dat te voorkomen. Wanneer hij dan voor het eerst zijn atelier bezoekt en de inboedel, waaronder het zelfportret, vernield is of verloren gegaan, neemt hij voor het eerst in twintig jaar een beslissing.
Campert was 76 toen dit boek verscheen, dus zelf een oude man. Dat merk je, hij kan het besef van ouderdom en de naderende dood invoelbaar maken. Dat effect werd nog versterkt omdat ik het luisterboek las, door hemzelf voorgelezen.
De flashbacks van Van Otterlo vormen de enige handeling in deze roman. Geleidelijk realiseert hij zich dat de keuze voor de kunst, ten koste van de liefde, van hem geen betere kunstenaar heeft gemaakt. En misschien ook geen beter mens. Wanneer zijn oude atelier dreigt te worden afgebroken laat hij zich door een actiegroep verleiden te helpen dat te voorkomen. Wanneer hij dan voor het eerst zijn atelier bezoekt en de inboedel, waaronder het zelfportret, vernield is of verloren gegaan, neemt hij voor het eerst in twintig jaar een beslissing.
Campert was 76 toen dit boek verscheen, dus zelf een oude man. Dat merk je, hij kan het besef van ouderdom en de naderende dood invoelbaar maken. Dat effect werd nog versterkt omdat ik het luisterboek las, door hemzelf voorgelezen.
vrijdag 1 maart 2013
Opwaaiende zomerjurken
Soms lees je een boek en blijft een passage je lange tijd bij. Zo ook deze: 'Maar toen opeens [....] was er alleen nog het suizen van de wind, het fladderen van hun jurken en leek het of hij zich na een lange lange aanloop in de lucht verhief en in plotselinge stilte wegzweefde. Een onbeschrijflijk licht en ruim gevoel. Hij zat nog gewoon op die wiebelende bagagedrager. Hij voelde de heupen van zijn moeder bewegen onder zijn handen. Hij zag de gespierde benen van mevrouw Koelman. En die zomerjurken, nu eens klevend aan hun benen, dan weer opbollend als kleine parachutes. Alles was gewoon zoals het was. Maar hij hoorde bij alles en zweefde'. Dit gevoel van geluk en vrijheid doorstroomt de achtjarige Edo Mesch. Het is een uitzonderlijk moment voor hem, want hij is een onzekere jongen die zich het veiligst voelt wanneer hij zich terugtrekt in een zelfgecreëerde fantasiewereld waarin hij Oskar Vanille heet. Negen jaar later, in het tweede deel van het boek, probeert hij die onzekerheid te beheersen door een systeem te bedenken waarin hij alles een plek kan geven. Maar het lukt hem nauwelijks zijn gevoelsleven onder controle te krijgen. Als 24-jarige heeft hij een 'scherm der reflectie' om zich opgetrokken waarachter hij zich veilig voelt. Iedere interactie met anderen, ieder gevoel wordt getoetst alvorens hij besluit hoe ermee om te gaan. Tegen het einde van het boek wordt duidelijk dat Edo langzaamaan de wilskracht ontwikkelt om zichzelf te accepteren, het leven onbevreesder tegemoet te treden.
Dit klinkt als een Bildungsroman en dat is Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong ook wel. Vrijwel voortdurend verkeer je als lezer in het hoofd van Edo Mesch. De Jong doet dat knap. Edo's houding tegenover de buitenwereld is vaak stug, zijn optreden soms ronduit irritant, zijn gevoelsleven af en toe geneuzel op de vierkante centimeter. Zijn aaibaarheidsfactor is laag, zullen we maar zeggen. Maar juist omdat hij zo'n uitgesproken karakter is worden zijn gedrag en gevoelsleven interessant. Het sprankelende taalgebruik van De Jong is een genot. Hij kan situaties heel beeldend en lyrisch beschrijven. Het bovenstaande citaat is daar een voorbeeld van.
Ik herlas dit boek als luisterboek, zoals ik dat al twee jaar regelmatig doe met mijn eigen 'klassiekers'. Het boek verscheen in 1979, in mijn paperback staat de datum 1982. Dat was toen al de 24ste druk. Ik herinner me dat ik indertijd diep onder de indruk was, dat ik rondbazuinde hoe geweldig het boek was. Zo had ik het ook in mijn hoofd opgeslagen. En nu, dertig jaar later? Ik vind het nog steeds een goed boek, maar heb het bij lezing veel afstandelijker beleefd dan toen. Ik werd er niet meer door 'gegrepen', genoot nu vooral van de literaire kwaliteit, het vakmanschap waarmee het is geschreven. Voor het voorlezen door Gijs Scholten van Aschat niets dan lof.
Dit klinkt als een Bildungsroman en dat is Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong ook wel. Vrijwel voortdurend verkeer je als lezer in het hoofd van Edo Mesch. De Jong doet dat knap. Edo's houding tegenover de buitenwereld is vaak stug, zijn optreden soms ronduit irritant, zijn gevoelsleven af en toe geneuzel op de vierkante centimeter. Zijn aaibaarheidsfactor is laag, zullen we maar zeggen. Maar juist omdat hij zo'n uitgesproken karakter is worden zijn gedrag en gevoelsleven interessant. Het sprankelende taalgebruik van De Jong is een genot. Hij kan situaties heel beeldend en lyrisch beschrijven. Het bovenstaande citaat is daar een voorbeeld van.
Ik herlas dit boek als luisterboek, zoals ik dat al twee jaar regelmatig doe met mijn eigen 'klassiekers'. Het boek verscheen in 1979, in mijn paperback staat de datum 1982. Dat was toen al de 24ste druk. Ik herinner me dat ik indertijd diep onder de indruk was, dat ik rondbazuinde hoe geweldig het boek was. Zo had ik het ook in mijn hoofd opgeslagen. En nu, dertig jaar later? Ik vind het nog steeds een goed boek, maar heb het bij lezing veel afstandelijker beleefd dan toen. Ik werd er niet meer door 'gegrepen', genoot nu vooral van de literaire kwaliteit, het vakmanschap waarmee het is geschreven. Voor het voorlezen door Gijs Scholten van Aschat niets dan lof.
zaterdag 23 februari 2013
Een Heer van Stand
'Minkukel / denkraam / kommer en kwel / oplettende lezertjes / een heer van stand / als je begrijpt wat ik bedoel / een eenvoudige doch voedzame maaltijd': ik denk dat er weinig lezers zijn die bij het lezen van deze termen niet doorhebben dat ze afkomstig zijn uit de stripverhalen over Tom Poes en Olivier B. Bommel. Bedacht en grotendeels getekend door Marten Toonder. De eerste strip verscheen in 1941 in De Telegraaf, de 177ste en laatste in 1985/86 in de NRC. De strips, de personages en de taal zijn inmiddels deel van ons cultureel erfgoed.
In Marten Toonder. Biografie beschrijft Wim Hazeu uitvoerig en met oog voor detail het leven en werk van Marten Toonder. Al op jonge leeftijd komt hij in aanraking met strips doordat zijn vader, die kapitein op de wilde vaart is, Amerikaanse zondagsbladen voor hem meeneemt. Daarin staan de weekly comics. De jonge Marten vindt vooral 'Felix the cat' geweldig. Deze is zwart, zijn kat (poes) zal wit zijn.
Hazeu beschrijft mooi hoe de strip zich de eerste jaren ontwikkelt. Hoe heer Bommel al binnen korte tijd de rol van hoofdpersoon overneemt van Tom Poes. En hoe en wanneer de ons nu zo bekende figuren als Joost, Wammes Waggel, ambtenaar Dorknoper, juffrouw Doddeltje, markies de Canteclaer en niet te vergeten de oude schicht de strip binnenkomen. Ook Bommelstein en Rommeldam hebben hun eigen ontstaansgeschiedenis.
Na de Tweede Wereldoorlog bouwt Toonder zijn stripactiviteiten uit tot een bedrijf, Toonder Studio's, dat zich ook toelegt op het maken van films. Dat zijn voornamelijk reclamefilms voor bedrijven, maar in de zijlijn wordt er ook gewerkt aan plannen voor 'echte' films. Een volwaardige tekenfilm over Tom Poes en heer Bommel blijft lange tijd een droom van Toonder. Die zou hij pas in 1983, in samenwerking met Rob Houwer, verwezenlijken. Toonder leidt dit bedrijf met hart en ziel. Hij is de creatief eindverantwoordelijke voor de meer dan twintig verschillende strips die worden geproduceerd en verkocht aan tientallen dag- en weekbladen in Europa en de Verenigde Staten. Daaronder bevinden zich Eric de Noorman (getekend door Hans Kresse) en Kappie. Voor deze laatste strip schrijft ook zijn echtgenote Phiny Dick mee. Daarnaast is hij intensief betrokken bij de productie van de reclame- en bedrijfsfilms. Langzaamaan realiseert hij zich dat de voortdurende werkdruk een nadelige invloed heeft op zijn privéleven en op de kwaliteit van zijn Bommelstrips.
In 1951 maken Toonder en Phiny Dick een reis naar Ierland. Toonder is direct gegrepen door het landschap. De oerbossen, de stenen, de meren en het ongrijpbare van de Keltische overleveringen maken diepe indruk op hem. Ter plekke besluit hij dat hij zich zal terugtrekken uit de zaak en dat hij en Phiny hier gaan wonen. Waar hij zich geheel aan de Bommelstrip kan wijden. Om praktische en financiële redenen zal het nog tot 1965 duren voor dat voornemen werkelijkheid wordt.
Na 1965 is Toonder verlost van de dagelijkse verantwoordelijkheid voor het bedrijf. De Bommelstrips profiteren daarvan, veel van de beste afleveringen ontstaan in de periode 1965-1985. Voor de verhaallijnen overlegt hij als vanouds met zijn broer Jan Gerhard, voor de productionele ondersteuning maakt hij nog steeds gebruik van tekenaars van de Toonder Studio's. Maar de afzondering en de artistieke 'rust' hebben als gevolg dat de inhoud van de strips én de toenemende mate van maatschappijkritiek weloverwogen, subtiel en doordacht is.
Hazeu beschrijft het leven van Toonder op de voor hem kenmerkende wijze, in vogelvlucht. Hij is de biograaf die het geheel overziet en een gedetailleerd totaalbeeld schetst. Hij geeft ook hier, net als bij zijn eerdere biografieën over Achterberg, Slauerhof en Vestdijk geen uitvoerige en diepgaande analyse van afzonderlijke werken. Maar omdat hij een overvloed aan feiten presenteert én hij ook gevoel heeft voor de persoonlijke, artistieke en emotionele aspecten van Toonder's leven heb ik deze biografie met ontzettend veel plezier gelezen. Dat merkte ik ook bij de passage waarin Hazeu beschrijft hoe Toonder op 3 oktober 1985 in samenwerking met zijn tekenaar Piet Wijn begint aan zijn laatste Bommelstrip, Heer Bommel en het einde van eindeloos: ik kreeg een brok mijn keel. Kortom: een meeslepende biografie.
In Marten Toonder. Biografie beschrijft Wim Hazeu uitvoerig en met oog voor detail het leven en werk van Marten Toonder. Al op jonge leeftijd komt hij in aanraking met strips doordat zijn vader, die kapitein op de wilde vaart is, Amerikaanse zondagsbladen voor hem meeneemt. Daarin staan de weekly comics. De jonge Marten vindt vooral 'Felix the cat' geweldig. Deze is zwart, zijn kat (poes) zal wit zijn.
Hazeu beschrijft mooi hoe de strip zich de eerste jaren ontwikkelt. Hoe heer Bommel al binnen korte tijd de rol van hoofdpersoon overneemt van Tom Poes. En hoe en wanneer de ons nu zo bekende figuren als Joost, Wammes Waggel, ambtenaar Dorknoper, juffrouw Doddeltje, markies de Canteclaer en niet te vergeten de oude schicht de strip binnenkomen. Ook Bommelstein en Rommeldam hebben hun eigen ontstaansgeschiedenis.
Na de Tweede Wereldoorlog bouwt Toonder zijn stripactiviteiten uit tot een bedrijf, Toonder Studio's, dat zich ook toelegt op het maken van films. Dat zijn voornamelijk reclamefilms voor bedrijven, maar in de zijlijn wordt er ook gewerkt aan plannen voor 'echte' films. Een volwaardige tekenfilm over Tom Poes en heer Bommel blijft lange tijd een droom van Toonder. Die zou hij pas in 1983, in samenwerking met Rob Houwer, verwezenlijken. Toonder leidt dit bedrijf met hart en ziel. Hij is de creatief eindverantwoordelijke voor de meer dan twintig verschillende strips die worden geproduceerd en verkocht aan tientallen dag- en weekbladen in Europa en de Verenigde Staten. Daaronder bevinden zich Eric de Noorman (getekend door Hans Kresse) en Kappie. Voor deze laatste strip schrijft ook zijn echtgenote Phiny Dick mee. Daarnaast is hij intensief betrokken bij de productie van de reclame- en bedrijfsfilms. Langzaamaan realiseert hij zich dat de voortdurende werkdruk een nadelige invloed heeft op zijn privéleven en op de kwaliteit van zijn Bommelstrips.
In 1951 maken Toonder en Phiny Dick een reis naar Ierland. Toonder is direct gegrepen door het landschap. De oerbossen, de stenen, de meren en het ongrijpbare van de Keltische overleveringen maken diepe indruk op hem. Ter plekke besluit hij dat hij zich zal terugtrekken uit de zaak en dat hij en Phiny hier gaan wonen. Waar hij zich geheel aan de Bommelstrip kan wijden. Om praktische en financiële redenen zal het nog tot 1965 duren voor dat voornemen werkelijkheid wordt.
Na 1965 is Toonder verlost van de dagelijkse verantwoordelijkheid voor het bedrijf. De Bommelstrips profiteren daarvan, veel van de beste afleveringen ontstaan in de periode 1965-1985. Voor de verhaallijnen overlegt hij als vanouds met zijn broer Jan Gerhard, voor de productionele ondersteuning maakt hij nog steeds gebruik van tekenaars van de Toonder Studio's. Maar de afzondering en de artistieke 'rust' hebben als gevolg dat de inhoud van de strips én de toenemende mate van maatschappijkritiek weloverwogen, subtiel en doordacht is.
Hazeu beschrijft het leven van Toonder op de voor hem kenmerkende wijze, in vogelvlucht. Hij is de biograaf die het geheel overziet en een gedetailleerd totaalbeeld schetst. Hij geeft ook hier, net als bij zijn eerdere biografieën over Achterberg, Slauerhof en Vestdijk geen uitvoerige en diepgaande analyse van afzonderlijke werken. Maar omdat hij een overvloed aan feiten presenteert én hij ook gevoel heeft voor de persoonlijke, artistieke en emotionele aspecten van Toonder's leven heb ik deze biografie met ontzettend veel plezier gelezen. Dat merkte ik ook bij de passage waarin Hazeu beschrijft hoe Toonder op 3 oktober 1985 in samenwerking met zijn tekenaar Piet Wijn begint aan zijn laatste Bommelstrip, Heer Bommel en het einde van eindeloos: ik kreeg een brok mijn keel. Kortom: een meeslepende biografie.
zaterdag 16 februari 2013
Zeeman met Benali
Van 1995 tot 2002 presenteerde Michael Zeeman bij de VPRO het programma Zeeman met boeken. Laat op de avond, herinner ik me, zo tegen middernacht. In een zwart decor zaten daar vier of vijf heren - en soms een dame - aan een tafel en spraken over recent verschenen boeken. De sfeer was informeel. Een bespreking werd meestal door Zeeman ingeleid, daarna nam een van de tafelgenoten het over en vervolgens ontstond een discussie waaraan iedereen het zijne bijdroeg. Soms waren deze discussies heel helder, andere keren weer wat wollig. Wat mij van het programma vooral is bijgebleven is de bevlogenheid die Zeeman uitstraalde. Zijn credo leek te zijn dat literatuur een plek in je leven moet hebben, dat het lezen van boeken je leven verrijkt, je aan het denken zet. Ik noteerde de uitzendingen in mijn agenda, bleef er zo mogelijk voor thuis, want Uitzending gemist bestond nog niet. Toen het programma in 2002 werd stopgezet was ik bedroefd.In 2002 verhuisde Michael Zeeman naar Rome, waar hij correspondent werd voor de Volkskrant. Hij berichtte over het actuele nieuws, maar ook over kunst, cultuur, literatuur en nog veel meer. In Rome woonde ook Abdelkader Benali met zijn Italiaanse vriendin. Zeeman en Benali raakten bevriend, ontmoetten elkaar regelmatig en begonnen een briefwisseling. Een moderne, in de vorm van e-mails. Wie kan het paradijs weerstaan. Romeinse brieven bevat hun correspondentie van juni 2003 tot februari 2005.
Hoewel Zeeman en Benali elkaar op het persoonlijke vlak uitstekend aanvoelen, zijn ze in literair opzicht twee volstrekt verschillende persoonlijkheden. Benali is een jonge schrijver, hij bouwt geconcentreerd en gestaag aan een oeuvre. Zeeman is de literaire criticus, hij is belezen, bezit een bibliotheek met 40.000 boeken en overziet het hele veld. Door zijn correspondentschap is hij gedwongen veel werk op de korte baan te verrichten. Ook laat hij zich vaak strikken om bij literaire evenementen dagvoorzitter of gespreksleider te zijn. Hij versnippert zijn talent, denk je dan onwillekeurig.
Bij een correspondentie als deze is de kernvraag altijd of de inhoud de moeite waard is. Voor twee mensen die zo zijn verweven met het Nederlandse literaire wereldje is het verleidelijk om in de briefwisseling in te gaan op allerlei kleine en grotere schandaaltjes, een persoonlijke vete en andere zaken die er voor de lezer weinig toe doen. Zeeman vertoont in zijn brieven wel eens die neiging - NRC Roddelblad is een favoriet van hem - maar het blijft gelukkig binnen de perken. De heren hebben het uitvoerig over favoriete schrijvers en raden elkaar boeken aan. Hun enthousiasme is aanstekelijk, aan het einde van het boek had ook ik een lijstje opgesteld. Het debat over de islam werd in 2004 in alle hevigheid gevoerd, in november van dat jaar nog aangewakkerd door de moord op Theo van Gogh. Ook dat levert interessante brieven op. Tot slot zijn zowel Zeeman als Benali vrij openhartig over hun privéleven, wat ik dan maar als een toegift beschouw.
Is dit essentiële literatuur? Nee, zeker niet. Maar wanneer je zoals ik geïnteresseerd bent in Michael Zeeman en zijn passie voor literatuur en bovendien hebt genoten van Zeeman met boeken - waar is zo'n programma nu? - is het boek zeker de moeite waard.
zondag 27 januari 2013
Great American Novel
In haar roman May We Be Forgiven doet A.M. Homes precies wat je van haar verwacht: ze bouwt een verhaal op rond een stel doorsnee Amerikanen, gooit daarin hun leven overhoop, doorspekt het geheel met (zwarte) humor en absurde ontwikkelingen, handhaaft een hoog tempo en laat dit alles tegelijk een subtiel commentaar zijn op de huidige samenleving in de Verenigde Staten. In meerdere recensies heeft het boek dan ook het predicaat 'Great American Novel' gekregen.
Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Harold Silver, een historicus van middelbare leeftijd die doceert en daarnaast al jaren werkt aan een lijvige biografie van Richard Nixon. Hij heeft een broer, George, die geslaagd is in het leven: baas van een televisiestation, rijk, een prachtig huis, jonge kinderen en een heel mooie vrouw, Jane. Harold vindt hem een tiran, een snoever, een bullebak.
De roman begint tijdens het vieren van Thanksgiving in het huis van George en Jane. Daar wordt Harold tijdens de afwas onverwachts vol op de mond gekust door Jane, wat zijn gemoedsrust in de weken daarna danig aantast. Wanneer George enige tijd later een aanrijding veroorzaakt waarbij een echtpaar in de andere auto omkomt wordt hij, omdat hij verward lijkt, in een inrichting opgenomen voor een psychiatrisch onderzoek. Harold, wiens echtgenote voor haar werk in het buitenland is, trekt tijdelijk bij Jane in om haar bij te staan. Al snel ontstaat een verhouding tussen hen twee. Op een nacht ontsnapt George uit de inrichting, betrapt Harold en Jane en slaat vervolgens zijn vrouw de schedel in met de schemerlamp naast haar bed. Jane overlijdt in het ziekenhuis, George belandt in de gevangenis en Harold wordt benoemd tot voogd over de kinderen van George en Jane. Als hij tegelijkertijd zijn baan verliest en zijn vrouw hem verlaat, besluit hij het huis van zijn broer en schoonzus te betrekken, daar voor de kinderen te zorgen en zijn biografie af te maken. Deze omwenteling in Harolds leven wordt door Homes in een flitsend tempo in nauwelijks veertig bladzijden verteld.
De rest van de roman gaat over de consequenties van Harolds besluit. De essentie daarvan is dat hij een completer mens wordt doordat hij zich bewuster wordt van zijn naasten, zich realiseert dat hij om hen geeft en met hen wil samenleven. Een gevoel dat haaks staat op de ontwikkeling in de maatschappij, waar mensen steeds vaker geen echt contact meer hebben met anderen, of hoogstens via vormen van pseudocontact als twitter en Facebook. Zo samengevat lijkt dit enigszins zoet of moralistisch, maar die valkuil weet Homes te vermijden. Ze schrijft zonder opsmuk. De handeling is belangrijk, ontwikkelingen gaan snel. Veel daarvan heeft te maken met de gezinssituatie, maar ook maatschappelijke onderwerpen als justitie, bureaucratie, de medische wereld, kostscholen, ouderenzorg en internetseks komen aan bod. De soms typisch Amerikaanse situaties beschrijft zij met ironie en humor. De dialogen zijn ijzersterk en vaak geestig. Kortom: als lezer krijg je een veelzijdig en glashelder beeld van het hedendaagse Amerika. Verpakt in een vlot verteld, soms een beetje sterk aangezet, maar meeslepend verhaal.
Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Harold Silver, een historicus van middelbare leeftijd die doceert en daarnaast al jaren werkt aan een lijvige biografie van Richard Nixon. Hij heeft een broer, George, die geslaagd is in het leven: baas van een televisiestation, rijk, een prachtig huis, jonge kinderen en een heel mooie vrouw, Jane. Harold vindt hem een tiran, een snoever, een bullebak.
De roman begint tijdens het vieren van Thanksgiving in het huis van George en Jane. Daar wordt Harold tijdens de afwas onverwachts vol op de mond gekust door Jane, wat zijn gemoedsrust in de weken daarna danig aantast. Wanneer George enige tijd later een aanrijding veroorzaakt waarbij een echtpaar in de andere auto omkomt wordt hij, omdat hij verward lijkt, in een inrichting opgenomen voor een psychiatrisch onderzoek. Harold, wiens echtgenote voor haar werk in het buitenland is, trekt tijdelijk bij Jane in om haar bij te staan. Al snel ontstaat een verhouding tussen hen twee. Op een nacht ontsnapt George uit de inrichting, betrapt Harold en Jane en slaat vervolgens zijn vrouw de schedel in met de schemerlamp naast haar bed. Jane overlijdt in het ziekenhuis, George belandt in de gevangenis en Harold wordt benoemd tot voogd over de kinderen van George en Jane. Als hij tegelijkertijd zijn baan verliest en zijn vrouw hem verlaat, besluit hij het huis van zijn broer en schoonzus te betrekken, daar voor de kinderen te zorgen en zijn biografie af te maken. Deze omwenteling in Harolds leven wordt door Homes in een flitsend tempo in nauwelijks veertig bladzijden verteld.
De rest van de roman gaat over de consequenties van Harolds besluit. De essentie daarvan is dat hij een completer mens wordt doordat hij zich bewuster wordt van zijn naasten, zich realiseert dat hij om hen geeft en met hen wil samenleven. Een gevoel dat haaks staat op de ontwikkeling in de maatschappij, waar mensen steeds vaker geen echt contact meer hebben met anderen, of hoogstens via vormen van pseudocontact als twitter en Facebook. Zo samengevat lijkt dit enigszins zoet of moralistisch, maar die valkuil weet Homes te vermijden. Ze schrijft zonder opsmuk. De handeling is belangrijk, ontwikkelingen gaan snel. Veel daarvan heeft te maken met de gezinssituatie, maar ook maatschappelijke onderwerpen als justitie, bureaucratie, de medische wereld, kostscholen, ouderenzorg en internetseks komen aan bod. De soms typisch Amerikaanse situaties beschrijft zij met ironie en humor. De dialogen zijn ijzersterk en vaak geestig. Kortom: als lezer krijg je een veelzijdig en glashelder beeld van het hedendaagse Amerika. Verpakt in een vlot verteld, soms een beetje sterk aangezet, maar meeslepend verhaal.
vrijdag 18 januari 2013
Literaire trucs
In 1972 ontwikkelt MI5, de Britse binnenlandse veiligheidsdienst, een project waarbij tien schrijvers en journalisten een beurs krijgen zodat ze vrijgesteld zijn om boeken of artikelen te schrijven. Het geld wordt verstrekt via een keurig fonds, de auteurs weten niet dat MI5 hen betaalt. De toon van de publicaties moet positief zijn over de Westerse politiek, negatief over het communisme. Negen auteurs schrijven nonfictie, de tiende is een jonge schrijver van korte verhalen. De operatie krijgt de codenaam Sweet Tooth.
Ian McEwan's hoofdpersoon is Serena Frome: jong, blond, dochter van een Anglicaanse bisschop. Ze studeert wiskunde in Cambridge, maar eigenlijk was ze liever Engelse literatuur gaan studeren aan een minder prestigieuze universiteit. Ze is verslingerd aan romans waarin herkenbare gevoelens worden beschreven en die bovendien een happy end moeten hebben. Haar favoriete slotzin is Marry me. Tijdens haar laatste studiejaar heeft ze een relatie met een oudere professor die haar introduceert bij MI5. Daar krijgt ze ook een baan. Eerst is dit een onbeduidende functie, maar al snel krijgt ze de opdracht die tiende schrijver te benaderen, hem aan het project te verbinden en hem verder te begeleiden. Ter voorbereiding leest ze al het werk van deze schrijver, Tom Haley. Bij hun eerste ontmoeting maakt hij iets bij haar los, waarna ze al snel verliefd op hem wordt. Niet een heel professionele benadering voor iemand die inmiddels is gepromoveerd tot 'assistent desk officer' bij MI5. Maar ze geeft toe aan haar gevoelens - die wederzijds zijn - en brengt al haar weekeinden bij Haley door in Brighton. Voor haar bazen houdt ze dit geheim.
Op dit punt aangekomen - ongeveer halverwege de roman - gaat McEwan als een schaker de vruchten plukken van zijn lange voorbereiding. De stukken zijn neergezet, de achtergrondinformatie over MI5 en de politieke en sociale onrust in Engeland heb je als lezer braaf tot je genomen, het eindspel kan beginnen. En dat eindspel blijkt één lange opeenvolging van verrassingen en dubbele bodems te zijn. Spannend maar licht van toon, haast speels. Had ik in het eerste deel van het boek nog de indruk dat dit vooral een verhaal was over spionage, gaandeweg blijkt dat het eigenlijk gaat over het lezen van literatuur, over de liefde, over literaire trucs. De ontknoping is een juweel. Ik heb niet eerder een roman van McEwan gelezen die me met zo'n voldaan maar ook blij gevoel achterliet.
Ian McEwan's hoofdpersoon is Serena Frome: jong, blond, dochter van een Anglicaanse bisschop. Ze studeert wiskunde in Cambridge, maar eigenlijk was ze liever Engelse literatuur gaan studeren aan een minder prestigieuze universiteit. Ze is verslingerd aan romans waarin herkenbare gevoelens worden beschreven en die bovendien een happy end moeten hebben. Haar favoriete slotzin is Marry me. Tijdens haar laatste studiejaar heeft ze een relatie met een oudere professor die haar introduceert bij MI5. Daar krijgt ze ook een baan. Eerst is dit een onbeduidende functie, maar al snel krijgt ze de opdracht die tiende schrijver te benaderen, hem aan het project te verbinden en hem verder te begeleiden. Ter voorbereiding leest ze al het werk van deze schrijver, Tom Haley. Bij hun eerste ontmoeting maakt hij iets bij haar los, waarna ze al snel verliefd op hem wordt. Niet een heel professionele benadering voor iemand die inmiddels is gepromoveerd tot 'assistent desk officer' bij MI5. Maar ze geeft toe aan haar gevoelens - die wederzijds zijn - en brengt al haar weekeinden bij Haley door in Brighton. Voor haar bazen houdt ze dit geheim.
Op dit punt aangekomen - ongeveer halverwege de roman - gaat McEwan als een schaker de vruchten plukken van zijn lange voorbereiding. De stukken zijn neergezet, de achtergrondinformatie over MI5 en de politieke en sociale onrust in Engeland heb je als lezer braaf tot je genomen, het eindspel kan beginnen. En dat eindspel blijkt één lange opeenvolging van verrassingen en dubbele bodems te zijn. Spannend maar licht van toon, haast speels. Had ik in het eerste deel van het boek nog de indruk dat dit vooral een verhaal was over spionage, gaandeweg blijkt dat het eigenlijk gaat over het lezen van literatuur, over de liefde, over literaire trucs. De ontknoping is een juweel. Ik heb niet eerder een roman van McEwan gelezen die me met zo'n voldaan maar ook blij gevoel achterliet.
Abonneren op:
Posts (Atom)





