zondag 29 april 2018

Man, vrouw, brieven

Soms realiseer je je tijdens het lezen van een boek dat je hetgeen je net las niet snel zal vergeten. Omdat het je in emotioneel, stilistisch of ander opzicht aansprak. Mij overkwam dit in de eerste vijftig bladzijden van August Willemsen’s Bewaar deze brieven als je eigen aantekeningen. Briefwisseling met Marian Plug. We zijn dan in Amsterdam in 1957 en de jaren erna. De jonge conservatoriumstudent August Willemsen en Marian Plug, die een opleiding volgt aan de naast het Rijksmuseum gelegen Rijksnormaalschool voor Tekenleraren, hebben elkaar net ontmoet. Als Willemsen laat op de avond van 28 april een briefje van zijn vriend Jaap Hillenius bij Plug in de brievenbus moet doen, voegt hij er onder zijn eigen naam een amoureus PS aan toe. Deze daad met een hoog operettegehalte is voor de verlegen Willemsen een hele stap. Maar die leidt tot een relatie. Nou ja, een soort van relatie. Ook is het PS de eerste van een lange reeks brieven die bijna een halve eeuw zullen omspannen.

Willemsen raakt hevig verliefd op Marian Plug. Gaat die zomer ook met haar op vakantie naar Spanje. Dat daar niets gebeurt, tot zijn grote teleurstelling, komt in de brieven niet echt tot uiting. Al had hij het kunnen opmaken uit een brief van Plug van net vóór de vakantie: ‘Ik kan het níét, zelfs niet een vluchtige niets inhoudende zoen op de mond.’ Willemsen heeft het gegeven later wel mooi verwerkt in een verhaal over die reis voor het literaire tijdschrift Maatstaf. Dat verhaal is deels opgenomen in deze bundel. De reis blijkt daarin voor beiden een openbaring te zijn geweest. Ze maken kennis met een land dat in aanzien, cultuur, klimaat en leefwijze volkomen anders is dan het Nederland van de late jaren vijftig. Ze kijken hun ogen uit, zijn verrukt. Maar ze reizen er rond als broer en zus, zelfs als ze noodgedwongen een kamer of zelfs bed moeten delen. En dat terwijl Willemsen in het verhaal voor Maatstaf Marian als volgt introduceert: ‘Marian was in Blaye. Pikzwart. Zó mooi dat ik stond te trillen op mijn benen.’ Eigenlijk is het jammer dat Willemsen deze episode in zijn leven nooit uitvoeriger heeft uitgewerkt, het had een mooie kleine roman kunnen zijn.

Na afloop van de reis houden Willemsen en Plug de rest van hun leven contact met elkaar. Wat ze hebben is sterker dan een normale vriendschap, het is meer een zielsverwantschap. Ze voelen elkaar aan, begrijpen elkaar zonder woorden.

Vooral voor Willemsen zal de reis het begin blijken te zijn van passies waaraan hij de rest van zijn leven zal wijden. Hij was al een hartstochtelijk liefhebber van literatuur, tijdens de reis ontdekt hij gefascineerd te zijn door de Spaanse en Portugese taal. Vier jaar na de reis besluit hij Portugees te gaan studeren in Amsterdam – in dat jaar is hij de enige hoofdvakstudent. Hij zal uitgroeien tot onze meest vooraanstaande vertaler van Portugese en Braziliaanse schrijvers. Mede door zijn missiewerk werden Fernando Pessoa, Machado de Assis en anderen in de jaren zeventig en tachtig in Nederland veelgelezen schrijvers. In 1983 worden zijn vertalingen zelfs bekroond met de Martinus Nijhoff Prijs.

Ook zie je in de reisbrieven die hij in de jaren na 1957 aan Marian Plug schrijft dat hij met het genre aan het experimenteren slaat. Hij schrijft lange vervolgbrieven, oefent zich in uitvoerige beschrijvingen van steden en landschappen. Je ziet ook steeds meer het plezier van het schrijfproces zélf erin aan de oppervlakte komen. Hij zal zich misschien hebben gerealiseerd dat er op deze wijze een literair oeuvre aan het ontstaan was. Zo althans begrijp ik de opmerking in een brief die hij eind juni 1964 vanuit Spanje aan Marian Plug stuurt: ‘Hoe dan ook: bewaar deze brieven als je eigen tekeningen.’ De brieven vormen de opmaat van de bundels met reisbrieven die hij later zal publiceren, als hij in het zuiden gaat wonen en vervolgens naar Brazilië verhuist. Mijn kennismaking met Willemsen zo’n dertig jaar geleden was Braziliaanse brieven, een bundel met essays in briefvorm over het moderne Brazilië. In het leesschrift dat ik toen bijhield zie ik nu hoe enthousiast ik daarover was. Hoe verfrissend onconventioneel ik de vorm en stijl vond. Kortom, puur leesplezier.

Dat Marian Plug, inmiddels een gelauwerd kunstschilder, besloot om de briefwisseling met haar in 2007 overleden vriend te publiceren, en dat dit mogelijk was in de onvolprezen reeks privé-domein, is geweldig. Dat zij besloot om ook de briefwisseling uit de laatste jaren voor Willemsen’s dood op te nemen, jaren waarin hij het leven niet altijd aankon en waarin de liefde voor een dagelijks glaasje was omgeslagen in een alcoholverslaving, is toe te juichen. Dat maakt het beeld niet mooier, maar wel compleet.

August Willemsen
Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen. Briefwisseling met Marian Plug
privé-domein
302 blz
Uitgeverij De Arbeiderspers

zondag 22 april 2018

Raadselachtige verschijningen

Het verschijnen van de nieuwste roman van Haruki Murakami was jongsleden januari voor zijn Nederlandse uitgever, Atlas Contact, aanleiding uit te pakken met een groots opgezet evenement. Het cruiseschip SS Rotterdam, afgemeerd in de Rotterdamse haven, vormde het decor van een ‘Murakami Weekend’. Gedurende twee dagen kon je je onderdompelen in de wereld van de door jou aanbeden schrijver. Ik gebruik bewust het woord ‘aanbeden’, want dit was natuurlijk vooral bedoeld voor de échte liefhebbers. Bekende Nederlanders kwamen er vertellen over hun passie voor de meester. Dj’s draaiden de muziek die Murakami in zijn romans zo’n belangrijke rol laat spelen. Deskundigen verzorgden lezingen over allerlei aspecten van de Japanse cultuur. Er werd voorgelezen uit het werk. Vanzelfsprekend kon je ook meedoen aan ‘De Grote Murakami Quiz’. En voor de die-hards was er tot laat in de avond karaoke. Het liep storm. Volgens de NRC kwamen er meer dan duizend liefhebbers op af. Dat is een indrukwekkend aantal, zeker wanneer je bedenkt dat de grote schrijver zelf er niet was. Die heeft namelijk een broertje dood aan dit soort publiciteit.

Ook de nieuwe roman die de aanleiding was voor dit evenement, De moord op Commendatore, werd er ten doop gehouden. Het tweede deel althans, het eerste verscheen begeleid door het nodige tromgeroffel al in december. Als een opwarmertje in de publiciteitscampagne. Het boek werd dan ook ruim besproken. Een regelmatig terugkerende opmerking in besprekingen was dat deze roman eindelijk weer een ‘echte Murakami’ was. Waarmee de betreffende recensenten leken te willen zeggen dat al die specifieke karaktertrekjes en eigenaardigheden die een Murakami tot een échte Murakami maken, en die in recente romans als IQ84 (2010) en De kleurloze Tsukuru en zijn pelgrimsjaren (2014) volgens sommigen hadden ontbroken, nu weer volop aanwezig waren. Dat de schrijver zijn dipje te boven was gekomen. Dat is wat kort door de bocht, lijkt mij. Het is alsof je een kader vaststelt waarbinnen een roman van Murakami een goede of échte is, en dat de boeken die daar deels buiten vallen automatisch minder zijn, geen échte. Dat is niet alleen een ietwat te starre en voorgeprogrammeerde houding, het doet ook weinig recht aan het streven van een auteur om nu en dan eens een zijpad in te slaan. Bovendien zijn die twee genoemde romans zeker niet on-Murakamiaans. Met name in IQ84 zijn tientallen scènes te vinden die je, losgeknipt, direct als een Murakami herkent. Voor het gemak wordt dan ook maar de thematisch ijzersterke verhalenbundel Mannen zonder vrouw uit 2016 vergeten.

Maar dan nu De Moord op Commendatore. De openingspassage trekt je gelijk in wat de flaptekst noemt ‘het vertrouwde universum van de meester’: ‘Toen ik vandaag uit een kort middagdutje ontwaakte, zat “de man zonder gezicht” voor me. Hij had plaatsgenomen op de stoel tegenover de bank waarop ik had liggen slapen en staarde me strak aan, met zijn paar denkbeeldige ogen dat het zonder gezicht moet stellen.’ Hij blijkt te zijn gekomen voor het portret dat de hoofdpersoon van hem zou maken. De laatste pakt zijn tekengerei, terwijl de man zich gereedmaakt voor het poseren: ‘Hij zette de zwarte hoed, die de helft van zijn gezicht verborg, af. Op de plek waar een gezicht hoorde te zijn, bevond zich dus echter geen gezicht maar kringelde langzaam een melkwitte nevel.’  Radeloos door de aanbik van de nevel lukt het de hoofdpersoon niet om zelfs maar het potlood op papier te zetten. Waarna de mysterieuze gast verdwijnt. En je als trouwe lezer van Murakami weet dat je de komende duizend bladzijden met nog veel meer onbegrijpelijke verschijnselen zal worden geconfronteerd. Wanneer je vervolgens na de laatste bladzijde het boek dichtslaan, zul je begrijpen dat die openingspassage de kern van het verhaal weergeeft. Bij Murakami is alles hecht met elkaar verbonden, niets staat er voor niets.

De hoofdpersoon is een succesvolle portretschilder wiens kalme, voorspelbare leventje in Tokyo wordt omgegooid wanneer zijn vrouw hem verlaat. Omdat ook het portretteren niet meer wil lukken trekt hij zich ver van de hoofdstad terug in een huis in de bergen. Dat huis behoort toe aan Tomohiko Amada, een beroemde schilder die zijn laatste jaren sluit in een verzorgingshuis. De afzondering doet de hoofdpersoon goed, hij gunt zichzelf de tijd om een nieuwe artistieke weg te zoeken. Hij komt in contact met Menshiki, een wat oudere vermogende zakenman die op de tegenoverliggende bergflank woont. Deze geeft hem opdracht een portret van hem te schilderen, en ook een portret van een jong meisje dat met haar tante aan de voet van de berg woont. In die opdrachten probeert hij zijn nieuwe stijl uit, waarin hij niet zozeer streeft naar een visuele gelijkenis maar meer naar een vergeestelijkte karakterisering.

Inmiddels heeft hij ook kennisgemaakt met de medebewoner van zijn huis, waarvan hij aanvankelijk dacht dat hij er alleen woonde. Dat is Commendatore, een van de figuren op een schilderij dat Tomohiko Amada zorgvuldig ingepakt heeft achtergelaten op de vliering van het huis. In de historische voorstelling op dat schilderij wordt Commendatore om het leven gebracht. Wanneer onze hoofdpersoon in een oude put op de heuvel achter zijn huis een bel vindt, een bel die hem midden in de nacht uit zijn slaap had gehouden, en hij dat ding vervolgens meeneemt naar het huis en er zelf mee klingelt, komt Commendatore tot leven en stapt uit het schilderij. Het mannetje van nauwelijks een halve meter hoog blijkt een Idea te zijn, een verschijningsvorm die zijn fysieke voorkomen leent naar gelang de situatie en de beleving van degene met wie hij contact heeft. Zowel Commendatore als de zakenman Menshiki spelen een grote rol in de soms raadselachtige gebeurtenissen waarin de hoofdpersoon al spoedig verzeild raakt.

Met behulp van evenveel begrijpelijke als minder begrijpelijke bouwstenen vertelt Murakami zijn verhaal. Het is een wonderlijke, soms ook betoverende tocht. Murakami’s fascinatie met een ondergrondse wereld van putten en tunnels, van duisternis en opgesloten zijn speelt een grote rol. Maar ook in de meer alledaagse scènes is hij op zijn best. Ik ken geen schrijver die zo vakkundig volstrekt – of bijna volstrekt – normale situaties en gebeurtenissen weet te laden met het gevoel van de magie van het ongrijpbare.

In wezen is deze lang uitgesponnen vertelling, waarvan de spanningsboog op geen enkel moment inzakt, niet de hoofdzaak van het geheel maar slechts een vehikel. De kern is de ervaring die de hoofdpersoon ondergaat - je zou het een loutering kunnen noemen. Murakami weet ook dat proces overtuigend neer te zetten.

Haruki Murakami
De moord op Commendatore
Deel 1: Een idea verschijnt
Deel 2: Metaforen verschuiven
Uit het Japans vertaald door Elbrich Fennema en Luk Van Haute
Respectievelijk 508 en 535 blz
Atlas Contact

zaterdag 7 april 2018

Met twintig karpers door Japan

De Japanse cultuur is rijk aan tradities en ceremonieën die op mij soms wat omslachtig overkomen. De theeceremonie is daar een mooi voorbeeld van. Hoeveel voorbereiding vergt die niet, en hoeveel geduld vraagt het niet om die uit te zitten? Ik spreek dan natuurlijk voor mijzelf, een nogal ‘down-to-earth’ westerling. Tot zo’n tien jaar geleden reisde ik voor mijn werk regelmatig naar Japan. De Japanners met wie ik samenwerkte trakteerden mij meer dan eens op zo’n ceremonie. Dat is een eer, want voor hen is het een plechtigheid vol van betekenissen die ze heel intens beleven. Het is een van die oude gebruiken die in het sterk verwesterde moderne Japan nog een plek heeft. Daar moest ik aan denken bij het lezen van Didier Decoin’s Vissen voor de keizer, een roman die is opgebouwd rond precies zo’n omslachtig ritueel.

Het verhaal speelt zich af omstreeks het jaar 1000, de bloeitijd van de Heian-periode. Het keizerlijke hof, dat zich in het huidige Kyoto bevindt, is er een van een ongekende luxe. Een klein maar belangrijk detail in dit vorstelijke lusthof zijn de vijvers met karpers. Die moeten natuurlijk, net als alles aan het hof, van de beste kwaliteit zijn. Daarom worden er ieder jaar twintig nieuwe karpers besteld bij de visser Katsuro, die in het dorpje Shimae aan de oevers van de rivier de Kusagawa woont. Katsuro vangt deze karpers in de rivier, met de hand, daarbij zorgvuldig uitsluitend de mooiste exemplaren uitzoekend. Daarna verzorgt hij ze met het beste voedsel zodat ze dik en glanzend worden. Eenmaal per jaar stopt hij de mooiste karpers in twee grote manden met water, hangt die aan een stok over zijn schouders en brengt zijn kostbare vracht lopend naar het hof, een reis van vele dagen. Het levert hem een aardig inkomen op, voor het dorpje zijn er allerlei privileges aan de overeenkomst verbonden.

Maar dan slaat het noodlot toe en verdrinkt Katsuro tijdens het vissen. Zijn weduwe, de jonge Miyuki, treurt en het dorpje is in rep en roer: de directeur van de keizerlijke Dienst Tuinen en Vijvers zal mogelijk niet blij zijn dat de verwachte bestelling voortaan niet meer zal worden geleverd. Maar Miyuki besluit dat ze het werk van haar man dit jaar zal voltooien en de vissen zelf naar het hof zal brengen. Voor haar is de voetreis nieuw, ze heeft tot dat moment nooit een stap buiten haar dorp gezet. Bovendien is een alleenreizende vrouw in die tijd geen alledaags verschijnsel. Dat ze benieuwd is naar de reis die haar echtgenoot zo vaak maakte vertelt ze niemand. Die nieuwsgierigheid en daarmee een zekere onbevangenheid waarmee ze de voor haar nieuwe wereld beschouwt, geeft het verhaal kracht én charme. Door haar ogen zie je de landschappen en de mensen die ze passeert, de soms louche logementen waar ze overnacht en de bergpaden waar ze overheen glibbert. Met als voortdurende zorg het welzijn van de karpers.

Decoin beschrijft de reis van Miyuki met veel aandacht voor detail. Of Miyuki nu een onderkomen vindt in een herberg die bij nader inzien een bordeel blijkt, of in een tempel waar de monniken blijken te stelen als de raven, het wordt je in vloeiend proza en met gevoel voor humor voorgeschoteld. Decoin wisselt de reisbeschrijvingen af met hoofdstukken die zich afspelen aan het hof en het kantoor van de directeur van de Dienst Tuinen en Vijvers. Als lezer weet je zo wat Miyuki na aankomst te wachten staat. De twee verhaallijnen versmelten op dat moment dan ook moeiteloos.

Het slot van de roman ga ik hier niet weggeven, maar neem van me aan dat dit indrukwekkend is. Prachtig gevonden! Wat ik wel wil noemen is een wedstrijd die zich na aankomst van Miyuki aan het hof afspeelt. Een wedstrijd waarin de directeur van de Dienst Tuinen en Vijvers een van de deelnemers is, naast enkele andere hooggeplaatste hovelingen en de keizer zelf. Een wedstrijd waar Miyuki onbedoeld een doorslaggevende rol in speelt. Het gaat hier om een geurenwedstrijd, een spel waarbij de keizer een thema opgeeft dat de deelnemers in geuren moeten zien te verbeelden. Inhoud ontmoet vorm, zou je kunnen zeggen. Een vluchtige vorm dan, in dit geval. In Decoin’s beschrijving ervan wordt dit een sprankelend, sprookjesachtig gebeuren. Een wedstrijd ook met een hoog ‘theeceremonie-gehalte’. En net zo fascinerend.

Didier Decoin
Vissen voor de keizer
Oorspronkelijke titel: Le Bureau des Jardins et des Étangs
Vertaald door Martine Woudt
320 blz
Meulenhoff

zaterdag 31 maart 2018

Verslingerd aan Bach

Maarten ’t Hart kan, als hij iets écht mooi vindt, heel gemakkelijk enthousiast raken. Hij wil dan dat enthousiasme ook graag delen. In mei 1979 kocht ik zijn bundel De som van misverstanden. Het lezen van boeken. Daarin beschrijft hij hoe hij zich ontwikkelde tot een lezer en belicht hij zijn relatie tot dertien van zijn favoriete schrijvers. Ik was diep onder de indruk van dat boek. Hier was iemand aan het woord die ongelofelijk veel had gelezen, die dat had verwerkt en er een mening over had, die er bevlogen over kon schrijven en voor wie lezen onlosmakelijk was verbonden met leven. Mij, als jonge lezer, sprak dat aan. Ik ging sommige van de door hem besproken auteurs lezen en een ervan, William Faulkner, zou ik nooit meer loslaten.

’t Hart kan ook bevlogen schrijven over klassieke muziek. Hij doet dat in zijn recent verschenen biografie over Johann Sebastian Bach. Nu is ‘biografie’ misschien niet de juiste benaming voor dit boek, omdat de feiten die we kennen over het leven van Bach heel schaars zijn. ’t Hart schrijft daarom niet alleen over het leven van Bach, maar ook over zijn muziek, over hoe de jonge Maarten ’t Hart de muziek van Bach leerde kennen en ervan ging houden, en over de omvangrijke literatuur die er over de componist en zijn werk bestaat. Het is daardoor meer een soort handboek dat je kan gebruiken bij het verkennen van het oeuvre van de meester. Voor dat doel heeft ’t Hart een vijftig bladzijden lang compendium toegevoegd waarin hij beknopt zijn oordeel geeft over alle 215 cantates.

Johann Sebastian Bach valt in die categorie beroemde historische personen waarvan maar weinig levensfeiten bekend zijn maar waaraan toch een respectabel aantal doorwrochte biografieën is gewijd. William Shakespeare is ook zo iemand. In de eerste hoofdstukken belicht ’t Hart het leven van de componist aan de hand van deze boeken. Hij laat zien hoe simpele historische gegevens worden aangedikt met oncontroleerbare ‘feiten’ en regelrechte verzinsels, hoe auteurs elkaar naschrijven en hoe een verkeerd geïnterpreteerd woord uit een vroege bron kan leiden tot een nog steeds voortdurend verschil van inzicht dat heftige emoties oproept. Het gaat nergens over, denk je dan. Maar intussen staan er wel reputaties op het spel.

Ik las een eerdere editie van dit boek, dat voor het eerst verscheen in het Bach-jaar 2000. Het was toen voor slechts vijf gulden exclusief te koop bij het Kruidvat. Deze herziene en fors uitgebreide editie bevat voor een relatieve leek zoals ik veel wetenswaardigs. Zo was het nieuw voor mij dat Bach eigen composities hergebruikte voor andere muziekstukken. Bij een drukbezet man als hij was is zoiets begrijpelijk.  Anders wordt het natuurlijk wanneer de vraag wordt opgeworpen of de muziek van de Matthäus-Passion oorspronkelijk voor een ander doel is geschreven. Dat zou dan zijn voor een ‘Trauerode’ voor Bachs vriend Leopold von Köthen, die in 1729 onverwacht overleed. Zo’n kwestie maakt mij – en met mij waarschijnlijk velen – wat onrustig, maar ’t Hart neemt de tijd om de meningen met betrekking tot deze kwestie rustig uit de doeken te doen. En Godzijdank blijkt deze stelling niet heel houdbaar. Ook over de reeksen het Wohltemperierte Klavier en de Goldbergvariaties – nieuw in deze herziene editie – praat hij je bij over de discussies.

Ja, dat enthousiasme. In een hoofdstuk over de cantates van Bach verklaart ’t Hart, wanneer hij het heeft over de tenor-aria uit cantate 87, dat het ‘eigenaardig [is] dat zo’n eerste kennismaking met zo’n ongelofelijk muziekstuk als het ware lijkt op de eerste kus. Ook zoiets waarvan je geen enkel detail ooit nog vergeet.’ Tien bladzijden eerder was de kennismaking als achtjarige jongen met cantate 147 ‘een van de meest aangrijpende ervaringen van mijn leven.’ En enkele bladzijden daarna blijkt de alt-aria uit cantate 117 te leiden tot ‘een warme gloed in je binnenste, iets onaantastbaars en onverwoestbaars.’ En weer even verder is de alt-aria uit cantate 134 binnen het oeuvre van Bach een ‘superieur mirakel.’ En dan is dit nog maar een bescheiden opsomming uit ’t Harts oordeel over de cantates. Daarnaast zijn er nog de orgelwerken, de kamermuziek, de passies, de Goldberg variaties, het Wohltemperierte Klavier en Die Kunst der Fuge. De lange reeks aanprijzingen dreef mij af en toe naar Spotify, om te zien of een genoemd muziekstuk daarop stond. Ik heb inmiddels een playlist aangelegd.

Maarten 't Hart
Johann Sebastian Bach
302 blz
Uitgeverij De Arbeiderspers

zondag 25 maart 2018

Monument voor een vriend

In oktober 2013 overleed de Vlaamse auteur Thomas Blondeau aan een aortaruptuur. Zijn plotselinge dood ging als een schokgolf door de literaire wereld en daarbuiten. Blondeau schreef poëzie, publiceerde korte verhalen en had enkele wisselend ontvangen romans op zijn naam staan. Hij debuteerde in 2006 als romanschrijver met eX, liet in 2010 Donderhart het licht zien en bracht luttele weken voor zijn dood Het West-Vlaams versierhandboek uit, een geestige roman over menselijke en politieke verwikkelingen in een West-Vlaams dorp. Dat laatste boek werd alom gezien als zijn mogelijke - en zonder meer verdiende - doorbraak naar een groter lezerspubliek. Dan sterven, op je vijfendertigste, is extra wrang.

Arjen van Veelen maakt kennis met Tomas Blondeau - hier zonder h - op een Leidse gracht, na afloop van een college Antieke Wijsbegeerte. Van Veelen, zeventien jaar, is dan net begonnen aan een studie Klassieke Talen terwijl Tomas, twee jaar ouder, met zo weinig mogelijk inspanning de studie Literatuurwetenschap doet. Niet omdat hij zo graag literatuurwetenschapper wil worden, maar omdat dit hem een dekmantel en tijd geeft voor het schrijven van gedichten. Hij wil daarom Van Veelens aantekeningen van het college hebben, om ze te kunnen kopiëren. Dit wordt een vaste, wekelijkse deal, waaruit al snel een vriendschap groeit.

Tomas neemt de bescheiden, hardwerkende Veelen onder zijn hoede. Probeert iets van zijn eigen levensinstelling op hem over te brengen. Aan de oppervlakte moet Tomas in die dagen de indruk hebben gewekt van een onbekommerde zorgeloosheid en een lichte afkeer van verplichtingen. Veelen ontdekt dat die joie de vivre wel degelijk op een serieus fundament berust. Tomas mag dan bij de vaak wat schoolse colleges de kantjes er af lopen, zijn honger naar kennis is er niet minder om. De aantekeningen die Veelen retour ontvangt zijn vaak doorspekt met kritische en inhoudelijke opmerkingen en adviezen. Tomas is in hun relatie duidelijk de leraar, Veelen zijn pupil. De leefregels van de leraar zou je kunnen samenvatten als ‘zoveel mogelijk uit het leven halen, altijd gaan voor het maximale.’ Hun wekelijkse samenkomst in een café in de Leidse Stationsstraat gaat Veelen langzamerhand ervaren als zijn eigenlijke vorming.

Het bericht van de dood van zijn vriend veroorzaakt bij Veelen een gevoel van apathie. Samen met zijn vrouw verhuist hij naar St. Louis in de Verenigde Staten, waar zij onderzoek gaat doen aan de universiteit. Hij neemt een sabbatical, overweegt om die te gebruiken voor het schrijven van een biografie van Alexander de Grote, een plan dat hij al heel lang met zich meedraagt. Het wordt uiteindelijk een reis naar het Egyptische Alexandrië, waarmee hij een plechtige belofte inlost die hij en Tomas elkaar tien jaar eerder deden. Die reis, die de kern vormt van het verhaal en de kiem is van dit boek, is een juweel van een vondst. Het maakt het monument dat Veelen voor zijn gestorven vriend opricht, deze roman, geloofwaardig.

Veelen heeft bij het opschrijven van zijn herinneringen aan Tomas de valkuil vermeden dat uitsluitend herinneringen te laten zijn. Dan was het wellicht wat vlak gebleven. Maar wat hij hier presenteert als een roman is ook méér dan dat. Je kan het een zoektocht noemen, waarbij het zoeken plaatsvindt in het hoofd van de auteur én in de huidige werkelijke wereld. Een sterk associatief bepaald graven naar de essentie van hun relatie, en ook naar het wezen van leven en dood. Het lijkt ogenschijnlijk een grotendeels zelfsturende exercitie – wat natuurlijk niet zo is. Het verhaal is gecomponeerd, de feiten die de basis vormen zijn door Veelen 'literair opgeschaald' als je dat zo mag noemen.Wat vooral blijft hangen na het dichtslaan van het boek zijn de authenticiteit en de creativiteit. Het eerste is geen verdienste op zich, die komt voort uit de oprechtheid van hun vriendschap. De creativiteit is dat wel, hier is een auteur aan het woord die zijn vak beheerst, die kan schrijven en je meenemen op zijn tocht. Het boek is genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Van mij mag het die krijgen.

Arjen van Veelen
Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken
252 blz
De Bezige Bij

maandag 19 maart 2018

Verdwenen levens

De personages in de nieuwe verhalenbundel van Sander Kollaard, Levensberichten, worden geconfronteerd met een leven dat er niet meer is. Een oude man bezoekt voor het eerst in zestig jaar zijn geboortestad Den Helder,  waar in juni 1940 zijn vrouw en zoontje omkwamen. Een marathonloper zoekt in de omgeving van Lissabon naar een collega-loper die nooit de finish haalde. De schrijver Weemoed Mausoleum, die in 1997 een bootreis naar Tallinn maakte, daarna in Stockholm in enkele weken zijn beste boek schreef en vervolgens van de aardbodem verdween, wordt gezocht door zijn trouwste lezer. En een assistente van de koning herinnert zich diens laatste dag, de dag waarop hij bij een aanslag zou omkomen, ofschoon hij sinds een ingrijpende gebeurtenis die decennia eerder plaatsvond al niet meer in dit leven stond. De gemene deler van de zes verhalen in deze bundel is de herinnering aan naasten, of het nu een vrouw en kind, een vriend of een geliefde was. De herinnering aan een ander leidt als vanzelf naar het besef van je eigen rol ten opzichte van die ander. Die spiegeling wordt in meerdere van de verhalen subtiel uitgewerkt.

Kollaard laat de verhalen voorafgaan door een motto dat hij ontleent aan de Amerikaanse auteur Bernard Malamud: 'There is no life that can be recaptured wholly; as it was. Which is to say that all biography is ultimately fiction. What does that tell you about the nature of life, and does one really want to know?' Die hierin verwoordde onmogelijkheid om een leven dat was of een gebeurtenis uit het verleden weer zo op te roepen dat het voor de volle honderd procent betrouwbaar is leidt ertoe dat de personages in deze verhalen tastende zijn. Kunnen ze hun eigen herinneringen wel vertrouwen, zijn de gevoelens van toen dezelfde als die van nu, filtert het opschrijven ervan, gebruikmakend van woorden, niet het meest essentiële eruit? Het is alsof Kollaard in elk van de zes verhalen een klein experiment uitvoert om te zien hoe dit werkt, misschien op zoek naar antwoorden, in ieder geval de vragen benoemend. Dit alles klinkt wellicht wat vaag, maar laat u niet afschrikken. Ik heb deze bescheiden bundel met plezier gelezen.

Sander Kollaard
Levensberichten
144 blz
Uitgeverij Van Oorschot

woensdag 14 maart 2018

Eilandhoppen

Gerrit Jan Zwier is een reiziger. Een wandelaar. Een langzame reiziger dus. Dat betekent dat hij de plekken die hij bezoekt niet alleen ziet maar ook ondergaat. Het trage tempo waarin hij zich verplaatst laat bovendien alle ruimte om indrukken te verwerken, om er over te mijmeren. Hij heeft een voorkeur voor Noord-Europese landschappen, wandelde door vrijwel geheel Scandinavië, IJsland en Ierland. Vanuit zijn woonplaats in Groningen buurtte hij ook in onze noordelijke provincies. Zijn indrukken publiceerde hij in artikelen in kranten, tijdschriften en in veertien bundels. Als een regelmatige bezoeker van Noorwegen en Finland, in zomer én winter, lees ik hem graag. Op een heel ontspannen wijze weet hij het eigene van een streek te treffen. Enkele jaren geleden bezocht hij het meest noordelijke deel van Duitsland, de Waddeneilanden. Net zoals onze eigen Waddeneilanden heeft elk van die eilandjes een geheel eigen karakter, variërend van een mondain massatoerisme tot duurzaam groen.

Zwier bezoekt zeven eilanden die liggen in het verlengde van onze eilanden: Borkum, Juist, Norderney, Baltrum, Langeoog, Spiekeroog en Wangerooge. Dan, voorbij de bocht van Helgoland, stapt hij aan wal in Nordstrand, Pellworm en Hooge. Waarna hij zijn reis langs de in de Noordzee liggende eilanden besluit met Amrum, Föhr, Sylt. Met Helgoland, dat veel verder uit de kust ligt en dan ook geen Waddeneiland is, sluit hij de reeks af.

De gemene deler van de meeste van deze eilandjes is dat ze klein zijn, dat ze nauwelijks boven de waterspiegel uitsteken en dat het toerisme er de belangrijkste bron van inkomsten is. Ook zijn het kleine gemeenschappen van maximaal zo’n zesduizend inwoners. De strijd tegen het water vormt op alle eilanden een rode draad in de geschiedenis. Zwier, gewend aan de ‘natuurlijk’ ogende Nederlandse Waddeneilanden, moet wel even slikken wanneer hij in het Duitse gebied alwéér een met beton verstevigde zeewering aantreft.

Ook de promotie en marketing van de Duitse Waddeneilanden kent een element dat vreemd is aan hun Nederlandse tegenhangers: de meeste bezitten de officiële status van kuuroord. Zo maakt Borkum reclame met haar Hochseeklima, wat inhoudt dat de lucht een hoog percentage jodium en zout bevat. Een wandeling langs de branding wordt dan vanzelf een Inhalationskur. Op het mondaine Norderney, met haar luxueuze kuuroordarchitectuur, spreekt men van een Heil- und Reizklima dat de kwakkelaar er weer bovenop helpt. Voor een beter begrip van dit verschijnsel schetst Zwier de historie ervan, waarin pastoor Sebastiaan Kneipp ( 1821-1897) en zijn boek Meine Wasserkur een leidende rol speelt. Een versie van het door hem ontwikkelde Seeheilbad zouden Nederlandse ondernemers graag vestigen op Ameland. Vanuit de gedachte dat het Duitse en andere internationale heilzoekers zal aantrekken.

Zwier bezoekt de meeste eilanden in het laagseizoen. Dat is een goede keuze, ze zijn dan uitgestorven en daardoor het meest zichzelf. Door dat tijdstip te kiezen laat hij ook zien dat het toerisme eigenlijk de énige inkomstenbron van belang is. Zonder dat zouden de meeste eilanden binnen de kortste keren verworden tot onbewoonde zandplaten in een woelige zee.

De reisverslagen aan de Duitse Waddeneilanden zijn in deze bundeling aangevuld met beschrijvingen van wandeltochten naar andere plekken in Duitsland, zoals de Oostzeekust bij Kiel, het nog oostelijker gelegen eiland Rügen, de Harz, het stroomdal van de Rur, de wijngaarden langs de Rijn en een tocht door Saksen. Op z’n Zwiers wordt daarbij gerefereerd aan de ervaringen van Heinrich Heine, gezwijmeld bij de schilderijen van Caspar David Friedrich, de in de Gästhäuser aangeboden gerechten en drank becommentarieerd en de roerige geschiedenis van Duitsland aangehaald. Op veel plekken is dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, die soms totaal onverwacht opduikt: ‘Voortdurend zak je in dit land door de vloer van de tijd’, schrijft Zwier in  zijn voorwoord. Of, in een nog beeldender vergelijking: ‘Soms voelde ik mij als een zalmvisser die in de rivier ineens een haai aan de haak slaat.’

Pension Waldidylle is een bundeling van stukken die eerder verschenen in NRC Handelsblad, het Algemeen Dagblad, de Leeuwarder Courant en Te Voet. In de tweede helft van de bundel is die herkomst duidelijk voelbaar, je leest reisbeschrijvingen die van elkaar los staan. In de eerste helft daarentegen, de tocht langs de Waddeneilanden, waarborgt het concept van die tocht een inhoudelijke en gevoelsmatige eenheid. Je bevindt je als lezer honderd bladzijden lang in één reportage. Dat leest heel fijn.

Gerrit Jan Zwier
Pension Waldidylle. Het noorden van Duitsland herontdekt
190 blz
Atlas Contact