donderdag 2 april 2026

Parijs' dagboek

Fotograaf Paul Huf verstond zijn vak. Het portret dat hij maakte van Hugo Claus en Sylvia Kristel en dat nu de cover siert van Minnaar tegen elke prijs is ronduit verleidelijk. Zij heeft zich gedrapeerd op een luxe bank, hij zit op de rand ervan en lijkt zich beschermend over haar heen te buigen. Beide kijken strak in de lens. Het ideale paar, denk je dan, ondanks het feit dat zij op het moment dat Huf aan het werk toog pas begin twintig zal zijn geweest, hij een generatie ouder. Het is een portret dat je, zeker als liefhebber van het werk van Claus, het boek doet kopen. Je nog onbewust van het feit dat de inhoud een koude douche zal zijn. Maar wel een koude douche die tegelijk ontluisterend én fascinerend is.

Claus en Kristel ontmoetten elkaar in 1972 in Amsterdam. Hij was in 1970 vanuit België naar de Nederlandse hoofdstad verhuisd, zij enkele jaren later vanuit Utrecht. Claus had net een stormachtige relatie met de actrice Kitty Courbois achter de rug, die hij van zich had afgeschreven in de roman Het jaar van de kreeft. Een zuivere karaktermoord. Kristel zocht een niet al te duur kamertje, veel kon ze als beginnende actrice niet betalen. Claus, succesvol, bewoonde een ruim huis aan de Raamgracht. En een kamertje voor een mooie jonge vrouw wilde hij wel ter beschikking stellen, liet hij een gezamenlijke vriendin weten. Van het een kwam het ander, en in de loop van 1973 werden ze een paar.

De carrière van Kristel verliep voorspoedig. Ze mocht dan geen al te groot acteertalent zijn – in tegenstelling tot Courbois – maar ze was beslist mooi. Straalde daarbij ook een zekere onschuld uit. De filmrollen die ze wist te bemachtigen lagen in het verlengde daarvan. Met als eerste grote succes in 1975 de erotische film Emmanuelle. Die een jaar later werd gevolgd door Emmanuelle II. Claus, zelf toneelschrijver en regisseur, hielp haar bij die rollen. Vervulde de rol van coach. Omdat het geld binnenstroomde kochten ze samen een grote, chique etage in het centrum van Parijs. Met het hippe Saint-Germain-des-Prés op loopafstand. En ze kregen een kind. Het leek niet op te kunnen. Maar toen biechtte Kristel op dat ze tijdens de opnamen van Emmanuelle II een affaire had gehad met haar tegenspeler, de Italiaan Umberto Orsini. Claus was in de war, geschokt, boos. En begon enkele dagen later een dagboek bij te houden. Dat zijn de notities die nu, integraal, zijn uitgegeven.

Waarom Claus dit dagboek begon? Zeker weten we het niet, maar het zou zomaar voor zichzelf kunnen zijn, een exercitie om de dingen in hun juiste verband te kunnen plaatsen. Of waren het aantekeningen om later een manuscript uit te kunnen destilleren? Een herhaling van zijn afscheid aan Courbois? Hoe dan ook, zo’n roman is er nooit gekomen, het dagboek staat daarmee op zichzelf binnen Claus’ oeuvre. 

Het dagboek beslaat de periode oktober 1975 tot en met augustus 1976. Van enkele dagen na Kristels bekentenis tot het moment dat ze hebben besloten uit elkaar te gaan. Als ik het in één woord moet omschrijven, zou dat ‘eerlijk’ zijn. Claus lijkt niets te verbloemen. Of het nu gaat over zijn gevoelens, zijn mening over het gedrag en karakter van Kristel, hun seksleven, en het leven in het algemeen, hij neemt geen blad voor de mond. Dat hij klagerig kan overkomen, realiseert hij zich: ‘Dit wordt het verhaal van een onredelijke, pietepeuterige, weke jaloezie.’ Of: ‘Meer en meer de rol van een vitter, een verongelijkte. Zonder enige charme is dit.’ Kristel ontmoet door haar werk veel mannen uit de filmwereld, laat zich fêteren en geniet daarvan. Komt dan midden in de nacht thuis, straalbezopen. Claus: ‘Aan haar – als je de uiterlijkheden: schoonheid, roem, vriendelijk en toch speels amusant gedrag wegdenkt - heb ik niks. Geen reet warmte, geen reet begrip. Haar liefde voor mij is een spel, zoals alles wat zij onderneemt’. Naarmate de maanden voorbijgaan en Kristel affaires aangaat met vermoedelijk meerdere filmheren – de componist Francis Lai is haar lieveling – wordt Claus onverzoenlijker in zijn oordeel. Hij legt lijstjes aan van Kristels tekortkomingen, analyseert haar ‘keukenmeidenziel’ en stoomt langzaam maar zeker af op hun scheiding. 

Ik lees graag egodocumenten. Die zijn in de Nederlandstalige literatuur in overvloed aanwezig in de vorm van dagboeken en briefwisselingen. Denk aan de onvolprezen reeks privé-domein. Dergelijke teksten, die vaak niet bewust zijn geschreven met het oog op publicatie, kunnen daardoor iets puurs, iets authentieks hebben. De kans bestaat dat je je favoriete schrijver ineens op een heel andere manier leest. 

Hebben de Parijse dagboekaantekeningen van Claus ook dat effect? Ja en nee. De al genoemde eerlijkheid maakte ze zeker de moeite waard om te lezen. De sterkste passages zijn indrukwekkend, en vormen een toevoeging aan zijn oeuvre. Maar op andere momenten ontstaat er een zekere achteloosheid, zo’n aantekening hangt dan als los zand aan elkaar. Dat illustreert, denk ik dan maar, dat de situatie hem vermoedelijk zo aangreep dat zijn schrijverij er onder ging lijden.

Hugo Claus / Minnaar tegen elke prijs. Parijs’ dagboek / xx blz / Prometheus, 2026

zondag 29 maart 2026

De veiligste plek op aarde?

Wat is de veiligste plek op aarde? Dat moet wel de meest gestelde vraag zijn geweest nadat in de zomer van 1945 door de Amerikaanse luchtmacht boven Hiroshima en Nagasaki twee atoombommen tot ontploffing werden gebracht, waarbij het centrum van die steden in puin werd gelegd, tienduizenden inwoners direct omkwamen en nog eens velen in de jaren erna als gevolg van de blootstelling aan radioactieve straling. Die twee bommen ontketenden een ongekende wapenwedloop, waarbij de nucleaire grootmachten een arsenaal aanlegden waarmee de mensheid meermaals van de aardbodem kon worden geveegd. In de literatuur werd dit vanzelfsprekend een onderwerp. Het meest indrukwekkende boek daarover is voor mij nog steeds On the Beach (1957) van Nevil Shute. Daarin is door een kernoorlog al het leven op het noordelijk halfrond verwoest en de dodelijke straling zakt nu langzaam af naar het zuidelijk halfrond. Shute beschrijft de lotgevallen van een groepje Australiërs in Melbourne die weten dat zij binnen enkele maanden zullen sterven. 

Voor de hoofdpersoon in Bunker, de nieuwe roman van Richard Osinga (1971), bevindt de ultieme overlevingsplek zich niet aan de randen van de aardbol, maar op een plek waar de lokale overheid steekpenningen aanneemt en verder geen vragen stelt. Aan die eisen voldoet een dunbevolkt, bergachtig gebied in Kazachstan. Nadir, een Canadees van Indiase oorsprong, onmetelijke rijk geworden in Silicon Valley, laat daar in een berg een groot ondergronds complex aanleggen waar enkele tientallen mensen geheel zelfvoorzienend langdurig kunnen verblijven. Of anders gezegd: het einde der tijden afwachten. En dat overleven, én vervolgens vanuit die positie een nieuwe start maken. Want daar gaat het toch om. Een reboot.

Osinga houdt zijn hoofdpersoon Nadir een beetje in de luwte. Hij is dan wel de geestelijke vader van het project, en de financier, maar hij is ook een meester in delegeren. Het is vooral Cindy, de jonge vrouw die Nadirs werkzame leven organiseert, die je als lezer het meest nabij meemaakt. Dat geldt ook voor Jonas, een Nederlandse architect die zich heeft gespecialiseerd in zelfvoorzienende woningen. Hij ontwierp het ondergrondse complex. En net als Cindy koos hij ervoor mee te gaan op het avontuur. Zijn vrouw was kort ervoor overleden, dit voelde voor hem iets van een nieuwe start. En dan is er ook nog de moeder van Nadir, Inaya. Ook zij rouwde nog om haar echtgenoot, met haar zoon meegaan bezat een zekere logica. Hen drieën volg je: eerst in hun enthousiasme voor het project dat probleemloos verloopt, dan in hun beginnende twijfel en vervolgens in hun frustratie over de houding van Nadir die als een echte CEO, koel, analytisch en afstandelijk, de zaak aanstuurt. Geen inspraak toelaat.

Terwijl dat toch wel wenselijk zou zijn, want onverwachte ontwikkelingen veroorzaken een neergaande spiraal. Alle deelnemers hebben ingetekend voor een experiment dat één jaar zal duren, waarna de lessons learned zullen worden doorgevoerd in de definitieve versie van de ondergrondse stad. Maar halverwege dat ene jaar laat Nadir de deelnemers weten dat de situatie bovengronds is geëscaleerd, dat een terugkeer daardoor onmogelijk is geworden en dat het experiment daarmee overgaat in the real thing. Een verdere toelichting geeft hij niet. De deelnemers tasten in het duister. Moeten ze blij zijn dat ze de dans zijn ontsprongen? Maar wat is het lot van hun familie en geliefden? En hoe desastreus is de situatie bovengronds? Een voorzichtig kijkje nemen is niet mogelijk, Nadir heeft de uitgang hermetisch laten afsluiten.

Daarmee zijn de opties voor de deelnemers eigenlijk gereduceerd tot nul. Nadir laat hen weten dat een eerste mogelijkheid om heel voorzichtig de buitenwereld te scannen op zijn vroegst over een, twee, vijf of tien jaar plaats kan vinden. Niet iedereen accepteert dit, boosheid en frustratie krijgen de overhand en het project dat eens zo vooruitstrevend was, mondt uit in onenigheid en gedoe. De onbereikbare buitenwereld, en vooral de vrijheid: het voelt aan als het paradijs. Osinga weet ieders verlangen naar die buitenwereld haarscherp te verwoorden. 

Bunker is meer dan een goedgeschreven roman met een spannend plot en een ijzingwekkende finale. Het verhaal past in een tijdgewricht waarin kortzichtige presidenten impulsieve beslissingen nemen, met hun militaire overwicht enorme schade laten aanrichten en pogingen tot doordachte diplomatie worden weggelachen. In een tijdsgewricht, kortom, waarin miljoenen mensen ook wel eens verlangen naar een luxe ondergrondse bunker om betere tijden af te wachten. 

Richard Osinga / Bunker / 286 blz / Wereldbibliotheek, 2026

woensdag 25 maart 2026

Raimund Pretzel alias Sebastian Haffner

Tussen 18 oktober en 23 november 1932, in slechts vijf weken, schreef de jurist in opleiding Raimund Pretzel de roman Abschied. Het is een korte roman met een uiterst overzichtelijke plot. De hoofdpersoon is Raimund, eveneens een jurist in opleiding, die voor enkele dagen vanuit Duitsland overkomt naar Parijs in de hoop iets te bereiken bij Teddy, een aanbiddelijke jonge vrouw met wie hij het jaar ervoor een flirt heeft gehad in Berlijn. Maar in Parijs blijkt een zwerm jongemannen om Teddy heen te draaien, allemaal met dezelfde wens als Raimund. Die ziet al snel het hopeloze van zijn missie in en kan niet anders dan te proberen in zijn laatste dagen in Parijs, voordat hij weer in de trein naar Berlijn zal stappen, kleine momentjes met haar te hebben. Als de anderen even afwezig zijn. 

Teddy moet het hebben van die aanbidders die haar presentjes geven, haar lunches en diners betalen en haar meenemen naar het theater. Zelf heeft ze bijna niets, woont op een klein en koud zolderkamertje. Maar ze is desondanks uit volle overtuiging haar vaderland ontvlucht. Waarom dat is spreekt Pretzel – de schrijver – niet expliciet uit, maar met onze kennis achteraf is dat wel duidelijk. In een nawoord formuleert Volker Weidermann het als volgt: ‘Het is een literair clubje dat daar samengekomen is. Luchtfietsers, fantasten, jonge mensen die naarmate de toekomst donkerder en dreigender lijkt des te hardnekkiger vasthouden aan het vieren van het moment.

Exil-Duitsers zouden ze even later genoemd gaan worden. Grote namen uit de wereld van de literatuur, film en het theater zouden bij het aan de macht komen van de nazi’s dezelfde beslissing nemen als dit groepje jongelui. Abschied mag dan ook gezien worden als de tekst van een jonge schrijver die de vinger aan de pols had, voorvoelde welke kant het zou uitgaan in Europa. Een jonge schrijver die zijn studie rechten voortijdig zou afbreken, en koos voor een loopbaan als journalist. In 1938 vluchtte hij met zijn echtgenote naar Engeland, waar hij ging schrijven voor vooraanstaande kranten. Vanaf dat moment altijd onder een pseudoniem, de schuilnaam waaronder hij wereldberoemd zou worden: Sebastian Haffner.

Als historicus groeide Haffner (1907-1999) na de oorlog uit tot de Duitser die als geen ander inzichtelijk kon maken hoe de gruwelijkheden van de oorlog konden gebeuren. In gewone-mensentaal, in begrijpelijke analyses. Door zijn landgenoten werd hem dat niet altijd in dank afgenomen, maar hij had inmiddels een status van onaantastbaarheid verworven.   

Zou hij naast zijn historische studies ooit nog een roman schrijven? Nee, het bleef bij Abschied. En het zou nog wel even duren voordat dat gepubliceerd werd. Bijna een eeuw zelfs. Zo snel als hij het had geschreven, in die vijf weken, zo lang bleef het in zijn bureaulade liggen. Niemand wist van het bestaan ervan. Pas na zijn dood in 1999 vond zijn zoon Oliver het. En pas nog eens vijfentwintig jaar later – sommige familieleden vreesden in 1999 voor imagoschade bij publicatie van zo’n niemendalletje van de grote man – kon het verschijnen. 

Een niemendalletje, is het dat? Nee. Het is weliswaar in een uiterst luchtige stijl geschreven, de verhaallijnen en gesprekken fladderen haast om je heen, maar de boodschap is serieus. Zoals Haffner in zijn latere historische werk met grote helderheid de geschiedenis kon duiden, dat wat is gebeurd, zo presenteert hij hier een welhaast onuitgesproken voorgevoel, een stemming van onheil, dat wat in een worst-case scenario zouden kunnen gebeuren. En het gebeurde. 

Sebastian Haffner / Afscheid / Vertaald uit het Duits door Elly Schippers / Met een nawoord van Volker Weidermann / 191 blz / Uitgeverij De Arbeiderspers, 2025

vrijdag 20 maart 2026

Germaine De Staël

Er zijn van die historische personen die je wel enigszins in hun tijd kan plaatsen, maar van wie je te weinig weet om hun belang te doorgronden. Voor mij was Madame De Staël zo iemand. Wat ik van haar wist, past met gemak in één alinea: een onafhankelijk denkende vrouw, zo omstreeks het jaar 1800; ze hield lange tijd in Parijs een Salon, een plek waar verlichte geesten van die jaren zich graag lieten zien; ze had een trits lovers, waarvan Benjamin Constant voor ons de meest bekende is; en ze schreef over de sociaal-maatschappelijke situatie in Europa. Napoleon Bonaparte moest niets van haar en haar meningen hebben, en verbande haar daarom langdurig naar haar familiekasteeltje aan het Meer van Genève. Maar ondanks die tegenwerking liet ze zich niet kisten. Het is dan ook haar onverzettelijkheid die in deze mooie biografie door Margot Dijkgraaf als De Staëls meest bepalende  karaktertrek wordt gezien .

Germaine De Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre is niet de eerste studie die Dijkgraaf wijdt aan een vrouwelijke auteur. Ze publiceerde meermaals over het werk én de persoon van Hella S. Haasse. En in 2020 verscheen Zij namen het woord. Rebelse schrijfsters in de Franse letteren. Die laatste titel zou je een aanloop kunnen noemen naar de biografie van Germaine De Staël. Er is vanzelfsprekend geen wet die voorschrijft dat een biografie ván een vrouw het best kan worden geschreven dóór een vrouw, maar in dit geval is het resultaat er wel naar. Je voelt het enthousiasme van Dijkgraaf voor de manier waarop De Staël zich als vrouw een plek in de wereld heeft weten te bemachtigen, zonder dat dit ten koste gaat van een heldere biografische analyse van De Staëls betekenis.

Germaine werd geboren in 1766. Haar ouders, Jacques en Suzanne Necker, namen een vooraanstaande plaats in de maatschappij in. Jacques Necker zou het in de jaren voorafgaand aan de Franse Revolutie brengen tot – een verlichte - Minister van Financiën onder Lodewijk XVI, Suzanne wist zich door haar Salon, die werd bezocht door mensen als Voltaire, Diderot en Rousseau, een machtspositie achter de schermen te verwerven. Haar dochter Germaine mocht al op heel jonge leeftijd mee naar die bijeenkomsten, het zou het fundament vormen voor haar eigen Salon, later, zowel in Parijs als in Chateau Coppet.  

In 1786 trad Germaine in het huwelijk met de Zweed Erik Magnus De Staël Holstein. Hij was bijna twintig jaar ouder dan zij en zou het brengen tot Zweeds ambassadeur in Parijs. Ze vond hem oninteressant en saai: ‘Van alle mannen van wie ik niet houd, geef ik nog de voorkeur aan mijn man.’ Maar hij bood haar door zijn netwerk, vermogen en adellijke titel een platform dat zij zou gebruiken om haar invloed te vergroten. En, niet onbelangrijk, hij bleek zo’n goeie sul dat hij zonder morren de vier kinderen echtte die zij van andere mannen kreeg. 

Na het overlijden van haar moeder werden in Suzannes nalatenschap ettelijke essays en andere teksten aangetroffen. Die had zij nooit gepubliceerd, dat werd van een nette vrouw en echtgenote immers niet echt geaccepteerd. Germaine zou dat anders doen. Haar artikelen en romans bracht zij met veel bombarie in de openbaarheid. Het werden publieke discussiestukken. Haar roman in brieven Delphine, verschenen in 1802, over een vrouw die zich wil ontdoen van haar maatschappelijke ketenen, veroorzaakte een schandaal. Maar dat liet ze van zich afglijden, het ging haar erom met haar boodschap een groot publiek te bereiken. Dat dit met een roman eerder mogelijk was dan met didactische werken was een nieuw inzicht voor haar.

Germaine streefde naar maatschappelijke hervormingen, naar vrijheid en gelijkheid, maar het proces van de Revolutie vond zij veel te radicaal. Het Engelse systeem, met een parlement én een koning, was voor haar en haar vrienden het voorbeeld. In haar Salon ontving zij dan ook politici die de monarchie wilden hervormen, die een systeem van Republikeins liberalisme aanhingen.  

De Revolutie overleefden Germaine en haar familie. Maar Napoleon Bonaparte vormde voor haar op termijn een groter gevaar. Zijn bewind nam gaandeweg absolute trekken aan, waarin voor afwijkende meningen weinig ruimte meer was. Dus ook niet voor Germaine. Over hem schreef zij: ‘In zijn ziel heeft hij een koud en splijtend zwaard.’ Vanaf 1803 verbande hij haar, eerst uit Parijs, daarna uit Frankrijk. Haar opvattingen, zoals haar stelling dat de werkelijke macht in het politieke midden ligt – hoe actueel! -  werden hem te scherp.

Hoe geef je als biograaf een leven weer dat zó vol is van gebeurtenissen en ideeën. Dijkgraaf bedacht een slimme oplossing. In de vroege zomer van 1812 verliet Germaine in het diepste geheim haar kasteeltje in Coppet, aan het Meer van Genève. Haar reisdoel was Londen. Ze reisde alleen, met een koetsier en de officier John Rocca, haar geliefde van dat moment. Die beschikte niet over de juiste papieren, dus reisde op enige afstand te paard mee. Het werd een helse tocht. Precies op dat moment trok Napoleon namelijk oostwaarts door Europa, met een immens leger, op weg naar Rusland. Die moesten ze beslist ontwijken, hij zou haar direct laten arresteren. Dus het werd een helse omweg: Coppet / Zürich / Wenen / Lviv / Brody / Moskou / Sint-Petersburg / Finland /  Stockholm / Göteborg / Londen. Omdat Germaine en Rocca dus ‘op afstand’ samen reisden, schreven ze elkaar brieven. Die, en talloze andere die Germaine in die maanden schreef, doseert Dijkgraaf mondjesmaat tussen de hoofdstukken door. Een geweldige rode draad!

Margot Dijkgraaf / Germaine De Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre / 336 blz / Atlas Contact, 2026

dinsdag 17 maart 2026

Nadia de Vries - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

Het totaal kunstmatige universum van Schelvis, vol tegenstellingen, overdrijvingen en verwijzingen naar schelmen- en arbeidersromans, is een ongelooflijk intelligente satire.’ [Uit het juryrapport]

´Mijn naam is Schelvis.

Aangenaam!

Het dorp waarin ik opgroeide telde tweeduizend inwoners in de winter. In de zomer kwamen daar nog eens vijfhonderd mensen bij. Deze mensen bezaten een huisje op ons strand, ze beschikten over dure honden en vakantiedagen. Wij, de dorpelingen, hadden weinig met deze mensen te maken. De meesten van ons werkten in de fabriek, die het hele jaar gruis en wolken over de kunstlijn uitspuwde. Het werk in de fabriek bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kenden. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren.´ 

Blauwe haren

Nadia de Vries verliest in haar tweede roman, Overgave op commando, geen tijd aan nutteloos gedoe. Al op de tweede bladzijde presenteert haar hoofdpersoon zich aan de lezer, met de hierboven aangehaalde tekst. En ze gaat door, binnen vijf bladzijden weet je alles over haar en een soort IJmuiden, het stadje waar ze is opgegroeid. Heel vrolijk is dat relaas niet: ‘We kwamen allemaal uit gezinnen die bestierd werden door broze mensen, en het merendeel van onze opvoeding was aan toeval onderhevig.’ De werkgelegenheid in het plaatsje wordt aangeboden door de fabriek, en daarnaast door een distributiecentrum. Bij dat laatste werkt de moeder van Schelvis. In haar vrije uren ontvangt die in hun flatje mannen, niet voor het geld maar uit een behoefte aan bevestiging van haar vrouw-zijn. Schelvis vermaakt zich op die momenten op straat, of is met haar drie beste vrienden. Op de dag dat ze basisschool afrondt, verft ze haar haar. In de kleur Elektrisch Blauw. Als een vooraankondiging  van het zich losweken van een grauw bestaan?

Vrienden

De vrienden van Schelvis zijn Jeremy, Duncan en Celine. Twee jongens, een meisje, zoals de namen zeggen. Aan de naam Schelvis is weinig af te leiden. Dat hoeft ook niet, want Schelvis is man noch vrouw. De verwikkelingen waardoor Schelvis uiteindelijk het stadje de rug  zal toekeren beginnen met het plan van Jeremy om als groep iemand te vermoorden. Hij heeft ook al een slachtoffer op het oog, de man die hij schuldig acht aan het verkeersongeluk dat zijn oudere broer het leven kostte. Ietwat verblind door de plotselinge mogelijkheid eens een écht avontuur te beleven, gaan ze direct tot actie over. Ze ontvoeren de man en hun plan lijkt te lukken. Maar dan slaat de sfeer om en is het Schelvis die aan het kortste eind trekt. Gewond, op alle gebieden.

Op de rand van het bestaan

Ik ben dakloos, ik ben behoeftig, help mij alstublieft aan een huis.’ Een plakker met deze tekst laat Schelvis kort na haar aankomst in de stad achter op het prikbord van de supermarkt in een arm deel van de stad. Ene Ruud reageert. Hij verlangt geen geld, maar zou het fijn vinden wanneer hij ’s avonds, gezeten op de bank voor de televisie, haar mag bevoelen. Bijvoorbeeld in haar schoot. Schelvis gaat akkoord, zet gewoon haar gevoel uit. Want: alles beter dan het leven op straat, als dakloze.

Verloren zoon

Je kan Schelvis vanwege haar geaardheid moeilijk een verloren zoon noemen, maar haar belevenissen bevinden zich wel in dit spectrum. Met een hele trits aan klusjes verdient ze wat geld. Ze bedient op een terras, werkt als schoonmaker in een paardenslachterij en loopt een betaalde stage bij een journaliste die voor grote tijdschriften levensverhalen schrijft over mensen die zijn mislukt in het leven. Zelf voelt ze zich niet thuishoren in deze groep, ze red het immers toch? Maar steeds, meestal buiten haar schuld, is er een terugval. Haar omgeving neemt haar dan iets kwalijk. Meestal leidt dat slechts tot een deuk in haar gevoel, maar een enkele keer is de schade fysiek, en fors. De Vries schetst, soms met een lichte ironie, de lotgevallen van Schelvis. Ze velt geen oordeel, laat het aan de lezer over om er iets van te vinden. Haar taalgebruik is heel direct, verwacht geen lange bespiegelingen. Dat ze dingen open wrikt, Schelvis maar steeds opnieuw een paar stappen terugduwt zonder daarvoor een aanleiding of verklaring te geven, ging voor mij als lezer op den duur wringen. Is dat uit een soort vrijblijvendheid? Of beoogt ze juist dat, het creëren van een gevoel van ongemak? Misschien legt het juryrapport hier wel de vinger op de juiste plek: ‘Het totaal kunstmatige universum van Schelvis, vol tegenstellingen, overdrijvingen en verwijzingen naar schelmen- en arbeidersromans, is een ongelooflijk intelligente satire.’

Nadia de Vries / Overgave op commando / 160 blz / Uitgeverij Pluim, 2025

zaterdag 14 maart 2026

Peter Terrin - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

‘De roman vertrekt van de vraag “wat als” je op dat ene beslissende moment een andere keuze had gemaakt, en verkent een moeizame vader-dochterrelatie.’ [Uit het juryrapport]

Eenmaal per jaar zet ik in mijn agenda dat ik niet moet vergeten naar het programma Nieuwsuur te kijken. Dat is dan de uitzending waarin bekend wordt gemaakt wie de shortlist van de Libris Literatuurprijs hebben gehaald. Het leukste onderdeel van dat item is het verrassingsbezoek dat een cameraploeg eerder die dag heeft gebracht aan ieder van de zes genomineerde schrijvers. Met de camera gericht op de voordeur van een schrijver bellen ze aan. Meestal opent de auteur in kwestie zelf de deur – die heeft natuurlijk al uren in het halletje staan wachten, denk ik dan. Nagelbijtend, in spanning of hij of zij de overstap van de longlist naar de shortlist zal maken. Het gezicht van de schrijver toont steevast verrassing, en natuurlijk ook een zekere opluchting. De longlist is leuk voor je CV, de shortlist is eervol.

Viermaal genomineerd

Ieder jaar bevat het filmpje van zo’n zes minuten wel een detail dat bij me blijft hangen. Ditmaal was dat het moment nadat de filmploeg bij Peter Terrin had aangebeld. Heel even werd ingezoomd op een briefje dat hij op de deur had geplakt. De tekst daarop luidde: ‘BESTE LIBRIS-POSTBODE. IK BEN ZO TERUG! (DE CHAMPAGNE STAAT KOUD) PETER.’ De champagne bleek inderdaad koud te staan. Op de vraag of hij de nominatie had verwacht, antwoordde Terrin ‘Je weet maar nooit.’ Maar misschien speelde ook de ervaring mee. Het bleek voor hem de vierde keer te zijn dat hij de shortlist van de prijs had gehaald. En of hij dacht ditmaal te winnen? Mathematisch heb ik een kans van 1 op 6, was het heldere antwoord. En: ‘Lukt het dit jaar niet, ach ik ben nog jong, dan de volgende keer maar.’ Terrin is van 1968.

Wat als?

Het is bijna een situatie van ‘wat als - ik eens zou winnen?’ Wat zou er dan in mijn leven veranderen. Opmerkelijk genoeg is dat ook het thema van de roman waarmee hij is genomineerd, Nog lang geen winter. Daarin ontvangt ene Simon, een man van tegen de middelbare leeftijd, zonder enige toelichting een grote som geld op zijn bankrekening. Een bedrag met vele nullen. Die storting blijkt het begin te zijn van allerlei kleine en grote gebeurtenissen die Simon langzaamaan het gevoel geven in een andere wereld, een andere huis, een ander lichaam te zijn beland. Zijn volwassen dochter lijkt welhaast een ander dan degene met wie hij zo vertrouwd was, maar ook zij ervaart haar vader als een andere man. Kortom: de wereld op zijn kop?

Een belevingsvakantie 

Is Simon beland in een parallel universum? En wat betekent de informatie die hij ontvangt van een schimmige man die hem informeert dat achter dit alles de firma Quantum Entertainmens schuilgaat? Een techpionier die zorgvuldig geselecteerde individuen een belevingsvakantie van enkele weken aanbiedt? Terrin doseert zijn informatie zorgvuldig, waardoor je de totale transformatie kan bevatten. En begrijpt dat Simon een andere Simon had kunnen zijn indien hij ergens eerder in zijn leven een andere keuze had gemaakt. Maar welke? En met welk doel wordt hij nu blootgesteld aan een onzinnig aandoende exercitie? Of zou hij er zijn voordeel mee kunnen doen?

Terrin laat niet alleen zijn hoofdpersoon met een gespleten persoonlijkheid én gevoel door het leven stappen, ook de samenleving zelf, waarin zijn alternatieve leven zich afspeelt, is volstrekt verschillend. Geopolitieke ontwikkelingen bijvoorbeeld hebben de Verenigde Staten in een burgeroorlog doen belanden, en Donald Trump is vermoord. Een keuze is voor Simon – als daar al sprake van zou zijn – niet heel eenvouding.

Niveau

Viermaal de shortlist van de Librisprijs bereiken mag je best een prestatie noemen. Het betekent dat je als schrijver bij voortduring een hoog niveau weet te handhaven. In het geval van Terrin is dat gebaseerd op een eigenzinnige selectie van thema’s en op zijn keuze om de structuur van zijn romans tot op zekere hoogte te abstraheren. Inhoudelijk wakkert zijn werk je betrokkenheid aan, maar het fundament wordt gevormd door de dagelijkse realiteit overstijgende zaken. 

Peter Terrin / Nog lang geen winter / 256 blz / De Bezige Bij, 2025 // Foto auteur: Stefaan Temmerman

dinsdag 10 maart 2026

'N. Beets, Herder'

Voor veel lezers van nu staat het boek model voor de brave gezapigheid van de Nederlandse literatuur omstreeks 1840. Maar voor de meeste negentiende-eeuwse lezers was het boek niets minder dan een literair hoogstandje. Zij smulden van de fijnzinnige ironie en hadden de meest uitgesproken of aandoenlijke personages na aan het hart liggen. Met tientallen herdrukken, zowel in luxe edities als in goedkope volksuitgaven, drukte het een stempel op het literaire landschap en groeide het uit tot het beroemdste boek van de eeuw. Ik heb het natuurlijk over de Camera Obscura, de verhalenbundel die in 1839 werd gepubliceerd door Hildebrand, het pseudoniem van de student theologie Nicolaas Beets. Over Beets verscheen onlangs de door Rick Honings geschreven biografie God, gezin en vaderland. Met ruim 700 bladzijden een kloek boek, inhoudelijk een schatkamer aan feiten, anekdotes en inzichten.

Dat Beets (1814-1903) aan de Leidse universiteit theologie kon gaan studeren had hij te danken aan zijn doorzettingsvermogen én de hulp van zijn oudere zus Dorothea. Deze wist vader Beets, een apotheker, ervan te overtuigen dat Nicolaas doodongelukkig zou worden wanneer hij zijn vader zou moeten opvolgen. Een jaar pillendraaien had hem al bijna aan de rand van een zenuwinzinking gebracht. Honings beschrijft de jeugdjaren van Beets in Haarlem beeldend, wat ook geldt voor diens studentenjaren. Een universitaire studie leek indertijd in vrijwel niets op de huidige. Alleen de feesten en drankgelagen lijken onveranderd gebleven. Bij Beets´ Leidse jaren voelt Honings zich merkbaar op vertrouwd terrein. Hij is er sinds 2020 immers aangesteld als Scaliger-hoogleraar, met de opdracht om vanuit bronnen in de collectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek onderzoek te doen. Een van die bronnen is de omvangrijke Beets-collectie.

In Leiden maakte Beets vrienden voor het leven. Met hen deelde hij zijn liefde voor de literatuur, en dan vooral de poëzie. Johannes Kneppelhout, die later onder het pseudoniem Klikspaan beroemd zou worden, was een van hen. Op die studiegenoten probeerde Beets ook zijn eigen vroege gedichten uit, en iets later ook toneelstukken. Die waren sterk beïnvloed door het werk van de kort daarvoor overleden Lord Byron. Beets ontving daarvoor lof, maar niet minder ook scherpe kritiek. Hij werd verweten een slaafse navolger van de Engelsman te zijn. Maar dat deerde hem niet. Aan Johannes Potgieter bekende hij ooit dat hij een verschrikkelijke lust en ambitie bezet om uit te blinken, zelfs als hij daarvoor Byron moest imiteren.  Een van de critici verwoordde het zo: ‘Wij moeten ons Hollands tuintje niet laten ontsieren door buitenlandsch gewas dat er geen wortel kan schieten.’ Dat klinkt heerlijk negentiende-eeuws. Het zou tot 1836 duren, halverwege zijn studie, dat hij Byron afzwoer en een eigen stijl ontwikkelde. 

In 1839 studeerde Beets af en ging hij zich richten op een predikantschap. Dat werd Heemstede, niet te ver van zijn geboortestad Haarlem en, niet onbelangrijk, ook niet al te ver van Heiloo, waar hij een oogje had laten vallen op de aantrekkelijke Aleide van Foreest, een nichtje van zijn Leidse professor. In Heemstede vond een opmerkelijke transformatie plaats, de vrolijke bon-vivant die wel een glaasje lustte veranderde in een sociaal bewogen dominee. Hij maakte zich al snel geliefd bij zijn gemeenteleden. Op de voordeur van zijn woning schroefde hij een koperen plaatje met de tekst ‘N. Beets, Herder’.

Het boek dat hem eeuwige roem heeft verschaft had hij toen al geschreven en gepubliceerd: Camera Obscura. Het is een spiegel van het dagelijks leven in de eerste helft van de negentiende eeuw. Wie wil weten hoe het was om met de trekschuit of diligence te reizen, raadplege het boek. Evenzo voor de sociale omgangsvormen van de burgerij. Beets had er herinneringen aan zijn eigen jeugd in verwerkt en veel van de teksten geschreven in verloren uren, tijdens wandelingen en in ‘vervelende gezelschappen’. 

De eerste jaren in Heemstede schreef Beets heel weinig. Zijn baan, met twee preken per week, het sociale werk en zijn jonge huwelijk vroegen veel tijd. Maar vanaf 1647 kwam de productie weer op gang. Vrijwel uitsluitend poëzie ditmaal, met af en toe een uitbreiding van de Camera. Zijn gedichten worden thans door de geleerden onder de 'predikantenpoëzie' gerangschikt. Ik vind dat altijd een ietwat neerbuigende benaming. Alsof werkelijk elk van die verzen doordrenkt is van een godsgevoel. Beets’ gedichten, waaruit ieder sprankje Byron nu is verdwenen, zijn kernachtig geformuleerd, speels, vaak lichtvoetig. En bovenal extreem toegankelijk, hij bereikte met zijn talrijke bundels dan ook een groot publiek. De meeste recensenten waren er zeer over te spreken. Een van hen verheugde zich erover dat Beets niet was opgehouden met dichten, ‘maar zijn talent nu inzette om Gods lof te zingen.’

Ik kijk graag naar de filmpjes van Boekhandel De Kler waarin Maarten ’t Hart, gezeten thuis op de bank, steeds een boek bespreekt. Hij doet dat al jaren. Opmerkelijk is dat hij bij biografieën met regelmaat verzucht dat ze veel te dik zijn. Dat je het verhaal van een leven ook best wat beknopter kan opschrijven. Geldt dat ook voor deze dikke pil? Ja en nee. Het kan natuurlijk altijd, maar door de ruimte die Honings zichzelf heeft gegeven weet hij je wel onder te dompelen in een tijdperk. Want het leven van Beets is tegelijkertijd ook een beetje een culturele en sociale geschiedenis van een eeuw. Niet alleen omdat het lang duurde, maar ook omdat Beets, eenmaal een gelauwerde schrijver, toegang kreeg tot allerlei kringen en gezelschappen die typerend waren voor die eeuw. Hij kreeg een professoraat, werd als zodanig geportretteerd door Thérèse Schwartze, zijn preken verschenen in druk, hij bouwde een warme, persoonlijke band op met de Oranjes en ga zo maar door. En de viering van zijn zeventigste verjaardag, in 1884, vertoonde alle trekken van een nationale feestdag.

Ik heb mezelf na lezing van deze biografie getrakteerd op het herlezen van de Camera Obscura. Vijftig jaar nadat ik het las voor mijn lijst. Onthaastend lezen, heet dat. Was heel plezierig, nu ik het veel beter dan indertijd kon plaatsen.

Rick Honings / God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets (1814-1903) / 728 blz / Prometheus, 2026