zondag 21 december 2025

Aan de Sloterplas

Ten tijde van de pandemie bedachten ze bij Uitgeverij Van Oorschot iets slims. Ze vroegen auteurs om een tekst over een wandeling. Wandelen was in die tijd ‘hot’, het was immers maandenlang zo ongeveer het enige uitje dat was geoorloofd, en zo’n beetje iedereen ging er dagelijks wel even uit, op minimaal anderhalve meter van een ander. Dus inspiratie opdoen voor zo’n verhaaltje was ook voor de auteurs een eitje. Die verhalen werden onder de serietitel Terloops uitgegeven als een boekje van zo’n zeventig à tachtig bladzijden, hardcover, met een beeldschone illustratie op het omslag én formaat pocket. Het mag duidelijk zijn, ik heb het over een hebbeding. Voor de prijs,  € 13.50, hoefde je het niet te laten. De reeks ging vroeg in 2021 van start, en de boekjes werden al snel gevolgd door een luisterversie. Opnieuw heel slim van de uitgever. Met een duur van 60 à 80 minuten waren ze ideaal om tijdens een wandeling te beluisteren. 

Ik las af en toe met genoegen zo´n papieren boekje, ook toen de reeks na afloop van corona werd voortgezet. En inderdaad, de uniforme uitvoering maakt dat de boekjes, netjes op een rij in de kast, er oogstrelend uitzien. Aan de luisterversie dacht ik niet meer. Tot ik begin dit jaar ontdekte dat die ook in het aanbod van mijn luisterboekabonnement was opgenomen. De hele reeks van inmiddels 26 titels! En hoewel ik tijdens het wandelen liever naar dikke romans of non-fictie luister, ben ik dat toch eens gaan afwisselen met de wandelboekjes. Bevalt prima.

Niet ieder wandelboekje is even geslaagd, maar de juweeltjes overheersen. Een van mijn favorieten is Gerbrand Bakker, die een uitgezette wandeling in de buurt van zijn huis in de Eifel ‘repareert’. En ook het verhaal van Joyce Roodnat, die wandelt door het Amsterdam van haar moeder, de Watergraafsmeer,  is prachtig. Lichtelijk bizar is wat Saskia De Coster bedacht: een dagje wandelen in de Ardennen in het gezelschap van een man die een levenslange gevangenisstraf uitzit vanwege een meervoudige moord. Jaren geleden ontsnapte de man tijdens zo’n wandeling - zijn jaarlijkse uitje - maar meldde zich tegen de avond alweer op het lokale politiebureau. De Coster loopt met hem de route van juist die dag, op zoek naar wat er toen in hem omging. Andere heel geslaagde vertellingen zijn die van Thomas Heerma van Voss, Gijs Wilbrink, Annejet van der Zijl en Marjoleine de Vos

Een van de vroegst verscheen deeltjes in de reeks is De Om, geschreven door Willem Jan Otten. Hij maakt het grootste deel van zijn leven al een dagelijkse wandeling en is daarmee doorgegaan toen hij en zijn echtgenote, de schrijfster Vonne van der Meer, jaren geleden in Slotermeer kwamen wonen. Ze hebben een appartement op de twaalfde verdieping van een van de grote woonblokken pal aan de Sloterplas, met een riant uitzicht over het water en het omringende park. Vanuit zijn werkkamer kan Otten de hele route van zijn dagelijkse ommetje overzien, langs de oever van de plas.  Die plas is 2 kilometer lang, zijn wandeling duurt een kleine anderhalf uur.  

Otten moet voor deze reeks de ideale schrijver zijn, vermoedelijk precies degene die de bedenkers van Terloops voor ogen hadden. Hij beschrijft niet alleen wat hij ziet, zodat je als het ware met hem meeloopt, maar ook wat de ommegang met hem doet, de associaties die hij onderweg heeft, de mensen die hij tegenkomt, wat hij van die mensen vindt Zijn wandeling voor dit boekje valt op 2 november 2020 - of althans, daar situeert hij die. Hij loopt die dag alleen, Vonne loopt niet met hem mee. Wanneer ze eens tegelijk gaan wandelen - niet heel vaak - gaan ze meestal niet samen maar wandelt de een linksom, de ander rechtsom. Halverwege komen ze elkaar dan tegen en zeggen ze iets grappigs of meligs, bijvoorbeeld ‘Mevrouw Van der Meer, I presume?'

We komen van alles te weten. Bijvoorbeeld over de plas en de woonwijk, uitgegraven en aangelegd tussen 1948 en 1956 naar een ontwerp van de stedebouwkundige Cornelis van Eesteren. Plas en het uitgestrekte park zijn bedacht als een groene long te midden van de Westelijke Tuinsteden. Maar ook dat Otten, op latere leeftijd katholiek geworden, al enige tijd met een groepje vrienden de werken van de Heilige Theresia van Avila leest en dat ze besloten om juist vandaag te zwijgen. Waaraan Otten slechts gedeeltelijk deelneemt, omdat hij in de ochtend met zijn stokdove moeder naar het ziekenhuis moest. En zwijgen is lastig wanneer je moeder je alleen verstaat wanneer je de woorden op vol vermogen in haar oor tettert. Maar nu, tijdens de wandeling, zwijgt hij. Zoals altijd.

Willem Jan Otten / De Om. Een wandeling. Van Oorschot ‘Terloops’ / Luisterboek, voorgelezen door Bart Oomen / 1 uur en 23 minuten / Van Oorschot, 2021, via Storytel

donderdag 18 december 2025

Ik zeg geen vaarwel

Ik zeg geen vaarwel van de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang is een prachtige, poëtische roman. Maar uitsluitend – denk ik - wanneer je je laat meevoeren in het verhaal én de wijze waarop Kang dat brengt. Het is het verhaal van twee vriendinnen, vrouwen van eind dertig, begin veertig. Gyeong-ha is een auteur die net een roman heeft voltooid over een massamoord op het Koreaanse Jeju-eiland, in 1948. Sindsdien heeft ze angstdromen waarin de gruweldaden voor haar ogen nog eens plaatsvinden. Haar vriendin Inseon schreef en regisseerde documentaires, maar is nu beeldhouwer in hout en woont op Jeju-eiand. In een van die documentaires staat diezelfde massamoord centraal, waarin haar oom vermoedelijk werd vermoord en haar moeder de rest van haar leven naar haar broer zocht.

De moordpartij heeft werkelijk plaatsgevonden, op meerdere plekken in Zuid-Korea. Kort na de Tweede Wereldoorlog en nog voor aanvang van de Koreaanse oorlog wilden de Verenigde Staten en de toenmalige machthebbers in Korea, het leger, het land zuiveren van de communisten. Bevolkingsgroepen of inwoners van bepaalde streken die werden verdacht van linkse sympathieën werden massaal uit de weg geruimd. Naar deze schanddaden is later diepgaand onderzoek verricht en over gepubliceerd, bronnen waar Kang dankbaar gebruik van maakt.

Wanneer Inseon tijdens haar werk met de zaagmachine enkele vingers verliest en met spoed wordt afgevoerd naar een ziekenhuis in Seoel waar zij enkele weken zal moeten blijven, vraagt zij Gyeong-ha direct naar Jeju-eiland te vertrekken om haar huisdier, een kaketoe, te verzorgen. Toen zij gewond door de ambulance werd afgevoerd was er geen tijd om wat extra voedsel en water voor de vogel achter te laten. Ondanks het slechte weer op Jeju-eiland en de verwachte zware sneeuwstormen neemt Gyeong-ha het eerste vliegtuig naar het eiland en daar de bus naar het dorpje in de bergen waar ze moet zijn. Maar komt ze daar ooit aan?

Zodra Gyeong-ha de bus verlaat om het laatste stuk naar haar bestemming te lopen, ongeveer een half uur, verdwaalt ze. En raakt ze verward in haar terugkerende angstvisioenen. Eenmaal aangekomen bij het huis van Inseon blijkt de vogel al dood te zijn, maar even later ook weer niet. Bovendien komt ook Inseon binnenlopen. Terwijl Gyeong-ha net daarvoor in het atelier, op de zaagmachine en in de tuin inmiddels bevroren plassen bloed heeft gezien, blijkt Inseon nu ineens niets te mankeren. Verwarrend. Hallucineert ze? Droomt ze? Wat is de werkelijkheid? Is die er?

In die nachtelijke uren doet Inseon haar vriendin haar versie van de massamoord uit de doeken. Je bent als lezer dan al gewend aan een scenario dat niet lijkt vast te liggen, waarin meerdere perspectieven tegelijk en door elkaar worden verteld. Waarin de vraag naar een werkelijkheid al lang niet meer relevant is.

Han Kang / Ik zeg geen vaarwel / Vertaald uit het Koreaans door Mattho Mandersloot / 302 blz / Nijgh & Van Ditmar, 2023

vrijdag 12 december 2025

Dé sonnetten

Het boek waarmee ik het afgelopen jaar de meeste uren heb doorgebracht? Dat is opmerkelijk genoeg ook het kleinste boekje. Het meet 15 x 10 cm, het standaardformaat van een ansichtkaart. En heel dik is het ook niet. Het boekje draagt de prachtige titel Voor jou en jou alleen en bevat alle 154 sonnetten van William Shakespeare, in een gloednieuwe vertaling door Frans van Deursen

Nu zult u wellicht denken: alwéér een nieuwe vertaling? En die verbazing is begrijpelijk, want de laatste anderhalve eeuw verschenen er maar liefst vijftien integrale vertalingen in het Nederlands van de sonnetten van Shakespeare. Daarnaast zetten tientallen vertalers door de jaren heen hun tanden in een selectie. Iedere generatie heeft behoefte aan een eigen vertaling, wordt wel eens gezegd. En dat klopt. Sla de vertaling van Leendert Burgersdijk uit 1879 maar eens op en lees wat van die teksten. Het klinkt voor ons gevoel vreselijk plechtstatig en de woordkeuze is flink archaïsch. De blinde eerbied voor Shakespeare druipt er vanaf. In vertalingen die sindsdien verschenen, door klinkende namen als P.C. Boutens, Albert Verwey, Jan Campert en Hugo Claus - sleet dat er langzaamaan af. Hedendaagse vertalingen zijn in modern Nederlands, ze onderscheiden zich van elkaar door specifieke voorkeuren van iedere vertaler en, misschien wel het belangrijkste, zijn of haar vermogen om uit de talloze mogelijkheden die de taal biedt mooie vondsten of combinaties te peuren.  

Lezen maar dan, die versie van Frans van Deursen. Hij heeft dat voor ons heel gemakkelijk gemaakt; waar andere vertalingen vergezeld gaan van een inleiding, een nawoord én het Engelse origineel tegenover de vertaling, zodat je zelf de vergelijking kan maken, geeft Van Deursen je uitsluitend zijn vertaling. Het voordeel daarvan is dat je heel rustig en geconcentreerd de 154 sonnetten kan lezen, zonder te worden afgeleid door allerlei ruis eromheen. En wie toch behoefte heeft aan het origineel, vindt dat gemakkelijk op internet.

Voor we verder gaan, misschien toch even een voorbeeld? Sonnet 18 dan maar, weliswaar overbekend maar daarom niet minder mooi. 

Sonnet 18

Wat als ik jou zie als een zomerdag?

Veel mooier en bestendiger ben jij;

want zomer tekent een te kort verdrag

en stormwind plaagt het bottend blad van mei.

Soms laait het hemels oog met te veel vuur,

vaak dempt de schemering zijn gouden gloed

en alle moois verspeelt zich op den duur

door ’t lot of de natuur, die doet wat moet.

Jij bent een zomerdag die nooit vervaalt,

het moois dat jij bezit speel je niet kwijt.

De dood snoeft niet als jij in hem verdwaalt,

dit vers lengt jou voor eeuwig in de tijd.

   Zolang de mens nog oog en adem heeft,

   zolang leeft dit, en dit wil dat jij leeft. 


En voor wie daar behoefte aan heeft, toch maar even het origineel

Sonnet 18

Shall I compare thee to a summer’s day?

Thou art more lovely and more temperate:

Rough winds do shake the darling buds of May,

And summer’s lease hath all too short a date;

Sometime too hot the eye of heaven shines,

And often is his gold complexion dimm'd;

And every fair from fair sometime declines,

By chance or nature’s changing course untrimm'd;

But thy eternal summer shall not fade,

Nor lose possession of that fair thou ow’st;

Nor shall death brag thou wander’st in his shade,

When in eternal lines to time thou grow’st:

   So long as men can breathe or eyes can see,

   So long lives this, and this gives life to thee.


Wie even zin voor zin naast elkaar legt ziet wat Van Deursen doet. Allereerst neemt hij de regels voor het schrijven van een sonnet in acht, inclusief het metrum en het rijm. Dat maakt de puzzel lastiger, maar het resultaat mooier wanneer hij slaagt. Je merkt – of liever: hoort - dat ritme en de opbouw van iedere zin vooral bij het voordragen van zo’n sonnet. En hier ook vondsten: ‘bottend blad’, ‘hemels oog’, ‘het moois dat jij bezit speel je niet kwijt’ en ‘De dood snoeft niet’. Stuk voor stuk mooie en ogenschijnlijk simpele oplossingen.

De toon is luchtig, merk je ook. In veel sonnetten klinkt Van Deursen speels, uitdagend, vrij en soms zelfs ietwat brutaal, net naar gelang de boodschap van het sonnet. Tijdens het lezen bekroop me langzaamaan het gevoel dat deze vertaling, als iedere tijd z’n eigen vertaling heeft, misschien die van het tijdperk van ‘Shakespeare in Love’ is. Die razend populaire speelfilm, uit 1998 alweer, is immers één groot spel met de dichter en zijn werk.

Frans van Deursen is acteur, zanger, tekstschrijver, theatermaker en vertaler. Hij vertaalde eerder met succes het werk van de zanger Tom Waits. Over Shakespeare deed hij een jaar of zes, tussen allerlei ander werk door. De eerste versie van ieder sonnet stuurde hij, nog nat van de inkt, naar zijn vriend en kenner van de Engelse literatuur Stef Collignon. Met hem en met de dichter Ingmar Heytze bedacht hij nog iets anders: de podcast Dat weet ik sonnet nog niet! Zittend aan de keukentafel bespreken de mannen iedere aflevering een aspect van de sonnetten. Vooral ook die onderwerpen waarover de geleerden in het duister tasten. En dat zijn er bij Shakespeare nogal wat, om te beginnen de vraag of hij de sonnetten, of een deel ervan, in opdracht maakte en voor wie dan. De podcast is serieus, is een inhoudelijke steun voor de lezer van de sonnetten. Maar als het onderwerp ‘Shakespeare en de liefde’ is, of het gesprek gaat over de ‘Dark Lady’, zijn de heren niet vies van een dolle grap. Uiterst onderhoudend.

Het boekje is beeldschoon uitgevoerd, met een harde kaft, mooi papier en een zachtroze leeslintje. Wat wil je nog meer? Het is een hebbeding. Mocht je nog voor iemand een cadeautje voor Kerst zoeken: zoek niet verder. Met de sonnetten van Shakespeare kom je héél goed voor de dag. 

Voor jou en jou alleen. De sonnetten van Shakespeare / Vertaald door Frans van Deursen / 176 blz / Van Oorschot, 2025

Dat weet ik sonnet nog niet! / Podcast van Frans van Deursen, Stef Collignon en Ingmar Heytze /  Alle afleveringen te beluisteren via de website van Frans van Deursen

Oh ja. Er is ook een luisterversie, voorgelezen door Van Deursen zelf, via Storytel. En hij trad de afgelopen maanden zelfs op in het land, met een ....... sonnettenprogramma.

zondag 7 december 2025

En de Nobelprijs voor Literatuur 2025 gaat naar ...

Hij ontving al eens de belangrijkste literaire prijs van zijn vaderland Hongarije en won in 2015 de Man Booker International Prize. Maar komende week, op 10 december, de sterfdag van Alfred Nobel, mag László Krasznahorkai in Stockholm de prijs der prijzen ophalen: de Nobelprijs voor Literatuur. De eer is aanzienlijk, het prijzengeld eveneens. De Zweedse Akademie zal een kleine 900.000 euro naar zijn rekening overmaken. 

Een handvol romans van Krasznahorkai is vertaald in het Nederlands. Ik las door de jaren heen het al wat oudere Oorlog en oorlog (1999, vertaling 2022) en het latere Herscht 07769 (2021, vertaling 2023). Indrukwekkende romans die lang blijven hangen. Maar mijn favoriet is het uit 2016 daterende Baron Wenckheim keert terug. Een zwarte komedie en een afschrikwekkend toekomstbeeld ineen.

Wanneer in een Hongaarse provinciestad het verhaal de ronde doet dat de oude baron Béla Wenckheim vanuit Argentinië op weg is naar de stad van zijn jeugd raken het stadsbestuur, de media en veel inwoners in een roes. Al snel is iedereen ervan overtuigd dat de baron onmetelijk rijk is, en hij die rijkdom zonder twijfel zal willen delen met de plaats waaraan hij zijn hele leven verknocht is gebleven. De burgemeester, de politiecommissaris, de directeur van het gymnasium en nog een handvol andere notabelen organiseren een grootse ontvangt op het treinstation. Het oude familiekasteel, waarin nu het gemeentelijke weeshuis is gevestigd, wordt ogenblikkelijk ontruimd en schoongemaakt. En de lijstjes met ‘goede doelen’ plus de bijhorende begrotingen worden opgemaakt. En dat zijn er veel, want de stad is door jarenlang slecht bestuur, vriendjespolitiek en grepen uit de gemeentekas verloederd.

De persoon die op het station uit de trein stapt is een fragiele oude man, geestelijk niet helemaal alert – voortdurend in zijn gedachten verzonken is de goede omschrijving -  die na het vergokken van zijn vermogen door zijn familie Argentinië uit is gesmokkeld voordat justitie hem kon inrekenen. In Wenen hebben ze hem in het nieuw gestoken, hem een paar honderd euro in handen gestopt en hem op de trein naar zijn geboorteplaats gezet, waarbij hij heeft beloofd hen nooit meer onder ogen te komen. Die man is, wanneer hij de trein verlaat, volkomen overdonderd door de enorme mensenmassa die hem opwacht. De speeches dringen nauwelijks tot hem door, evenals de pogingen van het lokale operakoor om Don’t cry for me Argentina ten gehore te brengen. Het welkomstdiner verlaat hij voortijdig en pas in het familiekasteel waar hij wordt afgeleverd, een lege huls waar de lokale timmerman nog bezig is een bed voor hem in elkaar te zetten, komt hij een beetje tot zichzelf. Herinnert hij zich weer dat de reden voor zijn bezoek was dat hij zijn jeugdliefde Marika wilde opzoeken.

Krasznahorkai weet dit tragikomische gegeven tot in alle uithoeken van de mogelijkheden uit te melken. Maar in wezen is deze verhaallijn niets anders dan een kapstok voor zijn eigenlijke betoog: hoe, in een samenleving waar de bestuurders alle macht naar zich hebben toegetrokken en hun invloed en de media gebruiken om de publieke opinie te bewerken en hun eigen falen te verhullen, de waarheid nooit de waarheid is en beïnvloeding van de massa aan de orde van de dag is. Waar de commissaris van politie, de échte baas, de plaatselijke motorbende Lokale Krachten gebruikt om tegenstanders af te ranselen. Je kan je niet aan de indruk onttrekken dat hij, in de vorm van een professioneel verhulde parabel, schrijft over de huidige situatie in zijn eigen land, Hongarije.

Wanneer het zelfs de weinig slimme burgemeester na enige tijd gaat dagen dat de baron niet de kip met de gouden eieren is, en hij zich na een bizar ongeval waarbij de baron om het leven komt realiseert dat de door hem en zijn collega’s publiekelijk opgeklopte verwachtingen niet zullen worden vervuld, begint hij aan een cover-up. Een regelrechte geschiedvervalsing, waarbij alle betrokkenen, met inbegrip van de lokale journalisten, opnamen, redevoeringen en andere bewijsstukken moeten vernietigen. Het is niet gebeurd, wordt het officiële standpunt. Maar de komst en de dood van de baron hebben iets ongrijpbaars in gang gezet waaraan – en hier begint het verhaal eigenlijk pas echt - de gehele stad uiteindelijk ten onder zal gaan.

Krasznahorkai schetst in deze roman een maatschappij waarin menselijke en democratische waarden ondergeschikt zijn geraakt aan de belangen van de machthebbers. Hij doet dat briljant, als een dirigent op wiens aanwijzingen het orkest alles uit een complex muziekstuk weet te halen. Zo begint hij zijn roman ook, met een bladzijden lange peptalk waarin hij zijn musici opzweept alles te geven wat ze hebben. Je realiseert je als lezer dat het verhaal dat volgt niet de kale realiteit is, maar de interpretatie daarvan door de dirigent, in dit geval de schrijver.

De lange hoofdstukken kennen geen witregels. Vaak verspringt bij het begin van een nieuwe alinea ook het vertelperspectief. Het duurt even voordat  je daaraan gewend bent, wat ook geldt voor de snelheid waarmee je de nieuwe verteller herkent. Maar eenmaal ingelezen is het effect van deze techniek dat je op den duur leest als in een trance, zonder onderbreking. Letterlijk meeslepend.

László Krasznahorkai / Baron Wenckheim keert terug / Vertaald uit het Hongaars door Mari Alföldy / 496 blz / Wereldbibliotheek, 2019

vrijdag 5 december 2025

Brouwers' mooiste

Twee maanden geleden verscheen de eerste audioversie ooit van De zondvloed, het monumentale epos van Jeroen Brouwers waarin hij terugkeert naar zijn jeugd in Nederlands-Indië, het Jappenkamp, zijn kostschooljaren in Nederland, zijn vroege schrijverschap en eerste huwelijk. De roman dateert van 1988, de in 1940 geboren Brouwers liep tijdens het schrijven dus tegen de vijftig. En dat merk je. Hij is zelfverzekerd, want heeft in die fase van zijn schrijverschap al een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Hij is ongenadig, zowel voor anderen als voor zichzelf. En hij is precies, heeft over de betekenis van wat hij wil zeggen nagedacht en er de juiste woorden voor gevonden. Voeg daar zijn neiging tot het neerpennen van een warmbloedige taal bij en je hebt een Brouwers die alle registers open heeft gezet. 

Ik las de roman in 1988, zoals ik na het in 1977 verschenen Zonsopgangen boven zee vrijwel alles van hem las. Noteerde in mijn leesschrift onder mijn korte impressie vijf sterren. Dat laatste doe ik niet meer, maar m´n oordeel zou nu niet anders zijn. Na 37 jaar een boek herlezen kan mee- of tegenvallen. Het doen van een ontdekking en daardoor verrast zijn is er niet of nauwelijks meer. Het is nu puur de inhoud en kracht van het verhaal en de tekst die bewondering kunnen afdwingen of. Om dat een handje te helpen herlees in het liefst in de vorm van een luisterboek. Dat voegt een nieuwe sensatie toe, zeker als de ‘stem’ professioneel is. In dit geval is het Cees van Ede, oud-presentator van radio- en televisieprogramma’s. Zijn rustige, vrij neutrale toon vormt een contrast met de soms barokke taal en de emoties die Brouwers oproept, maar zorgt  wel voor een zekere balans die aangenaam luistert.    

In 1988 koos de uitgever voor het boek een omslag met daarop de beroemde prent van Hokusai, Onder de golven van Kanagawa. Het overdonderende natuurgeweld waaronder de prauw lijkt te bezwijken is toepasselijk voor de inhoud van het verhaal. Voor het luisterboek  werd speciaal een nieuw beeld gemaakt, een tekening waarin je Brouwers verwoed een stapel papier ziet volschrijven. Op de achtergrond een bos, en Brouwers is niet de Brouwers uit 1988 maar de man zoals hij eruitzag in zijn laatste jaren, omstreeks 2020. De drie kleine rode bollen rechtsonder lijken te verwijzen naar de drie romans waarin Brouwers ‘afrekende’ met zijn jeugd, in Nederlands-Indië en Nederland: Het verzonkene (1979), Bezonken rood (1981) en het onderhavige boek, De Zondvloed, waaraan hij acht jaar schreef. De eerste twee, niet al te dik, hebben sinds hun verschijnen herdruk na herdruk beleefd, Bezonken rood zelfs al meer dan vijftig (!). De Zondvloed, misschien door de omvang, haalt dat bij lange niet. Maar is voor mij wel de mooiste van de drie. De meest complete beleving. En in zekere zin ook Brouwers' romanoeuvre in het klein.

Jeroen Brouwers / De zondvloed / Luisterboek, voorgelezen door Cees van Ede / 26 uur en 48 minuten / Atlas Contact, via Storytel, 2025

Jeroen Brouwers / De zondvloed / 762 blz / De Arbeiderspers, 1988


dinsdag 2 december 2025

Rouwjournaal

Schrijven over de dood van een geliefde is niet gemakkelijk. Het is voor de auteur gewoonlijk onbetreden terrein en wanneer de echtgenoot, echtgenote, vader, moeder, zoon of dochter recent is overleden is het ook nog eens schrijven over een onderwerp dat de emoties losmaakt. Jan Siebelink was het dan ook niet van plan toen zijn geliefde Gerda in de zomer van 2024 na een kort ziekbed overleed. Ze waren allebei midden tachtig, en een mensenleven lang bij elkaar geweest. Ze kwakkelden dat laatste jaar beide, Jan met een glaucoom, Gerda met hartklachten. Kort na een succesvol verlopen operatie daaraan diende de dodelijke ziekte zich bij haar aan. Binnen enkele weken was ze weg. In een ziekenhuisbed in de woonkamer, met zicht op haar tuin, haar geliefde vleugel en de familiefoto´s leefde ze toe naar het einde. Dapper, je krijgt de indruk dat haar man meer onthutst was door wat er gebeurde.

Siebelink was dus niet van plan erover te schrijven. Maar zijn vriend Frans Thomése raadde hem het aan. Al was het ook maar om ergens mee bezig te zijn, iets te doen met zijn gevoel van verlies. Gaandeweg kwam daar voor Siebelink nog iets bij: iets van haar leven bewaren. Geen monumentje, maar herinneringen, een geschreven memoir.

Het kreeg de titel Rouwjournaal, maar het is geen van dag tot dag reportage. Siebelink kiest per notitie wat het onderwerp zal zijn, schijnbaar at random. Daarmee gaat het vooral over Gerda en wie zij was, wat zij voor hem betekende, hoe hun huwelijk was. Siebelink lijkt niets te bedekken, allerlei intimiteiten benoemt hij. In de context van dit journaal hebben ze een betekenis. De lichamelijke aftakeling van Gerda wordt niet verhuld, evenmin als de angstaanvallen van de schrijver wanneer hij na Gerda’s dood alleen in zijn vrijstaande huis in Velp achterblijft en midden in de nacht voortdurend insluipers denkt te horen. Of wanneer hij, denkend aan de toekomst die hem nog rest, een lang bewaard pistool uit een lade vist. 

Schrijven over de dood van een geliefde is niet gemakkelijk. Siebelink lukt het.

Jan Siebelink / Rouwjournaal / 192 blz / De Bezige Bij, 2025 

zondag 30 november 2025

Neurenberg: verslaggevers bij het hoofdproces

Het moet voor Russell Crowe een dubbel gevoel zijn geweest dat Gladiator 2 vorig jaar zonder hem werd opgenomen. Gladiator 1 was immers zijn meest succesvolle film geweest. Als nog jonge acteur won hij er een Oscar voor Beste Hoofdrol mee. Maar ja, aan het slot van die film stierf zijn personage, dus een terugkomst in die rol was uitgesloten. Maar zelfs als die mogelijkheid om terug te keren er wel was geweest, dan was er een ander, nogal  groot, probleem geweest. Crowe was namelijk niet langer de gespierde, afgetrainde acteur van weleer. Vijfentwintig jaar iets te veel eten en iets te weinig sporten hadden sporen nagelaten. Maar gelukkig zijn er ook voor de wat dikkere man mooie filmrollen. Wat dacht u van Hermann Göring? Voor Crowe toch op het lijf geschreven, zou je denken. En in psychologisch opzicht voor een acteur een uitdaging, lijkt mij. Ik schat in dat Crowe het aanbod om die oer-nazi tot leven te brengen gretig heeft aangenomen. 

We hebben het over de speelfilm Nuremberg, die enkele dagen geleden z’n Nederlandse première beleefde. Mooi samenvallend met het begin, tachtig jaar geleden, van de Neurenbergse processen. Meer dan de trailer heb ik er nog niet van gezien, maar die geeft de indruk dat Crowe met merkbaar plezier in de huid van ´Dicke Hermann´ is gekropen.

Ook op het boekenfront is er het afgelopen jaar nogal wat aandacht geweest voor het jubileum van de processen. Een van de aardigste uitgaven is voor mij wel Het schrijverskasteel van de Duitse historicus Uwe Neumahr (1972). Die kijkt daarin naar het in november 1945 begonnen hoofdproces tegen de belangrijkste aangeklaagden, en doet dat door de ogen van zo’n twintig journalisten en schrijvers die door hun krant of ander medium naar Neurenberg waren afgevaardigd. De titel van Neumahr’s boek, Het schrijverskasteel, verwijst naar het onderkomen waar het gros van de honderden journalisten was ondergebracht. Dat was het kasteel Faber-Castell even buiten de stad, dat eigendom was van de gelijknamige adellijke familie die rijk was geworden door de productie van potloden. 

Heel luxe was het verblijf in het kasteel niet, de meeste gasten moesten kamers delen, soms wel met tien man. En ook het sanitair was niet berekend op zoveel gebruikers. Maar met z’n allen zo dicht op elkaar zitten had ook voordelen. Overdag, in de rechtszaal,  werden de journalisten geconfronteerd met de meest gruwelijke getuigenissen. Dag na dag. Dan was het prettig om ’s avonds, in het verder best wel gezellige kasteel, stoom af te blazen. Het eten was niet om over naar huis te schrijven, maar drank was er in overvloed. Veel journalisten hielden het alle twaalf maanden dat het hoofdproces duurde vol. Dat is niet verwonderlijk, het proces en de vele onthullingen waren immers wereldnieuws. Hoe vaak krijg je de kans daar bovenop te zitten? En, ook belangrijk, het was een novum: nooit eerder waren zo kort na een oorlog de schuldigen berecht, en dat zo grootschalig, zorgvuldig en juridisch onderbouwd. Het zou een standaard worden. Wij gebruiken daar nu de term ‘tribunaal’ voor.  

Door wiens ogen kijken we naar het proces? Enerzijds door die van ervaren oorlogsverslaggevers als de Amerikanen John Dos Passos en William Shirer. Deze laatste had als correspondent van CBS New York vanaf 1934 in Berlijn gewoond, had verslag gedaan van de jaarlijkse rijkspartijdagen in Neurenberg en was begin 1940 zelfs meegereisd met de Duitse troepen die Scandinavië, Nederland, België en Frankrijk innamen. Pas toen hij merkte dat de Gestapo een dossier over hem aanlegde, hield hij het voor gezien. Shirer was vooral geliefd om zijn radioreportages. In miljoenen huiskamers in Engeland, de Verenigde Staten en de rest van de wereld klonk soms dagelijks zijn stem door de radio, direct verslag doend vanuit een veldtocht of als ooggetuige van de val van Duinkerken. Die voor velen herkenbare stem deed nu verslag van het hoofdproces. 

Ook Martha Gellhorn was een van de meer ervaren verslaggevers. En een van de weinige vrouwen onder hen. Samen met haar echtgenoot Ernest Hemingway had zij vanaf 1936 verslag gedaan van de Spaanse Burgeroorlog, daarna vanuit Duitsland van de opkomst van de nazi’s. Tijdens de oorlog lag zij met haar echtgenoot in een complexe vechtscheiding, maar dat weerhield haar er niet van voor haar werk tot het uiterste te gaan. Zo was zij de enige verslaggever die op D-Day bij de troepen was – illegaal, een weergaloos spelletje verstoppen – en een van de eersten die het kort tevoren bevrijdde concentratiekamp Dachau bezocht. Haar verslagen daarvan, en vooral de directheid, vormen een staaltje journalistiek op hoog niveau. 

Een andere bekende vrouw in Neurenberg was Erika Mann. Deze dochter van Thomas deed haar werk vanuit een geheel ander vertrekpunt. Samen met haar broer Klaus en enkele vrienden had zij de opkomst van Hitler van satirisch commentaar voorzien door middel van haar cabaret Die Pfeffermühle. Dit, samen met de talloze artikelen waarin zij zich teweer stelde tegen de nazi’s hadden haar al vroeg een plekje hoog op Hitlers dodenlijst bezorgd. Waar Gellhorn in Neurenberg volstrekt professioneel bleef, kon Erika Mann soms de verleiding niet weerstaan iets te triomfantelijk op de perstribune plaats te nemen.

Gaandeweg het proces stuitten de verslaggevers op een met de dag problematischer gegeven: nu het 'nieuwtje' van het proces er wel zo'n beetje af was, en er niet alle dagen spectaculaire filmbeelden of  verhoren in de aanbieding waren, verloor het grote publiek z'n interesse. Dat probleem werd mede veroorzaakt door de beslissing, bij de start van het proces door de rechters genomen, om alle processtukken in de rechtszaal  voor te lezen. De Amerikaanse topjournalist Howard Smith pleitte voor het afschaffen van die regel, want: 'voor de geschiedenis zelf is dat van geen belang, maar voor de verslaggever die ook de melkboer in Pretoria moet zien te bereiken is het juist van doorslaggevend belang.'

Ieder van de verslaggevers en schrijvers krijgt van Neumahr een eigen hoofdstuk, waarin tevens een specifiek onderdeel van de procesgang wordt behandeld. In chronologische volgorde, waardoor het boek ondanks de overvloedige informatie heel overzichtelijk blijft. Het aardige is ook dat je volkomen onverwachte namen aantreft. Bijvoorbeeld Erich Kästner, die naast zijn schrijverschap na de oorlog een imposante carrière als krantenman zou opbouwen. Ook Hannah Arendt komt voorbij. 

Zo staat dit niet eens heel dikke boekje boordevol met interessante en ook verrassende informatie. En zelfs sappige. Zo leukte de Engelse auteur Rebecca West haar tijd in Neurenberg een beetje op door een affaire te beginnen met de Amerikaanse opperrechter. Zij genoot daar intens van, had niet gedacht op haar 53ste zoiets nog mee te maken. Het proces kon haar niet lang genoeg duren. Na afloop ging die rechter echter gewoon terug naar Washington, naar zijn vrouw en kinderen. 

Maar de echte showstopper was toch wel Hermann Göring. Na Hitler in rang de hoogste nazi, was hij voor de geallieerden de grote vis. Tijdens het proces was dat ook merkbaar. In de tribune voor de verdachten was hij op de belangrijkste plek gaan zitten, en hij gedroeg zich ook als de leider van de bende. De meesten van zijn medebeklaagden ondergingen de rechtsgang lijdzaam, maar Göring was gewend te zeggen waar het volgens hem op stond. Hij wist zelfs, tijdens zijn verhoor in maart 1946, hoofdaanklager Robert Jackson door sluwe opmerkingen en een degelijke dossierkennis in de verdediging te dwingen.

Ik ga zien hoe Russell Crowe het er als Göring afbrengt. Tussen zijn rol in Gladiator 1 en deze rol in Nuremberg bestaat trouwens nog wel een frappante overeenkomst: ook ditmaal sterft zijn personage aan het eind. Niet in een heroïsch gevecht, maar helemaal alleen, in de nacht voor zijn executie, in zijn cel, met een buisje cyaankali. 

Uwe Neumahr / Het schrijverskasteel. De Neurenbergse processen: ontmoetingen aan de rand van de afgrond / Vertaald uit het Duits door Atia Verheij / 285 blz / Het Getij, Querido Facto, 2023