vrijdag 25 mei 2018

Een niet-geslaagde grap

De nieuwe roman van Herman Brusselsmans, Feest bij de familie Van de Velde, heeft een uiterst overzichtelijke verhaallijn: de beroemde schrijver is uitgenodigd om met zijn aanwezigheid de 85ste verjaardag van Mest van de Velde luister bij te zetten. Van de Velde is een eenvoudige ambachtsman - hij was zijn leven lang huisschilder – én een bewonderaar van het oeuvre van Brusselmans. De vrouw van Mest, Ravijn geheten, weet de schrijver voor het luttele bedrag van € 1.750,00 over te halen enkele uurtjes bij het feestdiner aan te zitten. Tussen de uitnodiging die hij aan het begin van het boek krijgt en het feest waarmee het boek eindigt geeft Brusselmans ons een beschrijving van het leven van Mest, Ravijn, hun familie en vrienden. Aangenomen dat het verhaal fictie is, gaat de schrijver aan het slot van zijn roman dus op bezoek bij de personages die hij in de voorgaande tweehonderd bladzijden heeft gecreëerd. Dat is een opzet die Brusselmans op het lijf is geschreven. Zou je denken.

Het begint vertrouwd. Al voordat de auteur in zijn levensbeschrijving bij de volwassen Mest is aangekomen heb je al een wereld betreden die je als vaste lezer kent. De formuleringen zijn kort door de bocht, de gesprekken zot, de situaties op het groffe af en deze keer een enkele maal zelfs pervers. Ook wordt er te pas en te onpas fantasievol geciteerd uit de werken van Vlaamse literaire grootheden als Hugo Claus, Stijn Streuvels, Felix Timmermans en August Vermeylen. De running gag is ditmaal dat alle personages in het boek volstrekt idiote namen hebben als Rispons Kluttenzut, Ukkelul Stijfgang, Janborst Boeventak en Pruikje Boosdoen. Door die namen, in combinatie met hun gedrag, krijgen ze iets heel karikaturaals, alsof het kobolden of gedrochten zijn. De enige met een normale naam, Mest van de Velde, wordt door de anderen aangekeken op zijn vreemde naam. Dat is wel een heel flauw grapje voor iemand die zich op het achterplat van zijn boeken steevast een ‘zeer belangrijk schrijver’ noemt.

Echt op gang komt de levensbeschrijving van Mest en zijn vrouw Ravijn niet. Het ontbreekt daarvoor aan gebeurtenissen en situaties die opvallend of grappig zijn. Het kabbelt maar door, ontmoeting na nietszeggende ontmoeting met vrienden en kennissen met rare namen en conversaties die vaak komisch bedoeld zijn maar die dat effect niet teweeg brengen. Halverwege het boek had ik nog niet eenmaal gelachen. Wat daarna trouwens ook niet meer gebeurde.

In zijn beste boeken leiden honderden pagina’s typisch ‘Brusselmansiaans’ voorspel naar een indrukwekkende afsluiting die werkt juist door dat wat eraan voorafging. Hier is die opzet ook aanwezig, maar vond ik de uitwerking ervan teleurstellend. De cover van het boek wijst natuurlijk al vooruit naar het afsluitende feestdiner. Het beeld toont een bestek, bestaande uit mes, vork en klauwhamer. Je verwacht dan een familiefeest dat door geruzie uit de hand loopt. Maar het zijn niet de overige gasten van Mest en Ravijn die de feestvreugde bederven. Het is hun schepper zelf. Ik ga niet uit de doeken doen hoe dat verloopt, maar heel vrolijk werd ik er niet van. Stilistisch is het zwak, gevoelsmatig is het zuur. Het is een grap die in de handen van Brusselmans ditmaal niet werkt. Jammer.

Herman Brusselmans
Feest bij de familie Van de Velde
224 blz
Prometheus

zondag 20 mei 2018

Reizen door Europa

Onderzoek heeft uitgewezen dat het hebben van een auto emoties oproept bij de bezitter ervan. Een daarvan is een gevoel van vrijheid en avontuur, van het kunnen gaan en staan waar je wilt. Vandaar dat veel reclamespotjes voor nieuwe modellen worden opgenomen in prachtige landschappen, langs rotsachtige kustwegen of zelfs off-the-road. Wegen spreken in dit verband tot de verbeelding. Ze bieden je de mogelijkheid te reizen, onbekend terrein te verkennen, je blik op de wereld te verruimen en risico’s te nemen, wat aan ons enigszins eentonige leven een zekere spanning verleent. In Over oude wegen presenteert Mathijs Deen acht historische reizen over oude wegen. Het zijn niet de meest bekende reizen, zoals de tocht van Hannibal of de expeditie van Marco Polo naar het Verre Oosten, maar dat is nu juist de charme van zijn selectie. Ik kende er slechts een van. Ieder verhaal is tevens kenmerkend voor het reizen in een bepaald tijdperk, zodat je als lezer een mooi overzicht krijgt van het reizen door de eeuwen heen én van deels onbekende stukjes Europese geschiedenis.

Deen begint in de verre oertijd, ongeveer 800.000 jaar geleden, de periode dat vanuit Azië en Afrika de eerste mensen voet op Europese bodem zetten. Soms zijn hun voetafdrukken in versteende bodemlagen nog het enige bewijs voor hun aanwezigheid, een enkele keer zijn menselijke resten gevonden. Het is puzzelen, schriftelijke overleveringen ontbreken. Wie deze mensen waren, wat zij in Europa kwamen zoeken, wat zij dachten: het is allemaal onbekend. Toch weet Deen je in ruim dertig bladzijden een idee van hun wereld te geven.

In elk van de volgende reisverhalen staat steeds iemand centraal. Dat maakt de geschiedenissen heel persoonlijk. De door Deen gekozen persoon staat ook steeds voor een type reiziger. In het oude Rome is dat een struikrover die op de doorgaande wegen reizigers berooft, in het Holland van de Gouden Eeuw is dat een geloofsvluchteling, in de achttiende eeuw een Hollandse soldaat tijdens Napoleons Russische veldtocht, kort na 1900 rallyrijders – indertijd een volstrekt nieuw type – en het boek eindigt met een ‘omgekeerde vluchteling’, een Marokkaanse Nederlander die terugkeert naar zijn vaderland.

Het indrukwekkendste verhaal is voor mij dat van Gudrid, een IJslandse vrouw die kort na het jaar duizend leeft. Haar geschiedenis is er een van een hard leven, het koude Noorden van Europa was in die tijd alleen geschikt voor de sterken. De dood was tijdens Gudrids leven dan ook alom aanwezig. Veel van haar naasten, waaronder haar drie echtgenoten, stierven al op jonge leeftijd. Gudrids leven is pas twee eeuwen na haar dood opgetekend. Die teksten spreken van een reis naar Groenland, waar ze enkele seizoen blijft wonen en ook een overwintering meemaakt. Ze reist zelfs nog verder, naar het land dat toen bekend stond als Vinland, het tegenwoordige Newfoundland in Noord-Amerika. Daar vestigt zij zich met haar reisgezelschap, bouwt een huis, bewerkt het land, teelt vee. Tot de oorspronkelijke bewoners hen na enkele jaren verjagen. Waarna de groep weer terugkeert naar IJsland, in kleine boten over de grote oceaan. Dan, in het jaar 1025, tegen het eind van haar leven, reist zij als pelgrim naar Rome. Een oude vrouw, alleen op weg door Europa, met weinig geld en geen andere taal sprekend dan haar eigen taal. Het lijkt moeilijk te geloven. Het verhaal van die pelgrimage is dan ook het minst betrouwbare deel van de overgeleverde teksten over Gudrids leven. Het zou zomaar kunnen zijn toegevoegd ter promotie van het christelijk geloof in IJsland in de dertiende eeuw. Maar Deen beschrijft ook díe reis, want de Europese wegen werden in die periode immers overspoeld door pelgrims op weg naar Rome of Jeruzalem, dus onmogelijk is het niet.

In het Europa van vandaag is reizen nauwelijks nog een avontuur. Ons hele leven is geregeld, dus ook het reizen. Voor de automobilist zijn er maximumsnelheden, stoplichten, inhaalverboden en een wirwar aan andere verkeersregels. Die maken het reizen veiliger maar niet altijd sneller. Deen merkt dat wanneer hij in de zomer van 2015 in zijn auto van Parijs naar Wenen rijdt, over dezelfde wegen die in 1902 het parcours vormden voor de rally tussen die twee steden. Tientallen coureurs deden daaraan mee, in machtig brullende sportwagens die over de wegen stoven, stofwolken opwerpend, paard en wagens de berm indrukkend en op volle snelheid door dorpjes razend. De winnaar deed er 15 uur en 47 minuten over. Deen had er, meer dan een eeuw later, maar liefst 25 uur voor nodig.

In het jaar erop, 1903, voerde de wedstrijd van Parijs naar Madrid. Dat was alweer de vierde editie, na Parijs-Amsterdam, Parijs-Berlijn en de al genoemde Parijs-Wenen. De faam van de wedstrijd was inmiddels enorm, alle kranten in Europa schreven erover. De autofabrikanten stopten vermogens in het prepareren van hun wagens, de coureurs hadden een heldenstatus. Maar het ging dat jaar mis. Aan het eind van de eerste dag lag de route van Parijs naar het zuiden bezaaid met autowrakken en verongelukte coureurs. De wedstrijd werd gestaakt. Het drama leidde tot de beslissing voortaan uitsluitend autoraces toe te staan op afgesloten parcoursen. Het laatste stukje écht avontuur op de openbare oude wegen was daarmee geschiedenis.

Mathijs Deen
Over oude wegen. Een reis door de geschiedenis van Europa
416 blz
Thomas Rap

maandag 14 mei 2018

Dichten tegen de verdrukking in

Op 10 november 1938 noteerde Lidija Tsjoekovskaja in haar dagboek: 'Gisteren ben ik bij Anna Andrejevna geweest voor zaken. Ik, die sinds mijn jeugd haar gedichten van buiten ken en haar portretten verzamel, heb nooit gedacht dat ik nog eens naar haar toe zou gaan "voor zaken".' De term zaken verwijst naar een advies dat Tsjoekovskaja zocht in verband met het lot van haar echtgenoot, de natuurkundige Matjev Bronstein, die een jaar eerder was gearresteerd. Anna Andrejevna, die bekender is onder haar pseudoniem Anna Achmatova, zou je een ervaringsdeskundige kunnen noemen want haar man én zoon zaten op dat moment in strafkampen. Met de man van Tsjoekovskaja zou het niet meer goedkomen. Zij ontving bericht van de autoriteiten dat hij voor tien jaar naar een strafkamp was gestuurd. In werkelijkheid was hij ten tijde van dat bericht al gefusilleerd, maar dat hoorde ze pas jaren later. De ontmoeting van de twee dames zou de eerste zijn in een lange reeks. Tot het overlijden van Achmatova in 1966 zagen ze elkaar regelmatig. Vanaf dat eerste bezoek ook noteerde Tsjoekovskaja waarover zij spraken. Vrijwel alle notitieboekjes hebben gedwongen verhuizingen, huiszoekingen en een oorlog overleefd en vormen nu de basis van de bundel Ontmoetingen met Anna Achmatova.

Anna Achmatova (1889-1966) wordt beschouwd als een van de grootste Russische dichters van de twintigste eeuw. Ze debuteerde al op jonge leeftijd. Het communistische regime dat vanaf de revolutie van 1917 de dienst uitmaakte was echter wars van artistieke vrijheden. De beeldende, uitvoerende én literaire kunsten werden geacht zich in dienst van de socialistische heilstaat en de wereldrevolutie te stellen. De grote mate van artistieke onafhankelijkheid die Achmatova zich veroorloofde stond haaks op dat cultuurbeleid van de partij. Maar haar poëzie was geliefd onder de bevolking, wat haar een zekere mate van onaantastbaarheid gaf. Voor haar geliefden had Stalin echter geen ontzag. Haar eerste echtgenoot werd in 1921 gefusilleerd, haar tweede man verdween in de jaren dertig in een strafkamp, haar zoon zat in de jaren dertig en aan het einde van de jaren veertig gevangen en een van haar beste vrienden, de dichter Osip Mandelstam, verdween in 1938 spoorloos.

De relatie tussen de twee dames was er niet een van gelijkheid. Lidija Tsjoekovskaja, die zelf ook schreef – haar novellen Het verlaten huis en Duik in de diepte gaan over het zware leven  van de vrouw in de Stalintijd -, vereerde de grote dichteres. Zij stelde zich dienstbaar op, kwam aanrennen zodra Achmatova daarom vroeg. Stond haar bij in allerlei zaken, zowel alledaagse klusjes als het redigeren van haar gedichten. Achmatova van haar kant liet zich die verering en dienstbaarheid aanleunen, zij wist dat zij die vanwege haar literaire status verdiende. Maar ze kon opeens ook heel aanhankelijk en meegaand zijn, zeker op momenten dat zij zich realiseerde dat haar vriendin het in het dagelijks leven net zo moeilijk had als zij zelf.

De ontmoetingen beslaan de jaren 1938-1962. In die periode maakte Achmatova alle gradaties van bemoeienis van de staat met de literaire wereld als geheel en haar gedichten in het bijzonder mee. Het begon met de meedogenloze terreur van Stalin, waarna de stilstand tijdens de Tweede Wereldoorlog, de korte opleving van een gevoel van vrijheid direct daarna, dan opnieuw de harde hand van de partij en vervolgens, na de dood van Stalin in 1953, een zekere ontspanning onder Chroetsjov volgden. Voor Achmatova betekenden al deze fasen bijna even zovele manieren waarop de partij omging met haar oeuvre, van een algeheel publicatieverbod tot toestemming om te publiceren mits ze sommige gedichten aanpaste tot het uitbrengen van een editie van haar verzameld werk. Die voortdurende onzekerheid maakte haar moedeloos. Want zelfs in de gunstigste situatie, wanneer iets van haar gepubliceerd werd, had de betrokken ambtenarij soms de neiging dat alleen voor de bühne te doen, werd de oplage slechts onder een kleine kliek verspreidt en bereikte die niet de algemene boekhandel.

Achmatova ging onder alle omstandigheden door met dichten. Kort voor de oorlog werkte ze aan twee reeksen, Requiem en Epos zonder held. Aan de laatste zou ze ook na de oorlog, toen ze vanaf 1946 weer een publicatieverbod had, doorwerken. Het werd in die jaren zelfs te gevaarlijk om de manuscripten ervan in huis te hebben. Tsjoekovskaja beschrijft de ‘veilige’ werkwijze: ‘Als Anna Andrejevna bij me op bezoek kwam, las ze me verzen voor uit Requiem, eveneens op fluistertoon, maar bij haar thuis aan de Fontankagracht waagde ze dat zelfs niet fluisterend; plotsklaps, midden in een gesprek, verstomde ze en pakte, met haar blik naar het plafond en de muren wijzend, een stuk papier en een potlood, vervolgens uitte ze een beleefdheidsfrase: “wilt u thee?”of “wat bent u bruin geworden”, dan schreef ze snel iets op het papier en overhandigde het mij. Ik las de verzen, prentte ze in mijn geheugen en gaf ze zwijgend aan haar terug. “Wat is de herfst vroeg dit jaar”, zei Anna Andrejevna hardop, stak een lucifer aan en verbrandde het papier boven de asbak. Het was een ritueel: haar handen, de lucifer, de asbak; een prachtig maar treurig ritueel.” In de zwartste tijden had Achmatova meer dan tien vrienden die haar oeuvre in hun hoofd bewaarden. Ze bezocht ze af en toe, ging met hen in het park zitten en repeteerde de gedichten.

De aantekeningen van Tsjoekovskaja zijn rijk aan gebeurtenissen die de officiële literatuurgeschiedenis niet hebben gehaald. Mooi is haar beschrijving van de dagen na het overlijden van Boris Pasternak, met wie de dames bevriend waren geweest. Pasternak was bij de autoriteiten in ongenade gevallen nadat hij in 1955 zijn roman Dokter Zjivago voltooide. Het boek mocht niet worden gepubliceerd. Nadat Pasternak in 1957 een Italiaanse vertaling liet verschijnen en hem het jaar daarop voor het boek de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, was hij een uitgestotene. Maar na zijn overlijden in 1960 togen veel bewonderaars naar het schrijversdorp Peredelkino, net buiten Moskou, om zijn uitvaart bij te wonen. Het werd een emotioneel eerbetoon aan de vrije geest. Gadegeslagen en gefotografeerd door agenten van de veiligheidsdienst.

Ook Achmatova’s werk was bekend in het westen. Vanaf het begin van haar dichterschap gaf ze toestemming voor vertalingen in het Engels. In 1962 behoorde ze tot de kanshebbers voor de Nobelprijs voor Literatuur. Daarna volgden literaire prijzen, en in 1965 een eredoctoraat in de Letteren in Oxford. Dat laatste mocht ze zelf in ontvangst gaan nemen. Maar het was erkenning die voor haar te laat kwam. Ze was 76, een leven vol onzekerheid had haar een slechte gezondheid opgeleverd. Na terugkomst in Rusland werd ze getroffen door een zware hartaanval. Een jaar later overleed ze.

Lidija Tsjoekovskaja
Ontmoetingen met Anna Achmatova 1938-1962
Met een nawoord van Joseph Brodsky
Vertaald door Kristien Warmenhoven
privé-domein
368 blz
Uitgeverij De Arbeiderspers


zaterdag 5 mei 2018

Tsjaikovskistraat 40, Sint-Petersburg

Wanneer Pieter Waterdrinker en zijn echtgenote Julia op een herfstavond in 2016 in Sint-Petersburg thuiskomen van een opvoering van het ballet Giselle in het Mariinski-theater, vindt hij in zijn mailbox het volgende bericht van zijn uitgever: ‘Hoi Pjotr, Vorige week kregen we hier op de uitgeverij een geweldig idee. Over een jaar is het honderd jaar geleden dat de Russische Revolutie plaatsvond. We waren zo’n beetje aan het brainstormen en nu dachten wij: is het niet aardig als je daar een boekje over maakt? Maar niet te dik. En hou het vooral persoonlijk. Tegen die tijd stikt het natuurlijk van de herdenkingsboeken. Willen we door die berg van publicaties heen komen – qua aandacht in de media – dan kan dat alleen als je het persoonlijk houdt. Persoonlijk, persoonlijk, persoonlijk. We moeten het trouwens wel snel weten, want hoewel de voorjaarsaanbieding nog niet geheel klaar is zijn we alweer bezig met die voor het najaar.’

In eerste instantie wijst Waterdrinker het voorstel af, omdat hij na een kwart eeuw zonder échte doorbraak heeft besloten te stoppen met schrijven. Maar als hij de volgende ochtend zijn zwager Aleksej op bezoek krijgt die hem vraagt om een lening voor een bedrijfje dat hij wil opstarten – geld dat Waterdrinker niet heeft liggen – neemt hij de opdracht om zo’n boek te schrijven toch aan. Op voorwaarde dat hij een voorschot van tienduizend euro krijgt, dat hij direct doorsluist naar zijn zwager. Het resultaat is Tsjaikovskistraat 40, een wonderlijk boek over het oude én nieuwe Rusland. Ook een heel persoonlijk boek. Dat had de uitgever hem immers gevraagd.

Het persoonlijke karakter begint al met de titel van het boek. Die verwijst naar het adres van het appartement waar Waterdrinker en zijn vrouw wonen, in een statig neoclassicistisch pand. De Tsjaikovskistraat – genoemd naar een revolutionair, niet naar de componist - ligt in het historische hart van Sint-Petersburg, om de hoek vond de Russische Revolutie plaats. Het verhaal van die revolutie en de aanloop er naartoe krijgen van Waterdrinker ruime aandacht. Hij paart een degelijke historische benadering aan een gezonde mate van ironie in zijn stijl van schrijven. Als hij het heeft over de opstand van de bevolking van Sint-Petersburg in 1905, die door het leger bloedig werd neergeslagen, luidt het : ‘De tsaar, in de weldadige warmte van zijn geliefde gezin dertig kilometer verderop in zijn buitenverblijf, gaf het bevel tot doden.’

Maar meer nog dan over de historie schrijft Waterdrinker over het Rusland van nu én over zijn eigen leven in het land. Dat laatste vangt aan in het najaar van 1988, als hij op verzoek van een wat schimmig zendingsgenootschap het transport per schip van zevenduizend bijbels in de Russische taal van Rotterdam naar Leningrad begeleidt. Het is een kennismaking met de absurde randjes van het zakendoen in het indertijd al snel veranderende Rusland. In de jaren erna runt hij samen met een partner een bureau voor reizen naar Rusland. Dat neemt een grote vlucht, de glasnost creëert in het westen een enorme belangstelling voor het land. Waterdrinker is in die opzet ‘onze man ter plekke’ – in dit geval Moskou – en begeleidt ook zélf reizen. Hoe onzeker dit métier in die jaren soms is mag blijken uit zijn geestige beschrijving van een reis naar Tbilisi in Georgië. Hij arriveert daar met een groep Hollanders in april 1989, precies op het moment dat er in het land een opstand tegen de regeriing in Moskou uitbreekt. Na een vertraagde en geïmproviseerde vlucht in een aftands Antonov-propellervliegtuigje landt de groep op de luchthaven van Tbilisi, om vervolgens niet naar het geboekte chique hotel in de oude stad te worden gebracht maar naar een socialistisch congrescentrum in de bergen. Waar de enige douche voor de verwende en vermoeide reizigers  de vorm blijkt te hebben van een gemeenschappelijke ruimte met zeven douchekoppen. Ga dat maar eens rechtbreien, in een uithoek en zonder mobiele telefoon. Na verloop van tijd specialiseren Waterdrinker en zijn compagnons zich in reizen voor Nederlandse zakenlui die contact willen leggen met Russische ondernemers. Dat is zeer lucratief, het maakt die Nederlanders weinig uit wat ze voor zo'n reis moeten neerleggen. Maar uiteindelijk wordt Waterdrinker door zijn partners aan de kant gezet, waarbij ze gebruik maken van 'afspraken' die te vaag zijn vastgelegd.

Sindsdien verdient Waterdrinker zijn brood als journalist en correspondent voor Nederlandse dagbladen en andere media. Hij kent Rusland daardoor als geen ander. Enkele jaren geleden publiceerde hij zijn ervaringen in het boek De correspondent. Een aanrader. Maar meer dan journalist voelt hij zich schrijver. In Tsjaikovskistraat 40 laat hij zien dat hij dat wel degelijk is. Hij noemt het boek een roman, waarmee hij de vrijheid heeft om verhalen aan te dikken. Een mooi verhaal hoeft dan immers niet voor de volle honderd procent waar te zijn. Dat levert prachtige passages op, vooral wanneer het gaat over zijn samenwerkingen met de soms wat louche zakenlieden. Maar aan de kern van het boek, dat het Rusland laat zien zoals het was en is, doet die werkwijze naar mijn mening niet af.

Waterdrinker is een begenadigd schrijver, hij heeft een mooie, rijke stijl. Soms wat overdadig, maar dat gebeurt meestal wanneer hij zich door zijn enthousiasme laat meeslepen. Hij kan het ook klein houden. Een voorbeeld daarvan is de scène die volgt op het overlijden van een poes van het echtpaar, Ljolja. Nadat Julia wekenlang met het dier langs dierenartsen en klinieken heeft gezeuld, overlijdt het toch. Bij gebrek aan een datsja, en dus een tuin, moet er een grafplek in de stad worden gezocht. Ze besluiten het beestje dan maar te begraven in de Taurische Tuin, een park bij hen in de buurt. Het is winter, dus er waait een straffe poolwind door de stad. Tegen middernacht, en gewapend met een geleende schep, gaan ze op pad. Ze komen langs het huis waarin Lenin woonde, wat leidt tot een paginalange uitweiding over diens rol in de revolutie. In het park aangekomen, waar de sneeuw een halve meter hoog ligt en de bovenlaag van de grond stijf bevroren is, weten ze met veel moeite hun geliefde huisdier te begraven. Op de terugweg, in hun eigen straat aangekomen, merkt Julia op: ‘Weet je dat ook de weduwe van Dostojevski bij ons in de straat heeft gewoond? Misschien is dat leuk voor je boek. Op welk nummer precies weet ik niet, maar zal ik het eens voor je uitzoeken?’ Een bescheiden en intiem verhaaltje, met een hoog Tjsechov-gehalte.

Met de term ‘roman’ stopt Waterdrinker het boek misschien in een te nauw hokje. Daarvoor is het toch te autobiografisch. Hij laat zien hoe het is om te leven en werken in het huidige Rusland. Maar ook hoe het is om dat te doen ver van je familie, in een land waar allerlei voorzieningen veel slechter zijn dan in Nederland. Dat je alleen kunt overleven door allerlei klussen aan te nemen om wat geld te verdienen. Waarvan het schrijven van boeken niet het meest lucratief is. Tijdens zijn schrijfdip heeft hij uitgerekend dat zijn oeuvre van tien boeken, bijeen geschreven in een periode van twintig jaar, hem gemiddeld een inkomen heeft opgebracht van driehonderd euro per maand. Misschien dat dit bedrag na dit boek wat omhoog gaat …

Pieter Waterdrinker
Tsjaikovskistraat 40
432 blz
Nijgh & Van Ditmar

zondag 29 april 2018

Man, vrouw, brieven

Soms realiseer je je tijdens het lezen van een boek dat je hetgeen je net las niet snel zal vergeten. Omdat het je in emotioneel, stilistisch of ander opzicht aansprak. Mij overkwam dit in de eerste vijftig bladzijden van August Willemsen’s Bewaar deze brieven als je eigen aantekeningen. Briefwisseling met Marian Plug. We zijn dan in Amsterdam in 1957 en de jaren erna. De jonge conservatoriumstudent August Willemsen en Marian Plug, die een opleiding volgt aan de naast het Rijksmuseum gelegen Rijksnormaalschool voor Tekenleraren, hebben elkaar net ontmoet. Als Willemsen laat op de avond van 28 april een briefje van zijn vriend Jaap Hillenius bij Plug in de brievenbus moet doen, voegt hij er onder zijn eigen naam een amoureus PS aan toe. Deze daad met een hoog operettegehalte is voor de verlegen Willemsen een hele stap. Maar die leidt tot een relatie. Nou ja, een soort van relatie. Ook is het PS de eerste van een lange reeks brieven die bijna een halve eeuw zullen omspannen.

Willemsen raakt hevig verliefd op Marian Plug. Gaat die zomer ook met haar op vakantie naar Spanje. Dat daar niets gebeurt, tot zijn grote teleurstelling, komt in de brieven niet echt tot uiting. Al had hij het kunnen opmaken uit een brief van Plug van net vóór de vakantie: ‘Ik kan het níét, zelfs niet een vluchtige niets inhoudende zoen op de mond.’ Willemsen heeft het gegeven later wel mooi verwerkt in een verhaal over die reis voor het literaire tijdschrift Maatstaf. Dat verhaal is deels opgenomen in deze bundel. De reis blijkt daarin voor beiden een openbaring te zijn geweest. Ze maken kennis met een land dat in aanzien, cultuur, klimaat en leefwijze volkomen anders is dan het Nederland van de late jaren vijftig. Ze kijken hun ogen uit, zijn verrukt. Maar ze reizen er rond als broer en zus, zelfs als ze noodgedwongen een kamer of zelfs bed moeten delen. En dat terwijl Willemsen in het verhaal voor Maatstaf Marian als volgt introduceert: ‘Marian was in Blaye. Pikzwart. Zó mooi dat ik stond te trillen op mijn benen.’ Eigenlijk is het jammer dat Willemsen deze episode in zijn leven nooit uitvoeriger heeft uitgewerkt, het had een mooie kleine roman kunnen zijn.

Na afloop van de reis houden Willemsen en Plug de rest van hun leven contact met elkaar. Wat ze hebben is sterker dan een normale vriendschap, het is meer een zielsverwantschap. Ze voelen elkaar aan, begrijpen elkaar zonder woorden.

Vooral voor Willemsen zal de reis het begin blijken te zijn van passies waaraan hij de rest van zijn leven zal wijden. Hij was al een hartstochtelijk liefhebber van literatuur, tijdens de reis ontdekt hij gefascineerd te zijn door de Spaanse en Portugese taal. Vier jaar na de reis besluit hij Portugees te gaan studeren in Amsterdam – in dat jaar is hij de enige hoofdvakstudent. Hij zal uitgroeien tot onze meest vooraanstaande vertaler van Portugese en Braziliaanse schrijvers. Mede door zijn missiewerk werden Fernando Pessoa, Machado de Assis en anderen in de jaren zeventig en tachtig in Nederland veelgelezen schrijvers. In 1983 worden zijn vertalingen zelfs bekroond met de Martinus Nijhoff Prijs.

Ook zie je in de reisbrieven die hij in de jaren na 1957 aan Marian Plug schrijft dat hij met het genre aan het experimenteren slaat. Hij schrijft lange vervolgbrieven, oefent zich in uitvoerige beschrijvingen van steden en landschappen. Je ziet ook steeds meer het plezier van het schrijfproces zélf erin aan de oppervlakte komen. Hij zal zich misschien hebben gerealiseerd dat er op deze wijze een literair oeuvre aan het ontstaan was. Zo althans begrijp ik de opmerking in een brief die hij eind juni 1964 vanuit Spanje aan Marian Plug stuurt: ‘Hoe dan ook: bewaar deze brieven als je eigen tekeningen.’ De brieven vormen de opmaat van de bundels met reisbrieven die hij later zal publiceren, als hij in het zuiden gaat wonen en vervolgens naar Brazilië verhuist. Mijn kennismaking met Willemsen zo’n dertig jaar geleden was Braziliaanse brieven, een bundel met essays in briefvorm over het moderne Brazilië. In het leesschrift dat ik toen bijhield zie ik nu hoe enthousiast ik daarover was. Hoe verfrissend onconventioneel ik de vorm en stijl vond. Kortom, puur leesplezier.

Dat Marian Plug, inmiddels een gelauwerd kunstschilder, besloot om de briefwisseling met haar in 2007 overleden vriend te publiceren, en dat dit mogelijk was in de onvolprezen reeks privé-domein, is geweldig. Dat zij besloot om ook de briefwisseling uit de laatste jaren voor Willemsen’s dood op te nemen, jaren waarin hij het leven niet altijd aankon en waarin de liefde voor een dagelijks glaasje was omgeslagen in een alcoholverslaving, is toe te juichen. Dat maakt het beeld niet mooier, maar wel compleet.

August Willemsen
Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen. Briefwisseling met Marian Plug
privé-domein
302 blz
Uitgeverij De Arbeiderspers

zondag 22 april 2018

Raadselachtige verschijningen

Het verschijnen van de nieuwste roman van Haruki Murakami was jongsleden januari voor zijn Nederlandse uitgever, Atlas Contact, aanleiding uit te pakken met een groots opgezet evenement. Het cruiseschip SS Rotterdam, afgemeerd in de Rotterdamse haven, vormde het decor van een ‘Murakami Weekend’. Gedurende twee dagen kon je je onderdompelen in de wereld van de door jou aanbeden schrijver. Ik gebruik bewust het woord ‘aanbeden’, want dit was natuurlijk vooral bedoeld voor de échte liefhebbers. Bekende Nederlanders kwamen er vertellen over hun passie voor de meester. Dj’s draaiden de muziek die Murakami in zijn romans zo’n belangrijke rol laat spelen. Deskundigen verzorgden lezingen over allerlei aspecten van de Japanse cultuur. Er werd voorgelezen uit het werk. Vanzelfsprekend kon je ook meedoen aan ‘De Grote Murakami Quiz’. En voor de die-hards was er tot laat in de avond karaoke. Het liep storm. Volgens de NRC kwamen er meer dan duizend liefhebbers op af. Dat is een indrukwekkend aantal, zeker wanneer je bedenkt dat de grote schrijver zelf er niet was. Die heeft namelijk een broertje dood aan dit soort publiciteit.

Ook de nieuwe roman die de aanleiding was voor dit evenement, De moord op Commendatore, werd er ten doop gehouden. Het tweede deel althans, het eerste verscheen begeleid door het nodige tromgeroffel al in december. Als een opwarmertje in de publiciteitscampagne. Het boek werd dan ook ruim besproken. Een regelmatig terugkerende opmerking in besprekingen was dat deze roman eindelijk weer een ‘echte Murakami’ was. Waarmee de betreffende recensenten leken te willen zeggen dat al die specifieke karaktertrekjes en eigenaardigheden die een Murakami tot een échte Murakami maken, en die in recente romans als IQ84 (2010) en De kleurloze Tsukuru en zijn pelgrimsjaren (2014) volgens sommigen hadden ontbroken, nu weer volop aanwezig waren. Dat de schrijver zijn dipje te boven was gekomen. Dat is wat kort door de bocht, lijkt mij. Het is alsof je een kader vaststelt waarbinnen een roman van Murakami een goede of échte is, en dat de boeken die daar deels buiten vallen automatisch minder zijn, geen échte. Dat is niet alleen een ietwat te starre en voorgeprogrammeerde houding, het doet ook weinig recht aan het streven van een auteur om nu en dan eens een zijpad in te slaan. Bovendien zijn die twee genoemde romans zeker niet on-Murakamiaans. Met name in IQ84 zijn tientallen scènes te vinden die je, losgeknipt, direct als een Murakami herkent. Voor het gemak wordt dan ook maar de thematisch ijzersterke verhalenbundel Mannen zonder vrouw uit 2016 vergeten.

Maar dan nu De Moord op Commendatore. De openingspassage trekt je gelijk in wat de flaptekst noemt ‘het vertrouwde universum van de meester’: ‘Toen ik vandaag uit een kort middagdutje ontwaakte, zat “de man zonder gezicht” voor me. Hij had plaatsgenomen op de stoel tegenover de bank waarop ik had liggen slapen en staarde me strak aan, met zijn paar denkbeeldige ogen dat het zonder gezicht moet stellen.’ Hij blijkt te zijn gekomen voor het portret dat de hoofdpersoon van hem zou maken. De laatste pakt zijn tekengerei, terwijl de man zich gereedmaakt voor het poseren: ‘Hij zette de zwarte hoed, die de helft van zijn gezicht verborg, af. Op de plek waar een gezicht hoorde te zijn, bevond zich dus echter geen gezicht maar kringelde langzaam een melkwitte nevel.’  Radeloos door de aanbik van de nevel lukt het de hoofdpersoon niet om zelfs maar het potlood op papier te zetten. Waarna de mysterieuze gast verdwijnt. En je als trouwe lezer van Murakami weet dat je de komende duizend bladzijden met nog veel meer onbegrijpelijke verschijnselen zal worden geconfronteerd. Wanneer je vervolgens na de laatste bladzijde het boek dichtslaan, zul je begrijpen dat die openingspassage de kern van het verhaal weergeeft. Bij Murakami is alles hecht met elkaar verbonden, niets staat er voor niets.

De hoofdpersoon is een succesvolle portretschilder wiens kalme, voorspelbare leventje in Tokyo wordt omgegooid wanneer zijn vrouw hem verlaat. Omdat ook het portretteren niet meer wil lukken trekt hij zich ver van de hoofdstad terug in een huis in de bergen. Dat huis behoort toe aan Tomohiko Amada, een beroemde schilder die zijn laatste jaren sluit in een verzorgingshuis. De afzondering doet de hoofdpersoon goed, hij gunt zichzelf de tijd om een nieuwe artistieke weg te zoeken. Hij komt in contact met Menshiki, een wat oudere vermogende zakenman die op de tegenoverliggende bergflank woont. Deze geeft hem opdracht een portret van hem te schilderen, en ook een portret van een jong meisje dat met haar tante aan de voet van de berg woont. In die opdrachten probeert hij zijn nieuwe stijl uit, waarin hij niet zozeer streeft naar een visuele gelijkenis maar meer naar een vergeestelijkte karakterisering.

Inmiddels heeft hij ook kennisgemaakt met de medebewoner van zijn huis, waarvan hij aanvankelijk dacht dat hij er alleen woonde. Dat is Commendatore, een van de figuren op een schilderij dat Tomohiko Amada zorgvuldig ingepakt heeft achtergelaten op de vliering van het huis. In de historische voorstelling op dat schilderij wordt Commendatore om het leven gebracht. Wanneer onze hoofdpersoon in een oude put op de heuvel achter zijn huis een bel vindt, een bel die hem midden in de nacht uit zijn slaap had gehouden, en hij dat ding vervolgens meeneemt naar het huis en er zelf mee klingelt, komt Commendatore tot leven en stapt uit het schilderij. Het mannetje van nauwelijks een halve meter hoog blijkt een Idea te zijn, een verschijningsvorm die zijn fysieke voorkomen leent naar gelang de situatie en de beleving van degene met wie hij contact heeft. Zowel Commendatore als de zakenman Menshiki spelen een grote rol in de soms raadselachtige gebeurtenissen waarin de hoofdpersoon al spoedig verzeild raakt.

Met behulp van evenveel begrijpelijke als minder begrijpelijke bouwstenen vertelt Murakami zijn verhaal. Het is een wonderlijke, soms ook betoverende tocht. Murakami’s fascinatie met een ondergrondse wereld van putten en tunnels, van duisternis en opgesloten zijn speelt een grote rol. Maar ook in de meer alledaagse scènes is hij op zijn best. Ik ken geen schrijver die zo vakkundig volstrekt – of bijna volstrekt – normale situaties en gebeurtenissen weet te laden met het gevoel van de magie van het ongrijpbare.

In wezen is deze lang uitgesponnen vertelling, waarvan de spanningsboog op geen enkel moment inzakt, niet de hoofdzaak van het geheel maar slechts een vehikel. De kern is de ervaring die de hoofdpersoon ondergaat - je zou het een loutering kunnen noemen. Murakami weet ook dat proces overtuigend neer te zetten.

Haruki Murakami
De moord op Commendatore
Deel 1: Een idea verschijnt
Deel 2: Metaforen verschuiven
Uit het Japans vertaald door Elbrich Fennema en Luk Van Haute
Respectievelijk 508 en 535 blz
Atlas Contact

zaterdag 7 april 2018

Met twintig karpers door Japan

De Japanse cultuur is rijk aan tradities en ceremonieën die op mij soms wat omslachtig overkomen. De theeceremonie is daar een mooi voorbeeld van. Hoeveel voorbereiding vergt die niet, en hoeveel geduld vraagt het niet om die uit te zitten? Ik spreek dan natuurlijk voor mijzelf, een nogal ‘down-to-earth’ westerling. Tot zo’n tien jaar geleden reisde ik voor mijn werk regelmatig naar Japan. De Japanners met wie ik samenwerkte trakteerden mij meer dan eens op zo’n ceremonie. Dat is een eer, want voor hen is het een plechtigheid vol van betekenissen die ze heel intens beleven. Het is een van die oude gebruiken die in het sterk verwesterde moderne Japan nog een plek heeft. Daar moest ik aan denken bij het lezen van Didier Decoin’s Vissen voor de keizer, een roman die is opgebouwd rond precies zo’n omslachtig ritueel.

Het verhaal speelt zich af omstreeks het jaar 1000, de bloeitijd van de Heian-periode. Het keizerlijke hof, dat zich in het huidige Kyoto bevindt, is er een van een ongekende luxe. Een klein maar belangrijk detail in dit vorstelijke lusthof zijn de vijvers met karpers. Die moeten natuurlijk, net als alles aan het hof, van de beste kwaliteit zijn. Daarom worden er ieder jaar twintig nieuwe karpers besteld bij de visser Katsuro, die in het dorpje Shimae aan de oevers van de rivier de Kusagawa woont. Katsuro vangt deze karpers in de rivier, met de hand, daarbij zorgvuldig uitsluitend de mooiste exemplaren uitzoekend. Daarna verzorgt hij ze met het beste voedsel zodat ze dik en glanzend worden. Eenmaal per jaar stopt hij de mooiste karpers in twee grote manden met water, hangt die aan een stok over zijn schouders en brengt zijn kostbare vracht lopend naar het hof, een reis van vele dagen. Het levert hem een aardig inkomen op, voor het dorpje zijn er allerlei privileges aan de overeenkomst verbonden.

Maar dan slaat het noodlot toe en verdrinkt Katsuro tijdens het vissen. Zijn weduwe, de jonge Miyuki, treurt en het dorpje is in rep en roer: de directeur van de keizerlijke Dienst Tuinen en Vijvers zal mogelijk niet blij zijn dat de verwachte bestelling voortaan niet meer zal worden geleverd. Maar Miyuki besluit dat ze het werk van haar man dit jaar zal voltooien en de vissen zelf naar het hof zal brengen. Voor haar is de voetreis nieuw, ze heeft tot dat moment nooit een stap buiten haar dorp gezet. Bovendien is een alleenreizende vrouw in die tijd geen alledaags verschijnsel. Dat ze benieuwd is naar de reis die haar echtgenoot zo vaak maakte vertelt ze niemand. Die nieuwsgierigheid en daarmee een zekere onbevangenheid waarmee ze de voor haar nieuwe wereld beschouwt, geeft het verhaal kracht én charme. Door haar ogen zie je de landschappen en de mensen die ze passeert, de soms louche logementen waar ze overnacht en de bergpaden waar ze overheen glibbert. Met als voortdurende zorg het welzijn van de karpers.

Decoin beschrijft de reis van Miyuki met veel aandacht voor detail. Of Miyuki nu een onderkomen vindt in een herberg die bij nader inzien een bordeel blijkt, of in een tempel waar de monniken blijken te stelen als de raven, het wordt je in vloeiend proza en met gevoel voor humor voorgeschoteld. Decoin wisselt de reisbeschrijvingen af met hoofdstukken die zich afspelen aan het hof en het kantoor van de directeur van de Dienst Tuinen en Vijvers. Als lezer weet je zo wat Miyuki na aankomst te wachten staat. De twee verhaallijnen versmelten op dat moment dan ook moeiteloos.

Het slot van de roman ga ik hier niet weggeven, maar neem van me aan dat dit indrukwekkend is. Prachtig gevonden! Wat ik wel wil noemen is een wedstrijd die zich na aankomst van Miyuki aan het hof afspeelt. Een wedstrijd waarin de directeur van de Dienst Tuinen en Vijvers een van de deelnemers is, naast enkele andere hooggeplaatste hovelingen en de keizer zelf. Een wedstrijd waar Miyuki onbedoeld een doorslaggevende rol in speelt. Het gaat hier om een geurenwedstrijd, een spel waarbij de keizer een thema opgeeft dat de deelnemers in geuren moeten zien te verbeelden. Inhoud ontmoet vorm, zou je kunnen zeggen. Een vluchtige vorm dan, in dit geval. In Decoin’s beschrijving ervan wordt dit een sprankelend, sprookjesachtig gebeuren. Een wedstrijd ook met een hoog ‘theeceremonie-gehalte’. En net zo fascinerend.

Didier Decoin
Vissen voor de keizer
Oorspronkelijke titel: Le Bureau des Jardins et des Étangs
Vertaald door Martine Woudt
320 blz
Meulenhoff