zondag 28 december 2025

De topambtenaren aan het roer

Zullen we het boekenjaar maar eens afsluiten met een prijswinnaar? En dan niet een van de grote literaire prijzen, maar een prijs die vaak is verbonden aan de actualiteit? Ik heb het dan over de PrinsjesBoekenprijs. Die wordt jaarlijks in september uitgereikt aan het beste boek van het voorbije jaar over een politiek onderwerp. Dit jaar won Stephan Steinmetz de prijs voor zijn indrukwekkende studie De Tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting. Daarin reconstrueert hij hoe de tien secretarissen-generaal, de hoogste ambtenaren op de Haagse ministeries, het landsbestuur overnamen nadat de koningin en het kabinet in de chaotische meidagen van 1940 de wijk namen naar Engeland. Landsbestuur is een groot woord, met de Duitse bezetter die de lakens uitdeelde, maar toch lag er bij de SG's en hum ambtenaren een belangrijke taak als het ging om het in stand houden van praktische zaken als de handel en economie, het bestuur op gemeentelijk niveau en de voedselvoorziening. Oftewel: het land zodanig runnen dat de bevolking haar leven zo goed als mogelijk kon blijven leven. 

Het waren chaotische dagen, 10 tot en met 14 mei 1940. De Duitse inval, hoewel verwacht, verliep sneller dan het kabinet had ingecalculeerd.  Bij de Grebbeberg hield de landmacht  weliswaar nog even stand, maar de verliezen aan Nederlandse zijde waren aanzienlijk en het werd steeds duidelijker dat het Duitse leger over het Hollandse heen zou walsen.

De ministers zaten dagelijks bijeen in de kelder van een zojuist opgeleverd ministerie aan de Bezuidenhoutseweg. Maar die besprekingen verliepen rommelig. Vermoeidheid speelde een rol, maar ook de slechte berichten en het steeds duidelijker wordende gebrek aan perspectief. Een van de SG’s die erbij was noteerde: ‘Discussies werden ruzies; politieke leiders werden verwarde ouderen.’ Het ontbrak vooral premier De Geer aan daadkracht. De koninklijke familie stapte op een marineschip naar Engeland, en een dag later ook het voltallige kabinet. Nog diezelfde dag capituleerde generaal Winkelman namens Nederland.

Na de aftocht van het kabinet verzuchtte Aarnout Snouck Hurgronje, de SG van Buitenlandse Zaken, tegen Hans Hirschfeld, de SG van Handel, Nijverheid en Scheepvaart: ‘Goddank dat ze weg zijn’. Waarop zijn collega antwoordde: ‘Wat hadden we met ze moeten beginnen’. Dat lijkt een opmerkelijke verzuchting, maar is wel begrijpelijk. Ministers zijn meestal politiek gebonden, dus hebben een vrij beperkte speelruimte, terwijl de SG’s meer manager zijn, regelaars met een speelruimte die ze binnen bepaalde kaders vooral zelf bepalen. En aan dat laatste zou, werkend onder de bezetter, behoefte zijn. Want het kabinet had voor haar vertrek de SG’s een simpele opdracht gegeven: werk constructief mee met de bezetter zolang dat in het belang van Nederland en haar bevolking is, zo niet, dan direct stoppen. De uitvoering van deze ogenschijnlijk heldere opdracht zou complex blijken.

Werkafspraken tussen de tien SG´s onderling waren snel gemaakt, er kwam een regulier overleg. Even later, eind mei, volgden afspraken met de Duitse Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart. Dat lijkt misschien vreemd, maar de Duitsers hadden baat bij een soepel verloop van het dagelijks leven in het bezette Nederland, en de SG’s daarvoor deels verantwoordelijk maken werkte in hun voordeel. En die SG’s deden door een overeenkomst te sluiten met de Duitsers immers precies wat hun ministers hadden bevolen. Ze bouwden voor zichzelf wel een veiligheidsgarantie in: wanneer een SG op enig moment om beroepsmatige of persoonlijke redenen ontslag zou willen nemen, dan kon hij dat doen zonder dat dit repercussies voor hem had van Duitse zijde. Meerdere SG’s zouden daar in de volgende jaren gebruik van maken. 

De eerste maanden verliepen in bestuurlijk opzicht vlekkeloos. De SG’s pasten vol ijver op de winkel. Karel Frederiks bijvoorbeeld, de SG van Binnenlandse Zaken, stapte meerdere keren per week in de auto om ergens in het land te overleggen met burgemeesters. Hij zou dat bijna tot het eind van de oorlog volhouden, voor de lokale bestuurders was zo’n kort lijntje met Den Haag heel prettig. 

Maar al snel diende zich een taaier dossier aan: de wens van de Duitsers om ook in Nederland de Joodse bevolking apart te zetten. Eerst administratief, in afwachting van eventuele vervolgstappen. Het is dan dat De tien van Den Haag interessant wordt, mede door de aanpak van Steinmetz. Hij laat zien dat de SG´s eigenlijk geen idee hadden wat te doen met deze koers van de Duitsers. Dat er voor het Joodse deel van de bevolking gevaar dreigde was, zelfs met de schaarse kennis van dat moment, toch wel duidelijk. De heren hoefden maar te kijken naar wat er in Duitsland sinds 1933 was gebeurd. Bovendien waren de in 1940 in Nederland verblijvende Joden voor het overgrote deel gewoon Nederlandse staatsburgers. Die volgens de grondwet recht hadden op bescherming door de Staat. Iets waar ook de ministers voor hun vertrek in hun opdracht aan de SG´s nog aan hadden gerefereerd. Maar was dat het scenario dat de SG´s kozen? Nee.

Hun beslissing was wel een pijnlijke bevalling, beslist geen hamerstuk. Maar toch besloten ze mee te werken aan het Duitse verzoek. Bijvoorbeeld door het bevolkingsregister zo in te richten dat Joden daar indien nodig eenvoudig uit konden worden gelicht. En de ambtelijke en bestuurlijke verantwoording daarvan? Ze besloten dat het vraagstuk van de Joden een Duitse aangelegenheid was. Dat de Nederlandse ambtenarij daar niet voor mocht gaan liggen. In de herfst van 1940 zou je dit op zijn minst naïef kunnen noemen, anderhalf jaar later moeten zelfs enkele SG’s de dwaling van dit besluit hebben ingezien. Maar toen was het al te laat. 

Is dit een gevalletje ‘afslag gemist’? Hadden ze op dat moment ontslag moeten nemen? Achteraf is dat natuurlijk gemakkelijk praten, maar dát was wel beter te verantwoorden geweest, want geheel in lijn met de opdracht van het kabinet. Maar zou dat voor het lot van de Nederlandse Joden verschil hebben gemaakt, zal meer dan een SG hebben gedacht? In zijn zorgvuldige analyses probeert Steinmetz het hoe en waarom hiervan, en van andere beslissingen, te ontrafelen. Hoe zag het wereldbeeld van de SG’s er uit? Hoe zagen ze hun rol in het bezette Nederland? Schrokken ze soms terug voor de enormiteit van de Duitse plannen met de Nederlandse Joden? Aarnout Snouck Hurgronje, de SG van Buitenlandse Zaken, verklaarde na de oorlog dat hij al in een vrij vroeg stadium van Duitse officieren had gehoord van de moordpartijen op de Joodse bevolking in Polen en Oekraïne. Maar hij had deze kennis niet gedeeld met zijn collega’s, dat zou volgens hem nodeloos gedoe hebben veroorzaakt... 

De tien van Den Haag waren ervaren ambtenaren die in het roerige decennium voorafgaand aan de oorlog, en soms al veel langer, hun sporen hadden verdiend. Die vanaf mei 1940 met soms tomeloze inzet allerlei lastige problemen wisten aan te pakken. De diehards onder hen bleven zelfs op hun post toen hun collega’s er langzamerhand de brui aan gaven en werden vervangen door NSB’ers en onfrisse figuren als Meinoud Rost van Tonningen, die door de Duitsers ook was benoemd tot president van de Nederlandse Bank. Hun werkomgeving moeten ze in toenemende mate als bedreigend hebben ervaren. En aan ’Londen’ hadden ze in die eerste periode ook weinig, die hadden hun eigen sores. 

Een voorbeeldige studie, helder en meeslepend geschreven. Die prijs lijkt me terecht.

Stephan Steinmetz / De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting / 272 blz / Boom, 2025

dinsdag 23 december 2025

Reis naar Laredo

Een koning die het gevoel heeft geleefd te worden, en dan de knoop doorhakt en aftreedt. Het is een historische werkelijkheid. Karel V (1500-1558) was koning van Spanje en keizer van het Heilige Roomse Rijk. Gedurende zijn lange heerschappij reisde hij vrijwel voortdurend door zijn gebieden, van Madrid tot aan de Zuidelijke Nederlanden om in 1555, lichamelijk versleten, in Brussel afstand te doen. Zijn zoon Filips II volgde hem op. En een vaderlands aardigheidje: tijdens die troonsafstand werd de verzwakte vorst ondersteund door de nog jonge Willem van Oranje, die zich toen nog thuis voelde in de Habsburgse familie.

Voor de Oostenrijkse auteur Arno Geiger (1968) was die troonsafstand van Karel het uitgangspunt voor een onderzoek naar de motieven die daaraan ten grondslag lagen en wat de persoonlijke gevolgen waren voor Karel. Het eerste kun je in de bronnen en publicaties uitpluizen, voor het tweede moet je als romanschrijver je verbeeldingskracht inzetten. Dat heeft Geiger dan ook gedaan, met als gevolg een intrigerend verhaal. Maar of het helemaal geslaagd genoemd kan worden?

Nadat hij afstand heeft gedaan van de macht trekt Karel zich terug in het klooster bij Cuacos de Yuste, in de Spaanse Extremadura. Hij is daar omringd door een kleine hofhouding van zo’n veertig man, maar voelt zich te midden daarvan toch alleen. Zo had hij zich zijn laatste jaren anders voorgesteld. Hij besluit daarom te vluchten en de wijk te nemen naar Laredo, een kleine plaats aan de Spaanse noordkust. Geholpen door een page, een elfjarige jongen waarvan alleen Karel weet dat het zijn jongste zoon is, verlaat hij tijdens een stormachtige nacht het klooster. Een paard bestijgen kan hij niet meer, daarom neemt hij de muilezel en Geronimo, de page, de vorstelijke schimmel. 

Geiger beschrijft de tocht van de vorst en de jongen noordwaarts, over zijwegen door het uitgestrekte en vrijwel lege landschap. Twee paria’s, een twintigjarige man en zijn iets jongere zus, die Karel red van een afstraffing, sluiten zich bij hen aan. Het is voor Karel zo’n beetje de eerste keer dat hij kennismaakt met allerlei facetten van het land waarover hij decennialang heeft geregeerd. 

De aankomst in Laredo is de langverwachte apotheose van de tocht. Maar is ze dat? Of heeft Geiger al die tijd een spel met ons gespeeld? Zo’n afronding kan je beleven als een volstrekt onverwacht, dus verfrissend en verrassend slot. Of als een literair foefje. Ik hang ergens middenin.

Arno Geiger / Reis naar Laredo / Vertaald uit het Duits door W. Hansen / 253 blz / De Bezige Bij, 2025

zondag 21 december 2025

Aan de Sloterplas

Ten tijde van de pandemie bedachten ze bij Uitgeverij Van Oorschot iets slims. Ze vroegen auteurs om een tekst over een wandeling. Wandelen was in die tijd ‘hot’, het was immers maandenlang zo ongeveer het enige uitje dat was geoorloofd, en zo’n beetje iedereen ging er dagelijks wel even uit, op minimaal anderhalve meter van een ander. Dus inspiratie opdoen voor zo’n verhaaltje was ook voor de auteurs een eitje. Die verhalen werden onder de serietitel Terloops uitgegeven als een boekje van zo’n zeventig à tachtig bladzijden, hardcover, met een beeldschone illustratie op het omslag én formaat pocket. Het mag duidelijk zijn, ik heb het over een hebbeding. Voor de prijs,  € 13.50, hoefde je het niet te laten. De reeks ging vroeg in 2021 van start, en de boekjes werden al snel gevolgd door een luisterversie. Opnieuw heel slim van de uitgever. Met een duur van 60 à 80 minuten waren ze ideaal om tijdens een wandeling te beluisteren. 

Ik las af en toe met genoegen zo´n papieren boekje, ook toen de reeks na afloop van corona werd voortgezet. En inderdaad, de uniforme uitvoering maakt dat de boekjes, netjes op een rij in de kast, er oogstrelend uitzien. Aan de luisterversie dacht ik niet meer. Tot ik begin dit jaar ontdekte dat die ook in het aanbod van mijn luisterboekabonnement was opgenomen. De hele reeks van inmiddels 26 titels! En hoewel ik tijdens het wandelen liever naar dikke romans of non-fictie luister, ben ik dat toch eens gaan afwisselen met de wandelboekjes. Bevalt prima.

Niet ieder wandelboekje is even geslaagd, maar de juweeltjes overheersen. Een van mijn favorieten is Gerbrand Bakker, die een uitgezette wandeling in de buurt van zijn huis in de Eifel ‘repareert’. En ook het verhaal van Joyce Roodnat, die wandelt door het Amsterdam van haar moeder, de Watergraafsmeer,  is prachtig. Lichtelijk bizar is wat Saskia De Coster bedacht: een dagje wandelen in de Ardennen in het gezelschap van een man die een levenslange gevangenisstraf uitzit vanwege een meervoudige moord. Jaren geleden ontsnapte de man tijdens zo’n wandeling - zijn jaarlijkse uitje - maar meldde zich tegen de avond alweer op het lokale politiebureau. De Coster loopt met hem de route van juist die dag, op zoek naar wat er toen in hem omging. Andere heel geslaagde vertellingen zijn die van Thomas Heerma van Voss, Gijs Wilbrink, Annejet van der Zijl en Marjoleine de Vos

Een van de vroegst verscheen deeltjes in de reeks is De Om, geschreven door Willem Jan Otten. Hij maakt het grootste deel van zijn leven al een dagelijkse wandeling en is daarmee doorgegaan toen hij en zijn echtgenote, de schrijfster Vonne van der Meer, jaren geleden in Slotermeer kwamen wonen. Ze hebben een appartement op de twaalfde verdieping van een van de grote woonblokken pal aan de Sloterplas, met een riant uitzicht over het water en het omringende park. Vanuit zijn werkkamer kan Otten de hele route van zijn dagelijkse ommetje overzien, langs de oever van de plas.  Die plas is 2 kilometer lang, zijn wandeling duurt een kleine anderhalf uur.  

Otten moet voor deze reeks de ideale schrijver zijn, vermoedelijk precies degene die de bedenkers van Terloops voor ogen hadden. Hij beschrijft niet alleen wat hij ziet, zodat je als het ware met hem meeloopt, maar ook wat de ommegang met hem doet, de associaties die hij onderweg heeft, de mensen die hij tegenkomt, wat hij van die mensen vindt Zijn wandeling voor dit boekje valt op 2 november 2020 - of althans, daar situeert hij die. Hij loopt die dag alleen, Vonne loopt niet met hem mee. Wanneer ze eens tegelijk gaan wandelen - niet heel vaak - gaan ze meestal niet samen maar wandelt de een linksom, de ander rechtsom. Halverwege komen ze elkaar dan tegen en zeggen ze iets grappigs of meligs, bijvoorbeeld ‘Mevrouw Van der Meer, I presume?'

We komen van alles te weten. Bijvoorbeeld over de plas en de woonwijk, uitgegraven en aangelegd tussen 1948 en 1956 naar een ontwerp van de stedebouwkundige Cornelis van Eesteren. Plas en het uitgestrekte park zijn bedacht als een groene long te midden van de Westelijke Tuinsteden. Maar ook dat Otten, op latere leeftijd katholiek geworden, al enige tijd met een groepje vrienden de werken van de Heilige Theresia van Avila leest en dat ze besloten om juist vandaag te zwijgen. Waaraan Otten slechts gedeeltelijk deelneemt, omdat hij in de ochtend met zijn stokdove moeder naar het ziekenhuis moest. En zwijgen is lastig wanneer je moeder je alleen verstaat wanneer je de woorden op vol vermogen in haar oor tettert. Maar nu, tijdens de wandeling, zwijgt hij. Zoals altijd.

Willem Jan Otten / De Om. Een wandeling. Van Oorschot ‘Terloops’ / Luisterboek, voorgelezen door Bart Oomen / 1 uur en 23 minuten / Van Oorschot, 2021, via Storytel

donderdag 18 december 2025

Ik zeg geen vaarwel

Ik zeg geen vaarwel van de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang is een prachtige, poëtische roman. Maar uitsluitend – denk ik - wanneer je je laat meevoeren in het verhaal én de wijze waarop Kang dat brengt. Het is het verhaal van twee vriendinnen, vrouwen van eind dertig, begin veertig. Gyeong-ha is een auteur die net een roman heeft voltooid over een massamoord op het Koreaanse Jeju-eiland, in 1948. Sindsdien heeft ze angstdromen waarin de gruweldaden voor haar ogen nog eens plaatsvinden. Haar vriendin Inseon schreef en regisseerde documentaires, maar is nu beeldhouwer in hout en woont op Jeju-eiand. In een van die documentaires staat diezelfde massamoord centraal, waarin haar oom vermoedelijk werd vermoord en haar moeder de rest van haar leven naar haar broer zocht.

De moordpartij heeft werkelijk plaatsgevonden, op meerdere plekken in Zuid-Korea. Kort na de Tweede Wereldoorlog en nog voor aanvang van de Koreaanse oorlog wilden de Verenigde Staten en de toenmalige machthebbers in Korea, het leger, het land zuiveren van de communisten. Bevolkingsgroepen of inwoners van bepaalde streken die werden verdacht van linkse sympathieën werden massaal uit de weg geruimd. Naar deze schanddaden is later diepgaand onderzoek verricht en over gepubliceerd, bronnen waar Kang dankbaar gebruik van maakt.

Wanneer Inseon tijdens haar werk met de zaagmachine enkele vingers verliest en met spoed wordt afgevoerd naar een ziekenhuis in Seoel waar zij enkele weken zal moeten blijven, vraagt zij Gyeong-ha direct naar Jeju-eiland te vertrekken om haar huisdier, een kaketoe, te verzorgen. Toen zij gewond door de ambulance werd afgevoerd was er geen tijd om wat extra voedsel en water voor de vogel achter te laten. Ondanks het slechte weer op Jeju-eiland en de verwachte zware sneeuwstormen neemt Gyeong-ha het eerste vliegtuig naar het eiland en daar de bus naar het dorpje in de bergen waar ze moet zijn. Maar komt ze daar ooit aan?

Zodra Gyeong-ha de bus verlaat om het laatste stuk naar haar bestemming te lopen, ongeveer een half uur, verdwaalt ze. En raakt ze verward in haar terugkerende angstvisioenen. Eenmaal aangekomen bij het huis van Inseon blijkt de vogel al dood te zijn, maar even later ook weer niet. Bovendien komt ook Inseon binnenlopen. Terwijl Gyeong-ha net daarvoor in het atelier, op de zaagmachine en in de tuin inmiddels bevroren plassen bloed heeft gezien, blijkt Inseon nu ineens niets te mankeren. Verwarrend. Hallucineert ze? Droomt ze? Wat is de werkelijkheid? Is die er?

In die nachtelijke uren doet Inseon haar vriendin haar versie van de massamoord uit de doeken. Je bent als lezer dan al gewend aan een scenario dat niet lijkt vast te liggen, waarin meerdere perspectieven tegelijk en door elkaar worden verteld. Waarin de vraag naar een werkelijkheid al lang niet meer relevant is.

Han Kang / Ik zeg geen vaarwel / Vertaald uit het Koreaans door Mattho Mandersloot / 302 blz / Nijgh & Van Ditmar, 2023

vrijdag 12 december 2025

Dé sonnetten

Het boek waarmee ik het afgelopen jaar de meeste uren heb doorgebracht? Dat is opmerkelijk genoeg ook het kleinste boekje. Het meet 15 x 10 cm, het standaardformaat van een ansichtkaart. En heel dik is het ook niet. Het boekje draagt de prachtige titel Voor jou en jou alleen en bevat alle 154 sonnetten van William Shakespeare, in een gloednieuwe vertaling door Frans van Deursen

Nu zult u wellicht denken: alwéér een nieuwe vertaling? En die verbazing is begrijpelijk, want de laatste anderhalve eeuw verschenen er maar liefst vijftien integrale vertalingen in het Nederlands van de sonnetten van Shakespeare. Daarnaast zetten tientallen vertalers door de jaren heen hun tanden in een selectie. Iedere generatie heeft behoefte aan een eigen vertaling, wordt wel eens gezegd. En dat klopt. Sla de vertaling van Leendert Burgersdijk uit 1879 maar eens op en lees wat van die teksten. Het klinkt voor ons gevoel vreselijk plechtstatig en de woordkeuze is flink archaïsch. De blinde eerbied voor Shakespeare druipt er vanaf. In vertalingen die sindsdien verschenen, door klinkende namen als P.C. Boutens, Albert Verwey, Jan Campert en Hugo Claus - sleet dat er langzaamaan af. Hedendaagse vertalingen zijn in modern Nederlands, ze onderscheiden zich van elkaar door specifieke voorkeuren van iedere vertaler en, misschien wel het belangrijkste, zijn of haar vermogen om uit de talloze mogelijkheden die de taal biedt mooie vondsten of combinaties te peuren.  

Lezen maar dan, die versie van Frans van Deursen. Hij heeft dat voor ons heel gemakkelijk gemaakt; waar andere vertalingen vergezeld gaan van een inleiding, een nawoord én het Engelse origineel tegenover de vertaling, zodat je zelf de vergelijking kan maken, geeft Van Deursen je uitsluitend zijn vertaling. Het voordeel daarvan is dat je heel rustig en geconcentreerd de 154 sonnetten kan lezen, zonder te worden afgeleid door allerlei ruis eromheen. En wie toch behoefte heeft aan het origineel, vindt dat gemakkelijk op internet.

Voor we verder gaan, misschien toch even een voorbeeld? Sonnet 18 dan maar, weliswaar overbekend maar daarom niet minder mooi. 

Sonnet 18

Wat als ik jou zie als een zomerdag?

Veel mooier en bestendiger ben jij;

want zomer tekent een te kort verdrag

en stormwind plaagt het bottend blad van mei.

Soms laait het hemels oog met te veel vuur,

vaak dempt de schemering zijn gouden gloed

en alle moois verspeelt zich op den duur

door ’t lot of de natuur, die doet wat moet.

Jij bent een zomerdag die nooit vervaalt,

het moois dat jij bezit speel je niet kwijt.

De dood snoeft niet als jij in hem verdwaalt,

dit vers lengt jou voor eeuwig in de tijd.

   Zolang de mens nog oog en adem heeft,

   zolang leeft dit, en dit wil dat jij leeft. 


En voor wie daar behoefte aan heeft, toch maar even het origineel

Sonnet 18

Shall I compare thee to a summer’s day?

Thou art more lovely and more temperate:

Rough winds do shake the darling buds of May,

And summer’s lease hath all too short a date;

Sometime too hot the eye of heaven shines,

And often is his gold complexion dimm'd;

And every fair from fair sometime declines,

By chance or nature’s changing course untrimm'd;

But thy eternal summer shall not fade,

Nor lose possession of that fair thou ow’st;

Nor shall death brag thou wander’st in his shade,

When in eternal lines to time thou grow’st:

   So long as men can breathe or eyes can see,

   So long lives this, and this gives life to thee.


Wie even zin voor zin naast elkaar legt ziet wat Van Deursen doet. Allereerst neemt hij de regels voor het schrijven van een sonnet in acht, inclusief het metrum en het rijm. Dat maakt de puzzel lastiger, maar het resultaat mooier wanneer hij slaagt. Je merkt – of liever: hoort - dat ritme en de opbouw van iedere zin vooral bij het voordragen van zo’n sonnet. En hier ook vondsten: ‘bottend blad’, ‘hemels oog’, ‘het moois dat jij bezit speel je niet kwijt’ en ‘De dood snoeft niet’. Stuk voor stuk mooie en ogenschijnlijk simpele oplossingen.

De toon is luchtig, merk je ook. In veel sonnetten klinkt Van Deursen speels, uitdagend, vrij en soms zelfs ietwat brutaal, net naar gelang de boodschap van het sonnet. Tijdens het lezen bekroop me langzaamaan het gevoel dat deze vertaling, als iedere tijd z’n eigen vertaling heeft, misschien die van het tijdperk van ‘Shakespeare in Love’ is. Die razend populaire speelfilm, uit 1998 alweer, is immers één groot spel met de dichter en zijn werk.

Frans van Deursen is acteur, zanger, tekstschrijver, theatermaker en vertaler. Hij vertaalde eerder met succes het werk van de zanger Tom Waits. Over Shakespeare deed hij een jaar of zes, tussen allerlei ander werk door. De eerste versie van ieder sonnet stuurde hij, nog nat van de inkt, naar zijn vriend en kenner van de Engelse literatuur Stef Collignon. Met hem en met de dichter Ingmar Heytze bedacht hij nog iets anders: de podcast Dat weet ik sonnet nog niet! Zittend aan de keukentafel bespreken de mannen iedere aflevering een aspect van de sonnetten. Vooral ook die onderwerpen waarover de geleerden in het duister tasten. En dat zijn er bij Shakespeare nogal wat, om te beginnen de vraag of hij de sonnetten, of een deel ervan, in opdracht maakte en voor wie dan. De podcast is serieus, is een inhoudelijke steun voor de lezer van de sonnetten. Maar als het onderwerp ‘Shakespeare en de liefde’ is, of het gesprek gaat over de ‘Dark Lady’, zijn de heren niet vies van een dolle grap. Uiterst onderhoudend.

Het boekje is beeldschoon uitgevoerd, met een harde kaft, mooi papier en een zachtroze leeslintje. Wat wil je nog meer? Het is een hebbeding. Mocht je nog voor iemand een cadeautje voor Kerst zoeken: zoek niet verder. Met de sonnetten van Shakespeare kom je héél goed voor de dag. 

Voor jou en jou alleen. De sonnetten van Shakespeare / Vertaald door Frans van Deursen / 176 blz / Van Oorschot, 2025

Dat weet ik sonnet nog niet! / Podcast van Frans van Deursen, Stef Collignon en Ingmar Heytze /  Alle afleveringen te beluisteren via de website van Frans van Deursen

Oh ja. Er is ook een luisterversie, voorgelezen door Van Deursen zelf, via Storytel. En hij trad de afgelopen maanden zelfs op in het land, met een ....... sonnettenprogramma.

zondag 7 december 2025

En de Nobelprijs voor Literatuur 2025 gaat naar ...

Hij ontving al eens de belangrijkste literaire prijs van zijn vaderland Hongarije en won in 2015 de Man Booker International Prize. Maar komende week, op 10 december, de sterfdag van Alfred Nobel, mag László Krasznahorkai in Stockholm de prijs der prijzen ophalen: de Nobelprijs voor Literatuur. De eer is aanzienlijk, het prijzengeld eveneens. De Zweedse Akademie zal een kleine 900.000 euro naar zijn rekening overmaken. 

Een handvol romans van Krasznahorkai is vertaald in het Nederlands. Ik las door de jaren heen het al wat oudere Oorlog en oorlog (1999, vertaling 2022) en het latere Herscht 07769 (2021, vertaling 2023). Indrukwekkende romans die lang blijven hangen. Maar mijn favoriet is het uit 2016 daterende Baron Wenckheim keert terug. Een zwarte komedie en een afschrikwekkend toekomstbeeld ineen.

Wanneer in een Hongaarse provinciestad het verhaal de ronde doet dat de oude baron Béla Wenckheim vanuit Argentinië op weg is naar de stad van zijn jeugd raken het stadsbestuur, de media en veel inwoners in een roes. Al snel is iedereen ervan overtuigd dat de baron onmetelijk rijk is, en hij die rijkdom zonder twijfel zal willen delen met de plaats waaraan hij zijn hele leven verknocht is gebleven. De burgemeester, de politiecommissaris, de directeur van het gymnasium en nog een handvol andere notabelen organiseren een grootse ontvangt op het treinstation. Het oude familiekasteel, waarin nu het gemeentelijke weeshuis is gevestigd, wordt ogenblikkelijk ontruimd en schoongemaakt. En de lijstjes met ‘goede doelen’ plus de bijhorende begrotingen worden opgemaakt. En dat zijn er veel, want de stad is door jarenlang slecht bestuur, vriendjespolitiek en grepen uit de gemeentekas verloederd.

De persoon die op het station uit de trein stapt is een fragiele oude man, geestelijk niet helemaal alert – voortdurend in zijn gedachten verzonken is de goede omschrijving -  die na het vergokken van zijn vermogen door zijn familie Argentinië uit is gesmokkeld voordat justitie hem kon inrekenen. In Wenen hebben ze hem in het nieuw gestoken, hem een paar honderd euro in handen gestopt en hem op de trein naar zijn geboorteplaats gezet, waarbij hij heeft beloofd hen nooit meer onder ogen te komen. Die man is, wanneer hij de trein verlaat, volkomen overdonderd door de enorme mensenmassa die hem opwacht. De speeches dringen nauwelijks tot hem door, evenals de pogingen van het lokale operakoor om Don’t cry for me Argentina ten gehore te brengen. Het welkomstdiner verlaat hij voortijdig en pas in het familiekasteel waar hij wordt afgeleverd, een lege huls waar de lokale timmerman nog bezig is een bed voor hem in elkaar te zetten, komt hij een beetje tot zichzelf. Herinnert hij zich weer dat de reden voor zijn bezoek was dat hij zijn jeugdliefde Marika wilde opzoeken.

Krasznahorkai weet dit tragikomische gegeven tot in alle uithoeken van de mogelijkheden uit te melken. Maar in wezen is deze verhaallijn niets anders dan een kapstok voor zijn eigenlijke betoog: hoe, in een samenleving waar de bestuurders alle macht naar zich hebben toegetrokken en hun invloed en de media gebruiken om de publieke opinie te bewerken en hun eigen falen te verhullen, de waarheid nooit de waarheid is en beïnvloeding van de massa aan de orde van de dag is. Waar de commissaris van politie, de échte baas, de plaatselijke motorbende Lokale Krachten gebruikt om tegenstanders af te ranselen. Je kan je niet aan de indruk onttrekken dat hij, in de vorm van een professioneel verhulde parabel, schrijft over de huidige situatie in zijn eigen land, Hongarije.

Wanneer het zelfs de weinig slimme burgemeester na enige tijd gaat dagen dat de baron niet de kip met de gouden eieren is, en hij zich na een bizar ongeval waarbij de baron om het leven komt realiseert dat de door hem en zijn collega’s publiekelijk opgeklopte verwachtingen niet zullen worden vervuld, begint hij aan een cover-up. Een regelrechte geschiedvervalsing, waarbij alle betrokkenen, met inbegrip van de lokale journalisten, opnamen, redevoeringen en andere bewijsstukken moeten vernietigen. Het is niet gebeurd, wordt het officiële standpunt. Maar de komst en de dood van de baron hebben iets ongrijpbaars in gang gezet waaraan – en hier begint het verhaal eigenlijk pas echt - de gehele stad uiteindelijk ten onder zal gaan.

Krasznahorkai schetst in deze roman een maatschappij waarin menselijke en democratische waarden ondergeschikt zijn geraakt aan de belangen van de machthebbers. Hij doet dat briljant, als een dirigent op wiens aanwijzingen het orkest alles uit een complex muziekstuk weet te halen. Zo begint hij zijn roman ook, met een bladzijden lange peptalk waarin hij zijn musici opzweept alles te geven wat ze hebben. Je realiseert je als lezer dat het verhaal dat volgt niet de kale realiteit is, maar de interpretatie daarvan door de dirigent, in dit geval de schrijver.

De lange hoofdstukken kennen geen witregels. Vaak verspringt bij het begin van een nieuwe alinea ook het vertelperspectief. Het duurt even voordat  je daaraan gewend bent, wat ook geldt voor de snelheid waarmee je de nieuwe verteller herkent. Maar eenmaal ingelezen is het effect van deze techniek dat je op den duur leest als in een trance, zonder onderbreking. Letterlijk meeslepend.

László Krasznahorkai / Baron Wenckheim keert terug / Vertaald uit het Hongaars door Mari Alföldy / 496 blz / Wereldbibliotheek, 2019

vrijdag 5 december 2025

Brouwers' mooiste

Twee maanden geleden verscheen de eerste audioversie ooit van De zondvloed, het monumentale epos van Jeroen Brouwers waarin hij terugkeert naar zijn jeugd in Nederlands-Indië, het Jappenkamp, zijn kostschooljaren in Nederland, zijn vroege schrijverschap en eerste huwelijk. De roman dateert van 1988, de in 1940 geboren Brouwers liep tijdens het schrijven dus tegen de vijftig. En dat merk je. Hij is zelfverzekerd, want heeft in die fase van zijn schrijverschap al een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Hij is ongenadig, zowel voor anderen als voor zichzelf. En hij is precies, heeft over de betekenis van wat hij wil zeggen nagedacht en er de juiste woorden voor gevonden. Voeg daar zijn neiging tot het neerpennen van een warmbloedige taal bij en je hebt een Brouwers die alle registers open heeft gezet. 

Ik las de roman in 1988, zoals ik na het in 1977 verschenen Zonsopgangen boven zee vrijwel alles van hem las. Noteerde in mijn leesschrift onder mijn korte impressie vijf sterren. Dat laatste doe ik niet meer, maar m´n oordeel zou nu niet anders zijn. Na 37 jaar een boek herlezen kan mee- of tegenvallen. Het doen van een ontdekking en daardoor verrast zijn is er niet of nauwelijks meer. Het is nu puur de inhoud en kracht van het verhaal en de tekst die bewondering kunnen afdwingen of. Om dat een handje te helpen herlees in het liefst in de vorm van een luisterboek. Dat voegt een nieuwe sensatie toe, zeker als de ‘stem’ professioneel is. In dit geval is het Cees van Ede, oud-presentator van radio- en televisieprogramma’s. Zijn rustige, vrij neutrale toon vormt een contrast met de soms barokke taal en de emoties die Brouwers oproept, maar zorgt  wel voor een zekere balans die aangenaam luistert.    

In 1988 koos de uitgever voor het boek een omslag met daarop de beroemde prent van Hokusai, Onder de golven van Kanagawa. Het overdonderende natuurgeweld waaronder de prauw lijkt te bezwijken is toepasselijk voor de inhoud van het verhaal. Voor het luisterboek  werd speciaal een nieuw beeld gemaakt, een tekening waarin je Brouwers verwoed een stapel papier ziet volschrijven. Op de achtergrond een bos, en Brouwers is niet de Brouwers uit 1988 maar de man zoals hij eruitzag in zijn laatste jaren, omstreeks 2020. De drie kleine rode bollen rechtsonder lijken te verwijzen naar de drie romans waarin Brouwers ‘afrekende’ met zijn jeugd, in Nederlands-Indië en Nederland: Het verzonkene (1979), Bezonken rood (1981) en het onderhavige boek, De Zondvloed, waaraan hij acht jaar schreef. De eerste twee, niet al te dik, hebben sinds hun verschijnen herdruk na herdruk beleefd, Bezonken rood zelfs al meer dan vijftig (!). De Zondvloed, misschien door de omvang, haalt dat bij lange niet. Maar is voor mij wel de mooiste van de drie. De meest complete beleving. En in zekere zin ook Brouwers' romanoeuvre in het klein.

Jeroen Brouwers / De zondvloed / Luisterboek, voorgelezen door Cees van Ede / 26 uur en 48 minuten / Atlas Contact, via Storytel, 2025

Jeroen Brouwers / De zondvloed / 762 blz / De Arbeiderspers, 1988


dinsdag 2 december 2025

Rouwjournaal

Schrijven over de dood van een geliefde is niet gemakkelijk. Het is voor de auteur gewoonlijk onbetreden terrein en wanneer de echtgenoot, echtgenote, vader, moeder, zoon of dochter recent is overleden is het ook nog eens schrijven over een onderwerp dat de emoties losmaakt. Jan Siebelink was het dan ook niet van plan toen zijn geliefde Gerda in de zomer van 2024 na een kort ziekbed overleed. Ze waren allebei midden tachtig, en een mensenleven lang bij elkaar geweest. Ze kwakkelden dat laatste jaar beide, Jan met een glaucoom, Gerda met hartklachten. Kort na een succesvol verlopen operatie daaraan diende de dodelijke ziekte zich bij haar aan. Binnen enkele weken was ze weg. In een ziekenhuisbed in de woonkamer, met zicht op haar tuin, haar geliefde vleugel en de familiefoto´s leefde ze toe naar het einde. Dapper, je krijgt de indruk dat haar man meer onthutst was door wat er gebeurde.

Siebelink was dus niet van plan erover te schrijven. Maar zijn vriend Frans Thomése raadde hem het aan. Al was het ook maar om ergens mee bezig te zijn, iets te doen met zijn gevoel van verlies. Gaandeweg kwam daar voor Siebelink nog iets bij: iets van haar leven bewaren. Geen monumentje, maar herinneringen, een geschreven memoir.

Het kreeg de titel Rouwjournaal, maar het is geen van dag tot dag reportage. Siebelink kiest per notitie wat het onderwerp zal zijn, schijnbaar at random. Daarmee gaat het vooral over Gerda en wie zij was, wat zij voor hem betekende, hoe hun huwelijk was. Siebelink lijkt niets te bedekken, allerlei intimiteiten benoemt hij. In de context van dit journaal hebben ze een betekenis. De lichamelijke aftakeling van Gerda wordt niet verhuld, evenmin als de angstaanvallen van de schrijver wanneer hij na Gerda’s dood alleen in zijn vrijstaande huis in Velp achterblijft en midden in de nacht voortdurend insluipers denkt te horen. Of wanneer hij, denkend aan de toekomst die hem nog rest, een lang bewaard pistool uit een lade vist. 

Schrijven over de dood van een geliefde is niet gemakkelijk. Siebelink lukt het.

Jan Siebelink / Rouwjournaal / 192 blz / De Bezige Bij, 2025