Cato Goudschenker was ooit, op nog jonge leeftijd, hoogleraar filosofie aan een universiteit. In Amsterdam, als we tussen de regels door lezen. En ooit had ze kinderen, wel een handvol. Of was dit nu niet het geval? En vonden enkele peuters daadwerkelijk op vrij gruwelijke wijze de dood? In de eerste tientallen bladzijden van Het gezoem van bijna alles zijn nogal wat feitjes onzeker. Voor Cato, zoals wij al snel vermoeden, maar ook voor ons als lezers. Maar wanneer de grote ramp in haar leven eenmaal heeft plaatsgevonden, en Cato heeft besloten haar leven om te gooien, komen we in eenduidiger vaarwater. En zal de gemiddelde lezer haar al heel snel in de armen sluiten.
Het omgooien van haar leven bestond uit het verlaten van haar universitaire wereld, haar land, haar vrienden. Cato emigreerde naar een Spaans eiland, waarvoor het Canarische La Palma model moet hebben gestaan. Afgelegen, in de Atlantische Oceaan voor de kust van Afrika. Een plek waar ze niemand kent, maar waar ze door haar baantje als postbode, op de scooter naar de afgelegen adressen, al snel een kennissenkring opbouwt. Zelf woont ze aan de kust, op een klif. Haar huisje is eenvoudig, maar je leeft er een groot deel van het jaar buiten. De lege wijnflessen gooit Cato over haar tuinmuur, waarachter het steil naar zee afloopt. Dat is haar avonddrank, wakker worden doet ze op gitzwarte, gloeiend hete koffie. In haar vrije uren, en dat zijn er veel, kijkt ze mijmerend uit over zee. Nadenkend over alles, ook haar ‘kinderen.’
Is haar leven op het eiland een vlucht? Als vooraanstaand filosofe zou ze toch in staat moeten zijn haar eigen gedrag te duiden. Maar daar komt ze vooralsnog niet uit. Het voelt wel goed dat ze, na zich jaren vooral met de gedachten van anderen te hebben beziggehouden, nu eens met haar eigen gedachten aan de gang kan. In die zin is de vlucht toch ook een verrijking. Er zijn twee calamiteiten voor nodig – een fikse bosbrand en het verongelukken van een eilandvriendin – alvorens ze in haar hoofd een knop omzet. Zich beseft dat wat eens een zinvolle verandering leek inmiddels een doodlopende weg lijkt te worden. Dat je met het rondbrengen van de post niet het beste uit jezelf naar boven haalt. Dat ze zich een doel moet stellen. Ze kiest daarvoor iets uit waar ze in haar jonge jaren goed in was, maar dat ze sinds tientallen jaren heeft laten verslonzen. Bergbeklimmen.
Tot zover het verhaal, verdergaan zou er voor diegenen die het boek nog niet lazen de sjeu afhalen. Maar er blijft genoeg te vertellen. Aansluitend bij het hierboven aangehaalde citaat uit het juryrapport: Schrijbers taalgebruik is inderdaad sprankelend, lichtvoetig én ze schrijft zinnen van vlees en bloed. Of we nu in Cato’s hoofd zijn op het eiland, of halverwege een besneeuwde berg in Peru, iedere zin doet ertoe, hele alinea’s enthousiasmeren je als lezer. Een van de mooiste passages is die waarin ze, zittend op het terras voor haar huisje, op een verder doodstille avond, de langstrekkende walvissen hoort ademhalen. Voor mij is dat de overtreffende trap van het scheppen van een onvergetelijk beeld.Op de drempel van haar vertrek van het eiland komt het bij Cato op dat ze in dit leven nog iets zou kunnen nalaten. Aan mensen die ze niet kent, maar die ook Goudschenker heten. Ze schrijft snel nog wat regels, en doet de handvol enveloppes in haast op de bus. Die brieven geven haar leven, haar bestaan, een soort Nachleben. Ook dat is weer een prachtige vondst. Van mij mag dit boek de Librisprijs winnen - ofschoon ik een fráctie blijer zal zijn wanneer die naar Bert Natter gaat.
Coco Schrijber / Het gezoem van bijna alles / 320 blz / Querido, 2025

