donderdag 20 augustus 2026

De rode burgemeester

PRO. Het is er nu dan toch van gekomen, een grote volkspartij aan de linkerzijde van het politieke veld. Lang niet alle betrokkenen waren bereid zomaar de stap te zetten. Lang niet iedereen geloofde in de voordelen. En emotionele aspecten speelden voor velen, vooral de wat oudere kiezers en leden, natuurlijk ook een rol. Of de fusie een goede beslissing was gaan we zien, dat moeten we wat tijd gunnen. 

Wat ik me tijdens de discussies van de afgelopen jaren niet echt heb gerealiseerd was dat binnen de Partij van de Arbeid al veel langer de wens bestond de partij eens goed op te schudden. Te vernieuwen. En dan bedoel ik niet zo’n ietwat modieus initiatief als Nieuw Links (1965-1971), maar grondiger, duurzamer. Ik stuitte daarop tijdens het lezen van De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester. In deze biografie beschrijft Klaas Tammes hoe er, na de Tweede Kamer verkiezingen van 1967, voor het eerst sprake was van de opkomst van veel kleine, veelal linkse partijen die niet aan de regering zouden gaan deelnemen. Dat was eigenlijk jammer van die stemmen, vond Wim Thomassen, direct na de oorlog medeoprichter van de PvdA en in 1967 burgemeester van Rotterdam. Niet de minste, dus. Hij pleitte voor ‘een doorbraak, voor een brede progressieve volkspartij’. De naam PvdA mocht van hem verdwijnen. Het woord ‘arbeid’ in die naam had in 1946 bij de oprichting immers een geheel andere inhoud gehad dan twee decennia later. Maar van de term ‘socialistisch’ moesten ze afblijven. Die was voor hem zoiets als een beginselverklaring. 

Rotterdam was de derde stad waar Thomassen burgemeester was, na Zaandam (1948-58) en Enschede (1958-65). Dat is een mooie loopbaan, zou je zeggen, en Thomassen vond dat zelf ook. Hij hield van het bestuurlijke op stedelijk niveau, dat was niet te groot, dat paste ook goed bij zijn pragmatische instelling, zijn hands-on mentaliteit. Kort na de oorlog was hij enkele jaren lid van de Tweede Kamer, maar dat was hem te abstract. En een functie binnen een regionale samenwerking, zoals in het Openbaar Lichaam Rijnmond, leek hem alleen zinvol wanneer zo’n bestuursorgaan ook daadwerkelijk bevoegdheden kreeg. En dat was in de jaren zestig nog niet het geval.  

Hoe wordt je burgemeester? Bij Thomassen was dat deels een kwestie van de juiste man op het juiste moment. Direct na de oorlog, in de zomer van 1945, was hij drie maanden lang in de rang van majoor hoofd geweest van het Militaire Gezag in de Zaanstreek. En toen hij drie jaar later solliciteerde naar de vacante burgemeesterspost, herinnerde men zich hem als een doortastend en beminnelijk man. Dat hielp. 

Klaas Tammes, die zelf burgemeester in meerdere kleinere gemeenten is geweest, schetst met kennis van zaken de achtereenvolgende posten van Thomassen. Die verschilden zeer. In Zaandam werd het politieke leven in die jaren na de oorlog grotendeels beheerst door de Communistische Partij, die met een grote fractie en een flinke dosis onaangepast gedrag de vergaderingen van de gemeenteraad domineerde. In Enschede was het vooral een kwestie van saneren en wist Thomassen een handvol verouderde en kwakkelende textielbedrijven uit het centrum naar de buitenrand van de stad te krijgen. Daar kwam ook zijn interesse voor stedelijke vernieuwing voor de dag. De stad kreeg zijn ‘Boulevard’, een grote doorsteek, en het centrum onderging een make-over.  En in Rotterdam zou je Thomassen zelfs een projectontwikkelaar kunnen noemen. Als burgemeester had hij daar tevens de haven in zijn portefeuille, een – misschien niet heel verstandige - traditie. Hij zette grote projecten in gang, zoals een nieuwe Maasvlakte voor diepstekende schepen, waarvoor op Voorne een natuurgebied zou moeten wijken. Dat leidde tot een maatschappelijke discussie, met als kernvraag of Rotterdam ‘een haven met een stad, of juist een stad met een haven’ zou moeten zijn. Iets algemener geformuleerd: waar ligt de balans tussen welvaart en welzijn? Voor Thomassen was dat duidelijk, en hij verdedigde zijn visie dan ook hartstochtelijk. 

Kreeg het gedrag van Thomassen in Rotterdam regenteske trekjes? Zag hij zichzelf niet alleen als burgervader maar ook als CEO van een multinational? Je gaat het haast denken. Zijn opvolger zou in 1974 André van der Louw zijn. Een partijgenoot, maar daar houdt iedere vergelijking wel op. 

Een leven als burgemeester betekent dat je midden in het maatschappelijk leven staat. En er niet alleen deel van uitmaakt, maar dat je ontwikkelingen ook mede kan sturen. Een burgemeesterschap is daarmee een soort spiegel van de samenleving, in ieder geval de lokale. Tammes weet dat feilloos te duiden, en dat geeft zijn biografie beslist een meerwaarde. Maar ook door zijn oog voor het detail, voor het meer anekdotische, leer je Thomassen kennen. Ter afsluiting twee aardige voorbeelden daarvan.   

Het eerste: In de zomer van 1958 verhuisde het echtpaar Thomassen naar Enschede. Omdat op dat moment de verbouwing van de ambtswoning nog niet gereed was, wat ook gold voor de gasaansluiting, zette Thomassen zijn caravan op de stoep zodat zijn echtgenote daarin kon koken en koffie zetten. Hoe glorieus kan je intocht als nieuwe burgemeester zijn?

Het tweede: Eind jaren zestig. De Amsterdamse burgemeester Samkalden had het demonstratiebeleid versoepeld, min of meer gedwongen door de omstandigheden. Thomassen dacht daar anders over, vond dat dit beleid moest blijven verlopen binnen het kader van de wet- en regelgeving. Een citaat: ‘Demonstreren hoort tot onze vrijheid. Het gezag is er omwille van die vrijheid. Nu er een gezagscrisis aan de orde is kan tot de oplossing daarvan niet worden bijgedragen door terug te wijken en te buigen voor de waan van de dag. Ik ga bij de demonstraties tussen de mensen staan. De politie ontraadt me dat. Provo-happenings kent Rotterdam niet. […] In Rotterdam wordt gewerkt. Rotterdammers gaan op tijd naar bed.

Klaas Tammes / De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester / 325 blz /  Prometheus, 2026

zondag 9 augustus 2026

Hoe Maurits, prins van Oranje, aan de macht bleef

Je politieke tegenstander uit de weg ruimen, in het Holland van de zeventiende eeuw was dat een koud kunstje. Mits je over geld en enige invloed beschikte. De keurigste mensen bezondigden zich er aan, zelfs een prins van Oranje. En met hém opent Nicolaas Matsier (1945) zijn onlangs verschenen roman Zonder pardon. Het is een vroege ochtend, eind augustus 1618. Prins Maurits, stadhouder van vijf provinciën en kapitein-generaal van het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden, wacht na een grotendeels doorwaakte nacht op de komst van Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de provincie Holland en na Maurits de machtigste man in de Republiek. In diens agenda staan voor die dag twee vergaderingen, achtereenvolgend met de Staten van Holland en met de Staten-Generaal. Maar Van Oldenbarnevelt zal die bijeenkomsten nooit bereiken. Zodra hij op het Haagse Binnenhof uit zijn koets stapt, wordt hij gearresteerd. Feitelijk in directe opdracht van Maurits. Formeel op last van de Staten-Generaal.

Hoe luidde de aanklacht? Wanneer je het uitvoerige dossier dat werd opgebouwd, met daarin een opsomming van meer dan honderd beschuldigingen, even buiten beschouwing laat wordt het overzichtelijk. Het gaat veelal om bestuurlijke zaken, met daarin religie als zwaartepunt. Na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand in 1609, waardoor de focus op de oorlog tegen Spanje tijdelijk wegviel en opeens allerlei onderlinge geschillen belangrijker leken te worden, ontstonden er irritaties en haperde de communicatie. Een min of meer harmonieuze samenwerking in de strijd tegen een gezamenlijke vijand ontaardde in solistisch optreden van beide kanten. Van Oldenbarnevelt, die bijna veertig jaar – vanaf zijn samenwerking met Willem van Oranje – in het centrum van de macht had verkeerd, ging daarin het verst. Maurits voelde zich de macht ontglippen en greep naar het middel dat hem ten dienste stond: het leger. Hollandse steden, waarvan er tot dan toe veel trouw waren gebleven aan de raadspensionaris, werden ‘gecorrigeerd’. En Van Oldenbarnevelt liet hij voorafgaand aan diens arrestatie maandenlang bespioneren.  

Nicolaas Matsier publiceerde in 2019, precies 400 jaar na de onthoofding van Van Oldenbarnevelt, de roman De advocaat van Holland. En dit voorjaar verscheen de tegenhanger, Zonder pardon. Matsier hanteert in dit tweeluik een opmerkelijke stijl. Verkeerde je in De advocaat als lezer voortdurend in het hoofd van Van Oldenbarnevelt, in Zonder pardon beleef je uitsluitend Maurits’ gedachten. De zinnen zijn kort, de alinea’s nooit langer dan een halve bladzijde en steevast van elkaar gescheiden door een witregel. Er ontstaat daardoor een spervuur aan korte impressies, vaak niet langer dan een tweet. Ben je daar eenmaal aan gewend, dan leest het best prettig.

Vanaf zijn arrestatie tot aan zijn terechtstelling in mei 1619, negen maanden later, wordt Van Oldenbarnevelt gevangen gehouden in een donker appartement boven de Rolzaal in het Haagse Binnenhofcomplex. Nog geen honderd meter van Maurits' verblijf. De ramen ervan zijn dichtgetimmerd om hem te beletten contact met buiten te hebben. Zelfs zijn familie mag hij na zijn arrestatie niet meer zien. Ook de reden van zijn gevangenneming is hem lange tijd niet bekend. De eerste verhoren door een voor de gelegenheid samengestelde rechtbank brengen daarin voor hem geen duidelijkheid. Pas na enige tijd ontdekt hij een patroon in de ondervraging, een denkrichting. Maar lange tijd komt het niet bij hem op dat er wordt aangestuurd op de ultieme straf. Door dat limbo verkeert Van Oldenbarnevelt als het ware in een niemandsland. Hij staat volledig buiten de dagelijkse gang van zaken. De enige afleiding in die eenzame opsluiting is het regelmatige verhoor door de  rechtbank.

Maurits houdt zich buiten het onderzoek en proces, al laat hij zich dagelijks door vertrouwelingen bijpraten. Wanneer hij tegen het einde van het jaar met flink wat militair machtsvertoon alle Hollandse steden achter zich heeft weten te krijgen, breekt een rustige periode aan. En door stilzitten ontstaat er ruimte voor herinneringen, bespiegelingen. Een situatie waarin Van Oldenbarnevelt zich al maanden noodgedwongen bevindt. Voor mij zijn het juist deze passages die beide romans naar een hoger plan tillen. Matsier schetst Van Oldenbarnevelt hier als ambitieus jurist en bestuurder, trots op zijn glansrijke loopbaan die hij wist te bekronen met de machtigste functie binnen het bestuurlijk bestel van de Republiek. Dat je daarbij onherroepelijk vijanden maakt is haast niet te vermijden. Mensen die vinden dat je al veel te lang te veel macht hebt, en die verkeerd gebruikt. En die je daarom liever zien gaan. Is dat wat hem nu overkomt?

De mijmeringen van Maurits zijn wat meer aards van karakter. Hij kijkt weliswaar terug op succesvolle veldslagen en belegeringen, maar kan niet goed omgaan met het maken van vuile handen, ook al was dat soms onvermijdelijk. Zelfs dat wat hij nu Van Oldenbarnevelt aandoet levert hem soms slapeloze nachten op. Ook gaat Maurits de jaren voelen, zijn behoefte aan korte middagslaapjes wordt steeds groter.

Niet iedereen zal zijn geschiedenis van de Hollandse Gouden Eeuw paraat hebben. Van Oldenbarnevelt en Maurits zullen geen probleem zijn. Maar het Twaalfjarig Bestand, de strijd tussen de remonstranten en contraremonstranten, het verzetten van de wet en nog wat van die termen: Matsier veronderstelt ze als bekend. Dus dat wordt dan even naar Wikipedia, een kleine moeite. Maar eigenlijk hoeft dat niet eens, want de geschiedenis is hier niet de hoofdzaak. Wat Matsier ons presenteert is een gevecht tussen twee mannen – beroemd, machtig, rijk -, een gevecht dat we meemaken vanuit het hoofd van die mannen. Dat is gedurfd, en het had gemakkelijk kunnen mislukken. Maar hij maakt het volledig waar.

Nicolaas Matsier / De advocaat van Holland & Zonder pardon / resp. 360 & 208 blz / De Bezige Bij, resp. 2019 & 2026

zondag 2 augustus 2026

De wereld rond, in het spoor van de tijd

De schutbladen van De tijdreiziger, het nieuwe boek van Philip Dröge, tonen een projectie van de wereldkaart. Daarop is niets ingevuld, afgezien van 21 genummerde stippen die door een lijn met elkaar zijn verbonden. De nummering gaat in oostelijke richting, beginnend in Nederland om vervolgens via een Zweeds eilandje naar Praag, Bern, het Griekse Athos en Doha in steeds grotere stappen richting de Stille Zuidzee te gaan. En vandaar, via wat stops in de VS en Midden-Amerika weer naar Nederland. Een wereldreis, zo een als Jules Verne zijn held Phileas Fogg liet maken in Reis om de wereld in tachtig dagen. Maar Dröge maakt er geen wedstrijd van, al staat ook bij hem de tijd centraal. En hij volgt niet precies Foggs route. Nee, Dröge selecteerde bestemmingen waarvan hij hoopt dat hij er wat meer inzicht krijgt in vragen die hem al lang fascineren. Vragen over het fenomeen tijd. In zijn eigen woorden:

‘ […] door langs plekken te reizen die iets met het fenomeen tijd te maken hebben. Om te proberen het meest ongrijpbare toch te vatten en antwoord te krijgen op vragen als: Hoe gaan volkeren rond de wereld om met het mysterie van de klok? Waarom lijken sommigen culturen het temporele helemaal te negeren, terwijl anderen het juist centraal stellen? Waarom hebben buurlanden soms andere tijdsmetingen en bouwen sommige geloven tempels voor de toekomst? En natuurlijk de belangrijkste vraag van allemaal: is tijd echt of slechts een illusie?’

De tijdreiziger is een boek met inzichten op allerlei vlak. Soms heel simpele, zo vanzelfsprekende dat je – lees: ik - er niet eerder bij stilstond. Zoals de begrippen zonnetijd en kloktijd. Het eerste is een natuurkundig verschijnsel, het tweede een afspraak. De zonnetijd geldt steeds maar op een smalle, verschuivende reep, terwijl de kloktijd een veel groter gebied beslaat. De zonnetijd verschuift gelijkmatig van oost naar west, in ons deel van Europa 1 minuut voor iedere 18 kilometer. Een ijzeren regelmaat. De kloktijd is zoals gezegd een afspraak, ooit in het leven geroepen om allerlei aspecten van ons dagelijkse leven te organiseren, structuur te geven. Ook voor Dröge was dit een verhelderend inzicht, dat hij opdeed in Praag, waar de onderhoudsmonteur van de beroemde, levensgrote astronomische klok uit 1410 hem rondleidde. Dat is trouwens een prettig aspect van De tijdreiziger, en ook van veel van Dröges eerdere boeken, dat hij met graag te rade gaat bij lokale (ervarings)deskundigen. Het verlevendigt zijn verhaal, én laat zien dat mensen vaak interessanter zijn dat de geschiedenis, landschap of stad. Een beetje zoals Michael Palin dat deed op zijn reizen voor de BBC.

De keuze van locaties is heel gevarieerd. In Bern bezoekt Dröge het voormalige appartement van Albert Einstein. Diens relativiteitstheorie heeft immers alles te maken met het begrip tijd. De monniken in de twintig kloosters in de Monastieke Republiek Athos daarentegen, in Griekenland, proberen zich niet door de tijd te laten leiden: ´Je betreed er een land dat boven de tijd zweeft´. Hebberig wordt Dröge in Doha, bij de markt van de klokkenmakers van Qatar. Je kan er spetterend dure Rolexen aanschaffen, maar ook goedkope neppers die door de leek vrijwel niet te onderscheiden zijn van echte. Ooit gehoord van de lunisolaire kalender? In Mumbai maakt Dröge kennis met dit systeem, een tijdrekening gebaseerd op een combinatie van de stand van de zon én de maan. Om vervolgens, op weg naar Kathmandu, op irritante wijze kennis te maken met het elastieken tijdsbesef van de Indiase spoorwegen. En bij binnenkomst in Kathmandu, in Nepal, te merken dat zijn horloge verspringt van 15.41 naar 15.56. Ja, een kwartier tijdverschil met India, ook dat kan. Het is maar wat je afspreekt. En natuurlijk vliegt hij over de eindeloos lijkende Pacific naar Samoa, naar de datumgrens. De kers op de taart, zogezegd. 

Maar de meest intense beleving ervaart Dröge op een doodgewoon en vrijwel leeg parkeerterrein in Los Angeles, laat in de avond. Hij parkeert daar zijn gehuurde Nissan, precies op de plek waar Doc Brown in 1985 in Back to the Future een DeLorean uit zijn vrachtauto liet rollen, met de woorden: ‘Als je een tijdmachine in een auto gaat maken, waarom zou je dat dan niet met wat stijl doen.’ Bevangen door jeugdsentiment – Dröge is van 1967 – en het echte, haast letterlijke tijdreizen door in de sportwagen met een ingebouwde fluxcondensator door een scheur in het ruimte-tijdcontinuum te flitsen, blijken op die plek aanleiding te geven tot de misschien wel meest serieuze en ook filosofische overpeinzingen over tijdreizen in het hele boek. Na nog even met zijn huis, tuin & keuken-Nissan plankgas de startbaan van de DeLorean te hebben gevolgd, én op tijd op de rem getrapt, verlaat Dröge dit openbare stukje filmset. Op weg naar zijn laatste reisdoel, New York City. Specifieker, Times Square. What’s in a name …  

Nieuwsgierigheid is wat Dröge steeds maar weer lijkt te leiden naar nieuwe plekken en verhalen. Of het nu de uitbarsting van de vulkaan Tambora in 1815 is, en de wereldwijde gevolgen daarvan; de geschiedenis van het ministaatje Moresnet, zuidelijk van Maastricht; Pelgrim, de biografie van Christiaan Snouck Hurgronje; zijn monografie over Jakarta, Moederstad of het fascinerende De Tawl, zijn speurtocht naar de restanten van de Nederlandse taal in het noordoosten van de Verenigde Staten: het resultaat is iedere keer boeiend. Het is geschiedenis voor een heel breed publiek, gebaseerd op gedegen onderzoek en meeslepend verteld, met gevoel voor het anekdotische detail. Een prima mix. 

Philip Dröge / Tijdreiziger. Een wereldreis naar de verhalen van onze tijd / 320 blz / Spectrum - Uitgeverij Unieboek, 2026

donderdag 23 juli 2026

Twee levens in de kunst

Romans van Dave Eggers zijn meestal sociaal bewogen verhalen over een maatschappelijke ontwikkeling of dito onrecht. Denk aan de veel te sterke overheersing van ons leven door de voortschrijdende digitalisering (The Circle),  de schandalige manier waarop de overheid de inwoners van New Orleans niet wist te beschermen tegen de gevolgen van orkaan Katrina (Zeitoun) of het ten hemel schreiende verhaal van een jongen die het zuiden van Soedan probeert te ontvluchten op zoek naar een beter leven (What is the What). Mijn favoriet is een korte novelle uit 2019, The Captain and the Glory, waarin Eggers Donald Trump op vileine wijze neerzet als de ‘ik weet het beter’ kapitein van een enorm cruiseschip. 

Contrapposto, zijn nieuwste roman, past qua inhoud eigenlijk niet in dat rijtje. Het is een hoogst persoonlijk verhaal over een jongen en een meisje, Cricket en Olympia, die vanaf hun tienerjaren hun weg zoeken – én vinden – in de wereld van de kunst. Cricket is een uiterst begaafd tekenaar, Olympia heeft een haast onfeilbaar oog voor kunst die ertoe doet, het vermogen tot doeltreffend organiseren én het voornemen om er rijk mee te worden. Eggers volgt hen beiden tot ze hoogbejaard zijn.

Cricket en Olympia hebben geen liefdesrelatie. Ze zijn verknocht aan elkaar, misschien is dat de beste omschrijving. Er gaan jaren voorbij dat ze elkaar niet zien en maar nauwelijks in de gaten houden wat de ander doet. Maar steeds is er weer een moment dat ze wel met elkaar te maken krijgen. En terwijl Cricket onverstoorbaar doortekent, of het nu gaat om kunst van hoog niveau of als reclametekenaar omdat hij toch een inkomen moet hebben, werkt Olympia zich op tot een belangrijke mevrouw in de kunstwereld. Ze heeft galeries, verhandelt kostbare werken en runt uiteindelijk het atelier van een Damien Hirst-achtige kunstenaar. Het atelier als kunstfabriek.

Eggers brengt je in contact met allerlei vormen van kunst en kunst maken. Met kunstenaars, van de oprechte eenlingen tot de geslepen ondernemers die ideeën van anderen ‘lenen’. Maar ook met kunst die een boodschap bevat én met kunst die niets anders is dan een lege decoratie. Doet hij uitspraken daarover? Nee, hij laat het alleen zien. Show, don’t tell lijkt zijn houding in deze roman.

Hoe dit verhaal te bestempelen? Naast dat het niets minder is dan een ode aan de beeldende kunst, denk ik  dat ook ‘menselijk’ de lading dekt, zeker als je hem betrekt op de relatie tussen Cricket en Olympia. Ze nemen zich voor je in. Geestig is de roman bij vlagen ook. Eggers hanteert een luchtige toon waarin dat vleugje humor heel mooi past. Ik luisterde het boek grotendeels, voorgelezen door stemacteur Sander de Heer. Die verdient een speciale vermelding voor het overtuigend tot leven brengen van het verhaal. Zijn voordracht is zonder meer een wezenlijke toevoeging.

Dave Eggers / Contrapposto / Vertaald uit het Engels door Gerda Baardman, Betty Klaasse, Jan de Nijs en Bernard Wesseling / 437 blz / De Bezige Bij, 2026 // Luisterboek, voorgelezen door Sander de Heer /15 uur en 25 minuten / De Bezige Bij, via Storytel


zaterdag 18 juli 2026

John Banville, William Boyd & de traditie

Mij zul je niet snel horen zeggen dat vroeger alles beter was. Ik vind dat een houding die vaak meer zegt over jezelf dan over de wereld waarin wij leven. Terugkijken is prima, maar je haalt meer uit je leven wanneer je vooruit kijkt. Maar toch, wanneer we het hebben over lezen, verlang ik wel eens naar vroeger. Naar die detectives en thrillers die ik met boekenplanken tegelijk verorberde. Naar de o zo simpele sfeertekeningen in een ´Maigret´, naar de duivels intelligente plots van John le Carré of de tergend langzaam uitgetrokken spanningsboog bij Frederick Forsyth. Die heren zijn inmiddels overleden, met de meeste van hun opvolgers heb ik nooit een echte klik gevoeld en daarom lees ik nog maar sporadisch een thriller of detective.

Tot een paar jaar geleden. Toen besloot de Ierse schrijver John Banville te stoppen met het schrijven van literaire romans en voortaan uitsluitend nog detectives te schrijven. Dat deed hij al vaker, maar slechts als een afwisseling van zijn gewone output én onder een pseudoniem, Benjamin Black. Maar nu hij de tachtig naderde viel het jarenlang ploeteren op een grote roman hem steeds zwaarder. Een detective schreef hij daarentegen in een maand of zes. Daarvan verschenen er inmiddels vier. 

De verhalen worden gedragen door inspecteur Strafford, een late dertiger, en patholoog-anatoom Quirke, die een halve generatie ouder is. Hun relatie is niet vrij van wrijving, het schuurt nu en dan. De bedachtzame inspecteur kan zich ergeren aan de doorpakmentaliteit van de patholoog, die ook nog eens een drankprobleem heeft. De plaats van handeling is steeds het Ierland van de jaren vijftig, zowel Dublin als het eindeloos gevarieerde platteland. De locatie is steeds heel bepalend, wat ook geldt voor het weer: het lijkt er altijd druilerig te zijn. Ik kan er eigenlijk kort over zijn: je onderdompelen in de hier door Banville gecreëerde wereld is zo prettig dat je eigenlijk, net als bij George Simenon en zijn Maigret, helemaal niet zit te wachten op de ontknoping. Hoe langer die uitblijft, hoe beter. 

En toen zette vorig jaar een twééde gerenommeerde oudere auteur zijn literaire productie – in elk geval tijdelijk – on hold. William Boyd, midden zeventig, kwam met Gabriel’s Moon, een spionageroman. Zijn hoofdpersoon, Gabriel Dax, is een jonge Britse schrijver van reisboeken. Daarvoor reist hij regelmatig naar het buitenland, en soms krijgt hij dan op verzoek van zijn broer Sefton, die een hoge functie vervult op een ministerie, een pakketje mee dat hij ter plekke moet overhandigen aan een van diens contacten. Een vriendendienst, volkomen onschuldig. Tenminste, dat neemt Gabriel – ietwat goedgelovig - aan. Tot hij wordt benaderd door Faith Green, werkzaam bij de Britse contraspionage, die hem vraagt af en toe hetzelfde voor haar te doen, maar dan tegen betaling. Hij heeft daar aanvankelijk niet veel zin in, maar laat zich toch overreden. Deels omdat Green hem voor de klus een riant bedrag aanbiedt, deels omdat Gabriel aanneemt dat op de een of andere manier zijn broer ermee te maken heeft. En ook een beetje omdat Faith hem fascineert. Wat hij zich echter te laat realiseert is dat het aannemen van de eerste klus tegelijk het point of no return is: hij zal niet meer van haar afkomen. Spion ben je voor altijd.

Gabriel’s Moon was wereldwijd een hit. Dus kwam Boyd met een opvolger, The Predicament. Ook dit speelt in de vroege jaren zestig. De wereld van de Koude Oorlog. Een wereld zonder mobieltjes. Ook hier is de context weer internationaal, de opdrachten brengen Dax naar Guatemala, New York en Berlijn. Van eenvoudige koeriersklusjes, de smoes waarmee hij is geronseld, is al lang geen sprake meer. Gabriel vermoedt dat hij steeds vaker een wezenlijke rol vervult in complexe spionagecomplotten, zonder dat hij als laaggeplaatste pion het hoe en waarom precies kan doorgronden. Klinkt dat niet een beetje als John le Carré? Desondanks groeit Dax in zijn rol, neemt bij onverwachte en potentieel gevaarlijke ontwikkelingen meer dan eens de juiste beslissing en redt zo voor zijn opdrachtgever het project.  

Boyd is een meester in het neerzetten van een karakter. Hij maakt daar bij Gabriël Dax veel werk van, wat doet vermoeden dat ook hij, net als Banville, een lang leven voor zich ziet voor zijn hoofdpersoon. Het zij hem gegund, het verhaal zit slim in elkaar en is uiterst onderhoudend. Maar ik heb wel één bescheiden puntje van kritiek. En dat is dat Boyd zich van mij mag laten inspireren door zoveel van zijn voorgangers als hij maar wil, maar dat er voor mij ergens een grens is. Daarmee doel ik op de laatste scène van het boek. Die speelt zich af in Berlijn, tijdens het bezoek van president Kennedy in 1963. Dax is daar betrokken bij de beveiliging van de president. Meer zeg ik niet, dat zou een spoiler zijn. Maar wie zich de laatste, bloedstollende scène van The Day of the Jackal van Frederick Forsyth herinnert, weet wat ik bedoel.

De vier thrillers van Banville zijn verkrijgbaar in een Nederlandstalige editie: Sneeuw / April in Spanje / De garage / De verdronkene. Die van Boyd (nog) niet. 

 William Boyd / The Predicament / 258 blz / Penguin Viking, 2025 

zaterdag 11 juli 2026

Shakespeare and Company

Het is 1921, hartje Parijs. De Eerste Wereldoorlog eindigde alweer zo’n drie jaar geleden. In Frankrijk hernam het dagelijkse leven langzaamaan z’n vooroorlogse gang. Maar de miljoenen zinloze doden lieten een enorm litteken achter, de omgevallen vorstenhuizen en de toenemende macht van de burgerij en het proletariaat creëerden een politiek instabiele samenleving. Het zou nooit meer worden als vóór 1914. Maar voor kunstenaars waren dit gouden tijden, het gonsde op alle vlakken van de ideeën en initiatieven. Niet dat er altijd geld was voor de realisatie ervan, maar met enthousiasme en vooral ook durf kwam je een eind. Ook op literair gebied gebeurde er van alles. Enerzijds functioneerde de literatuur als een spiegel van de maatschappelijke situatie, anderzijds namen schrijvers zelf het voortouw en kozen voor nieuwe vormen, voor het experimenteren met taal. 

Die grensverleggende romans, verhalen en poëziebundels waren lang niet altijd welkom bij de bestaande uitgeverijen en boekhandels. Er was, zeker vroeg in de jaren twintig, maar een klein publiek voor. Je werd er als uitgever, boekhandelaar én schrijver niet rijk van. Maar gelukkig was daar Sylvia Beach, een jonge Amerikaanse die in 1921 in Parijs een overwegend Engelstalige boekhandel opende waar al die schrijvers wél welkom waren: Shakespeare and Company. Domineesdochter Beach (1887-1962) was verslaafd aan literatuur, stond open voor experimenten en bood daar een podium voor. Toen in 1922 geen enkele uitgever het aandurfde om Ulysses van James Joyce te publiceren, bang voor geldverslindende rechtszaken, deed zij dat wel. Twintig jaar lang, tot ze haar winkel aan de Rue de l’Odeon in 1941 op last van de Duitsers moest sluiten, vormde die een veilige wijkplaats voor vernieuwers. Ook schrijvers die vanaf het begin van de jaren dertig vluchtten uit Nazi-Duitsland waren bij haar welkom, zowel in haar huis als in haar winkel. Dat hun boeken, prominent in haar etalage, in het steeds fascistischer wordende Frankrijk ook haarzelf kwetsbaar maakten, deerde haar niet. 

Het Parijs van begin jaren twintig oefende een grote aantrekkingskracht uit op jonge schrijvers, vooral Amerikaanse. Velen van hen hadden gevochten in de oorlog en daar fysiek of geestelijk iets aan overgehouden. De keuze tussen teruggaan naar huis, waar weinig interesse zou zijn voor hun ervaringen en bovendien de Drooglegging al in gang was gezet, was niet heel aantrekkelijk. In het veel lieflijker Frankrijk blijven, waar iedereen de oorlog écht had meegemaakt en waar je dollar relatief veel waard was, was dan aantrekkelijker. Gertrude Stein, die zelf ook in Parijs woonde, omschreef deze generatie kunstenaars en schrijvers tegenover Ernest Hemingway eens als de ‘Lost Generation’: schrijvers als John Dos Passos, Sherwood Anderson, Ezra Pound en F. Scott Fitzgerald zijn de bekendste. Enigszins gedesillusioneerd bleven ze in het kunst- en alcoholvriendelijke Parijs, op zoek naar zingeving. Ze kwamen elkaar tegen bij Sylvia Beach.

Shakespeare and Company was in essentie een eenmansbedrijfje. Je zou het, kort door de bocht, een uit de hand gelopen liefhebberij kunnen noemen. De winkel en Sylvia waren één, haar persoonlijke overtuigingen zie je erin terug. Zo besloot ze al snel dat Shakespeare and Company naast een boekwinkel ook een leenbibliotheek moest zijn. Veel van haar klanten moesten immers rondkomen van een schamel inkomen, dus moesten ze voor een klein bedragje boeken kunnen lezen. Dat bleek een schot in de roos. En zo kwam ook Ernest Hemingway binnen, direct al in 1921. Een beetje sjofel gekleed, ook hij had het niet breed als Europese sportverslaggever van de Toronto Star. Zijn grote succes zou pas in 1926 komen, met de roman The Sun Also Rises. Hij had zelfs niet genoeg geld om zich in te schrijven als lid van de uitleenbibliotheek. Maar het klikte tussen hem en Sylvia, dus mocht hij voorlopig op de pof. 

Uwe Neumahr schreef eerder boeken over schrijvers in en om de Tweede Wereldoorlog, zoals Februari 1933. De winter van de literatuur en Marseille 1940, over de exodus via het zuiden van Frankrijk. Hij vertelt daarin, net als in De boekhandel van de ballingen, zijn verhaal in korte hoofdstukken en verspringt regelmatig in de tijd. Dat leest heel levendig en is ook de ideale vorm voor het naadloos invoegen van anekdotes. En die zijn er volop. Zoals het drama met de publicatie van Ulysses, waarvoor Beach haar zaak en persoon in de waagschaal stelde en waarin Joyce haar uiteindelijk schandelijk zou behandelen. Of Sylvia’s pogingen om Walter Benjamin, Arthur Koestler en anderen uit handen van de Duitsers te houden. Mooi is ook die over de bijeenkomst waarvoor Sylvia de oude André Gide en de nog Jean-Paul Sartre bijeenbracht voor een van de literaire bijeenkomsten in haar winkel, een debat dat jammerlijk maar vermakelijk mislukt. Desondanks alle puur literaire evenementen die ze organiseerde bleef Shakespeare and Company voor veel schrijvers toch ook de genoeglijke  ontmoetingsplek, de leeszaal, het clubhuis, en zelfs een postkantoor en grenswisselkantoor.  

De foto op de omslag van het boek is genomen in 1928. De wat slungelachtige man is Hemingway, de vrouw naast hem Beach. De vrouw geheel links is Adrienne Monnier, een Française die de boekhandel La Maison des Amis des Livres runde, schuin tegenover die van Beach. En de vrouw met wie zij haar leven deelde, in het appartement boven haar boekhandel. De vrouw ook aan wie zij waarschijnlijk haar leven te danken had toen Monnier Sylvia, nadat deze door de Duitsers was gevangengezet, na eindeloos gedoe vrij wist te krijgen. De oorlog zouden zij beiden overleven. De bevrijding zou voor hen zelfs een persoonlijk, feestelijk tintje krijgen: eind augustus 1944, nadat de komst van de geallieerden in Parijs dagenlang was aangekondigd, reed een colonne jeeps de Rue de l’Odéon binnen. Met in de voorste, staand, een triomfantelijke Hemingway. In die dagen oorlogscorrespondent. Hij wilde zijn vriendinnen persoonlijk bevrijden. Maar kon maar kort blijven, want was met zijn maten op weg naar Hotel Ritz. Specifieker: naar de wijnkelder ervan.

Uwe Neumahr / De boekhandel van de ballingen. Parijs 1940 – Toevlucht en verzet /  Vertaald uit het Duits door Rogier van Kappel / 311 blz / Querido Facto, 2026 

zondag 5 juli 2026

'Gered' door de atoombom

Het verhaal dat Richard Flanagan vertelt in Vraag 7 is in alle opzichten een vlechtwerk. Het uitgangspunt is simpel: zijn vader heeft zijn leven te danken aan de atoombom. En daarmee Flanagan zelf ook, want zonder die bom had zijn vader de oorlog waarschijnlijk niet overleefd en was hijzelf, van 1961, dus nooit verwekt. Maar dat gegeven is slechts de - beknopte - kern van het verhaal. Vandaar uitwaaierend bespreekt Flanagan de aanloop naar de ontwikkeling van de bom, een soms lichtelijk bizarre voorgeschiedenis; heeft hij het over het leven van zijn ouders, zowel vóór de oorlog als erna; en over zijn eigen jeugd; over zijn leven als beginnend schrijver en wat al niet meer. Vraag 7 is dan ook lastig in een hokje te duwen. Het is een memoir, het is fictie én non-fictie, het zijn essays over wetenschapsgeschiedenis. Soms raak je als lezer even de weg kwijt, vraag je je af wat Flanagan wil met het nieuwe hoofdstuk waaraan je net bent begonnen. Tot het je, soms flink wat bladzijden later, daagt. En je moet erkennen dat Flanagan al die tijd precies wist wat hij aan het doen was. Voor zulke boeken heb ik een zwak.

De atoombom is bij Flanagan niet uitsluitend het resultaat van grensverleggend natuurkundig onderzoek. Integendeel, het idee voor zo’n bom traceert hij, nét iets eerder, in de literatuur. De schrijver H.G. Wells, die al vroeg in zijn loopbaan furore maakte met The War of the Worlds, beschreef hem al in zijn roman The World Set Free (1914). En nu hij toch bij Wells is aanbeland, kan Flanagan de verleiding niet weerstaan de liefdesgeschiedenis tussen de oudere Wells en de jonge Rebecca West, veelbelovend schrijver in wording, smakelijk op te dissen. Om van daaruit op behoorlijk onnavolgbare wijze uit te komen bij de natuurkundige Leo Szilard, een vriend van Albert Einstein, en de ontwikkelingen binnen de nucleaire technologie in de jaren dertig van de vorige eeuw. Szilard schreef de beroemde brief aan president Roosevelt - die Einstein mede ondertekende - hem aansporend het onderzoek naar zo´n bom in gang te zetten. En vanzelfsprekend neemt Flanagan meermaals even plaats op de jump seat bij de mannen in de Enola Gay, de B-29 Superfortress die de eerste atoombom op Hiroshima wierp. De bom die zijn vader, die na jaren Japanse dwangarbeid in een kolenmijn meer dood dan levend was, net op tijd de vrijheid zou teruggeven.

Net als in veel van zijn andere boeken komt Flanagan hier uiteindelijk ook weer uit bij Australië, zijn vaderland. In dit geval bij Tasmanië, waaruit zijn ouders afkomstig waren. Schrijven over het karakter van een landschap en de verbondenheid die je daarmee kan voelen, kan hij als geen ander. Las je nog nooit zijn spetterende roman De smalle weg naar het verre noorden, doe dat dan nu. Stop hem in de vakantiekoffer. Krijg je geen spijt van. Maar dat geldt ook voor Vraag 7. De hoofdstukken waarin Flanagan zijn vader na de oorlog laat terugkeren naar zijn geboortegrond om zijn leven weer op te pakken, zijn dan ook de mooiste van dit volstrekt eigenzinnige boek. 

Richard Flanagan / Vraag 7 Vertaald uit het Engels door Thijs van Nimwegen / 248 blz / Koppernik, 2026

Gelezen versie: Question 7