zondag 11 januari 2026

Gertrude Bell: ontdekkingsreiziger, archeoloog, diplomaat, spion

Vrouwen hadden het vaak niet gemakkelijk in de vroege jaren van de twintigste eeuw. Zeker niet wanneer ze zelfstandig wilden blijven of, ongehoord (!), een heuse loopbaan ambieerden. Gertrude Bell (1868-1926) was zo’n vrouw. Bijgaande foto illustreert dit treffend. Hij is genomen in het voorjaar van 1921 in Gizeh, even buiten Caïro, ten tijde van een internationale conferentie over de toekomst van het gebied dat wij nu kennen als Irak en omstreken, van oudsher ook bekend als Mesopotamië. Europese en Arabische leiders namen er aan deel. Mannen, en één vrouw: Gertrude Bell. Zij was verantwoordelijk voor de voorbereidingen en de politieke strategie. Tijdens een uitje van de Europeanen naar de piramides gingen ze met de hele groep op de foto. Bell in het zwart, pal onder de Sfinx. Aan haar rechterhand, met een grote zonnebril, Winston Churchill, indertijd de Britse Minister van Koloniën. En links van haar T.E. Lawrence, beter bekend als Lawrence of Arabia.  

Thomas Edward Lawrence is wereldberoemd. Gertrude Bell is dat niet, ofschoon haar betekenis voor het Midden-Oosten en de Arabische gebieden aan het begin van de twintigste eeuw misschien net zo belangrijk is geweest. Lawrence vierde zijn grootste triomfen toen hij de Arabieren wist over te halen om in de Eerste Wereldoorlog samen met de geallieerden tegen de Turken te vechten. Gertrude Bell doorkruiste vanaf 1905 meermaals de Arabische woestijnen, daarbij diep het binnenland intrekkend en routes volgend die weinigen vóór haar hadden aangedurfd. Tijdens die reizen bracht zij, vaak als eerste, talloze oudheidkundige monumenten in kaart. Vanaf 1915 was zij analist voor de Arabische afdeling van de Britse inlichtingendienst, die al snel daarna ging opereren als een zelfstandige dienst met haar aan het hoofd. Gevestigd in Bagdad. 

Een leven als dat van Bell leent zich bij uitstek voor een spetterende biografie of een spannende verfilming, zoals Lawrence die ten deel zijn gevallen. Die biografie van Bell verscheen zo’n twintig jaar geleden, onder de gloedvolle titel Queen of the Desert. Ik kocht die ooit bij een bezoek aan een van de voormalige landhuizen van de familie Bell in Yorkshire. Prima vertelling, zo’n lekker dikke pil waar zo ongeveer alles in staat. De film kwam tien jaar later, onder dezelfde titel. Met in de hoofdrol Nicole Kidman, The Queen of Cool. Niet de meest gelukkige casting. En nu is er dan Mesopotamië, van de Franse auteur Olivier Guez. Hij maakte zo’n acht jaar geleden furore met De verdwijning van Josef Mengele, een mooie mix van feiten en fictie. Datzelfde procédé past hij toe in Mesopotamië, waarin roman en biografie harmonieus versmelten. 

Waar kwam Bell vandaan? Ze werd in 1868 geboren in Yorkshire, in een puissant rijke familie van staalfabrikanten. Op haar achttiende schreef ze zich in aan Oxford. Toen ze met lof afstudeerde was ze de eerste vrouw die een graad behaalde in de studie Modern History. In de jaren na haar afstuderen leidde ze het leven dat voor vrouwen in haar klasse gewoon was: ze ontwierp tuinen voor het landhuis van de familie, deed aan goede werken, bezocht feesten en maakte met haar broer in 1897 een cruise om de wereld. Opmerkelijk was haar verblijf in Perzië / Iran, vijf jaar eerder. Een vriend van de familie was daar benoemd tot ambassadeur en Gertrude rook haar kans. Ze nam lessen om de taal te leren, reisde naar Teheran en ontdekte een wereld waarin ze zich op haar plaats voelde. Zo simpel was het. Het landschap, de cultuur, de kleuren, de warmte en de schone lucht, het betoverde haar. Een mislukte affaire met een officier – haar ouders keurden hem af – deed de reis met een domper eindigen. Het zou niet de laatste keer zijn dat haar familie haar op deze manier ‘in bescherming’ zou nemen. Ze bleef haar hele leven ongetrouwd en kinderloos, wat ze betreurde.

Een reis naar Jeruzalem en het Heilige Land in 1900 gaf een beslissende wending aan haar leven. Het was het begin van een periode waarin ze een handvol lange reizen door het Arabische schiereiland en de streek erboven maakte, het gebied dat nu ruwweg wordt gevormd door Iran, Irak, Syrië, Libanon, Jordanië en de Sinaï. Vooral de reizen naar de zuidelijker in Arabië gelegen plaatsen, waar soms in tientallen jaren geen westerse reiziger zich had laten zien, waren staaltjes van durf. De routes ernaar waren deels niet in kaart gebracht, waardoor het vinden van water soms een hachelijke zaak werd. Op deze reizen bracht ze steevast de oudheidkundige resten in kaart en, haast belangrijker, ze fotografeerde ze. Het fotoarchief dat ze vanuit haar grondige kennis van de lokale archeologie opbouwde, is voor onderzoekers nog steeds van onschatbare waarde. Op haar reizen stelde ze zich open op naar de lokale machthebbers. Vaak waren die verrast een vrouw aan te treffen aan het hoofd van haar soms omvangrijke karavaan, maar omdat ze de taal en vaak ook de dialecten  beheerste wist ze hun vertrouwen meestal al snel te winnen.

De Eerste Wereldoorlog gooide haar leven overhoop. Ze bracht maanden door in Noord-Frankrijk, waar ze als vrijwilliger een bureau aanstuurde dat was belast met de logistiek en administratie van gewonde en gesneuvelde soldaten. Dat waren er nogal wat.

Haar ‘redding’ kwam in 1915, nadat een voormalige Britse High Commissioner in Egypte aan Londen had laten weten dat ‘Miss Gertrude Bell knows more about the Arabs and Arabia than almost any other living Englishman and woman.’ Die kennis bracht haar de jaren erna interessante, spannende en vaak ook voldoening gevende posities bij de verschillende Britse Intelligence Bureaus in Caïro, New Delhi en Bagdad. Ze leerde er ook T.E. Lawrence kennen, die een goede vriend zou worden. En, zoals hierboven al genoemd, ze zou aan de wieg staan van de stichting van de staat Irak. Om dit project te doen slagen werd ze aangesteld als Oriental Secretary. Mede door haar goede banden met belangrijke stamleiders en sheiks, en met de machtige Aimir Faisal, die de eerste koning van Irak zou worden, wist ze deze klus, die velen beschouwden als niet-realiseerbaar, tot een goed einde te brengen. De laatste jaren van haar leven woonde ze in Bagdad. Volledig geassimileerd, zich vaak gelukkig voelend, was dat haar plek op de wereld. Een enkele keer reisde ze nog wel voor familiebezoek naar Engeland, maar haar hart lag daar niet meer.

En hoe is het nu met de erfenis van Gertrude Bell? In politiek opzicht niet best, hebben we de afgelopen decennia kunnen zien. Zelfs het door haar met veel inzet en liefde gestichte museum van oudheden in Bagdad, waar ook veel van haar eigen vondsten lagen, ontsnapte niet aan de algehele malaise en werd na de val van Saddam Hoessein geplunderd. Zelf heeft ze aan den lijve ervaren wat de problemen waren die dit gebied mogelijk zouden blijven teisteren. Zowel bij een conferentie in Parijs, in 1919, als bij de eerder genoemde conferentie in Caïro in 1921, bleek haar dat veel westerse leiders onwillig waren zich in te leven in de cultuur en denkwereld van de bewoners van dit gebied. 

Guez gaf zijn boek de titel Mesopotamië. Is dat niet wat vreemd, omdat het in essentie toch een biografie van Gertrude Bell is? Dan zou je minstens een ondertitel aantreffen die dit verheldert. Maar met alle aandacht die Guez heeft voor de politieke ontwikkelingen – soms is Bell bladzijden lang afwezig – sloeg voor hem de balans blijkbaar naar die kant door. Dat dit ergens jammer is, blijkt na ruim honderd bladzijden, wanneer Guez een lange brief van Bell aan haar vader in z’n geheel opneemt. Prachtig! Ineens wordt het heel persoonlijk. Gelukkig komt die balans, naarmate het boek vordert, wat meer in evenwicht. Guez de historicus blijft aanwezig, maar Guez de romanschrijver breekt door. Wie stug is blijven doorlezen, wordt beloond.

Olivier Guez / Mesopotamië / Vertaald uit het Frans door Tatjana Daan / 361 blz / Meulenhoff, 2025

zondag 4 januari 2026

Literaire zelfportretten

Depots van musea blijken vaak onuitputtelijke bronnen te zijn voor het doen van ontdekkingen. Dat ervoer Thomas Heerma van Voss een paar jaar geleden weer eens toen hij in de krochten van het Literatuurmuseum in Den Haag een getekend zelfportret tegenkwam van Rudolf Geel, in de jaren zestig en zeventig een bekende schrijver. Het bleek een van de 79 getekende zelfportretten te zijn die het literaire tijdschrift De Revisor in 1977 aan evenzovele schrijvers had gevraagd in te leveren ter plaatsing in het tijdschrift. De aanleiding voor die actie is niet meer te achterhalen, maar de serie bracht Heerma van Voss wel op een idee: hoe leuk zou het niet zijn om de nog levende van die 79 schrijvers te benaderen en hen te vragen hoe ze toen naar zichzelf keken, en hoe ze dat nu doen. Het werden uiteindelijk achttien gesprekken, gesprekken die over veel meer gingen dan Heerma’s twee vragen over de zelfportretten. Gesprekken waarvan de weerslag een uiterst interessant en soms ontroerend stukje Nederlandse literatuurgeschiedenis is geworden.  

Wat Heerma van Voss zich pas gaandeweg realiseerde, was dat het project in zekere zin een race tegen de klok zou worden: de dood won voortdurend terrein. Zo was hij net te laat om een afspraak te maken met Remco Campert en Marga Minco, en ontving Jan Cremer wel zijn verzoek maar was niet meer in staat om er iets mee te doen. En het kan nog strakker: Willem van Toorn zette de afspraak weliswaar in zijn agenda, maar kreeg even later een fatale longontsteking. Achttien gesprekken werden het dus, met bekende en minder bekende auteurs. Bij ieder thuis, voor het merendeel grote huizen, met heel veel papier. 

Schrijven ze alle achttien nog? Nee. Maar opmerkelijk is dat de meesten nog wel dagelijks of anders vrij regelmatig plaats nemen achter een vel papier of de laptop om te zien of er nog iets uit wil komen. Bij sommigen is dat het geval. Jan Siebelink (1938) bijvoorbeeld schreef recent nog Rouwjournaal over zijn in juni 2024 overleden echtgenote Gerda. En Willem Jan Otten (1951) heeft een tweewekelijkse column over bidden, poëzie en dromen in het Katholiek Nieuwsblad. Ook verscheen in 2024 een gedichtenbundel van zijn hand, Septemberzee. Hij heeft zich, zonder te weten waarom, verheugd op de ouderdom. Otten: ‘Ik heb een groot zwak voor ouderdomspoëzie.’ Het zijn het oud worden, de dood en de ruimte erna die hij als dichter onderzoekt. 

Ook Judith Herzberg (1934) schrijft nog steeds gedichten. Dat gaat als vanzelf, moeite hoeft ze er nauwelijks voor te doen. Alles kan haar inspireren, vaak iets dat ze ziet in het voorbijgaan. Schaven aan de tekst duurt het langst: ‘Mijn gedichten zijn altijd eerst veel langer, en dan ga ik de boel snoeien. De prullenmand heeft veel plezier aan mij.’ Herzberg doet ontwapenende uitspraken: ‘Ik schrijf soms iets wat ik meteen weer kwijtraak tussen alle kranten en boeken. Dus stuur ik mijn gedichten zo snel mogelijk naar mijn uitgeverij. En na een tijdje zegt dan iemand bij De Harmonie dat ik genoeg heb voor een nieuwe bundel.’ 

Maar literaire roem is vergankelijk. Niet iedere schrijver, of hij nu doorschrijft of is gestopt, zal blijvend worden gelezen. Dat is uitsluitend weggelegd voor het topje van de ijsberg. Het gros van de auteurs, zelfs die tijdens hun leven goed verkopen en misschien zelfs hier en daar een prijs winnen, zakt na hun overlijden – of misschien zelfs al eerder - weg in de vergetelheid. Hun verhalen maken óók deel uit van dit heerlijke boek. En het zijn vaak de mooiste, zeker wanneer ze een beetje schuren. Ook omdat enkele van deze schrijvers heel verheugd lijken te zijn dat iemand interesse toont in hen en hun werk …. Heerma van Voss heeft ieder interview een citaat meegegeven dat de kern van het gesprek weergeeft. Daartussen zitten, juist in deze groep, juweeltjes: ‘Eigenlijk hebben we het nu over de geschiedenis van mijn verdwijning’ (Rudolf Geel); ‘We begrijpen dat u iets bedoelt, alleen we begrijpen niet wat’ (Ad Zuiderent); en als laatste ‘Als je zo oud wordt als ik, dan besta je eigenlijk al niet meer’ (H.C. ten Berghe). 

Voor Cees Nooteboom (1933) geldt dit natuurlijk niet. Hij staat te boek als een van de meest succesvolle Nederlandse schrijvers van de afgelopen halve eeuw. Voor het gesprek met hem moet Heerma van Voss helemaal naar Menorca. Op dat eiland, waar Nooteboom en zijn echtgenote, de fotograaf Simone Sassen, al sinds 1971 een mooi vrijstaand huis in de natuur hebben, waren ze voor een korte vakantie toen Nooteboom medische klachten kreeg. Van dien aard dat een reis naar Amsterdam werd afgeraden. Eenmaal ter plekke moet Sassen de afspraak nog enkele keren verzetten voordat Nooteboom bezoek kan ontvangen. Maar het wordt een fijn gesprek, al heeft hij soms last van zijn luchtwegen en werkt zijn geheugen bij vlagen wat trager. Lopen gaat ook niet meer, hij zit in een rolstoel. Op Menorca ontstond een groot deel van zijn oeuvre, in een lichte studio in de tuin. Het is hier voor het eerst in de reeks interviews dat het belang van de plek waar je schrijft echt aan de orde komt. Wellicht omdat die schrijfplek indertijd een belangrijke overweging was bij de aankoop van het huis.   

Terwijl de middag en het begin van de avond rustig verglijden en het gesprek haast ongemerkt de diepte ingaat, zorgt Sassen af en toe voor hapjes en drankjes en fungeert ze, indien nodig,  als het geheugen van haar man. Schrijven doet hij niet meer, en bij het bekijken van zijn met boeken gevulde studio kan hij een gevoel van zinloosheid maar moeilijk onderdrukken: ‘Ik weet dat die plek er is, ik kom er alleen niet meer bij.’ Naar Amsterdam taalt hij niet, hier op het stille Menorca voelt hij zich prettig. Hij drinkt whisky met ijs. Wanneer zijn glas leeg is, zegt hij ‘Tingelingeling’. Dan vult zij hem bij.

Waarom deze schrijversportretten zo geslaagd zijn? Ik denk omdat Heerma van Voss de gave bezit een informele sfeer te scheppen. Omdat hij dat informele ook op het papier weet te bewaren. En misschien ook omdat de meeste van de achttien schrijvers het gevoel gehad zullen hebben met een schrijver te spreken, een vakgenoot. Maar hoe het ook zij, het is een indrukwekkend boek geworden.

Thomas Heerma van Voss / De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Schrijversportretten, toen en nu / 238 blz / Das Mag Uitgevers, 2025

Een versie van de gesprekken is ook te vinden op de website van het Literatuurmuseum, in wier opdracht ze zijn vervaardigd. Met door Thomas Heerma van Voss gemaakte foto’s.

zondag 28 december 2025

De topambtenaren aan het roer

Zullen we het boekenjaar maar eens afsluiten met een prijswinnaar? En dan niet een van de grote literaire prijzen, maar een prijs die vaak is verbonden aan de actualiteit? Ik heb het dan over de PrinsjesBoekenprijs. Die wordt jaarlijks in september uitgereikt aan het beste boek van het voorbije jaar over een politiek onderwerp. Dit jaar won Stephan Steinmetz de prijs voor zijn indrukwekkende studie De Tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting. Daarin reconstrueert hij hoe de tien secretarissen-generaal, de hoogste ambtenaren op de Haagse ministeries, het landsbestuur overnamen nadat de koningin en het kabinet in de chaotische meidagen van 1940 de wijk namen naar Engeland. Landsbestuur is een groot woord, met de Duitse bezetter die de lakens uitdeelde, maar toch lag er bij de SG's en hum ambtenaren een belangrijke taak als het ging om het in stand houden van praktische zaken als de handel en economie, het bestuur op gemeentelijk niveau en de voedselvoorziening. Oftewel: het land zodanig runnen dat de bevolking haar leven zo goed als mogelijk kon blijven leven. 

Het waren chaotische dagen, 10 tot en met 14 mei 1940. De Duitse inval, hoewel verwacht, verliep sneller dan het kabinet had ingecalculeerd.  Bij de Grebbeberg hield de landmacht  weliswaar nog even stand, maar de verliezen aan Nederlandse zijde waren aanzienlijk en het werd steeds duidelijker dat het Duitse leger over het Hollandse heen zou walsen.

De ministers zaten dagelijks bijeen in de kelder van een zojuist opgeleverd ministerie aan de Bezuidenhoutseweg. Maar die besprekingen verliepen rommelig. Vermoeidheid speelde een rol, maar ook de slechte berichten en het steeds duidelijker wordende gebrek aan perspectief. Een van de SG’s die erbij was noteerde: ‘Discussies werden ruzies; politieke leiders werden verwarde ouderen.’ Het ontbrak vooral premier De Geer aan daadkracht. De koninklijke familie stapte op een marineschip naar Engeland, en een dag later ook het voltallige kabinet. Nog diezelfde dag capituleerde generaal Winkelman namens Nederland.

Na de aftocht van het kabinet verzuchtte Aarnout Snouck Hurgronje, de SG van Buitenlandse Zaken, tegen Hans Hirschfeld, de SG van Handel, Nijverheid en Scheepvaart: ‘Goddank dat ze weg zijn’. Waarop zijn collega antwoordde: ‘Wat hadden we met ze moeten beginnen’. Dat lijkt een opmerkelijke verzuchting, maar is wel begrijpelijk. Ministers zijn meestal politiek gebonden, dus hebben een vrij beperkte speelruimte, terwijl de SG’s meer manager zijn, regelaars met een speelruimte die ze binnen bepaalde kaders vooral zelf bepalen. En aan dat laatste zou, werkend onder de bezetter, behoefte zijn. Want het kabinet had voor haar vertrek de SG’s een simpele opdracht gegeven: werk constructief mee met de bezetter zolang dat in het belang van Nederland en haar bevolking is, zo niet, dan direct stoppen. De uitvoering van deze ogenschijnlijk heldere opdracht zou complex blijken.

Werkafspraken tussen de tien SG´s onderling waren snel gemaakt, er kwam een regulier overleg. Even later, eind mei, volgden afspraken met de Duitse Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart. Dat lijkt misschien vreemd, maar de Duitsers hadden baat bij een soepel verloop van het dagelijks leven in het bezette Nederland, en de SG’s daarvoor deels verantwoordelijk maken werkte in hun voordeel. En die SG’s deden door een overeenkomst te sluiten met de Duitsers immers precies wat hun ministers hadden bevolen. Ze bouwden voor zichzelf wel een veiligheidsgarantie in: wanneer een SG op enig moment om beroepsmatige of persoonlijke redenen ontslag zou willen nemen, dan kon hij dat doen zonder dat dit repercussies voor hem had van Duitse zijde. Meerdere SG’s zouden daar in de volgende jaren gebruik van maken. 

De eerste maanden verliepen in bestuurlijk opzicht vlekkeloos. De SG’s pasten vol ijver op de winkel. Karel Frederiks bijvoorbeeld, de SG van Binnenlandse Zaken, stapte meerdere keren per week in de auto om ergens in het land te overleggen met burgemeesters. Hij zou dat bijna tot het eind van de oorlog volhouden, voor de lokale bestuurders was zo’n kort lijntje met Den Haag heel prettig. 

Maar al snel diende zich een taaier dossier aan: de wens van de Duitsers om ook in Nederland de Joodse bevolking apart te zetten. Eerst administratief, in afwachting van eventuele vervolgstappen. Het is dan dat De tien van Den Haag interessant wordt, mede door de aanpak van Steinmetz. Hij laat zien dat de SG´s eigenlijk geen idee hadden wat te doen met deze koers van de Duitsers. Dat er voor het Joodse deel van de bevolking gevaar dreigde was, zelfs met de schaarse kennis van dat moment, toch wel duidelijk. De heren hoefden maar te kijken naar wat er in Duitsland sinds 1933 was gebeurd. Bovendien waren de in 1940 in Nederland verblijvende Joden voor het overgrote deel gewoon Nederlandse staatsburgers. Die volgens de grondwet recht hadden op bescherming door de Staat. Iets waar ook de ministers voor hun vertrek in hun opdracht aan de SG´s nog aan hadden gerefereerd. Maar was dat het scenario dat de SG´s kozen? Nee.

Hun beslissing was wel een pijnlijke bevalling, beslist geen hamerstuk. Maar toch besloten ze mee te werken aan het Duitse verzoek. Bijvoorbeeld door het bevolkingsregister zo in te richten dat Joden daar indien nodig eenvoudig uit konden worden gelicht. En de ambtelijke en bestuurlijke verantwoording daarvan? Ze besloten dat het vraagstuk van de Joden een Duitse aangelegenheid was. Dat de Nederlandse ambtenarij daar niet voor mocht gaan liggen. In de herfst van 1940 zou je dit op zijn minst naïef kunnen noemen, anderhalf jaar later moeten zelfs enkele SG’s de dwaling van dit besluit hebben ingezien. Maar toen was het al te laat. 

Is dit een gevalletje ‘afslag gemist’? Hadden ze op dat moment ontslag moeten nemen? Achteraf is dat natuurlijk gemakkelijk praten, maar dát was wel beter te verantwoorden geweest, want geheel in lijn met de opdracht van het kabinet. Maar zou dat voor het lot van de Nederlandse Joden verschil hebben gemaakt, zal meer dan een SG hebben gedacht? In zijn zorgvuldige analyses probeert Steinmetz het hoe en waarom hiervan, en van andere beslissingen, te ontrafelen. Hoe zag het wereldbeeld van de SG’s er uit? Hoe zagen ze hun rol in het bezette Nederland? Schrokken ze soms terug voor de enormiteit van de Duitse plannen met de Nederlandse Joden? Aarnout Snouck Hurgronje, de SG van Buitenlandse Zaken, verklaarde na de oorlog dat hij al in een vrij vroeg stadium van Duitse officieren had gehoord van de moordpartijen op de Joodse bevolking in Polen en Oekraïne. Maar hij had deze kennis niet gedeeld met zijn collega’s, dat zou volgens hem nodeloos gedoe hebben veroorzaakt... 

De tien van Den Haag waren ervaren ambtenaren die in het roerige decennium voorafgaand aan de oorlog, en soms al veel langer, hun sporen hadden verdiend. Die vanaf mei 1940 met soms tomeloze inzet allerlei lastige problemen wisten aan te pakken. De diehards onder hen bleven zelfs op hun post toen hun collega’s er langzamerhand de brui aan gaven en werden vervangen door NSB’ers en onfrisse figuren als Meinoud Rost van Tonningen, die door de Duitsers ook was benoemd tot president van de Nederlandse Bank. Hun werkomgeving moeten ze in toenemende mate als bedreigend hebben ervaren. En aan ’Londen’ hadden ze in die eerste periode ook weinig, die hadden hun eigen sores. 

Een voorbeeldige studie, helder en meeslepend geschreven. Die prijs lijkt me terecht.

Stephan Steinmetz / De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting / 272 blz / Boom, 2025

dinsdag 23 december 2025

Reis naar Laredo

Een koning die het gevoel heeft geleefd te worden, en dan de knoop doorhakt en aftreedt. Het is een historische werkelijkheid. Karel V (1500-1558) was koning van Spanje en keizer van het Heilige Roomse Rijk. Gedurende zijn lange heerschappij reisde hij vrijwel voortdurend door zijn gebieden, van Madrid tot aan de Zuidelijke Nederlanden om in 1555, lichamelijk versleten, in Brussel afstand te doen. Zijn zoon Filips II volgde hem op. En een vaderlands aardigheidje: tijdens die troonsafstand werd de verzwakte vorst ondersteund door de nog jonge Willem van Oranje, die zich toen nog thuis voelde in de Habsburgse familie.

Voor de Oostenrijkse auteur Arno Geiger (1968) was die troonsafstand van Karel het uitgangspunt voor een onderzoek naar de motieven die daaraan ten grondslag lagen en wat de persoonlijke gevolgen waren voor Karel. Het eerste kun je in de bronnen en publicaties uitpluizen, voor het tweede moet je als romanschrijver je verbeeldingskracht inzetten. Dat heeft Geiger dan ook gedaan, met als gevolg een intrigerend verhaal. Maar of het helemaal geslaagd genoemd kan worden?

Nadat hij afstand heeft gedaan van de macht trekt Karel zich terug in het klooster bij Cuacos de Yuste, in de Spaanse Extremadura. Hij is daar omringd door een kleine hofhouding van zo’n veertig man, maar voelt zich te midden daarvan toch alleen. Zo had hij zich zijn laatste jaren anders voorgesteld. Hij besluit daarom te vluchten en de wijk te nemen naar Laredo, een kleine plaats aan de Spaanse noordkust. Geholpen door een page, een elfjarige jongen waarvan alleen Karel weet dat het zijn jongste zoon is, verlaat hij tijdens een stormachtige nacht het klooster. Een paard bestijgen kan hij niet meer, daarom neemt hij de muilezel en Geronimo, de page, de vorstelijke schimmel. 

Geiger beschrijft de tocht van de vorst en de jongen noordwaarts, over zijwegen door het uitgestrekte en vrijwel lege landschap. Twee paria’s, een twintigjarige man en zijn iets jongere zus, die Karel red van een afstraffing, sluiten zich bij hen aan. Het is voor Karel zo’n beetje de eerste keer dat hij kennismaakt met allerlei facetten van het land waarover hij decennialang heeft geregeerd. 

De aankomst in Laredo is de langverwachte apotheose van de tocht. Maar is ze dat? Of heeft Geiger al die tijd een spel met ons gespeeld? Zo’n afronding kan je beleven als een volstrekt onverwacht, dus verfrissend en verrassend slot. Of als een literair foefje. Ik hang ergens middenin.

Arno Geiger / Reis naar Laredo / Vertaald uit het Duits door W. Hansen / 253 blz / De Bezige Bij, 2025

zondag 21 december 2025

Aan de Sloterplas

Ten tijde van de pandemie bedachten ze bij Uitgeverij Van Oorschot iets slims. Ze vroegen auteurs om een tekst over een wandeling. Wandelen was in die tijd ‘hot’, het was immers maandenlang zo ongeveer het enige uitje dat was geoorloofd, en zo’n beetje iedereen ging er dagelijks wel even uit, op minimaal anderhalve meter van een ander. Dus inspiratie opdoen voor zo’n verhaaltje was ook voor de auteurs een eitje. Die verhalen werden onder de serietitel Terloops uitgegeven als een boekje van zo’n zeventig à tachtig bladzijden, hardcover, met een beeldschone illustratie op het omslag én formaat pocket. Het mag duidelijk zijn, ik heb het over een hebbeding. Voor de prijs,  € 13.50, hoefde je het niet te laten. De reeks ging vroeg in 2021 van start, en de boekjes werden al snel gevolgd door een luisterversie. Opnieuw heel slim van de uitgever. Met een duur van 60 à 80 minuten waren ze ideaal om tijdens een wandeling te beluisteren. 

Ik las af en toe met genoegen zo´n papieren boekje, ook toen de reeks na afloop van corona werd voortgezet. En inderdaad, de uniforme uitvoering maakt dat de boekjes, netjes op een rij in de kast, er oogstrelend uitzien. Aan de luisterversie dacht ik niet meer. Tot ik begin dit jaar ontdekte dat die ook in het aanbod van mijn luisterboekabonnement was opgenomen. De hele reeks van inmiddels 26 titels! En hoewel ik tijdens het wandelen liever naar dikke romans of non-fictie luister, ben ik dat toch eens gaan afwisselen met de wandelboekjes. Bevalt prima.

Niet ieder wandelboekje is even geslaagd, maar de juweeltjes overheersen. Een van mijn favorieten is Gerbrand Bakker, die een uitgezette wandeling in de buurt van zijn huis in de Eifel ‘repareert’. En ook het verhaal van Joyce Roodnat, die wandelt door het Amsterdam van haar moeder, de Watergraafsmeer,  is prachtig. Lichtelijk bizar is wat Saskia De Coster bedacht: een dagje wandelen in de Ardennen in het gezelschap van een man die een levenslange gevangenisstraf uitzit vanwege een meervoudige moord. Jaren geleden ontsnapte de man tijdens zo’n wandeling - zijn jaarlijkse uitje - maar meldde zich tegen de avond alweer op het lokale politiebureau. De Coster loopt met hem de route van juist die dag, op zoek naar wat er toen in hem omging. Andere heel geslaagde vertellingen zijn die van Thomas Heerma van Voss, Gijs Wilbrink, Annejet van der Zijl en Marjoleine de Vos

Een van de vroegst verscheen deeltjes in de reeks is De Om, geschreven door Willem Jan Otten. Hij maakt het grootste deel van zijn leven al een dagelijkse wandeling en is daarmee doorgegaan toen hij en zijn echtgenote, de schrijfster Vonne van der Meer, jaren geleden in Slotermeer kwamen wonen. Ze hebben een appartement op de twaalfde verdieping van een van de grote woonblokken pal aan de Sloterplas, met een riant uitzicht over het water en het omringende park. Vanuit zijn werkkamer kan Otten de hele route van zijn dagelijkse ommetje overzien, langs de oever van de plas.  Die plas is 2 kilometer lang, zijn wandeling duurt een kleine anderhalf uur.  

Otten moet voor deze reeks de ideale schrijver zijn, vermoedelijk precies degene die de bedenkers van Terloops voor ogen hadden. Hij beschrijft niet alleen wat hij ziet, zodat je als het ware met hem meeloopt, maar ook wat de ommegang met hem doet, de associaties die hij onderweg heeft, de mensen die hij tegenkomt, wat hij van die mensen vindt Zijn wandeling voor dit boekje valt op 2 november 2020 - of althans, daar situeert hij die. Hij loopt die dag alleen, Vonne loopt niet met hem mee. Wanneer ze eens tegelijk gaan wandelen - niet heel vaak - gaan ze meestal niet samen maar wandelt de een linksom, de ander rechtsom. Halverwege komen ze elkaar dan tegen en zeggen ze iets grappigs of meligs, bijvoorbeeld ‘Mevrouw Van der Meer, I presume?'

We komen van alles te weten. Bijvoorbeeld over de plas en de woonwijk, uitgegraven en aangelegd tussen 1948 en 1956 naar een ontwerp van de stedebouwkundige Cornelis van Eesteren. Plas en het uitgestrekte park zijn bedacht als een groene long te midden van de Westelijke Tuinsteden. Maar ook dat Otten, op latere leeftijd katholiek geworden, al enige tijd met een groepje vrienden de werken van de Heilige Theresia van Avila leest en dat ze besloten om juist vandaag te zwijgen. Waaraan Otten slechts gedeeltelijk deelneemt, omdat hij in de ochtend met zijn stokdove moeder naar het ziekenhuis moest. En zwijgen is lastig wanneer je moeder je alleen verstaat wanneer je de woorden op vol vermogen in haar oor tettert. Maar nu, tijdens de wandeling, zwijgt hij. Zoals altijd.

Willem Jan Otten / De Om. Een wandeling. Van Oorschot ‘Terloops’ / Luisterboek, voorgelezen door Bart Oomen / 1 uur en 23 minuten / Van Oorschot, 2021, via Storytel

donderdag 18 december 2025

Ik zeg geen vaarwel

Ik zeg geen vaarwel van de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang is een prachtige, poëtische roman. Maar uitsluitend – denk ik - wanneer je je laat meevoeren in het verhaal én de wijze waarop Kang dat brengt. Het is het verhaal van twee vriendinnen, vrouwen van eind dertig, begin veertig. Gyeong-ha is een auteur die net een roman heeft voltooid over een massamoord op het Koreaanse Jeju-eiland, in 1948. Sindsdien heeft ze angstdromen waarin de gruweldaden voor haar ogen nog eens plaatsvinden. Haar vriendin Inseon schreef en regisseerde documentaires, maar is nu beeldhouwer in hout en woont op Jeju-eiand. In een van die documentaires staat diezelfde massamoord centraal, waarin haar oom vermoedelijk werd vermoord en haar moeder de rest van haar leven naar haar broer zocht.

De moordpartij heeft werkelijk plaatsgevonden, op meerdere plekken in Zuid-Korea. Kort na de Tweede Wereldoorlog en nog voor aanvang van de Koreaanse oorlog wilden de Verenigde Staten en de toenmalige machthebbers in Korea, het leger, het land zuiveren van de communisten. Bevolkingsgroepen of inwoners van bepaalde streken die werden verdacht van linkse sympathieën werden massaal uit de weg geruimd. Naar deze schanddaden is later diepgaand onderzoek verricht en over gepubliceerd, bronnen waar Kang dankbaar gebruik van maakt.

Wanneer Inseon tijdens haar werk met de zaagmachine enkele vingers verliest en met spoed wordt afgevoerd naar een ziekenhuis in Seoel waar zij enkele weken zal moeten blijven, vraagt zij Gyeong-ha direct naar Jeju-eiland te vertrekken om haar huisdier, een kaketoe, te verzorgen. Toen zij gewond door de ambulance werd afgevoerd was er geen tijd om wat extra voedsel en water voor de vogel achter te laten. Ondanks het slechte weer op Jeju-eiland en de verwachte zware sneeuwstormen neemt Gyeong-ha het eerste vliegtuig naar het eiland en daar de bus naar het dorpje in de bergen waar ze moet zijn. Maar komt ze daar ooit aan?

Zodra Gyeong-ha de bus verlaat om het laatste stuk naar haar bestemming te lopen, ongeveer een half uur, verdwaalt ze. En raakt ze verward in haar terugkerende angstvisioenen. Eenmaal aangekomen bij het huis van Inseon blijkt de vogel al dood te zijn, maar even later ook weer niet. Bovendien komt ook Inseon binnenlopen. Terwijl Gyeong-ha net daarvoor in het atelier, op de zaagmachine en in de tuin inmiddels bevroren plassen bloed heeft gezien, blijkt Inseon nu ineens niets te mankeren. Verwarrend. Hallucineert ze? Droomt ze? Wat is de werkelijkheid? Is die er?

In die nachtelijke uren doet Inseon haar vriendin haar versie van de massamoord uit de doeken. Je bent als lezer dan al gewend aan een scenario dat niet lijkt vast te liggen, waarin meerdere perspectieven tegelijk en door elkaar worden verteld. Waarin de vraag naar een werkelijkheid al lang niet meer relevant is.

Han Kang / Ik zeg geen vaarwel / Vertaald uit het Koreaans door Mattho Mandersloot / 302 blz / Nijgh & Van Ditmar, 2023

vrijdag 12 december 2025

Dé sonnetten

Het boek waarmee ik het afgelopen jaar de meeste uren heb doorgebracht? Dat is opmerkelijk genoeg ook het kleinste boekje. Het meet 15 x 10 cm, het standaardformaat van een ansichtkaart. En heel dik is het ook niet. Het boekje draagt de prachtige titel Voor jou en jou alleen en bevat alle 154 sonnetten van William Shakespeare, in een gloednieuwe vertaling door Frans van Deursen

Nu zult u wellicht denken: alwéér een nieuwe vertaling? En die verbazing is begrijpelijk, want de laatste anderhalve eeuw verschenen er maar liefst vijftien integrale vertalingen in het Nederlands van de sonnetten van Shakespeare. Daarnaast zetten tientallen vertalers door de jaren heen hun tanden in een selectie. Iedere generatie heeft behoefte aan een eigen vertaling, wordt wel eens gezegd. En dat klopt. Sla de vertaling van Leendert Burgersdijk uit 1879 maar eens op en lees wat van die teksten. Het klinkt voor ons gevoel vreselijk plechtstatig en de woordkeuze is flink archaïsch. De blinde eerbied voor Shakespeare druipt er vanaf. In vertalingen die sindsdien verschenen, door klinkende namen als P.C. Boutens, Albert Verwey, Jan Campert en Hugo Claus - sleet dat er langzaamaan af. Hedendaagse vertalingen zijn in modern Nederlands, ze onderscheiden zich van elkaar door specifieke voorkeuren van iedere vertaler en, misschien wel het belangrijkste, zijn of haar vermogen om uit de talloze mogelijkheden die de taal biedt mooie vondsten of combinaties te peuren.  

Lezen maar dan, die versie van Frans van Deursen. Hij heeft dat voor ons heel gemakkelijk gemaakt; waar andere vertalingen vergezeld gaan van een inleiding, een nawoord én het Engelse origineel tegenover de vertaling, zodat je zelf de vergelijking kan maken, geeft Van Deursen je uitsluitend zijn vertaling. Het voordeel daarvan is dat je heel rustig en geconcentreerd de 154 sonnetten kan lezen, zonder te worden afgeleid door allerlei ruis eromheen. En wie toch behoefte heeft aan het origineel, vindt dat gemakkelijk op internet.

Voor we verder gaan, misschien toch even een voorbeeld? Sonnet 18 dan maar, weliswaar overbekend maar daarom niet minder mooi. 

Sonnet 18

Wat als ik jou zie als een zomerdag?

Veel mooier en bestendiger ben jij;

want zomer tekent een te kort verdrag

en stormwind plaagt het bottend blad van mei.

Soms laait het hemels oog met te veel vuur,

vaak dempt de schemering zijn gouden gloed

en alle moois verspeelt zich op den duur

door ’t lot of de natuur, die doet wat moet.

Jij bent een zomerdag die nooit vervaalt,

het moois dat jij bezit speel je niet kwijt.

De dood snoeft niet als jij in hem verdwaalt,

dit vers lengt jou voor eeuwig in de tijd.

   Zolang de mens nog oog en adem heeft,

   zolang leeft dit, en dit wil dat jij leeft. 


En voor wie daar behoefte aan heeft, toch maar even het origineel

Sonnet 18

Shall I compare thee to a summer’s day?

Thou art more lovely and more temperate:

Rough winds do shake the darling buds of May,

And summer’s lease hath all too short a date;

Sometime too hot the eye of heaven shines,

And often is his gold complexion dimm'd;

And every fair from fair sometime declines,

By chance or nature’s changing course untrimm'd;

But thy eternal summer shall not fade,

Nor lose possession of that fair thou ow’st;

Nor shall death brag thou wander’st in his shade,

When in eternal lines to time thou grow’st:

   So long as men can breathe or eyes can see,

   So long lives this, and this gives life to thee.


Wie even zin voor zin naast elkaar legt ziet wat Van Deursen doet. Allereerst neemt hij de regels voor het schrijven van een sonnet in acht, inclusief het metrum en het rijm. Dat maakt de puzzel lastiger, maar het resultaat mooier wanneer hij slaagt. Je merkt – of liever: hoort - dat ritme en de opbouw van iedere zin vooral bij het voordragen van zo’n sonnet. En hier ook vondsten: ‘bottend blad’, ‘hemels oog’, ‘het moois dat jij bezit speel je niet kwijt’ en ‘De dood snoeft niet’. Stuk voor stuk mooie en ogenschijnlijk simpele oplossingen.

De toon is luchtig, merk je ook. In veel sonnetten klinkt Van Deursen speels, uitdagend, vrij en soms zelfs ietwat brutaal, net naar gelang de boodschap van het sonnet. Tijdens het lezen bekroop me langzaamaan het gevoel dat deze vertaling, als iedere tijd z’n eigen vertaling heeft, misschien die van het tijdperk van ‘Shakespeare in Love’ is. Die razend populaire speelfilm, uit 1998 alweer, is immers één groot spel met de dichter en zijn werk.

Frans van Deursen is acteur, zanger, tekstschrijver, theatermaker en vertaler. Hij vertaalde eerder met succes het werk van de zanger Tom Waits. Over Shakespeare deed hij een jaar of zes, tussen allerlei ander werk door. De eerste versie van ieder sonnet stuurde hij, nog nat van de inkt, naar zijn vriend en kenner van de Engelse literatuur Stef Collignon. Met hem en met de dichter Ingmar Heytze bedacht hij nog iets anders: de podcast Dat weet ik sonnet nog niet! Zittend aan de keukentafel bespreken de mannen iedere aflevering een aspect van de sonnetten. Vooral ook die onderwerpen waarover de geleerden in het duister tasten. En dat zijn er bij Shakespeare nogal wat, om te beginnen de vraag of hij de sonnetten, of een deel ervan, in opdracht maakte en voor wie dan. De podcast is serieus, is een inhoudelijke steun voor de lezer van de sonnetten. Maar als het onderwerp ‘Shakespeare en de liefde’ is, of het gesprek gaat over de ‘Dark Lady’, zijn de heren niet vies van een dolle grap. Uiterst onderhoudend.

Het boekje is beeldschoon uitgevoerd, met een harde kaft, mooi papier en een zachtroze leeslintje. Wat wil je nog meer? Het is een hebbeding. Mocht je nog voor iemand een cadeautje voor Kerst zoeken: zoek niet verder. Met de sonnetten van Shakespeare kom je héél goed voor de dag. 

Voor jou en jou alleen. De sonnetten van Shakespeare / Vertaald door Frans van Deursen / 176 blz / Van Oorschot, 2025

Dat weet ik sonnet nog niet! / Podcast van Frans van Deursen, Stef Collignon en Ingmar Heytze /  Alle afleveringen te beluisteren via de website van Frans van Deursen

Oh ja. Er is ook een luisterversie, voorgelezen door Van Deursen zelf, via Storytel. En hij trad de afgelopen maanden zelfs op in het land, met een ....... sonnettenprogramma.