Waarom deze inleiding? Heel simpel. Ik zag in de bioscoop de trailer van de speelfilm Vaterland. Die brengt dat bezoek in beeld. Gefilmd in stemmig zwart-wit, met in de hoofdrollen Hanns Zischler als Thomas Mann en Sandra Hüller als zijn dochter Erika. Zij begeleidde haar vader op deze reis, zoals zij al sinds het einde van de oorlog nauwelijks van zijn zijde week. In de laatste tien jaar van Mann, hij zou in 1955 overlijden, was zij zijn naaste medewerker, zijn redacteur én manager. Meermaals heeft zij over hun samenwerking geschreven, en in 2002 verscheen in de reeks privé-domein een Nederlandstalige bundeling van die teksten en brieven. Ik las dat boek lang geleden, maar trok het bij thuiskomst uit de kast en herlas het in enkele dagen. En ja, ook dat bezoek in 1949 beschrijft ze erin.
Mijn vader, de tovenaar. Herinneringen en brieven bestaat uit drie delen. Het eerste is een lang radio-interview dat Erika in 1968, een jaar voor haar dood, gaf. Dat bevat vooral huiselijke herinneringen aan de familie Mann. De bulk van het boek bestaat uit een selectie uit de briefwisseling tussen Erika en haar vader, met af en toe brief van of aan Katia Mann, haar moeder. De afsluiting wordt gevormd door een tekst uit 1956, waarin Erika op het laatste jaar van haar vader terugkijkt.Als je Erika met één woord moet karakteriseren, zou dat ‘doortastend’ zijn. Vanaf haar vroege jeugd kwam ze voor zichzelf op en had ze een eigen mening. Dat laatste kwam sterk naar buiten in het cabaretgroepje Die Pfeffermühle dat ze vanaf 1933 in München en later in Zürich zou leiden, en waarin ze onomwonden commentaar leverde op de politieke en maatschappelijke situatie in Duitsland. Ze deelde haar leven met een vrouw, Therese Giehse, die ook in het cabaret zat. In 1933 trouwde ze met de dichter W.H. Auden, puur en alleen om een Brits paspoort te verkrijgen. Essentieel om te kunnen reizen, sinds haar Duitse staatsburgerschap door de nazi’s was ingetrokken. In de oorlog voerde ze opdrachten uit voor de BBC en andere media, en trok vanaf 1943 op met de geallieerde troepen. Organiseren was haar tweede natuur, en dat zou ze vanaf 1947 doen voor haar vader. Ze woonde daarom na de oorlog ook bij haar ouders, eerst in Californië en vanaf 1952 in Küsnacht, bij Zürich.
Het interessantst is voor mij de ruime keuze uit de briefwisseling, die loopt van 1919 tot en met 1955. Meer dan in de twee andere stukken zit je daar bovenop de belevenissen van Erika en haar vader. Dat kan, wellicht wat banaal, gaan over het honorarium dat Mann vangt voor een boek of lezing. Of een discussie over het selecteren van de juiste uitgever, nu de nazi’s zijn vaste uitgever, Fischer, in de tang leken te hebben. Erika’s bemoeienis als redacteur met de teksten van Mann is een eye-opener. Met regelmaat vraagt hij haar om hele hoofdstukken of een heel boek te redigeren, bijvoorbeeld Jozef en zijn broers en Felix Krull, of lezingen met de helft in te korten. Dit laatste was inderdaad ook het geval bij de lezing over Goethe in 1949. Erika schrijft dat ze bij door haar geredigeerde lezingen, die in het redactieproces meermaals heen en weer waren gegaan, tijdens de lezing, zittend in de coulissen van het theater, haar vader uit haar hoofd had kunnen souffleren. Maar dat was nooit nodig, want wanneer Mann eenmaal het podium had beklommen ging het als vanzelf.De film, Vaterland, wordt verwacht in de loop van oktober. Ik kijk ernaar uit, en ben blij dat ik nog even dit boek heb gelezen. En voor wie zich altijd heeft afgevraagd waarom Mann ‘de tovenaar’ wordt genoemd: ook dat onthuld Erika voor ons. Begin jaren twintig, ze waren toen ongeveer vijftien, waren Erika en haar broer Klaus uitgenodigd voor een carnavalsfeest. En omdat hun moeder Katia niet thuis was, besloten ze om hun vader mee te vragen, anders zat die maar alleen. Die probeerde er onderuit te komen, hij had immers geen verkleedkostuum. Maar Erika drapeerde wat dekens en andere lappen om hem heen en een soort tulband om zijn hoofd, en doopte hem de tovenaar. Omdat Mann in deze periode schreef aan De Toverberg, bleef de naam hangen. Hij ondertekende zelfs zijn brieven met een ‘T’.
Erika Mann / Mijn vader, de tovenaar. Herinneringen en brieven / Bezorgd door Irmela von der Lühe en Uwe Naumann / Vertaald uit het Duits door Paul Beers / 347 blz / privé-domein nr. 243 / De Arbeiderspers, 2002


