donderdag 7 juli 2022

De zomer van Jeanne

Het zal je als kunstenaar maar gebeuren: je bent een kleine dertig jaar geleden overleden, je naam roept bij de gemiddelde Nederlander nauwelijks meer herkenning op en je werk wordt – afgezien van het museum in Zutphen, maar daarover later – vrijwel nergens meer getoond. En dan ineens, in de zomer van 2022, wijden maar liefst vijf musea tegelijkertijd een tentoonstelling aan je en zetten die onder een gezamenlijke noemer in de markt: De zomer van Jeanne. In Zutphen, Almen, Heerenveen, Maassluis en Fochteloo kan de bezoeker nog enkele weken of maanden kennismaken met de verschillende onderdelen van het oeuvre van Jeanne Bieruma Oosting (1898-1994). Ik bezocht twee locaties, Maassluis en Zutphen. Die bieden samen al een mooie doorsnee van dit kunstenaarschap. 

De plotselinge belangstelling is te danken aan Jolande Withuis. Zij publiceerde eind vorig jaar de biografie Geen tijd te verliezen. Jeanne Bieruma Oosting 1898-1994. Withuis, sociologe, is tevens een ervaren biograaf. In 2016 verscheen van haar hand de veelgeprezen biografie van koningin/prinses Juliana, enkele jaren geleden publiceerde ze Raadselvader. Schrijvend aan de biografie van Jeanne realiseerde Withuis zich dat haar boek en een tentoonstelling elkaar zouden kunnen versterken. Dat simpele idee groeide uit tot een veelomvattend project.

Jeanne Bieruma Oosting was van chique Friese komaf. Haar moeder was een barones van Harinxma thoe Slooten, haar vader een Bieruma Oosting. Zij bezaten uitgestrekte buitens als Lauswolt en de Harinxmastate bij Beetsterzwaag en Oranjestein bij Heerenveen. Het grootste deel van haar jeugd bracht Jeanne door op kasteel De Cloese bij Lochem. Haar ouders waren zich maar al te zeer bewust van hun stand, familiegeschiedenis en de onuitgesproken verplichting hun manier van leven door te geven aan hun nazaten. Voor een jonge vrouw als Jeanne betekende dit een goed huwelijk sluiten en kinderen krijgen. Dat zij zou willen studeren, een vak leren en werken voor haar inkomen was in de beleving van haar ouders ondenkbaar. En toch wilde Jeanne dat. Al op heel jonge leeftijd toonde zij talent voor tekenen. Ze zwierf door de tuinen en uitgestrekte landgoederen rondom de buitens en legde alles vast dat haar fascineerde.

Toen ze zestien werd gaf ze aan dat zij graag een kunstopleiding wilde volgen. Even vanzelfsprekend was het dat haar ouders, en vooral haar vader, hier tegen waren. Dat zijn dochter deel zou gaan uitmaken van het kunstenaarsmilieu, zou omgaan met losbandige types, was uitgesloten. Jeanne volhardde, spande de juiste mensen voor haar karretje, en slaagde. Haar vader gaf toestemming, maar uitsluitend voor een korte periode. Dit patroon zou zich gedurende de volgende jaren herhalen, steeds kreeg zij na gesmeek toestemming om in de leer te gaan bij een tekenaar, schilder of bij een academie, maar steeds was het weer eindig. Binnen een jaar was zij dan weer terug bij af, leefde het gezapige leventje van de landadel. Maar het leerjaar dat ze in 1920 doorbracht bij Albert Roelofs – zoon van de bekende Haagse School schilder Willem Roelofs – betekende een keerpunt. Hij wist haar artistieke rust bij te brengen, maakte haar zekerder over haar werk. Na het jaar bij hem bleef ze dan ook zelfstandig wonen, haar vader kon doodvallen. Al moest hij natuurlijk wel financieel bijspringen …

Withuis heeft grondig onderzoek verricht, sprak ook veel vrienden van Jeanne en kenners van haar werk. Ze analyseert het vroege werk helder, zoals ze dat ook doet met betrekking tot het grote project in het leven van Jeanne: haar vertrek naar Parijs. Daartoe besloot zij in 1929. In Nederland kon zij weinig meer opsteken, in het kloppend hart van de kunstwereld dat Parijs in die jaren was, zocht zij naar de verdieping van haar kunst. Op de rand van armoe maar gedreven bezocht ze ateliers, knoopte contacten aan met kunstenaars en bracht dagen door in musea. Een inhaalslag. Ze ontmoette Pablo Picasso en zou hem de rest van haar leven bewonderen om zijn houding. Bij de Engelse graficus Bill Hayter bekwaamde ze zich in vernieuwende grafische technieken, waarin ze vanaf dan zou excelleren en dat terugkijkend misschien wel het meest wezenlijke deel van haar oeuvre is geworden. In haar onverwarmde atelier, met in de winter een extra ´wolletje´ aan, experimenteerde ze, op zoek naar de juiste expressie, op zoek naar zichzelf. In Parijs zouden in de jaren dertig haar meest persoonlijke werken ontstaan. Zelfportretten waarin ze haar ziel ontbloot, reeksen gewaagde litho´s waarin haar liefde voor de vrouw tot uiting komt.

Jeanne werd 96 jaar oud. Zou na die Parijse periode nog een halve eeuw werkzaam zijn, voornamelijk in Amsterdam. Zou zichzelf van tijd tot tijd nog vernieuwen. Zou na het overlijden van haar ouders een rijke vrouw blijken te zijn. Kocht van die erfenis in Almen een vrijstaand historisch huis met een grote tuin, waarin ze geheel naar haar wensen een atelier liet bouwen. De geestelijke onafhankelijkheid die zij had bevochten werd nu ook een materiële. 

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog voerde de abstracte kunst de boventoon,  overvleugelde de figuratieve kunst. Dat gold in zekere mate ook voor Jeanne, ofschoon zij in deze jaren wel al werd beschouwd als een Grande Dame. Ze beschikte over een groot netwerk, deed meerdere tentoonstellingen per jaar en de verkoop van haar werk liep goed. Maar toen een groepje figuratieve kunstenaars onder leiding van de vermogende kunstliefhebber Henriette Polak haar eind jaren zestig benaderde met een plan voor de oprichting van een museum voor figuratieve kunst, steunde ze dat initiatief van harte, ook financieel. En toen dat in de laatste fase van de realisatie nodig bleek, was ze opnieuw zeer gul. Ze moest in haar eigen woorden ‘een fikse financiële veer laten’, maar ze had het er voor over. In 1975 opende in Zutphen het Museum Henriette Polak, dat uitsluitend figuratieve kunst toont. 

Jeanne koos al jong voor een leven als kunstenaar. Gooide zich daar met hart en ziel in. Tijd aan iets anders besteden, bijvoorbeeld aan een partner of een gezin, zag ze niet zitten. Dat zou beslist ten koste gaan van de kunst, meende zij. In een documentaire die bij de tentoonstelling wordt getoond, wordt zij op hoge leeftijd geïnterviewd terwijl zij aan het werk is. Een eigengereide vrouw, kortaf, uitgesproken meningen. Wanneer haar wordt gevraagd waarom zij niet trouwde, antwoord ze dat ze dan kostbare tijd had moeten opofferen: ‘Want een man kan je niet naar bed sturen met een reep chocolade’. 

Withuis schreef een biografie die Jeanne tot leven brengt. Haar artistieke keuzes, haar persoonlijkheid, haar gevoelsleven, de aanzetten tot enkele mislukte relaties, je gaat er als lezer iets van doorgronden. Omdat Jeanne´s leven zich voltrok parallel aan de emancipatie van de vrouw, vormt haar verhaal ook een mooi tijdsbeeld. Dat is Withuis wel toevertrouwd.

Jolande Withuis / Geen tijd te verliezen. Jeanne Bieruma Oosting 1898-1994 / 477 blz / De Bezige Bij, 2021

De tentoonstellingen zijn te zien in: Museum Henriette Polak, Zutphen / Museum Maassluis, Maassluis / Museum Belvédère, Heerenveen / Nobilis Centrum voor Prentkunst, Fochteloo / Museum STAAL, Almen

donderdag 30 juni 2022

Verliefd op de tropen

Jan Brokken (1949) groeide op in Rhoon, een dorp aan de Oude Maas, onder de rook van Rotterdam. Zijn vader Han was er dominee, zijn moeder Olga bestierde het huishouden en bespeelde dagelijks de vleugel in de woonkamer. Hij had twee oudere broers, geboren in 1939 en 1940, met wie hij tien jaar scheelde. Dat lijkt niet overdreven veel, maar geplaatst in de historische context van hun jeugd is het dat wel: Han en Olga werkten vanaf 1935 als zendelingenechtpaar in Nederlands-Indië en maakten daar dus mét hun kinderen de Japanse bezetting mee. Ze werden in 1942 van elkaar gescheiden in kampen ondergebracht, Han in een mannenkamp en Olga met de kinderen in een vrouwenkamp. Ze kregen hun portie ellende mee, Han raakte erdoor getraumatiseerd. Dat Indische verleden, dat Jan Brokken als enig gezinslid niet had meegemaakt, hing voor zijn gevoel altijd onuitgesproken in de lucht. Hij schreef daar eerder over, bijvoorbeeld in Mijn kleine waanzin (2005). 

Op een zomerochtend in 2019 hoorde Brokken op de radio een uitvoering van een muziekstuk met de titel De tuinen van Buitenzorg. Het bleek een onderdeel te zijn van de Java Suite van de van origine Litouwse componist Leopold Godowski (1870-1938). Deze Godowski bezocht Java in 1923 voor een serie optredens, raakte er in de ban van de uitbundige natuur en cultuur, in het bijzonder van de gamelanmuziek. Een jaar later componeerde hij de suite. Het beluisteren van de muziek bracht Brokken terug naar Nederlands-Indië. Ditmaal niet als bezoeker – hij was er tweemaal eerder vrij lang – maar als ‘reiziger in gedachte’. Op zoek naar zijn moeder. Met als leidraad een pakket van 39 lange brieven die Olga tussen 1935 en het begin van de oorlog aan haar zus Nora in Nederland had geschreven.

Olga was bij aankomst in Batavia 23 jaar, haar echtgenoot Han 25. Hij was een afgestudeerd theoloog, met als specialisatie de Islam. Zijn opdracht was niet die van een doorsnee zendeling, hij diende de werkwijze van een nieuwe islamitische bekeringsbeweging op het eiland Saleier, zuidelijk van Celebes (nu Sulawesi), in kaart te brengen. Terwijl Han in Batavia en Buitenzorg gedurende enkele maanden werd bijgeschoold, had Olga alle tijd om de omgeving te verkennen. Ze voelde zich al snel in haar element: ‘Waar ik ook kijk, alles is anders. Elke blik verrast me, iedere Javaan die voorbijloopt  zou ik willen volgen.’ Haar zoon vertelde ze ooit dat ze direct die eerste dagen al in de Kebun Raya Bogor – indertijd ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg geheten -  ‘op slag verliefd was geraakt op de tropen, niet alleen gevoelsmatig maar ook zintuigelijk, door alle geuren.’ Ze was goed voorbereid. Vanaf haar verloving met Han in 1932 had ze Maleis geleerd, en zodra ze wisten dat Makassar op Celebes hun standplaats zou worden begon ze daarnaast ook aan Makassaars en Boeginees. Ze had de ambitie hun verblijf te laten slagen.

Contact krijgen met de lokale bevolking, inburgeren, begint klein. Olga bedacht dat zij vrouwen naailes kon geven, zodat die voortaan zelf de kleding voor hun gezin konden maken. Dat begon op een oude Pfaff-naaimachine, eerst een enkel trapmodel en later, nadat ze de leverancier had overreed er enkele in bruikleen te geven, elektrische. In haar brieven is te lezen hoeveel voldoening haar dit geeft. Dat gold ook voor het leren bespelen van het kerkorgel, ter opluistering van de zondagse dienst. Hun plan om op Saleier te gaan wonen werd om financiële redenen door Han’s kerkbestuur niet gehonoreerd. Het blijft Makassar. Voor Han betekende dit een trip met de pakketboot van minimaal 24 uur om op zijn werk te komen. Hij bleef daar meestal gelijk maar een week of drie. Ook moest hij af toe op een langdurige dienstreis naar Java. Na een jaar of twee valt voor het eerst het woord ‘eenzaam’ in een brief. Maar tegelijkertijd ging een droom in vervulling: ze raakt zwanger en krijgt achtereenvolgens twee gezonde jongens. Het is schrikken wanneer in Europa de oorlog losbarst, maar in Azië loopt het gelukkig niet zo’n vaart …

Een ‘reiziger in gedachte’ kan een reis indelen naar believen, zonder dat er praktische bezwaren ontstaan. Brokken nut dat ten volle uit. Hij put uit Olga’s brieven, de foto’s die zij daarin meestuurde, uit zijn eigen reisherinneringen en uit de literatuur over Nederlands-Indië. Ook verweeft hij heel subtiel zijn verhaal met het muziekstuk waarmee alles begon. Uit dat alles ontstaat een afgewogen portret van een jonge vrouw die aan het andere eind van de wereld op haar manier iets wilde betekenen voor haar man, haar gezin en de mensen in haar omgeving. Die daarin oprecht was, en voor wie de vernederingen die het gevolg waren van de Japanse bezetting dan ook hard aankwamen. Het kamp overleven was in die jaren haar enige gedachte. Dat lukte wonderwel, maar tegen een prijs. Het zou nooit meer verdwijnen.  

Olga waarschuwde haar zoon meer dan eens niet te veel te gaan grasduinen in het Indische verleden van het gezin: ‘Verdwaal maar niet in ons verleden’, zei ze dan. Dat heeft hij nu dus wel gedaan. Nadat ik het boek had gelezen, ontdekte ik dat Brokken de luisterboekversie zelf voorleest. Dat doet hij heel ingetogen, haast verstild. Mooi is de toevoeging van een handvol composities uit de Java Suite van Godowski. Sfeerbeelden die het afmaken.

Jan Brokken / De tuinen van Buitenzorg / 220 blz / Atlas Contact, 2021 / Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 8 uur en 36 minuten / Atlas Contact, via Storytel

zaterdag 25 juni 2022

Waagstukken

Een kunstschilder die tot de ontdekking komt dat zijn of haar zojuist voltooide werk beneden de maat is, heeft nauwelijks een probleem. Het doek weggooien is het gemakkelijkst, anders is altijd nog de achterkant te beschilderen, of opnieuw de voorzijde, na het aanbrengen van een verse grondlaag. Ook een beeldhouwer, een graveur of tekenaar kan het mislukte werk verdoezelen. Niemand hoeft van de potentiële afgang te weten, reputaties worden gespaard. Voor een ander soort kunstenaar, de architect, ligt dat iets anders. Een gebouw aan het oog onttrekken is niet mogelijk, het herstellen van een fout vaak te kostbaar. Voor Charlotte Van den Broeck, een jonge Vlaamse dichter, was het een intrigerende kwestie: wat doet een architect in zo’n geval? Hoe gaat hij om met de schande, het voor iedereen zichtbare mankement, het brevet van onvermogen? Wordt het, in extreme gevallen, een nagel aan zijn doodskist?  Met andere woorden: pleegt hij zelfmoord? Van den Broeck laat Waagstukken in dertien hoofdstukken zien dat dit voor evenzovele architecten inderdaad de reden was een einde aan hun leven te maken of, niet heel veel humaner, het begin was van een langzaam wegkwijnen met uiteindelijk de dood als gevolg..

Een voorbeeld van dat laatste overkwam Reginald Wycliffe Geare (1889-1927). Een jonge architect, die voor investeerder Harry Crandall bioscopen bouwde in de stad Washington. De speelfilm was een nieuw medium, het publiek was er verzot op en in de door  Geare gebouwde bioscopen die eruit zagen als weelderige paleizen en tempels waren de liefhebbers echt een avondje uit. Een van die gebouwen, het Knickerbocker Theater, stortte in de winter van 1922 na heftige sneeuwbuien in, met bijna honderd slachtoffers tot gevolg. Een onderzoekscommissie stelde vast dat de dakconstructie van het pas vijf jaar oude gebouw niet stevig genoeg was verankerd en dat er bovendien met ondeugdelijk materiaal was gewerkt. Geare kreeg de schuld in de schoenen geschoven, maar werd uiteindelijk niet berecht. Zijn loopbaan als architect was echter over en vijf jaar later, nog slechts een schim van de man die hij ooit was, zette hij de gaskraan open.

Dit is de meest recht toe, recht aan vertelling in de bundel. Maar het kan ook anders lopen na een bouwkundige uitglijder. En er bestaat ook zoiets als een stilistische uitglijder, een gebouw dat door de kenners en het publiek gewoon niet mooi wordt gevonden. Dus ook ‘mislukt’. Van den Broeck geeft daarvan heerlijke voorbeelden, zoals van de negentiende-eeuwse Wiener Staatsoper. Hilarisch, maar van een andere orde, is het verslag van haar bezoek aan de zeventiende-eeuwse kerk van het dorpje Verchin in het noorden van Frankrijk. De van bakstenen gemetselde torenspits daarvan is in de loop van de tijd ietwat gaan draaien en ziet er nu uit als een slaapmuts op half zeven. Ze maakt daar ook kennis met de voorzitster van de Association des Clochers Tors d’Europe, oftewel de Vereniging van Gedraaide Torenspitsen in Europa. En ja, het schijnt dat de hoofdmetselaar Jean Porc in 1611 van een hoge steiger in de kerk zijn dood tegemoet viel. Maar zelfmoord …?

De selectie van projecten is breed. Van den Broeck imponeert je met haar stuk over de vermaarde Italiaanse architect Francesco Borromini (1599-1667) en zijn kerkje San Carlo alle Quattro Fontane in Rome, maar opent de bundel evengoed met de min of meer banale bouwkundige perikelen rondom het gemeentelijke zwembad in haar woonplaats Turnhout. 

En hoe omschrijf je ‘mislukt’?  Voor een perfectionist zal dat anders klinken dan voor een architect van het slag ‘goed is goed genoeg’. Van den Broeck gaf haar bundel de titel Waagstukken. De meeste van haar case studies zijn dan ook projecten waar de architect, uit vrije wil of noodgedwongen, zijn ambitie opschroefde of een ongebaand pad insloeg. Dus een risico aanging. In zekere zin gold dat ook voor Van den Broeck zelf. Zij is zichtbaar in haar onderzoek, we gaan met haar mee op speurtocht, ze uit met enige regelmaat haar twijfel over de opzet van haar project, de haalbaarheid ervan. Maar ze slaagt. Ze creëerde een bundel met ongewone maar vrijwel altijd fascinerende essays. Wat het afmaakt is de uitvoering van de omslag van het boek in de Japanse bindwijze. De afdekking van de rug ontbreekt, wat de naaiwijze zichtbaar laat. En zowel de voorzijde als het achterplat zijn binnenstebuiten uitgevoerd. Geestig. Een waagstukje.

Charlotte Van den Broeck / Waagstukken / Met een omslagontwerp van Steven van der Gaauw / 286 blz / Uitgeverij De Arbeiderspers, 2019 

woensdag 22 juni 2022

Scènes uit een Japans dorp

Wie vandaag de dag over de drukke snelweg Tokio passeert, ziet even buiten de stadsgrenzen een groot complex met fantasievolle architectuur: Tokyo Disneyland. Het park bevindt zich tussen de snelweg en de zee, aan een rivier. Zo’n eeuw geleden was dit een verstild, landelijk gebied met wat verspreid liggende dorpen. Veel inwoners werkten in Tokyo en namen dagelijks de veerboot naar de stad. In 1928 koos de jonge schrijver Shūgorō Yamamoto (1903-1967) de streek voor een retraite van enkele jaren. Hij huurde een dijkhuisje in het dorp Urakasu, schreef er kinderverhalen en observeerde de inwoners. Zij noemden hem al snel de Professor, deels uit een erkenning voor zijn kennis, deels om aan te geven dat hij een buitenstaanders was en zou blijven. Yamamoto maakte tijdens zijn verblijf aantekeningen, die hij jaren later uitwerkte tot de verhalenbundel De blauwe schuit. Scènes uit het dagelijks leven in een Japans dorp.

De veerboten en hun bemanningen, de jongedames in de ‘vreethuizen’ die de mannelijke klanten verleiden meer te drinken en eten dan ze zich hadden voorgenomen, de schooljeugd die het heeft voorzien op de blauwe schuit, de krakkemikkige punter die Yamamoto zich heeft laten aansmeren, nachtelijke avonturen van verliefden in het riet langs de oever van de rivier, een nogal primitieve ‘crime passionnel’ en ga maar door. Je krijgt een – vermoed ik – grotendeels waarheidsgetrouw beeld van het leven in een dorp in de nabijheid van een grote stad. Maar wellicht wel gefilterd door nostalgie, zoals vertaler Jacques Westerhoven in een nawoord opmerkt.

Tegen de tijd dat Yamamoto zijn oude aantekeningen verwerkte tot dit boek, bracht hij nog eens een bezoek aan het inmiddels grotendeels door Tokio opgeslokte dorp - dat in het echt trouwens Urayaso heette, hij paste namen soms een beetje aan. Een sentimental journey. Enerzijds laat dat zien dat het project hem aan het hart ging, dat hij goede herinneringen had aan zijn verblijf. Anderzijds kun je je afvragen wat je na dertig jaar nog hoopt te vinden. Dat je oude bekenden terugziet, dat jij wordt herkend? Dat bezoek, een van de langere teksten, aan het eind van de bundel, is in dit opzicht verhelderend en vormt een waardige afsluiting van deze met liefde opgetekende herinneringen.

Shūgorō Yamamoto / De blauwe schuit / Vertaald uit het Japans door Jacques Westerhoven / 301 blz / Uitgeverij Van Oorschot 2022

zaterdag 18 juni 2022

De oneindige veldtocht

Ik kijk graag naar de boekbesprekingen die Maarten ´t Hart opneemt voor boekhandel De Kler. Dat zijn korte video’s, nooit langer dan een minuut of vier, waarin ’t Hart ons vanaf de bank in zijn woonkamer toespreekt. Een recensie kun je het eigenlijk niet noemen. Was de jonge Maarten vanaf het midden van de jaren zeventig een scherpe en gevreesde recensent die op de voorpagina van het Cultureel Supplement carrières kon maken of breken, de oudere Maarten maakt, schijnbaar uit de losse pols, wat opmerkingen over een boek dat hij in de lucht houdt. Heel diep gaat dat niet. Je zou het een leesimpressie kunnen noemen. 

Een mooi voorbeeld is de manier waarop hij onlangs de roman De vergeten soldaat van de Franse auteur Guy Sajer besprak. Dat boek beschrijft de lotgevallen van een soldaat van de Wehrmacht, die van het najaar van 1942 tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog meerdere veldtochten naar Rusland meemaakte. Gruwelijke campagnes met ongelooflijke aantallen slachtoffers aan beide kanten. Beeldend geschreven, aldus 't Hart, het is alsof je er zelf bij bent. Een dikke pil van ruim 700 bladzijden, maar je blijft gebiologeerd doorlezen. Na deze positieve opmerkingen over het boek volgt dan ’t Harts eindoordeel: indrukwekkend, maar hij vertrouwt het niet. Hoe kan iemand jarenlang zoveel slachtpartijen meemaken, over meerdere jaren én ook nog eens in de moordende Russische winter waarin zijn kameraden om hen heen bij bosjes sneuvelden, en dat zelf overleven? Dat kan haast niet waar zijn. Punt. De stelligheid oogt bijna aandoenlijk.  

Hoe gruwelijk de Russische veldtocht was, weten we inmiddels wel. Die is vaak beschreven en in filmbeelden bewaard gebleven. De extreme kou in de winter, de enorme afstanden, de lange dus haperende aanvoerlijnen en de gevechtstactiek van de Russen – de ‘verschroeide aarde’, de onvoorspelbare guerilla én de massale en meedogenloze artilleriebeschietingen door de zogenoemde Stalinorgels – sloopten het trotse Duitse leger. Dat wist ik dus wel, dacht ik. Maar deze roman brengt die hele geschiedenis nóg iets nadrukkelijker bij je thuis. Het zijn de herinneringen van een jongen die op zestienjarige leeftijd met overtuiging tekent voor de Wehrmacht en na een korte training direct naar het oosten wordt gestuurd. Daar komt hij in de ene hel na de andere terecht. 

Het Russische oorlogsgebied was groot. Voor de gewone soldaat, die naarmate de oorlog vorderde nauwelijks meer gebruik kon maken van gemotoriseerd vervoer en zich net als Sajer vaak te voet moest verplaatsen, werd dat gevoelsmatig onmetelijk groot. Sajer tekent geen landkaarten ter ondersteuning van zijn verhaal, om de doodeenvoudige reden dat hij negen van de tien dagen slechts bij benadering wist waar hij zich bevond. Het gaat hem ook niet om dat militaire overzicht. Hij ziet het veeleer als zijn taak het dagelijkse leven van de manschappen te beschrijven: ‘Daar is in feite mijn taak toe beperkt: zo intens mogelijk het gegil uit het slachthuis opnieuw te laten horen.’ 

Sajer overleefde de oorlog, vestigde zich in Parijs, werd tekenaar van cartoons. Begin jaren vijftig besloot hij dat wat hij had meegemaakt op te schrijven, in 1967 volgde de publicatie ervan. Hij noemde het een roman, wat hem de vrijheid gaf keuzes te maken die bij een historische verslaglegging niet mogelijk zouden zijn. Vorig jaar verscheen ook een Nederlandse editie, waarmee het aantal vertalingen op veertig kwam.  

Ik las het boek onlangs, in de situatie dat op het grondgebied van Oekraïne op dit moment opnieuw een oorlog wordt uitgevochten. Sajer beschrijft oorlogshandelingen in de streken rond Kiev, Cherson en al die andere plaatsen die ook dezer dagen vrijwel dagelijks in het nieuws zijn. En ook ditmaal is het de burgerbevolking die zich niet kan verweren, die het meest te lijden heeft. Dat geeft een wrang gevoel.  

Guy Sajer / De vergeten soldaat / Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre / Met een voorwoord van Doris Lessing / 717 blz / De Arbeiderspers, 2021

woensdag 8 juni 2022

Van Huygens tot Einstein

Wie gevoelig is voor wat Johan Huizinga zo mooi ´de historische sensatie´ noemde, kan de komende maanden terecht in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Daar worden in de tentoonstelling Boeken die geschiedenis schreven zesentwintig boeken, tijdschriften en manuscripten getoond die ieder voor zich een mijlpaal waren én nog steeds zijn in de wetenschap, de literatuur, beeldende kunst en geschiedenis zoals die zich sinds het einde van de zestiende eeuw in Nederland heeft afgespeeld. Om specifieker te zijn: in Leiden. Onze oudste universiteit is sinds haar oprichting in 1575 een aantrekkelijke werkplek geweest voor wetenschappers uit binnen- en buitenland. Een plek waar een ieder vrij zijn of haar mening mocht verkondigen waardoor – om maar eens iemand te noemen – zelfs de bij de paus in onmin geraakte Galileo Galilei in 1638 zijn laatste boek hier uitgaf. Bij de tentoonstelling verscheen een juweel van een boekje, waarin ieder object door een deskundige in de juiste context wordt geplaatst. Heel toegankelijk geschreven en weldadig geïllustreerd, een feest om te lezen.

Dat de Republiek der Nederlanden zich vanouds als zeevarende natie openstelde voor de wereld blijkt al uit de eerste bijdrage, de Spieghel der Zeevaert van Lucas Jansz Waghenaer (1584-’85).  Dit meesterwerk van cartografie, met haar forse en uniform getekende kaarten, bood stuurlui een zicht op de silhouetten van de kustlijn waarlangs zij voeren en gaf informatie over de diepgang van havens en riviermondingen. Precies dat wat je voor een veilige vaart nodig had. Dat Waghenaer in zijn dertig jaar als kapitein zelf de Europese kusten van Gibraltar tot de Noordkaap en ook de Oostzee bezeilde is van iedere bladzijde van deze atlas te lezen. In het verlengde van Waghenaer, en nog steeds actueel, is Mare Liberum of De Vrije Zee, het juridisch-filosofische traktaat over het zeerecht dat Hugo de Groot in 1609 publiceerde.

Onderzoeken, analyseren, ordenen en beschrijven zijn basisbeginselen van het beoefenen van wetenschap. Zonder overzicht geen inzicht, om het zo maar te zeggen. Op niemand lijkt dat meer van toepassing dan op Carolus Linnaeus, die in 1735 in Leiden als achtentwintigjarige zijn Systema Naturae publiceerde. Hij was er kort tevoren vanuit Zweden gearriveerd, waar hij aan de universiteit van Uppsala achtereenvolgens geneeskunde had gestudeerd en plantkunde gedoceerd. Op slechts twaalf grote vellen met paginagrote schema’s presenteerde hij zijn classificatie van de natuurlijke wereld, onderverdeeld in gesteenten, dieren en planten. Vooral die laatste sectie, waarin hij zijn ordening baseerde op de voorplanting van de planten, zou hem eeuwige roem opleveren. Het exemplaar van Systema dat in de Leidse Universiteitsbibliotheek wordt bewaard is vanwege het grote formaat ooit in zessen gevouwen en wordt daarom zelden uitgevouwen getoond.

Ronduit indrukwekkend zijn voor mij, terwijl ik er vaak tegelijkertijd nauwelijks iets van begrijp, die wetenschappelijke vondsten en inzichten die zijn bereikt via de wiskunde. Het hogere cijferen. Dit boekje bevat er daarvan twee: Horologium Oscillatorium van Christiaan Huygens uit 1673 en een typoscript van Albert Einstein uit 1914, een van de artikelen die hij schreef in de jaren dat hij zijn Algemene Relativiteitstheorie perfectioneerde. Huygens zette de wiskunde in – en ontwierp er deels ook nieuwe voor – om de slingerbeweging en valsnelheid van een object te analyseren en zo te komen tot een betrouwbaarder uurwerk, het slingeruurwerk. Dat eindproduct realiseerde hij, terwijl de mathematische handvatten die hij gaandeweg creëerde op de lange termijn even waardevol bleken. 

Ook Einstein moest tijdens zijn onderzoek diep graven om zijn stellingen wiskundig op te bouwen. Hij was weliswaar vertrouwd met de ‘gewone’ meetkunde, geldig in het platte vak, maar die werkte niet bij het oplossen van het probleem van de gekromde ruimtetijd waarop hij stuitte. Met hulp van vakgenoten werd een eerste versie gepubliceerd, maar daar schortte nog het een en ander aan. Ook een tweede versie was niet honderd procent. In maart 1914, op doorreis naar Berlijn, logeerde Einstein in Leiden bij zijn vriend Paul Ehrenfest, die kort tevoren Hendrik Lorentz was opgevolgd als hoogleraar Theoretische fysica. Bij zijn vertrek liet hij het manuscript voor het definitieve artikel achter bij Ehrenfest. Diens handgeschreven opmerkingen en de correcties van Einstein maken het een heel bijzonder document. Voor Einstein, in tegenstelling tot Huygens dus, geen fysiek resultaat maar een tipje van de sluier gelicht over de werking van ons universum.

Een schatkamertje dus, dit boekje. Naast de bovengenoemde boeken passeren ook René Descartes, Anna Maria van Schurman, Herman Boerhaave, Caspar Reuvens, Phillipp Franz von Siebold, Johan Rudolph Thorbecke, Christiaan Snouck Hurgronje, De Stijl en Anton de Kom om er enkele te noemen. En natuurlijk Johan Huizinga, met zijn in 1919 verschenen Herfsttij der Middeleeuwen. Dat internationaal misschien wel het bekendste boek van een Nederlandse historicus is, ondanks dat de twee Engelse vertalingen die ooit van het boek verschenen, in 1924 en 1996, respectievelijk ingekort en gemankeerd waren. Ter gelegenheid van het  eeuwfeest van het boek liet Leiden University Press een nieuwe, complete Engelse editie verschijnen, Autumntide of the Middle Ages. Je dient je erfgoed immers blijvend te koesteren…

Kasper van Ommen, Garrelt Verhoeven en anderen / Boeken die geschiedenis schreven / 279 blz / Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2022

vrijdag 3 juni 2022

Maarten en Nicolien wandelen door

In mijn top tien van geliefde romanpersonages staan Maarten Koning en zijn Nicolien hoog genoteerd. Hun schepper, J.J. Voskuil, heeft hen dan ook onsterfelijk gemaakt door een substantieel deel van zijn semi-autobiografische oeuvre aan ze op te hangen. Allereerst natuurlijk in de zeven delen van Het bureau, verschenen tussen 1996 en 2000. Maar ook in de daarna verschenen drie bundels met hun vakantiewandelingen Terloops: Voettochten 1957-1973. Tel daar De moeder van Nicolien bij, of De buurman, en zelfs het vroege Bij nader inzien, en je komt al gauw op zo´n achtduizend bladzijden waarin je aan hen verknocht kan raken.

J.J. Voskuil en zijn Lousje zijn niet meer, en daarmee is de gestage stroom teksten gestopt. Maar … dat lijkt maar zo. Wim Huijser, de biograaf van C. Buddingh’ en auteur van een respectabel aantal wandelgidsen en andere boeken over de natuur, kwam op het lumineuze idee ze een tweede leven te geven. Vorig jaar publiceerde hij al een bloemlezing met wandelpassages uit het oeuvre van Voskuil, Had je nog willen wandelen?, en nu is daar Aan de wandel. In stukjes van niet meer dan anderhalve bladzijde beschrijft hij hoe Maarten en Nicolien vandaag de dag wandelen. Waar ze wonen wordt niet duidelijk, en ook hoe oud ze zijn. Maar ze hebben zich, ofschoon aarzelend en wat Nicolien betreft met frisse tegenzin, overgegeven aan enkele geneugten van het moderne bestaan. Ze hebben een laptop aangeschaft en Maarten maakt zelfs gebruik van een mobiele telefoon. De basis van het wandelen blijft hun imposante wandelbibliotheek en hun richtinggevoel, maar in noodgevallen zouden ze digitale hulp kunnen inschakelen.

Covid-19 heeft van wandelen booming business gemaakt. Wanneer Nicolien dat in de krant leest – nadat ze het tijdens het wandelen al enigszins hebben ervaren – ontploft ze: ‘Zo is voor mij de lol er wel af’, is haar reactie. Wanneer ‘jonge, hippe types’ in ‘flitsende kleding’ de ‘Trage Tochten’ en ‘Groene Wissels’ ontdekken, aan de wandel gaan en wandelen ‘volkssport nummer 1’ wordt, hoeft het voor haar niet meer. Wanneer Maarten, gewend aan dit soort doordraafgedrag, laconiek antwoordt dat het zo’n vaart wel niet zal lopen, wordt ze nog bozer. Maar binnen de anderhalve bladzijde komt het ook weer goed.

Huijser kent Maarten en Nicolien door en door. Meer nog dan uit de recht toe, recht aan botsinkjes als hierboven blijkt dat uit de passages die zijn doordrenkt van een zekere weemoed. Zoals wanneer Maarten in zijn boekenkast stuit op Winterlogboek van Paul Auster en dat voor hem en Nicolien de aanleiding vormt voor een mooie bespiegeling over ouder worden en de herinnering. Goed gevonden en knap uitgewerkt.

De opzet van de bundel, met maar liefst 91 korte teksten, resulteert in een rijke, haast overvloedige schakering van indrukken. Met heel veel plezier gelezen – en alweer aan het herlezen.

Wim Huijser / Aan de wandel / Met tekeningen van Maaike Alma / 199 blz / Noordboek, 2022