dinsdag 9 oktober 2018

Het jaar 1650

Cornelis Musch was van 1628 tot 1650 griffier van de Staten-Generaal der Nederlanden. In die functie was hij de spin in het web van het bestuur van de Republiek, een van de machtigste mannen van zijn tijd. Cornelis Musch was ook een boef. De mate waarin hij corrupt was is legendarisch, zelfs nu nog meldt Wikipedia dat feit in de eerste zin van zijn biografie. Jean-Marc van Tol koos deze machtige boef als centrale figuur voor het eerste deel van zijn trilogie over Johan de Witt, Musch. Daarin laat hij zien hoe in het jaar 1650 de machtsverhoudingen in de Republiek zich wijzigen, hoe de Oranjes tijdelijk op een zijspoor worden gezet en de jonge Johan de Witt zijn eerste stappen zet richting het raadpensionarisschap van het gewest Holland. Van Tol laat ons deze ontwikkelingen van heel nabij meemaken, door de ogen van de direct betrokkenen. Een adembenemende ervaring.

De openingspassage van Musch is onheilspellend: ‘Als u dit leest, ben ik dood. Mijn einde is onvermijdelijk. Wanneer ik de laatste zin van dit gedenkschrift geschreven heb, leg ik mijn pen neer – voor eeuwig – en begeef me naar zolder. Daar pak ik een stoel, ga erop staan, doe de strop om mijn nek en zal ik mezelf verhangen. Mijn vijanden zullen eindelijk krijgen waar ze al die jaren om smeekten: de doodsstuipen van een mus.’

Voor het zover is pent Musch in zijn koude en lege huis – zijn vrouw en bedienden hebben hem verlaten – aan de Haagse Kneuterdijk zijn herinneringen neer. Hij ontziet daarin zichzelf noch anderen, hoopt zoveel mogelijk van zijn vijanden mee te sleuren in zijn val. Corruptie, machtsmisbruik, politieke afpersing en meer van zulke zaken vormen het fundament waarop hij zijn politieke loopbaan heeft gebouwd. Dat hij heeft besloten er een eind aan te maken komt omdat het net zich langzaam om hem sluit. Het is december 1650, een paar maanden eerder is stadhouder Willem II, de prins van Oranje overleden. Dat gebeurde kort nadat deze een mislukte veldtocht tegen de stad Amsterdam ondernam. Na de dood van Willem kantelt het machtsevenwicht. Willems opvolger, zijn zoon Willem III, is net geboren. De gewesten, met Amsterdam voorop, voelen niet langer de behoefte aan een stadhouder. De oorlog met Spanje is immers twee jaar daarvoor geëindigd. Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk wordt daarmee realiteit. Dat betekende ook schoon schip maken, afrekenen met veel waar Oranje voor had gestaan. Musch, die zich vanaf het begin van zijn loopbaan nauw verbonden had gevoeld met de Oranjes, hoort daar ook bij. Dit, en zijn ambtelijke misdrijven, doen hem de das om.

Van Tol, die ook bekend is als de tekenaar van Fokke & Sukke, is opgeleid als historicus. Naast zijn tekenwerk is hij een dag per week als vrijwilliger gastonderzoeker bij het project ‘De briefwisseling van Johan de Witt’ van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. Dit project beoogt de uitgebreide correspondentie van Johan de Witt wetenschappelijk te ontsluiten. Veel van dat materiaal is nog nooit onderzocht, hij zit dus eerste rij zou je kunnen zeggen.

Naast Musch is de Johan de Witt de tweede hoofdpersoon van deze roman. We volgen hem in zijn kennismaking met het bestuur van de Republiek. De jonge Johan de Witt verblijft in 1650 in Den Haag als jurist. Hij bevindt zich op een belangrijk keuzemoment in zijn loopbaan. Zijn hart gaat uit naar de wetenschap, in het bijzonder de wiskunde, terwijl de (familie)omstandigheden hem richting een bestuurlijke loopbaan doen gaan.  Van Tol illustreert die gevoelsmatige spagaat mooi door De Witts contact met die andere wetenschapper in Den Haag, Christiaan Huygens. Tegenspeler van de toekomstige regent De Witt is Constantijn Huygens, vader van Christiaan, in dienst van de Oranjes en vóór alles een hoveling. Hij zal een beslissende rol spelen in de val van Musch. Maar ook graaf Frederik van Dohna en graaf Willem Frederik van Nassau, stadhouder van Friesland, gezamenlijk belast met de veldtocht tegen Amsterdam, komen aan het woord, de laatste middels Gloria Parendi, zijn geheime dagboek. Tijdens de opmars tegen Amsterdam worden de bestuurders van zes Hollandse steden, waaronder die van Dordrecht, Hoorn en Medemblik, op last van Musch namens Willem II voor de zekerheid vastgezet op Slot Loevestein. Zij zullen vrijkomen wanneer ze trouw zweren aan de prins. Door hun ogen beleef je wat zij ervaren. De keuze om op deze wijze gebruik te maken van hoofdrolspelers en getuigen verleent het verhaal een hoge mate van authenticiteit.

Musch bevat prachtige beelden als je een beetje bevattelijk bent voor de magie van onze zeventiende eeuw: De onbeholpen uitvoering van de campagne tegen Amsterdam, en de manier waarop de troepen midden in de nacht op een landweg een afslag missen en door de weilanden dwalen; Musch die raadspensionaris Jacob Cats zijn dochter weet te ontfutselen en haar dan een ongelukkig huwelijk insleurt; of de manier waarop Musch op het Binnenhof steeds maar weer Constantijn Huygens tegen het lijf loopt die hem zo beminnelijk tegemoet treedt dat hij de man meer en meer gaat wantrouwen. Terecht, zoals zal blijken.

Musch speelt zich voor een belangrijk deel af in het centrum van Den Haag, het gebied rond de Hofvijver, het Binnenhof en Stadhouderlijk Kwartier. Een groot deel van dat decor is bewaard gebleven, en het is zelfs nog steeds het bestuurlijk centrum van ons land. Het is op meerdere niveaus dus gemakkelijk identificeren met de gebeurtenissen in het boek. Al gaat het er vandaag de dag wat transparanter aan toe. Hoop je dan maar.

Jean-Marc van Tol
Musch. Johan de Witt trilogie I
512 blz
Uitgeverij Catullus 

dinsdag 2 oktober 2018

Winterslaap als medicijn

Met het leven van de hoofdpersoon uit My year of rest and relaxation, de nieuwe roman van Ottessa Moshfegh, lijkt op het eerste oog weinig mis te zijn. Ze is een jonge vrouw, aantrekkelijk en financieel onafhankelijk dankzij de erfenis van haar ouders. Ze woont in New York, studeerde kunstgeschiedenis aan Columbia University, werkt in een galerie voor hedendaagse kunst en heeft een vriend die wel niet de prins van haar dromen is maar die er voor the time being mee door kan. Ze heeft één goede vriendin en verder niet al te veel contact met haar familie. Nogal doorsnee, dus. Ze heeft echter een onbestemd gevoel over dit leven. Ze kan niet direct benoemen wat ze dan anders zou willen, maar weet wel dat ze zich af en toe zou willen onttrekken aan het gedoe. Van een psychiater die ze wijsmaakt dat ze slaapproblemen heeft krijgt ze sterke slaapmiddelen. Dat is het begin van een traject waarin ze na enige tijd besluit in winterslaap te gaan. Het is dan juni 2000.

Het duurt even voordat de hoofdpersoon – wiens naam we niet te weten komen – het ritme van haar winterslaap te pakken heeft. Met de juiste combinatie van ‘downers’ en geholpen door het bioritme van lichaam en geest dat zich al snel aanpast bereikt ze een situatie waarin ze meestal een dag of drie onder zeil is, waarna ze in enkele wakkere uren boodschappen haalt in de buurtwinkel, in bad gaat en wat eet. Soms komt haar vriendin langs. Als ze niet in slaap kan komen kijkt ze naar films met Whoopi Goldberg, haar heldin. Langzamerhand ontstaat er ook een spookachtig tweede leven, treft ze bij het wakker worden spullen aan die ze zonder dat ze het weet blijkbaar in haar slaap is gaan kopen of telefonisch heeft bestelt.

Het plezier dat ik ontleen aan lezen kan door veel dingen worden opgewekt: het verhaal, de boodschap, de stijl en ga maar door. Dit boek is het eerste, voor zover ik me kan herinneren, dat ik gefascineerd heb uitgelezen zonder de vinger te kunnen leggen op wat de auteur ermee wil zeggen. Is het een algemeen statement over de relatieve ondraaglijkheid van het bestaan? Een pleidooi voor retraîtes? Of zoek ik er dan teveel achter, zit het meer in een complex van kleinere dingen? Ik las het boek een paar maanden geleden, maar het nodigt blijvend uit tot doordenken, puzzelen. Intrigerend bijvoorbeeld is de draai halverwege het verhaal, wanneer de hoofdpersoon ingaat op een voorstel van een kunstenaar om haar project tot kunstwerk te verheffen. Even intrigerend is het tijdsverloop, van juni 2000 tot 11 september 2001. Moshfeg laat ergens in een bijzin vallen in welke maand ze haar project start, dus je bent gespitst op de betekenis van de door haar gekozen periode. Wat de hoofdpersoon op die laatste dag meemaakt zet het voorgaande wel in een zeker perspectief. Maar dat moet u zelf maar ontdekken.

Ottessa Moshfeg
My year of rest and relaxation 
290 blz
Jonathan Cape

[ Nederlandstalige editie: Mijn jaar van rust en kalmte ]


woensdag 26 september 2018

Amerika, maar dan anders

Ons beeld van de Verenigde Staten heeft de afgelopen decennia een wezenlijke verandering ondergaan. Tot in de jaren zestig was het heel normaal om over de VS te spreken als ‘het land van de onbegrensde mogelijkheden’, en ook de zegswijze ‘van krantenjongen tot miljonair’ kwam je regelmatig tegen in de media. Ik herinner me dat uit mijn jeugd. Vreemd was die bewondering en halve verering van de Amerikaanse maatschappij niet, zeker niet als je bedenkt dat er in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog in Nederland vooral bewondering was voor wat ‘onze bevrijders’ hadden bereikt. Vandaag de dag hoor je deze karakterisering van de VS nooit meer. De recente Amerikaanse geschiedenis, van Vietnam tot Donald Trump, heeft ervoor gezorgd dat we nu welingelicht en veel kritischer naar het land kijken, ook meer oog hebben voor de uitwassen.

In de VS zelf wordt het probleem van die uitwassen erkend, met als belangrijkste problemen de heel losse wapenwetgeving, het fenomeen fake news en de betrouwbaarheid van de journalistiek in het algemeen. Ook de rol van president Trump, die zich niet bepaald als een rolmodel opstelt, is een belangrijke factor in dit proces. Sommige Amerikaanse media hebben het anno 2018 zelfs over een maatschappij waarin zulke grote sociale en politieke tegenstellingen ontstaan dat het gevaar dreigt dat ze uiteenvalt.

Dat dit alles bij mij opkomt door het lezen van Days of Awe van de Amerikaanse schrijfster A.M. Homes is niet zo vreemd. Ze staat bekend als een auteur die de vinger weet te leggen op de gevoelige plekken van de Amerikaanse samenleving, op die plekken waar het schuurt. Voor haar zijn dat vooral de heersende oppervlakkigheid, het onvermogen van het individu om weerstand te bieden aan maatschappelijke conventies en de consequenties van het wél een eigen koers volgen. Humor en ironie zijn  bij Homes altijd aanwezig, dat maakt haar heel leesbaar.

De verhalen ‘Hello Everybody’ en She Got Away’ zijn daar mooie voorbeelden van. Homes schetst daarin de dagelijkse lotgevallen van een gezin in Californië, te oordelen naar de omstandigheden ergens in de nabije of iets verdere toekomst. Het is er kokend heet, buiten zitten kan alleen aan de rand van het zwembad waarin je af en toe verkoeling zoekt. Binnen is het, met de airco op vol vermogen, aangenaam. Contact hebben is niet meer dan opmerkingen maken die de ander rakelings passeren, zoiets.  Iedereen ziet er cool uit, het spuitje met Botox staat dan ook naast de elektrische tandenborstel. Om er mooi uit te blijven zien bestaat een maaltijd uit maximaal enkele tientallen calorieën. Restaurants zijn daarop ingesteld. Dat een lichaam dat op den duur niet trekt, en uitvalverschijnselen gaat vertonen, wordt niet begrepen.

Ook in de overige tien verhalen is het soms genieten. Het verhaal van de man die in een opwelling ontsnapt uit zijn grauwe bestaan, in een vliegtuig stapt en in Disneyland een korte romance beleeft met een ‘cast member’, ontroert. ‘The National Cage Bird Show’, over een chatroom voor liefhebbers van parkietjes, is hilarisch en treurig tegelijk.

Als je zoals Homes op het scherp van de snede probeert aspecten van de Amerikaanse samenleving te ontleden, gaat het natuurlijk ook wel eens mis. Dan is de boodschap te nadrukkelijk aanwezig, of werkt de gekozen vorm niet. Voor mij doet dat niet af aan haar ambitie om de samenleving weer te geven zoals zij die ervaart. Beter sterven in schoonheid dan slagen met een zesje, denk ik dan maar.

A.M. Homes
Days of Awe
288 blz
Granta

[ Nederlandstalige editie: Dagen van inkeer ]


vrijdag 21 september 2018

Roman van zoon en vader

Er zijn van die romans die staan als een huis. Karakter van Ferdinand Bordewijk is er zo een. Neem alleen de eerste zin al: ‘In het zwartst van de tijd, omtrent Kerstmis, werd op de Rotterdamse kraamzaal het kind Jacob Willem Katadreuffe met de sectio caesarea ter wereld geholpen’. Een somberder en stroever opening lijkt haast niet mogelijk. Je weet na die beginzin al dat je geen vrolijke roman gaat lezen, dat speelsheid ver te zoeken zal zijn. En toch is dit zo’n roman die je lang bijblijft. Een boek dat je misschien weleens zal herlezen. Dit geldt in ieder geval voor mijzelf. Ik ontdekte het toen ik zeventien was, en twintig jaar later las ik het nog eens. Waarna ik dat deze zomer opnieuw deed, nu als luisterboek. Adriaan van Dis, de voorlezer, komt in een nawoord tot maar liefst zeven lezingen. Vanaf de allereerste keer raakte het boek hem persoonlijk, bood het hem inzichten en bleek het in zeker opzicht een leidraad voor zijn eigen leven.

Dat Karakter dit bij lezers kan bewerkstellingen komt ongetwijfeld door de thematiek. Die zou je beknopt kunnen omschrijven als de relatie tussen een opgroeiende zoon en zijn vader, met daartussenin een iets meer op de achtergrond blijvende moederfiguur. Dit is een universeel thema, dat bij lezers herkenning kan oproepen.

Het verhaal is bekend. De deurwaarder Dreverhaven verwekt bij zijn dienstmeid Jacoba Katadreuffe een kind. Zij besluit om dat kind te krijgen, en noemt de jongen Jacob. Voedt hem op eigen kracht op. Zij vertelt hem niet wie zijn vader is. Wanneer Jacob zo’n twintig jaar later, nadat een poging een sigarenwinkel te runnen is geëindigd in een faillissement, een baan bemachtigt op een vooraanstaand advocatenkantoor en besluit om rechten te gaan studeren, komt zijn vader weer in beeld. Niet om hem te helpen, maar om hem tegen te werken. Het wordt een strijd, die de zoon langzaamaan leert te voeren. En die hij uiteindelijk ook zal winnen.

Wat maakt het boek nu zo bijzonder, waardoor heeft het sinds de publicatie in 1938 steeds weer nieuwe lezers weten te boeien? Waarom is deze titanenstrijd tussen vader en zoon inmiddels verfilmd als televisieserie (1971) én als speelfilm (1997) en werd het in 2010 ook nog als toneelstuk op de planken gebracht? Het verhaal, met de talrijke emotionele momenten tussen vader en zoon, zal daar de belangrijkste reden voor zijn. Maar ook de locatie, het Rotterdam in de periode tussen de beide wereldoorlogen, en het korte, afgemeten taalgebruik dat Bordewijk hier hanteert dragen bij aan de beleving van de lezer. Het verhaal krijgt daardoor een enigzins sobere, ‘strenge’ setting. Voeg daarbij de neiging van Bordewijk om de karakters van de belangrijkste personages uit te vergroten tot soms theatrale proporties – de boosaardige doortraptheid van deurwaarder Dreverhaven, het monsterachtige voorkomen en optreden van zijn assistent, de waardigheid van advocaat Stroomkoning, Jacobs patroon - en je hebt de aantrekkingskracht van het verhaal wel benoemd.

Adriaan van Dis is een ideale voorlezer, ik heb dat eerder geschreven (zie dit weblog, 11 oktober 2017). Hij heeft een geweldige intonatie, beschikt over het vermogen de tekst daarmee de juiste inhoudelijke lading mee te geven. Ik heb het gevoel - maar misschien leg ik dat erin - dat hij er plezier in heeft een roman die hem bijzonder dierbaar is op een nieuwe wijze tot leven te brengen. Dat vonden blijkbaar meer luisterlezers, want Van Dis ontving voor zijn vertolking de Luisterboek Award 2016.

Ferdinand Bordewijk
Karakter. Roman van zoon en vader
Luisterboek, voorgelezen en toegelicht door Adriaan van Dis
8 uur en 44 minuten
Atlas Contact (via Storytel)

zondag 16 september 2018

Onder de Russen

Deze zomer organiseerde de uitgever van Pieter Waterdrinker een publiciteitsoffensief. Zo mag je het wel noemen wanneer je een ruime selectie uit ouder werk in een nieuwe editie aanbiedt en tevens een recente roman als Poubelle opnieuw in het zonnetje zet, maar nu als mooi uitgevoerde hardcover. De aanleiding was het optreden van Waterdrinker in Zomergasten. Dergelijke media-aandacht voor een schrijver heeft bewezen te leiden tot verkoop van diens boeken. Met het Boek van de Maand in DWDD werkt het niet anders.  Waterdrinker kon die publiciteit en zo’n actie wel gebruiken. Hij publiceerde de afgelopen twintig jaar tien romans en verhalenbundels, maar bereikte jammer genoeg nooit het grote publiek. Zijn roman Tsjaikovskistraat 40 (zie dit weblog 5 mei 2018) bracht daar vorig jaar al enigszins verandering in, Zomergasten doet de rest. Mogen we hopen.

Een dame in Kislovodsk bevat een selectie uit de eerder verschenen verhalenbundels Kaviaar en ander leed (2000), Montagne Russe (2007) en De correspondent (2014). Zes van de verhalen verschenen niet eerder in boekvorm. Ik las geen van deze bundels, dus voor mij waren alle verhalen nieuw.

Waterdrinker woont ruim twintig jaar in Rusland. Dat land is dan ook het onderwerp in bijna al deze verhalen. De breedte aan onderwerpen is groot. Hij schrijft even gemakkelijk over zijn bezoek aan het Dostojevskimuseum in Petersburg, waar hij een praatje maakt met de achter-achterkleinzoon van de grote schrijver als over een winterse jachtpartij met enkele van de ‘nieuwe rijken’ of over het werk van oorlogscorrespondenten in het uiterste zuiden van Rusland. De verhalen zijn soms ontstaan uit reportages die Waterdrinker schreef voor Nederlandse bladen. Voor een correspondent heeft hij de juiste instelling: nieuwsgierigheid naar een gebeurtenis is vaak de reden om direct in de auto of een vliegtuig te stappen en ergens in dat uitgestrekte land op onderzoek uit te gaan. De meerwaarde van deze stukken zit hem in de persoonlijke noot, de visie van Waterdrinker op het Rusland van nu en zijn grote kennis van het inmiddels voorbije Rusland. 

Maar nog mooier dan die stukken zijn voor mij de verhalen waarin Waterdrinker toont met de Russische cultuur en literatuur te zijn vergroeid. Dit geldt voor het van weemoed doortrokken titelverhaal, maar het verhaal De goudmaker van Soezdal is daar zonder twijfel het mooiste voorbeeld van. Het speelt zich af in Soezdal, een van die historische steden die deel uitmaken van de zogenoemde Gouden Ring rond Moskou. Voor wie er nooit is geweest: Souzdal heeft iets van een filmdécor, met zijn tientallen kerken, kloosters en andere monumenten. Het stadje staat op de werelderfgoedlijst van de Unesco. Waterdrinker belandt er door omstandigheden: ‘Vorig jaar winter was ik onderweg van Moskou naar Kostroma toen een sneeuwstorm mij dwong te overnachten in Soezdal. De laatste keer dat ik in het wereldberoemde Oud-Russische stadje was, zag ik moddervette ganzen waggelen door de straten; hooi werd door mannen met gebruinde torso’s op paard en wagen tongklakkend binnengehaald; meisjes in dunne jurken deden zingend bij de rivier de was. Nu deed niets aan deze zomerse idylle denken. De sneeuwjacht hing als loeiende vitrage tussen de huizen. Ik was moe, wilde eten, slapen – maar waar?
Na wat zoeken komt Waterdrinker terecht in een klooster, waar de poortwachter hem een cel ter beschikking stelt. Later op de avond neemt de poortwachter Waterdrinker mee naar Joeri Vodopjanov, die hem wordt voorgesteld als een alchemist die daadwerkelijk goud kan maken. Deze man, die eruit ziet als een kabouter en een indrukwekkende werkplaats heeft, geeft Waterdrinker een demonstratie van dat proces. Na afloop mag onze correspondent zelf proeven van het goedje, dat ruikt naar 'gefilterd maagdelijk godinnenzweet'. Een goddelijke ervaring.

Zo’n sfeervol en verrassend verhaal schrijven is het handelsmerk van de grote Russen. Waterdrinker kan het ook.

Pieter Waterdrinker
Een dame in Kislovodsk. En andere Russische vertellingen
416 blz
Nijgh & Van Ditmar

maandag 10 september 2018

'Bommenneef'

Meeslepend is een heerlijk woord. Gebruik het in een blogje over een boek  en iedereen wordt enthousiast. Het duidt op intens leesplezier. Ik probeer mezelf altijd te beheersen, het uitsluitend te gebruiken als ik er een paar weken na lezing van een boek nog steeds achter sta. Dat is op dit moment zeker het geval, en in behoorlijk sterke mate zelfs. Het gekke is dat het boek waarop dit betrekking heeft bij aanvang niet direct zo aanvoelt, misschien wel omdat het is opgebouwd rond een heel simpel gegeven: een jonge vrouw, in verwachting, besluit uit te zoeken of de verre oom naar wie ze haar kind wil vernoemen inderdaad een oorlogsheld is, zoals hij binnen de familie bekend staat. Dat leidt tot verrassende inzichten.

'Bommenneef', zo wordt oom Frans door zijn familie genoemd. Die naam dankt hij aan zijn heldendaad, een bomaanslag, op de Prinsengracht in Den Haag, op een vermeende collaborateur. Dat die aanslag pas na de oorlog plaatshad, op Sinterklaasavond 1946, is voor de familie geen probleem. Gerechtigheid kent geen tijd, de man was een schurk en verdiende dus zijn straf. Zo ongeveer is de gedachtegang in de familie.

Op haar achttiende krijgt Marjolijn van Heemstra, de vrouw in kwestie, van haar oma een ring cadeau. Die ring is afkomstig van oom Frans, hij heeft hem vlak voor zijn dood aan Marjolijns oma gegeven. Met de opdracht de ring door te geven aan een toekomstige naamgenoot in de familie. Marjolijn wordt door het geschenk dus eigenlijk met de vervulling van die wens opgezadeld. Als ze dan in verwachting raakt, en weet dat het een jongen wordt, besluit ze de belofte in te lossen. Maar ze neemt zich daarbij wel voor uit te zoeken hoe de heldendaad precies in elkaar stak.

Ze begint bij haar familieleden, van wie velen wel het een en ander weten van de roemruchte oom. Vaak is die informatie weinig ter zake doende, of nog vaker heeft de bron het ook maar ‘van horen zeggen’. Na enkele weken bestaat haar dossier uit twee mappen: ‘feiten’ en ‘overig’. Het raadplegen van archieven blijkt vruchtbaarder, maar de informatie die ze daar vindt zet het verhaal dat ze kent soms behoorlijk op zijn kop.

De zoektocht naar wat zich werkelijk heeft afgespeeld levert veel nieuwe informatie op, maar leidt ook tot vragen. Hoe sterk was het bewijs waarop werd besloten tot de aanslag? Mag je eigen rechter spelen? Is een aanslag te verantwoorden wanneer daar ook anderen dan alleen het vooraf gekozen doelwit gewond raken of zelfs omkomen? Gaandeweg groeien deze vragen uit tot de kern van de roman. Maken er een indrukwekkend verhaal van.

Marjolijn van Heemstra heeft haar roman - een documentaire roman zou je het kunnen noemen - een subtiele compositie meegegeven. De hoofdstuktitels tellen af, van 27 weken ervoor tot de dag van de bevalling. Die spiegeling van haar zwangerschap en haar onderzoek levert een dwingende voortgang op, waarbij beide trajecten met een resultaat zouden moeten eindigen. Dat doen ze, en ook die uitkomsten zijn mooi met elkaar verweven. En we noemen hem is een kleine roman waarover goed is nagedacht en die in alle opzichten overtuigt. Een avond puur leesplezier.

Marjolijn van Heemstra
En we noemen hem
218 blz
Das Mag Uitgevers

donderdag 6 september 2018

Inburgeren in de Bijlmer

Murat Isik kwam begin jaren tachtig met zijn familie vanuit Turkije naar Nederland. Het gezin Isik kreeg een woning toegewezen in de Amsterdamse Bijlmer. Murat en zijn zusje gingen er naar school, kregen vriendjes en vriendinnen, speelden op straat en raakten ingeburgerd. Voor hun moeder duurde de aanpassing aan de Nederlandse maatschappij wat langer, dat lukte pas toen zij zich wist te onttrekken aan de overheersing door haar man. Deze laatste zou de overstap naar Nederland nooit echt maken. De lotgevallen van hemzelf en zijn familie zijn door Isik nu verwerkt in Wees onzichtbaar, een roman die hijzelf beschouwt als het verhaal dat  hij móest schrijven.

Isiks alter ego heet Metin. Een bescheiden jongen, wat verlegen en teruggetrokken. Hij heeft ontzag voor zijn vader en probeert diens regelmatig opstekende toorn te ontlopen door zich zo onzichtbaar mogelijk op te stellen. Op de middelbare school wordt hij als Turk door een groep medeleerlingen met de nek aangekeken. Hij wordt aangesproken als ‘de schoonmaker’. Er is een loyale medeleerling voor nodig, én een sterker gevoel van eigenwaarde dat zich in zijn tienerjaren geleidelijk ontwikkelt, om zich daartegen teweer te durven stellen.

De vader van Metin heeft, op een kort intermezzo na, geen baan. Hij is ook niet actief op zoek naar een betrekking. Als communist en zeer traditioneel-conservatief ingestelde Turk vindt hij de meeste baantjes beneden zijn waardigheid. Iemand boven zich dulden en diens mening accepteren gaat hem eveneens moeilijk af. Hij ligt een groot deel van de dag  op de bank, leest Marx en de overige klassieke linkse en sociaal bewogen schrijvers en bezoekt zijn Turkse vrienden in het Turkse café. Zijn uitkering beschouwt hij als een verworven recht. Hij behandelt zijn echtgenote als vuil – naar onze maatstaven dan, niet naar de zijne. Het is dát laatste waartegen zijn vrouw en kinderen op een gegeven moment in opstand komen, wat het begin is van hun emancipatie. Ze onttrekken zich aan  zijn gezag. Zijn nederlaag is compleet wanneer zijn echtgenote een mooie loopbaan weet op te bouwen en feitelijk de kostwinner wordt.

Deze wat recht-toe, recht-aan samenvatting doet geen recht aan de kracht van het boek. Isik heeft een bevlogen, bewogen en op momenten hartstochtelijk enthousiaste geschiedenis van zijn familie geschreven. In zo’n honderd niet al te lange hoofstukken krijg je een rijk geschakeerd verhaal voorgeschoteld met personages die overtuigend worden neergezet. Sommige scènes zijn aandoenlijk, zoals die waarin de familie iets probeert bij te verdienen door op Koninginnedag in het centrum van Amsterdam Turkse lekkernijen aan de man te brengen. Of die met meneer Rolf, een gepensioneerde en wat vereenzaamde man die een van de eerste bewoners was van de Bijlmer. Hij is de sociale gedachte achter het concept van de wijk altijd trouw gebleven en moet met pijn in het hart meemaken dat de Bijlmer langzaamaan verloedert en uiteindelijk grotendeels wordt gesloopt.

Isik schetst een omvangrijk panorama, waarin zijn familie én de Bijlmer centraal staan. Ik luisterde het boek, voorgelezen door de voormalige Amsterdamse burgemeester Job Cohen. Dat voegt aan je beleving wel een stukje authenticiteit toe.

Murat Isik
Wees onzichtbaar
Luisterboek, voorgelezen door Job Cohen
18 uur en 8 minuten
Ambo Anthos