zaterdag 16 maart 2019

Een ongelijke strijd

De laatste negen maanden van zijn leven bracht Johan van Oldenbarnevelt door in het halfduister, zowel in fysieke zin als mentaal. Dat lijkt, in één zin samengevat, het concept te zijn van Nicolaas Matsiers roman De advocaat van Holland. Vanaf zijn arrestatie, eind augustus 1618, tot aan zijn terechtstelling in mei van het erop volgende jaar, wordt de raadpensionaris van de Staten van Holland gevangen gehouden in een donker appartement boven de Rolzaal in het Haagse Binnenhofcomplex. De ramen ervan zijn dichtgetimmerd, om hem te beletten enige vorm van contact met buiten te hebben. Zelfs zijn familie mag hij na zijn arrestatie niet meer zien. Ook de reden van zijn gevangenneming is hem lange tijd niet bekend. De eerste verhoren door een voor de gelegenheid samengestelde rechtbank brengen daarin voor hem geen duidelijkheid. Pas na enige tijd ontdekt hij een patroon in de ondervraging, een denkrichting. Maar lange tijd komt het niet bij hem op dat er wordt aangestuurd op de ultieme straf.

Door dat limbo verkeert Van Oldenbarnevelt als het ware in een niemandsland. Hij staat buiten de dagelijkse gang van zaken in de maatschappij. Voor een man die bijna veertig jaar – vanaf zijn samenwerking met Willem van Oranje – in het centrum van de macht had verkeerd, is dat een onwerkelijke situatie. De enige afleiding in die eenzame opsluiting is het regelmatige verhoor door de  rechtbank.

Op zichzelf teruggeworpen, ontstaat er ruimte voor herinneringen, voor bespiegelingen. Voor mij vormen die passages de kracht van de roman. Matsier schetst daarin een beeld van het leven van Oldenbarnevelt als ambitieus jurist en bestuurder. Zo’n glansrijke loopbaan, bekroond met de machtigste functie binnen het bestuurlijk bestel van de Republiek, levert je onherroepelijk vijanden op. Mensen die vinden dat je al veel te lang te veel macht hebt, die verkeerd gebruikt en die je daarom liever zien gaan. Als ook een van de zoons van je vroegere kompaan Willem van Oranje die mening is toegedaan, in dit geval Maurits, die als Prins van Oranje en stadhouder nog nét iets invloedrijker is dan de Raadpensionaris, is je einde nabij. Dat komt dan ook, voor Van Oldenbarnevelt eigenlijk bij verrassing, wanneer de rechtbank haar bikkelharde oordeel uitspreekt.

Matsier hanteert een opmerkelijke stijl. Je verkeert als lezer in het hoofd van Van Oldenbarnevelt, maar er is enige afstand. Dat wordt veroorzaakt door het gebruik van korte zinnen en beknopte alinea’s, welke laatste steevast van elkaar zijn gescheiden door een witregel. Een spervuur van korte impressies, vaak niet langer dan een tweet, daar heeft het nog het meeste van weg. Ben je daar eenmaal aan gewend, dan leest het best prettig: “Hij schrijft zijn leven ten einde, de Advocaat. Hij schrijft en hij zal blijven schrijven tot hij niet meer kan. Ook zonder het benodigde papier, de inkt, de pen die hem hier geheel en al ontbreken, schrijft hij. Hij is onafgebroken aan het woord. Of hij nu slaapt of waakt, hij is aan het woord en hij blijft dat. Hij is niet meer te onderbreken.”

Deze heel directe stijl laat weinig ruimte voor toelichtingen door de alwetende schrijver. Matsier veronderstelt enige voorkennis bij de lezer. Een passage als deze laat dat zien: “De toekomst waaraan de Advocaat al zijn krachten had gegeven, leek plotseling en met terugwerkende kracht nooit meer te zijn geweest dan een schets. Een bleke schets. De realiteit bestond uit een verzwakte vredespartij en een versterkte oorlogspartij. Hij, de architect van de republiek, en de veldheer, Maurits, die de tuin der Nederlanden gesloten heeft – ze zijn tot slot lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. En wisselen niet meer van gedachten.” Enig inzicht in de situatie in de Nederlanden tijdens het Twaalfjarig Bestand maakt zo’n tekst wel begrijpelijker.

In dit herdenkingsjaar – Van Oldenbarnevelt werd 400 jaar geleden onthoofd – verschijnt een flinke stroom publicaties over hem. Het vereist vakmanschap en durf om dat verhaal in de vorm van een roman te gieten. Als die roman dan ook nog uiterst leesbaar is, heb je een waardevolle én opvallende toevoeging gedaan aan de uitgebreide bibliotheek die intussen over Van Oldenbarnevelt bestaat.

Nicolaas Matsier
De Advocaat van Holland
360 blz
De Bezige Bij 

maandag 11 maart 2019

De ondergang van gewone mensen

Tijdens de val van Berlijn, eind april 1945, pleegden de belangrijkste Nazikopstukken zelfmoord. Adolf Hitler samen met zijn Eva Braun. Joseph Goebbels met zijn hele gezin. Heinrich Himmler enkele weken later, toen hij werd gearresteerd bij een controlepost en hij een glazen ampul met cyaankali doorbeet. Iedereen heeft de verhalen daarover weleens gehoord of gelezen. Veel minder bekend is dat er door heel Duitsland in de weken rondom de definitieve nederlaag duizenden mensen zelfmoord pleegden. In verreweg de meeste gevallen waren dit gewone burgers. Opvallend vaak waren het hele gezinnen of zelfs families. Voor het eerst is daar nu een studie over verschenen. In Kind, beloof me dat je de kogel kiest. Duitsland 1945 en de ondergang van gewone mensen beschrijft Florian Huber die golf van massale zelfdodingen én probeert hij er een verklaring voor te vinden. Het resultaat is een heldere en meeslepende analyse van een op het eerste oog bizar en moeilijk te doorgronden fenomeen.

De gebeurtenissen in het provinciestadje Demmin, gelegen in Mecklenburg-Voor-Pommeren, vormen een soort epicentrum van de golf zelfdodingen. Nergens vond dit massaler plaats dan daar. In de laatste dagen van april was het duidelijk dat de Russische troepen in aantocht waren. Voor de inwoners van Demmin was dit een schrikbeeld, want de Russen werden door de Duitse propaganda afgeschilderd als beesten. Ofschoon dit officiële beeld wel erg zwaar was aangezet, misdroegen de Russen zich in de praktijk wel degelijk, en op forse schaal. Wat ook weer niet helemaal onbegrijpelijk was, ze hadden immers zelf ervaren hoe de Duitsers moordend door hun land waren getrokken. Bovendien waren de meeste Russische soldaten in april 1945 al ruim drie jaar onafgebroken actief op het slagveld, wat hun gevoel voor normen en waarden aangetast zal hebben.

Huber beschrijft in detail hoe mannen en vrouwen in Demmin zich verhingen, doodschoten, de rivier inliepen, vergif innamen of de polsen doorsneden. Hoe ze dat in hun eentje deden, of met het hele gezin. En dat niet uitsluitend uit angst voor gruweldaden van de Russen, maar ook omdat de droom waarin ze geloofden, het Duizendjarige Rijk dat Hitler hen voorspiegelde, ten onder zou gaan. In de wereld die daarvoor in de plaats zou komen wilden ze niet leven. Huber heeft uitvoerig onderzoek verricht en geeft de ongelukkigen namen en gezichten. Dat maakt het verhaal ijzingwekkend persoonlijk.

Datzelfde procédé hanteert hij in een lang en uiterst boeiend hoofdstuk met de titel ‘In een roes van gevoelens’. Daarin schetst hij de jaren onder Hitler die door een groot deel van de burgerij als gelukkige jaren werden ervaren, de periode die duurde van 1933 tot 1939. Veel Duitsers waren na de vernedering van de Eerste Wereldoorlog, het door de geallieerden opgelegde vredesdictaat en de enorme herstelbetalingen hun gevoel van eigenwaarde kwijt. En boos dat hun regeringen gedurende de jaren twintig een politiek voerden die tot maatschappelijk verzet en chaos leidde. Adolf Hitler, met zijn overtuigende demagogische gaven, gaf hen het gevoel dat er een weg naar boven was. Dat iemand voor hen opkwam. Die zorgde voor banen en dus welvaart. Iemand die ook ongemakkelijke dingen zei over de Joden, maar dat viel voor de meeste Duitsers weg tegen zijn pluspunten. Er ontstond in de beleving van een groot deel van de bevolking rust, er kwam een toekomstvisie, arbeiders kregen sociale arbeidsvoorwaarden en zo voorts. Men voelde zich veilig en beschermd, en dat alles alleen door de wilskracht van de Führer. Hij werd onaantastbaar. Mensen dweepten met hem, verafgoodden hem.

En toen kwam de oorlog, die zich vanaf 1939 razendsnel uitbreidde tot een strijd op meerdere fronten. Er vloeide Duits bloed. Mannen, vaders en zonen stierven op het slagveld. Na Stalingrad doemde langzaam maar zeker het schrikbeeld van een nederlaag op. En het geweld kwam snel dichterbij. De geallieerden wierpen bomtapijten op Duitse steden. Voor veel Duitsers was het lastig om dat te rijmen met hun eerdere gevoelens voor Hitler en zijn koers. Dat is wat Huber de ‘roes van gevoelens’ noemt. Daardoor nauwelijks in staat de impact van de gebeurtenissen te analyseren en het eigen standpunt te bepalen, koos de meerderheid emotioneel. Voor fanatisme, voor ontkenning, of voor de dood. Dat Hitler en Goebbels in de laatste jaren van de oorlog het begrip ‘Totaler Krieg’ introduceerden, en meermaals in het openbaar zinspeelden op de dood als ultieme stap, werkte die keuze in de hand. Huber citeert een vader die in de laatste fase van de strijd wordt opgeroepen en bij zijn vertrek een pistool aan zijn dochter geeft met de woorden: ‘Kind, beloof me dat je de kogel kiest.’

En na de oorlog? Dat was tot de jaren zestig voor veel Duitsers de periode van het zwijgen, en daarmee het ontkennen. Een citaat: ‘De orgie van geweld aan het einde van de oorlog maakte van de Duitsers in hun zelfwaarneming het laatste volk dat slachtoffer werd. […] Het gevoel slachtoffer te zijn, hielp de Duitsers om met de verbittering van iemand die  verleid is overal afstand van te nemen. Het onthief hen van de noodzaak om hun eigen geweten te onderzoeken.’ De ontkenning als massapsychose. Het waren dan ook de jaren waarin de Duitsers bekend raakten als doeners, niet als praters. Als makers van het Wirtschaftswunder.

Florian Huber
Kind, beloof me dat je de kogel kiest. Duitsland 1945 en de ondergang van gewone mensen
Vertaald uit het Duits door Marianne Palm
318 blz
Hollands Diep 

dinsdag 5 maart 2019

Graven naar je broer

Charlotte Mutsaers leerde haar jongere broer Barend pas echt kennen na diens overlijden. Op 29 december 2001 krijgt ze een telefoontje van de politie te Utrecht dat hij dood is aangetroffen in zijn bed en wegens ‘voortschrijdend bederf’ is ‘afgevoerd’. Zij en haar zus wonen beide niet in de buurt – respectievelijk Oostende en Groningen – en ontmoeten elkaar de volgende dag in het statige ouderlijk huis in het centrum, waarin Barend in zijn eentje altijd is blijven wonen. De omstandigheden waaronder hij is gevonden zijn opmerkelijk: in een gloednieuw pyjamajasje, zonder broek, en omringd door pornobladen. De zussen hadden al jaren uitsluitend telefonisch contact met hun broer, en worden nu voor het eerst geconfronteerd met de volledige ontsporing van diens leven. Ze besluiten om samen de nalatenschap te ordenen en het huis te ontruimen. Ze realiseren zich dan nog niet dat het een bij vlagen uiterst emotionele klus zal worden, waarbij ze niet alleen hun broer beter leren kennen maar ook met hun eigen gedrag geconfronteerd zullen worden.

De dames hebben twee maanden de tijd voor de ontruiming. Gekleed in overalls en met een stofmasker voor laten ze alle spullen door hun handen gaan. Dat kost tijd, vooral wanneer een voorwerp beladen is met indrukken en emoties, het herinneringen oproept aan hun jeugd in het ouderlijk huis: ‘Maar welk systeem we ook bedenken, welk zelfhulpboek we ook raadplegen, elke keer opnieuw staan we voor dezelfde verlammende overmacht: we weten ons geen blijf met al die spullen en nog minder met hun impact.’

Soms worden ze door een vondst verbijsterd, zoals de grote ouderwetse broodtrommel waarin zich vele honderden kattenbelletjes blijken te bevinden, of de kist vol met getypte vellen met daarop de opsomming van jarenlang in eenzaamheid genuttigde afhaalmaaltijden De omvangrijke collectie porno doen ze direct over aan een plaatselijke handelaar. Aangrijpend zijn enkele tientallen schriften waarin Barend per onderwerp korte notities maakte van gebeurtenissen en gedachten. Daarin komen de zussen hun broer tegen zoals ze hem niet kenden.

Charlotte Mutsaers heeft er jaren over gedaan alvorens het haar lukte het verhaal van haar broer op papier te krijgen, schrijft ze. De stijl die ze uiteindelijk heeft gekozen voor Harnas van hansaplast is een heel onopgesmukte.  Ze laat de feiten spreken, ook wanneer het om beladen of emotionele zaken gaat. Die toon geeft haar verslag kracht. Als lezer ervaar je die impact.

Charlotte Mutsaers
Harnas van hansaplast
306 blz
Das Mag Uitgevers

donderdag 28 februari 2019

Sentimental Journey

Boeken herlezen die ik al eerder las. Het is iets dat me moeite kost. De aanvechting is soms sterk, zeker als ik artikelen lees over boeken waaraan ik goede herinneringen heb. Of als ik zo'n beetje door mijn bibliotheek struin, en op de planken de ene na de andere oude liefde tegenkom. Maar meestal weersta ik de verleiding. Er is immers nog zoveel te lezen dat nieuw voor me is.

De mooie reeks met Nederlandse auteurs waaraan uitgeverij Van Oorschot enkele jaren geleden begon vermindert mijn stress in dit opzicht. Ze is uitgegeven zoals ik het graag zie - uitgevoerd in dundruk, gebonden mét een leeslint - en bovendien bevat iedere uitgave een selectie van het beste van de auteur. Met één boek herlees je als het ware een heel oeuvre. Dat heb ik dan ook gedaan met het meest recente deel in de reeks, Sterk verdund van Kees van Kooten.

De titels van de oorspronkelijke bundels met columns en korte verhalen klinken vertrouwd: Koot droomt zich af, Koot graaft zich autobio, Treitertrends enzovoorts. Ze verschenen vanaf de tweede helft van de jaren zeventig. De beginjaren van het Simplistisch Verbond. De creatieve energie spat van veel columns af.

Zo'n bloemlezing is een feest van herkenning. Veel van de stukjes dacht ik vergeten te zijn, maar na een bladzijde of zo kwam het vaak weer terug. Wat mij het sterkst trof was dat ze zo persoonlijk zijn. De formuleringen, de humor, het gevoel van menselijkheid: het is Kees van Kooten zoals je hem kent, ten voeten uit.

Heb ik favorieten onder de ruim zestig stukken in deze bundel? Jazeker. Bij het wat langere verhaal over de familievakantie per camper, waarin het chemisch toilet - de poepkoffer - een grote rol speelt schoof ik gierend van de bank. Ook 'Uitgekookt', over een sterrenchef die het niet meer ziet zitten, zich vervolgens realiseert dat hij nooit zo lekker at als bij zijn moeder thuis en dat gegeven dan kiest als het concept van zijn nieuwe restaurant is een juweeltje. De colums waarin zijn jeugd, ouderlijk huis en zijn tienerjaren in Den Haag figureren zijn doortrokken van een subtiel verwoordde weemoed.

Vier dagen lang bevond ik mij zo'n twintig tot bijna veertig jaar terug in mijn leesleven. Heel relaxed, moet ik toegeven.

Kees van Kooten
Sterk verdund
288 blz
Uitgeverij Van Oorschot

zondag 24 februari 2019

Schelmenroman

Wie meent dat de wereld verrot is, en dat onze moderne maatschappij in sneltreinvaart op haar einde toesnelt, die moet Poubelle van Pieter Waterdrinker maar eens lezen. Het zal een feest der herkenning zijn. Maar dat niet alleen. In zijn vuistdikke roman biedt Waterdrinker tevens een heldere analyse van de belangrijkste oorzaken van dat verval. Onverschilligheid en tomeloze, maar inhoudelijk volstrekt lege ambitie staan met stip op nummer 1. Hij beschrijft ze in een stijl die ik zou willen betitelen als ‘schrijven met alle remmen los’, in een haast negentiende-eeuwse overvloed van woorden en situaties creërend die je lang bijblijven.

Die karaktertrekken die ons op de rand van de afgrond brengen zijn verenigd in zijn hoofdpersoon, Wessel Stols. Financieel onafhankelijk door de verkoop van zijn helft van een goed lopend reclamebureau begint hij op zijn 35ste aan een nieuw leven.  Schrijver wil hij zijn. Samen met zijn echtgenote Friedl trekt hij naar mooie plekken in het zuiden van Europa, gewapend met pen en papier. Het wil niet echt lukken en áls hij al wat op papier krijgt, ziet hij bij herlezing al snel dat het hoogdravend broddelwerk is. Tijdens een verblijf in Moskou – hij probeert korte verhalen te schrijven en is op Tsjechov-bedevaart – koopt hij op een markt twee schilderijen. Dat is het begin van een bloeiende handel in Sovjetkunst, die hij van Rusland naar het westen laat smokkelen en met een grote winstmarge verkoopt. Als daar na een poosje de klad in komt, weet hij via politieke vriendjes een zetel in het Europese parlement te bemachtigen.

Voor het schrijverschap mist hij de inhoud, als kunsthandelaar en politicus red hij het gemakkelijk met wat bluf. De toon is daarmee gezet, Poubelle heeft iets van een moderne schelmenroman. Waterdrinker schetst de drie opeenvolgende carrières met speels gemak. De taferelen waarin Wessel Stols aan de hand van Nabokov, Tsjechov, Flaubert of een andere beroemde schrijver probeert iets vergelijkbaars op papier te zetten zijn kostelijk. De wereld van de illegale kunsthandel in het tijdperk Jeltsin, met de strooptochten langs ateliers van sociaal-realistische schilders die na de omwenteling niets meer verkopen, is onthutsend. En het Europarlement is zoals je denkt dat dat is, door Waterdrinker lekker vet aangezet.

Poubelle laat een wereld in verandering zien, een heel zichtbare verandering in Rusland en ook Oekraïne, een minder goed zichtbare maar evengoed wezenlijke in het westen. Stols is zich bewust van die veranderingen, maar laveert behendig tussen de risicovolle plekken door, zijn eigenbelang beschermend. Het Europarlement is de plek bij uitstek waar die tactiek vruchten – lees: vergoedingen – afwerpt.

Het gaat goed zo lang Stols vanuit zijn eigenbelang acteert. Zodra hij zich na jaren weer eens bekommert om zijn echtgenote, of de Russische vriendin die zijn partner was in de illegale kunsthandel, ontspoort de zaak langzaam maar zeker. Hij kan dat niet aan, neemt de verkeerde beslissingen. 

Poubelle is het Franse woord voor vuilnisbak. Het is ook de naam van een Franse diplomaat, Eugène Poubelle, die tegen het einde van de negentiende eeuw de vuilnisbak in Parijs introduceerde, en over wie Stols op een gegeven moment besluit een geromantiseerde biografie te gaan schrijven, een voornemen dat hij vanzelfsprekend niet realiseert. Het is ook de naam van een rebellenleider in Oekraïne  met wie Stols tegen het einde van het verhaal te maken krijgt. En in overdrachtelijke zin staat de naam symbool voor de inhoud van dit boek, een groot vat met daarin de vuiligheid, ranzigheid van de wereld.

Pieter Waterdrinker
Poubelle
544 blz
Nijgh & Van Ditmar

zaterdag 16 februari 2019

De straatvechter en de estheet

Het kon slechter, de keuze van de auteurs voor het driehonderdste deel van de mooiste reeks in de Nederlandse literatuur, privé-domein. Met Joseph Roth en Stefan Zweig heb je immers twee schrijvers van wereldformaat in handen. Schrijvers die dan ook nog eens met elkaar correspondeerden in een periode dat hun wereld in duigen viel, de jaren tussen 1927 en 1938. Door die politieke ontwikkelingen moesten Roth en Zweig keuzes maken en standpunten innemen. Het is fascinerend om te lezen hoe zich dat bij beide mannen in een handvol jaren ontwikkelt, het kleurt veel van de brieven. En toch, ondanks dit veelbelovende uitgangspunt, hebben de in Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Brieven 1927-1938 verzamelde brieven soms iets ongemakkelijks, iets schurends. Bovendien is de correspondentie, door de omstandigheden, niet helemaal in balans.

Roth en Zweig hadden een volstrekt verschillende achtergrond. Zweig (1881-1942) was afkomstig uit een welgestelde Joodse familie in het chique Wenen van het fin-de-siècle. Zijn eerste novelle verscheen in 1904 en bij aanvang van zijn correspondentie met Roth was hij een gevierd auteur wiens werk werd vertaald en regelmatig hoge oplagen haalde. De Eerste Wereldoorlog maakte hij mee als verslaggever, waardoor hij voor de rest van zijn leven sympathie voelde voor het pacifisme.

Roth (1894-1939) daarentegen groeide op in het provinciestadje Brody, gelegen in Galicië, nu de grensstreek van Polen en Oekraïne. Ook hij was Joods. Na een afgebroken studie aan de universiteit van Wenen – hij nam in 1916 vrijwillig dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger – ging hij na de Eerste Wereldoorlog aan het werk als journalist voor Duitse en Oostenrijke kranten met een linkse signatuur. Hij had in 1927 een handvol romans gepubliceerd, deels als feuilleton in kranten, maar zijn roem moest nog komen.

De briefwisseling begint zeer ontspannen. Roth is een groot bewonderaar van het werk van Zweig, heeft hem op een voetstuk staan. Je krijgt de indruk dat Zweig zich dat met enig genoegen laat welgevallen. Maar het ontbreekt in deze fase aan voldoende brieven van Zweig om daarover zekerheid te krijgen. Dat is trouwens het gebrek aan balans dat ik al noemde: er zijn veel meer brieven van Roth bewaard gebleven dan van Zweig. Dat kan te maken hebben met het feit dat de laatste lange tijd een vaste woonplek had in Salzburg, en daarna in Londen, en zijn archief zorgvuldig op orde hield, terwijl Roth kortstondige baantjes had, voor zijn werk veel reisde en zijn leven lang bij voorkeur in hotels woonde.

De machtsgreep van Hitler in 1933 verandert het leven van de mannen. Roth verhuist naar Parijs, zowel uit afschuw voor de Nazi’s als voor zijn eigen veiligheid. Zweig verlaat zijn geliefde Salzburg en vestigt zich in Londen, neemt de Engelse nationaliteit aan en beijvert zich om collega’s die het nu lastig krijgen te steunen, maar in de ogen van Roth is dat te weinig en te slap. Hij geeft Zweig er in niet mis te verstane woorden van langs wanneer deze weigert het contact met zijn uitgever te verbreken, die hij verdenkt van sympathie voor de Nazi’s.

Die ferme standpunten van Roth, die met volle overtuiging zijn schepen achter zich verbrandt, tegenover het twijfelen van Zweig die maar niet kan besluiten wanneer voor hem de maat vol is, wordt een constante in hun brieven. Ook het verschil in hun karakters komt er steeds duidelijker in naar voren. Roth is de man van de actie, maakt kort na 1933 nog plannen om met Habsburgse ex-militairen een actie tegen Hitler op te zetten. Zweig vindt dat hij als schrijver het beste met de pen kan vechten, proberen met zijn boeken de mensen tot meer mededogen en waardigheid aan te zetten. Een discussie tussen een straatvechter en een estheet, daar heeft het soms iets van weg.

Daarnaast, en in de brieven een steeds belangrijker rol spelend, is er de privésituatie van Roth. Zijn echtgenote is geestesziek, haar verpleging in klinieken kost veel geld. Ook het wonen in hotels is duur. Maar Roth’s grootste uitgaven zijn die aan de drank. Omstreeks 1930 wordt dat probleem zichtbaar en in de laatste vijf jaar van zijn leven drinkt hij dag en nacht. Ofschoon hij ieder jaar minstens één boek publiceert, dekt dat de kosten voor zijn levensonderhoud volstrekt niet. Gaandeweg wordt het bedelen om geld het centrale thema in de brieven van Roth. Waarop Zweig ten antwoord, met eindeloos geduld – hij schiet nóóit uit zijn slof – probeert betere deals voor Roth te regelen met uitgevers. Ook zorgt hij ervoor dat Roth’s echtgenote in een gratis kliniek terechtkomt, en geeft hij hem grote sommen geld. Tevergeefs, meestal jaagt Roth die er binnen de kortste keren doorheen.

Dit aspect is voor mij wat er schuurt in deze briefwisseling. Ofschoon de literaire productie van beide mannen in deze jaren aan bod komt, ze daarover discussiëren en Roth meermaals manuscripten van Zweig corrigeert en verbetert op een wijze waarvan deze onder de indruk moet zijn geweest, speelt het gat in de hand van Roth een zo grote rol dat het bij vlagen een one-issue briefwisseling lijkt. Dat is jammer. De tragiek van de onverbeterlijke alcoholist, met het einde dat je kan voorspellen, geeft de correspondentie van de laatste jaren een dwingende grondtoon. Zweig die meermaals aanbiedt een ontwenningskuur te bekostigen, Roth die antwoord dat dat nergens voor nodig is, want dat zijn drankgebruik niet overmatig is. Anders zou hij toch nooit al die boeken kunnen schrijven?

Roth overlijdt in mei 1939 in Parijs. Aan de drank, maar natuurlijk indirect ook aan een van de oorzaken daarvan, zijn ballingschap vanwege de politieke situatie. Ook Zweig zal de Nazi’s niet overleven. Hij overlijdt in februari 1942 in Brazilië, samen met zijn minnares, door zelfmoord. Kort daarvoor had hij Die Welt von Gestern (De wereld van gisteren) voltooid, waarin hij de wereld waarin hij was opgegroeid had proberen te beschrijven. Dat is misschien wel het mooiste boek in zijn oeuvre, maar zeker het meest ontroerende boek over het Europa dat door de Eerste Wereldoorlog en de Nazi’s om zeep zou worden geholpen. Roth zou gevonden hebben dat zijn vriend eindelijk stelling had genomen.

Joseph Roth en Stefan Zweig
Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Brieven 1927-1938
Vertaald uit het Duits door Els Snick
Met een nawoord van Heinz Lunzer
420 blz
De Arbeiderspers, privé-domein 300  

zondag 10 februari 2019

Josephine Baker boven het bed

Piet Mondriaan bekeerde zich in 1919 tot de abstractie. Wat die abstractie inhoudt weten we allemaal. Dat werk in die primaire kleuren, met horizontale zwart lijnen, later met dubbele zwarte lijnen en zelfs diagonalen moet welhaast de bekendste ‘stijl’ ter wereld zijn. Zo bekend als die stijl is, en tevens de gelijknamige stroming, zo bekend is de naam Mondriaan. Maar is de persoon Mondriaan ook zo bekend? Wat weet de gemiddelde kunstliefhebber van hem? Voor mijzelf sprekend: niet zo heel veel. Ik heb ook wel een idee hoe dat komt. Het abstracte karakter van het werk biedt geen ‘ingang’ tot de persoon, zoals je dat bijvoorbeeld bij Pablo Picasso wel hebt, waar veel van zijn werk is te koppelen aan zijn levensgeschiedenis. Daarom was De schepping van een aards paradijs. Piet Mondriaan 1919-1933 voor mij een feest om te lezen. Ik ontdekte de mens Mondriaan. En dat is een opmerkelijk verhaal.

Léon Hanssen heeft ervoor gekozen zich voor zijn biografie te beperken tot de veertien jaar dat Mondriaan in Parijs woonde. Die focus maakt het verhaal overzichtelijk. In 1919 heeft Mondriaan gekozen voor de abstractie, vestigt zich in Parijs en ontwikkelt die abstractie in de veertien jaar daarna verder. Dat zijn ook de jaren waarin tal van andere schilders experimenteerden met de abstracte schilderkunst en belangrijke werken creëerden. Dus ook de context van het verhaal over Mondriaan is de abstractie.

Het kunsthistorische verhaal wordt door Hansen in detail geschetst. De samenkomst van de Stijlgroep, de discussies en geschriften; de ontwikkelingen in Duitsland; de Amerikaanse critici en verzamelaars die Mondriaan ontdekken; de revolutie die Kandinsky veroorzaakte; en natuurlijk de ontwikkelingen in Mondriaans stijl. In 28 hoofdstukken, ieder weer onderverdeeld in vier tot negen paragrafen, krijg je als lezer een omvangrijke selectie afgeronde verhalen te lezen. Ook dat maakt het overzichtelijk.

Mondriaans atelier in Parijs was een afspiegeling van zijn stijl. De vlakken waren weliswaar overgezet in een driedimensionale vorm, en de kleurstelling was in wit en grijstinten, maar de balans en strengheid was dezelfde als in zijn werken. Er was daarin één uitzondering: een draagbare grammofoon van het merk Pathé. Hij schafte die aan in 1927, twee jaar nadat hij had kennisgemaakt met de charleston en daaraan verslaafd was geraakt. Met de grammofoon kon hij op muziek door zijn atelier dansen, wat hij heel graag deed. Hij schilderde de grammofoon ‘fel Hollands rood’. Een tweede object dat je als bezoeker niet snel zou verwachten was een foto van Josephine Baker. Tijdens twee bezoeken aan La Revue Nègre had hij haar opwindende dansen gezien en kon die niet meer uit zijn hoofd zetten. De foto van Baker hing boven zijn bed.

Een journalist die Mondriaan in 1926 in zijn atelier bezocht, was verbaasd dat de kunstenaar het gesprek op jazz en moderne dans bracht, en daar overtuigde uitspraken over deed. Vooral van de charleston bleek hij een fan:
JOURNALIST: ‘Maar vindt u deze dans niet vreeselijk physiek en laag-sensationeel?
MONDRIAAN: ‘Ja, zoo zenuwachtig als de Europeanen hem dansen, lijkt het vaak ’n hysterische dans. Maar bij de negers, bij een Josephine Baker b.v., is het ingeboren, schitterend-beheerste stijl. Alle moderne dansen schijnen slap naast deze machtig volgehouden concentratie van snelheid. Hoe kan men nu in Holland dezen sportieven dans verbieden! Men danst immers op afstand van elkaar en moet zo energiek werken, dat er geen tijd overblijft voor amoureuze gedachten. Als het Charleston-verbod gehandhaafd wordt, is het een reden voor mij om niet meer terug te komen …’

Dat is toch een andere Mondriaan dan die ik kende voor het lezen van deze rijke en vlot geschreven biografie.

Léon Hanssen
De schepping van een aards paradijs. Piet Mondriaan 1919-1923
576 blz
Querido