zaterdag 14 maart 2020

Auschwitz overleven

In het jaar waarin we herdenken dat de Tweede Wereldoorlog 75 jaar geleden eindigde verschijnt een eveneens 75 jaar geleden geschreven ooggetuigenverslag van het leven in het vernietigingskamp Auschwitz. De auteur ervan is Eddy de Wind. Op de dag dat de laatste Duitse troepen in januari 1945 op de vlucht voor het Russische leger Auschwitz verlieten, nadat ze eerst alle gevangen op dodenmarsen naar het westen hadden gestuurd, lukte het hem achter te blijven door zich te verstoppen. Toen de kust veilig was, ging hij op strooptocht en vond een schriftje. Daarin noteerde hij in enkele maanden het verslag van zijn leven in het kamp. Het aangrijpende verhaal werd al in 1946 gepubliceerd. Weinigen lazen het echter, wat bij een heruitgave in 1980 opnieuw het geval was. Maar ditmaal dreigt het uit te groeien tot een bestseller. Het verschijnt in 25 talen, in honderd landen zoals de uitgever in interviews trots meldt. Waarom het nu wel lezers aantrekt? Misschien helpt het dat er een uitgekiende mediacampagne achter zit. En dat wij, naarmate de gruwelijke gebeurtenissen verzinken in de tijd, dichterbij durven te komen. Maar zeker is het dat het persoonlijke, heet van de naald geschreven en nauwelijks literair opgesmukte verhaal indruk maakt. Het is wat het is, meer niet.

Het kan in het leven flink tegenzitten. Dat overkwam Eddy de Wind in 1942. Zijn moeder was door de Duitsers opgepakt en geïnterneerd in Kamp Westerbork. Met de Joodse Raad sprak hij af dat als hij zich vrijwillig zou melden in Westerbork – hij was net afgestudeerd als arts – zijn moeder zou worden vrijgelaten. Daar aangekomen bleek zij echter al te zijn weggevoerd naar Auschwitz, zelf moest hij blijven.

In het kamp ontmoette hij zijn vrouw, Friedel. Ze trouwden er in 1943, de groepsfoto die toen werd gemaakt toont het bizarre van die situatie. Nog in datzelfde jaar werden ze beiden op transport gesteld naar Auschwitz. Eddy werd aangesteld als verpleger van Poolse gevangenen, Friedel belandde in de medische barakken waar Jozef Mengele en zijn collega’s hun experimenten uitvoerden. Ze wisten beide te overleven.

De toon waarop Eddy verslag doet is die van een ooggetuige. Van een mens die langzamerhand zo verbijsterd raakt en murw geslagen is dat zijn waarneming van de gruwelen in zekere zin werktuigelijk wordt: Hij noteert wat hij ziet en door die directheid komt het afstandelijk, haast journalistiek over. Dat doet niets af aan de impact, versterkt die eerder.

Het lukte hem in het verborgene contact te houden met Friedel. Hij beschrijft aan welke medische experimenten zij wordt onderworpen. De machteloze woede springt van het papier. Friedels verwondingen bleken na de oorlog vooral lichamelijk te zijn, zo was kinderen krijgen niet meer mogelijk. Leven met elkaar, met beiden een trauma, bleek moeilijk. Zij scheidden in de jaren vijftig.

Eddy schreef zijn verhaal in de maanden dat hij op verzoek van de Russen nog in Auschwitz bleef om voor gewonden te zorgen. Hij had één doel: het aan de wereld vertellen. Maar gaandeweg  merkte hij dat hij voor zichzelf ook op zoek was naar de zin van de gebeurtenissen, naar het waarom van het kwaad en het proces van overleven. Vooral dat laatste werd voor hem een obsessie, in die zin hadden de gebeurtenissen hem voor altijd beschadigd. De vaststelling dat overleven in Auschwitz niet te danken was aan voorzichtig of slim optreden, maar een kwestie van puur toeval was, hakte er bij hem diep in.

Na de oorlog specialiseerde Eddy zich als psychiater in de behandeling van lotgenoten met oorlogstrauma’s en publiceerde over hun ziektebeelden en de behandeling daarvan standaardwerken. Hij overleed in 1987. De kinderen uit zijn tweede huwelijk besloten enkele jaren geleden een derde poging te ondernemen om het verhaal van hun vader onder de mensen te brengen. Dat is gelukt, mag je vaststellen.

Eddy de Wind
Eindstation Auschwitz. Mijn verhaal vanuit het kamp
Luisterboek, voorgelezen door Matthijs Wind
5 uur en 44 minuten
Meulenhoff / Storytel

woensdag 11 maart 2020

Stedevaart Bedevaart

Wat hebben een van de mooiste schilderijen uit onze Gouden Eeuw, Hobbema’s Laantje bij Middelharnis  en de Duitse ‘vuilniskunstenaar’ Joseph Beuys met elkaar gemeen? Of, om twee andere onvergelijkbare grootheden te noemen, de componist Eric Satie in Parijs en de Bolognese schilder van stillevens Giorgio Morandi? Het antwoord is simpel: ze figureren in Stedevaart, de recent verschenen bundel met reisverhalen van Jan Brokken. De titel Stedevaart is natuurlijk een speelse variant op de term bedevaart, en dat is hier niet zonder reden. Voor de korte of soms iets langere essays over de vier zojuist genoemde kunstenaars en achttien andere reist Brokken naar de plekken waar zij geworteld zijn of waren, of waar ze een band mee hebben. Inderdaad als een soort bedevaart, op zoek naar de kunstenaar in diens eigen habitat, op zoek naar sporen die hij daar heeft achtergelaten. Soms is de fascinatie van Brokken met een van deze mannen – dit boek is een mannenaangelegenheid - de aanleiding voor de trip, soms is dat nieuwsgierigheid en ontstaat de bewondering of fascinatie pas ter plekke.

Brokken begint dicht bij huis, in Amsterdam. In 1903 arriveert de dirigent en componist Gustav Mahler daar voor het eerst voor een uitvoering van zijn Derde en Eerste symfonie. Hij logeert bij de dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Mengelberg en diens vrouw Tilly, aan de Van Eeghenstraat 107. Liever had hij een kamer gehad in het Amstelhotel, maar hij raakt al snel onder de bekoring van het charmante echtpaar en, ook een voordeel, het is vandaar maar een paar honderd meter lopen van het Concertgebouw. Mahler zal nog driemaal terugkeren naar Amsterdam, steeds logerend aan de Van Eeghenstraat en net als de eerste keer steeds opnieuw onder de indruk van de grondige wijze waarop Mengelberg met zijn musici de muziek heeft ingestudeerd. Er bestaan partituren van de uitgevoerde werken waaraan je kan zien dat beide mannen tijdens de repetities honderden kleine wijzigingen aanbrachten. Componeren als een twee-eenheid, achteraf gezien een prachtig stukje fundament onder de Amsterdamse Mahlertraditie.

Bij de reeds langs overleden kunstenaars haalt Brokken zijn informatie uit de bronnen, maar met nog levende kun je een gesprek hebben. Het stuk over Joseph Beuys is een mooi voorbeeld van de techniek die de doorgewinterde interviewer Brokken toepast. Het bezoek aan de kunstenaar vindt plaats in 1980. Plaats van handeling is diens atelier in Düsseldorf. Beuys is op dat moment een van de meest toonaangevende mannen in de kunstwereld, politiek geëngageerd, doceert aan de kunstacademie en vaart voor meer dan honderd procent zijn eigen koers. Een mythe, concludeert Brokken. Daarom is hij niet in zijn eentje afgereisd naar Düsseldorf, maar heeft een schilder en docent aan de Rietveld Academie meegenomen, Els Timmerman. Brokken begint het gesprek, vooral over persoonlijke zaken, Timmerman valt op de juiste momenten in met opmerkingen en vragen over kunst. En, belangrijk, ze laten ook stiltes vallen wanneer Beuys nadenkt over een antwoord. Ze laten hem als het ware de tijd om diep te graven, waardoor het een inhoudelijk gesprek wordt dat voor beide partijen zinvol is. Waardoor je als lezer ook iets gaat begrijpen van Beuys’ beweegredenen. Knap gedaan.

Soms is Brokken in deze bundel meer een recht-toe–recht-aan cultuurtoerist. Bijvoorbeeld wanneer hij Valencia bezoekt, aangetrokken door de architectuur die Santiago Calatrava er in de jaren negentig voor ontwierp. Bilbao, met het door Frank Gehry getekende Guggenheim Museum, past ook in die categorie. De grootheid van een kunstenaar schuilt in de mate waarin hij zijn stempel weet te drukken op het beeld van een stad. Brokken kan op beide plekken vaststellen dat één man dat resultaat ook teweegbracht.

Bevat Stedevaart uitsluitend stukken over beroemde mannen? Nee, zoals we weten uit eerder werk van Brokken schrijft hij graag over onbekende kunstenaars, vergeten levens. De Litouwse schilder en componist Konstantinas Čiurlionis (1875-1911) is zo iemand. Meervoudig begaafd en gedreven tot in het manische, tot een totale uitputting hem zijn greep op de werkelijkheid doet verliezen. Je zet nog tijdens het lezen Spotify aan, Brokkens enthousiasme werkt aanstekelijk. Of het lange stuk over Iosif Raiskin, die als muziekrecensent gedurende een groot deel van de twintigste eeuw de oer-uitvoeringen van vrijwel alle grote Russische muziekwerken meemaakte, en op hoge leeftijd vanuit een met herinneringen volgepropt flatje in Sint Petersburg nog steeds het muziekleven volgt en daarover publiceert. Indrukwekkend én aandoenlijk.

Brokken schreef de teksten tussen 2005 en nu. Soms in opdracht, vaker op eigen initiatief. Soms is het een nieuwe terugblik naar aanleiding van een eerder geschreven artikel. Hij reisde ervoor naar exotische en soms mij geheel niet bekende oorden als Port Louis (Mauritius), Kyoto, Yamoussoukro (Ivoorkust), Aizpute (Letland), Marie Pompoen en Otrobanda (beide Curaçao). De meeste verhalen verschenen in tijdschriften of speciale uitgaven. Deze bundeling, waarvoor hij er een handvol herschreef, laat mooi de constante in zijn oeuvre zien: nieuwsgierigheid, alsmede het onbevangen openstaan voor indrukken.

Jan Brokken
Stedevaart
416 blz
Atlas Contact

donderdag 5 maart 2020

Nederland in het klein

Zoals ieder land heeft Nederland niet één gezicht maar is het een samenleving met meerdere, heel onderscheiden gezichten. Eén daarvan heeft Stephan Enter in zijn recent verschenen roman Pastorale met groot gevoel voor nuanceringen opgetekend. Dat is het plaatsje Brevendal – anagram voor Barneveld. Het ligt betrekkelijk rustig in het midden van het land en bezit in de jaren tachtig, de periode waarin het verhaal speelt, nog een grotendeels landelijk karakter. Er is een kleine dorpskern, met aan de randen daarvan boerderijen en oude buitens. Ook woont er een grote groep Ambonezen, die wordt gedoogd door de grotendeels gereformeerde bevolking maar nauwelijks is geïntegreerd.

Hoofdpersonen zijn broer en zus Oscar en Louise. Hij zit in het voorlaatste jaar van het gymnasium en kijkt uit naar zijn studietijd, zij studeert al maar keert aan het begin van het verhaal gedesillusioneerd terug naar het ouderlijk huis. De wereld van hun moeder bestaat uit haar tuin en haar geloof, hun vader heeft zich afgekeerd van het geloof én de wereld en brengt zijn dagen door met lezen en pianospelen. Het buiten waar het gezin woont valt door achterstallig onderhoud langzaam uit elkaar en heeft al de aandacht getrokken van een projectontwikkelaar die op de grond aast. Enter beschrijft mooi hoe broer en zus aarzelende, onwennige pogingen doen elkaar te begrijpen, terwijl de ouders ieder hun eigen leven leiden.

Oscar en Louise beleven gedurende de zomer waarin het verhaal speelt beide een liefdesgeschiedenis, of in ieder geval de aanzet daartoe. Oscar raakt van streek door zijn gevoelens voor de zus van een Ambonese klasgenoot, Louise wordt aangetrokken door de zoon van de lokale predikant. Beide verliefdheden fungeren uiteindelijk als een louteringsproces.

Ik lees Enter graag. Hij heeft een heel zorgvuldige schrijfstijl, met vloeiend lopende zinnen en een  trefzekere woordkeuze. Ook is hij sterk in sfeerbeschrijvingen. Daarbovenop zet hij een scala aan literaire middelen in om zijn verhaal op de juiste momenten kracht bij te zetten: Een vlieg die tegen het gesloten raam botst in zijn pogingen om naar buiten te komen, een vogel die gewond is en dus vleugellam, een langzaam in elkaar zakkende buitenplaats, een Ambonees die het tegen Oscar heeft over verloren idealen en ga zo maar door. Genieten dus, als je daar van houdt.

Direct na verschijnen werd Pastorale door meerdere recensenten ‘de Grote Nederlandse Roman’ genoemd, mede omdat Enter er in slaagt een beeld neer te zetten van een recent tijdperk op het moment dat het ten einde loopt. Een beeld van een voorbije wereld, maar wel een wereld die een groot deel van de lezers zelf nog bewust heeft meegemaakt. Voor mijn gevoel zijn dat grote woorden, woorden die ook deels voorbijgaan aan dat wat Enter centraal stelt, namelijk de emotionele ontwikkeling van Oscar en Louise. Voor mij is het eerder een coming of age roman, en dan een dubbele: Oscar die nog onbevangen vooruitkijkt naar zijn volwassenwording en nog niet goed weet hoe om te gaan met zijn eerste kleine botsingen met de maatschappij, Louise die probeert de voor haar teleurstellende eerste fase daarvan te verwerken. Een heel normaal gegeven, je zou kunnen zeggen bijna alledaags, maar in elk opzicht groots uitgewerkt.

Stephan Enter
Pastorale
285 blz
Uitgeverij Van Oorschot 



zaterdag 29 februari 2020

'Hello, I'am Paul, from Up North'

Paul Theroux heeft een indrukwekkende lijst van plekken op de wereld bereisd, al dan niet in het kader van een boek. Maar het zuiden van zijn eigen land, de Verenigde Staten, was voor hem tot voor enkele jaren een onontgonnen gebied. De trip die hij er uiteindelijk toch door onderneemt begint in het najaar van 2012. Hij vertrekt vanuit zijn huis in Cape Cod. Gewoon, met de auto. Zelfs gewapend met wat proviand, voor onderweg. Als doorgewinterde reiziger ervaart hij het individuele karakter van deze manier van vervoer als een verademing: geen drukke luchthavens, geen douane, niet in een ‘koekblik’ naar het andere einde van de wereld worden gevlogen en daar in een volstrekt andere cultuur worden gedropt. Nee, dan liever het vertrouwde interieur van zijn eigen auto. Met als route alleen ‘het zuiden’ op het kompas, en op de bonnefooi, kijken wie of wat hij gaat tegenkomen.

Zoals vaak bij de reisverslagen van Theroux is ook in Deep South. Four Seasons on Back Roads de ‘wie’ belangrijker dan het ‘wat’. Hij doet nauwelijks tot niet aan sightseeing maar is op zoek naar verhalen, en de mensen die ze aan hem willen vertellen. Ook ditmaal vormen die in al hun verscheidenheid de kern van het boek. Door hun ogen beleef je als lezer de rassenapartheid, die in sommige streken nog lang geldig is geweest; de wijd verbreide armoede, veroorzaakt door het sluiten of wegtrekken van fabrieken; de rol van wapens, voor velen een volstrekt normaal onderdeel van het dagelijks leven; en de pogingen van idealisten om gemeenschappen bijeen te houden, te zorgen dat kinderen uit arme gezinnen een reële kans krijgen. Theroux zal met hen gesprekken hebben gevoerd, maar in de tekst laat hij hen het woord. Een briljante vondst – ik las het grotendeels als luisterboek – is de keuze van de voorlezer, de stemacteur John McDonough. Met zijn ‘Southener’ accent brengt hij het verhaal tot leven, er een flinke dosis authenticiteit aan toevoegend.

Op zijn dooie gemak door het landschap toerend, de radio afgestemd op lokale  stations, zich verbazend over en genietend van het soms desolate landschap en de eindeloze reeksen verlaten spookstadjes, vindt Theroux het passende, ietwat laid-back tempo voor dit gebied. Wat hij aanvankelijk had gepland als één lange reis knipt hij bij nader inzien op in een handvol kortere tochten. Dat geeft hem ook de mogelijkheid om mensen maanden later nog een tweede keer te bezoeken, hen beter te leren kennen. In dat opzicht onderscheidt dit reisverhaal zich van het meer gebruikelijke stramien waarbij de auteur van A naar B reist en alle locaties maar eenmaal, en dan meestal kort, aandoet. Hier komt het de intensiteit van ontmoetingen ten goede en geeft het ruimte voor reflectie.

Tussen de verschillende trips in is Theroux thuis, herleest hij Zuidelijke schrijvers en verdiept hij zich in geschiedenissen die hij tegenkwam. Dat levert soms prachtige analyses op, zoals over William Faulkner, Nobelprijswinnaar en misschien wel de meest Zuidelijke auteur van allemaal. Of onthutsende verhalen over geweld tegen kleurlingen, zoals de gruwelijke en spraakmakende moord op de jonge Emmett Till in 1955. Want één ding leer je uit dit boeiende reisverhaal wel: de geschiedenis van het gebied hangt van uitersten aan elkaar. Ook nu nog. Want waar anders dan in The Deep South kun je, net als Theroux meermaals doet, op een zondagochtend in een provinciestadje maar twee evenementen bezoeken: eerst de mis, en dan de gunshow.     

Paul Theroux
Deep South: Four Seasons on Back Roads
Luisterboek, voorgelezen door John McDonough
23 uur en 45 minuten
Recorded Books / via Storytell

[ Nederlandse editie: Het diepe Zuiden. Vier seizoenen op tweebaanswegen ]

zaterdag 22 februari 2020

De verdwenen brieven van Jane Austen

De Jane Austen-bibliotheek groeit nog jaarlijks. En het opmerkelijke is dat het daarbij niet uitsluitend gaat om boeken en artikelen over de Britse schrijfster en haar oeuvre, maar opvallend vaak ook om fictie. Zo las ik enkele jaren geleden Longbourn, een roman van Jo Baker over het leven downstairs in het gelijknamige landhuis van de familie Bennet (dit weblog, 20 juni 2014). Het knappe van dat boek is dat het decor je vertrouwd is, de gebeurtenissen upstairs ook, maar dat Baker er toch in slaagt om je een verhaal voor te schotelen dat op eigen benen staat. Voor de fans – daaronder schaar ik me – voelt dat als een feestje. Alsof aan het bescheiden oeuvre van Austen, dat slechts uit een handvol titels bestaat, iets wordt toegevoegd.

Met Miss Austen door Gill Hornby is hetzelfde aan de hand. Hier gaat het echter niet om een verhaal dat is geïnspireerd door een van Austens romans, maar door haar leven. Om precies te zijn: door een gebeurtenis die ruim twintig jaar na haar dood plaatsvond en die grote gevolgen heeft gehad voor onze kennis over haar.

Jane Austen stierf in 1817 op vrij jonge leeftijd, ze was 41 jaar. Zij is nooit getrouwd. Dat gold ook voor haar twee jaar oudere zus, Cassandra, met wie ze een hechte band had. Het is bekend Cassandra tegen het eind van haar leven, omstreeks 1840, een groot aantal brieven van Jane heeft verbrand. Er moeten er duizenden zijn geweest, we kennen er nu nog maar zo’n 160. Waarom? Dat is een terechte vraag, en dat is nu precies waar het in Miss Austen om draait.

Hornby laat Cassandra in 1840 naar het dorpje Kintbury reizen, in Berkshire. De lokale predikant aldaar is zojuist gestorven en Cassandra wil haar deelneming betuigen aan Isabella, de dochter. De ware voor haar bezoek is echter dat Isabella’s reeds eerder overleden moeder Elizabeth de hartsvriendin was van haar zus Jane en beide dames een langdurige correspondentie onderhielden. Het gaat Cassandra om die brieven, die wil ze bemachtigen voordat ze bij het leegruimen van de pastorie worden gevonden en misschien in verkeerde handen raken. Wanneer Cassandra de brieven eenmaal in handen heeft – dat gaat vrij gemakkelijk - kan ze het niet nalaten ze te lezen. En dan krijgt het verhaal vleugels. Het wordt voor Cassandra een sentimental journey, ze beleeft opnieuw twintig jaar van haar leven met haar zus. De hoogtepunten, bijvoorbeeld wanneer Jane vanaf 1811 succes heeft met haar romans, maar ook de minder goede dagen. De herhaaldelijk misgelopen kansen op een huwelijk voor Jane en Cassandra vormen daarin de meest dramatische episoden.

De schrijfstijl van Jane Austen heeft Hornby goed onder de knie. De tientallen brieven die zij ‘citeert’ zouden zo door Austen geschreven kunnen zijn. Ware het niet dat ze uit de pen van Hornby vloeiden. Ook de structuur van het verhaal, met het veelvuldige verspringen in de tijd, draagt in sterke mate bij aan het leesplezier. Maar het meest indrukwekkend is voor mij toch wel dat Hornby op genuanceerde wijze duidelijk maakt waarom Cassandra de brieven uiteindelijk zal verbranden. En in dat proces van Jane’s oudere zus een overtuigend personage maakt.

Gill Hornby
Miss Austen
392 blz
Century

zondag 16 februari 2020

Lijfeigenen of vrije burgers?

De meest interessante historische romans zijn voor mij die welke spelen in een land of tijdperk waar ik weinig van weet. Estland is zo’n land. Het is de noordelijkste van de drie Baltische staten. In het midden van de achttiende eeuw, de periode waarin Strijd om de stad van Jaan Kross speelt, was het ingelijfd bij het immense Russische rijk. De toenmalige hoofdstad daarvan, Sint-Petersburg, was te paard of per koets slechts een handvol dagreizen verwijderd. In de meeste gebieden en grotere plaatsen in Estland was een lokaal bestuur, maar alleen het centrale gezag in Sint-Petersburg was bevoegd om te beslissen in bestuurlijke zaken. En precies dít aspect maakt deze roman, waarin het tempo trouwens weldadig laag ligt, tot een spannend boek.

Kross laat het verhaal vertellen door Berend Falck, een jongeman die in het voorjaar van 1764 wordt benoemd tot huisleraar op het landgoed Rakvere, ongeveer honderd kilometer ten zuidoosten van Tallinn gelegen. Aan de rand van het landgoed ligt wat rest van het gelijknamige stadje, dat in de Grote Noordse Oorlog (1700-1721) werd verwoest en aan Rusland toeviel. Sindsdien handelt de familie Von Tiesenhausen, de adellijke eigenaren van het landgoed, alsof het stadje Rakvere van hen is, en de inwoners daarmee hun lijfeigenen. De inwoners van Rakvere pikken dit niet, betogen dat zij van oudsher vrije stadsburgers zijn geweest en proberen hun recht te halen tot bij de hoogste instantie, de Tsarina van Rusland. Berend Falck raakt al snel na zijn aankomst bij dit geschil betrokken wanneer zijn mevrouw hem inschakelt voor klusjes in deze zaak. Zodoende komt hij in contact met de burgers, voor wier standpunt hij sympathie opvat – een standpunt dat op hem sowieso veel rechtvaardiger overkomt. Dat een van de stadsburgers een beeldschone dochter heeft op wie hij verliefd wordt vergemakkelijkt zijn keuze. Voor zijn mevrouw houdt hij zijn dubbelspel zorgvuldig verborgen.

Gezien in het grotere geheel van de Europese geschiedenis speelt dit verhaal zo’n beetje op het hoogtepunt van de Verlichting. Het is er, in al zijn dagelijksheid en kleine intriges, ook een mooie illustratie van. Als lezer voel je mee met de strijd van de inwoners om als vrije burgers te worden behandeld. Van de handvol van hen die het verzet aanvoeren heeft Kross dan ook mooie portretten gemaakt. De adel die aan het roer staat, zowel in Estland als in Rusland,  komt bij Kross dan ook niet goed weg. Aan het korte-termijn denken van hun bestuur, en aan de leegheid en zinloosheid van hun bestaan voel je dat dit ooit op een crash moet uitlopen.   

Jaan Kross (1920-2007) wordt beschouwd als de belangrijkste schrijver van Estland in de twintigste eeuw. Hij begon pas laat met het schrijven van romans, zijn eerste verscheen in 1970. Daarvoor had hij al gedichten en korte verhalen gepubliceerd. De strijd om de stad dateert uit 1982. De thema’s, de positie van Estland ten opzichte van haar ‘bezetter’ Rusland en de vrijheid van haar inwoners, zijn kenmerkend voor zijn literaire werk. Zijn betrokkenheid bij dat onderwerp zal zijn ontstaan tijdens zijn jaren in Siberische strafkampen. In 1946 werd hij opgepakt en naar dat ijzige oosten verbannen, om er pas in 1954 weer uit te komen.

Jaan Kross
Strijd om de stad
Vertaald uit het Estisch door Frans van Nes
377 blz
Prometheus

dinsdag 11 februari 2020

Outcast

Wanneer ik een lijst zou moeten opstellen van mijn favoriete schrijvers, zou Arnon Grunberg daar niet op staan. Maar toch lees ik al lange tijd bijna ieder boek dat van hem verschijnt. Waarom? Ik denk omdat hij mij keer op keer weet te verrassen. Dat is ook het geval met zijn nieuwste roman, Bezette gebieden. Het verhaal is een vervolg op Grunbergs enkele jaren geleden verschenen roman Moedervlekken (zie dit weblog, 27 december 2017). Daarin maakten we kennis met Otto Kadoke, psychiater van bijna-middelbare leeftijd, werkzaam bij een afdeling van de Amsterdamse GGD die zich bezighoudt met zelfmoordpreventie. Kadoke woonde samen met zijn moeder, die halverwege het verhaal zijn vader bleek te zijn. Over verrassen gesproken … Kern van dat verhaal was de niet geheel professionele beslissing van Kadoke om een van zijn patiënten, de jonge vrouw Michette, in huis te nemen als verzorgster van zijn vader. Daarmee overschreed hij bewust de omgangsregels van arts en patiënt. Voor zichzelf verantwoordde hij die regeling omdat die op Michette een therapeutische uitwerking zou hebben. Het inwonen van Michette is een onderdeel van de behandeling, van het genezingsproces.

Aan het begin van Bezette gebieden woont Kadoke nog steeds samen met zijn vader. Michette is bij hem weg, ze heeft inmiddels een relatie met een beroemde schrijver. Ze blijkt ook diens muze te zijn, want het nieuwe boek van de schrijver is niets meer dan een verslag van haar verblijf in het huis van Kadoke. Over die verboden relatie dus. Aangedikt met smeuïge details die de werkelijkheid oprekken. Aanvankelijk irriteert Kadoke zich aan deze schending van zijn privacy, en beschouwt hij het als niet meer dan dat. Tot de media er bovenop duiken, hij met de schrijver in een late night talkshow belandt, te maken krijgt met haatreacties – variërend van smerige verkrachter tot smerige Jood –, zijn baan verliest en uiteindelijk door de rechter uit het register wordt geschreven. In het MeToo tijdperk is de massale morele verontwaardiging, de volkswoede, in een mum van tijd gemobiliseerd. Grunberg speelt hier een subtiel spel met de grens tussen fictie en werkelijkheid, met het personage van de schrijver en zichzelf, en met de roman Moedervlekken.

Zonder baan en waarschijnlijk ook toekomst laat Kadoke zich verleiden met een toevallig langskomend achternichtje op wie hij direct verliefd wordt, Anat, mee te gaan naar haar nederzetting in de door Israël bezette gebieden. Zijn vader gaat onder protest mee. Eenmaal ter plekke, wonend in een caravan en wat onhandig communicerend met de familie en vrienden van Anat, ontstaat al gauw het halve misverstand dat Anat en hij gaan trouwen. Hij laat het maar zo. Wat moet hij anders? Hij wordt gezien als een verlosser, een Messias. Dat is weer eens wat anders dat zijn behandeling in Nederland.

Verliefd worden en trouwen is mooi, maar voor de moeder en familie van Anat staat het maken van kinderen voorop. Alleen dat waarborgt het voortbestaan van het Joodse volk. Op dit moment in het verhaal tovert Grunberg de meest bizarre seksscène die ik ooit heb gelezen uit zijn hoed: op een absurde manier komisch, tenenkrommend – ook door de lengte ervan – en eigenlijk intriest. Over verrassen gesproken, opnieuw. Op mijn luisterboek duurde hij maar liefst een half uur.

Min of meer gedwongen te verhuizen, omdat hij in eigen land een paria is geworden, een uitgestotene, is hij terechtgekomen in een bezet gebied. Een illegaal bezet gebied. Hij plaatst zichzelf daarmee eigenlijk buiten de wereld, snijdt alle banden door. Wat dat met hem doet, hoe hij daarop reageert? Hij merkt zelf dat hij vaststaande waarheden loslaat, dat hij door ondervinding zichzelf opnieuw moet uitvinden.

Arnon Grunberg
Bezette gebieden
Luisterboek, voorgelezen door Jan Donkers
12 uur en 24 minuten
Lebowski / Storytell