zondag 7 juli 2024

De nieuwe Murakami !

Liefhebbers van het werk van Haruki Murakami (1949) hebben een probleem als ze iets meer te weten willen komen over de schrijver. Die schermt zijn eigen persoon namelijk stevig af. Hij geeft zelden interviews en houdt zich verre van literaire happenings. Dus blijft je kennis grotendeels beperkt tot wat we al weten: tot 1982 runde hij samen met zijn echtgenote jarenlang een kleine jazzclub in Tokio; daarna koos hij voor het fulltime schrijverschap; als schrijver is hij autodidact; en hij schreef zijn eerste romans ’s nachts aan de keukentafel. In 2007 gaf hij met Waarover ik praat als ik over hardlopen praat een voorzichtig inkijkje in zijn persoon, maar heel ver ging dat niet. In 2015 groef hij in Romanschrijver van beroep wel wat dieper, maar ook daarin bewaarde hij een zekere distantie. 

Waarom die huiver om zich bloot te geven? Is dat puur iets persoonlijks, of speelt er meer? In Romanschrijver van beroep vertelt Murakami een anekdote die zijn gedrag zou kunnen verklaren. Jaren geleden ontmoette hij de Amerikaanse auteur John Irving. Die vertelde hem dat hij een grote groep trouwe lezers had die hij bij zich hield middels ‘hits in the main line’. Dat is Amerikaans slang voor injecties in de ader. Je maakt van je lezers als het ware verslaafden die eens in de zoveel tijd een shot nodig hebben, in dit geval je nieuwe boek. Ze kunnen niet meer zonder, de schrijver wordt de dealer van de lezer. De deal is dan: jullie kopen steeds mijn nieuwe boek, en ik garandeer het genot, sta ervoor in dat je niet teleurgesteld zal zijn. Murakami vindt de vergelijking met een 'shot' antisociaal, maar voelt wel iets voor het principe. Een directe band tussen auteur en lezers, via welke ze met elkaar kunnen communiceren zónder dat daarbij marketinginstrumenten – reclame - een rol spelen: ‘Bovenal nodig is, het hoeft niet gezegd, een natuurlijk, spontaan gevoel van vertrouwen tussen auteur en lezer. Voldoende lezers moeten denken: als het een boek van Murakami is, laat ik het dan meteen kopen en lezen, want het zal geen tijdverlies of weggegooid geld zijn.’

Het lijkt een methode die je eerder bij een formuleschrijver als Dan Brown verwacht dan bij twee serieuze literaire kopstukken. Maar toch, wanneer je beider oeuvres bekijkt, zit er wel iets in. Irving bereikte in 1978 met zijn vierde boek, The World According to Garp, een miljoenenpubliek en wist dat succes vast te houden met een reeks romans waarin hij grote thema’s ter hand nam en die vaak spectaculair uitwerkte. Voor de doorbraak van Murakami zorgde zijn in 1987 verschenen roman Norwegian Wood, waarvan er in Japan alleen al enkele miljoenen werden verkocht. Sindsdien schiep hij in een kleine twintig romans en verhalenbundels een eigen wereld die steevast heel karakteristieke en herkenbare ingrediënten bevat. De ‘verslaafde’ fan kan ze zo oplepelen: een alleenstaande man van omstreeks 30-35 jaar, jazz uit de jaren ‘60, een Sapporo biertje of een goed glas whisky, simpele maar voedzame en zelf bereidde maaltijden en, meestal, enkele onverklaarbare bovennatuurlijke verschijnselen. In Kafka op het strand regent het op een gegeven moment haringen, om maar iets te noemen. Het werk ademt voor de trouwe lezer een heel herkenbare sfeer – dat is misschien wel de grootste aantrekkingskracht - en veel ervan is inmiddels in tientallen talen beschikbaar. Net als bij Irving is hier dus sprake van een wereldwijd succes. Vanzelfsprekend werkt deze theorie uitsluitend wanneer de opeenvolgende boeken de verwachtingen van de lezer waarmaken.

Nu dan de nieuwe roman: De stad en zijn onvaste muren. Die lag ineens in de boekhandel, in grote stapels maar zonder trompetgeschal of interviews in de culturele bijlagen, precies zoals Murakami het het liefst heeft. Het is het verhaal over een liefde tussen een jongen van zeventien en een meisje van zestien. Twee keer per maand reist de ene met de trein naar de ander, waarna ze een hele dag en avond met elkaar doorbrengen, pratend over van alles. Op een dag onthult het meisje dat zij niet haar feitelijke eigen ik is, maar de schaduw daarvan. Haar eigen ik bevindt zich in een veraf gelegen stad die omgeven is door hoge, ondoordringbare muren. In die stad werkt zij in de bibliotheek, waar een omvangrijke collectie dromen van mensen wordt bewaard.  

Hiermee zijn we op vintage Murakami-terrein belandt. Het onderscheid tussen het feitelijke en een afspiegeling ervan vervaagt, loopt voortdurend in elkaar over, is er wellicht helemaal niet of juist simultaan. De jongen weet op een gegeven moment de stad met de hoge muren binnen te dringen, waar het meisje hem niet herkent – daar had zij hem al voor gewaarschuwd – maar hem wel iedere avond uit het magazijn enkele dromen brengt die hij dan leest. Dromenlezer is zijn officiële functie geworden. Waarna hij haar naar huis wandelt. Na enige tijd weet hij langs een gevaarlijke weg de stad te ontvluchten – of is het zijn schaduw, die hij bij het betreden van de stad had moeten inleveren?

Jaren later is de jongen – inmiddels een man – bibliothecaris in een stadje in de bergen. Hij heeft die functie kunnen bemachtigen doordat zijn voorganger overleed. Maar waarom komt die voorganger dan toch om de haverklap op bezoek? Om hem in te werken? Verlegen om een praatje? En waarom schijnt deze man meer te weten van de stad met de hoge muren? En wie is wie eigenlijk, om de hamvraag maar eens te stellen. Het is en blijft intrigerend.

Het uitgesproken karakter van Murakami’s werk maakt dat lezers ervoor vallen of het juist verafschuwen, is mijn indruk. Het is dan ook best een beetje irritant wanneer Murakami iets heel vanzelfsprekends twee- of zelfs driemaal uitlegt, maar veel essentiëlere zaken slechts in een bijzin aanstipt. Of dat je als lezer maar hebt te accepteren dat iets wat onmogelijk lijkt tóch gewoon gebeurt. Ergens in de roman haalt de hoofdfiguur de Braziliaanse schrijver Gabriel Garcia Márquez aan, die moeite had met het label ‘magisch realisme’ dat soms op zijn werk werd geplakt. Er was volgens hemzelf immers niets magisch aan schijnbare toverij, het was gewoon de wereld zoals hij die zag. Niets meer en niets minder. Misschien geldt dit ook voor de wereld van Murakami.

De stad en zijn onvaste muren is blijkens een nawoord van de schrijver een herneming van een lange novelle die hij in 1980 als beginnend auteur in een literair tijdschrift publiceerde. Hij was er altijd ontevreden over geweest. Dus leken de beperkingen van Covid-19 in 2020 een goed moment om dit verhaal van de grond af te herschrijven. De lange novelle groeide uit tot een kloeke roman. De krachtige betovering van decennia her is er inmiddels wel een beetje af, maar de Murakami op leeftijd weet mij nog steeds mee te nemen in zijn wereld. Ik heb mijn shotje dus weer binnen. Nog steeds verslaafd…

Haruki Murakami / De stad en zijn onvaste muren / Vertaald uit het Japans door Elbrich Fennema / 638 blz / Atlas Contact, 2024

zondag 30 juni 2024

Een levensgevaarlijk dagboek

Een dagboek als laatste uitlaatklep, in een situatie waarin je vrijheid van spreken aan banden is gelegd, is dat voorstelbaar? Jazeker, sommigen van de beste zijn onder moeilijke omstandigheden geschreven. Voorbeelden van dergelijke gepubliceerde, succesvolle dagboeken noemen is niet nodig, u kent ze zelf wel. Ook voor Anna Haag (1888-1982) was haar dagboek de plek waar ze zich kon uiten. De enige plek. Ze hield het bij tijdens de Tweede Wereldoorlog, tussen 11 mei 1940  en 22 april 1945, een week voor de Duitse nederlaag. Al in het begin van de jaren dertig had zij een slecht gevoel gehad bij de opkomst en het succes van Hitler, en dat gevoel had zich in de aanloop naar de oorlog verhevigd. Je zou haar een felle nazihater kunnen noemen.

Anna´s persoonlijke omstandigheden droegen bij aan haar keuze van tijd tot tijd op te schrijven wat zij van de wereld dacht. Zij en haar man woonden in een vrijstaand huisje in een buitenwijk van Stuttgart. Hij was leraar, zij schrijfster. Voor de oorlog schreef zij verhalen en feuilletons voor weekbladen die soms ook als familieroman werden gepubliceerd. Maar de humane toon die zij daarin als overtuigd pacifiste hanteerde sloot eind jaren dertig niet meer aan bij de belevingswereld van de gemiddelde Duitse lezer, liet haar uitgever haar weten. Twee van haar kinderen, een volwassen en getrouwde dochter en een nog studerende zoon verbleven bij het uitbreken van de oorlog in Engeland. Afgezien van een spaarzame brief die langs de censor glipte had zij met hen geen contact. Haar tweede dochter woonde bij haar in huis nadat die met haar man, een overtuigde nazi, had gebroken. Hij wilde niet scheiden, zij wilde absoluut geen kind van hem. In de voortdurende angst dat hij haar vanwege dit laatste zou aanklagen bij de officiële instanties – kinderen máken was immers de partijlijn – had zij haar toevlucht bij haar ouders gezocht. Anna’s schoonzoon kwam vaak logeren. Ze moest dan heel voorzichtig zijn met haar woorden.

Hoe gevaarlijk was Anna’s dagboek voor haar en haar familie? Hier volgt een kleine selectie citaten. In januari 1941 schrijft zij: ‘Af en toe heb ik de indruk alsof een massale waanzin het Duitse volk in zijn greep heeft en er een hersenatrofie grootschalig om zich heen vreet. Denken is tegenwoordig uit de mode.’ Een maand later fakkelt ze Hitler eens flink af en doopt hem ‘Clown Adolf de Grote’, een man met ‘algehele verstandsverbijstering’, om te eindigen met ‘Een de massa’s misleidende hansworst’. En wanneer ze in de bioscoop in het nieuwsbulletin, de Wochenschau, een reportage ziet over Hitlers verjaardag is het: ‘de waanzin straalt van zijn gemene kop’.

Niet altijd is ze zo fel, uit ze haar woede in vlammende betogen. Veel vaker zijn haar notities beschouwelijk. Zoals dit fragment, van 31 maart 1941: ‘Voorlopig denkt de volgeling van Hitler alleen aan Duitslands ‘goddelijke missie’, maar niet aan het leed en de ellende die nazi-Duitsland over de mensheid heeft gebracht. We moeten in een peilloze diepte vallen voordat we eindelijk onze arrogantie, onze verschrikkelijke hoogmoed zullen afleggen.’ De toon is  weliswaar minder fel, maar evengoed zou wat ze schrijft bij ontdekking door de autoriteiten leiden tot een aanklacht wegens hoogverraad. Daar stond de doodstraf op, en het concentratiekamp voor haar gezin.  

Anna noteert niet alleen haar eigen gedachten, maar ook de uitingen van haar omgeving. Wanneer ze de tram naar het centrum van de stad neemt, of boodschappen doet, of gewoon een kletspraatje met de buren maakt, kom je te weten hoe de algemene stemming is. In het eerste jaar van de oorlog is het nog redelijk veilig om aan een groepsgesprekje in een winkel, op een terras of in de tram deel te nemen en heel omzichtig enig weerwoord te leveren, maar na de Duitse inval in Rusland is dat voorbij. Op 19 juli 1941 noteert ze: ‘de gezichten zien er nu wezenlijk ernstiger uit, de hoogmoed, de “Duitse arrogantie” is uit velen geweken, en angst, pure angst is ervoor in de plaats gekomen: angst om degene die in Rusland vecht. Of is hij al ondergebaggerd? Angst om het weinig eten, angst om wat komen kan.’ Het is de fase waarin de oorlog dichterbij komt met de steeds massaler wordende geallieerde bombardementen op Duitse steden. De krantenartikelen die zij af en toe inplakt bieden, met hun geforceerde, hersenloze optimisme, net weer een ander perspectief.

Haar dagboek heeft Anna alle oorlogsjaren verstopt weten te houden, eerst in het kolenhok en later op een nabije boerderij. Het noteren van haar gedachten vormde voor haar een band met het laatste restje gezond verstand in een wereld die met de dag vijandiger leek te worden. In de zomer van 1945 nam ze de hele stapel dagboekschriftjes samen met haar man door en selecteerde daaruit het meest wezenlijke tot het manuscript van een boek. Maar zoals vaak met dit soort literatuur was op dat moment geen Duitse uitgever erin geïnteresseerd. De oorlogswonden waren nog te vers, de meeste Duitsers keken liever vooruit. Het zou tot 2021 duren voordat Anna’s dagboek werd gepubliceerd.

Ondanks deze teleurstelling zat Anna na de oorlog niet stil. In 1946 werd ze benoemd tot afgevaardigde namens de SPD in het eerste parlement van Baden-Württemberg. Een jaar later presenteerde ze een initiatiefwetsvoorstel dat inhield dat niemand meer mocht worden gedwongen tot militaire dienstplicht. In plaats daarvan kon worden gekozen voor vervangende diensten. De regeling vond een jaar later ook een plaats in de naoorlogse Duitse grondwet. Anna zou tot op hoge leeftijd politiek en sociaal actief blijven.

Vreemdeling in eigen land is een mooi gevonden titel voor de Nederlandse editie van Anna’s dagboeken. Zo voelde ze zich immers tijdens een groot deel van de oorlogsjaren. Maar de titel van de Duitse editie vind ik nét iets mooier, kernachtiger: Denken ist heute überhaupt nicht mehr Mode

Vreemdeling in eigen land. Het oorlogsdagboek van Anna Haag / Bezorgd door Jennifer Holleis / vertaald uit het Duits door Irene Dirkes en Lucienne Pruijs / 463 blz / Alfabet Uitgevers, 2023

zondag 23 juni 2024

Op reis in de Middeleeuwen

Het was het jaar 1350, en in haar herenhuis op het platteland van het Engelse Lincolnshire was Dame Beatrice Luttrel druk bezig met het pakken van haar koffer. Ze zou op bedevaart gaan, naar Rome. Enerzijds om God te danken dat Hij haar had gespaard tijdens de recente pestepidemie, die een derde van de Engelsen het leven had gekost. Anderzijds, en misschien was dit wel de échte reden, om door boetedoening, devotie en haar geloof in God te tonen Hem daarmee een zwangerschap af te smeken. De kinderloze Beatrice was immers al ruim boven de veertig, voor haar gevoel was het nu of nooit. Temeer omdat het in 1350 een jubeljaar was in Rome, een festival van vergeving dat eens in de vijftig jaar plaatsvond en waarin Gods genade zich in het bijzonder manifesteerde. Uit heel Europa reisden dat jaar meer dan een miljoen pelgrims naar Rome.

Beatrice reisde in het gezelschap van haar dienstbode en haar dertienjarige staljongen. Van de koning had ze een schriftelijk vrijgeleide gekregen, en aan alle havens op de route had hij haar komst aangekondigd. Haar bagage was indrukwekkend. In een grote afsluitbare koffer had ze een schat aan nuttige en ook volstrekt nutteloze spullen geperst. Tot aan een tonnetje met wijn, alsof ze niet door Franse, Duitse en Italiaanse wijnstreken zou reizen. Veel geld had ze gespendeerd aan nieuwe kleding, en ook aan een klein psalmboek in een speciaal voor haar vervaardigd zilveren foedraal. Aan haar hand pronkte een grote ring met daarin een afbeelding van de heilige Christoffel met het kindje Jezus op zijn schouder. Verdrinken zou ze dus niet.

Alleen al aan de voorbereidingen – en voorpret – was Beatrice een vermogen kwijt. Maar het kon ook anders. In 1440, bijna een eeuw later, bereidde broeder Thomas Dane zich voor op zijn pelgrimage. Ook zijn reisdoel was Rome, maar hij hoopte te kunnen doorreizen naar Jeruzalem. Hij was gewend om sober te leven. Als Augustijner monnik was hij altijd op zoek naar God, naar een geestelijk contact met hem. Al hoopte hij stiekem om in Jeruzalem ook fysiek met hem in contact te komen, wanneer hij Jezus´ lijdensweg zou kunnen nalopen, zijn voeten neerzetten waar Diens zweet en tranen de grond hadden geheiligd. Van zijn abt had broeder Thomas voor zijn tocht 365 dagen verlof gekregen. Hij reisde met minimale bagage, een dikke wollen mantel en breedgerande hoed moesten hem tegen de regen beschermen. Zijn enige aankoop was een paar goede schoenen, een flinke aanslag op zijn budget. De boot over het Kanaal, naar de Franse havenstad Dieppe, was ook zo´n kostenpost. Verder was het een kwestie van lopen, over de uitgestrekte Duitse vlakten, over de gruwelijk hoge Alpen. En slapen in groezelige herbergen of, beter, zomaar ergens in een boerenschuur. 

Beatrice en Thomas waren pelgrims. Onder de middeleeuwse reizigers waren die in de meerderheid. Maar er bestond een breed scala aan andere reizigers. Ondernemende types die ontdekt hadden dat er in het oosten voor weinig geld specerijen, stoffen en andere goederen te koop waren waarvoor de elite in Europa bereid was grof geld neer te tellen,  waren de eersten. Venetië, gunstig gelegen havenstad, spon daar garen bij. Maar ook pure nieuwsgierigheid was een reden om op reis te gaan, of je nu een wetenschapper was of een dilettant. En vanzelfsprekend had je ook nog de echte avonturier, de man – zelden een vrouw – die van huis vertrok en wel zag wat het leven voor hem in petto had. 

Een min of meer logisch gevolg van deze reislust gedurende de veertiende en vijftiende eeuw was het ontstaan van de reisgids. Voor de argeloze reiziger kon dat een onmisbaar onderdeel van zijn bagage betekenen. Het woordje ‘kon’ is hier van belang, omdat dit lang niet altijd het geval was. Je had reisgidsen die betrouwbaar waren, omdat de schrijver ervan de beschreven gebieden wel degelijk had bezocht. Maar tal van reisbeschrijvingen werden gewoon ergens vanachter een bureau verzonnen, zonder dat de auteur een voet buiten de deur had gezet. Of de auteur reisde naar de veilige hoofdstad van een afgelegen gebied, en pikte daar allerlei wilde verhalen en geruchten op over het te gevaarlijke binnenland – ‘over mieren zo groot als honden, vrouwen met edelstenen als ogen, […] en fantasieplaatsen als de Bron der Jeugd, het eiland van de Amazonen en zelfs het Aards Paradijs’. Er was een markt voor dergelijke boeken, ze werden ook thuis bij de haard gelezen, als een soort avonturenroman. Anthony Bale maakt voor Op reis in de Middeleeuwen veelvuldig gebruik van deze bronnen, evenals van allerlei egodocumenten van reizigers, waarvan er veel nog niet eerder vertaald werden.

Wat het lezen van Bale’s boek een feestelijk tintje geeft, is dat hij eigenlijk maar één reis maakt, maar dan een hele lange. Hij begint in Engeland, met de hierboven al genoemde Beatrice en broeder Thomas. Via Aken en Venetië reizen zij naar Rome, en Thomas ook naar Jeruzalem. Vandaar volgt hij steeds andere reizigers op een volgend, aansluitend  traject: via  Constantinopel, met een omweg door Ethiopië, langs de zijderoutes naar Perzië, India en Mongools China. Gekomen aan de grenzen van het Middeleeuwse fysieke reisbereik, verlustigt hij zich nog een geestig hoofdstuk lang met de mythische, dus onbereikbare bestemmingen.

Bale (1975) was verbonden aan Birkbeck, University of Londen en bekleedt vanaf oktober de leerstoel Middeleeuwse & Renaissance Literatuur in Cambridge. Zijn fascinatie voor de Middeleeuwen druipt van iedere bladzijde van dit boek, hij geniet zichtbaar van het vertellen wéér een ongelooflijk verhaal of geestige anekdote, nu niet aan een zaal met studenten maar aan een onzichtbaar lezerspubliek. Als ik één puntje van kritiek mag noemen: de Middeleeuwen omvatten een lange periode, een kleine duizend jaar. Bale concentreert zich op het staartje daarvan, de periode 1300-1500, de late Middeleeuwen. Dat wordt uit de titel van zijn boek niet echt duidelijk.

Een reisgids dient eerst en vooral praktische adviezen te bevatten. Dat was indertijd ook zo. Bale sluit daarom ieder hoofdstuk af met reistips uit de door hem bestudeerde bronnen. De  lijst met munteenheden dat je bij je diende te hebben voor het traject Londen-Rome, twee A 4-tjes lang, is duizeligmakend. De tips voor het veilig doorkruisen van een woestijn kunnen levensreddend zijn. En ´hoe herken ik wat ik eet in Mongolië´ zou geruststellend moeten zijn – of niet. En natuurlijk ontbreekt de rubriek ‘handige zinnetjes voor reizigers’ niet. 

Anthony Bale / Op reis in de Middeleeuwen. De wereld door de ogen van pelgrims, handelaren en spionnen / Vertaald uit het Engels door Fred Hendriks / 384 blz / Uitgeverij Balans, 2023

zondag 16 juni 2024

De stationspianist

Op Den Haag Centraal staat er een. Zo ook op Amersfoort Centraal, Maastricht, Delft, Utrecht, Cuijk en maar liefst vier Amsterdamse treinstations. Een publieke piano. Bij elkaar zo´n twintig. Ze zijn niet allemaal even mooi, en het zijn niet allemaal vleugels, maar ze klinken prima – mits vakkundig bespeeld. De eerste kwam er door particulier initiatief, maar inmiddels bekommert de NS zich om het onderhoud, of zelfs vervanging, wanneer dit nodig is. Het toont een van de ‘zachtere’ kanten van het bedrijf, zelf zien ze het vermoedelijk als een kleinschalig charmeoffensief richting de reiziger. 

Want dat het een zekere charme heeft, valt niet te ontkennen. Zelfs in grote, holle stationsgebouwen met hun continue galm van omgevingsgeluiden, weten de harmonieuze klanken van het instrument zich wonderlijk genoeg te handhaven. Als regelmatige treinreiziger intrigeren mij de pianisten. Ze zijn van alle leeftijden, waarbij jongeren lijken te overheersen. Een poos geleden wijdde NRC Handelsblad een uitvoerige reportage aan hen, waarbij ze een tiental stationspianisten vroeg naar hun motivatie en ervaringen. Dat leverde verrassende, ingetogen portretjes op van totaal verschillende mensen. Ook werden enkele rode draden zichtbaar: het gehalte aan conservatoriumstudenten die het een ideale oefenplek vonden bleek hoog; veel van de musici genoten vooral van de reacties van de reizigers; en de herkenbaarheid van de muziek speelde een grote rol bij het blijven staan of doorlopen van die passanten. De filmmuziek van Amélie nodigde uit tot even blijven luisteren, Béla Bartók minder.

Een wellicht wat lange inleiding, maar dat heeft een reden. Ik las deze week namelijk de roman Duivels en heiligen, geschreven door de Franse auteur Jean-Baptiste Andrea (1971). Daarin voert deze de negenenzestigjarige Joseph op, afgekort Joe, die al vijftig jaar op publieke plekken achter de toetsen kruipt: ‘Mijn podia ruiken naar rails en kerosine. Mijn Carnegie Halls en mijn Scala’s heten Montparnasse, Roissy-Charles de Gaulle, Union Station, John F. Kennedy Airport. Daar is een goede reden voor. Het is een lang verhaal, ik wil u er niet mee vervelen.’ De reiziger die hem aanspreekt met de vraag naar het waarom van zijn handelen heeft echter alle tijd, dus de volgende dag vertelt Joe hem in een café het verhaal van zijn leven. Als lezer weet je dan ook al iets anders: dat Joe sedert vijftig jaar op heel zichtbare plekken piano speelt, en daarbij uitsluitend Beethoven, is omdat hij al die tijd wacht op een vrouw. In de hoop dat ze hem ziet, of hem hoort, en hem herkent

De uit een welvarend milieu afkomstige Joe kreeg al op jonge leeftijd pianoles. Zijn leraar was de oude meneer Rothenberg: ‘Hij was gekreukeld als papier, gezicht, hals, handen, braille van rimpels om duizelig van te worden. Elke keer dat ik hem zag had ik zin om hem te strijken.’ Wanneer hij zestien is, komen zijn ouders en zusje om bij een ongeluk. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden en onwil bij de officiële instanties komt Joe niet in een pleeggezin terecht, maar in een door de katholieke kerk gerund weeshuis op de grens van Frankrijk en Spanje, in een afgelegen gebied aan de voet van de Pyreneeën. Daar zuchten ruim honderd jongens tussen de vier en achttien jaar onder een bars regime.  

Strenge regimes en misstanden in ouderwetse katholieke kindertehuizen zijn in de literatuur vaak beschreven. Een recent voorbeeld is Het Hout (2014) van Jeroen Brouwers. Maar waar Brouwers deels schreef vanuit eigen ervaringen is dat bij Andrea niet het geval. Hij heeft niet fysiek en geestelijk geleden onder zo’n situatie. Dat geeft dan ook een andere toon. De kwellingen die Joe moet ondergaan zijn gruwelijk, maar Andrea geeft zijn hoofdpersoon een zekere weerbaarheid mee. Hij zal niet buigen. Bovendien geeft Andrea hem de uitlaatklep van de liefde, in de vorm van een meisje dat op het verderop gelegen kasteel woont en wiens vader de weldoener van het weeshuis is. Joe is nu niet langer een pianoleerling, maar een leraar. 

Die weerbaarheid, die overslaat op een handvol anderen, zal ook leiden tot een spectaculaire actie. Je leest de laatste hoofdstukken met het water in je handen.

Andrea weet de spanning subtiel te doseren en schrijft heel beeldend. Vooral aan dat laatste kun je zien dat hij voor 2017, het jaar waarin hij overschakelde op de roman, voornamelijk voor de film werkzaam was, als scenarioschrijver en regisseur. Duivels en heiligen, dat in Frankrijk in 2021 verscheen en nu ook verkrijgbaar is in de Nederlandse vertaling, is pas zijn derde roman. Vorig jaar november beleefde hij zijn grote doorbraak: zijn vierde roman, Veiller sur elle, werd bekroond met de Prix Goncourt, een van de grote Franse literatuurprijzen. De Nederlandse uitgever kondigt het aan voor november, onder de titel Waak over haar. Ik kijk er naar uit.

Jean-Baptiste Andrea / Duivels en heiligen / Vertaald uit het Frans door Martine Woudt / 288 blz / Uitgeverij Oevers, 2024

dinsdag 11 juni 2024

101 literaire terugblikjes

Jaap Goedegebuure is zo´n neerlandicus die zich zijn gehele werkzame leven intensief en hartstochtelijk heeft beziggehouden met de literatuur. Nederlandse én buitenlandse. Als criticus in landelijke opiniebladen, als hoogleraar in achtereenvolgens Tilburg, Nijmegen en Leiden, als essayist en publicist. Zijn biografieën van Hendrik Marsman en Frans Kellendonk zijn standaardwerken. Hij is van 1947, is nu 76 jaar. Tijd om terug te kijken?

Enkele jaren geleden schreef hij voor de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een reeks van 101 korte teksten over lezen. Voor het goede begrip: over de lezer Jaap Goegebuure: ‘Ik ben aan deze herinneringen begonnen als een voyage autour de ma chambre, om met Xavier de Maistre te spreken, een reis door het verleden voor zover dat is gestold in de boeken die in de loop der tijd op de planken van mijn bibliotheek zijn beland. Aan veel van die boeken zit een herinnering of een anekdote vast, en als ik die aardig of treffend vond, maakte ik er een stukje van.’ 

Van Frans Weisz’ verfilming van Bij nader inzien tot het afbladderende rubber van de wielen van de Renault Dauphine van Jaaps vader, van een liefdevolle lofzang op Martin Ros tot Jaaps wat complexe omgang met Geert van Oorschot, van Madame Bovary en Maria Magdalena, van de literaire souplesse van F. Springer tot Simon Vinkenoogs levenssouplesse, van Vestdijk, Chet Baker, Menno ter Braak, Ida Gerhardt, Robert Graves, Louis Couperus, Johan Polak, Oblomov, Adriaan Roland Holst en ga zo maar door: de schrijver of het boek vrijwel steeds benaderd middels een omtrekkende beweging, en de anekdote even vaak wel als niet gebaseerd op een persoonlijk contact. Heerlijk weglezende literaire herinneringen.

Jaap Goedegebuure / Door de jaren heen lezen. Over boeken en schrijvers / 168 blz / In de Knipscheer, 2022

zondag 9 juni 2024

Hans van Manen. Danser en choreograaf

Voor het slagen van een biografie zijn twee zaken onontbeerlijk: het leven en werk van de 'gebiografeerde' moet interessant zijn, en de biograaf moet in staat zijn dat leven te presenteren met oog voor zowel de menselijke anekdote als de historische context. In Gelukskind, de biografie die Sjeng Scheijen vorig jaar wijdde aan Hans van Manen, zijn beide voorwaarden meer dan vervuld. Met Hans van Manen hebben we een creatieve, in zijn balletten vaak grensverleggende choreograaf wiens loopbaan ook nog eens nauw verweven is met de ontwikkeling van de danskunst in Nederland in de periode vanaf 1950. Met Sjeng Scheijen hebben we een biograaf die in zijn wereldwijd geprezen biografie uit 2010 van Sergej Diaghilev, de oprichter van de Ballets Russes, liet zien een meer dan gemiddelde affiniteit met de wereld van de dans te hebben. Dus het was met vertrouwen dat ik aan het boek begon. Maar het bleek nog veel beter dan ik had verwacht. Een regelrechte aanrader. 

De biografie ademt spontaniteit. Dat wordt voor mijn gevoel vooral veroorzaakt doordat Van Manen nog gewoon ‘alive and kicking’ is. Hij is van 1932. Voor een biograaf is dat een ietwat ongewone situatie, maar Scheijen keert het ten voordele: zijn biografie berust, naast degelijk onderzoek, mede op  tientallenlange  gesprekken die hij met Van Manen heeft gevoerd. Vaak heel langdurige, interviews waarbij niets onbesproken hoefde te blijven. Als de ruim 90-jarige Van Manen zich nu en dan iets niet kon herinneren, gaf hij dat eerlijk toe. Had hij nu wel of niet een kortstondige amoureuze relatie gehad met deze of gene danser of collega? Hij weet het niet meer, maar antwoord op luchtige toon dat het natuurlijk best zou kunnen.

Van Manen ís het Nederlands Dans Theater, het gezelschap  dat eind jaren vijftig in Den Haag werd opgericht. Maar hij is ook het Nationale Ballet, de Amsterdamse tegenhanger. Bij beide gezelschappen is Van Manen gedurende zijn loopbaan meermaals in dienst, al ligt zijn hart vermoedelijk toch bij de Haagse troupe. Daar ontwikkelt hij zich immers als jonge choreograaf, daar kan hij zich door het meer gedurfde conceptuele uitgangspunt grotere inhoudelijke  vrijheden veroorloven, op zoek gaan naar de grenzen van zijn métier. Het is ook met dat gezelschap dat hij zich in de jaren zestig, zeventig en tachtig zal nestelen aan de top van de internationale danskunst. Van zijn ruim 150 choreografieën werd in de loop der jaren zo’n twee derde door buitenlandse gezelschappen op het repertoire genomen.

Opgegroeid en werkend in de Haagse regio, hadden wij  jarenlang een abonnement op het Danstheater. Eerst in de Koninklijke Schouwburg, daarna in het onvolprezen HOT Theater aan de Oranjebuitensingel, en daarna in het prachtige, door Rem Koolhaas speciaal voor ballet ontworpen gebouw aan het Spui. Beide laatste locaties inmiddels door de gemeente Den Haag platgegooid. Voorstellingen bezoekend, programmaboekjes lezend én zo nu en dan de interviews in de culturele bijlagen, denk je toch wel het een en ander van achter de schermen mee te krijgen. Maar Scheijen trakteert je op oneindig veel meer. Het reilen en zeilen van zo’n  gezelschap, de artistieke- en beleidsmatige  keuzes die worden gemaakt, de capriolen die in de vroege jaren, toen het nog ontbrak aan overheidssubsidie, nodig waren om het hoofd boven water te houden: er ging een wereld voor me open. 

De choreograaf en danser Van Manen komt uitgebreid aan bod. Veel van de balletten krijgen van Scheijen een korte bespreking. Je ziet als het ware het oeuvre ontstaan. De treffend geselecteerde foto´s zijn daarbij heel verhelderend. Van Manen liet zijn balletten, zeker toen hij eenmaal succes had, vaak door professionele fotografen vastleggen. Zelf ontwikkelde hij ook een passie voor de fotografie, gestimuleerd door Erwin Olaf. De foto op de omslag van het boek is van diens hand.

Maar ook de jeugdjaren krijgen veel aandacht. De puber die door de Tweede Wereldoorlog zijn schoolopleiding niet kan voltooien. Die daarom zijn hele verdere leven uitsluitend mondelinge afspraken maakt, omdat hij zich schaamt voor zijn taalfouten. De spijbelaar die, kort na de oorlog, bij het Amsterdamse Operaballet een baantje vindt als grimeur. Die zo in contact komt met balletdansers. De jonge danser die na een verschil van mening de studio van de beroemde Sonia Gaskell verlaat om er nooit meer terug te keren. De jongen die het zelf uitzoekt, en daar in slaagt.

Het valt niet te ontkennen, Gelukskind is een biografie van een vriend, voor een vriend. Maar Scheijens professionele instelling zorgt ervoor dat het geen hagiografie is geworden. Hij weet de juiste afstand te houden tot zijn onderwerp, blijft in zijn analyses onafhankelijk. En weet je door zijn meesterlijke stijl van schrijven mee te slepen. Lezen!

Sjeng Scheijen / Gelukskind. Het leven van Hans van Manen / 422 blz / Prometheus, 2023

zondag 2 juni 2024

De moord in de San Lorenzo

Dat de fresco´s van Michelangelo Buonarroti in de Sixtijnse Kapel indrukwekkende kunstwerken zijn, misschien wel de mooiste en belangrijkste van de hele Italiaanse renaissance, zal niemand die ze na de restauratie in de jaren negentig in het echt heeft gezien ontkennen. De voorstellingen op het plafond dateren van 1508-1512, het Laatste Oordeel van 1535-1541. Maar wist u dat nauwelijks vijf jaar na de voltooiing van dat laatste werk een andere kunstenaar ook aan een Laatste Oordeel begon? Vermoedelijk even gedurfd en grensverleggend als dat van Michelangelo? Dat was Jacopo da Pontormo, een van de drijvende krachten achter het vroege maniërisme. Hij deed dat in opdracht van Cosimo I de’ Medici (1519-1574). Plaats van handeling was de San Lorenzo in Florence, de huiskerk van De’ Medici en de plek waar vrijwel alle leden van de familie begraven liggen.

Dit gegeven koos Laurent Binet als het uitgangspunt voor zijn nieuwe roman, Perspectieven. Hij blijft daarmee trouw aan zijn gewoonte om historische fictie met een ‘twist’ te schrijven. Dat deed hij voor het eerst in HhhH, de roman over de moordaanslag op de nazi Reinhard Heydrich in Praag in juni 1942. Het boek maakte hem beroemd. Hij zette die lijn voort in De zevende functie van taal, waarin enkele enigszins verdwaasde Franse filosofen in de jaren zestig en zeventig centraal staan. En in Beschavingen, het vrolijk absurde verhaal over de Azteken die Europa veroveren, keert hij de ontdekkingstochten en daarmee de geschiedenis op zijn kop. Drie romans waarvoor Binet grondig historisch onderzoek moet hebben gedaan, maar die zijn geschreven met een ongebreidelde, soms haast losgeslagen creativiteit. Het resultaat is puur leesplezier.

Krijg je dat gevoel van spanning en sensatie ook in een roman waarin een beroemde schilder, Pontormo, na tien jaar eenzame arbeid aan de afronding van een groots fresco werkt? In een kerk, hoog op een steiger, aan het publieke oog onttrokken door een schutting? Bij Binet wel. Hij maakt daarvoor slim gebruik van de hem als literaire schrijver toegestane dichterlijke vrijheid. Op 1 januari 1557, in de echte wereld, stierf Pontormo. Waaraan is niet bekend. Bij Binet is de doodsoorzaak echter overduidelijk: de schilder wordt op die datum onder aan zijn steiger aangetroffen met zijn beitel in de borst. Een beitel die iemand met kracht heeft gehanteerd. Er komt een onderzoek, en ineens hebben we een onvervalste krimi in handen.

Hofschilder en architect Giorgio Vasari, die wij vooral kennen van zijn Vite, biografieën van zijn artistieke tijdgenoten, is hier een gladjakker die door Cosimo wordt belast met het onderzoek. Heel slim blijkt hij niet te zijn, meermaals moet hij erkennen dat zijn assistent, de historicus en humanist Vincenzo Borghini, beschikt over een scherper analytisch vermogen. 

Perspectieven is een roman in brieven. Een wat ouderwets genre, maar wel een vorm waarbij je als auteur de personages/briefschrijvers vrij eenvoudig van een eigen karakter kan voorzien. En dat werkt. Zo is Cosimo niet de slimste thuis, en zit hij stevig onder de plak van zijn echtgenote Eleonora van Toledo. De geraadpleegde Michelangelo blijkt een bedreven briefschrijver, evenals Agnolo Bronzino, voormalig leerling van Pontormo en degene die de opdracht krijgt de fresco’s van zijn leermeester te voltooien. 

Veel van de ruim twintig briefschrijvers, die vrijwel zonder uitzondering door Vasari op enig moment als verdachte in zijn onderzoek worden betrokken, blijken ook te beschikken over verborgen agenda’s. Er speelt namelijk nog veel meer dan alleen de moord. Zo ontstaat gaandeweg een beeld van het zestiende-eeuwse Florence waar intriges het leven bepalen en een vrijbuiter als Benvenuto Cellini er ongestraft met een schat vandoor kan gaan. Ofschoon de verwikkelingen komisch kunnen zijn en door Binet worden opgetekend met een milde ironie, is het af en toe nét iets te zwaar aangezet, krijg je het gevoel je in een burleske te bevinden. Maar dat is die dichterlijke vrijheid van Binet ….

En, wordt de moordenaar ontmaskerd? Jazeker, die meldt zich zelfs uit eigen beweging. En, zoals dat hoort in het genre, is het de persoon die je het minst verdacht. En dat Laatste Oordeel, stak dat Michelangelo’s versie naar de kroon? Nee, niet echt. Bij de onthulling waren de meningen wisselend. Pontormo mocht een groot kunstenaar zijn geweest, een visionair, met zijn Laatste Oordeel sloeg hij een pad in waarop weinigen hem wilden volgen. Het werk is ook niet bewaard gebleven, bij een verbouwing van de kerk in de achttiende eeuw werd het zonder pardon van de muur gebikt. Er resteren alleen nog wat geschetste voorstudies, tekeningen die er op lijken te duiden dat Pontormo misschien wel in zijn eigen complexiteit was vastgelopen. Maar dat is voer voor kunsthistorici.

 Laurent Binet / Perspectieven / Vertaald uit het Frans door Liesbeth van Nes / 299 blz / Meulenhoff, 2024