donderdag 14 juni 2018

Writer's block

De Japanse auteur Haruki Murakami confronteert zijn lezers nu en dan met zaken die in hoge mate ongeloofwaardig zijn. Het kan zomaar vissen regenen, of een kat begint opeens te praten. Het mooiste voorbeeld daarvan zijn voor mij de scènes tegen het einde van de roman IQ84 waarin de hoofdpersonen, Aomame en Tengo, elkaar na veel gedoe eindelijk ontmoeten en verliefd worden. Dat zijn verstilde taferelen, waarin ze bij avond samen in een park zitten en gebiologeerd zijn door de aanblik van de maan. Bij Murakami, en dat zal u wellicht niet verbazen, staan er trouwens twee manen naast elkaar aan de hemel, een grote gele en een iets kleinere mosgroene. Een prachtig gezicht. Ik moest daar aan denken bij een van de scènes in Bertram Koelemans roman Het wikkelhart. Daarin zwerft de hoofdpersoon, Dominic Ulster, laat in de avond door de stad en komt bij een bushalte een man tegen. Deze vertelt hem dat hij lang geleden, voordat hij aan lager wal raakte, arts was in het Amazonegebied in Brazilië. Daar werd hij op een avond bij een doodzieke vrouw geroepen. Haar linkerbeen was op meerdere plekken gebroken. Daar waar het bot door de huid stak zag de man een schakelaar zitten. Een lichtschakelaar. De man geloofde zijn ogen niet, maar hij kreeg een demonstratie: zodra de schakelaar werd omgezet, doofde de volle maan die aan de hemel stond.

In Het wikkelhart zijn meer van dergelijke opmerkelijke verhalen en gebeurtenissen te vinden. De roman is zelfs rond zo’n geschiedenis opgebouwd. Die speelt zich af op het Franse platteland. Dominic, afgekort Dom, en zijn vriend Nick Tuin zijn daar op vakantie en kamperen in een internationaal jongerenkamp. Ze zijn beiden tegen de twintig. Nick is heel sociaal en outgoing, Dom juist heel introvert. Dom schrijft graag, zondert zich daarvoor ook regelmatig af. Nieuwsgierig geworden door een gerucht dat op de camping rondgaat, over een ‘chanteuse’, nemen ze op een dag de bus naar een gehucht in de buurt. Na aangeklopt te hebben bij een afgelegen boerderij worden ze door een oude vrouw naar een hooischuur geleid. In het midden daarvan bevindt zich een podium met een roodvelours gordijn, als in een theater. Wanneer dat gordijn opengaat staat daar een engelachtig mooi meisje, nog heel jong, dat een Duitstalig lied voor de jongens zingt. Ze zijn beiden betoverd door haar stem en voordracht. Wanneer ze na afloop van het optreden met het meisje praten krijgt Dom het vermoeden dat er iets niet in de haak is en vlucht geëmotioneerd naar buiten. Als Nick even later naar buiten komt blijkt ook hij van slag te zijn.

Een kleine twintig jaar later beheerst deze gebeurtenis nog steeds het leven van Dom. Vrijwel dagelijks probeert hij haar op papier te krijgen, maar het lukt hem niet. De belofte van een schrijverschap heeft hij, op een enkel kort verhaal na, dan ook nooit ingelost. Hij werkt in een boekhandel.

Nick daarentegen heeft zich wel als een schrijver ontpopt. Hij publiceerde enkele romans waarin hij modieuze, goed in de markt liggende thema’s verwerkte. Wanneer blijkt dat hij in zijn nieuwste roman de gebeurtenis in de Franse schuur als uitgangspunt heeft genomen, en ook Dom als personage opvoert, knapt er bij deze iets. De opgekropte frustratie van het niet kunnen schrijven en de mediagekte rond Nick’s boek bezorgen Dom een inzinking. Voor zijn partner Lily – de voormalige vriendin van Nick – is deze inzinking eveneens de bekende druppel, nadat ze jarenlang gepoogd heeft Dom met zijn writer’s block te leren omgaan. Hij ontvlucht de situatie.

Wat volgt is niets minder dan een hellevaart. Afstand nemen en tot rust komen, oorspronkelijk de bedoeling van zijn vlucht, is niet aan de orde. Dom laat zich steeds weer meeslepen door de ontwikkelingen. Hij vermoedt complotten, fulmineert tegen de praktijk van het literaire bedrijf. De tocht brengt hem naar Parijs, voor de première van de film die naar het boek is gemaakt, en uiteindelijk naar het Franse platteland. Werkelijkheid en waan gaan daarbij voor hem echter langzaamaan door elkaar lopen.

Koeleman heeft iets met het thema schrijverschap. In zijn verhalenbundel Engels voor leugens (zie blog 14 februari 2017) liet hij al zien hoe verhalen kunnen ontstaan. Het opmerkelijke is dat hij ditmaal zijn hoofdfiguur zich laat stukbijten op het verwoorden van een gebeurtenis die deze zelf heeft meegemaakt, terwijl Koeleman zelf geen beschrijver is maar zijn verhalen juist creëert. Hoogtepunten in Het wikkelhart zijn voor mij dan ook de taferelen die zich afspelen in Doms verbeelding. Koeleman gunt zichzelf daarin een vrijheid die soms op het barokke, het uitbundige af is. Wil hij ons dit vertellen, dat je als schrijver alleen slaagt wanneer je de werkelijkheid kan loslaten, of er iets aan toevoegt? Voor hem werkt het.

Bertram Koeleman
Het wikkelhart
254 blz
Atlas Contact

zaterdag 9 juni 2018

Mengele

Een klein aantal nazikopstukken ontleent hun bekendheid zowel aan hun rol in de Tweede Wereldoorlog als aan hun leven erna. Het bekendste voorbeeld daarvan is wellicht Albert Speer. Als Hitlers architect en minister van bewapening was hij een vertrouweling van de Führer, maar tijdens het Neurenbergproces hield hij vol niet bij de vernietiging van de Joden betrokken te zijn geweest, er lange tijd zelfs niet van te hebben geweten. Dat zaaide bij de rechters genoeg twijfel om hem te behoeden voor de strop. Speer kreeg een gevangenisstraf van twintig jaar. Na zijn vrijlating in 1966 werd hij een publiek figuur, publiceerde zijn Spandau-dagboek, gaf interviews, kwam op televisie. Een keurig uitziende, wat vormelijke heer op leeftijd die de vragen van journalisten zorgvuldig beantwoordde. Een beeld dat niet direct beantwoordde aan je stereotype beeld van een nazi.

Van een geheel andere orde waren de moordenaars, de beulen. In deze categorie is Adolf Eichmann de meest bekende. Kort na de oorlog door de geallieerden gearresteerd maar weer ontsnapt, om enkele jaren later met hulp van een netwerk van sympathisanten te vluchten naar Zuid-Amerika. In Argentinië leefde hij een burgermansbestaan, tot de Israëlische geheime dienst Mossad hem in 1960 ontvoerde naar Jeruzalem. Daar werd hij in het voorjaar van 1961 berecht en opgehangen. Eichmann was tijdens de oorlog verantwoordelijk geweest voor de logistiek van de transporten naar de concentratiekampen. Een administrateur, in feite, een ambtenaar. Het ‘kwaad’ in een alledaagse verpakking. Dat gegeven verbaasde veel journalisten die het proces bijwoonden. De zaak Eichmann was wereldnieuws. Ze wakkerde de in die jaren groeiende interesse in de oorlog aan. Ook leidde ze tot een meer serieuze zoektocht naar andere in Zuid-Amerika verblijvende nazi's, zowel door justitie als door journalisten die op een primeur uit waren. En tot het onder druk zetten van de regimes in landen als Argentinië en Paraguay, tot dan toe min of meer vrijhavens voor nazi’s op de vlucht.

Het bericht van Eichmanns ontvoering en een jaar later zijn terechtstelling sloeg in de kringen van nazi’s in Argentinië in als een bom. Een jarenlang goed functionerende dekmantel bleek niet afdoende te zijn geweest, iedereen zou de volgende kunnen zijn. Zo ook Josef Mengele, voormalig kamparts van Auschwitz. De man die de per trein aangevoerde joden op het perron met simpele handbewegingen naar links of rechts dirigeerde, naar de gaskamers of naar een nog even uitgestelde dood. De man die uit naam van de medische wetenschap de meest gruwelijke ingrepen op gevangenen toepaste, op zoek naar wetenschappelijk aanzien. Het was Mengele gelukt om in het voorjaar van 1945 op tijd het oosten van Duitsland te verlaten, waarna hij onder een valse naam nog vier jaar in Noord-Duitsland doorbracht, als bosarbeider. Daarna werd hij onder weer een nieuwe identiteit, Helmut Gregor, naar Argentinië gesmokkeld. In Buenos Aires ging hij aan de slag als de vertegenwoordiger voor Mengele, de fabriek in landbouwmachines van zijn familie. Vanaf 1957, toen hij zich blijkbaar heel veilig waande, deed hij dat zelfs weer op een paspoort onder zijn eigen naam. Verkregen via de Duitse ambassade. Het ging hem voor de wind, zowel zakelijk als – voor zover mogelijk – privé. Tot de ontmaskering van Eichmann. Vanaf dat moment werd alles anders, vreesde hij voortdurend voor zijn leven, veranderde hij langzaam maar zeker in een opgejaagd dier.

Olivier Guez maakt in De verdwijning van Josef Mengele inzichtelijk wat dat langzaam sluitende net doet met Mengele. Hoe hij opnieuw een andere identiteit aanneemt, verhuist naar Paraguay omdat daar een militair regime aan de macht is dat hem zeker niet zal uitleveren wanneer Duitsland of Israël daarom vragen, hoe hij als boerenknecht zijn toevlucht zoekt op afgelegen boerderijen en uiteindelijk als oude, ziekelijke man in een sloppenwijk belandt. Eenzaam, door iedereen in de steek gelaten. De gedachte te worden ontdekt bezorgt hem nachtmerries, de voortdurende spanning en de eenzaamheid – geleidelijk verlaat iedereen hem - sloopt hem lichamelijk en geestelijk. Maar tegelijk houdt hij hooghartig vast aan zijn oude ideeën, blijft hij voor zichzelf zijn handelen als kamparts verdedigen. Het koffertje met zijn ‘onderzoeksresultaten’ sleept hij overal met zich mee.

Dat Mengele nooit is opgepakt is opmerkelijk. Guez laat zien hoe dat mogelijk is geweest. Een complex van factoren, variërend van plots gewijzigde prioriteiten bij de Mossad op een moment dat ze Mengele dicht waren genaderd tot aarzelen om door te pakken van de zijde van de Duitse justitie omdat dit politiek risicovol zou kunnen zijn.

Het boek is gebaseerd op de feiten die over het leven van Mengele na 1945 bekend zijn. Maar het is ook een roman, Guez vult het leven van alledag, de gesprekken en de geestesgesteldheid naar eigen inzicht in. Hij doet dat knap, weet zich overtuigend in zijn hoofdpersoon in te leven. Op kritische momenten ervaar je als lezer de zinderende spanning die Mengele zelf ook moet hebben gevoeld.


Mengele was vanaf de jaren zestig, toen de jacht op hem werd geopend, meer dan zomaar een bekende nazi. De gruwelijkheid van zijn medische praktijk in Auschwitz had hem tijdens de oorlog al de bijnaam ‘Todesengel’ (Engel des doods) bezorgd, zijn ongrijpbaarheid verleende hem vervolgens een schijn van onaantastbaarheid. De naam Mengele kreeg iets mythisch. Het is tekenend dat ook Hollywood in die jaren met het gegeven aan de haal ging. Twee speelfilms die in de jaren zeventig verschenen, Marathon Man (1976) en The Boys from Brazil (1978), zou je beide een – heel vrije - variatie op het verhaal van Mengele kunnen noemen. In Marathon Man speelt Laurence Olivier een arts die is geïnspireerd op Mengele, in Boys from Brazil vervult Gregory Peck de rol van Mengele die, diep verborgen in het Brazilaaanse regenwoud, een laboratorium aanstuurt waar kleine Hitlertjes worden gekloond. Ik kan me herinneren dat ik beide films zag in de bioscoop, en stel me voor dat ik me daarbij zoals de meeste bezoekers ook zal hebben afgevraagd waar Mengele op dat moment was, en of hij ooit zou worden gearresteerd. Dat laatste zou nooit gebeuren, Mengele stierf in februari 1979 tijdens het zwemmen in zee aan een hartaanval. Ten tijde van het uitkomen van die speelfilms woonde hij in een sloppenwijk in het Braziliaanse Bertioga, verarmd, alleen en ziekelijk. Een bestaan waaraan de glamour van het witte doek ontbrak.

Olivier Guez
De verdwijning van Josef Mengele
Vertaald uit het Frans door Geertrui Marks, Saskia Taggenbrock en Martine Woudt 
224 blz
Meulenhoff

zondag 3 juni 2018

Ondergronds in Parijs

De Duitse auteur Erich Maria Remarque leefde in een woelige tijd. Hij vocht in de Eerste Wereldoorlog aan het front, waar hij gewond raakte. Die ervaring verwerkte hij in de roman Im Westen nichts Neues (Van het westelijk front geen nieuws) die in 1929 verscheen. Een boek waarin de zinloosheid van de oorlog sterker voelbaar is kan ik me niet voorstellen. In 1931 publiceerde hij een vervolg, Der Weg zurück. De Nazis moesten niets hebben van zijn werk, dus verboden ze het nadat ze in 1933 aan de macht waren gekomen. Het ging in het openbaar op de brandstapel. Vijf jaar later werd hem zelfs zijn staatsburgerschap ontnomen. Remarque had dat onheil voelen aankomen en was al in 1932 verhuisd naar Zwitserland. Vandaar trok hij in 1939 naar de Verenigde Staten, net voor in Europa de hel losbarstte.

Veel van Remarques werk – hij schreef veertien romans – is doortrokken van de twee wereldoorlogen en de politiek en sociaal onrustige periode ertussen. Na 1932 was hij weliswaar toeschouwer vanachter veilige grenzen, maar hij was tegelijk een balling, een vluchteling, en tot aan zijn naturalisatie tot Amerikaan in 1947 ook een statenloze. Het is dat gevoel geen thuis meer te hebben en voortdurend op de vlucht te zijn dat Remarque in enkele van zijn beste romans op grootse wijze gestalte geeft. Vorig jaar las ik De nacht in Lissabon (zie blog 9 juni 2017), nu het in 1946 verschenen Arc de Triomphe.

De roman speelt zich af in het Parijs van de late jaren dertig. Ravic, een vrouwenarts, verblijft daar zonder de juiste papieren. Hij heeft weten te ontsnappen uit een Duits concentratiekamp  waar hij en zijn vriendin waren opgesloten. Zij heeft dat kamp niet overleefd, hij heeft de martelingen door de Gestapo wel doorstaan. In Parijs heeft hij zichzelf als illegaal min of meer onzichtbaar gemaakt. Hij woont in een klein hotelletje waar ook andere vluchtelingen verblijven. Hij verdient wat door in een ziekenhuis voor een bekende chirurg de meer ingewikkelde operaties te verrichten en in een chique bordeel de medewerksters periodiek op geslachtsziekten te controleren. Zijn sociale leven speelt zich af in cafés en in een nachtclub die hij graag bezoekt. De portier van die club, een Russische emigrant, is zijn beste vriend. Het is een fragiele balans, maar door niet op te vallen blijft hij buiten beeld van de autoriteiten.

Op een koude nacht in november ziet hij op een van de bruggen over de Seine, de Pont de l‘Alma, een jonge vrouw die met een starre uitdrukking op haar gezicht op de reling afloopt. Hij houdt haar tegen en neemt haar mee naar zijn kamer. Zij is Joan Madou, een Italiaanse die in opera’s zingt en kleine toneelrollen speelt. Ook zij is op de vlucht. Ofschoon het tegen zijn tactiek om zo anoniem mogelijk te leven is, beginnen zij een relatie. Joan geeft zich daaraan helemaal over, voor Ravic is dat niet mogelijk. Hij blijft op zijn hoede, bewaart meer afstand. De tweede natuur van de illegale vluchteling.

De gehele situatie kantelt wanneer Ravic op straat een stevige Duitser ziet lopen die hij ogenblikkelijk herkent als Haake, de Gestapo-officier die hem martelde. Wraak is vanaf dat moment zijn doel. Ravic bedenkt een plan om Haake om zeep te brengen zonder dat hij zichzelf blootgeeft. De zachtmoedige arts die zelfs in zijn eigen moeilijke omstandigheden altijd bereid is om anderen te helpen verandert in een sluwe en berekenende moordenaar.

De relatie met Joan en de moordplannen op Haake zijn de twee verhaallijnen die de roman vaart en kracht geven. Maar eigenlijk vormen zij niet de kern van de roman. Dat is voor mij eerder de sfeer die Remarque weet te creëren. Het leven in de betere kringen in Parijs is in de jaren voor het uitbreken van de oorlog één groot feest. Het is alsof iedereen de gruwel die op hen afstormt aanvoelt en het er nog even van neemt. In schril contrast daarmee staat het leven van de vluchtelingen, die zich in leven houden door beetje bij beetje hun bezittingen van de hand te doen of door met obscure baantjes wat geld verdienen. Ravic voelt zich ’s nachts het veiligst, wanneer de stilte, het donker én de calvados of wijn als een zachte deken aanvoelen. Door wat hij heeft moeten doorstaan is hij zijn angst voor wat kan komen deels al kwijtgeraakt. Het is de houding van wíllen overleven en tegelijk berusten in wat onafwendbaar lijkt die Remarque weergaloos invoelbaar maakt. Het is daardoor zo'n roman waarin je dagenlang kunt verdwijnen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hollywood het boek binnen twee jaar na verschijnen al verfilmde, met in de hoofdrollen Charles Boyer als Ravic, Ingrid Bergman als Joan en good old Charles Laughton als de gewetenloze Gestapoman. Nu bekijk ik niet graag films die zijn gemaakt naar boeken die ik goed vond, maar deze cast maakt me wel nieuwsgierig.

Erich Maria Remarque
Arc de Triomphe
Vertaald door C.J. Kelk
Met een nawoord van Edgar Hilsenrath
456 blz
Cossee

vrijdag 25 mei 2018

Een niet-geslaagde grap

De nieuwe roman van Herman Brusselsmans, Feest bij de familie Van de Velde, heeft een uiterst overzichtelijke verhaallijn: de beroemde schrijver is uitgenodigd om met zijn aanwezigheid de 85ste verjaardag van Mest van de Velde luister bij te zetten. Van de Velde is een eenvoudige ambachtsman - hij was zijn leven lang huisschilder – én een bewonderaar van het oeuvre van Brusselmans. De vrouw van Mest, Ravijn geheten, weet de schrijver voor het luttele bedrag van € 1.750,00 over te halen enkele uurtjes bij het feestdiner aan te zitten. Tussen de uitnodiging die hij aan het begin van het boek krijgt en het feest waarmee het boek eindigt geeft Brusselmans ons een beschrijving van het leven van Mest, Ravijn, hun familie en vrienden. Aangenomen dat het verhaal fictie is, gaat de schrijver aan het slot van zijn roman dus op bezoek bij de personages die hij in de voorgaande tweehonderd bladzijden heeft gecreëerd. Dat is een opzet die Brusselmans op het lijf is geschreven. Zou je denken.

Het begint vertrouwd. Al voordat de auteur in zijn levensbeschrijving bij de volwassen Mest is aangekomen heb je al een wereld betreden die je als vaste lezer kent. De formuleringen zijn kort door de bocht, de gesprekken zot, de situaties op het groffe af en deze keer een enkele maal zelfs pervers. Ook wordt er te pas en te onpas fantasievol geciteerd uit de werken van Vlaamse literaire grootheden als Hugo Claus, Stijn Streuvels, Felix Timmermans en August Vermeylen. De running gag is ditmaal dat alle personages in het boek volstrekt idiote namen hebben als Rispons Kluttenzut, Ukkelul Stijfgang, Janborst Boeventak en Pruikje Boosdoen. Door die namen, in combinatie met hun gedrag, krijgen ze iets heel karikaturaals, alsof het kobolden of gedrochten zijn. De enige met een normale naam, Mest van de Velde, wordt door de anderen aangekeken op zijn vreemde naam. Dat is wel een heel flauw grapje voor iemand die zich op het achterplat van zijn boeken steevast een ‘zeer belangrijk schrijver’ noemt.

Echt op gang komt de levensbeschrijving van Mest en zijn vrouw Ravijn niet. Het ontbreekt daarvoor aan gebeurtenissen en situaties die opvallend of grappig zijn. Het kabbelt maar door, ontmoeting na nietszeggende ontmoeting met vrienden en kennissen met rare namen en conversaties die vaak komisch bedoeld zijn maar die dat effect niet teweeg brengen. Halverwege het boek had ik nog niet eenmaal gelachen. Wat daarna trouwens ook niet meer gebeurde.

In zijn beste boeken leiden honderden pagina’s typisch ‘Brusselmansiaans’ voorspel naar een indrukwekkende afsluiting die werkt juist door dat wat eraan voorafging. Hier is die opzet ook aanwezig, maar vond ik de uitwerking ervan teleurstellend. De cover van het boek wijst natuurlijk al vooruit naar het afsluitende feestdiner. Het beeld toont een bestek, bestaande uit mes, vork en klauwhamer. Je verwacht dan een familiefeest dat door geruzie uit de hand loopt. Maar het zijn niet de overige gasten van Mest en Ravijn die de feestvreugde bederven. Het is hun schepper zelf. Ik ga niet uit de doeken doen hoe dat verloopt, maar heel vrolijk werd ik er niet van. Stilistisch is het zwak, gevoelsmatig is het zuur. Het is een grap die in de handen van Brusselmans ditmaal niet werkt. Jammer.

Herman Brusselmans
Feest bij de familie Van de Velde
224 blz
Prometheus

zondag 20 mei 2018

Reizen door Europa

Onderzoek heeft uitgewezen dat het hebben van een auto emoties oproept bij de bezitter ervan. Een daarvan is een gevoel van vrijheid en avontuur, van het kunnen gaan en staan waar je wilt. Vandaar dat veel reclamespotjes voor nieuwe modellen worden opgenomen in prachtige landschappen, langs rotsachtige kustwegen of zelfs off-the-road. Wegen spreken in dit verband tot de verbeelding. Ze bieden je de mogelijkheid te reizen, onbekend terrein te verkennen, je blik op de wereld te verruimen en risico’s te nemen, wat aan ons enigszins eentonige leven een zekere spanning verleent. In Over oude wegen presenteert Mathijs Deen acht historische reizen over oude wegen. Het zijn niet de meest bekende reizen, zoals de tocht van Hannibal of de expeditie van Marco Polo naar het Verre Oosten, maar dat is nu juist de charme van zijn selectie. Ik kende er slechts een van. Ieder verhaal is tevens kenmerkend voor het reizen in een bepaald tijdperk, zodat je als lezer een mooi overzicht krijgt van het reizen door de eeuwen heen én van deels onbekende stukjes Europese geschiedenis.

Deen begint in de verre oertijd, ongeveer 800.000 jaar geleden, de periode dat vanuit Azië en Afrika de eerste mensen voet op Europese bodem zetten. Soms zijn hun voetafdrukken in versteende bodemlagen nog het enige bewijs voor hun aanwezigheid, een enkele keer zijn menselijke resten gevonden. Het is puzzelen, schriftelijke overleveringen ontbreken. Wie deze mensen waren, wat zij in Europa kwamen zoeken, wat zij dachten: het is allemaal onbekend. Toch weet Deen je in ruim dertig bladzijden een idee van hun wereld te geven.

In elk van de volgende reisverhalen staat steeds iemand centraal. Dat maakt de geschiedenissen heel persoonlijk. De door Deen gekozen persoon staat ook steeds voor een type reiziger. In het oude Rome is dat een struikrover die op de doorgaande wegen reizigers berooft, in het Holland van de Gouden Eeuw is dat een geloofsvluchteling, in de achttiende eeuw een Hollandse soldaat tijdens Napoleons Russische veldtocht, kort na 1900 rallyrijders – indertijd een volstrekt nieuw type – en het boek eindigt met een ‘omgekeerde vluchteling’, een Marokkaanse Nederlander die terugkeert naar zijn vaderland.

Het indrukwekkendste verhaal is voor mij dat van Gudrid, een IJslandse vrouw die kort na het jaar duizend leeft. Haar geschiedenis is er een van een hard leven, het koude Noorden van Europa was in die tijd alleen geschikt voor de sterken. De dood was tijdens Gudrids leven dan ook alom aanwezig. Veel van haar naasten, waaronder haar drie echtgenoten, stierven al op jonge leeftijd. Gudrids leven is pas twee eeuwen na haar dood opgetekend. Die teksten spreken van een reis naar Groenland, waar ze enkele seizoen blijft wonen en ook een overwintering meemaakt. Ze reist zelfs nog verder, naar het land dat toen bekend stond als Vinland, het tegenwoordige Newfoundland in Noord-Amerika. Daar vestigt zij zich met haar reisgezelschap, bouwt een huis, bewerkt het land, teelt vee. Tot de oorspronkelijke bewoners hen na enkele jaren verjagen. Waarna de groep weer terugkeert naar IJsland, in kleine boten over de grote oceaan. Dan, in het jaar 1025, tegen het eind van haar leven, reist zij als pelgrim naar Rome. Een oude vrouw, alleen op weg door Europa, met weinig geld en geen andere taal sprekend dan haar eigen taal. Het lijkt moeilijk te geloven. Het verhaal van die pelgrimage is dan ook het minst betrouwbare deel van de overgeleverde teksten over Gudrids leven. Het zou zomaar kunnen zijn toegevoegd ter promotie van het christelijk geloof in IJsland in de dertiende eeuw. Maar Deen beschrijft ook díe reis, want de Europese wegen werden in die periode immers overspoeld door pelgrims op weg naar Rome of Jeruzalem, dus onmogelijk is het niet.

In het Europa van vandaag is reizen nauwelijks nog een avontuur. Ons hele leven is geregeld, dus ook het reizen. Voor de automobilist zijn er maximumsnelheden, stoplichten, inhaalverboden en een wirwar aan andere verkeersregels. Die maken het reizen veiliger maar niet altijd sneller. Deen merkt dat wanneer hij in de zomer van 2015 in zijn auto van Parijs naar Wenen rijdt, over dezelfde wegen die in 1902 het parcours vormden voor de rally tussen die twee steden. Tientallen coureurs deden daaraan mee, in machtig brullende sportwagens die over de wegen stoven, stofwolken opwerpend, paard en wagens de berm indrukkend en op volle snelheid door dorpjes razend. De winnaar deed er 15 uur en 47 minuten over. Deen had er, meer dan een eeuw later, maar liefst 25 uur voor nodig.

In het jaar erop, 1903, voerde de wedstrijd van Parijs naar Madrid. Dat was alweer de vierde editie, na Parijs-Amsterdam, Parijs-Berlijn en de al genoemde Parijs-Wenen. De faam van de wedstrijd was inmiddels enorm, alle kranten in Europa schreven erover. De autofabrikanten stopten vermogens in het prepareren van hun wagens, de coureurs hadden een heldenstatus. Maar het ging dat jaar mis. Aan het eind van de eerste dag lag de route van Parijs naar het zuiden bezaaid met autowrakken en verongelukte coureurs. De wedstrijd werd gestaakt. Het drama leidde tot de beslissing voortaan uitsluitend autoraces toe te staan op afgesloten parcoursen. Het laatste stukje écht avontuur op de openbare oude wegen was daarmee geschiedenis.

Mathijs Deen
Over oude wegen. Een reis door de geschiedenis van Europa
416 blz
Thomas Rap

maandag 14 mei 2018

Dichten tegen de verdrukking in

Op 10 november 1938 noteerde Lidija Tsjoekovskaja in haar dagboek: 'Gisteren ben ik bij Anna Andrejevna geweest voor zaken. Ik, die sinds mijn jeugd haar gedichten van buiten ken en haar portretten verzamel, heb nooit gedacht dat ik nog eens naar haar toe zou gaan "voor zaken".' De term zaken verwijst naar een advies dat Tsjoekovskaja zocht in verband met het lot van haar echtgenoot, de natuurkundige Matjev Bronstein, die een jaar eerder was gearresteerd. Anna Andrejevna, die bekender is onder haar pseudoniem Anna Achmatova, zou je een ervaringsdeskundige kunnen noemen want haar man én zoon zaten op dat moment in strafkampen. Met de man van Tsjoekovskaja zou het niet meer goedkomen. Zij ontving bericht van de autoriteiten dat hij voor tien jaar naar een strafkamp was gestuurd. In werkelijkheid was hij ten tijde van dat bericht al gefusilleerd, maar dat hoorde ze pas jaren later. De ontmoeting van de twee dames zou de eerste zijn in een lange reeks. Tot het overlijden van Achmatova in 1966 zagen ze elkaar regelmatig. Vanaf dat eerste bezoek ook noteerde Tsjoekovskaja waarover zij spraken. Vrijwel alle notitieboekjes hebben gedwongen verhuizingen, huiszoekingen en een oorlog overleefd en vormen nu de basis van de bundel Ontmoetingen met Anna Achmatova.

Anna Achmatova (1889-1966) wordt beschouwd als een van de grootste Russische dichters van de twintigste eeuw. Ze debuteerde al op jonge leeftijd. Het communistische regime dat vanaf de revolutie van 1917 de dienst uitmaakte was echter wars van artistieke vrijheden. De beeldende, uitvoerende én literaire kunsten werden geacht zich in dienst van de socialistische heilstaat en de wereldrevolutie te stellen. De grote mate van artistieke onafhankelijkheid die Achmatova zich veroorloofde stond haaks op dat cultuurbeleid van de partij. Maar haar poëzie was geliefd onder de bevolking, wat haar een zekere mate van onaantastbaarheid gaf. Voor haar geliefden had Stalin echter geen ontzag. Haar eerste echtgenoot werd in 1921 gefusilleerd, haar tweede man verdween in de jaren dertig in een strafkamp, haar zoon zat in de jaren dertig en aan het einde van de jaren veertig gevangen en een van haar beste vrienden, de dichter Osip Mandelstam, verdween in 1938 spoorloos.

De relatie tussen de twee dames was er niet een van gelijkheid. Lidija Tsjoekovskaja, die zelf ook schreef – haar novellen Het verlaten huis en Duik in de diepte gaan over het zware leven  van de vrouw in de Stalintijd -, vereerde de grote dichteres. Zij stelde zich dienstbaar op, kwam aanrennen zodra Achmatova daarom vroeg. Stond haar bij in allerlei zaken, zowel alledaagse klusjes als het redigeren van haar gedichten. Achmatova van haar kant liet zich die verering en dienstbaarheid aanleunen, zij wist dat zij die vanwege haar literaire status verdiende. Maar ze kon opeens ook heel aanhankelijk en meegaand zijn, zeker op momenten dat zij zich realiseerde dat haar vriendin het in het dagelijks leven net zo moeilijk had als zij zelf.

De ontmoetingen beslaan de jaren 1938-1962. In die periode maakte Achmatova alle gradaties van bemoeienis van de staat met de literaire wereld als geheel en haar gedichten in het bijzonder mee. Het begon met de meedogenloze terreur van Stalin, waarna de stilstand tijdens de Tweede Wereldoorlog, de korte opleving van een gevoel van vrijheid direct daarna, dan opnieuw de harde hand van de partij en vervolgens, na de dood van Stalin in 1953, een zekere ontspanning onder Chroetsjov volgden. Voor Achmatova betekenden al deze fasen bijna even zovele manieren waarop de partij omging met haar oeuvre, van een algeheel publicatieverbod tot toestemming om te publiceren mits ze sommige gedichten aanpaste tot het uitbrengen van een editie van haar verzameld werk. Die voortdurende onzekerheid maakte haar moedeloos. Want zelfs in de gunstigste situatie, wanneer iets van haar gepubliceerd werd, had de betrokken ambtenarij soms de neiging dat alleen voor de bühne te doen, werd de oplage slechts onder een kleine kliek verspreidt en bereikte die niet de algemene boekhandel.

Achmatova ging onder alle omstandigheden door met dichten. Kort voor de oorlog werkte ze aan twee reeksen, Requiem en Epos zonder held. Aan de laatste zou ze ook na de oorlog, toen ze vanaf 1946 weer een publicatieverbod had, doorwerken. Het werd in die jaren zelfs te gevaarlijk om de manuscripten ervan in huis te hebben. Tsjoekovskaja beschrijft de ‘veilige’ werkwijze: ‘Als Anna Andrejevna bij me op bezoek kwam, las ze me verzen voor uit Requiem, eveneens op fluistertoon, maar bij haar thuis aan de Fontankagracht waagde ze dat zelfs niet fluisterend; plotsklaps, midden in een gesprek, verstomde ze en pakte, met haar blik naar het plafond en de muren wijzend, een stuk papier en een potlood, vervolgens uitte ze een beleefdheidsfrase: “wilt u thee?”of “wat bent u bruin geworden”, dan schreef ze snel iets op het papier en overhandigde het mij. Ik las de verzen, prentte ze in mijn geheugen en gaf ze zwijgend aan haar terug. “Wat is de herfst vroeg dit jaar”, zei Anna Andrejevna hardop, stak een lucifer aan en verbrandde het papier boven de asbak. Het was een ritueel: haar handen, de lucifer, de asbak; een prachtig maar treurig ritueel.” In de zwartste tijden had Achmatova meer dan tien vrienden die haar oeuvre in hun hoofd bewaarden. Ze bezocht ze af en toe, ging met hen in het park zitten en repeteerde de gedichten.

De aantekeningen van Tsjoekovskaja zijn rijk aan gebeurtenissen die de officiële literatuurgeschiedenis niet hebben gehaald. Mooi is haar beschrijving van de dagen na het overlijden van Boris Pasternak, met wie de dames bevriend waren geweest. Pasternak was bij de autoriteiten in ongenade gevallen nadat hij in 1955 zijn roman Dokter Zjivago voltooide. Het boek mocht niet worden gepubliceerd. Nadat Pasternak in 1957 een Italiaanse vertaling liet verschijnen en hem het jaar daarop voor het boek de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, was hij een uitgestotene. Maar na zijn overlijden in 1960 togen veel bewonderaars naar het schrijversdorp Peredelkino, net buiten Moskou, om zijn uitvaart bij te wonen. Het werd een emotioneel eerbetoon aan de vrije geest. Gadegeslagen en gefotografeerd door agenten van de veiligheidsdienst.

Ook Achmatova’s werk was bekend in het westen. Vanaf het begin van haar dichterschap gaf ze toestemming voor vertalingen in het Engels. In 1962 behoorde ze tot de kanshebbers voor de Nobelprijs voor Literatuur. Daarna volgden literaire prijzen, en in 1965 een eredoctoraat in de Letteren in Oxford. Dat laatste mocht ze zelf in ontvangst gaan nemen. Maar het was erkenning die voor haar te laat kwam. Ze was 76, een leven vol onzekerheid had haar een slechte gezondheid opgeleverd. Na terugkomst in Rusland werd ze getroffen door een zware hartaanval. Een jaar later overleed ze.

Lidija Tsjoekovskaja
Ontmoetingen met Anna Achmatova 1938-1962
Met een nawoord van Joseph Brodsky
Vertaald door Kristien Warmenhoven
privé-domein
368 blz
Uitgeverij De Arbeiderspers


zaterdag 5 mei 2018

Tsjaikovskistraat 40, Sint-Petersburg

Wanneer Pieter Waterdrinker en zijn echtgenote Julia op een herfstavond in 2016 in Sint-Petersburg thuiskomen van een opvoering van het ballet Giselle in het Mariinski-theater, vindt hij in zijn mailbox het volgende bericht van zijn uitgever: ‘Hoi Pjotr, Vorige week kregen we hier op de uitgeverij een geweldig idee. Over een jaar is het honderd jaar geleden dat de Russische Revolutie plaatsvond. We waren zo’n beetje aan het brainstormen en nu dachten wij: is het niet aardig als je daar een boekje over maakt? Maar niet te dik. En hou het vooral persoonlijk. Tegen die tijd stikt het natuurlijk van de herdenkingsboeken. Willen we door die berg van publicaties heen komen – qua aandacht in de media – dan kan dat alleen als je het persoonlijk houdt. Persoonlijk, persoonlijk, persoonlijk. We moeten het trouwens wel snel weten, want hoewel de voorjaarsaanbieding nog niet geheel klaar is zijn we alweer bezig met die voor het najaar.’

In eerste instantie wijst Waterdrinker het voorstel af, omdat hij na een kwart eeuw zonder échte doorbraak heeft besloten te stoppen met schrijven. Maar als hij de volgende ochtend zijn zwager Aleksej op bezoek krijgt die hem vraagt om een lening voor een bedrijfje dat hij wil opstarten – geld dat Waterdrinker niet heeft liggen – neemt hij de opdracht om zo’n boek te schrijven toch aan. Op voorwaarde dat hij een voorschot van tienduizend euro krijgt, dat hij direct doorsluist naar zijn zwager. Het resultaat is Tsjaikovskistraat 40, een wonderlijk boek over het oude én nieuwe Rusland. Ook een heel persoonlijk boek. Dat had de uitgever hem immers gevraagd.

Het persoonlijke karakter begint al met de titel van het boek. Die verwijst naar het adres van het appartement waar Waterdrinker en zijn vrouw wonen, in een statig neoclassicistisch pand. De Tsjaikovskistraat – genoemd naar een revolutionair, niet naar de componist - ligt in het historische hart van Sint-Petersburg, om de hoek vond de Russische Revolutie plaats. Het verhaal van die revolutie en de aanloop er naartoe krijgen van Waterdrinker ruime aandacht. Hij paart een degelijke historische benadering aan een gezonde mate van ironie in zijn stijl van schrijven. Als hij het heeft over de opstand van de bevolking van Sint-Petersburg in 1905, die door het leger bloedig werd neergeslagen, luidt het : ‘De tsaar, in de weldadige warmte van zijn geliefde gezin dertig kilometer verderop in zijn buitenverblijf, gaf het bevel tot doden.’

Maar meer nog dan over de historie schrijft Waterdrinker over het Rusland van nu én over zijn eigen leven in het land. Dat laatste vangt aan in het najaar van 1988, als hij op verzoek van een wat schimmig zendingsgenootschap het transport per schip van zevenduizend bijbels in de Russische taal van Rotterdam naar Leningrad begeleidt. Het is een kennismaking met de absurde randjes van het zakendoen in het indertijd al snel veranderende Rusland. In de jaren erna runt hij samen met een partner een bureau voor reizen naar Rusland. Dat neemt een grote vlucht, de glasnost creëert in het westen een enorme belangstelling voor het land. Waterdrinker is in die opzet ‘onze man ter plekke’ – in dit geval Moskou – en begeleidt ook zélf reizen. Hoe onzeker dit métier in die jaren soms is mag blijken uit zijn geestige beschrijving van een reis naar Tbilisi in Georgië. Hij arriveert daar met een groep Hollanders in april 1989, precies op het moment dat er in het land een opstand tegen de regeriing in Moskou uitbreekt. Na een vertraagde en geïmproviseerde vlucht in een aftands Antonov-propellervliegtuigje landt de groep op de luchthaven van Tbilisi, om vervolgens niet naar het geboekte chique hotel in de oude stad te worden gebracht maar naar een socialistisch congrescentrum in de bergen. Waar de enige douche voor de verwende en vermoeide reizigers  de vorm blijkt te hebben van een gemeenschappelijke ruimte met zeven douchekoppen. Ga dat maar eens rechtbreien, in een uithoek en zonder mobiele telefoon. Na verloop van tijd specialiseren Waterdrinker en zijn compagnons zich in reizen voor Nederlandse zakenlui die contact willen leggen met Russische ondernemers. Dat is zeer lucratief, het maakt die Nederlanders weinig uit wat ze voor zo'n reis moeten neerleggen. Maar uiteindelijk wordt Waterdrinker door zijn partners aan de kant gezet, waarbij ze gebruik maken van 'afspraken' die te vaag zijn vastgelegd.

Sindsdien verdient Waterdrinker zijn brood als journalist en correspondent voor Nederlandse dagbladen en andere media. Hij kent Rusland daardoor als geen ander. Enkele jaren geleden publiceerde hij zijn ervaringen in het boek De correspondent. Een aanrader. Maar meer dan journalist voelt hij zich schrijver. In Tsjaikovskistraat 40 laat hij zien dat hij dat wel degelijk is. Hij noemt het boek een roman, waarmee hij de vrijheid heeft om verhalen aan te dikken. Een mooi verhaal hoeft dan immers niet voor de volle honderd procent waar te zijn. Dat levert prachtige passages op, vooral wanneer het gaat over zijn samenwerkingen met de soms wat louche zakenlieden. Maar aan de kern van het boek, dat het Rusland laat zien zoals het was en is, doet die werkwijze naar mijn mening niet af.

Waterdrinker is een begenadigd schrijver, hij heeft een mooie, rijke stijl. Soms wat overdadig, maar dat gebeurt meestal wanneer hij zich door zijn enthousiasme laat meeslepen. Hij kan het ook klein houden. Een voorbeeld daarvan is de scène die volgt op het overlijden van een poes van het echtpaar, Ljolja. Nadat Julia wekenlang met het dier langs dierenartsen en klinieken heeft gezeuld, overlijdt het toch. Bij gebrek aan een datsja, en dus een tuin, moet er een grafplek in de stad worden gezocht. Ze besluiten het beestje dan maar te begraven in de Taurische Tuin, een park bij hen in de buurt. Het is winter, dus er waait een straffe poolwind door de stad. Tegen middernacht, en gewapend met een geleende schep, gaan ze op pad. Ze komen langs het huis waarin Lenin woonde, wat leidt tot een paginalange uitweiding over diens rol in de revolutie. In het park aangekomen, waar de sneeuw een halve meter hoog ligt en de bovenlaag van de grond stijf bevroren is, weten ze met veel moeite hun geliefde huisdier te begraven. Op de terugweg, in hun eigen straat aangekomen, merkt Julia op: ‘Weet je dat ook de weduwe van Dostojevski bij ons in de straat heeft gewoond? Misschien is dat leuk voor je boek. Op welk nummer precies weet ik niet, maar zal ik het eens voor je uitzoeken?’ Een bescheiden en intiem verhaaltje, met een hoog Tjsechov-gehalte.

Met de term ‘roman’ stopt Waterdrinker het boek misschien in een te nauw hokje. Daarvoor is het toch te autobiografisch. Hij laat zien hoe het is om te leven en werken in het huidige Rusland. Maar ook hoe het is om dat te doen ver van je familie, in een land waar allerlei voorzieningen veel slechter zijn dan in Nederland. Dat je alleen kunt overleven door allerlei klussen aan te nemen om wat geld te verdienen. Waarvan het schrijven van boeken niet het meest lucratief is. Tijdens zijn schrijfdip heeft hij uitgerekend dat zijn oeuvre van tien boeken, bijeen geschreven in een periode van twintig jaar, hem gemiddeld een inkomen heeft opgebracht van driehonderd euro per maand. Misschien dat dit bedrag na dit boek wat omhoog gaat …

Pieter Waterdrinker
Tsjaikovskistraat 40
432 blz
Nijgh & Van Ditmar