zondag 21 juni 2026

De 'faux pas' van Pyke Koch

Het is een goed gebruik om in een non-fictie of wetenschappelijk boek je dank uit te spreken jegens degenen die jouw bij het onderzoek en het schrijven hebben geholpen. Dat is dan ook wat Susana Puente (1992, New York) in de inleiding van De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch keurig doet. Maar ik gleed zo ongeveer van mijn stoel toen ze dat rijtje namen afsloot met: ‘Maar mijn diepste dank gaat uit naar de Koch-kenners die weigerden met mij te praten: zonder hen zou ik nooit zo geïnspireerd zijn geraakt om zo veel jaren in hun land deze vreemde, slecht gekende en te weinig bekende kunstenaar te onderzoeken.’ Oei, daar had je het al. Al na nauwelijks vijf bladzijden in de inleiding gooit Puente de knuppel in het hoenderhok. Ze heeft het fatsoen die ‘weigeraars’ niet bij naam te noemen, maar acht het wel nodig om op deze prominente en opvallende plek aandacht te vragen voor het feit dat er over Pyke Koch (1901-1991), over de man én de kunstenaar, verschillende opvattingen bestaan. Die soms zo diepgaand zijn dat vakgenoten daarover niet met elkaar willen spreken. 

Nou is het gedoe over Pyke Koch niet nieuw. Het was voor mij juist een van de redenen de biografie te lezen, uit nieuwsgierigheid. Waar gaat het om? Eind jaren dertig ontwikkelde Koch zich tot een fervent aanhanger van het nationaalsocialisme. Een fascist in hart en nieren, die in artikelen en andere publicaties de ideeën van het nationaalsocialisme verkondigde en verheerlijkte. Hoewel hij al binnen enkele jaren moet hebben aangevoeld dat hij hiermee op de verkeerde weg was en vervolgens probeerde zijn straatje schoon te vegen, was dat te laat. Na de oorlog was er voldoende bewijsmateriaal om hem een straf op te leggen. Maar door eigenhandig de voortgang van de verhoren te traineren, alsmede door afnemende interesse bij de speciale rechtbanken, wist hij aan een stevige veroordeling wegens collaboratie te ontkomen, het werd een expositieverbod van enkele jaren.  Daarna ging hij weer aan de slag, alsof er niets was gebeurd.

Nu was Koch, zeker technisch gezien, een fenomenaal goede schilder. Maar indrukwekkend kun je zijn beste werk ook noemen. Wie wel eens een van zijn vroege vrouwenportretten heeft gezien, bijvoorbeeld Bertha van Antwerpen of De schiettent, beide uit 1931, zal die niet snel vergeten. De vrouwen staan groot in beeld, de voorstelling is onaangenaam belicht en het geheel ademt een vleugje magisch realisme. Het waren voorstellingen die vragen opriepen. In de jaren voor de oorlog was dat in binnen- en buitenland een geliefd concept, al heel kocht Museum Boijmans De schiettent. En ook in sociaal opzicht zat Koch goed in z’n vel: Charley Toorop gaf hem in 1935 een plekje op haar monumentale schilderij Maaltijd der vrienden.

Maar zomaar doorgaan na de oorlog? Museumdirecteuren en kunsthistorici zaten daar wel mee in hun maag, al sleet dat gevoel vrij snel. Koch was natuurlijk fout geweest, maar iedereen kan fouten maken was de gedachte. Als hij daarna de dwaling maar inziet. En bovendien: wat er ook is gebeurd, hij blijft een geweldige kunstenaar. De man en zijn kunst werden in deze denktrant van elkaar losgeknipt. In de publicaties die sindsdien over Koch verschenen, was dat het nieuwe narratief. En gaandeweg volgden de musea. Het werk van Koch werd weer salonfähig, hij kreeg tentoonstellingen. 

Susana Puente maakte in 2017 kennis met het werk van Koch, toen zij een stage liep bij de Pyke Koch Stichting en het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD). Ze assisteerde bij het opbouwen van een digitale oeuvrecatalogus van het werk van de kunstenaar. Die zou verschijnen wanneer de Stichting haar omvangrijke archief met persoonlijke documenten van Koch, het Pyke Koch Archief, aan het RKD zou overdragen. Ook ter gelegenheid daarvan zou het Centraal Museum in Utrecht een overzichtstentoonstelling organiseren. Toen Puente die bezocht was ze verbaasd. Ondanks de veelheid aan egodocumenten en andere archiefstukken, waarvan ze er zelf veel onder ogen had gehad, werd er heel weinig gedaan met Kochs sympathie voor het nationaalsocialisme. Ja, het befaamde Zelfportret met haarband uit 1937 was inderdaad een overduidelijk blijk van sympathie voor het nationaalsocialisme. Maar die fase had bij Koch maar heel kort geduurd, en hij was snel daarna tot inkeer gekomen. De politiek en de kunstenaar waren in Utrecht nog steeds twee zaken die weinig met elkaar te maken hadden.

Voor Puente was het daarmee duidelijk: Pyke Koch zou de jaren daarop haar studieonderwerp zijn. Met als doel het beeld van Koch indien nodig bij te stellen. In artikelen en eventueel een monografie de man als geheel te beschouwen, als mens, kunstenaar én denker. Daarbij zou ze het oeuvre dus beschouwen als bronnenmateriaal, omdat het in het grote geheel nieuwe interpretaties zou kunnen opleveren. Die aanpak brengt risico’s met zich mee, realiseerde ze zich. Wetenschap baseert zich immers op bronnen, op hard bewijs. Kunstwerken of een heel oeuvre zo gebruiken is meestal not done. Hoogstens als circumstantial evidence. Ze begaf zich dus op glad ijs.

Lukt het haar? Weet ze te overtuigen? Ja, in behoorlijk wat gevallen komen haar redeneringen, waarvoor ze nu steeds gebruik maakt van meerdere aspecten én jou als lezer de prima kleurenafbeeldingen voorlegt, verhelderend op mij over. Al is er heel af en toe sprake van iets ‘willen zien’ zien in een voorsteling. Maar dat is inherent in de gekozen werkwijze. Haar opstelling in dit betoog is trouwens sympathiek: ‘Velen zullen het niet eens zijn met mijn interpretaties. Dat is prima. Mijn doel is niet om de lezer te overtuigen van mijn absoluut gelijk. Ik wil alleen laten zien dat mijn interpretatie mogelijk is, en plausibel, als je maar diep genoeg graaft. Waarom zou je dat niet doen? Als Kochs werk wordt besproken, laat het dan niet oppervlakkig of halfslachtig gebeuren, maar met vuur en volledige inzet – of anders liever niet.’ 

Susana Puente / De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch / 360 blz / Prometheus, 2026 // Foto Susana Puente: Jeanette Huisman

maandag 15 juni 2026

Schelmenroman wordt solotoneel

Van den vos Reinaerde: ik heb er altijd een wat moeizame relatie mee gehad. Zoals met meer middeleeuwse werken uit onze literatuur – Karel ende Elegast, Hadewijch, Beowulf. Al vanaf de middelbare school. Voor mij als zeventienjarige waren deze verplichte nummers niet heel spannende onderdelen van de literatuurlessen. Lestijd die je in mijn ogen beter had kunnen besteden aan de moderne en hedendaagse literatuur die op dat moment, we schrijven midden jaren zeventig, veel te bieden had. Maar sinds enkele jaren zie ik in dat ik fout zat. Het lezen van het indrukwekkende De Reynaert van Frits van Oostrom heeft mij de ogen geopend, zoals dat heet. In een prachtig opgebouwd betoog doet Van Oostrom wat hij al zo vaak eerder deed: hij neemt je mee in de wereld van de middennederlandse literatuur, schetst de maatschappelijke en sociale context waarin de Reynaert kon ontstaan en fileert de tekst als was hij een volleerd dramaturg. 

Op basaal niveau is het verhaal van de vos eenvoudig en overzichtelijk. Tijdens de jaarlijkse hofdag waarop alle dieren het bewind van de koning, Nobel de leeuw, komen vieren, worden meerdere aanklachten tegen Reynaert de vos ingediend: moord, verkrachting, blindmaking.  Omdat Reynaert als enige niet aanwezig is, geeft Nobel aan achtereenvolgens Bruun de beer, Tybeert de kater en Grimbeert de das opdracht hem te arresteren. De eerste twee laten zich door listen van Reynaert in de luren leggen, de derde lukt het om de vos voor de rechtbank te brengen. Maar, sluw als hij is, weet deze tijdens het proces de koning wijs te maken dat hij de locatie weet waar een vorstelijke goudschat is begraven en dat hij die aan de koning zal onthullen in ruil voor gratie. Dat lukt, en Reynaert weet zelfs nog de benen te nemen voordat de koning doorkrijgt dat hij is bedrogen.

De auteur van de Reynaert is ons niet bekend, evenmin als de datering. Over dit laatste bestaat wel enige consensus, het zou omstreeks 1260 geweest kunnen zijn. Een  origineel manuscript ontbreekt, we moeten het doen met latere handschriften of delen daarvan wat de zaak compliceert. Dat geldt trouwens ook voor de rijkdom aan vroege versies, in meerdere talen, wat lijkt te wijzen op een vroege en grote populariteit en mogelijk een orale traditie, als laatmiddeleeuws toneelspel. 

Deze wat lange, door mij al eerder geschreven inleiding brengt ons precies bij het onderwerp van dit blogje: ReinAard. Schelmenroman. Een bewerking van het verhaal van de vos door Tom Lanoye. Hij deed zoiets al eerder – Goethe, Shakespeare, Tsjechov, Euripides – maar hij gaat nu heel ver. Gunt zichzelf zeeën van literaire vrijheid. Het boek verscheen vorig jaar, was een genot om te lezen, maar onlangs verscheen wat je de overtreffende trap zou kunnen noemen: het luisterboek, voorgelezen door Lanoye zelf. De term ‘voorgelezen’ past hier eigenlijk niet, ‘geacteerd’ is passender. En Lanoye’s versie van de ReinAard leent zich daar uitermate voor. Kon je als lezer vorig jaar al zien dat Lanoye van de tekst een spel had gemaakt – de afwisselende typografie is daarbij een leidraad, evenals de ‘streetversion’ van het Engels, een soort rappen, waarop hij overschakelt wanneer ReinAard zichzelf verliest - als luisteraar beleef je dat daadwerkelijk. 

Dit roept om een voorbeeld, een citaat. Welnu, misschien gewoon de eerste alinea van het spel, waarin Lanoye een beetje de draak steekt met zichzelf:

'Ouverture tussen biecht en belofte.

Wat is er fokking fout met mij? / Ik smeet mij wel, zelfs voor goed geld, / Op het verminken van the Shake / En het verbasteren van Vondel. / Geen meesterwerk was mij te heilig - / Amok en bagger maakte ik / Van Goethe en antieke Grieken, / Van tering-Tsjechov, schele Sartre en de rest van de reutemeteuten … / Geen vege voorvader bleef veilig: / Ik goot ze door mijn zeefje tot / Ze klonken als door God gezonden. / (Wel eerst door mij gevierendeeld, Verknipt, verknapt en weer verbonden.) /  Maar nooit, putain! – hoe is dat mogelijk? – Zocht ik mijn stuff in eigen streek. / Juist ik. Gescheten, uitgespogen, / In ’t Zotte Land van Waas en Wee / Waar ooit een vos de wellust preekte.'

En zo gaat het een kleine zeven uren lang door. Luisteren wordt hier een vorm van zinnelijk genot. Lanoye toerde met deze tekst, als solotoneel, langs de theaters in Vlaanderen en Nederland. Ik stel me voor dat wat in de beleving van veel bezoekers altijd ‘een schijnbaar simpel middeleeuws verhaaltje’ was, aan het slot van het spel voor velen een ziel heeft gekregen. Dat is dan te danken aan Lanoye, maar zeker ook aan de hierboven al genoemde Frits van Oostrom, zoals Lanoye verderop in de ouverture grif toegeeft: 

'Wie blijft? / Die schrijft zich in voor vuur / En avontuur. Dat zeg ik niet / Om bestwil of uit hovaardij. / Fok! Ei zo na was er geen shit / Van dit geschrift in huis gekomen. / Het is mij in de maag gesplitst - / Al was er weinig splitsen nodig, / En ook geen sprake van gekift / Of hang naar dwang - / door niemand minder dan: / Professor Frits. Dé specialist / In vossenzaken. Kenner der / Godganse middeleeuwen, met hun letteren en tetteren, / Hun schitterende schetteren - / Daarvan is Frits de beste connaisseur. / Maar ook van mijn, in vergelijk / Daarmee, modeste repertoire.'

Tom Lanoye / ReinAard. Schelmenroman / 321 blz / Prometheus, 2025 // Luisterboek, geacteerd door de auteur / geproduceerd in samenwerking met De Uitsprekerij / 2026 / 6 uur en 44 minuten

donderdag 4 juni 2026

Homerus, maar dan anders

De uitgever van Zoon van niemand, de zojuist verschenen roman van Yann Martel, heeft op de cover van het boek een sticker laten plakken met de tekst ‘Van de auteur van Life of Pi’. Goudkleurig, het doet denken aan een medaille. Waarom doet hij dit? Uit trots dat hij de Nederlandse editie van deze roman mag uitgeven? Yann Martel is immers een topauteur. Of - een meer venijnige gedachte - om de potentiële koper van het boek eraan te herinneren wie die Yann Martel ook al weer was? Want Life of Pi verscheen vijfentwintig jaar geleden. En ja, het was een weergaloze roman. En ja, het was een bestseller waarvan in tientallen taaledities miljoenen exemplaren over de toonbank gingen. Om over de cijfers van de door Ang Lee geregisseerde speelfilm naar het boek maar te zwijgen. Maar heeft Martel dan sindsdien niets anders geschreven waar je als uitgever naar kan wijzen? Ja en nee.

Life of Pi was de tweede roman van Martel (1963). Hij verscheen op de dag na 9/11. Die dag waarop velen zich realiseerden dat de wereld was veranderd. Dat gold ook voor Martel, maar dan in iets positievere zin. Hij was nu niet langer een beginnende schrijver die iets te vaak door uitgevers werd afgewezen. Integendeel, de uitgevers zaten nu achter hem aan. Maar hun hoge verwachtingen zouden niet helemaal worden ingelost. In de twee romans die volgden, Beatrice en Vergilius (2010) en De hoge bergen van Portugal (2016) koos Martel weliswaar opnieuw voor  vrij absurde verhaallijnen, maar lezers én de meeste recensenten waren niet enthousiast. Die twee romans nog eens doorbladerend bekruipt me het gevoel dat Martel een meester is in het bedenken van een krankzinnig plot, maar dan in de uitwerking zichzelf in de weg zit.

Moet het verse succes dan komen van Zoon van niemand, zijn nieuwste roman? Trouw aan zijn werkwijze bedacht hij opnieuw een hoogst origineel verhaal. Harlow Donne, een Canadese wetenschapper, weet een onderzoekbeurs voor Oxford te bemachtigen. Hij wordt geacht daar in oude teksten op zoek te gaan naar vermeldingen over economische activiteiten. Zijn echtgenote Gail en dochtertje Helen blijven thuis, hen zal hij schrijven en bellen. In Oxford legt hij weinig contacten, wat hem voor zijn speurtocht goed uitkomt; de hoeveelheid tekstfragmenten in Oud-Grieks die hij moet doorploegen is overweldigend, en vaak ook nog eens op uiterst broze snippers (letterlijk!) papyrus die hij tot grotere gehelen probeert te puzzelen. En dan komt er een doorbraak, ofschoon die buiten zijn opdracht valt: herhaaldelijk komt hij vermeldingen tegen van 'Psoas, de zoon van niemand’. Gericht daarop zoeken levert al snel een duidelijker beeld. Het zijn fragmenten van een verloren gegaan epos over de Trojaanse Oorlog. Een tegenvoeter van de Ilias. Een sensatie, denkt Harlow. Zijn wetenschappelijke doorbraak, dat waar hij al niet meer op had gehoopt.

Vanaf dat moment bestaat zijn gezin eigenlijk niet meer voor Harlow. En ook de adviezen van de professor voor wie hij het project uitvoert slaat hij in de wind. Martel weet de trance waarin Harlow langzaamaan raakt subtiel te verwoorden. Hij doet dat op twee manieren: eerst presenteert hij je de door Harlow gevonden en tot een eenheid samengevoegde fragmenten, om die stukken vervolgens van een (wetenschappelijk) commentaar te voorzien, door Harlow zelf. Daar tussendoor dringt zich steeds sterker de communicatie met het thuisfront, met vrouw en dochter die niet helemaal kunnen vatten waar hun echtgenoot en vader mee bezig is. En mocht je denken dat dit voor een lezer nogal onoverzichtelijk moet zijn, dan ken je Martel nog niet. Hij bedacht iets slims, en tegelijk heel simpels. De fragmenten uit de Psoas vullen de bovenste helft van de bladzijden en, na het einde van een fragment, Harlows commentaar de onderste helft. Waarbij dus, voor het goede begrip, steeds één helft van de pagina leeg is. Het is even wennen, maar leest dan heel soepeltjes.

Ik heb geen klassieke opleiding, maar ken wel het werk van Homerus. En zie wat Martel met dat concept uitvoert: hij geeft er een twist aan. Bij Homerus zijn de personages, of het nu (half)goden, adel of stervelingen zijn, bijna altijd ‘de zoon van iemand’. Zo zat die maatschappij in elkaar, zo komt dat in de geschriften uit die tijd terug. Maar bij Martel is niet bekend wie de vader van Psoas was. Hij is niet afkomstig uit de kringen waar dat wordt bijgehouden of genoemd. Hij komt uit het volk. En alleen door zijn succesvolle betrokkenheid bij de Trojaanse Oorlog is zijn naam op traditionele wijze bewaard gebleven, in die geschriften terechtgekomen: Psoas, ‘de zoon van niemand’.  

Heb ik deze roman met plezier gelezen? Ja, eigenlijk wel. Maar misschien is het eerder bewondering die ik voel. Dat Martel erin is geslaagd een toch vrij uitgekauwd verhaal nieuw leven in te blazen. De fragmenten van de Psoas lezen heel vloeiend, hebben soms iets zangerigs. En Harlows commentaren en toelichtingen daarop zijn vaak to-the-point, snedig is misschien het juiste woord. En tussen de regels door roert hij ook nog eens van alles aan waarover hij iets te zeggen heeft, van zinloos geweld en de verheerlijking daarvan tot aan de vraag wat belangrijker is, vriendschap of wetenschap. Hij zal met betrekking tot dit laatste een keuze maken, maar of hij daar gelukkig van zal worden …? 

Yann Martel / Zoon van niemand / Vertaald uit het Engels ‘Son of Nobody’ door Hilje Papma, Marlies Weyergang Arwin van der Zwan / 336 blz / Prometheus, 2026