donderdag 4 juni 2026

Homerus, maar dan anders

De uitgever van Zoon van niemand, de zojuist verschenen roman van Yann Martel, heeft op de cover van het boek een sticker laten plakken met de tekst ‘Van de auteur van Life of Pi’. Goudkleurig, het doet denken aan een medaille. Waarom doet hij dit? Uit trots dat hij de Nederlandse editie van deze roman mag uitgeven? Yann Martel is immers een topauteur. Of - een meer venijnige gedachte - om de potentiële koper van het boek eraan te herinneren wie die Yann Martel ook al weer was? Want Life of Pi verscheen vijfentwintig jaar geleden. En ja, het was een weergaloze roman. En ja, het was een bestseller waarvan in tientallen taaledities miljoenen exemplaren over de toonbank gingen. Om over de cijfers van de door Ang Lee geregisseerde speelfilm naar het boek maar te zwijgen. Maar heeft Martel dan sindsdien niets anders geschreven waar je als uitgever naar kan wijzen? Ja en nee.

Life of Pi was de tweede roman van Martel (1963). Hij verscheen op de dag na 9/11. Die dag waarop velen zich realiseerden dat de wereld was veranderd. Dat gold ook voor Martel, maar dan in iets positievere zin. Hij was nu niet langer een beginnende schrijver die iets te vaak door uitgevers werd afgewezen. Integendeel, de uitgevers zaten nu achter hem aan. Maar hun hoge verwachtingen zouden niet helemaal worden ingelost. In de twee romans die volgden, Beatrice en Vergilius (2010) en De hoge bergen van Portugal (2016) koos Martel weliswaar opnieuw voor  vrij absurde verhaallijnen, maar lezers én de meeste recensenten waren niet enthousiast. Die twee romans nog eens doorbladerend bekruipt me het gevoel dat Martel een meester is in het bedenken van een krankzinnig plot, maar dan in de uitwerking zichzelf in de weg zit.

Moet het verse succes dan komen van Zoon van niemand, zijn nieuwste roman? Trouw aan zijn werkwijze bedacht hij opnieuw een hoogst origineel verhaal. Harlow Donne, een Canadese wetenschapper, weet een onderzoekbeurs voor Oxford te bemachtigen. Hij wordt geacht daar in oude teksten op zoek te gaan naar vermeldingen over economische activiteiten. Zijn echtgenote Gail en dochtertje Helen blijven thuis, hen zal hij schrijven en bellen. In Oxford legt hij weinig contacten, wat hem voor zijn speurtocht goed uitkomt; de hoeveelheid tekstfragmenten in Oud-Grieks die hij moet doorploegen is overweldigend, en vaak ook nog eens op uiterst broze snippers (letterlijk!) papyrus die hij tot grotere gehelen probeert te puzzelen. En dan komt er een doorbraak, ofschoon die buiten zijn opdracht valt: herhaaldelijk komt hij vermeldingen tegen van 'Psoas, de zoon van niemand’. Gericht daarop zoeken levert al snel een duidelijker beeld. Het zijn fragmenten van een verloren gegaan epos over de Trojaanse Oorlog. Een tegenvoeter van de Ilias. Een sensatie, denkt Harlow. Zijn wetenschappelijke doorbraak, dat waar hij al niet meer op had gehoopt.

Vanaf dat moment bestaat zijn gezin eigenlijk niet meer voor Harlow. En ook de adviezen van de professor voor wie hij het project uitvoert slaat hij in de wind. Martel weet de trance waarin Harlow langzaamaan raakt subtiel te verwoorden. Hij doet dat op twee manieren: eerst presenteert hij je de door Harlow gevonden en tot een eenheid samengevoegde fragmenten, om die stukken vervolgens van een (wetenschappelijk) commentaar te voorzien, door Harlow zelf. Daar tussendoor dringt zich steeds sterker de communicatie met het thuisfront, met vrouw en dochter die niet helemaal kunnen vatten waar hun echtgenoot en vader mee bezig is. En mocht je denken dat dit voor een lezer nogal onoverzichtelijk moet zijn, dan ken je Martel nog niet. Hij bedacht iets slims, en tegelijk heel simpels. De fragmenten uit de Psoas vullen de bovenste helft van de bladzijden en, na het einde van een fragment, Harlows commentaar de onderste helft. Waarbij dus, voor het goede begrip, steeds één helft van de pagina leeg is. Het is even wennen, maar leest dan heel soepeltjes.

Ik heb geen klassieke opleiding, maar ken wel het werk van Homerus. En zie wat Martel met dat concept uitvoert: hij geeft er een twist aan. Bij Homerus zijn de personages, of het nu (half)goden, adel of stervelingen zijn, bijna altijd ‘de zoon van iemand’. Zo zat die maatschappij in elkaar, zo komt dat in de geschriften uit die tijd terug. Maar bij Martel is niet bekend wie de vader van Psoas was. Hij is niet afkomstig uit de kringen waar dat wordt bijgehouden of genoemd. Hij komt uit het volk. En alleen door zijn succesvolle betrokkenheid bij de Trojaanse Oorlog is zijn naam op traditionele wijze bewaard gebleven, in die geschriften terechtgekomen: Psoas, ‘de zoon van niemand’.  

Heb ik deze roman met plezier gelezen? Ja, eigenlijk wel. Maar misschien is het eerder bewondering die ik voel. Dat Martel erin is geslaagd een toch vrij uitgekauwd verhaal nieuw leven in te blazen. De fragmenten van de Psoas lezen heel vloeiend, hebben soms iets zangerigs. En Harlows commentaren en toelichtingen daarop zijn vaak to-the-point, snedig is misschien het juiste woord. En tussen de regels door roert hij ook nog eens van alles aan waarover hij iets te zeggen heeft, van zinloos geweld en de verheerlijking daarvan tot aan de vraag wat belangrijker is, vriendschap of wetenschap. Hij zal met betrekking tot dit laatste een keuze maken, maar of hij daar gelukkig van zal worden …? 

Yann Martel / Zoon van niemand / Vertaald uit het Engels ‘Son of Nobody’ door Hilje Papma, Marlies Weyergang Arwin van der Zwan / 336 blz / Prometheus, 2026

zaterdag 30 mei 2026

Tijdloze liefdes

Je ziet ze nog wel eens rijden, op mooie zomerse dagen. De 2CV, oftewel de Lelijke Eend. In z´n tijd vooruitstrevend, vooral door de nooit meer overtroffen vering. Maar nu, een kleine tachtig jaar later, op bijna alle andere vlakken ingehaald door de concurrenten. Wie er nu nog in rijdt doet dat uit pure, tijdloze liefde. Wie er nu nog in rijdt mag hopen nooit in een frontale botsing terecht te komen, want over een kreukelzone beschikt het Eendje niet, om het maar niet te hebben over airbags. Ik moest daar aan denken tijdens het lezen van VHS. Mijn eerste liefde van Thomas Heerma van Voss. In diens geboortejaar, 1990, staakte Citroën trouwens de productie van hun meest succesvolle auto ooit, maar Thomas zou al snel verslaafd raken aan een ‘eigen’ wonder der techniek: de videoband. Ofschoon ook die beelddrager inmiddels is ingehaald door nieuwe en veel betere vindingen, vergaat het Heerma van Voss net als met die verstokte liefhebbers van de Eend: je kan er geen afscheid van nemen. De herinneringen zijn te mooi.

VHS. Mijn eerste liefde is een klein boekje van net 60 bladzijden. Zo’n charmant hebbedingetje dat je in een uurtje uit hebt maar dat nog lang blijft hangen. Te lezen als een brief aan zijn beste vriend, met wie Thomas indertijd zijn liefde voor films op de videoband deelde. Jarenlang was videotheek Filmplan, bij hen om de hoek in Amsterdam-Zuid, het centrum van hun wereld. Zij huurden er zo ongeveer vanaf hun achtste of negende elke week een film, na die zorgvuldig te hebben uitgezocht. Een ‘miskoop’ konden ze zich eigenlijk niet veroorloven, want hun gezamenlijke zakgeld was nét genoeg voor één film. Die ze dan gedurende de week meermaals bekeken. 

Anne Marie, de exploitante van Filmplan, was in een vorig leven filmprogrammeur geweest, wist alles van speelfilms en videobanden en vertelde daar de jongens graag over: 'Haar hoofd was een vergaarbak van filmtrivia. Ze liet op haar kleine tv’tje tegenover de toonbank The Shining zien en meldde terloops dat ‘Here’s Johnny!’ geïmproviseerd was, ze wees naar een poster van The Matrix en zei dat al die broncodes sushirecepten waren.' Ze was hun filmmoeder. 

Filmplan is in het geheugen van Thomas gegrift. De geur van de plastic hoezen, Anne Marie op haar inklapbare regisseursstoeltje, haar doorrookte stem. Maar de meeste indruk maakt na al die jaren toch nog steeds de techniek van de videoband: '… het doffe klikgeluid waarmee zo’n dikke, onbuigzame plastic hoes van een videoband openging, zoals de broodtrommels klonken die ik dagelijks meekreeg naar school. Vervolgens: de wiegende klep van de JVC-recorder, een soort brievenbus die toegang gaf tot de ingewanden van het apparaat. Het gebrom wanneer het apparaat vervolgens een film inslikte, gevolgd door een geruststellend geratel. […] Ik herinner me het mechanische gesputter dat uit de speler kwam wanneer we een VHS-band terugspoelden. Minuten nam het in beslag. Iets voor de film bij het begin belandde, ging het spoelen al wat trager, alsof de video afremde.' Netflix maakt geen geluid wanneer ik het activeer, realiseer ik me. Beetje doods, toch?

In 2006 werd de laatste grote Hollywoodfilm op VHS uitgebracht. In datzelfde jaar veranderde de status van Thomas en zijn vriend, van klant werden zij medewerker van Filmplan. Ieder van hen werkte een avond in de week, films mochten ze nu onbeperkt en gratis lenen. Op rustige avonden keken ze samen in de winkel. In 2009 sloot Anne Marie de zaak. De jongens hielpen haar het interieur te slopen, het pand leeg op te leveren. Ze mochten alle films die ze maar wilden meenemen. Maar ook zij keken al niet meer op VHS.

Een memoir als dit loopt gemakkelijk het risico te resulteren in effectbejag, maar Heerma van Voss weet dat te vermijden. Zijn toon is doorvoeld, zijn emotie oprecht. Het mag nog wel eens worden genoemd dat hij langzaamaan een oeuvre neerzet dat ronduit imposant is. Zo schreef hij de laatste twee jaar een reeks artikelen voor de website van het Literatuurmuseum, waarvan een deel uitmondde in de prachtige bundel De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Kort daarvoor imponeerde hij met de semi-autobiografische roman Het Archief.  Zo’n verrassend ‘tussendoortje’ als VHS. Mijn eerste liefde past daar qua aanpak naadloos in. 

Thomas Heerma van Voss / VHS. Mijn eerste liefde / 64 blz / Cossee, 2026

dinsdag 12 mei 2026

Na dertig jaar Siberië

Het is een cynische gedachte, maar ze valt niet te ontkennen: de manier waarop Vladimir Poetin zijn Rusland laat opereren plaatst het land in het centrum van de belangstelling. Wie graag over Rusland leest kan er zijn voordeel mee doen, want uitgevers brengen een constante stroom aan publicaties op de markt met historische overzichten, politieke analyses en kijkjes in het brein van Poetin, om maar enkele onderwerpen te noemen. Een opvallende verschijning in die overvloed is Alles stroomt van Vasili Grossman. Opvallend omdat het gaat om een herdruk van een oudere titel. Er verscheen in 1993 al eens een Nederlandse editie, en Grossman  voltooide het manuscript nog veel eerder, in 1961. Het boek is dus 65 jaar oud. En waarom dan nu toch een herdruk? Heel simpel, omdat de boodschap nog steeds hoogst actueel is. Urgenter dan ooit, zou ik haast zeggen.

Vasili Grossman (1905-1964) was een Russische journalist en oorlogsverslaggever, vooral  bekend door zijn romans Leven & Lot en Stalingrad, waarin hij de strijd van het Russische leger tegen de Duitsers gedurende de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Het zijn omvangrijke boeken, elk zo’n duizend bladzijden. Dat hij ooggetuige was van de gebeurtenissen – de slag om Stalingrad, de inname van Berlijn, de bevrijding van Treblinka – vindt zijn weerslag in het rauwe realisme van veel van de scènes. Dat is ook de reden dat Grossman de boeken niet, of slechts in zwaar gekuiste vorm, mocht publiceren. Waarbij wellicht ook meespeelde dat hij van Joodse, weliswaar niet praktiserend, afkomst was. Hij schreef Alles stroomt, wat zijn laatste roman zou worden, tussen 1954 en 1961. Toen hij drie jaar later stierf aan kanker, ging hij ervan uit dat het boek nooit gepubliceerd zou worden. Dat lukte inderdaad pas tijdens Glasnost.

Alles stroomt is opgebouwd rond Ivan Grigorjevitsj. We ontmoeten hem – een vijftiger in armoedige kledij, oud voor zijn leeftijd, stilletjes – in de trein van Siberië naar Moskou. In zijn kleine houten koffertje, met afbladderende verf, draagt hij wat schamele bezittingen en een homp brood. Het is 1954, Jozef Stalin is het jaar ervoor overleden. Daaraan dankt Ivan het dat hij nu in de trein zit, richting Moskou. Vrijwel alle politieke gevangen die onder Stalins bewind waren vastgezet kregen na diens dood gratie. Ivan zat in een Siberisch werkkamp omdat hij zich als student aan de universiteit had uitgesproken tegen de dictatuur. Hij zou er dertig jaar doorbrengen, zonder enig teken van leven van zijn familie of de autoriteiten. Iedereen leek hem vergeten.  

In Moskou bezoekt hij als eerste zijn neef Nikolaj Andrejevitsj, vooral om bij te praten over de lotgevallen van zijn familie. Maar Nikolaj, die zich schuldig voelt omdat hij al die jaren geen contact heeft gezocht met zijn neef, of diens brieven beantwoordt, praat liever over zichzelf. Over zijn succes als wetenschapper, over zijn luxe leventje als partijlid. Wat hij Ivan niet vertelt is dat hij als zelfbescherming altijd de leiders heeft gevolgd, hun wensen ingewilligd. Bijvoorbeeld toen hij en zijn collega’s in 1938 moesten stemmen over de doodstraf voor Nikolai Boecharin, een vijand van Stalin. Hij had ingestemd. Heel bewust niet getwijfeld: 

‘Want zelfs als hij in zijn hart had geweten dat Boecharin onschuldig was, zou hij toch voor de doodstraf hebben gestemd. Het stemde gemakkelijker als je niet twijfelde, daarom had hij zichzelf wijsgemaakt dat hij niet twijfelde. Niet stemmen kon hij niet, hij geloofde immers in de verheven doelstellingen van de partij van Lenin en Stalin.' Maar Ivan had ook zonder woorden ook wel begrepen dat zijn neef zichzelf had verloochend. Hij had weliswaar niemand verraadden, maar het ook voor niemand opgenomen.

Grossman laat Ivan nog doorreizen naar Leningrad en vervolgens naar een provinciestadje, waar hij een baan als slotenmaker weet te bemachtigen en een relatie krijgt met een lieve  vrouw, Anna, bij wie hij een kamertje huurt. Hij wisselt Ivans verhaal af met beknopte essays waarin hij de Russische maatschappij in context beziet. Bijvoorbeeld over de politieke ontwikkelingen van de afgelopen twee eeuwen in Rusland en het Westen. Waar die in het Westen over het algemeen hebben geleid tot vrijheid, was het resultaat in Rusland juist onvrijheid. Of het nu de absolute heerschappij van de tsaren was, het systeem van lijfeigenschap, de uitkomst van de revolutie of het project van collectivisatie: onvrijheid was het gevolg, onderdrukking de gemene deler. Van die onderdrukking was het maar eens kleine stap naar de Siberische kampen, waar veel gevangenen niet werden opgesloten omdat ze iets hadden gedaan, maar omdat ze dat zouden kunnen doen.

Je voelt Ivan verloren rondlopen, in een land dat hem vreemd is, dat in dertig jaar een volkomen andere wereld is geworden. Wanneer Anna overlijdt en niets hem meer bindt, besluit hij naar de Zwarte Zee te reizen om zijn geboortehuis nog eens te zien. Op zoek naar iets dat hem vertrouwd is. Inmiddels bespeurt hij bij zichzelf ook de neiging in die termen over zijn leven in het kamp te denken.

Grossman kiest in Alles stroomt een verrassend perspectief. Romans over de Goelag, die van Aleksandr Solzjenitsyn voorop, zijn er te over. Maar het verhaal van een terugkeer is nieuw voor mij. Met weinig woorden schept Grossman een sfeer, een gevoelsleven. Je hebt al snel met Ivan te doen, voorvoelt ook dat het misschien slecht zal aflopen. Ronduit prettig is de Grossman van de uitgesproken meningen, waarin je de oorlogsverslaggever herkent die net vier jaar bloedige veldslagen achter de rug heeft. Die is voor duidelijkheid.

Vasili Grossman / Alles stroomt / Vertaald uit het Russisch door Anne Stoffel /  Met een nawoord van Lisa Weeda / 221 blz / Uitgeverij Balans, 2026

zondag 3 mei 2026

Martha Gellhorn, oorlogscorrespondent

De mooiste foto´s zijn die waarin van alles samenkomt. Zoals deze. Hij moet zijn genomen ergens in de jaren tussen 1937 en 1945. De geportretteerde is Martha Gellhorn (1908-1998), oorlogscorrespondent. Zij zit aan een bureautje dat is bezaaid met boeken, vellen met aantekeningen en een draagbare schrijfmachine. Tussen haar vingers houdt ze een sigaret, de rook kringelt omhoog. Aan het meubeltje heeft ze twee foto´s van een man geplakt: gebruind type, rond de veertig, snor, breed lachend. Haar geliefde? Jazeker. Het is Ernest Hemingway, de romanschrijver die haar in 1937 vroeg met hem mee te gaan naar Spanje, om  gezamenlijk verslag te doen van de Burgeroorlog. Ze ging op zijn voorstel in, waarmee een heftig deel van haar leven een aanvang nam. Compleet met een huwelijk met, in 1940, én een scheiding, vijf jaar later, van de wereldberoemde schrijver.

Gellhorn begon haar loopbaan niet als oorlogscorrespondent. Ofschoon de klus die ze daaarvóór, begin jaren dertig, aannam bij tijd en wijle ook hectisch kon zijn. In opdracht van president Roosevelt reisde ze enkele jaren door de Verenigde Staten om de stemming onder de bevolking te peilen over de New Deal, het programma waarmee de president de economische depressie en de hoge werkloosheid bestreed. Ze rapporteerde rechtstreeks aan de directeur van het programma, Harry Hopkins. ‘My Dear Mr. Hopkins’, was de vaste aanhef boven haar brieven aan hem. Over hem schreef Geert Mak vorig jaar zijn monumentale biografie De wisselwachter. De New Deal bracht veel goeds, maar op de werkvloer bleek ook dat veel mislukte. Het boek dat Gellhorn daarover in 1936 publiceerde, The Trouble I’ve Seen, werd een groot succes. Haar naam was gevestigd. 

In Spanje koos Gellhorn haar eigen insteek. In haar reportages voor het Amerikaanse Collier´s Weekly zoek je tevergeefs naar de bloedige militaire strijd. Hoe de dagelijkse sores van de oorlog  het leven van de inwoners van het belegerde Madrid overhoop gooide, dát interesseerde haar. En gelukkig ook de lezers en lezeressen van Collier´s. Geert Mak, die voor deze selectie van Gellhorns artikelen een inleiding schreef, typeert haar toon als volgt: ‘scherp observerend, strak en tegelijk emotioneel, met een uitstekend oog voor het menselijk detail.’

Gellhorn en Hemingway bleven, met onderbrekingen, een kleine drie jaar in Spanje. Voor hen liep de oorlog fout af, de Republikeinse regering werd door generaal Franco verslagen. In januari 1939 waren ze vanuit hun hotelkamer getuige van de val van Barcelona en de afscheidsparade van de Republikeinse troepen. Het jaar erop trouwden ze – voor hem het derde huwelijk, voor haar het tweede – en verhuisden ze naar Cuba, zijn favoriete stek. Maar waar hij rust zocht om zijn ervaringen te verwerken in romans en verhalen, daar werd zij voortdurend aangetrokken door nieuwe brandhaarden. In 1938 was zij in Berlijn en München, in 1940 versloeg zij de 1940 Fins-Russische oorlog, om vervolgens een trip langs het Kantonese front in China te maken – waarop Hemingway haar overigens wel begeleidde. Maar toen zij in 1943 besloot naar het Italiaanse front af te reizen en met het geallieerde leger op te trekken, - de foto hierboven is gemaakt in februari 1944 - was dat volstrekt tegen zijn zin. Maar zij was niet zo’n vrouw die de orders van haar echtgenoot zomaar opvolgde … Ze zouden in 1945 scheiden.

Als oorlogscorrespondent zou Gellhorn tot op hoge leeftijd tientallen grote en kleinere conflicten verslaan. De selectie die nog door haarzelf werd gemaakt voor Het gezicht van de oorlog – inmiddels als The Face of War uitgegroeid tot een klassieker – is indrukwekkend. En toont opnieuw haar voorkeur voor het verhaal achter het verhaal, voor de human interest. Zoals het ontroerende De jongens van de bommenwerpers, gemaakt in Engeland. En vanzelfsprekend was zij er getuige van hoe de Russen Berlijn innamen. En bezocht zij Dachau, en schreef erover – een zwaardere klus had ze nooit gedaan. 

Een mooi staaltje van haar vindingrijkheid is haar reportage over de landing op D-Day, 6 juni 1944. Zij zou daarover schrijven voor Collier’s maar Hemingway, die vond dat hij als ‘belangrijker’ correspondent het eerste recht had, kreeg de redactie van het tijdschrift zover dat ze hem op de lijst met embedded journalisten plaatsten en niet haar. Zodra de situatie na de landing veilig zou zijn, zouden zij door een fregat aan land worden gebracht om hun reportages te maken. Dit onder voortdurende bescherming van het leger. Gellhorn was boos, maar verzon een list. Zij meldde zich in Londen aan als verzorgster op een hospitaalschip, met als gevolg dat zij al op 7 juni op een Normandisch strand met gewonden liep te slepen. Dit terwijl het schip met embedded journalisten – waaronder Hemingway – nog dagen buitengaats moest wachten. Collier’s plaatste haar verhaal, als hoofdartikel. 

In haar inleiding bij Het gezicht van de oorlog vat Gellhorn heel beknopt haar boodschap samen: ‘Ik schreef heel snel, dat moest wel; en ik was altijd bang dat ik zou vergeten wat precies het geluid, de geur, de woorden en gebaren waren die specifiek voor dit moment en deze plaats waren. Ik hoop dat ik in de loop der jaren een beetje beter heb leren schrijven. Waar het om gaat in deze artikelen is dat ze waar zijn; ze vertellen wat ik gezien heb. Misschien doen ze anderen, net als mij, denken aan het gezicht van de oorlog. We kunnen er nauwelijks te veel of te vaak aan herinnerd worden. Ik geloof dat herinnering en verbeelding de grote afschrikmiddelen zijn, en niet de kernwapens.’

Martha Gellhorn / Het gezicht van de oorlog 1937-1946 / Met een voorwoord van Geert Mak / Vertaald uit het Engels ‘The Face of War’ door Kees Helsloot en Leo Huisman / 302 blz / Atlas Contact, 2025 (vierde druk)

dinsdag 28 april 2026

De Waddenthrillers van Mathijs Deen

Mathijs Deen en het Waddengebied zijn zo´n beetje met elkaar vergroeid, mag je zeggen. In het bijzonder met Vlieland, waar het gezin Deen begin jaren zeventig voor het eerst met vakantie kwam. Op advies van de huisarts. Vanwege de gezonde lucht, die heilzaam zou uitwerken op de longaandoening van Deens oudste broer. Dat bleek inderdaad het geval. Nog heilzamer, maar dan tussen de oren, bleek Vlieland te zijn voor vader Deen. Een wat teruggetrokken man, gewend aan het bosrijke, besloten landschap rondom Hengelo, allergisch voor alles wat zijn dagelijkse routine verstoorde. Maar op Vlieland, onder de eindeloze hemel en de weidse vergezichten, werd hij zowaar vrolijk. Dus werd de zomervakantie voortaan op dat eiland doorgebracht. Wat voor de jonge Mathijs (1962) het begin van een levenslange liefde zou blijken te zijn.

De Wadden. Een geschiedenis

In Deens oeuvre kwam die band de afgelopen jaren steeds sterker naar voren. In 2013 publiceerde hij De Wadden. Een geschiedenis. Een bevlogen neergepend relaas over het gebied, waarvoor hij het opnieuw had bereisd, met bewoners en kenners sprak en talloze archiefstukken en andere documenten raadpleegde. Het bleek een klassieker, het boek wordt nog steeds herdrukt. De novelle Het lichtschip (2020) was minder groots van opzet, maar bood juist in de beperking van plek en handeling een indringend beeld van een wat ondergeschoven aspect van het leven op de Waddenzee. En toen was er, in 2022, ineens een ‘Waddenthriller’.

De Waddenthriller

Aan de benaming moesten we misschien even wennen - het genre bestond immers nog niet – maar dat stond een snelle populariteit niet in de weg. Deens hoofdpersoon is inspecteur Liewe Cupido, midden  veertig, een Duitser van Nederlandse afkomst die daarom door zijn collega´s bij de Bundespolizei See in het Noord-Duitse Cuxhaven ´de Hollander´ wordt genoemd. Cupido is een wat zwijgzame man, opgegroeid op de Wadden. Hij onderzoekt, observeert en analyseert door te luisteren en te kijken. Is ook in staat een stap terug te doen voor het overzicht. Zijn zelfstandige, soms wat afzijdige en eigengereide werkwijze doet enigszins denken aan die van denkbeeldige collega’s als commissaris Maigret en inspecteur Morse. Met die laatste heeft hij gemeen dat het werkgebied in sterke mate sfeerbepalend is: bij Morse is dat Oxford en wijde omgeving, bij Cupido het Nederlandse en Duitse Waddengebied.  

Stoppen op het hoogtepunt

De eerste waddenthriller, De Hollander, verscheen in 2022. En enkele weken geleden verscheen alweer het vijfde deel, De visser. Met daarbij, tot mijn verrassing, het bericht dat Deen de serie daarmee afsluit. Dat lijntjes, uitgezet in vorige delen, weer bij elkaar komen. Jammer dus, maar ook wel klasse, stoppen op het hoogtepunt. Je vermijdt dan het risico van het eindeloze uitmelken van het concept, en dat misschien steeds fantasielozer. 

Maar goed, de vijf delen waarbij het blijft zijn inmiddels een doorslaand succes. De Nederlandse edities halen hoge oplagen, maar in Duitsland is Deen écht een fenomeen aan het worden. Waar die populariteit aan ligt? Enerzijds aan de vakkundige opzet van de verhalen, de structuur volgt de regels van het genre, dwingt je tot doorlezen. Maar misschien nog wel belangrijker is de hierboven al genoemde setting, het Nederlands-Duitse Waddengebied. De sfeer van land en water, in een gebied zonder snelwegen en steden, voelt heel bijzonder. 

Moordzaken

Cupido krijgt te maken met uiteenlopende misdrijven, waarbij er vrijwel steeds een of meer doden zijn te betreuren. In De redder spoelt aan de Engelse kust, in Northumberland, een gehavend skelet aan. Het blijkt het stoffelijk overschot te zijn van een kapitein van een zeesleper die in 1995 tijdens een storm verging boven Ameland. Maar wat begint als een routineonderzoek wordt al snel een moordzaak. In De duiker is het vanaf het begin duidelijk dat er een moord is gepleegd. Wanneer in de Duitse Bocht voor het eiland Amrum een onbekend wrak wordt gevonden, doen duikers een gruwelijke ontdekking: aan de trap van de stuurhut is met handboeien een duiker vastgeketend. De sleuteltjes van die boeien hangen aan een haakje net buiten zijn bereik. Hij ziet ze, maar kan er niet bij. Zo moet hij, waarschijnlijk in paniek zijn luchtfles snel leegzuigend, zijn gestikt. Een moordonderzoek volgt. Maar het is niet altijd de zware misdaad die Cupido op zijn geliefde Wadden tegenkomt. Een wadloper die door een miscalculatie door de stroom wordt meegesleurd lijkt een meer alledaags ongeval. Lijkt …

Een speurtocht die persoonlijk wordt

In het afsluitende De Visser staat Cupido zelf centraal. Daartoe aangezet door het overlijden van zijn moeder besluit hij voor eens en altijd uit te zoeken onder welke omstandigheden zijn vader, een visser, tijdens een winternacht op de Noordzee in februari 1984 verdronk. De oorzaak daarvan is altijd wat onduidelijk geweest. Dat onderzoek wordt een heel persoonlijke speurtocht, waarbij hij ook moet graven in zijn eigen verleden en de grens tussen politieman en zoon gaandeweg oplost. 

Mathijs Deen kan schrijven. Dat wisten we al. Toch dwingt hij daarmee ook ditmaal mijn diepe bewondering af, want dat talent is meervoudig. Het verhaal overtuigt, met zijn stijl laat hij menig collega achter zich en hij springt ook heel behendig om met de structuur. Maar daarnaast is hij ook nog eens een begenadigd voorlezer. Zijn ietwat hese stem doet je dat niet direct denken, maar hij maakt dat qua intonatie en beeldend vertellen meer dan goed. Ik kan dat weten, want ik luisterde alle vijf de waddenthrillers, voorgelezen door Deen zelf. En wat is er meer relaxed dan luisteren naar een professioneel ingesproken audioboek, op een locatie als het zonnige Noordzeestrand, met je blik op het water en de horizon …?

Mathijs Deen / De visser. Een waddenthriller / 352 blz / Alfabet Uitgevers, 2026

zondag 26 april 2026

Bert Natter - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

'Aan het einde van de oorlog is een tour de force van Bert Natter, het getuigt van durf om zo'n intense roman te componeren rond de gebeurtenissen in een concentratiekamp.' [Uit het juryrapport]

De Nederlandstalige literatuur kent een handvol romans waarin de Tweede Wereldoorlog zo indringend wordt beschreven dat de heftigste passages eruit waarschijnlijk nooit meer van je netvlies zullen verdwijnen. Hoe die shortlist eruit ziet? Ik denk dat u net als ik de meest voor de hand liggende titels zo kan opnoemen: Het bittere kruid van Marga Minco, De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans en van Harry Mulisch De aanslag. Aangrijpende en meeslepende boeken, daarom ook al tijden populair voor de leeslijst. Daarnaast zal ieder van ons eigen favorieten hebben. Ik in ieder geval wel. En vorig jaar verscheen een roman die ik per direct op dat lijstje zette: Aan het einde van de oorlog, van Bert Natter

Op de verjaardag van de Führer

Plaats van handeling: een concentratiekamp in het noorden van Duitsland. Het is 20 april 1945, de kanonnen van het Rode Leger bulderen dag en nacht, steeds luider, steeds dichterbij. De kampleiding breekt zich het hoofd hoe dát te overleven wat onafwendbaar op ze afstormt. De gevangenen proberen sowieso in de hectiek van de waarschijnlijk laatste weken van de oorlog het vege lijf te redden, te voorkomen dat ze aan de vooravond van hun redding alsnog de gaskamer in moeten. Het is de avond waarop Hitlers verjaardag wordt gevierd met een groot feest voor de bemanning van het kamp. Er is muziek, genoeg te eten en vooral te drinken. De voorraadkelders moeten leeg. De meer dan tienduizend gevangenen, voor het merendeel vrouwen, zitten opgesloten in hun barakken. Piepjonge soldaten zonder ervaring bewaken die avond het kamp. En vanwege een op het laatste moment ingeroosterde vergassing van ruim honderd gevangenen heeft het Sonderkommando dat de gaskamer en de ovens bedient het de hele avond druk.

Dwaalt hij door het kamp?

En dan raakt, terwijl het feest in volle gang is, het elfjarige zoontje van de plaatsvervangend  kampcommandant zoek. Hij komt niet naar huis voor het avondeten. Waar hij is? Tijdens het vissen verdronken in het meer? Weggelopen, na een ruzie met zijn broer? Of dwaalt hij door het kamp, wat misschien wel het gevaarlijkst is? Wij, als lezers, weten waar de jongen is. Hebben een vermoeden van de ontwikkelingen die komen.

Door de ogen van 31 personages

Aan het einde van de oorlog is een kolossale, bloedstollende roman. In ruim 600 bladzijden brengt Natter de zoektocht, de chaos en de toenemende  beklemming tot leven. Hij koos daarvoor een opvallende aanpak: het verhaal kent ruim dertig personages, door wiens ogen je steeds even meemaakt wat er gebeurt. Meestal is zo’n flits niet langer dan een bladzijde, vaak zelfs korter. Die snelle wisseling van perspectief geeft het verhaal vaart, je krijgt als lezer een welhaast filmische sensatie. Naarmate de situatie explosiever wordt – de zoektocht naar de jongen, de aanstormende Russen én de door Berlijn geëiste, directe evacuatie van het kamp én de vernietiging van bewijsmateriaal, het stapelt zich op – intensiveert Natter ook zijn verteltechniek. Je zit met natte handen te zuchten dat je nog honderden bladzijden door moet, maar tegelijk kun je het boek maar nauwelijks wegleggen. 

Ik volg Bert Natter al een hele poos. Hoogtepunten zijn voor mij zijn romandebuut, het speelse Begeerte heeft ons aangeraakt uit 2008, de kleine roman Remington en het ambitieuze Goldberg, beide uit 2015. Succesvolle titels, maar toch brak hij niet echt door naar het heel grote publiek. Het moet gek lopen wanneer hij dat met deze magistrale vertelling niet gaat bereiken.

Bert Natter / Aan het einde van de oorlog / 635 blz / Thomas Rap, 2025

woensdag 22 april 2026

Coco Schrijber - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

'Zelden heeft iemand zo lichtvoetig over de zwaarte van het leven geschreven. Bovendien is Cato’s verhaal geschreven in een zinnelijke taal die constant verrast en verblijdt.’ [Uit het juryrapport]

Cato Goudschenker was ooit, op nog jonge leeftijd, hoogleraar filosofie aan een universiteit. In Amsterdam, als we tussen de regels door lezen. En ooit had ze kinderen, wel een handvol. Of was dit nu niet het geval? En vonden enkele peuters daadwerkelijk op vrij gruwelijke wijze de dood? In de eerste tientallen bladzijden van Het gezoem van bijna alles zijn nogal wat feitjes onzeker. Voor Cato, zoals wij al snel vermoeden, maar ook voor ons als lezers. Maar wanneer de grote ramp in haar leven eenmaal heeft plaatsgevonden, en Cato heeft besloten haar leven om te gooien, komen we in eenduidiger vaarwater. En zal de gemiddelde lezer haar al heel snel in de armen sluiten.

Het omgooien van haar leven bestond uit het verlaten van haar universitaire wereld, haar land, haar vrienden. Cato emigreerde naar een Spaans eiland, waarvoor het Canarische La Palma model moet hebben gestaan. Afgelegen, in de Atlantische Oceaan voor de kust van Afrika. Een plek waar ze niemand kent, maar waar ze door haar baantje als postbode, op de scooter naar de afgelegen adressen, al snel een kennissenkring opbouwt. Zelf woont ze aan de kust, op een klif. Haar huisje is eenvoudig, maar je leeft er een groot deel van het jaar buiten. De lege wijnflessen gooit Cato over haar tuinmuur, waarachter het steil naar zee afloopt. Dat is haar avonddrank, wakker worden doet ze op gitzwarte, gloeiend hete koffie. In haar vrije uren, en dat zijn er veel, kijkt ze mijmerend uit over zee. Nadenkend over alles, ook haar ‘kinderen.’ 

Is haar leven op het eiland een vlucht? Als vooraanstaand filosofe zou ze toch in staat moeten zijn haar eigen gedrag te duiden. Maar daar komt ze vooralsnog niet uit. Het voelt wel goed dat ze, na zich jaren vooral met de gedachten van anderen te hebben beziggehouden, nu eens met haar eigen gedachten aan de gang kan. In die zin is de vlucht toch ook een verrijking.  Er zijn twee calamiteiten voor nodig – een fikse bosbrand en het verongelukken van een eilandvriendin – alvorens ze in haar hoofd een knop omzet. Zich beseft dat wat eens een zinvolle verandering leek inmiddels een doodlopende weg lijkt te worden. Dat je met het rondbrengen van de post niet het beste uit jezelf naar boven haalt. Dat ze zich een doel moet stellen. Ze kiest daarvoor iets uit waar ze in haar jonge jaren goed in was, maar dat ze sinds tientallen jaren heeft laten verslonzen. Bergbeklimmen.

Tot zover het verhaal, verdergaan zou er voor diegenen die het boek nog niet lazen de sjeu afhalen. Maar er blijft genoeg te vertellen. Aansluitend bij het hierboven aangehaalde citaat uit het juryrapport: Schrijbers taalgebruik is inderdaad sprankelend, lichtvoetig én ze schrijft zinnen van vlees en bloed. Of we nu in Cato’s hoofd zijn op het eiland, of halverwege een besneeuwde berg in Peru, iedere zin doet ertoe, hele alinea’s enthousiasmeren je als lezer. Een van de mooiste passages is die waarin ze, zittend op het terras voor haar huisje, op een verder doodstille avond, de langstrekkende walvissen hoort ademhalen. Voor mij is dat de overtreffende trap van het scheppen van een onvergetelijk beeld. 

Op de drempel van haar vertrek van het eiland komt het bij Cato op dat ze in dit leven nog iets zou kunnen nalaten. Aan mensen die ze niet kent, maar die ook Goudschenker heten. Ze schrijft snel nog wat regels, en doet de handvol enveloppes in haast op de bus. Die brieven geven haar leven, haar bestaan, een soort Nachleben. Ook dat is weer een prachtige vondst. Van mij mag dit boek de Librisprijs winnen - ofschoon ik een fráctie blijer zal zijn wanneer die naar Bert Natter gaat.

Coco Schrijber /  Het gezoem van bijna alles / 320 blz / Querido, 2025

zondag 19 april 2026

Lieselot Mariën - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

Het lezen van een ongemakkelijke roman kan zwaar zijn. Bij Als de dieren van Lieselot Mariën had ik beslist dat gevoel. Het is een verhaal over een vrouw die te maken krijgt met een postnatale depressie. De overgang van vrouw naar moeder is voor haar een proces waar ze niet, of in ieder geval heel moeilijk, mee kan omgaan. Dat haar kind een huilbaby is, maakt het er niet gemakkelijker op. Mariën lijkt alle registers van deze aandoening open te trekken, als lezer wordt je ondergedompeld in de ellende. En ik zal eerlijk zijn, en het is misschien omdat ik een man ben, en dan ook nog een zonder kind, maar de gedachte om het boek weg te leggen kwam meer dan eens bij me op. Wat me aan boord hield was de superieure vertelkunst. In dat opzicht is Mariëns romandebuut een grootse prestatie.

Wie de roman vluchtig doorbladert ziet in plaats van de gebruikelijke, min of meer uniforme blokken tekst, een wirwar van blokken, kolommen, een enkele regel tekst of geheel witte pagina’s. Die wirwar wordt overzichtelijker en begrijpelijker wanneer je begint te lezen: het is de door Mariën gekozen structuur die de romantekst ondersteunt. Veel van de terugkerende elementen van het verhaal hebben hun eigen plek of vorm. En het wit, of het nu een regel of langer is, lijkt heel bewust te zijn gebruikt om plek te bieden aan gedachten en overpeinzingen. Op een kwart van het verhaal ben je eraan gewend, weet je niet beter, ervaar je het zelfs als prettig, een handige tool.

In onze huidige verzorgingsmaatschappij kan een vrouw met een postnatale depressie op allerlei manieren en van allerlei instanties hulp krijgen. Voor die variant heeft Mariën niet gekozen. Bij haar moet de vrouw zelf maar uitvogelen hoe ze de aandoening te lijf gaat. Dat gaat haar dan ook uiterst moeizaam af. Allerlei inzichten, zoals het dubbele schuldgevoel van de vrouw, iets dat hulpverleners hadden kunnen detecteren en behandelen, moet ze zelf ontdekken en ermee in het reine komen. In haar eentje voelt ze zich dan ook nog eens heel eenzaam, wat haar situatie niet ten goede komt. Het kan zijn dat Mariën er bewust voor heeft gekozen al die gereedstaande hulpverlening buiten haar verhaal te houden, om zo beter zichtbaar te krijgen hoe slopend zo’n depressie kan zijn, voor de vrouw zelf, maar ook voor haar kind en partner. Als dat zo is, is haar opzet meer dan geslaagd. Het is een gruwelijke aandoening, die je alle plezier in het leven kan ontnemen.

Naast het fragmentarische karakter van het verhaal heeft Mariën ook een vaststaande tekst ingebouwd, een duizenden jaren oude mythe uit Mesopotamië. Deze keert als een dunne rode draag meermaals terug. In De afdaling van Inanna, zoals ze heet, is sprake van een godin die onder andere de liefde, de vruchtbaarheid en de oorlog belichaamd. Om haar angsten te onderkennen én beteugelen ondernam zij een helletocht, daalde via zeven poorten af naar een onderwereld. Niet alleen de geschiedenis van Inanna is voor Mariën van betekenis, als een bedding voor haar eigen verhaal, aan haar roman gaf ze ook nog eens als motto een citaat mee van Dante, uit diens Inferno.  

Hoe diep ze zinkt, en hoe ver ze zich verwijdert van haar gezin, illustreert zomaar een passage. Midden in de nacht heeft ze zich aangekleed, haar kind in een draagzak gedaan en is de stad ingelopen. Zonder doel, zomaar. En zonder haar man in te lichten. Maar al snel wordt er naar haar gezocht. Een citaat: 

Ik geloof dat ik iemand mijn telefoon heb gegeven. Ik geloof dat ze vroegen waar mijn man was. Ik geloof dat ik heb gezegd dat zijn naam Hannes was en dat hij onbereikbaar ver weg was. Ik geloof dat Hannes desondanks niet veel later bij de bestelwagen aankwam waar ik, nog steeds vol afschuw, naar de gesloten deuren van de laadruimte stond te kijken. Ik geloof dat hij jou uit de draagzak op mijn buik wrikte en dat ik niet bewoog. Ik geloof dat hij over jouw rugje wreef en zijn jas om jouw lijfje sloot en ik geloof dat hij met toegeknepen keel tegen mij schreeuwde. Ik geloof …

Laat ik maar ophouden te doen alsof. Ik weet het nog messcherp, allemaal.

Dit is wat hij riep:

‘Ons kind kan toch niet opgroeien met zo’n moeder!

Tijdens het schrijven van haar eerste roman raakte Mariën in verwachting, kreeg een baby en belandde vervolgens in een postnatale depressie. Toen die achter de rug was, vormde haar eigen verhaal de basis voor haar debuut. 

Lieselot Mariën / Als de dieren / 308 blz / Das Mag Uitgevers, 2025

maandag 6 april 2026

Murakami on Jazz

Voor liefhebbers van het werk van de Japanse auteur Haruki Murakami zal de hiernavolgende scène heel vertrouwd voorkomen. Het is avond, een man komt na een dag lang werken thuis. Hij loopt door naar het keukentje, waar hij de boodschappen die hij onderweg heeft gekocht in de koelkast legt of, wanneer hij direct gaat koken, op het aanrecht. Hij trekt zijn jas uit, schakelt de sfeervolle verlichting van het eenpersoonsappartement in en gaat aan de slag. Binnen een half uurtje zit hij achter een eenvoudige, dampende schotel. Hij heeft zich dan al een stevig glas Japanse whisky ingeschonken. En, niet onbelangrijk, muziek aangezet. Meestal jazz, Gerry Mulligan of een rustige John Coltrane. 

Murakami geeft de mannelijke personages in zijn romans en verhalen veel van zichzelf mee. Zij houden van de dingen waar de auteur zich ook goed bij voelt. Die jazzmuziek bijvoorbeeld. Voordat hij schrijver werd, had Murakami samen met zijn vrouw een jazzcafé in het centrum van Tokio, genaamd Peter Cat. Avond aan avond ontvingen zij daar hun gasten, draaiden platen of organiseerden liveoptredens. In 1982 deed hij de bar van de hand om schrijver te worden, maar de liefde voor de jazz bleef. Evenals een immense collectie elpees. Hij zweert bij vinyl, en ook bij zijn ietwat gedateerde Back Loaded Horn unit van JBL. Moderne sets mogen een betere sound leveren, hij is nu eenmaal gewend aan de klankkleur waar hij zijn halve leven al naar luistert. 

Het nu in het Nederlands uitgebrachte Jazzportretten is eigenlijk al een ouder project. De kunstenaar Makoto Wada organiseerde in 1992 en in 1997 twee tentoonstellingen met door hem geschilderde portretten van jazz-artiesten, waarvoor Murakami begeleidende teksten schreef. Aangevuld met nieuw materiaal – het zijn in totaal 55 portretten – kan het nu in boekvorm de wereld rondgaan. 

Bijna alle groten van de jazz komen voorbij. Juist daardoor valt het op dat Keith Jarrett en John Coltrane (!) ontbreken. Terwijl de toch echt redelijk onbekende bandleider Jack Teagarden wel een plekje heeft gevonden, evenals de toch niet echt ‘jazzy’ Frank  Sinatra. Makoto Wada maakte de selectie, waarna Murakami steeds een stukje schreef. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de laatste in zijn bijdrage over Sinatra een scheutje ongenoegen van zich afschreef door de wereldberoemde zanger te omschrijven als ‘met de vaardige band van Nelson Riddle of Billy May achter zich zong hij, volkomen relaxed en heel spontaan, zijn dansbare, stijlvolle deuntjes.’

Murakami en de jazzmuziek lijken in zekere zin met elkaar vergroeid te zijn. Dat blijkt beslist uit de trefzekere manier waarop hij artiesten in woorden weet te karakteriseren, van heel onderkoeld tot heel intens. The Modern Jazz Quartet bijvoorbeeld, ‘vier keurige gekapte heren die strak in het pak het podium betraden en zich daar even beheerst gedroegen als professoren aan de universiteit’. Terwijl ze toch voortkwamen uit de best wel vrijgevochten ritmesectie van het orkest van Dizzy Gillespie – diens portret, een van de mooiste, siert de cover van het boek. Of Chet Baker, bij wie Murakami dichterlijke aspiraties lijkt te vertonen: ‘In Bakers muziek zit hartzeer, een innerlijk landschap, onmogelijk over te brengen zonder zijn kenmerkende klankkleur en frasering. Hij was in staat alles heel natuurlijk naar binnen te zuigen als lucht, en weer naar buiten als levensadem. Vrijwel niets eraan was kunstmatig in elkaar gestoken.’ 

Diepgaander dan tijdens het beluisteren van Miles Davis wordt het bij Murakami niet: ‘Het spel van Miles op Four & More grijpt je bij de keel. Het door hem bepaalde tempo is ongemeen snel, het is bijna vechtlustig te noemen. […] ... slaat Miles genadeloos zijn magische wig in alle kieren in de ruimte waar zijn oog op valt. Hij vraagt niets, hij geeft niets. […] Er is daar alleen een ‘daad’, in de zuivere zin van het woord.’

Is dit boek vooral een hebbeding voor de fans van Murakami of steek je er ook nog iets van op? Het eerste is het zeker, met de mooie kwaliteit van het papier, de uitgebalanceerde vormgeving en de prima kleurenafbeeldingen van de portretten van alle besproken musici. Maar met een hebbeding is toch niets mis? Wat mij bij lezing écht verraste was dat het ook een uiterst informatief boekje bleek te zijn. Murakami is heel persoonlijk in zijn voorkeuren, haalt veel herinneringen op aan jazzconcerten die hij bijwoonde en is heel open in het verschuiven van zijn waardering voor sommige musici naarmate hij zelf ouder wordt en meer heeft beluisterd. Af en toe overheerst de nostalgie, maar dat mag bij iemand van zijn leeftijd.

Ieder ‘portret’ bestaat uit het schilderij, de begeleidende tekst, een afbeelding van Murakami’s favoriete album van die musicus en een korte biografie. Die favoriete albums zijn achterin het boek nog eens opgenomen, als een soort playlist. Alsof Murakami zegt: ga naar Youtube en leef je uit. Playlists van de muziek in Murakami’s romans en verhalen circuleren al jaren op internet, ook ik luister er graag naar. Maar nu is er dan de door de Meester zelf opgestelde lijst van zijn voorkeuren. Alleen dat is al een reden om het boek aan te schaffen.

Haruki Murakami  / Jazzportretten /  Met illustraties van Makoto Wada / Vertaald uit het Japans door Luk van Haute /  240 blz / Uitgeverij Atlas Contact, 2025

donderdag 2 april 2026

Parijs' dagboek

Fotograaf Paul Huf verstond zijn vak. Het portret dat hij maakte van Hugo Claus en Sylvia Kristel en dat nu de cover siert van Minnaar tegen elke prijs is ronduit verleidelijk. Zij heeft zich gedrapeerd op een luxe bank, hij zit op de rand ervan en lijkt zich beschermend over haar heen te buigen. Beide kijken strak in de lens. Het ideale paar, denk je dan, ondanks het feit dat zij op het moment dat Huf aan het werk toog pas begin twintig zal zijn geweest, hij een generatie ouder. Het is een portret dat je, zeker als liefhebber van het werk van Claus, het boek doet kopen. Je nog onbewust van het feit dat de inhoud een koude douche zal zijn. Maar wel een koude douche die tegelijk ontluisterend én fascinerend is.

Claus en Kristel ontmoetten elkaar in 1972 in Amsterdam. Hij was in 1970 vanuit België naar de Nederlandse hoofdstad verhuisd, zij enkele jaren later vanuit Utrecht. Claus had net een stormachtige relatie met de actrice Kitty Courbois achter de rug, die hij van zich had afgeschreven in de roman Het jaar van de kreeft. Een zuivere karaktermoord. Kristel zocht een niet al te duur kamertje, veel kon ze als beginnende actrice niet betalen. Claus, succesvol, bewoonde een ruim huis aan de Raamgracht. En een kamertje voor een mooie jonge vrouw wilde hij wel ter beschikking stellen, liet hij een gezamenlijke vriendin weten. Van het een kwam het ander, en in de loop van 1973 werden ze een paar.

De carrière van Kristel verliep voorspoedig. Ze mocht dan geen al te groot acteertalent zijn – in tegenstelling tot Courbois – maar ze was beslist mooi. Straalde daarbij ook een zekere onschuld uit. De filmrollen die ze wist te bemachtigen lagen in het verlengde daarvan. Met als eerste grote succes in 1975 de erotische film Emmanuelle. Die een jaar later werd gevolgd door Emmanuelle II. Claus, zelf toneelschrijver en regisseur, hielp haar bij die rollen. Vervulde de rol van coach. Omdat het geld binnenstroomde kochten ze samen een grote, chique etage in het centrum van Parijs. Met het hippe Saint-Germain-des-Prés op loopafstand. En ze kregen een kind. Het leek niet op te kunnen. Maar toen biechtte Kristel op dat ze tijdens de opnamen van Emmanuelle II een affaire had gehad met haar tegenspeler, de Italiaan Umberto Orsini. Claus was in de war, geschokt, boos. En begon enkele dagen later een dagboek bij te houden. Dat zijn de notities die nu, integraal, zijn uitgegeven.

Waarom Claus dit dagboek begon? Zeker weten we het niet, maar het zou zomaar voor zichzelf kunnen zijn, een exercitie om de dingen in hun juiste verband te kunnen plaatsen. Of waren het aantekeningen om later een manuscript uit te kunnen destilleren? Een herhaling van zijn afscheid aan Courbois? Hoe dan ook, zo’n roman is er nooit gekomen, het dagboek staat daarmee op zichzelf binnen Claus’ oeuvre. 

Het dagboek beslaat de periode oktober 1975 tot en met augustus 1976. Van enkele dagen na Kristels bekentenis tot het moment dat ze hebben besloten uit elkaar te gaan. Als ik het in één woord moet omschrijven, zou dat ‘eerlijk’ zijn. Claus lijkt niets te verbloemen. Of het nu gaat over zijn gevoelens, zijn mening over het gedrag en karakter van Kristel, hun seksleven, en het leven in het algemeen, hij neemt geen blad voor de mond. Dat hij klagerig kan overkomen, realiseert hij zich: ‘Dit wordt het verhaal van een onredelijke, pietepeuterige, weke jaloezie.’ Of: ‘Meer en meer de rol van een vitter, een verongelijkte. Zonder enige charme is dit.’ Kristel ontmoet door haar werk veel mannen uit de filmwereld, laat zich fêteren en geniet daarvan. Komt dan midden in de nacht thuis, straalbezopen. Claus: ‘Aan haar – als je de uiterlijkheden: schoonheid, roem, vriendelijk en toch speels amusant gedrag wegdenkt - heb ik niks. Geen reet warmte, geen reet begrip. Haar liefde voor mij is een spel, zoals alles wat zij onderneemt’. Naarmate de maanden voorbijgaan en Kristel affaires aangaat met vermoedelijk meerdere filmheren – de componist Francis Lai is haar lieveling – wordt Claus onverzoenlijker in zijn oordeel. Hij legt lijstjes aan van Kristels tekortkomingen, analyseert haar ‘keukenmeidenziel’ en stoomt langzaam maar zeker af op hun scheiding. 

Ik lees graag egodocumenten. Die zijn in de Nederlandstalige literatuur in overvloed aanwezig in de vorm van dagboeken en briefwisselingen. Denk aan de onvolprezen reeks privé-domein. Dergelijke teksten, die vaak niet bewust zijn geschreven met het oog op publicatie, kunnen daardoor iets puurs, iets authentieks hebben. De kans bestaat dat je je favoriete schrijver ineens op een heel andere manier leest. 

Hebben de Parijse dagboekaantekeningen van Claus ook dat effect? Ja en nee. De al genoemde eerlijkheid maakte ze zeker de moeite waard om te lezen. De sterkste passages zijn indrukwekkend, en vormen een toevoeging aan zijn oeuvre. Maar op andere momenten ontstaat er een zekere achteloosheid, zo’n aantekening hangt dan als los zand aan elkaar. Dat illustreert, denk ik dan maar, dat de situatie hem vermoedelijk zo aangreep dat zijn schrijverij er onder ging lijden.

Hugo Claus / Minnaar tegen elke prijs. Parijs’ dagboek / xx blz / Prometheus, 2026

zondag 29 maart 2026

De veiligste plek op aarde?

Wat is de veiligste plek op aarde? Dat moet wel de meest gestelde vraag zijn geweest nadat in de zomer van 1945 door de Amerikaanse luchtmacht boven Hiroshima en Nagasaki twee atoombommen tot ontploffing werden gebracht, waarbij het centrum van die steden in puin werd gelegd, tienduizenden inwoners direct omkwamen en nog eens velen in de jaren erna als gevolg van de blootstelling aan radioactieve straling. Die twee bommen ontketenden een ongekende wapenwedloop, waarbij de nucleaire grootmachten een arsenaal aanlegden waarmee de mensheid meermaals van de aardbodem kon worden geveegd. In de literatuur werd dit vanzelfsprekend een onderwerp. Het meest indrukwekkende boek daarover is voor mij nog steeds On the Beach (1957) van Nevil Shute. Daarin is door een kernoorlog al het leven op het noordelijk halfrond verwoest en de dodelijke straling zakt nu langzaam af naar het zuidelijk halfrond. Shute beschrijft de lotgevallen van een groepje Australiërs in Melbourne die weten dat zij binnen enkele maanden zullen sterven. 

Voor de hoofdpersoon in Bunker, de nieuwe roman van Richard Osinga (1971), bevindt de ultieme overlevingsplek zich niet aan de randen van de aardbol, maar op een plek waar de lokale overheid steekpenningen aanneemt en verder geen vragen stelt. Aan die eisen voldoet een dunbevolkt, bergachtig gebied in Kazachstan. Nadir, een Canadees van Indiase oorsprong, onmetelijke rijk geworden in Silicon Valley, laat daar in een berg een groot ondergronds complex aanleggen waar enkele tientallen mensen geheel zelfvoorzienend langdurig kunnen verblijven. Of anders gezegd: het einde der tijden afwachten. En dat overleven, én vervolgens vanuit die positie een nieuwe start maken. Want daar gaat het toch om. Een reboot.

Osinga houdt zijn hoofdpersoon Nadir een beetje in de luwte. Hij is dan wel de geestelijke vader van het project, en de financier, maar hij is ook een meester in delegeren. Het is vooral Cindy, de jonge vrouw die Nadirs werkzame leven organiseert, die je als lezer het meest nabij meemaakt. Dat geldt ook voor Jonas, een Nederlandse architect die zich heeft gespecialiseerd in zelfvoorzienende woningen. Hij ontwierp het ondergrondse complex. En net als Cindy koos hij ervoor mee te gaan op het avontuur. Zijn vrouw was kort ervoor overleden, dit voelde voor hem iets van een nieuwe start. En dan is er ook nog de moeder van Nadir, Inaya. Ook zij rouwde nog om haar echtgenoot, met haar zoon meegaan bezat een zekere logica. Hen drieën volg je: eerst in hun enthousiasme voor het project dat probleemloos verloopt, dan in hun beginnende twijfel en vervolgens in hun frustratie over de houding van Nadir die als een echte CEO, koel, analytisch en afstandelijk, de zaak aanstuurt. Geen inspraak toelaat.

Terwijl dat toch wel wenselijk zou zijn, want onverwachte ontwikkelingen veroorzaken een neergaande spiraal. Alle deelnemers hebben ingetekend voor een experiment dat één jaar zal duren, waarna de lessons learned zullen worden doorgevoerd in de definitieve versie van de ondergrondse stad. Maar halverwege dat ene jaar laat Nadir de deelnemers weten dat de situatie bovengronds is geëscaleerd, dat een terugkeer daardoor onmogelijk is geworden en dat het experiment daarmee overgaat in the real thing. Een verdere toelichting geeft hij niet. De deelnemers tasten in het duister. Moeten ze blij zijn dat ze de dans zijn ontsprongen? Maar wat is het lot van hun familie en geliefden? En hoe desastreus is de situatie bovengronds? Een voorzichtig kijkje nemen is niet mogelijk, Nadir heeft de uitgang hermetisch laten afsluiten.

Daarmee zijn de opties voor de deelnemers eigenlijk gereduceerd tot nul. Nadir laat hen weten dat een eerste mogelijkheid om heel voorzichtig de buitenwereld te scannen op zijn vroegst over een, twee, vijf of tien jaar plaats kan vinden. Niet iedereen accepteert dit, boosheid en frustratie krijgen de overhand en het project dat eens zo vooruitstrevend was, mondt uit in onenigheid en gedoe. De onbereikbare buitenwereld, en vooral de vrijheid: het voelt aan als het paradijs. Osinga weet ieders verlangen naar die buitenwereld haarscherp te verwoorden. 

Bunker is meer dan een goedgeschreven roman met een spannend plot en een ijzingwekkende finale. Het verhaal past in een tijdgewricht waarin kortzichtige presidenten impulsieve beslissingen nemen, met hun militaire overwicht enorme schade laten aanrichten en pogingen tot doordachte diplomatie worden weggelachen. In een tijdsgewricht, kortom, waarin miljoenen mensen ook wel eens verlangen naar een luxe ondergrondse bunker om betere tijden af te wachten. 

Richard Osinga / Bunker / 286 blz / Wereldbibliotheek, 2026

woensdag 25 maart 2026

Raimund Pretzel alias Sebastian Haffner

Tussen 18 oktober en 23 november 1932, in slechts vijf weken, schreef de jurist in opleiding Raimund Pretzel de roman Abschied. Het is een korte roman met een uiterst overzichtelijke plot. De hoofdpersoon is Raimund, eveneens een jurist in opleiding, die voor enkele dagen vanuit Duitsland overkomt naar Parijs in de hoop iets te bereiken bij Teddy, een aanbiddelijke jonge vrouw met wie hij het jaar ervoor een flirt heeft gehad in Berlijn. Maar in Parijs blijkt een zwerm jongemannen om Teddy heen te draaien, allemaal met dezelfde wens als Raimund. Die ziet al snel het hopeloze van zijn missie in en kan niet anders dan te proberen in zijn laatste dagen in Parijs, voordat hij weer in de trein naar Berlijn zal stappen, kleine momentjes met haar te hebben. Als de anderen even afwezig zijn. 

Teddy moet het hebben van die aanbidders die haar presentjes geven, haar lunches en diners betalen en haar meenemen naar het theater. Zelf heeft ze bijna niets, woont op een klein en koud zolderkamertje. Maar ze is desondanks uit volle overtuiging haar vaderland ontvlucht. Waarom dat is spreekt Pretzel – de schrijver – niet expliciet uit, maar met onze kennis achteraf is dat wel duidelijk. In een nawoord formuleert Volker Weidermann het als volgt: ‘Het is een literair clubje dat daar samengekomen is. Luchtfietsers, fantasten, jonge mensen die naarmate de toekomst donkerder en dreigender lijkt des te hardnekkiger vasthouden aan het vieren van het moment.

Exil-Duitsers zouden ze even later genoemd gaan worden. Grote namen uit de wereld van de literatuur, film en het theater zouden bij het aan de macht komen van de nazi’s dezelfde beslissing nemen als dit groepje jongelui. Abschied mag dan ook gezien worden als de tekst van een jonge schrijver die de vinger aan de pols had, voorvoelde welke kant het zou uitgaan in Europa. Een jonge schrijver die zijn studie rechten voortijdig zou afbreken, en koos voor een loopbaan als journalist. In 1938 vluchtte hij met zijn echtgenote naar Engeland, waar hij ging schrijven voor vooraanstaande kranten. Vanaf dat moment altijd onder een pseudoniem, de schuilnaam waaronder hij wereldberoemd zou worden: Sebastian Haffner.

Als historicus groeide Haffner (1907-1999) na de oorlog uit tot de Duitser die als geen ander inzichtelijk kon maken hoe de gruwelijkheden van de oorlog konden gebeuren. In gewone-mensentaal, in begrijpelijke analyses. Door zijn landgenoten werd hem dat niet altijd in dank afgenomen, maar hij had inmiddels een status van onaantastbaarheid verworven.   

Zou hij naast zijn historische studies ooit nog een roman schrijven? Nee, het bleef bij Abschied. En het zou nog wel even duren voordat dat gepubliceerd werd. Bijna een eeuw zelfs. Zo snel als hij het had geschreven, in die vijf weken, zo lang bleef het in zijn bureaulade liggen. Niemand wist van het bestaan ervan. Pas na zijn dood in 1999 vond zijn zoon Oliver het. En pas nog eens vijfentwintig jaar later – sommige familieleden vreesden in 1999 voor imagoschade bij publicatie van zo’n niemendalletje van de grote man – kon het verschijnen. 

Een niemendalletje, is het dat? Nee. Het is weliswaar in een uiterst luchtige stijl geschreven, de verhaallijnen en gesprekken fladderen haast om je heen, maar de boodschap is serieus. Zoals Haffner in zijn latere historische werk met grote helderheid de geschiedenis kon duiden, dat wat is gebeurd, zo presenteert hij hier een welhaast onuitgesproken voorgevoel, een stemming van onheil, dat wat in een worst-case scenario zouden kunnen gebeuren. En het gebeurde. 

Sebastian Haffner / Afscheid / Vertaald uit het Duits door Elly Schippers / Met een nawoord van Volker Weidermann / 191 blz / Uitgeverij De Arbeiderspers, 2025

vrijdag 20 maart 2026

Germaine De Staël

Er zijn van die historische personen die je wel enigszins in hun tijd kan plaatsen, maar van wie je te weinig weet om hun belang te doorgronden. Voor mij was Madame De Staël zo iemand. Wat ik van haar wist, past met gemak in één alinea: een onafhankelijk denkende vrouw, zo omstreeks het jaar 1800; ze hield lange tijd in Parijs een Salon, een plek waar verlichte geesten van die jaren zich graag lieten zien; ze had een trits lovers, waarvan Benjamin Constant voor ons de meest bekende is; en ze schreef over de sociaal-maatschappelijke situatie in Europa. Napoleon Bonaparte moest niets van haar en haar meningen hebben, en verbande haar daarom langdurig naar haar familiekasteeltje aan het Meer van Genève. Maar ondanks die tegenwerking liet ze zich niet kisten. Het is dan ook haar onverzettelijkheid die in deze mooie biografie door Margot Dijkgraaf als De Staëls meest bepalende  karaktertrek wordt gezien .

Germaine De Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre is niet de eerste studie die Dijkgraaf wijdt aan een vrouwelijke auteur. Ze publiceerde meermaals over het werk én de persoon van Hella S. Haasse. En in 2020 verscheen Zij namen het woord. Rebelse schrijfsters in de Franse letteren. Die laatste titel zou je een aanloop kunnen noemen naar de biografie van Germaine De Staël. Er is vanzelfsprekend geen wet die voorschrijft dat een biografie ván een vrouw het best kan worden geschreven dóór een vrouw, maar in dit geval is het resultaat er wel naar. Je voelt het enthousiasme van Dijkgraaf voor de manier waarop De Staël zich als vrouw een plek in de wereld heeft weten te bemachtigen, zonder dat dit ten koste gaat van een heldere biografische analyse van De Staëls betekenis.

Germaine werd geboren in 1766. Haar ouders, Jacques en Suzanne Necker, namen een vooraanstaande plaats in de maatschappij in. Jacques Necker zou het in de jaren voorafgaand aan de Franse Revolutie brengen tot – een verlichte - Minister van Financiën onder Lodewijk XVI, Suzanne wist zich door haar Salon, die werd bezocht door mensen als Voltaire, Diderot en Rousseau, een machtspositie achter de schermen te verwerven. Haar dochter Germaine mocht al op heel jonge leeftijd mee naar die bijeenkomsten, het zou het fundament vormen voor haar eigen Salon, later, zowel in Parijs als in Chateau Coppet.  

In 1786 trad Germaine in het huwelijk met de Zweed Erik Magnus De Staël Holstein. Hij was bijna twintig jaar ouder dan zij en zou het brengen tot Zweeds ambassadeur in Parijs. Ze vond hem oninteressant en saai: ‘Van alle mannen van wie ik niet houd, geef ik nog de voorkeur aan mijn man.’ Maar hij bood haar door zijn netwerk, vermogen en adellijke titel een platform dat zij zou gebruiken om haar invloed te vergroten. En, niet onbelangrijk, hij bleek zo’n goeie sul dat hij zonder morren de vier kinderen echtte die zij van andere mannen kreeg. 

Na het overlijden van haar moeder werden in Suzannes nalatenschap ettelijke essays en andere teksten aangetroffen. Die had zij nooit gepubliceerd, dat werd van een nette vrouw en echtgenote immers niet echt geaccepteerd. Germaine zou dat anders doen. Haar artikelen en romans bracht zij met veel bombarie in de openbaarheid. Het werden publieke discussiestukken. Haar roman in brieven Delphine, verschenen in 1802, over een vrouw die zich wil ontdoen van haar maatschappelijke ketenen, veroorzaakte een schandaal. Maar dat liet ze van zich afglijden, het ging haar erom met haar boodschap een groot publiek te bereiken. Dat dit met een roman eerder mogelijk was dan met didactische werken was een nieuw inzicht voor haar.

Germaine streefde naar maatschappelijke hervormingen, naar vrijheid en gelijkheid, maar het proces van de Revolutie vond zij veel te radicaal. Het Engelse systeem, met een parlement én een koning, was voor haar en haar vrienden het voorbeeld. In haar Salon ontving zij dan ook politici die de monarchie wilden hervormen, die een systeem van Republikeins liberalisme aanhingen.  

De Revolutie overleefden Germaine en haar familie. Maar Napoleon Bonaparte vormde voor haar op termijn een groter gevaar. Zijn bewind nam gaandeweg absolute trekken aan, waarin voor afwijkende meningen weinig ruimte meer was. Dus ook niet voor Germaine. Over hem schreef zij: ‘In zijn ziel heeft hij een koud en splijtend zwaard.’ Vanaf 1803 verbande hij haar, eerst uit Parijs, daarna uit Frankrijk. Haar opvattingen, zoals haar stelling dat de werkelijke macht in het politieke midden ligt – hoe actueel! -  werden hem te scherp.

Hoe geef je als biograaf een leven weer dat zó vol is van gebeurtenissen en ideeën. Dijkgraaf bedacht een slimme oplossing. In de vroege zomer van 1812 verliet Germaine in het diepste geheim haar kasteeltje in Coppet, aan het Meer van Genève. Haar reisdoel was Londen. Ze reisde alleen, met een koetsier en de officier John Rocca, haar geliefde van dat moment. Die beschikte niet over de juiste papieren, dus reisde op enige afstand te paard mee. Het werd een helse tocht. Precies op dat moment trok Napoleon namelijk oostwaarts door Europa, met een immens leger, op weg naar Rusland. Die moesten ze beslist ontwijken, hij zou haar direct laten arresteren. Dus het werd een helse omweg: Coppet / Zürich / Wenen / Lviv / Brody / Moskou / Sint-Petersburg / Finland /  Stockholm / Göteborg / Londen. Omdat Germaine en Rocca dus ‘op afstand’ samen reisden, schreven ze elkaar brieven. Die, en talloze andere die Germaine in die maanden schreef, doseert Dijkgraaf mondjesmaat tussen de hoofdstukken door. Een geweldige rode draad!

Margot Dijkgraaf / Germaine De Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre / 336 blz / Atlas Contact, 2026

dinsdag 17 maart 2026

Nadia de Vries - SHORTLIST Libris Literatuurprijs 2026

Het totaal kunstmatige universum van Schelvis, vol tegenstellingen, overdrijvingen en verwijzingen naar schelmen- en arbeidersromans, is een ongelooflijk intelligente satire.’ [Uit het juryrapport]

´Mijn naam is Schelvis.

Aangenaam!

Het dorp waarin ik opgroeide telde tweeduizend inwoners in de winter. In de zomer kwamen daar nog eens vijfhonderd mensen bij. Deze mensen bezaten een huisje op ons strand, ze beschikten over dure honden en vakantiedagen. Wij, de dorpelingen, hadden weinig met deze mensen te maken. De meesten van ons werkten in de fabriek, die het hele jaar gruis en wolken over de kunstlijn uitspuwde. Het werk in de fabriek bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kenden. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren.´ 

Blauwe haren

Nadia de Vries verliest in haar tweede roman, Overgave op commando, geen tijd aan nutteloos gedoe. Al op de tweede bladzijde presenteert haar hoofdpersoon zich aan de lezer, met de hierboven aangehaalde tekst. En ze gaat door, binnen vijf bladzijden weet je alles over haar en een soort IJmuiden, het stadje waar ze is opgegroeid. Heel vrolijk is dat relaas niet: ‘We kwamen allemaal uit gezinnen die bestierd werden door broze mensen, en het merendeel van onze opvoeding was aan toeval onderhevig.’ De werkgelegenheid in het plaatsje wordt aangeboden door de fabriek, en daarnaast door een distributiecentrum. Bij dat laatste werkt de moeder van Schelvis. In haar vrije uren ontvangt die in hun flatje mannen, niet voor het geld maar uit een behoefte aan bevestiging van haar vrouw-zijn. Schelvis vermaakt zich op die momenten op straat, of is met haar drie beste vrienden. Op de dag dat ze basisschool afrondt, verft ze haar haar. In de kleur Elektrisch Blauw. Als een vooraankondiging  van het zich losweken van een grauw bestaan?

Vrienden

De vrienden van Schelvis zijn Jeremy, Duncan en Celine. Twee jongens, een meisje, zoals de namen zeggen. Aan de naam Schelvis is weinig af te leiden. Dat hoeft ook niet, want Schelvis is man noch vrouw. De verwikkelingen waardoor Schelvis uiteindelijk het stadje de rug  zal toekeren beginnen met het plan van Jeremy om als groep iemand te vermoorden. Hij heeft ook al een slachtoffer op het oog, de man die hij schuldig acht aan het verkeersongeluk dat zijn oudere broer het leven kostte. Ietwat verblind door de plotselinge mogelijkheid eens een écht avontuur te beleven, gaan ze direct tot actie over. Ze ontvoeren de man en hun plan lijkt te lukken. Maar dan slaat de sfeer om en is het Schelvis die aan het kortste eind trekt. Gewond, op alle gebieden.

Op de rand van het bestaan

Ik ben dakloos, ik ben behoeftig, help mij alstublieft aan een huis.’ Een plakker met deze tekst laat Schelvis kort na haar aankomst in de stad achter op het prikbord van de supermarkt in een arm deel van de stad. Ene Ruud reageert. Hij verlangt geen geld, maar zou het fijn vinden wanneer hij ’s avonds, gezeten op de bank voor de televisie, haar mag bevoelen. Bijvoorbeeld in haar schoot. Schelvis gaat akkoord, zet gewoon haar gevoel uit. Want: alles beter dan het leven op straat, als dakloze.

Verloren zoon

Je kan Schelvis vanwege haar geaardheid moeilijk een verloren zoon noemen, maar haar belevenissen bevinden zich wel in dit spectrum. Met een hele trits aan klusjes verdient ze wat geld. Ze bedient op een terras, werkt als schoonmaker in een paardenslachterij en loopt een betaalde stage bij een journaliste die voor grote tijdschriften levensverhalen schrijft over mensen die zijn mislukt in het leven. Zelf voelt ze zich niet thuishoren in deze groep, ze red het immers toch? Maar steeds, meestal buiten haar schuld, is er een terugval. Haar omgeving neemt haar dan iets kwalijk. Meestal leidt dat slechts tot een deuk in haar gevoel, maar een enkele keer is de schade fysiek, en fors. De Vries schetst, soms met een lichte ironie, de lotgevallen van Schelvis. Ze velt geen oordeel, laat het aan de lezer over om er iets van te vinden. Haar taalgebruik is heel direct, verwacht geen lange bespiegelingen. Dat ze dingen open wrikt, Schelvis maar steeds opnieuw een paar stappen terugduwt zonder daarvoor een aanleiding of verklaring te geven, ging voor mij als lezer op den duur wringen. Is dat uit een soort vrijblijvendheid? Of beoogt ze juist dat, het creëren van een gevoel van ongemak? Misschien legt het juryrapport hier wel de vinger op de juiste plek: ‘Het totaal kunstmatige universum van Schelvis, vol tegenstellingen, overdrijvingen en verwijzingen naar schelmen- en arbeidersromans, is een ongelooflijk intelligente satire.’

Nadia de Vries / Overgave op commando / 160 blz / Uitgeverij Pluim, 2025