dinsdag 25 augustus 2026

The Things We Never Say

Nooit eerder las ik iets van Elizabeth Strout. Maar in een ver verleden was ik wel verslaafd aan het werk van John Updike. De vier (vijf) delen Rabbit, vanzelfsprekend, maar misschien nog meer Couples (1968) of The Maples Stories (1979). Romans en verhalen over stellen die in de loop van de jaren ’60 de ietwat kleinburgerlijke mentaliteit van de stadjes aan de oostkust van de  VS van zich afschudden en zich te buiten gingen aan drank, lichte drugs en - vooral – aan overspel. Taaltovenaar Updike beschreef het met een welhaast onvoorstelbare lichtheid en elegantie. Het werd een spel, in alle opzichten.

Die meesterlijke taalbeheersing vond ik tot mijn genoegen terug bij Strout, in haar beknopte roman The Things We Never Say. Evenals de gave om met weinig woorden, eigenlijk indirect, zo’n dorpsgemeenschap neer te zetten. We zijn bij haar in tijd ruim veertig jaar opgeschoven, staan aan het begin van het tijdperk Trump. Artie Dam, 57 jaar, al dertig jaar leraar geschiedenis aan een lokaal college, en zijn echtgenote Evie zijn de hoofdpersonen van The Things We Never Say. Ze wonen luxe, in een prachtig huis dat een cadeau was van haar ouders. Voor de deur ligt een baai, Artie zeilt graag in het weekeinde. Hij heeft steeds meer het gevoel dat hij en Evie langs elkaar heen leven. Ze hebben een zoon die tien jaar eerder een ongeluk veroorzaakte waarbij zijn vriendin omkwam. Dat maakte het noodzakelijk om hun leven te resetten. Dat lijkt gelukt, maar bij Evie iets beter dan bij Artie. Die kan zich ook niet onttrekken aan de indruk dat zijn relatie met zijn leerlingen – die altijd prima was, vijf jaar geleden werd hij gekozen tot beste docent in de staat – wat gaat schuren.

Er wordt in deze roman, conform de titel, tussen de personages veel niet uitgesproken. Jij als lezer krijgt het wél mee. Een mooi spanningsveld!  

Elizabeth Strout / The Things We Never Say / 201 blz / Penguin Viking, 2026

zondag 23 augustus 2026

Boeken als pleisters

Het conflict in het Midden-Oosten duurt al even. Als je erbij stilstaat, waarschijnlijk al veel langer dan je dacht. De Marokkaans-Franse schrijver Rachid Benzine laat zijn roman De boekhandelaar van Gaza beginnen in 1947, bij een aanval op Palestijnse nederzettingen in de buurt van Haifa door een tak van de Hagana, een Joodse paramilitaire organisatie die werd opgericht om de jonge staat Israël te beschermen. Bij die aanval worden duizenden Palestijnse familie verjaagd, terwijl hun schamele huisjes met tanks en bulldozers worden platgewalst. Dat klinkt heel bekend, niet? Terwijl dit toch, op een jaar na, tachtig jaar geleden is. 

Die lengte, het haast onvoorstelbare gegeven dat mensen hun halve of zelfs hun hele leven doorbrengen in wat je toch wel een ‘oorlogssituatie’ kan noemen, is een van de twee rode draden die Rachid Benzine (1971) in zijn roman hanteert. Hij heeft daarvoor een mooie vorm gevonden. Hij laat, nog vóór de verrassingsaanval van Hamas in oktober 2023, een Franse fotograaf afreizen naar Gaza om voor zijn opdrachtgever pakkende beelden te schieten van de ellende onder de inwoners van het gebied. Tijdens een eerste wandelingetje stuit deze Julien in de binnenstad, in een nog nauwelijks gebombardeerd stadsdeel, op een boekwinkeltje. Op de stoep ervoor zit, in kleermakerszit, de boekhandelaar. Verdiept in een boek. Wanneer hij dit sfeerbeeld wil vastleggen, spreekt de oude man hem aan en vraagt hem of hij niet, alvorens de foto te nemen, zijn verhaal wil aanhoren. Een foto mét een verhaal zal toch interessanter zijn dan een zonder. 

En dat is het beslist, zeker in het geval van de boekhandelaar, Nabil el-Jaber. Tijdens enkele achtervolgende middagen vertelt deze aan Julien zijn levensgeschiedenis. Die begint daadwerkelijk bij de al genoemde aanval door de Israëlische paratroepen eind 1947. Om precies te zijn heel kort voor de geboorte van Nabil. Tijdens die aanval schoten de paratroepen in het wilde weg, waardoor ook Nabils hoogzwangere moeder werd getroffen, in haar rug. Hun huis werd in brand gestoken. Op de vlucht, waarbij ze alleen hun kar en ezel mochten meenemen, en wat persoonlijke spullen, was het zaak te voorkomen dat de weeën vroegtijdig zouden beginnen. Dat lukte, Nabil werd veilig geboren. Maar die eerste vlucht, naar Nazareth, en dat wisten ze toen nog niet, zou er een zijn van een hele reeks. Vluchtelingenkampen over heel Israël, en ook in de Jordaanvallei, en uiteindelijk Gaza. 

Wat doe je, wanneer je leven zo overhoop ligt, je nergens kan aarden, je ook nergens een veilig bestaan kan opbouwen, altijd deels afhankelijk zal zijn van (buitenlandse) organisaties. Nabil lukt het wel door hard te werken op eigen benen te staan, zijn jonge gezin te onderhouden. Weet zelfs een klein vissersbootje aan te schaffen, waarmee hij dagelijks in alle vroegte de Middellandse Zee op gaat. Vis is er altijd, en gegeten moet er ook, dus dat is een redelijk stabiele bron van inkomsten. Zo, én met een toegezegde beurs, kan hij ook enkele van zijn kinderen laten studeren. Want dat ziet hij als dé weg naar een enigszins menswaardig bestaan. Maar dan komt in 1987 de eerste Intifada. De grote volksopstand van het Palestijnse volk tegen het Israëlische leger. Verzet dat veel heviger is dan voorheen, en vooral ook veel massaler. En weer alles ligt overhoop.

Terwijl Nabil zijn levensgeschiedenis uit de doeken doet, loopt hij af en toe zijn winkeltje in om een boek uit een van de rekken te halen. Om daaruit Julien iets voor te lezen, uit te leggen waarom juist deze titel van deze schrijver ooit iets voor hem heeft betekend. Hem tijdens moeilijke momenten steun heeft gegeven. Primo Levi’s Is dit een mens is zo’n titel. En ook, wanneer Nabil later langdurig in de gevangenis belandt omdat hij zijn door een kogel getroffen zoon wilde redden, Solzjenitsyn’s Goelag Archipel en Een verliefde gevangene van Jean Genet. En natuurlijk het boek dat je altijd kan herlezen, Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. Literatuur als pleister op een wond die maar niet wil helen. De tweede rode draad in deze roman. Heel mooi gedaan. 

Het enige wat een beetje jammer is aan dit boek is de titel van de Nederlandse uitgave. Benzine gaf de Franse editie de titel L’home qui lisait des livres, in het Nederlands De man die boeken las. Dat is immers de kern van de vertelling. De Nederlandse uitgever koos echter voor De boekhandelaar van Gaza, waarmee het boek voor mijn gevoel een beetje ten onder gaat in de vloedgolf aan boeken met titels als De violist van Auschwitz etc. Het is een keuze vanuit de marketing, dat begrijp ik, maar toch ook een beetje zielloos ….

Rachid Benzine / De boekhandelaar van Gaza / Vertaald uit het Frans L’home qui lisait des livres door Ursula Teijink / 143 blz / Atlas Contact, 2026

donderdag 20 augustus 2026

De rode burgemeester

PRO. Het is er nu dan toch van gekomen, een grote volkspartij aan de linkerzijde van het politieke veld. Lang niet alle betrokkenen waren bereid zomaar de stap te zetten. Lang niet iedereen geloofde in de voordelen. En emotionele aspecten speelden voor velen, vooral de wat oudere kiezers en leden, natuurlijk ook een rol. Of de fusie een goede beslissing was gaan we zien, dat moeten we wat tijd gunnen. 

Wat ik me tijdens de discussies van de afgelopen jaren niet echt heb gerealiseerd was dat binnen de Partij van de Arbeid al veel langer de wens bestond de partij eens goed op te schudden. Te vernieuwen. En dan bedoel ik niet zo’n ietwat modieus initiatief als Nieuw Links (1965-1971), maar grondiger, duurzamer. Ik stuitte daarop tijdens het lezen van De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester. In deze biografie beschrijft Klaas Tammes hoe er, na de Tweede Kamer verkiezingen van 1967, voor het eerst sprake was van de opkomst van veel kleine, veelal linkse partijen die niet aan de regering zouden gaan deelnemen. Dat was eigenlijk jammer van die stemmen, vond Wim Thomassen, direct na de oorlog medeoprichter van de PvdA en in 1967 burgemeester van Rotterdam. Niet de minste, dus. Hij pleitte voor ‘een doorbraak, voor een brede progressieve volkspartij’. De naam PvdA mocht van hem verdwijnen. Het woord ‘arbeid’ in die naam had in 1946 bij de oprichting immers een geheel andere inhoud gehad dan twee decennia later. Maar van de term ‘socialistisch’ moesten ze afblijven. Die was voor hem zoiets als een beginselverklaring. 

Rotterdam was de derde stad waar Thomassen burgemeester was, na Zaandam (1948-58) en Enschede (1958-65). Dat is een mooie loopbaan, zou je zeggen, en Thomassen vond dat zelf ook. Hij hield van het bestuurlijke op stedelijk niveau, dat was niet te groot, dat paste ook goed bij zijn pragmatische instelling, zijn hands-on mentaliteit. Kort na de oorlog was hij enkele jaren lid van de Tweede Kamer, maar dat was hem te abstract. En een functie binnen een regionale samenwerking, zoals in het Openbaar Lichaam Rijnmond, leek hem alleen zinvol wanneer zo’n bestuursorgaan ook daadwerkelijk bevoegdheden kreeg. En dat was in de jaren zestig nog niet het geval.  

Hoe wordt je burgemeester? Bij Thomassen was dat deels een kwestie van de juiste man op het juiste moment. Direct na de oorlog, in de zomer van 1945, was hij drie maanden lang in de rang van majoor hoofd geweest van het Militaire Gezag in de Zaanstreek. En toen hij drie jaar later solliciteerde naar de vacante burgemeesterspost, herinnerde men zich hem als een doortastend en beminnelijk man. Dat hielp. 

Klaas Tammes, die zelf burgemeester in meerdere kleinere gemeenten is geweest, schetst met kennis van zaken de achtereenvolgende posten van Thomassen. Die verschilden zeer. In Zaandam werd het politieke leven in die jaren na de oorlog grotendeels beheerst door de Communistische Partij, die met een grote fractie en een flinke dosis onaangepast gedrag de vergaderingen van de gemeenteraad domineerde. In Enschede was het vooral een kwestie van saneren en wist Thomassen een handvol verouderde en kwakkelende textielbedrijven uit het centrum naar de buitenrand van de stad te krijgen. Daar kwam ook zijn interesse voor stedelijke vernieuwing voor de dag. De stad kreeg zijn ‘Boulevard’, een grote doorsteek, en het centrum onderging een make-over.  En in Rotterdam zou je Thomassen zelfs een projectontwikkelaar kunnen noemen. Als burgemeester had hij daar tevens de haven in zijn portefeuille, een – misschien niet heel verstandige - traditie. Hij zette grote projecten in gang, zoals een nieuwe Maasvlakte voor diepstekende schepen, waarvoor op Voorne een natuurgebied zou moeten wijken. Dat leidde tot een maatschappelijke discussie, met als kernvraag of Rotterdam ‘een haven met een stad, of juist een stad met een haven’ zou moeten zijn. Iets algemener geformuleerd: waar ligt de balans tussen welvaart en welzijn? Voor Thomassen was dat duidelijk, en hij verdedigde zijn visie dan ook hartstochtelijk. 

Kreeg het gedrag van Thomassen in Rotterdam regenteske trekjes? Zag hij zichzelf niet alleen als burgervader maar ook als CEO van een multinational? Je gaat het haast denken. Zijn opvolger zou in 1974 André van der Louw zijn. Een partijgenoot, maar daar houdt iedere vergelijking wel op. 

Een leven als burgemeester betekent dat je midden in het maatschappelijk leven staat. En er niet alleen deel van uitmaakt, maar dat je ontwikkelingen ook mede kan sturen. Een burgemeesterschap is daarmee een soort spiegel van de samenleving, in ieder geval de lokale. Tammes weet dat feilloos te duiden, en dat geeft zijn biografie beslist een meerwaarde. Maar ook door zijn oog voor het detail, voor het meer anekdotische, leer je Thomassen kennen. Ter afsluiting twee aardige voorbeelden daarvan.   

Het eerste: In de zomer van 1958 verhuisde het echtpaar Thomassen naar Enschede. Omdat op dat moment de verbouwing van de ambtswoning nog niet gereed was, wat ook gold voor de gasaansluiting, zette Thomassen zijn caravan op de stoep zodat zijn echtgenote daarin kon koken en koffie zetten. Hoe glorieus kan je intocht als nieuwe burgemeester zijn?

Het tweede: Eind jaren zestig. De Amsterdamse burgemeester Samkalden had het demonstratiebeleid versoepeld, min of meer gedwongen door de omstandigheden. Thomassen dacht daar anders over, vond dat dit beleid moest blijven verlopen binnen het kader van de wet- en regelgeving. Een citaat: ‘Demonstreren hoort tot onze vrijheid. Het gezag is er omwille van die vrijheid. Nu er een gezagscrisis aan de orde is kan tot de oplossing daarvan niet worden bijgedragen door terug te wijken en te buigen voor de waan van de dag. Ik ga bij de demonstraties tussen de mensen staan. De politie ontraadt me dat. Provo-happenings kent Rotterdam niet. […] In Rotterdam wordt gewerkt. Rotterdammers gaan op tijd naar bed.’

Klaas Tammes / De Drijver. Het spraakmakende leven van Wim Thomassen, de rode burgemeester / 325 blz /  Prometheus, 2026

zondag 9 augustus 2026

Hoe Maurits, prins van Oranje, aan de macht bleef

Je politieke tegenstander uit de weg ruimen, in het Holland van de zeventiende eeuw was dat een koud kunstje. Mits je over geld en enige invloed beschikte. De keurigste mensen bezondigden zich er aan, zelfs een prins van Oranje. En met hém opent Nicolaas Matsier (1945) zijn onlangs verschenen roman Zonder pardon. Het is een vroege ochtend, eind augustus 1618. Prins Maurits, stadhouder van vijf provinciën en kapitein-generaal van het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden, wacht na een grotendeels doorwaakte nacht op de komst van Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de provincie Holland en na Maurits de machtigste man in de Republiek. In diens agenda staan voor die dag twee vergaderingen, achtereenvolgend met de Staten van Holland en met de Staten-Generaal. Maar Van Oldenbarnevelt zal die bijeenkomsten nooit bereiken. Zodra hij op het Haagse Binnenhof uit zijn koets stapt, wordt hij gearresteerd. Feitelijk in directe opdracht van Maurits. Formeel op last van de Staten-Generaal.

Hoe luidde de aanklacht? Wanneer je het uitvoerige dossier dat werd opgebouwd, met daarin een opsomming van meer dan honderd beschuldigingen, even buiten beschouwing laat wordt het overzichtelijk. Het gaat veelal om bestuurlijke zaken, met daarin religie als zwaartepunt. Na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand in 1609, waardoor de focus op de oorlog tegen Spanje tijdelijk wegviel en opeens allerlei onderlinge geschillen belangrijker leken te worden, ontstonden er irritaties en haperde de communicatie. Een min of meer harmonieuze samenwerking in de strijd tegen een gezamenlijke vijand ontaardde in solistisch optreden van beide kanten. Van Oldenbarnevelt, die bijna veertig jaar – vanaf zijn samenwerking met Willem van Oranje – in het centrum van de macht had verkeerd, ging daarin het verst. Maurits voelde zich de macht ontglippen en greep naar het middel dat hem ten dienste stond: het leger. Hollandse steden, waarvan er tot dan toe veel trouw waren gebleven aan de raadspensionaris, werden ‘gecorrigeerd’. En Van Oldenbarnevelt liet hij voorafgaand aan diens arrestatie maandenlang bespioneren.  

Nicolaas Matsier publiceerde in 2019, precies 400 jaar na de onthoofding van Van Oldenbarnevelt, de roman De advocaat van Holland. En dit voorjaar verscheen de tegenhanger, Zonder pardon. Matsier hanteert in dit tweeluik een opmerkelijke stijl. Verkeerde je in De advocaat als lezer voortdurend in het hoofd van Van Oldenbarnevelt, in Zonder pardon beleef je uitsluitend Maurits’ gedachten. De zinnen zijn kort, de alinea’s nooit langer dan een halve bladzijde en steevast van elkaar gescheiden door een witregel. Er ontstaat daardoor een spervuur aan korte impressies, vaak niet langer dan een tweet. Ben je daar eenmaal aan gewend, dan leest het best prettig.

Vanaf zijn arrestatie tot aan zijn terechtstelling in mei 1619, negen maanden later, wordt Van Oldenbarnevelt gevangen gehouden in een donker appartement boven de Rolzaal in het Haagse Binnenhofcomplex. Nog geen honderd meter van Maurits' verblijf. De ramen ervan zijn dichtgetimmerd om hem te beletten contact met buiten te hebben. Zelfs zijn familie mag hij na zijn arrestatie niet meer zien. Ook de reden van zijn gevangenneming is hem lange tijd niet bekend. De eerste verhoren door een voor de gelegenheid samengestelde rechtbank brengen daarin voor hem geen duidelijkheid. Pas na enige tijd ontdekt hij een patroon in de ondervraging, een denkrichting. Maar lange tijd komt het niet bij hem op dat er wordt aangestuurd op de ultieme straf. Door dat limbo verkeert Van Oldenbarnevelt als het ware in een niemandsland. Hij staat volledig buiten de dagelijkse gang van zaken. De enige afleiding in die eenzame opsluiting is het regelmatige verhoor door de  rechtbank.

Maurits houdt zich buiten het onderzoek en proces, al laat hij zich dagelijks door vertrouwelingen bijpraten. Wanneer hij tegen het einde van het jaar met flink wat militair machtsvertoon alle Hollandse steden achter zich heeft weten te krijgen, breekt een rustige periode aan. En door stilzitten ontstaat er ruimte voor herinneringen, bespiegelingen. Een situatie waarin Van Oldenbarnevelt zich al maanden noodgedwongen bevindt. Voor mij zijn het juist deze passages die beide romans naar een hoger plan tillen. Matsier schetst Van Oldenbarnevelt hier als ambitieus jurist en bestuurder, trots op zijn glansrijke loopbaan die hij wist te bekronen met de machtigste functie binnen het bestuurlijk bestel van de Republiek. Dat je daarbij onherroepelijk vijanden maakt is haast niet te vermijden. Mensen die vinden dat je al veel te lang te veel macht hebt, en die verkeerd gebruikt. En die je daarom liever zien gaan. Is dat wat hem nu overkomt?

De mijmeringen van Maurits zijn wat meer aards van karakter. Hij kijkt weliswaar terug op succesvolle veldslagen en belegeringen, maar kan niet goed omgaan met het maken van vuile handen, ook al was dat soms onvermijdelijk. Zelfs dat wat hij nu Van Oldenbarnevelt aandoet levert hem soms slapeloze nachten op. Ook gaat Maurits de jaren voelen, zijn behoefte aan korte middagslaapjes wordt steeds groter.

Niet iedereen zal zijn geschiedenis van de Hollandse Gouden Eeuw paraat hebben. Van Oldenbarnevelt en Maurits zullen geen probleem zijn. Maar het Twaalfjarig Bestand, de strijd tussen de remonstranten en contraremonstranten, het verzetten van de wet en nog wat van die termen: Matsier veronderstelt ze als bekend. Dus dat wordt dan even naar Wikipedia, een kleine moeite. Maar eigenlijk hoeft dat niet eens, want de geschiedenis is hier niet de hoofdzaak. Wat Matsier ons presenteert is een gevecht tussen twee mannen – beroemd, machtig, rijk -, een gevecht dat we meemaken vanuit het hoofd van die mannen. Dat is gedurfd, en het had gemakkelijk kunnen mislukken. Maar hij maakt het volledig waar.

Nicolaas Matsier / De advocaat van Holland & Zonder pardon / resp. 360 & 208 blz / De Bezige Bij, resp. 2019 & 2026

zondag 2 augustus 2026

De wereld rond, in het spoor van de tijd

De schutbladen van De tijdreiziger, het nieuwe boek van Philip Dröge, tonen een projectie van de wereldkaart. Daarop is niets ingevuld, afgezien van 21 genummerde stippen die door een lijn met elkaar zijn verbonden. De nummering gaat in oostelijke richting, beginnend in Nederland om vervolgens via een Zweeds eilandje naar Praag, Bern, het Griekse Athos en Doha in steeds grotere stappen richting de Stille Zuidzee te gaan. En vandaar, via wat stops in de VS en Midden-Amerika weer naar Nederland. Een wereldreis, zo een als Jules Verne zijn held Phileas Fogg liet maken in Reis om de wereld in tachtig dagen. Maar Dröge maakt er geen wedstrijd van, al staat ook bij hem de tijd centraal. En hij volgt niet precies Foggs route. Nee, Dröge selecteerde bestemmingen waarvan hij hoopt dat hij er wat meer inzicht krijgt in vragen die hem al lang fascineren. Vragen over het fenomeen tijd. In zijn eigen woorden:

‘ […] door langs plekken te reizen die iets met het fenomeen tijd te maken hebben. Om te proberen het meest ongrijpbare toch te vatten en antwoord te krijgen op vragen als: Hoe gaan volkeren rond de wereld om met het mysterie van de klok? Waarom lijken sommigen culturen het temporele helemaal te negeren, terwijl anderen het juist centraal stellen? Waarom hebben buurlanden soms andere tijdsmetingen en bouwen sommige geloven tempels voor de toekomst? En natuurlijk de belangrijkste vraag van allemaal: is tijd echt of slechts een illusie?’

De tijdreiziger is een boek met inzichten op allerlei vlak. Soms heel simpele, zo vanzelfsprekende dat je – lees: ik - er niet eerder bij stilstond. Zoals de begrippen zonnetijd en kloktijd. Het eerste is een natuurkundig verschijnsel, het tweede een afspraak. De zonnetijd geldt steeds maar op een smalle, verschuivende reep, terwijl de kloktijd een veel groter gebied beslaat. De zonnetijd verschuift gelijkmatig van oost naar west, in ons deel van Europa 1 minuut voor iedere 18 kilometer. Een ijzeren regelmaat. De kloktijd is zoals gezegd een afspraak, ooit in het leven geroepen om allerlei aspecten van ons dagelijkse leven te organiseren, structuur te geven. Ook voor Dröge was dit een verhelderend inzicht, dat hij opdeed in Praag, waar de onderhoudsmonteur van de beroemde, levensgrote astronomische klok uit 1410 hem rondleidde. Dat is trouwens een prettig aspect van De tijdreiziger, en ook van veel van Dröges eerdere boeken, dat hij met graag te rade gaat bij lokale (ervarings)deskundigen. Het verlevendigt zijn verhaal, én laat zien dat mensen vaak interessanter zijn dat de geschiedenis, landschap of stad. Een beetje zoals Michael Palin dat deed op zijn reizen voor de BBC.

De keuze van locaties is heel gevarieerd. In Bern bezoekt Dröge het voormalige appartement van Albert Einstein. Diens relativiteitstheorie heeft immers alles te maken met het begrip tijd. De monniken in de twintig kloosters in de Monastieke Republiek Athos daarentegen, in Griekenland, proberen zich niet door de tijd te laten leiden: ´Je betreed er een land dat boven de tijd zweeft´. Hebberig wordt Dröge in Doha, bij de markt van de klokkenmakers van Qatar. Je kan er spetterend dure Rolexen aanschaffen, maar ook goedkope neppers die door de leek vrijwel niet te onderscheiden zijn van echte. Ooit gehoord van de lunisolaire kalender? In Mumbai maakt Dröge kennis met dit systeem, een tijdrekening gebaseerd op een combinatie van de stand van de zon én de maan. Om vervolgens, op weg naar Kathmandu, op irritante wijze kennis te maken met het elastieken tijdsbesef van de Indiase spoorwegen. En bij binnenkomst in Kathmandu, in Nepal, te merken dat zijn horloge verspringt van 15.41 naar 15.56. Ja, een kwartier tijdverschil met India, ook dat kan. Het is maar wat je afspreekt. En natuurlijk vliegt hij over de eindeloos lijkende Pacific naar Samoa, naar de datumgrens. De kers op de taart, zogezegd. 

Maar de meest intense beleving ervaart Dröge op een doodgewoon en vrijwel leeg parkeerterrein in Los Angeles, laat in de avond. Hij parkeert daar zijn gehuurde Nissan, precies op de plek waar Doc Brown in 1985 in Back to the Future een DeLorean uit zijn vrachtauto liet rollen, met de woorden: ‘Als je een tijdmachine in een auto gaat maken, waarom zou je dat dan niet met wat stijl doen.’ Bevangen door jeugdsentiment – Dröge is van 1967 – en het echte, haast letterlijke tijdreizen door in de sportwagen met een ingebouwde fluxcondensator door een scheur in het ruimte-tijdcontinuum te flitsen, blijken op die plek aanleiding te geven tot de misschien wel meest serieuze en ook filosofische overpeinzingen over tijdreizen in het hele boek. Na nog even met zijn huis, tuin & keuken-Nissan plankgas de startbaan van de DeLorean te hebben gevolgd, én op tijd op de rem getrapt, verlaat Dröge dit openbare stukje filmset. Op weg naar zijn laatste reisdoel, New York City. Specifieker, Times Square. What’s in a name …  

Nieuwsgierigheid is wat Dröge steeds maar weer lijkt te leiden naar nieuwe plekken en verhalen. Of het nu de uitbarsting van de vulkaan Tambora in 1815 is, en de wereldwijde gevolgen daarvan; de geschiedenis van het ministaatje Moresnet, zuidelijk van Maastricht; Pelgrim, de biografie van Christiaan Snouck Hurgronje; zijn monografie over Jakarta, Moederstad of het fascinerende De Tawl, zijn speurtocht naar de restanten van de Nederlandse taal in het noordoosten van de Verenigde Staten: het resultaat is iedere keer boeiend. Het is geschiedenis voor een heel breed publiek, gebaseerd op gedegen onderzoek en meeslepend verteld, met gevoel voor het anekdotische detail. Een prima mix. 

Philip Dröge / Tijdreiziger. Een wereldreis naar de verhalen van onze tijd / 320 blz / Spectrum - Uitgeverij Unieboek, 2026