Maar het zou niet een keurig bestaan als modelburger worden. Integendeel, de wat ingeslapen samenleving die het Nederland van de jaren twintig was, ging hem tegenstaan. Nederland gaf te veel weg, kwam niet genoeg voor zichzelf op. Wat zich bij Mussert langzaamaan ontwikkelde was het gevoel dat er iets als een nationaal reveil nodig was, een nieuwe energie. Nederland kon, met haar roemruchte historie, met haar rijke koloniën en hoge levensstandaard, veel meer betekenen in de wereld dan het deed. En toen zijn vriend Cornelis van Geelkerken, die rondliep met het idee een politieke partij op fascistische grondslag op te richten, hem in 1931 vroeg als leider daarvan ging hij er enthousiast op in. Hij kocht voor 60 cent een brochure over het partijprogramma van Hitlers NSDAP – een samenvatting, wel zo handig, merkt Kok op – en zette zich aan het schrijven van een partijprogramma, hier en daar nog wat rechtse gezichtspunten lenend. In het eindproduct zoek je opvallend genoeg tevergeefs naar antisemitische opmerkingen. Over verkiezingen wordt daarentegen wel een ferme beslissing genomen: die worden afgeschaft. De kern waar de NSB naar streeft is ‘Vernieuwing van de geest, op economisch en staatkundig terrein, in het Rijk der Nederlanden’.
Kok begint zijn biografie in de zomer van 1935, met Musserts reis door het toenmalige Nederlandsch-Indië. Dat is slim, want dat geeft zijn verhaal direct de nodige vaart. De partij is immers al opgericht en is inmiddels een intrinsiek én opvallend onderdeel van het Nederlandse politieke landschap. Dat de successen bij verkiezingen wat achterblijven is jammer, maar ook daar kan zo’n reis iets aan doen. En inderdaad blijkt de tour een doorslaand succes. Avond na avond zijn de optredens van Mussert volgeboekt, de koloniale bladen schrijven pagina’s vol over de bevlogen stijl van de Leider – ja inderdaad, met een hoofdletter L.Met wie had Mussert in Nederlandsch-Indië contact, welke groepen voelden zich door zijn boodschap aangesproken? Allereerst natuurlijk plantagehouders, ondernemers en zakenlui. Maar ook ambtenaren, waaronder die uit de hoogste bestuurslagen. Zo ging hij tweemaal op bezoek bij Gouverneur-generaal De Jonge, die daarvoor géén toestemming vroeg aan zijn hoogste baas, de minister van Koloniën. En toen Jan Willem Meijer Ranneft, de vice-president van de Raad van Nederlandsch-Indië, Mussert bij een andere gelegenheid vroeg of hij de democratische beginselen respecteerde, gaf hij een ontwijkend antwoord. Meijer Ranneft vermeldde in zijn notities nog wel het volgende citaat van Mussert: ‘Ik ben geen groot man als Mussolini of Hitler, maar wat achter mij staat is wel groot’. De teneur werd steeds duidelijker, stelt Kok vast: Mussert zou zo lang mogelijk van zijn status als ‘ongevaarlijke’ burgerman blijven profiteren, en pas na het bestijgen van de troon het fatsoen en de wet in de hoek trappen.
De opkomst van de NSB en Musserts rol daarbij in de vooroorlogse periode bevatte voor mij veel nieuws. Dat geldt ook voor Koks’ relaas over de jeugd, zijn jaren als student en zijn wat wonderlijke relatie met Rie Witlam, zijn achttien jaar oudere tante, met wie hij in 1917 op 23-jarige leeftijd trouwde. Kok neemt voor de vroege Mussert alle tijd, in mei 1940 ben je al ruim over de helft van de biografie.
Mussert en de jaren 1940-’45 is een verhaal dat bekender is en al vaker uitvoerig beschreven. Maar in de handen van Kok krijgt het een levendigheid die je doet doorlezen. Vooral omdat hij zich richt op de grote lijn en de meest wezenlijke onderwerpen. Een mooi voorbeeld daarvan is zijn behandeling van Musserts wensdroom dat Nederland zou worden benoemd tot een autonome natie binnen de Nieuwe Orde van het Derde Rijk. Met Mussert als Algemeen Leider, vanzelfsprekend. Voor Hitler waren beslissingen daarover iets voor later, maar Mussert wilde het zo snel mogelijk regelen, al was het maar om te voorkomen dat Nederland zou eindigen als een Duitse deelstaat, voor hem een gitzwart scenario. Tijdens een bezoek aan Hitler in de rijkskanselarij, in het najaar van 1940, in het gezelschap van Seyss-Inquart en andere kopstukken, hield de Führer hierover een lange speech zonder daadwerkelijk iets toe te zeggen. Maar Mussert had na afloop beslist niet het gevoel dat hij niet serieus werd genomen, moet Kok concluderen: ‘Mussert maakt deze vaagheid niets uit. Integendeel, hij stapt even later volkomen tevreden weer in de auto. Hij heeft genoeg gehoord. Of liever: hij heeft waarschijnlijk veel meer gehoord dan Hitler heeft gezegd. […] En de aanstichter van al dit groots, de toekomstige wereldleider Adolf Hitler, is op zíjn hand. Dat weet hij nu zeker. Ongelooflijk.’ Kwestie van wishfull thinking, denk ik dan. Het zal zo'n bijeenkomst zijn geweest als op de foto hierboven, waarop Mussert wordt geflankeerd wordt door Seyss-Inquart (links) en Heinrich Himmler (geheel rechts). Die foto bekijkend denk ik: lachen ze hem toe of uit?Een in de politiek verdwaald burgermannetje, zo wordt Mussert nog wel eens getypeerd. Bij Kok is dat een term die wel passeert, maar dan als een van de aspecten van een toch veelzijdiger karakter. Zelf meende Mussert, tijdens zijn proces in 1946, dat het beeld dat van hem bestond te eenzijdig negatief was. Hij had toch het beste met Nederland voorgehad, en vooral gehandeld uit landsbelang. Maar daar ging de rechter van het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag niet in mee. Hij kreeg de doodstraf, die op 7 mei 1947 op de Waalsdorpervlakte werd voltrokken.Daarmee eindigt een wat mij betreft voorbeeldige biografie. Precies zoals Kok zich in de eerste zinnen van zijn inleiding had voorgenomen: ‘Een reportage van zijn leven: dat was mijn plan. Niet moraliseren, althans zo weinig mogelijk, en vooral proberen de gebeurtenissen voor zichzelf te laten spreken.´
Auke Kok / Mussert. Reis naar het kwaad / 480 blz / Hollands Diep, 2026



