zaterdag 30 september 2017

Het boek dat iedereen kent maar niemand las

Als er een publieks-top tien bestond van foute boeken, dan zou Mein Kampf van Adolf Hitler daarin hoog eindigen. Want vrijwel iedereen heeft immers van het boek gehoord, weet dat het fout is en is het daar natuurlijk hartgrondig mee eens. Daarom ook zijn de afgelopen decennia pogingen om een moderne Nederlandse (wetenschappelijke) editie op de markt te brengen mislukt. Formeel omdat artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht de verspreiding van haatzaaiende teksten verbiedt. In 1987 oordeelde de Hoge Raad dat Mein Kampf nog steeds onder dat artikel valt. Maar vooral omdat er steeds weerstand ontstond in de media en de politiek. Waarom zou je zo’n fout boek een podium geven, was het argument? En zelfs als je zo’n uitgave zou voorzien van de juiste kanttekeningen bleef het gevaar groot dat ongure types er gevaarlijke denkbeelden uit zouden kunnen opdoen. Want dát de inhoud gevaarlijk is, daar is iedereen het wel over eens.

Ewoud Kieft geeft in de inleiding tot Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme een kleine opsomming van die eensgezindheid. Zo verklaarde een woordvoerder van het NIOD nog zo recent als 1997 tegen de Volkskrant: ‘Ik kan me absoluut niets voorstellen bij een wetenschappelijke heruitgave van Mein Kampf. Ook niet dat die zou bijdragen aan kennis over het nationaalsocialisme en de Tweede Wereldoorlog. Het instituut zal er dan ook niet aan meewerken. We hebben andere prioriteiten. Mein Kampf is een warboel, filosofische rimram.’ Ook in de politiek weerklonk die opvatting. Toen in 2007 de toenmalig minister van OC&W Ronald Plasterk voorstelde om de verspreiding van het boek niet langer strafbaar te stellen, kreeg hij de voltallige Tweede Kamer over zich heen. Morele verontwaardiging alom. Iedereen sprak zijn afkeer uit over het ‘absolute kwaad’. Plasterk zag dan ook af van zijn voornemen. Waarmee, zoals Kieft verzucht, ‘we Mein Kampf op afstand blijven houden: als symbool van het kwaad, dat altijd in anderen zit, nooit in onszelf. Elke inhoudelijke kennis staat daarbij eigenlijk alleen maar in de weg. Mein Kampf: iedereen vindt er wat van. Vrijwel niemand heeft het gelezen.’

Het is die eensgezinde opvatting, die bij verreweg de meeste deelnemers aan de discussie slechts is gestoeld is op een flauwe notie van de historische feiten, die Kieft deed besluiten onderzoek te doen naar Hitlers manifest en daarover voor een groot publiek te schrijven. Ditmaal op uitnodiging van het NIOD. De tijden veranderen, blijkbaar. Het motto dat hij laat voorafgaan aan zijn boek is van de Chinese generaal Sun Tzu, die zo’n 2.500 jaar geleden een handboek schreef over de kunst van het oorlog voeren. Het spreekt voor zich: ‘Ken je vijand, en ken jezelf’.

Adolf Hitler begon aan het schrijven van Mein Kampf nadat hij in 1924 was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de zogenoemde ‘Bierkellerputsch’ in München, een greep naar de macht die groots was opgezet maar jammerlijk mislukte. In de jaren na het einde van Eerste Wereldoorlog was in Duitsland sprake van een maatschappelijke en politieke chaos. De economie was zwak en de herstelbetalingen aan de geallieerden legden een zware tol op het financiële systeem. Daarbovenop werd de vernedering door de gedicteerde vredesvoorwaarden en de publieke onvrede daarover door links en rechts aangegrepen om meer grip op de macht te krijgen. Hitlers putsch was slechts een van de vele pogingen tot revolutie, maar wel een waaraan kopstukken uit het leger deelnamen. Het proces waarin Hitler en zijn mededaders terecht stonden kreeg veel publiciteit en Hitler, die zijn eigen verdediging voerde, legde in zijn optreden op slimme wijze een basis voor zijn politieke toekomst. Mein Kampf, zijn politieke manifest, vormde in dat traject de volgende stap.

Het centrale thema in Mein Kampf is de bewering dat de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog vermeden had kunnen worden. De militaire top had een offensief in voorbereiding dat de vijanden zou hebben verpletterd, maar door een complot van communisten, pacifisten en Joden brak eind 1918 een revolutie uit en werd de oorlog smadelijk verloren. Deze stelling staat bekend als de ‘dolkstootlegende’. Verder beweert Hitler dat na de oorlog het grootste deel van de economische macht weer in handen was van Joden, of linkse ondernemers die met de Joden heulden. Die situatie kon alleen worden rechtgezet door de binnenlandse én buitenlandse vijanden voor eens en altijd te verslaan, dus door zuiveringen en een nieuwe oorlog. Ook de superioriteit van het Germaanse ras en het recht op ‘Lebensraum’ voor het Duitse volk zijn grote thema’s in het boek.

Kieft noemt Mein Kampf een handboek voor populisten. Zo is een van Hitlers belangrijkste uitgangspunten dat je radicaal moet zijn, je visie als een absolute waarheid moet verkondigen. Het parlementaire debat en het daaruit volgende compromis zei volgens hem veel mensen niets. In het chaotische Duitsland van de jaren twintig konden veel Duitsers die stelling vanzelfsprekend heel goed begrijpen. Hitler meende ook dat je daarbij de burgers moest aanspreken op hun emotie, meer dan op hun verstand. Als je ze zo benaderde, ook met informatie die niet perse waar hoeft te zijn, zouden ze eerder bereid zijn je in een radicale koers te volgen. Hoop is sterker dan realiteitszin, concludeert Kieft. Hitler nam hierbij een voorbeeld aan de christelijke kerk. Die was erin geslaagd een groot deel van Europa in haar grip te krijgen, op basis van een verhaal waarin mensen gelóófden. En door zonder pardon andere religieuze stromingen te bestrijden en zo de eigen heerschappij te verstevigen.

Ook massasuggestie was voor Hitler een belangrijk instrument. Daarbij beïnvloed je de psychische gesteldheid van mensen door ze onder te dompelen in groepsprocessen. De theatraal opgezette massabijeenkomsten van de nazi’s hadden dat als voornaamste doel. Hitler geeft het voorbeeld van een eenvoudige handwerksman die voor het eerst een politieke bijeenkomst van de nazi’s bezoekt: ‘Wanneer hij uit zijn kleine werkplaats, of uit zijn grote fabriek waarin hij zich pas goed klein voelt, voor de eerste keer de massavergadering binnenkomt en nu duizenden mensen om zich ziet die allen dezelfde overtuiging zijn toegedaan, wanneer hij zoekende is en door de geweldige kracht van de suggestieve roes en geestdrift van drie- of vierduizend anderen wordt meegesleurd, wanneer het zichtbare succes en het Ja! van duizenden de juistheid van de nieuwe leer voor hem bevestigen, […]. De man die weifelend en onzeker zulk een vergadering binnentreedt, verlaat haar met een innerlijke vastheid; hij is lid van een gemeenschap geworden.’

Kieft las Mein Kampf aandachtig, regel voor regel. Hij was regelmatig verbijsterd, werd soms onpasselijk, maar probeerde de aantrekkingskracht van Hitlers ideeën te begrijpen. Hij ervoer hoe sluw en efficiënt het boek soms is opgezet. Hij plaatst het in de historische context, waardoor je ziet hoe het boek kon ontstaan en waarom het lezers kreeg. Een fascinerend verhaal.

In een afsluitende beschouwing trekt Kieft de lijn door naar nu, via Hitlers pleidooi voor een feitenvrij populisme. ‘De grote massa bestaat nu eenmaal niet uit wijsgeren’, schreef de latere Führer op meerdere plekken in Mein Kampf. Hij meende, en kreeg daarin gelijk, dat grote groepen mensen niet geïnteresseerd zijn in de feitelijke onderbouwing van beweringen, maar blindelings vertrouwen op een verhaal dat hen wordt verteld. Dat is nog steeds zo, met als enige verschil dat je als politicus die mensen vandaag de dag veel gemakkelijker kunt bereiken.

Ewoud Kieft
Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme
288 blz
Atlas Contact

zondag 24 september 2017

Zien, met gesloten ogen

Anthony Doerr schreef met All the Light We Cannot See een roman die eigenlijk te mooi is om waar te zijn. Als je mij van tevoren alle ingrediënten waaruit hij zijn verhaal heeft opgebouwd op een lijstje had gegeven, zou ik hebben gedacht dat hier een zeer behendige auteur bezig was, op basis van een voor de hand liggend rijtje stereotiepe karakters en situaties, een tranentrekker van jewelste te schrijven. Want het is niet niks, wat er voorbijkomt: Een blind Frans meisje, een blonde Duitse jongen, de Tweede Wereldoorlog, een beroemde diamant die dood en verderf zaait en een apotheose die zich afspeelt in Saint-Malo, de middeleeuwse vestingstad aan de Bretonse kust, in de weken voordat geallieerde schepen de stad onder vuur nemen. Maar het is geen tearjerker geworden, wel een razend spannend verhaal dat vlot leest en dat door de cliffhangers aan het einde van de overwegend korte hoofdstukken nauwelijks is weg te leggen.

Het verhaal begint in 1934. Marie-Laure LeBlanc is dan een meisje van zes jaar dat met haar vader Daniël in het centrum van Parijs woont. Haar moeder is bij haar geboorte overleden. Daniël LeBlanc is als slotenmaker in dienst bij het Nationaal Museum voor Natuurlijke Historie. Hij is verantwoordelijk voor het goed functioneren van de ruim twaalfduizend sloten in het immense museumcomplex. De precisie die hij aan de dag legt in zijn werk komt hem ook van pas wanneer Marie-Laure plotseling slechter gaat zien en blind wordt. Hij maakt puzzels voor haar waarmee ze haar tastzin kan verbeteren, leert haar braille te lezen en bouwt een maquette van de straten tussen hun appartement en zijn werk, zodat zijn dochter dagelijks kan oefenen zich zelfstandig in de stad te oriënteren.

Tezelfdertijd groeit in het Duitse Ruhrgebied de jonge Werner Pfennig samen met zijn jongere zusje op in een weeshuis. Kansarm als hij is, lijkt een toekomst in de kolenmijnen uitgetekend. Maar wanneer hij met enkele op een vuilnisbelt gevonden onderdelen een werkende radio in elkaar knutselt, wordt hij door de Hitlerjugend ingelijfd en krijgt hij een opleiding in radiotechniek. Daarmee wordt hij aangesteld bij de Wehrmacht, waar hij in mobiele studio’s de ether afspeurt naar gecodeerde berichten van de vijand.

Wanneer de oorlog uitbreekt en Duitse troepen Frankrijk binnenvallen, krijgt Daniël LeBlanc van zijn directeur de opdracht een van de grootste schatten van het museum in veiligheid te brengen. Dat is een kolossale diamant met de naam See of Flames. Het juweel is afkomstig uit Borneo en bezit volgens de overlevering magische krachten. Samen met zijn blinde dochter, die hij niet vertelt van de opdracht, verlaat hij te voet Parijs richting de Atlantische kust. Voor Marie-Laure is dit de eerste keer dat zij Parijs verlaat, een wereld in die zij niet kent en ook niet kan zien.

De tocht die Marie-Laure en haar vader maken, dwars door Frankrijk en de oorlog, eindigt in Saint-Malo. Daar duiken ze onder in een appartement in een van de nauwe straatjes van het centrum en sluiten zich aan bij het verzet. Ook hier maakt Daniël LeBlanc een maquette van de wijk, zodat zijn dochter snel leert zich daar vrij te bewegen. Ook Werner belandt in 1944 met zijn eenheid in Saint-Malo. Evenals een Duitse premiejager, die het spoor van de diamant heeft geroken.

Doerr schrijft in een heel beknopte, directe stijl. Hij gaat zich niet te buiten aan lyrische beschrijvingen en dat soort zaken. Maar in die no-nonsense-stijl weet hij op momenten wel degelijk een gevoel van betovering op te roepen. Bijvoorbeeld wanneer Werner laat in de avond of bij nacht radiostations opvangt en zich bij  de woorden of de muziek werelden voorstelt die hij niet kent en niet kan zien. Of wanneer hij en Marie-Laure, die inmiddels over een radio beschikt, elkaar in de ether vluchtig ‘ontmoeten’ zonder te weten wie de ander is. Op die momenten gaat het steeds om het ‘zien of niet zien’, begrippen die hij – omdat zijn hoofdpersoon blind is - regelmatig laat terugkeren. De belevingswereld van Marie-Laure, die het van andere zintuigen dan haar ogen moet hebben, zet Doerr knap neer. Naast dit alles en de hierboven al genoemde spanningsopbouw maakte ook zijn vermogen een decor neer te zetten indruk op mij. Ik had tijdens het lezen soms het gevoel al naar de verfilming te kijken.

Romans over de oorlog kunnen in de handen van een mindere auteur vreselijk ontsporen. Ik moet bekennen dat ik in de boekhandel, de flaptekst lezend, geen goed gevoel had. Maar ik geef nu grif toe dat de laatste woorden van die flaptekst, ‘this magnificent, deeply moving novel’, gewoon kloppen.

Anthony Doerr
All the Light We Cannot See
532 blz
Fourth Estate, 2015
[In het Nederlands verschenen als: Als je het licht niet kunt zien]

zondag 17 september 2017

Terugkeer uit Indië

We schrijven januari 1946. Het is koud op het schip dat de twaalfjarige Willem Nijholt, zijn broer Jan en zijn moeder van Southampton naar Amsterdam brengt. De lange weken daarvoor, op het schip De Oranje dat hen van Nederlands-Indië naar Engeland vervoerde, was dunne tropenkleding voldoende geweest. Maar nu staan Willem en Jan klappertandend aan dek. Tot de stevige kapitein op hen afkomt en zijn jas om beide jongens heenslaat. Dat geeft wat warmte. En het helpt zeker bij het bewaren van het triomfantelijke gevoel dat ze de hele reis al hebben: ‘We hadden het gehaald. De Jap was verslagen. Wij, kinderen, hadden in Indië jaren van honger meegemaakt, dagelijks onder bewaking van de Jappen op onze knieën moeten liggen hakken in de keiharde tropische grond, onder de koperen ploert, met een geweer in de rug en geschreeuw aan je kop.’ Dat is gelukkig achter de rug, en in Holland zou alles nog verder goed komen.

Aan de kade in Amsterdam wacht prinses Juliana. Nijholt begint zijn herinneringen met het beeld dat hem daarvan bijblijft: ‘Vlak voordat zij van de loopplank op de kade stapte, keek ze nog een keer om, prinses Juliana, en zwaaide vriendelijk maar duidelijk aangedaan naar de menigte die haar aan de reling van het schip uitwuifde. Het eerste ziekenhuisschip dat, begin januari 1946, met ernstig zieke vrouwen en kinderen, slachtoffers van de Japanse concentratiekampen, vanuit Indië terug in het vaderland kwam. Zo had de prinses dat ook tegen ons gezegd. Vaderland. “Bent u blij weer terug te zijn in het vaderland?” Ja, nu ik dit opschrijf, na bijna zeventig jaar, denk ik, ach, wat moest ze anders? Voor haar was het natuurlijk ook geen prettige klus.’

Nijholts moeder ligt tijdens de volledige bootreis in de ziekenboeg. Lichamelijk en geestelijk uitgeput, na de Jappenkampen. Eenmaal in Nederland wordt de familie overgebracht naar Millingen aan de Rijn, een rivierdorp dicht bij de grens met Duitsland. Daar burgeren ze in. De kinderen gaan naar school, worden lid van sportverenigingen en op zondag gaat de familie naar de kerk. Moeder herstelt langzaamaan. Na  een tijd komt ook vader weer terug uit Indië: ‘Een vreemde oude man in onze ogen, die helemaal niet meer leek op de foto’s die we van hem hadden. […] Een man die in de oorlog aan de beruchte Birma-spoorlijn had gewerkt, tot afmatting aan toe was uitgehongerd en geranseld, en nog weer eens de (merdeka)-oorlog in moest en daarbij vanbinnen jankte, omdat hij, zoals hij in een van de weinige keren dat ik hem in wanhoop hoorde kreunen, “nu tegen zijn eigen mensen moest gaan vechten”. Hij moest weer onder de wapenen en naar Indië, om de Indische vrijheidsstrijders neer te knallen. Dat was vreselijk voor hem. Hij beschouwde de Indonesiërs als z’n eigen volk en was in Indië de geliefdste sergeant-majoor-instructeur geweest voor al zijn jongens.’ Voor Nijholts vader is de overgang van zijn Indische ervaringen naar het boerendorp aan de Rijn zo mogelijk nog groter dan voor zijn vrouw en kinderen.

Naarmate Nijholt opgroeit worden zijn ervaringen minder die van het familieleven en meer die van hemzelf: Zijn mislukking op de HBS, zijn voor hemzelf verwarrende, kortstondige  relatie met een broeder uit het nabije klooster – waar hij zich achteraf niet ongelukkig mee voelde – en zijn aanmelding bij de marine. Over dat laatste vertelt hij trouwens hilarisch. Hij zag in Nijmegen en Millingen aan de Rijn in de gemeentehuizen affiches met de slogan ‘Zorg dat je er (ook) bij komt, bij de marine’. En hij had in de Millingse bioscoop de speelfilm Follow the Fleet gezien, waarin Fred Astaire samen met honderden in smetteloos wit geklede matrozen sublieme parades uitvoerde, als tapdans. Dat leek hem wel wat. Maar de werkelijkheid bleek natuurlijk minder sprookjesachtig …

Vanzelfsprekend haalt hij ook herinneringen op aan zijn loopbaan als acteur en kleinkunstenaar. De auditie voor de toneelschool, zijn eerste rollen, verhalen over collega’s als Siem Vroom, Wim Sonneveld en Conny Stuart, het komt in de laatste hoofdstukken aan de orde. Maar ik heb de indruk dat hij de bulk daarvan mogelijk bewaart voor een volgende publicatie. In Een ongeduldig verlangen staan vooral de eerste jaren in Nederland centraal. Dat geeft een mooie inkijk in de jeugd van Nijholt, en een beeld van een Nederland dat niet meer bestaat.

Willem Nijholt
Een ongeduldig verlangen. Herinneringen
280 blz
Em. Querido’s Uitgeverij, 2016

zondag 10 september 2017

Een liefde in brieven

In 2009, hij was toen al ver in de zeventig, blikte de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink in zijn autobiografie terug op een zomerse dag in 1963: ‘In de namiddag van een blauwe, gouden dag aan het eind van de zomer, op donderdag 15 april 1963, stapte Ingrid mijn keurig geordende leventje binnen en haalde alles overhoop. Tot op dat moment zat ik keurig opgeborgen in een uiterst voorspelbaar bestaan als echtgenoot en vader, docent letterkunde […] En daarna -? Een wereld waarin niets ooit weer veilig en zeker zou zijn en waarin álles, van het meest persoonlijke tot het meest publieke, van de liefde tot de politiek, blootgesteld zou worden aan onzekerheid en gevaar.’ Die Ingrid was Ingrid Jonker, een jonge en veelbelovende dichter. Met haar had hij vanaf die dag een hartstochtelijke relatie die ruim twee jaar duurde. Daarna zou zij een eind aan haar leven maken en groeide hij uit tot een vooraanstaand auteur die in zijn werk steeds sterker stelling nam tegen het apartheidsregime. 

Zes dagen na die eerste ontmoeting schreef Brink een brief aan zijn nieuwe liefde. De aanhef daarvan luidt ‘Verrukkelijk wezentje’ en ook het vervolg maakt duidelijk waaraan zij zijn begonnen: ‘[…] Vooral onze nacht. Wat T.S. Eliot zei - “poetry can communicate before it is understood” – kan in zekere zin ook gelden voor mensen die zó, vrij, door middel van seks tot elkaar komen. Seks is juist een vorm van communicatie die goddank aan woorden voorbijgaat.’ Dergelijke openhartige brieven, waarin ze niets voor elkaar verzwijgen, stuurden ze elkaar tot april 1965. Zij deed dat vanuit Kaapstad, hij vanuit het veel oostelijker gelegen Grahamstad, waar hij doceerde aan de Rhodes-universiteit. In Vlam in de sneeuw. Liefdesbrieven zijn die brieven nu verzameld, voorbeeldig vertaald uit het Zuid-Afrikaans.

Brink en Jonker zagen elkaar sporadisch. Die momenten moesten ook altijd ‘gestolen’ worden, zeker in het begin van hun relatie toen Brinks’ echtgenote nog niets vermoedde. Dan verbleven ze een paar dagen – eenmaal zelfs anderhalve week - bij haar thuis of in een hotel, waarna het lange hunkeren weer begon. Soms belden ze elkaar, of stuurden ze geluidsbanden met gesproken boodschappen. Maar het zijn vooral de brieven waarin ze elkaar hun liefde verklaren, treuren om de onbereikbaarheid van de ander of wanhopen om het ontbreken van een toekomstperspectief.

Brink was getrouwd en had een zoontje. Ofschoon hij hartstochtelijk van Jonker hield, wilde hij vrouw en kind geen scheiding aandoen. Jonker was gescheiden, had een dochtertje dat bij haar woonde en was corrector bij een uitgeverij. Daarnaast had zij een knipperlichtrelatie met de wat oudere dichter Jack Cope. Brink schreef naast zijn drukke baan aan romans, zij probeerde een grijze- dagengevoel te bestrijden door gedichten te schrijven. Ze lazen elkaars werk en schaafden regelmatig samen aan de afwerking ervan. Toen eind 1963 haar bundel Rook en oker verscheen en werd bejubeld, kon ook Brink zijn geluk niet op: ‘Gefeliciteerd, nog een keer, met het verdiende succes van Rook en oker. Ik overdek je met kussen: je gelukkige ogen en je krulletje, je stoute oren, je verrukkelijke mond en het speelse puntje van je tong, je zachte hals en je bruine spikkelschouders en je prachtige volle borsten […]. Zoveel hou ik van je. En nog meer dagelijks.’ Ook hij werd van de weeromstuit poëtisch, bijna een bladzijde lang.

Voor Jonker kwam dit succes nadat ze jarenlang moeite had te publiceren. De politieke machthebbers namen het haar kwalijk dat zij naar aanleiding van het bloedbad in Sharpeville in 1960 het gedicht Die kind (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga) had geschreven. Ruim dertig jaar later zou president Nelson Mandela dit gedicht voordragen tijdens de eerste zitting van het gekozen Zuid-Afrikaanse parlement. Het toont de bijzondere status die Ingrid Jonker inmiddels heeft in haar geboorteland.

Voor Rook en oker kreeg Jonker een literaire prijs, het geld daarvan gebruikte ze voor een reis naar Europa. Daar ging het om onverklaarbare redenen fout toen Brink zich in Spanje bij haar aansloot. Ze voelde zich verwaarloosd – kreeg vermoedelijk een ernstige depressie, iets waarvoor ze al eerder was behandeld - en keerde voortijdig terug naar Kaapstad. De brieven die dan nog volgen krijgen langzaamaan een andere toon. Jonker is bij vlagen nog extatisch maar Brink uit zich wat neutraler, is ook korter. Halverwege een brief van eind april 1965 maakt hij ineens een haakse bocht en biecht haar op dat hij een nieuwe liefde heeft: ‘Lief kind, kom bij me zitten en luister. En probeer te begrijpen dat dit het zwaarste is wat ik tegen iemand heb moeten zeggen, ooit. […] Ik mag niet eens vergiffenis vragen, want dat impliceert schuld – en net zo min als  ik ooit schuld kan voelen over jou en mij, kan ik me hier schuldig om voelen. […] En ik groet je, mijn Cocon. Met tranen. En met liefs. André.’ Drie maanden later wandelt Jonker bij Drieankerbaai de zee in. Haar lichaam spoelt de volgende dag aan.

De brieven en briefjes in deze bundeling weerspiegelen alle gemoedsstemmingen die een affaire als deze kent, van juichend tot bedroefd. Maar bovenal zijn ze bijna zonder uitzondering heel direct. Ze vertellen ruim 500 bladzijden lang hun eigen verhaal. Het notenapparaat is er eigenlijk alleen om de door Jonker en Brink gebruikte literaire citaten te kunnen plaatsen. De kracht van de bundeling zit hem daarnaast ook in de korte duur van de correspondentie, de laatste brief dateert van twee jaar en een week na de eerste.

Ofschoon Brink door zijn gedrag een eind maakte aan hun verhouding, en daardoor wellicht heeft bijgedragen aan de zelfgekozen dood van zijn geliefde, heeft hij de brieven die Jonker hem stuurde samen met de doorslagen van zijn eigen brieven vijftig jaar lang bewaard. Eind 2014 bood hij ze zijn uitgever aan, met het verzoek ze integraal te publiceren. Ik mag graag denken dat hij dat deed als een eerbetoon aan een bijzondere vrouw en aan een onvergetelijke liefdesgeschiedenis.

Ingrid Jonker & André Brink
Vlam in de sneeuw. Liefdesbrieven
Uit het Afrikaans vertaald door Karina van Santen, Rob van der Veer & Martine Vosmaer
536 blz
Uitgeverij Podium, 2016

donderdag 31 augustus 2017

Geloven in de Gouden Eeuw

Nederland is het land van de verdraagzaamheid en tolerantie. Zo staan we in de wereld bekend, we kloppen er onszelf ook graag voor op de borst. Of het nu gaat om de acceptatie van minderheden, van het homohuwelijk of een scala aan geloofsovertuigingen, het kan bij ons allemaal. We vinden ook dat het móet kunnen. Dat vinden we niet alleen nu, ook in het verleden was ons land een vrijplaats voor mensen die op andere plekken in hun vrijheden werden beknot. Maar leefden we wel zo in pais en vree met elkaar? De Amerikaanse historicus Craig Harline laat in zijn boek Jacobs vlucht zien dat dit op het gebied van het geloof in de zestiende en zeventiende eeuw zeker niet altijd het geval was. Hij  koos voor zijn uitstekend gedocumenteerde verhaal de vorm van een familiegeschiedenis, waardoor het leest als een roman.

We schrijven de jaren omstreeks 1560, plaats van handeling is Delft. De kleermaker Roelandt Jacobsz Uyttenhoven en zijn vrouw Grietgen raken in de ban van de ‘nieuwe’ religie van Johannes Calvijn. Nog vóór 1566 moeten zij zich officieel hebben bekeerd tot het gereformeerde geloof. Dat is in die jaren nog een gevaarlijke stap, want niet bij wet toegestaan. De geloofsuitoefening moet in het geheim plaatsvinden. Dat is te doen, want de Delftse stadsbestuurders treden niet al te streng op tegen de ‘ketters’. Dat verandert na de beeldenstorm van 1566, wanneer landvoogdes Margaretha van Parma zich genoodzaakt ziet haar coulante houding tegen de gereformeerden te laten vallen en de Spaanse koning, Filips II, de hertog van Alva naar de Lage Landen stuurt om orde op zaken te stellen. Roelandt, die inmiddels tot diaken is benoemd, realiseert zich dat hij waarschijnlijk zal worden gearresteerd en berecht. Hij vlucht, een jaar later gevolgd door zijn vrouw en zoon, de in 1562 geboren Jacob.

Waar ze zich vestigen is in de archieven niet te achterhalen. Het is waarschijnlijk net over de Duitse grens geweest, veel Nederlandse geloofsvluchtelingen komen daar terecht. De zoon, Jacob, komt weer in beeld wanneer hij zich omstreeks 1580 in Antwerpen inschrijft, waar hij is toegelaten tot de recent opgerichte gereformeerde Latijnse School. Hij wil graag predikant worden. Twee jaar later mag hij, inmiddels een briljante student gebleken, met steun van het Antwerpse stadsbestuur naar Genève reizen om zijn studie voor te zetten aan de befaamde Academie aldaar. Daar blijft hij eveneens twee jaar, om zijn studie vervolgens af te ronden aan de universiteit van Heidelberg. Op zijn vijfentwintigste wordt hij dan predikant. Eerst in enkele kleinere Duitse steden, vanaf 1593 in Delft. Dat maakt voor hem de cirkel rond, want hij verkondigt daar het geloof om welk zijn ouders een kleine dertig jaar eerder moesten vluchten.

Daarmee is de indrukwekkende loopbaan van Jacob, die zijn achternaam intussen heeft verlatijnst tot Rolandus, nog maar net aangevangen. Na een volgende aanstelling in het Duitse Frankenthal wordt hij in 1604 benoemd tot predikant van de Oude Kerk in Amsterdam. Een prestigieuze functie, in de grootste kerk van de grootste stad van het land. Die functie houdt veel meer in dan de wekelijkse een of twee preken. Hij wordt geacht op te treden als ‘troubleshooter’ bij allerhande voorkomende problemen in zijn gemeente, hij controleert het functioneren van predikanten in het buitengebied rond Amsterdam en is afgevaardigde naar de kerkelijke synodes. Maar het liefst van alles vertaalt hij delen van de bijbel in het Nederlands. In 1627 krijgt hij, samen met een handvol andere predikanten, van de Staten-Generaal de opdracht voor het vervaardigen van een volledige vertaling. Die zal bekend worden als de Statenbijbel. Jacob leidt dit project.

Jacob bereikte de top van zijn professie door zijn intelligentie en doorzettingsvermogen, maar ook door zijn onverzettelijkheid. Het is die laatste eigenschap die in de twee volgende generaties de balans naar de verkeerde kant zal doen uitslaan. Jacobs zoon Timotheus wordt ook predikant uit overtuiging. Maar door zijn karakter is hij geen bruggenbouwer. Het gaat dan ook juist fout op het onderdeel menselijke relaties, achtereenvolgens in Ouderkerk aan de Amstel, Sint-Michielsgestel en Boxtel. In alle drie die beroepingen staat Timotheus aan het hoofd van een gemeente die ter plekke een minderheidsgeloof vormt. In het Brabantse Sint-Michielsgestel en Boxtel heeft hij te maken met katholieken, in zijn ogen zondaars die iedere regel overtreden. Het ontbreekt de goedbedoelende maar stijfhoofdige Timotheus aan diplomatie en relativeringsvermogen, waardoor hij zich telkens weer isoleert van zo’n dorpsgemeenschap. Wat ook heel heftig uitwerkt op zijn gezin.

Timotheus’ zoon Jacob, genoemd naar zijn beroemde grootvader, is de vierde generatie die met overtuiging kiest voor het geloof. Maar dan wel voor het katholieke. Op jonge leeftijd vlucht hij van huis naar Antwerpen, waar hij zich aansluit bij de Jezuïeten. Aan de smeekbeden van zijn ouders om terug te keren geeft hij geen gehoor. Zij verstoten hem daarom. Alleen met zijn zus voert hij nog jaren een correspondentie, waaruit vooral blijkt in welke verschillende werelden ze leven. Voor Jacob is het onmogelijk zich in te leven in haar geloof.  In zijn brieven probeert hij haar dan ook te bekeren. Die zendingsdrift doet hem ook besluiten als missionaris af te reizen naar Brazilië, waar hij het oerwoud intrekt om Indianen te bekeren.

Harline kon voor dit onderwerp een schat aan archieven en persoonlijke documenten raadplegen. En dat merk je, het is een meeslepend verhaal geworden over mensen en hun geloof. Over hun strijd om in vrijheid te mógen geloven. Harline heeft  jaren in Nederland gewoond. Hij weet de historische context dan ook beeldend te beschrijven, van de grote historische gebeurtenissen tot het functioneren van kleine dorps- en geloofsgemeenschappen.

Verdraagzaamheid was in de Republiek der Verenigde Nederlanden een groot goed. Dat gold ook voor de geloofsbeleving. Soms, bij politieke omwentelingen, kwam die religieuze verdraagzaamheid onder druk te staan. En voortdurend lag het gevaar van onderlinge vijandigheid op de loer, bijvoorbeeld tussen de remonstranten en de contraremonstranten. Want gelovigen van de verschillende stromingen konden, uit naam van Jezus, elkaars bloed wel drinken.

donderdag 24 augustus 2017

Een filosofische thriller

Ik schrijf al een paar jaar met veel plezier voor mijn weblog. Om dat vooral zo te houden, heb ik één strikte regel: wanneer een boek me tegenvalt, schrijf ik geen bespreking. Dat vind ik zonde van de tijd. Ik ben zo’n goeierd die een boek dat hij begint ook uitleest, al merk ik na vijftig of honderd bladzijden dat het me niet boeit, dat het slecht is geschreven of dat ik het slachtoffer ben van een mediahype rond een prul. Want ik wil dan toch weten hóe slecht het is. Om die situatie te voorkomen zoek ik de boeken die ik lees zorgvuldig uit. Inmiddels heb ik daar zoiets als een antenne voor, dus meestal gaat het goed. Maar vorig jaar overkwam het me toch. Met een boek dat ik vol vertrouwen kocht, ja een boek waarvan ik zelfs opgetogen was dat het verscheen omdat ik had genoten van het vorige boek van de auteur in kwestie. Dat ik de bespreking nu pas schrijf komt omdat ik lang heb moeten peinzen over mijn oordeel.

Het gaat om De zevende functie van taal van Laurent Binet. Zijn vorige boek, Himmlers hersens heten Heydrich, speelt in Praag tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarin beschrijft hij op spectaculaire wijze de moordaanslag op de Duitse commandant Reinhard Heydrich, Himmlers rechterhand. Dat boek was voor mij een overdonderende leeservaring. Vandaar dat ik nu vrolijk fluitend de boekhandel verliet, Binet’s nieuwe in mijn tas.

De zevende functie van taal begint in februari 1980. Roland Barthes, de beroemde Franse filosoof, verlaat het Parijse restaurant waar hij zojuist een lunch heeft genoten met de socialistische presidentskandidaat, François Mitterand. Op een kruispunt in het Quartier Latin wordt hij aangereden door een vrachtwagen en overlijdt korte tijd later in het ziekenhuis. Heeft hij niet uitgekeken bij het oversteken, reed de vrachtwagen door rood of is hier sprake van een moordaanslag? De statuur van Barthes en het feit dat hij kort tevoren een afspraak had met Mitterand zijn voor de politie aanleiding het ongeluk grondig te onderzoeken. Ze zet  een commissaris op de zaak, ene Jacques Bayard.

Tot zover lijkt het op het begin van een roman die spannend én ongewoon zou kunnen worden, gelet op de hoofdrolspelers. Bayard duikt in het leven van Barthes en zijn wetenschappelijk entourage. Barthes was een filosoof die zich onder andere bezighield met semiotiek, dat is de studie van (taal)tekens en hun betekenis. Hij blijkt ten tijde van zijn dood een onderzoek te hebben afgerond naar de zevende functie van taal, een code die je kan gebruiken om mensen te overtuigen van je boodschap. Dat is natuurlijk goud waard, voor partijen met goede bedoelingen maar ook voor boeven. Het manuscript waarin Barthes die zevende functie heeft beschreven is evenwel zoek, ontdekt Bayard.

Barthes’ loopbaan nam een  vlucht in het intellectuele Parijs van de jaren zestig en zeventig, waarin grootheden als Jean-Paul Sartre, Françoise Sagan en Michel Foucault de koers aangaven. Zij en anderen komen in beeld bij het onderzoek van commissaris Bayard, die zelfs de Franse president Giscard d’Estaing ondervraagt met het oog op eventuele politieke motieven achter de (mogelijke) moordaanslag. Die parade van belangrijke personen is verklaarbaar vanuit het milieu waarin Barthes zich bevond. Maar het heeft ook iets van een name-dropping. Temeer omdat Binet de betekenis ervan voor zijn verhaal niet heel overtuigend schetst. Hij lijkt vooral te kicken op details uit het persoonlijke, en soms ook intieme, leven van enkele van die wetenschappers uit Barthes’ kennissenkring, maar verzuimt die sappige details in te bedden in een geloofwaardige constructie van zijn betoog. De term ‘effectbejag’ komt dan als vanzelf op.

Dat is een bezwaar van inhoudelijke aard. Met de verhaaltechnische kant, en dan vooral de spanningsopbouw, is niets mis. Integendeel, richting de ontknoping komen verschillende lijnen bij elkaar en is er zelfs sprake van een heuse apotheose. Maar ook hier weer met het nodige effectbejag. Het is alsof Binet de vijf jaar waarin hij dit boek schreef ook heeft benut voor het bestuderen van het werk van Dan Brown en Umberto Eco. Naar de laatste, net als Barthes en Foucault een semioticus, wordt door Binet trouwens herhaaldelijk verwezen.

Mijn eindoordeel: onevenwichtig. Het uitgangspunt en de setting zijn een vondst, veel scénes zijn beeldend geschreven en lezen als een trein, maar de inbedding van dit alles in de intellectuele context overtuigt niet. Die context, het milieu waarin Barthes verkeerde, is bij Binet niet meer dan een behangetje op de achtergrond, noodzakelijk voor de couleur locale.

vrijdag 18 augustus 2017

In retraite

Gerbrand Bakker zegt heel vaak ‘pfff’ als hij achter de computer zit en meningen van anderen leest op Facebook of Twitter. Hij werd en wordt ‘steeds nogal moe van meningen’. Sinds hij in 2007 kotsmisselijk werd van zichzelf, en dan vooral als hij de teksten van zijn weblog teruglas, heeft hij ervoor gekozen geen mening meer te hebben. In ieder geval niet in het openbaar. En zeker niet op schrift. Anders zou de kans groot zijn dat hij ‘pfff’ moet zeggen over dingen die hij zelf schrijft. En dat wil hij liever niet.

Dit klinkt als een schrijver met een probleem. Niet willen of kunnen schrijven omdat je zo’n afkeer hebt om het geschrevene te lezen. In een poging daar iets tegen te ondernemen kocht Bakker in 2012 een oud en wat vervallen huis in Schwarzbach, een gehucht in de Eifel. Dicht genoeg bij Nederland en zijn Amsterdamse appartement om er in een paar uur naar toe gereden te worden, ver genoeg om een zekere afstand te nemen. Het huis ligt in een klein dal, waardoor hij het prettige gevoel heeft afgesloten te zijn van de rest van de wereld. Bakker slaat aan het klussen in huis en de grote tuin. Vanaf december 2014 houdt hij gedurende een jaar een dagboek bij, waarin hij noteert wat hij meemaakt en wat hem bezighoudt.

Bakkers wereld in Schwarzbach is klein. Met buurman Klaus heeft hij het meeste contact. Daarnaast heeft hij Jasper, een hond die hij op Marktplaats vindt. Meegenomen door toeristen uit Griekenland, vermoedelijk een kruising tussen een windhond en een pointer. Met hem maakt Bakker lange wandelingen, met hem voelt hij een bijzondere verbondenheid. Beide, baas en hond, zijn van nature erg op zichzelf en misschien ook heel licht contactgestoord, dat schept een band. Zo doet Jasper niets liever dan zich tijdens een wandeling los te wurmen uit zijn tuigje. Na uren treft Bakker zijn hond bij thuiskomst aan voor de deur, rustig wachtend. Het verhaal van Jasper gaat een rol spelen in de columns die Bakker weer gaat schrijven, nu voor De Groene en Trouw. Die lezend merk je dat de hond, én het huis in de heuvels, een positieve invloed hebben op Bakkers langzame herstelproces.

Het dagboek blijkt gaandeweg geen dagboek te zijn in enge zin. Het is meer een soort scrapbook waarin dagboekaantekeningen, stukken voor de krant, reisbeschrijvingen – Bakker wordt uitgenodigd voor literaire festivals, boekpresentaties en filmpremières - overpeinzingen en enkele inleidingen voor andere boeken een plek hebben gevonden. Bakker kan heel vrijmoedig schrijven over intieme zaken, zoals over zijn pogingen contact te leggen met mannen die hij ergens zag. Bijzonder is ook het stuk over de pukkels in zijn gezicht, waar hij lang last van heeft gehad. Na een ietwat onsmakelijk verslag van de manier waarop hij er vanaf kwam, merkt hij op: ‘Ik heb een zwak voor jongens of mannen met pukkels. Ik vind het helemaal niet lelijk. Ik vind het zelfs mooi. Het gezicht wordt als het ware gereduceerd tot een mond en ogen. Felle, heldere ogen, fraaie monden. Onaangetast.’

In de Eifel peinst hij tevens over zijn métier. Over zijn toekomst als schrijver. Terugkijkend op de jaren achter hem, waarin het succes van boeken als Boven is het stil en Juni, met alles wat daarbij kwam kijken, hem langzaam te veel werd, komt hij tot het inzicht dat hij dat niet meer wil. Hij geniet daar ook niet van: ‘Een ander punt is dat ik niet gevoelig ben voor lof. Mijn borst zwelt niet als mensen zeggen dat ze mijn werk zo geweldig vinden. Ik heb er niets aan, het voedt me niet, het geeft me niet de energie die misschien nodig is om door te gaan.’ De conclusie is eenvoudig: ‘Als ik nog eens een roman ga schrijven, doe ik dat voor mezelf.’ Met Jasper en zijn knecht, dat hij om therapeutische redenen schreef, dus óók voor zichzelf, heeft hij alvast een mooie, oprechte en heel authentieke voorzet gegeven.