zaterdag 20 oktober 2012

Dirt

Het gebeurt zelden dat ik een boek in één keer wil uitlezen. Maar na twintig bladzijden in Dirt van David Vann bekroop mij dat gevoel. Het verhaal begint vrij normaal. Galen, een jongen van 22 jaar, bewoont met zijn moeder een oude, niet meer in gebruik zijnde walnotenplantage nabij Sacramento, Californië. Zijn vader kent hij niet, zijn moeder beheert een trust waaruit zij zuinig leven. Galen is na zijn middelbare school een jaar thuis gebleven alvorens aan een studie te beginnen, maar die situatie is inmiddels uitgelopen tot vijf jaar. Hij en zijn moeder leven afgezonderd, hebben nauwelijks contact met de buitenwereld. Galens moeder leeft grotendeels in haar eigen fantasiewereld. Galen blijkt al snel trekjes van borderline te vertonen. Hij gedraagt zich onaangepast. Wanneer zijn tante en nichtje op bezoek zijn - die van Galen's moeder tot hun frustratie geen cent krijgen uit de trust - creëert hij conflictsituaties, maakt hij zijn moeder onmogelijk. Hij leest Siddharta, Jonathan Livingstone Seagull (het is 1985), Kahlil Gibran's The Prophet en op gezette tijden Hustler. Hij eet nauwelijks, als hij eet kotst hij dat zo snel mogelijk uit. Het stoffelijke achter zich laten en overgaan in een geestelijke vorm, daar streeft hij naar. We beleven dit verhaal door zijn ogen, bevinden ons gedurende het hele boek in zijn hoofd. Waardoor ik al na twintig bladzijden begreep dat hier iets uitzonderlijks ging gebeuren.
Draaipunt in het verhaal is een kort verblijf van Galen, zijn moeder, oma, tante en zijn nichtje Jennifer van 17 in de berghut van de familie hoog in de Sierra's. Galen wordt daar verleid door Jennifer. Zijn moeder is getuige van deze vrijpartij. Haar fantasiewereld die slechts werd bevolkt door haarzelf en haar zoon stort daardoor in. De volgende dag, weer thuis, dreigt zij Galen dat zij hem bij de politie zal aangeven wegens verkrachting en incest. Wat dan volgt ga ik niet beschrijven, maar de laatste honderd bladzijden van dit boek zijn huiveringwekkend. Grootse literatuur. Vann is een auteur die de grenzen opzoekt.
Ik las niet eerder iets van David Vann. Maar ga dat nu zeker doen. De compositie, stijl en sfeertekening in Dirt zijn weergaloos. De verzengende hitte overdag, de maanbelichte taferelen bij nacht wanneer Galen naakt op de plantage rondzwerft op zoek naar verlossing en zich bedekt met aarde, de dreigende spanning tijdens de apotheose: adembenemend.

zaterdag 13 oktober 2012

De troosteloze heilstaat

De Deutsche Bucherpreis was vorig jaar voor In Zeiten des abnehmenden Lichts van Eugen Ruge. Ik las de prettig lezende Nederlandse vertaling, In tijden van afnemend licht. Het verbaast me niet dat Ruge de prijs won. Hij schetst een indringend beeld van de recente Duitse geschiedenis, in het bijzonder het leven in de DDR. Hij was daar tot 1988 een inwoner van, dus heeft het dagelijkse leven in de socialistische heilstaat aan den lijve ervaren. Dat blijkt niet alleen uit talloze details, maar ook uit de trefzekere beschrijving van de sfeer. Het boek deed me sterk denken aan De toren (Der Turm) van Uwe Tellkamp uit 2008. Ook een auteur die in de voormalige DDR woonde, dat boek eveneens geschreven met de intentie het leven aldaar in één totaalschets te vatten. De aanpak van beide auteurs verschilt echter. Waar Tellkamp zich concentreert op het leven van een kleine groep intellectuelen in een buitenwijk van Dresden gedurende de laatste zeven jaar voor de Wende, daar presenteert Runge ons een breed opgezette familiesage die bijna de hele eeuw omvat.
Vier generaties van de familie Umnitzer staan centraal. De eerste generatie bestaat uit Wilhelm en zijn vrouw Charlotte. Geboren omstreeks 1900, al in de jaren twintig overtuigde communisten en actief in de partij, in 1940 via Frankrijk gevlucht naar Mexico en in 1952 door de partij teruggehaald naar de DDR. Waar Wilhelm directeur wordt van een wetenschappelijk instituut, Charlotte afdelingshoofd aan datzelfde instituut. Partijbenoemingen, want over de juiste kwalificaties voor deze functies beschikken ze niet. Wilhelm mislukt dan ook in zijn baan, waarna hij de rest van zijn leven steeds eenvoudiger partijbaantjes heeft.
Hun zoon Kurt en zijn Russische vrouw Irina vormen de tweede generatie. Hij heeft de oorlog en de jaren erna in een strafkamp in Siberië doorgebracht, vanwege een vermeende belediging van Stalin, en keert pas in 1956 terug naar de DDR. Hij ontwikkelt zich tot een vooraanstaand publicist over de geschiedenis van de arbeidersbeweging.
Hun zoon Alexander is de eerste van de familie die zijn jeugd doorbrengt in de DDR. Compleet met de verplichte dienstplicht en, in zijn geval, een aanstelling als grenswacht langs het IJzeren Gordijn. Hij studeert daarna geschiedenis, trouwt op 22-jarige leeftijd met zijn medestudente Melitta en krijgt direct een kind met haar. Dit kind, Markus, is de vierde generatie. Het huwelijk van Alexander en Melitta strandt al snel, waarna Alexander maatschappelijk 'ontspoort'.
Eugen Ruge vertelt het verhaal niet chronologisch, hij heeft het opgeknipt in delen. De uitvalsbasis is 1 oktober 1989, de dag waarop de negentigste verjaardag van Wilhelm wordt gevierd maar waarop ook de protesten in Oost-Europa luid klinken en de val van de muur, ruim een maand later, al in de lucht hangt. Deze dag beslaat zes hoofdstukken en wordt steeds gezien vanuit een ander personage. De andere hoofdstukken spelen zich achtereenvolgens af in 1952, 1959, 1961, 1966, 1973, 1976, 1979, 1991 en 1995. Ook weer steeds met een andere hoofdpersoon. Daarnaast spelen vijf hoofdstukken in 2001, wanneer de terminaal zieke Alexander naar Mexico afreist in de hoop daar iets over het leven van zijn grootvader en grootmoeder te leren. Zo'n complexe compositie staat of valt met een zorgvuldige uitwerking. En dat heeft Ruge voorbeeldig gedaan. Alles klopt. Wat eerst een onoverzichtelijke puzzel lijkt wordt al snel een samenhangend verhaal. Wat nog niet wordt verteld maar je uit de context wel vermoedt, brengt spanning. En de verschillen in maatschappijbeeld tussen de vier generaties zijn overtuigend uitgewerkt, van het ijzersterke geloof  in de partijlijn van Wilhelm tot de zich langzaam maar zeker ontwikkelende twijfel bij de jongere generaties. Met als achtergrondruis de voortdurende troosteloosheid van het systeem. Kortom, een geweldig boek. In drie dagen uitgelezen.



zondag 7 oktober 2012

264 Netsuke

Odessa, Parijs, Wenen, Tokyo en Londen. Via deze steden loopt de lijn van de geschiedenis van de familie Ephrussi. Joods, in Odessa omstreeks het midden van de negentiende eeuw begonnen als graanhandelaren en vervolgens in Parijs en Wenen uitgegroeid tot een internationaal handelshuis en een bank. In de Tweede Wereldoorlog verloor de familie vrijwel al haar bezittingen. Deze familiegeschiedenis is uitgezocht en opgeschreven door Edmund de Waal, achterkleinzoon en een bekende Engelse keramist. De aanleiding was het erven van een collectie van 264 netsuke, minuscule Japanse sculpturen gesneden uit hout of ivoor, die in 1938 op wonderlijke wijze aan de aandacht van de Gestapo was ontsnapt. Deze netsuke vormen de rode draad in The Hare with Amber Eyes.
De netsuke werden omstreeks 1875, de hoogtijdagen van het 'Japonisme', in één aankoop verworven door Charles Ephrussi, een neef van De Waal's overgrootvader. Deze Charles woonde in Parijs, was als derde zoon vrijgesteld van werken in het familiebedrijf en kon zijn leven aan de kunst wijden. Hij was redacteur en mede-eigenaar van de Gazette des Beaux-Arts en had veel vrienden in artistieke en literaire kringen, waaronder Proust, Renoir, Manet, Monet en Degas. In Renoir's grote groepsportret Lunch van de roeiers is hij de man met de hoed die we schuin van achteren zien. De Waal schetst een mooi beeld van de artistieke kringen in Parijs in die periode.
In 1899 zond Charles de netsuke als huwelijksgeschenk aan zijn neef Viktor Ephrussi in Wenen. Viktor en zijn vrouw Emmy bewoonden een monumentaal pand aan de Ringstrasse, dat zij de komende vier decennia zouden vullen met een grote verzameling kunstwerken, meubilair en boeken. In de periode 1899-1938 waren de Ephrussi's in Wenen uiterst succesvol, maar het was ook een roerig tijdperk met de Eerste Wereldoorlog, het einde van het Habsburgse Rijk, de opkomst van de Nazi's en de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland. Na die Anschluss in 1938 lukte het Viktor en Emmy te vluchten, met ieder slechts een koffer bagage. Al hun bezittingen bleven achter en werden genaast door de Duitsers. Eind 1938 overlijdt Emmy in Tsjecho-Slowakijke, Viktor weet Engeland te bereiken. Na 1945 woont de familie Ephrussi verspreid over de wereld. De netsuke hebben de oorlog 'overleefd' omdat zij door een bediende in het Weense huis verborgen werden. Ignace, een van de zoons van Viktor en Emmy, ontfermt zich over de collectie. In 1947 vestigt hij zich in Tokyo, waarmee de netsuke weer thuis zijn.
De Waal schetst op basis van zijn familiegeschiedenis en het raadplegen van talloze contemporaine bronnen een fascinerend tijdsbeeld. De Rue Monceau in Parijs, de Ringstrasse in Wenen en het Japan van na 1945 komen tot leven. Met als verstild middelpunt een vitrine met daarin de haas met de amberkleurige ogen en zijn 263 soortgenoten. 


zondag 23 september 2012

Zeehelden

De zeventiende eeuw werd in Nederland voor een groot deel bepaald door oorlog. Eerst tegen Spanje, en na het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 door de strijd tegen Engeland. De oorlog tegen Spanje werd grotendeels te land en ter zee uitgevochten, de drie opeenvolgende Engelse Oorlogen (1652-1654, 1665-1667 en 1672-1674) waren echte zee-oorlogen. De Nederlandse vloot was machtig, vaak was zij de Spaanse, Engelse en Franse vloot de baas. De namen van de kapiteins en bevelhebbers hebben een legendarische klank: Piet Hein, Maerten Tromp, Cornelis Tromp, Witte de With en Michiel de Ruyter.
Het aardige van het boekje Zeehelden van Ronald Prud'hommevan Reine is dat hij de grote lijn probeert te duiden: Het ontstaan van een zeeheldencultus, de rol van de verschillende admiraliteiten in deze ontwikkeling en het tastbare resultaat, de praalgraven die de in snel tempo sneuvelende zeehelden kregen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en andere steden.

dinsdag 28 augustus 2012

Winterdagboek

Winter Journal van Paul Auster is een autobiografie. Niet een uitputtende of volledige. Auster kijkt rond zijn 64ste verjaardag terug op zijn leven en 'noteert' momenten en gebeurtenissen die hij zich herinnert.Over zijn vroegste jeugd, over zijn ouders en verdere familie, over zijn vriendinnen, over zijn eerste en tweede huwelijk, over de jaren dat hij wel schreef maar nog geen 'schrijver' was. Soms krachtig, soms babbelend. Een van de mooiste passages vond ik de opsomming van de huizen waarin hij sinds zijn geboorte heeft gewoond.  Ruim vijftig bladzijden vol met kleine en grote herinneringen.
Als 'Leitmotiv' hanteert Auster zijn lichaam: de tijd heeft daar littekens, krassen, schrammen, breuken en deuken op en in achtergelaten.De valpartijen, auto-ongelukken, angstaanvallen en andere ongemakken zijn voor hem belangrijke momenten: die leiden tot reflectie en bezinning.
Auster is openhartig. Daarom leef je mee met zijn gevoelens ten opzichte van zijn ouders; zijn jaren in Frankrijk met zijn eerste echtgenote; zijn moeizame ontwikkeling tot schrijver en zijn met de jaren toenemende introspectie. Die openhartigheid nam mij in voor het boek. Ik heb ervan genoten.

dinsdag 21 augustus 2012

Brooklyn Follies

Paul Auster laat zijn roman uit 2005, The Brooklyn Follies, eindigen met bijzondere laatste zinnen: 'It was eight o'clock when I stepped out onto the street, eight o'clock on the morning of September 11, 2001 - just forty-six minutes before the first plane crashed into the North Tower of the World Trade Center. Just two hours after that, the smoke of three thousand incinerated bodies would drift over toward Brooklyn and come pouring down on us in a white cloud of ashes and death. But for now it was still eight o'clock, and as I walked along the avenue under that brilliant blue sky, I was happy, my friends, as happy as any man who had ever lived'. De man die deze zinnen uitspreekt is Nathan Glass, Auster's hoofdpersoon. Zo'n driehonderd bladzijden eerder begon hij het boek met de passage 'I was looking for a quiet place to die. Someone recommended Brooklyn, and so the next morning I travelled down there  from Westchester to scope out the terrain'.
De omslag die deze citaten weergeven is het centrale thema van The Brooklyn Follies. Natham Glass is een gepensioneerde verzekeringsagent van 59 jaar. Aan het begin van de roman bevindt hij zich op een dieptepunt in zijn leven: zijn vrouw heeft hem verlaten en hij is herstellende van longkanker. Hij verhuist van een suburb naar Brooklyn om er, in zijn eigen woorden, te sterven. Maar het tegendeel gebeurt, hij ontmoet er mensen die zijn leven weer zin geven. Dat zijn Tom, een jonge neef van hem die zijn universitaire studie heeft opgegeven en nu een baantje in een antiquariaat heeft. En een 9-jarig nichtje, Lucy. Hij raakt bij hun levens betrokken en via hen weer met anderen in de buurt waar hij is gaan wonen.
Dit klinkt als een feel good verhaal, en dat is het eigenlijk ook wel. Dat is ook het enige minpunt(je) dat ik bij het boek heb: het is een beetje te mooi om waar te zijn, te veel gebeurtenissen en ontwikkelingen verraden de hand van een auteur die de zaken vrijelijk naar zijn hand zet. De personages zijn echter geloofwaardig, je leeft met ze mee. En de schrijfstijl is prachtig, in dat opzicht valt er veel te genieten.

donderdag 16 augustus 2012

Praag tijdens de oorlog

Vorig jaar las ik HhhH van Laurent Binet. Dat enkele jaren geleden geschreven boek gaat over de moord op Reinhard Heydrich, de Reichsprotektor in Praag tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het boek van Binet heeft een opmerkelijke structuur: in honderden korte hoofdstukken beschrijft hij de voorbereidingen voor de aanslag, de moord zelf én de totstandkoming van het boek. Over dit laatste aspect meldt hij dat hij een geweldig boek heeft gelezen dat ook over de moord op Heydrich gaat. Dat is Mendelssohn op het dak van Jiri Weil. Een boek dat al verscheen in 1960, een jaar na de dood van Weil.
Weil werd in 1900 geboren in Praag, werd in 1921 lid van de communistische partij en ging in Moskou werken als journalist. In de jaren dertig werd hij beschuldigd van een vijandige opstelling tegen Stalin, waarna hij terugkeerde naar Praag. Daar wijdde hij zich aan het schrijven. In de oorlog ontliep hij deportatie door zijn zelfmoord in scène te zetten. Na de oorlog publiceerde hij romans tot hij in 1959 overleed. Een bewogen en niet al te lang leven dus.
Mendelssohn op het dak opent met een absurde situatie: Heydrich heeft na een genoeglijke avond in het concertgebouw gezien dat zich onder de standbeelden die het dak van het gebouw sieren een beeld van Mendelssohn bevindt. Een Jood, dus hij geeft opdracht om dat beeld direct te verwijderen. De SS'er die met twee werklieden de klus moet klaren weet niet welk van de standbeelden dat van Mendelssohn is. Ten einde raad besluit hij het beeld met de grootste neus neer te halen. Dus leggen ze een strop om de nek van wat later Richard Wagner blijkt te zijn, maar dat gelukkig voor hen niet omvalt.
Dit absurde begin zet de toon voor een roman die mij bleef verrassen met onverwachte situaties, maar die wel snel grimmiger wordt. Weil schetst de lotgevallen van de bevolking onder de Duitse bezetting aan de hand van een handvol personages: een dokter in het ziekenhuis die door een ziekte verlamd is; een gemeenteambtenaar die door de omstandigheden en de ambtelijke molens vermorzeld dreigt te worden; een conservator van het Joodse museum; een verzetsman en twee ondergedoken meisjes wiens ouders gedeporteerd zijn. De voortdurende dreiging, de willekeur en de menselijke drama's in een bezette stad zijn indringend beschreven. Weil heeft het zelf meegemaakt.