zaterdag 31 oktober 2026

Nachtnotitie

In de zomer van 2024 overleed na een kort ziekbed Gerda, de echtgenote van Jan Siebelink. Ze waren allebei midden tachtig, en een mensenleven lang bij elkaar geweest. Ofschoon ze allebei het laatste jaar wat kwakkelden, hij met een glaucoom en zij met hartklachten, wees niets er op dat haar einde nabij was. Ze onderging zelfs een hartoperatie, die succesvol verliep. Maar kort daarop diende een dodelijke ziekte zich bij haar aan. Binnen enkele weken was ze weg. Ze was zich volledig bewust van haar situatie. In de woonkamer, met zicht op de tuin, haar geliefde vleugel en de familiefoto´s, werd een ziekenhuisbed geplaatst. Om tot het laatst contact te houden met de dingen die haar dierbaar waren. Dapper.

Siebelink was na haar overlijden flink van de kaart. Wist die eerste tijd niet goed wat te doen met zichzelf. Zijn vriend Frans Thomése raadde hem aan toch maar eens iets op te schrijven. Al was het ook maar om ergens mee bezig te zijn, iets te doen met zijn gevoelens van verlies. Gaandeweg kwam daar voor Siebelink nog iets bij: iets van haar leven bewaren. Geen monumentje, maar herinneringen, een geschreven memoir. Het boekje, Rouwjournaal, verscheen in mei 2025, alweer anderhalf jaar geleden. 

De titel is ietwat misleidend, want het is geen van dag tot dag reportage. Siebelink kiest per korte notitie wat het onderwerp zal zijn, schijnbaar zonder vooropgezet plan verspringend in de tijd. Het gaat vooral over Gerda en wie zij was, wat zij voor hem betekende, maar ook over hun huwelijk. Siebelink lijkt niets te bedekken, allerlei intimiteiten benoemt hij. In de context van dit journaal hebben ze een betekenis. De lichamelijke aftakeling van Gerda wordt niet verhuld, evenmin als de angstaanvallen van de schrijver wanneer hij na haar dood alleen in zijn grote, vrijstaande huis in Velp achterblijft en midden in de nacht voortdurend insluipers denkt te horen. Metalen emmers onder de tuinmuur plaatst, in de hoop dat dieven die zullen omschoppen en lawaai veroorzaken.

Schrijven over een gestorven geliefde zal niet gemakkelijk zijn. Om nog maar te zwijgen over het beschrijven van dat proces zelf. Het onderwerp is voor de auteur als schrijver gewoonlijk onbetreden terrein en wanneer de vriend of vriendin, echtgenoot, echtgenote, vader, moeder, zoon of dochter recent is overleden is het ook nog eens schrijven over een onderwerp dat emoties oproept. Maar wanneer het lukt, kan het resultaat indrukwekkend zijn. Zowel voor de auteur, die zijn of haar verdriet in een heel persoonlijke vorm heeft kunnen gieten, en het daarmee misschien ´van zich af heeft geschreven’ zeggen we dan voor het gemak, alsook voor de lezer die het verhaal om meerdere redenen, waaronder herkenning, gelezen kan hebben. Het ultieme voorbeeld van zo’n geslaagde tekst is voor mij Schaduwkind (2003) van P.F. Thomése - ja, diezelfde - over de dood van een pasgeboren dochtertje. Of, recenter, Alles voor de reis van Adriaan van Dis.

Wie had gedacht dat het schrijverschap van Siebelink daarmee ten einde was, heeft het mis. Onlangs verscheen Nachtnotitie. Het is geen direct vervolg op Rouwjournaal, maar je kan de boeken als een twee-eenheid lezen, dat heeft zeker een meerwaarde. Vandaar mijn inleiding hierboven. In Nachtnotitie komt Gerda weliswaar voor, maar Siebelink geeft erin veel meer ruimte aan zijn vroege jeugdherinneringen. Die van de ouderlijke kwekerij in Velp, van zijn vader die in de ban raakt van radicale gereformeerde predikers. Kortom, van de wereld die Siebelink ooit beschreef in Knielen op een bed violen. Voor wie daarvan genoot, is Nachtnotitie een aanrader.

Siebelink is ervan overtuigd dat hij over niet al te lange tijd zal sterven. Nu is dat voor een man van 88 op zich geen vreemde gedachte, maar hij koketteert er naar mijn smaak nét iets te nadrukkelijk mee. Hoewel zo’n houding ook wel weer vintage Siebelink is. Nachtnotitie opent sterk, geeft direct het kader aan: 

‘Het is halfvier in de nacht.

Als op voorgaande dagen heb ik tegen tienen mijn lifewatch omgedaan. Sarah is in haar mand gaan liggen, ik heb bij haar gehurkt en lieve woordjes tegen haar gezegd. In de voorkamer keek ik naar de foto op de piano, de loper ligt onaangeroerd op de toetsen. Ik heb de lichten uitgedaan, en in de gang, onderaan de trap, de handen op de trapposten, me vijftien seconden lang opgedrukt. Ik deed dat om te weten hoe sterk ik nog ben, ook omdat ik geen zin had om naar bed te gaan, en evenmin om beneden te blijven.

Ik verlangde ernaar de hele nacht door te slapen, ik wilde niet liggen piekeren. Dag en nacht zijn twee parallelle ruimtes, in een ondeelbaar moment ga je van de ene in de andere over, ga je een grens over, over de dag heb je nog enige zeggenschap, de nacht is onverlicht, onvoorspelbaar, grenzeloos.’

Nachtnotitie is meer dan een teruggrijpen op zijn grootste succes. Gedurende de nacht komen ook gebeurtenissen uit zijn leven als leraar Frans op een middelbare school bovendrijven, alsmede herinneringen aan zijn literaire debuut en vrienden uit het literaire wereldje. Maar het leven op die kwekerij, met die losgeslagen vader en die lieve, maar misschien iets te bescheiden en zachte moeder, vormen de kern van Nachtnotitie. De jonge tiener Siebelink hielp zijn vader in zijn vrije uren, deed klusjes en bracht bestellingen rond. Ook vergezelde hij soms de lokale bloemist op diens ritten naar veilingen in Rijnsburg en het Westland, waarmee hij voor zijn vader wat extra’s verdiende. Maar helemaal onschuldig bleven die ritten niet, als je de schrijver moet geloven. Een onthulling? Hoe het ook zij, je kan niet anders dan concluderen dat de oude Siebelink, terwijl niemand hem daartoe verplicht en hij als schrijver niets meer hoeft te bewijzen, twee egodocumenten schreef die zeer de moeite waard zijn.

Nachtnotitie / Jan Siebelink / 176 blz / De Bezige Bij, 2026