zaterdag 18 juli 2026

John Banville, William Boyd & de traditie

Mij zul je niet snel horen zeggen dat vroeger alles beter was. Ik vind dat een houding die vaak meer zegt over jezelf dan over de wereld waarin wij leven. Terugkijken is prima, maar je haalt meer uit je leven wanneer je vooruit kijkt. Maar toch, wanneer we het hebben over lezen, verlang ik wel eens naar vroeger. Naar die detectives en thrillers die ik met boekenplanken tegelijk verorberde. Naar de o zo simpele sfeertekeningen in een ´Maigret´, naar de duivels intelligente plots van John le Carré of de tergend langzaam uitgetrokken spanningsboog bij Frederick Forsyth. Die heren zijn inmiddels overleden, met de meeste van hun opvolgers heb ik nooit een echte klik gevoeld en daarom lees ik nog maar sporadisch een thriller of detective.

Tot een paar jaar geleden. Toen besloot de Ierse schrijver John Banville te stoppen met het schrijven van literaire romans en voortaan uitsluitend nog detectives te schrijven. Dat deed hij al vaker, maar slechts als een afwisseling van zijn gewone output én onder een pseudoniem, Benjamin Black. Maar nu hij de tachtig naderde viel het jarenlang ploeteren op een grote roman hem steeds zwaarder. Een detective schreef hij daarentegen in een maand of zes. Daarvan verschenen er inmiddels vier. 

De verhalen worden gedragen door inspecteur Strafford, een late dertiger, en patholoog-anatoom Quirke, die een halve generatie ouder is. Hun relatie is niet vrij van wrijving, het schuurt nu en dan. De bedachtzame inspecteur kan zich ergeren aan de doorpakmentaliteit van de patholoog, die ook nog eens een drankprobleem heeft. De plaats van handeling is steeds het Ierland van de jaren vijftig, zowel Dublin als het eindeloos gevarieerde platteland. De locatie is steeds heel bepalend, wat ook geldt voor het weer: het lijkt er altijd druilerig te zijn. Ik kan er eigenlijk kort over zijn: je onderdompelen in de hier door Banville gecreëerde wereld is zo prettig dat je eigenlijk, net als bij George Simenon en zijn Maigret, helemaal niet zit te wachten op de ontknoping. Hoe langer die uitblijft, hoe beter. 

En toen zette vorig jaar een twééde gerenommeerde oudere auteur zijn literaire productie – in elk geval tijdelijk – on hold. William Boyd, midden zeventig, kwam met Gabriel’s Moon, een spionageroman. Zijn hoofdpersoon, Gabriel Dax, is een jonge Britse schrijver van reisboeken. Daarvoor reist hij regelmatig naar het buitenland, en soms krijgt hij dan op verzoek van zijn broer Sefton, die een hoge functie vervult op een ministerie, een pakketje mee dat hij ter plekke moet overhandigen aan een van diens contacten. Een vriendendienst, volkomen onschuldig. Tenminste, dat neemt Gabriel – ietwat goedgelovig - aan. Tot hij wordt benaderd door Faith Green, werkzaam bij de Britse contraspionage, die hem vraagt af en toe hetzelfde voor haar te doen, maar dan tegen betaling. Hij heeft daar aanvankelijk niet veel zin in, maar laat zich toch overreden. Deels omdat Green hem voor de klus een riant bedrag aanbiedt, deels omdat Gabriel aanneemt dat op de een of andere manier zijn broer ermee te maken heeft. En ook een beetje omdat Faith hem fascineert. Wat hij zich echter te laat realiseert is dat het aannemen van de eerste klus tegelijk het point of no return is: hij zal niet meer van haar afkomen. Spion ben je voor altijd.

Gabriel’s Moon was wereldwijd een hit. Dus kwam Boyd met een opvolger, The Predicament. Ook dit speelt in de vroege jaren zestig. De wereld van de Koude Oorlog. Een wereld zonder mobieltjes. Ook hier is de context weer internationaal, de opdrachten brengen Dax naar Guatemala, New York en Berlijn. Van eenvoudige koeriersklusjes, de smoes waarmee hij is geronseld, is al lang geen sprake meer. Gabriel vermoedt dat hij steeds vaker een wezenlijke rol vervult in complexe spionagecomplotten, zonder dat hij als laaggeplaatste pion het hoe en waarom precies kan doorgronden. Klinkt dat niet een beetje als John le Carré? Desondanks groeit Dax in zijn rol, neemt bij onverwachte en potentieel gevaarlijke ontwikkelingen meer dan eens de juiste beslissing en redt zo voor zijn opdrachtgever het project.  

Boyd is een meester in het neerzetten van een karakter. Hij maakt daar bij Gabriël Dax veel werk van, wat doet vermoeden dat ook hij, net als Banville, een lang leven voor zich ziet voor zijn hoofdpersoon. Het zij hem gegund, het verhaal zit slim in elkaar en is uiterst onderhoudend. Maar ik heb wel één bescheiden puntje van kritiek. En dat is dat Boyd zich van mij mag laten inspireren door zoveel van zijn voorgangers als hij maar wil, maar dat er voor mij ergens een grens is. Daarmee doel ik op de laatste scène van het boek. Die speelt zich af in Berlijn, tijdens het bezoek van president Kennedy in 1963. Dax is daar betrokken bij de beveiliging van de president. Meer zeg ik niet, dat zou een spoiler zijn. Maar wie zich de laatste, bloedstollende scène van The Day of the Jackal van Frederick Forsyth herinnert, weet wat ik bedoel.

De vier thrillers van Banville zijn verkrijgbaar in een Nederlandstalige editie: Sneeuw / April in Spanje / De garage / De verdronkene. Die van Boyd (nog) niet. 

 William Boyd / The Predicament / 258 blz / Penguin Viking, 2025