zondag 25 januari 2026

Voor wie er niet meer is ...

Schrijven over een gestorven geliefde is niet gemakkelijk. Om nog maar te zwijgen over het beschrijven van dat proces zelf. Het onderwerp is voor de auteur als schrijver gewoonlijk onbetreden terrein en wanneer de vriend of vriendin, echtgenoot, echtgenote, vader, moeder, zoon of dochter recent is overleden is het ook nog eens schrijven over een onderwerp dat emoties oproept. Maar wanneer het lukt, kan het resultaat indrukwekkend zijn. Zowel voor de auteur, die zijn of haar verdriet in een heel persoonlijke vorm heeft kunnen gieten, en het daarmee misschien ´van zich af heeft geschreven’ zeggen we dan, alsook voor de lezer die het verhaal om meerdere redenen, waaronder herkenning, gelezen kan hebben. Het ultieme voorbeeld van zo’n geslaagde tekst is voor mij Schaduwkind (2003) van P.F. Thomése, over de dood van een pasgeboren dochtertje.

Heel vaak zie je dergelijke memoirs niet voorbijkomen, maar ik kan er nu zelfs twee in één blogje samenvoegen. En niet van de minste auteurs. Afgelopen zomer las ik Rouwjournaal van Jan Siebelink (1938) , en afgelopen week Alles voor de reis van Adriaan van Dis (1946). Beiden mannen op leeftijd, die ieder een partner verloren waarmee ze al lang samen waren. Siebelink en Van Dis zullen ieder ook zo’n beetje dezelfde intentie hebben gehad toen ze zich aan het schrijven zetten. Maar de relatie tot hun partners verschilde als hemel en aarde. En juist dat onderscheid, én de erbij passende vorm die ze kozen voor hun verhaal,  maakt het lezen van beide memoirs interessant. 

Zoals ik al zei, schrijven over een gestorven geliefde is niet eenvoudig. Jan Siebelink was het dan ook niet van plan toen zijn geliefde Gerda in de zomer van 2024 na een kort ziekbed overleed. Ze waren allebei midden tachtig, en een mensenleven lang bij elkaar geweest. Ze kwakkelden dat laatste jaar allebei, hij met een glaucoom, zij met hartklachten. Kort na een succesvol verlopen operatie daaraan diende de dodelijke ziekte zich bij haar aan. Binnen enkele weken was ze weg. In een ziekenhuisbed in de woonkamer, met zicht op haar tuin, haar geliefde vleugel en de familiefoto´s leefde ze toe naar het einde. Dapper, je krijgt de indruk dat haar man meer onthutst was door wat er gebeurde dan zij.

Siebelink was na haar overlijden flink van de kaart. Wist die eerste tijd niet goed wat te doen met zichzelf. Zijn vriend Frans Thomése – ja, diezelfde - raadde hem aan toch maar eens iets op te schrijven. Al was het ook maar om ergens mee bezig te zijn, iets te doen met zijn gevoel van verlies. Gaandeweg kwam daar voor Siebelink nog iets bij: iets van haar leven bewaren. Geen monumentje, maar herinneringen, een geschreven memoir.

Het kreeg de titel Rouwjournaal, maar het is geen van dag tot dag reportage. Siebelink kiest per korte notitie wat het onderwerp zal zijn, schijnbaar zonder vooropgezet plan verspringend in de tijd. Het gaat vooral over Gerda en wie zij was, wat zij voor hem betekende, maar ook over hun huwelijk. Siebelink lijkt niets te bedekken, allerlei intimiteiten benoemt hij. In de context van dit journaal hebben ze een betekenis. De lichamelijke aftakeling van Gerda wordt niet verhuld, evenmin als de angstaanvallen van de schrijver wanneer hij na haar dood alleen in zijn grote, vrijstaande huis in Velp achterblijft en midden in de nacht voortdurend insluipers denkt te horen. Of wanneer hij, denkend aan de toekomst die hem misschien nog rest, een lang bewaard pistool uit een lade vist. Om dat enkele bladzijden verder toch maar in de rivier te gooien.

Schrijven over de dood van een geliefde is niet gemakkelijk. Siebelink lukt het. Maar wat doet Van Dis?

Van Dis was niet getrouwd met zijn geliefde, maar ze waren wel 38 jaar bij elkaar. Zij was Ellen Jens (1940-2023), regisseur en producer van tv-programma’s als Jiskefet en het befaamde boekenprogramma Hier is … Adriaan van Dis, alsmede al zijn andere programma’s. Ze trouwden nooit omdat Jens al vóór Van Dis een relatie had met een andere man, met wie zij in de jaren tachtig zou trouwen. Een bekende kunstenaar. Van Dis noemt hem hier ‘de Ander’. Zoals hij hier Jens ook niet bij naam noemt, hij doopt haar Eefje. 

De situatie werkte, voornamelijk omdat Van Dis en de Ander de wens van ‘Eefje’ accepteerden. De mannen hadden ieder een eigen huis, Eefje een houten tuinhuis achter de duinen. Ze verdeelde haar tijd over haar mannen. Al de jaren dat Van Dis in Parijs woonde, bijvoorbeeld, kwam ze iedere maand een week logeren. Ook gingen ze samen op vakantie, en dan waren er natuurlijk nog de reisprogramma’s die ze voor de televisie maakten. Heel ideaal vond van Dis de regeling niet, maar hij kon er vrij gemakkelijk mee leven. Genoot gewoon van hun tijd samen.

Toen bij Eefje een ongeneeslijke ziekte werd vastgesteld, besloot zij haar laatste weken in een hospice door te brengen. Dat maakte het eenvoudiger haar beide mannen – apart – te ontvangen. Van Dis mocht blijven slapen, in een aanklikbed. 

Het verblijf in het hospice voelde gedurende de eerste weken gek genoeg een beetje als een feestje. Van Dis sleepte haar lievelingsboeken naar binnen en las verhalen en gedichten voor. Hun gezamenlijke vakanties liet hij haar nog eens beleven, evenals allerlei andere mooie momenten. En ze praatten en praatten, dronken de wijn die Van Dis naar binnen smokkelde - streng verboden – uit van huis meegenomen theekopjes waarmee hij dacht de verpleging om de tuin te leiden. Ze vierden ten afscheid hun leven samen. Tot het niet meer ging.

Twee keer dezelfde gebeurtenis, twee keer hetzelfde verhaal, maar dan volstrekt verschillend uitgewerkt. In die uitwerking zie je de karakters van beide schrijvers weerspiegelt. En wat mij opvalt: beide boeken genereerden veel aandacht van de media. Lezen wij dit graag? En waarom?  

Siebelinks Rouwjournaal leest iets intiemer, het relaas van Van Dis heeft iets uitbundigs. Maar dat laatste kan versterkt zijn doordat ik het luisterde, door hemzelf voorgelezen. Zijn stem is zo’n onlosmakelijk onderdeel van zijn persoonlijkheid, dat ik zijn boeken vrijwel altijd luister. Ook hij lijkt, net als Siebelink, niets te bedekken. Alles in de relatie tussen hem en Eefje kan aan de orde komen. Zelfs zijn seksuele geaardheid. Zelf dacht hij toch wel bi te zijn, maar Eefje wist zeker dat hij honderd procent hetero was. 

Tot het laatst toe hield zij, de regisseur, de controle over haar leven. Stemde met de uitvaartonderneming af dat haar mannen tijdens de uitvaartdienst ver van elkaar geplaatst werden. En dat geen van beide mocht spreken. In de Volkskrant vertelde Van Dis dat zij hem kort voor haar dood een koffertje liet bezorgen met daarin haar agenda’s en dagboekjes. Als een uitnodiging om dit boekje te schrijven? Van Dis heeft er even in gekeken, maar het niet gebruikt. Hij gaf de voorkeur aan hun gezamenlijke herinneringen. 

Jan Siebelink / Rouwjournaal / 192 blz / De Bezige Bij, 2025

Adriaan van Dis / Alles voor de reis / 208 blz / Atlas Contact, 2026 // Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 3 uur en 37 minuten / Atlas Contact, via Storytel

zondag 18 januari 2026

Theo, zonder Thea

Theo en Thea: je vond ze halverwege de jaren tachtig geweldig, of gruwde ervan. Twee volwassenen die met oversized plastic voorzettandjes, rare brillen en kinderlijke stemmetjes de grote en kleine problemen van hun wereldje bespraken. Die fameuze tandjes waren onderdeel van het ‘konijnenbasiskostuum’ dat Arjan Ederveen ooit gebruikte in een kindervoorstelling van het Werktheater en die hij nog in een lade had liggen. Hij deed ze ook in bij zijn Freddie Mercury-imitatie. De brillen, van een oma van Arjan en een tante van Tosca Niterink, hadden jampotglazen waardoor ze weinig konden zien. Dat vonden eigenlijk wel zo prettig - vooral Arjan - want dan konden ze zich beter concentreren. Ze waren allebei namelijk nogal verlegen. Het was een programma voor ‘stoute’ kinderen, het ging veel over bloot, poep en pies, stiekeme dingen en hoe je grote mensen voor de gek kon houden. Theo en Thea durfden samen waar ze in hun eentje voor terugschrokken.

Dat een act die zo de draak steekt met de serieuze wereld, zo amateuristisch lijkt te zijn opgezet en uitgevoerd, kon uitgroeien tot een culthit is opmerkelijk. Maar dat was wat er gebeurde. Arjan en Tosca schreven het programma voor kinderen van een jaar of elf, de leeftijd die zij ook zelf speelden. Maar onderzoek wees uit dat Theo en Thea kijkers trok uit alle leeftijdscategorieën. En het waren er veel, zelfs al na enkele afleveringen. De VPRO liet hen daarom maar de vrije hand. Hoe beter zij zich voelden, hoe beter hun scripts. Want iedere aflevering werd helemaal uitgeschreven, tot op het laatste woord en gedachtestreepje. Bij de besprekingen ervan met de regisseur en cameraman, bij Arjan thuis, stond een grote pot wiet op tafel. Those were the days

Het lijkt misschien wat al te gemakkelijk, een blogje over de biografie van Arjan Ederveen te beginnen met Theo en Thea. Maar het programma was nu eenmaal hun eerste succes, en zou met name voor Ederveen het fundament onder een succesvolle carrière blijken te zijn.  

De biografie Altijd van je af. Leven en werk van Arjan Ederveen verscheen een klein jaar geleden. De auteur, journalist Sara Berkeljon (1982), schrijft al jarenlang biografische portretten voor Volkskrant Magazine. Dit is haar eerste boekproject. Ze koos ervoor geen traditionele ‘van de wieg tot het graf’ biografie te schrijven – Ederveen leeft immers ook nog – maar interviewde hem als basis voor haar tekst. Steeds met de microfoon open. Precies zoals ze dat doet voor haar artikelen in de krant. Ze citeert Ederveen rijkelijk, waardoor je vaak het gevoel hebt naar een gesprek te luisteren. Naar een stem die zachtaardig en impulsief is. Ik las de luisterversie, waardoor die indruk nog werd versterkt.     

Ederveen neemt geen blad voor de mond, alles is bespreekbaar: zijn leven, zijn familie, zijn broer die stierf aan aids, zijn relaties en zijn liefdes, passies en onzekerheden. Heel makkelijk was de start van zijn loopbaan niet, meermaals werd hij geweigerd door de Kleinkunstacademie. Maar toen hij daar eenmaal was toegelaten, werd al snel het eigenzinnige van zijn talent ontdekt. Met Kees Prins vormde hij op de academie De Duo’s. En hij ontmoette er in een studentenvoorstelling ook Tosca Niterink. Was op slag geobsedeerd door haar persoonlijkheid. ‘En we zijn allebei homoseksueel. Dan is er sowieso al een bepaalde gelijkgestemdheid’, zegt Arjan, ‘omdat je buiten de norm viel.’

Na een handvol seizoenen Theo en Thea volgden andere successen, zoals het toch echt wel tenenkrommende Kreatief met Kurk waarin Arjan, met een sullige bloempotpruik, als Peter van de Pood de welhaast oneindige mogelijkheden van dit prachtige materiaal uit de doeken doet. Het Stedelijk in Amsterdam wijdde er zelfs een bescheiden tentoonstelling aan, die door directeur Rudi Fuchs werd geopend. Ook de talkshow Theo en Thea in de Gloria mocht worden bijgeschreven op de lijst van successen Om te eindigen met mijn persoonlijke favoriet, Theo en Thea en de ontmaskering van het Tenenkaasimperium. Een heuse speelfilm. Maar de samenwerking tussen Arjan en Tosca verliep gaandeweg stroever. Tos, zoals Arjan haar noemt, werd onzeker in haar optreden. Kwam te laat, was slecht aanspreekbaar. Bleek verslaafd te zijn. En verdween uit beeld. Woont tegenwoordig in Ruigoord, de groene kunstenaarskolonie in het Amsterdamse havengebied. En durfde aan dit boek niet mee te werken. Omdat ze, zoals ze zelf zegt, niet wilde liegen. 

Het moet voor Berkeljon een feest zijn geweest om de biografie in elkaar te zetten. Waar je ook kijkt, liggen de verhalen immers voor het opscheppen. Bijvoorbeeld over de prijswinnende reeks 30 minuten, uitgezonden tussen 1995 en 1997, waar je het best het label ‘satirische documentaire’ op zou kunnen plakken. Of Ederveens optreden als het karakter Fagin in Oliver!, een musical van Joop van de Ende. Maar het mooiste verhaal blijft voor mij toch hoe ze Marco Bakker konden strikken voor een rol in Theo en Thea en de ontmaskering van het Tenenkaasimperium uit 1989. Die rol hadden ze op zijn lijf geschreven: ‘Een plan B was er niet, want er is niemand anders die tegelijkertijd prins, James Bond en operettezanger is’, zegt Arjan. Ze hadden hun zinnen gezet op de ‘goed kunnende zingende en acterende en in de broek zittende’ bariton, maar die moest nog wel worden overgehaald. Maar Bakker voelde er niet veel voor, ontweek Arjan en Tosca ondanks hun volhardende, ludieke én soms openbare pogingen met hem in contact te komen. Tot zijn echtgenote, Willeke van Ammelrooy, het script las. Bakker: ‘Willeke zei: dat moet je doen. Zij zag het als een prachtige gelegenheid om mijn suikerzoete imago van operetteprins op het witte paard een beetje te relativeren.’ En ze beloofde hem te helpen met het acteren. Kijk en oordeel zelf.

Berkeljon nam voor deze klus, die ze deed in opdracht van uitgeverij Meulenhoff, een half jaar vrijaf van de krant. En nam een flink deel van de interviews af in de buurt van het Indiase Goa, waar Arjan en zijn vriend Howie al sinds eeuwen overwinteren in een hutje aan het strand. Vanwege het weer, maar ook omdat het leven er vele malen goedkoper is dan in het centrum van Amsterdam.

Sara Berkeljon / Altijd van je af. Leven en werk van Arjan Ederveen / 335 blz / Meulenhoff, 2025 // Luisterboek, voorgelezen door Raymonde de Kuyper / 13 uur en 15 minuten / Meulenhoff, via Storytel

Omslagfoto: Erwin Olaf

zondag 11 januari 2026

Gertrude Bell: ontdekkingsreiziger, archeoloog, diplomaat, spion

Vrouwen hadden het vaak niet gemakkelijk in de vroege jaren van de twintigste eeuw. Zeker niet wanneer ze zelfstandig wilden blijven of, ongehoord (!), een heuse loopbaan ambieerden. Gertrude Bell (1868-1926) was zo’n vrouw. Bijgaande foto illustreert dit treffend. Hij is genomen in het voorjaar van 1921 in Gizeh, even buiten Caïro, ten tijde van een internationale conferentie over de toekomst van het gebied dat wij nu kennen als Irak en omstreken, van oudsher ook bekend als Mesopotamië. Europese en Arabische leiders namen er aan deel. Mannen, en één vrouw: Gertrude Bell. Zij was verantwoordelijk voor de voorbereidingen en de politieke strategie. Tijdens een uitje van de Europeanen naar de piramides gingen ze met de hele groep op de foto. Bell in het zwart, pal onder de Sfinx. Aan haar rechterhand, met een grote zonnebril, Winston Churchill, indertijd de Britse Minister van Koloniën. En links van haar T.E. Lawrence, beter bekend als Lawrence of Arabia.  

Thomas Edward Lawrence is wereldberoemd. Gertrude Bell is dat niet, ofschoon haar betekenis voor het Midden-Oosten en de Arabische gebieden aan het begin van de twintigste eeuw misschien net zo belangrijk is geweest. Lawrence vierde zijn grootste triomfen toen hij de Arabieren wist over te halen om in de Eerste Wereldoorlog samen met de geallieerden tegen de Turken te vechten. Gertrude Bell doorkruiste vanaf 1905 meermaals de Arabische woestijnen, daarbij diep het binnenland intrekkend en routes volgend die weinigen vóór haar hadden aangedurfd. Tijdens die reizen bracht zij, vaak als eerste, talloze oudheidkundige monumenten in kaart. Vanaf 1915 was zij analist voor de Arabische afdeling van de Britse inlichtingendienst, die al snel daarna ging opereren als een zelfstandige dienst met haar aan het hoofd. Gevestigd in Bagdad. 

Een leven als dat van Bell leent zich bij uitstek voor een spetterende biografie of een spannende verfilming, zoals Lawrence die ten deel zijn gevallen. Die biografie van Bell verscheen zo’n twintig jaar geleden, onder de gloedvolle titel Queen of the Desert. Ik kocht die ooit bij een bezoek aan een van de voormalige landhuizen van de familie Bell in Yorkshire. Prima vertelling, zo’n lekker dikke pil waar zo ongeveer alles in staat. De film kwam tien jaar later, onder dezelfde titel. Met in de hoofdrol Nicole Kidman, The Queen of Cool. Niet de meest gelukkige casting. En nu is er dan Mesopotamië, van de Franse auteur Olivier Guez. Hij maakte zo’n acht jaar geleden furore met De verdwijning van Josef Mengele, een mooie mix van feiten en fictie. Datzelfde procédé past hij toe in Mesopotamië, waarin roman en biografie harmonieus versmelten. 

Waar kwam Bell vandaan? Ze werd in 1868 geboren in Yorkshire, in een puissant rijke familie van staalfabrikanten. Op haar achttiende schreef ze zich in aan Oxford. Toen ze met lof afstudeerde was ze de eerste vrouw die een graad behaalde in de studie Modern History. In de jaren na haar afstuderen leidde ze het leven dat voor vrouwen in haar klasse gewoon was: ze ontwierp tuinen voor het landhuis van de familie, deed aan goede werken, bezocht feesten en maakte met haar broer in 1897 een cruise om de wereld. Opmerkelijk was haar verblijf in Perzië / Iran, vijf jaar eerder. Een vriend van de familie was daar benoemd tot ambassadeur en Gertrude rook haar kans. Ze nam lessen om de taal te leren, reisde naar Teheran en ontdekte een wereld waarin ze zich op haar plaats voelde. Zo simpel was het. Het landschap, de cultuur, de kleuren, de warmte en de schone lucht, het betoverde haar. Een mislukte affaire met een officier – haar ouders keurden hem af – deed de reis met een domper eindigen. Het zou niet de laatste keer zijn dat haar familie haar op deze manier ‘in bescherming’ zou nemen. Ze bleef haar hele leven ongetrouwd en kinderloos, wat ze betreurde.

Een reis naar Jeruzalem en het Heilige Land in 1900 gaf een beslissende wending aan haar leven. Het was het begin van een periode waarin ze een handvol lange reizen door het Arabische schiereiland en de streek erboven maakte, het gebied dat nu ruwweg wordt gevormd door Iran, Irak, Syrië, Libanon, Jordanië en de Sinaï. Vooral de reizen naar de zuidelijker in Arabië gelegen plaatsen, waar soms in tientallen jaren geen westerse reiziger zich had laten zien, waren staaltjes van durf. De routes ernaar waren deels niet in kaart gebracht, waardoor het vinden van water soms een hachelijke zaak werd. Op deze reizen bracht ze steevast de oudheidkundige resten in kaart en, haast belangrijker, ze fotografeerde ze. Het fotoarchief dat ze vanuit haar grondige kennis van de lokale archeologie opbouwde, is voor onderzoekers nog steeds van onschatbare waarde. Op haar reizen stelde ze zich open op naar de lokale machthebbers. Vaak waren die verrast een vrouw aan te treffen aan het hoofd van haar soms omvangrijke karavaan, maar omdat ze de taal en vaak ook de dialecten  beheerste wist ze hun vertrouwen meestal al snel te winnen.

De Eerste Wereldoorlog gooide haar leven overhoop. Ze bracht maanden door in Noord-Frankrijk, waar ze als vrijwilliger een bureau aanstuurde dat was belast met de logistiek en administratie van gewonde en gesneuvelde soldaten. Dat waren er nogal wat.

Haar ‘redding’ kwam in 1915, nadat een voormalige Britse High Commissioner in Egypte aan Londen had laten weten dat ‘Miss Gertrude Bell knows more about the Arabs and Arabia than almost any other living Englishman and woman.’ Die kennis bracht haar de jaren erna interessante, spannende en vaak ook voldoening gevende posities bij de verschillende Britse Intelligence Bureaus in Caïro, New Delhi en Bagdad. Ze leerde er ook T.E. Lawrence kennen, die een goede vriend zou worden. En, zoals hierboven al genoemd, ze zou aan de wieg staan van de stichting van de staat Irak. Om dit project te doen slagen werd ze aangesteld als Oriental Secretary. Mede door haar goede banden met belangrijke stamleiders en sheiks, en met de machtige Aimir Faisal, die de eerste koning van Irak zou worden, wist ze deze klus, die velen beschouwden als niet-realiseerbaar, tot een goed einde te brengen. De laatste jaren van haar leven woonde ze in Bagdad. Volledig geassimileerd, zich vaak gelukkig voelend, was dat haar plek op de wereld. Een enkele keer reisde ze nog wel voor familiebezoek naar Engeland, maar haar hart lag daar niet meer.

En hoe is het nu met de erfenis van Gertrude Bell? In politiek opzicht niet best, hebben we de afgelopen decennia kunnen zien. Zelfs het door haar met veel inzet en liefde gestichte museum van oudheden in Bagdad, waar ook veel van haar eigen vondsten lagen, ontsnapte niet aan de algehele malaise en werd na de val van Saddam Hoessein geplunderd. Zelf heeft ze aan den lijve ervaren wat de problemen waren die dit gebied mogelijk zouden blijven teisteren. Zowel bij een conferentie in Parijs, in 1919, als bij de eerder genoemde conferentie in Caïro in 1921, bleek haar dat veel westerse leiders onwillig waren zich in te leven in de cultuur en denkwereld van de bewoners van dit gebied. 

Guez gaf zijn boek de titel Mesopotamië. Is dat niet wat vreemd, omdat het in essentie toch een biografie van Gertrude Bell is? Dan zou je minstens een ondertitel aantreffen die dit verheldert. Maar met alle aandacht die Guez heeft voor de politieke ontwikkelingen – soms is Bell bladzijden lang afwezig – sloeg voor hem de balans blijkbaar naar die kant door. Dat dit ergens jammer is, blijkt na ruim honderd bladzijden, wanneer Guez een lange brief van Bell aan haar vader in z’n geheel opneemt. Prachtig! Ineens wordt het heel persoonlijk. Gelukkig komt die balans, naarmate het boek vordert, wat meer in evenwicht. Guez de historicus blijft aanwezig, maar Guez de romanschrijver breekt door. Wie stug is blijven doorlezen, wordt beloond.

Olivier Guez / Mesopotamië / Vertaald uit het Frans door Tatjana Daan / 361 blz / Meulenhoff, 2025

zondag 4 januari 2026

Literaire zelfportretten

Depots van musea blijken vaak onuitputtelijke bronnen te zijn voor het doen van ontdekkingen. Dat ervoer Thomas Heerma van Voss een paar jaar geleden weer eens toen hij in de krochten van het Literatuurmuseum in Den Haag een getekend zelfportret tegenkwam van Rudolf Geel, in de jaren zestig en zeventig een bekende schrijver. Het bleek een van de 79 getekende zelfportretten te zijn die het literaire tijdschrift De Revisor in 1977 aan evenzovele schrijvers had gevraagd in te leveren ter plaatsing in het tijdschrift. De aanleiding voor die actie is niet meer te achterhalen, maar de serie bracht Heerma van Voss wel op een idee: hoe leuk zou het niet zijn om de nog levende van die 79 schrijvers te benaderen en hen te vragen hoe ze toen naar zichzelf keken, en hoe ze dat nu doen. Het werden uiteindelijk achttien gesprekken, gesprekken die over veel meer gingen dan Heerma’s twee vragen over de zelfportretten. Gesprekken waarvan de weerslag een uiterst interessant en soms ontroerend stukje Nederlandse literatuurgeschiedenis is geworden.  

Wat Heerma van Voss zich pas gaandeweg realiseerde, was dat het project in zekere zin een race tegen de klok zou worden: de dood won voortdurend terrein. Zo was hij net te laat om een afspraak te maken met Remco Campert en Marga Minco, en ontving Jan Cremer wel zijn verzoek maar was niet meer in staat om er iets mee te doen. En het kan nog strakker: Willem van Toorn zette de afspraak weliswaar in zijn agenda, maar kreeg even later een fatale longontsteking. Achttien gesprekken werden het dus, met bekende en minder bekende auteurs. Bij ieder thuis, voor het merendeel grote huizen, met heel veel papier. 

Schrijven ze alle achttien nog? Nee. Maar opmerkelijk is dat de meesten nog wel dagelijks of anders vrij regelmatig plaats nemen achter een vel papier of de laptop om te zien of er nog iets uit wil komen. Bij sommigen is dat het geval. Jan Siebelink (1938) bijvoorbeeld schreef recent nog Rouwjournaal over zijn in juni 2024 overleden echtgenote Gerda. En Willem Jan Otten (1951) heeft een tweewekelijkse column over bidden, poëzie en dromen in het Katholiek Nieuwsblad. Ook verscheen in 2024 een gedichtenbundel van zijn hand, Septemberzee. Hij heeft zich, zonder te weten waarom, verheugd op de ouderdom. Otten: ‘Ik heb een groot zwak voor ouderdomspoëzie.’ Het zijn het oud worden, de dood en de ruimte erna die hij als dichter onderzoekt. 

Ook Judith Herzberg (1934) schrijft nog steeds gedichten. Dat gaat als vanzelf, moeite hoeft ze er nauwelijks voor te doen. Alles kan haar inspireren, vaak iets dat ze ziet in het voorbijgaan. Schaven aan de tekst duurt het langst: ‘Mijn gedichten zijn altijd eerst veel langer, en dan ga ik de boel snoeien. De prullenmand heeft veel plezier aan mij.’ Herzberg doet ontwapenende uitspraken: ‘Ik schrijf soms iets wat ik meteen weer kwijtraak tussen alle kranten en boeken. Dus stuur ik mijn gedichten zo snel mogelijk naar mijn uitgeverij. En na een tijdje zegt dan iemand bij De Harmonie dat ik genoeg heb voor een nieuwe bundel.’ 

Maar literaire roem is vergankelijk. Niet iedere schrijver, of hij nu doorschrijft of is gestopt, zal blijvend worden gelezen. Dat is uitsluitend weggelegd voor het topje van de ijsberg. Het gros van de auteurs, zelfs die tijdens hun leven goed verkopen en misschien zelfs hier en daar een prijs winnen, zakt na hun overlijden – of misschien zelfs al eerder - weg in de vergetelheid. Hun verhalen maken óók deel uit van dit heerlijke boek. En het zijn vaak de mooiste, zeker wanneer ze een beetje schuren. Ook omdat enkele van deze schrijvers heel verheugd lijken te zijn dat iemand interesse toont in hen en hun werk …. Heerma van Voss heeft ieder interview een citaat meegegeven dat de kern van het gesprek weergeeft. Daartussen zitten, juist in deze groep, juweeltjes: ‘Eigenlijk hebben we het nu over de geschiedenis van mijn verdwijning’ (Rudolf Geel); ‘We begrijpen dat u iets bedoelt, alleen we begrijpen niet wat’ (Ad Zuiderent); en als laatste ‘Als je zo oud wordt als ik, dan besta je eigenlijk al niet meer’ (H.C. ten Berghe). 

Voor Cees Nooteboom (1933) geldt dit natuurlijk niet. Hij staat te boek als een van de meest succesvolle Nederlandse schrijvers van de afgelopen halve eeuw. Voor het gesprek met hem moet Heerma van Voss helemaal naar Menorca. Op dat eiland, waar Nooteboom en zijn echtgenote, de fotograaf Simone Sassen, al sinds 1971 een mooi vrijstaand huis in de natuur hebben, waren ze voor een korte vakantie toen Nooteboom medische klachten kreeg. Van dien aard dat een reis naar Amsterdam werd afgeraden. Eenmaal ter plekke moet Sassen de afspraak nog enkele keren verzetten voordat Nooteboom bezoek kan ontvangen. Maar het wordt een fijn gesprek, al heeft hij soms last van zijn luchtwegen en werkt zijn geheugen bij vlagen wat trager. Lopen gaat ook niet meer, hij zit in een rolstoel. Op Menorca ontstond een groot deel van zijn oeuvre, in een lichte studio in de tuin. Het is hier voor het eerst in de reeks interviews dat het belang van de plek waar je schrijft echt aan de orde komt. Wellicht omdat die schrijfplek indertijd een belangrijke overweging was bij de aankoop van het huis.   

Terwijl de middag en het begin van de avond rustig verglijden en het gesprek haast ongemerkt de diepte ingaat, zorgt Sassen af en toe voor hapjes en drankjes en fungeert ze, indien nodig,  als het geheugen van haar man. Schrijven doet hij niet meer, en bij het bekijken van zijn met boeken gevulde studio kan hij een gevoel van zinloosheid maar moeilijk onderdrukken: ‘Ik weet dat die plek er is, ik kom er alleen niet meer bij.’ Naar Amsterdam taalt hij niet, hier op het stille Menorca voelt hij zich prettig. Hij drinkt whisky met ijs. Wanneer zijn glas leeg is, zegt hij ‘Tingelingeling’. Dan vult zij hem bij.

Waarom deze schrijversportretten zo geslaagd zijn? Ik denk omdat Heerma van Voss de gave bezit een informele sfeer te scheppen. Omdat hij dat informele ook op het papier weet te bewaren. En misschien ook omdat de meeste van de achttien schrijvers het gevoel gehad zullen hebben met een schrijver te spreken, een vakgenoot. Maar hoe het ook zij, het is een indrukwekkend boek geworden.

Thomas Heerma van Voss / De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Schrijversportretten, toen en nu / 238 blz / Das Mag Uitgevers, 2025

Een versie van de gesprekken is ook te vinden op de website van het Literatuurmuseum, in wier opdracht ze zijn vervaardigd. Met door Thomas Heerma van Voss gemaakte foto’s.