Wat Heerma van Voss zich pas gaandeweg realiseerde, was dat het project in zekere zin een race tegen de klok zou worden: de dood won voortdurend terrein. Zo was hij net te laat om een afspraak te maken met Remco Campert en Marga Minco, en ontving Jan Cremer wel zijn verzoek maar was niet meer in staat om er iets mee te doen. En het kan nog strakker: Willem van Toorn zette de afspraak weliswaar in zijn agenda, maar kreeg even later een fatale longontsteking. Achttien gesprekken werden het dus, met bekende en minder bekende auteurs. Bij ieder thuis, voor het merendeel grote huizen, met heel veel papier.
Schrijven ze alle achttien nog? Nee. Maar opmerkelijk is dat de meesten nog wel dagelijks of anders vrij regelmatig plaats nemen achter een vel papier of de laptop om te zien of er nog iets uit wil komen. Bij sommigen is dat het geval. Jan Siebelink (1938) bijvoorbeeld schreef recent nog Rouwjournaal over zijn in juni 2024 overleden echtgenote Gerda. En Willem Jan Otten (1951) heeft een tweewekelijkse column over bidden, poëzie en dromen in het Katholiek Nieuwsblad. Ook verscheen in 2024 een gedichtenbundel van zijn hand, Septemberzee. Hij heeft zich, zonder te weten waarom, verheugd op de ouderdom. Otten: ‘Ik heb een groot zwak voor ouderdomspoëzie.’ Het zijn het oud worden, de dood en de ruimte erna die hij als dichter onderzoekt.Ook Judith Herzberg (1934) schrijft nog steeds gedichten. Dat gaat als vanzelf, moeite hoeft ze er nauwelijks voor te doen. Alles kan haar inspireren, vaak iets dat ze ziet in het voorbijgaan. Schaven aan de tekst duurt het langst: ‘Mijn gedichten zijn altijd eerst veel langer, en dan ga ik de boel snoeien. De prullenmand heeft veel plezier aan mij.’ Herzberg doet ontwapenende uitspraken: ‘Ik schrijf soms iets wat ik meteen weer kwijtraak tussen alle kranten en boeken. Dus stuur ik mijn gedichten zo snel mogelijk naar mijn uitgeverij. En na een tijdje zegt dan iemand bij De Harmonie dat ik genoeg heb voor een nieuwe bundel.’
Maar literaire roem is vergankelijk. Niet iedere schrijver, of hij nu doorschrijft of is gestopt, zal blijvend worden gelezen. Dat is uitsluitend weggelegd voor het topje van de ijsberg. Het gros van de auteurs, zelfs die tijdens hun leven goed verkopen en misschien zelfs hier en daar een prijs winnen, zakt na hun overlijden – of misschien zelfs al eerder - weg in de vergetelheid. Hun verhalen maken óók deel uit van dit heerlijke boek. En het zijn vaak de mooiste, zeker wanneer ze een beetje schuren. Ook omdat enkele van deze schrijvers heel verheugd lijken te zijn dat iemand interesse toont in hen en hun werk …. Heerma van Voss heeft ieder interview een citaat meegegeven dat de kern van het gesprek weergeeft. Daartussen zitten, juist in deze groep, juweeltjes: ‘Eigenlijk hebben we het nu over de geschiedenis van mijn verdwijning’ (Rudolf Geel); ‘We begrijpen dat u iets bedoelt, alleen we begrijpen niet wat’ (Ad Zuiderent); en als laatste ‘Als je zo oud wordt als ik, dan besta je eigenlijk al niet meer’ (H.C. ten Berghe).
Voor Cees Nooteboom (1933) geldt dit natuurlijk niet. Hij staat te boek als een van de meest succesvolle Nederlandse schrijvers van de afgelopen halve eeuw. Voor het gesprek met hem moet Heerma van Voss helemaal naar Menorca. Op dat eiland, waar Nooteboom en zijn echtgenote, de fotograaf Simone Sassen, al sinds 1971 een mooi vrijstaand huis in de natuur hebben, waren ze voor een korte vakantie toen Nooteboom medische klachten kreeg. Van dien aard dat een reis naar Amsterdam werd afgeraden. Eenmaal ter plekke moet Sassen de afspraak nog enkele keren verzetten voordat Nooteboom bezoek kan ontvangen. Maar het wordt een fijn gesprek, al heeft hij soms last van zijn luchtwegen en werkt zijn geheugen bij vlagen wat trager. Lopen gaat ook niet meer, hij zit in een rolstoel. Op Menorca ontstond een groot deel van zijn oeuvre, in een lichte studio in de tuin. Het is hier voor het eerst in de reeks interviews dat het belang van de plek waar je schrijft echt aan de orde komt. Wellicht omdat die schrijfplek indertijd een belangrijke overweging was bij de aankoop van het huis. Terwijl de middag en het begin van de avond rustig verglijden en het gesprek haast ongemerkt de diepte ingaat, zorgt Sassen af en toe voor hapjes en drankjes en fungeert ze, indien nodig, als het geheugen van haar man. Schrijven doet hij niet meer, en bij het bekijken van zijn met boeken gevulde studio kan hij een gevoel van zinloosheid maar moeilijk onderdrukken: ‘Ik weet dat die plek er is, ik kom er alleen niet meer bij.’ Naar Amsterdam taalt hij niet, hier op het stille Menorca voelt hij zich prettig. Hij drinkt whisky met ijs. Wanneer zijn glas leeg is, zegt hij ‘Tingelingeling’. Dan vult zij hem bij.Waarom deze schrijversportretten zo geslaagd zijn? Ik denk omdat Heerma van Voss de gave bezit een informele sfeer te scheppen. Omdat hij dat informele ook op het papier weet te bewaren. En misschien ook omdat de meeste van de achttien schrijvers het gevoel gehad zullen hebben met een schrijver te spreken, een vakgenoot. Maar hoe het ook zij, het is een indrukwekkend boek geworden.
Thomas Heerma van Voss / De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Schrijversportretten, toen en nu / 238 blz / Das Mag Uitgevers, 2025
Een versie van de gesprekken is ook te vinden op de website van het Literatuurmuseum, in wier opdracht ze zijn vervaardigd. Met door Thomas Heerma van Voss gemaakte foto’s.



