woensdag 30 september 2026

Mijn vader, de 'tovenaar'

Eind augustus 1949 werd in Duitsland de 200ste geboortedag van Johann Wolfgang von Goethe gevierd. Grote delen van het land lagen weliswaar nog in puin en het verlies aan mensenlevens was onvoorstelbaar geweest, maar toch werd besloten om Duitslands grootste schrijver te eren. Het zou immers een moment van bezinning kunnen zijn, een voorzichtige stap richting normaal. Hoogtepunt zou een lezing over Goethe zijn, te houden in de twee ‘Goethe-steden’ Frankfurt am Main en Weimar, sinds kort respectievelijk gelegen in de DDR en de Bundesrepublik. Voor die lezing werd Thomas Mann gevraagd. Deze was in 1933, nog tijdens de machtsgreep van Hitler, naar het buitenland uitgeweken. Achtereenvolgens naar het vrije Frankrijk, Zwitserland en de Verenigde Staten. Vanuit zijn ballingschap had hij tijdens de oorlog vrijelijk het regime van de nazi’s kunnen bekritiseren, wat hem bij een deel van de Duitsers geliefd maakte. Maar vanzelfsprekend niet bij iedereen. En in 1949 was Duitsland in die zin nog lang niet ‘opgeschoond’, aanhangers van de nazi’s hadden, vaak achter de schermen, nog veel invloed. Het bezoek van Mann mocht je dus wel ‘beladen’ noemen.

Waarom deze inleiding? Heel simpel. Ik zag in de bioscoop de trailer van de speelfilm Vaterland. Die brengt dat bezoek in beeld. Gefilmd in stemmig zwart-wit, met in de hoofdrollen Hanns Zischler als Thomas Mann en Sandra Hüller als zijn dochter Erika. Zij begeleidde haar vader op deze reis, zoals zij al sinds het einde van de oorlog nauwelijks van zijn zijde week. In de laatste tien jaar van Mann, hij zou in 1955 overlijden, was zij zijn naaste medewerker, zijn redacteur én manager. Meermaals heeft zij over hun samenwerking geschreven, en in 2002 verscheen in de reeks privé-domein een Nederlandstalige bundeling van die teksten en brieven. Ik las dat boek lang geleden, maar trok het bij thuiskomst uit de kast en herlas het in enkele dagen. En ja, ook dat bezoek in 1949 beschrijft ze erin.

Mijn vader, de tovenaar. Herinneringen en brieven bestaat uit drie delen. Het eerste is een lang radio-interview dat Erika in 1968, een jaar voor haar dood, gaf. Dat bevat vooral huiselijke herinneringen aan de familie Mann. De bulk van het boek bestaat uit een selectie uit de briefwisseling tussen Erika en haar vader, met af en toe brief van of aan Katia Mann, haar moeder. De afsluiting wordt gevormd door een tekst uit 1956, waarin Erika op het laatste jaar van haar vader terugkijkt.

Als je Erika met één woord moet karakteriseren, zou dat ‘doortastend’ zijn. Vanaf haar vroege jeugd kwam ze voor zichzelf op en had ze een eigen mening. Dat laatste kwam sterk naar buiten in het cabaretgroepje Die Pfeffermühle dat ze vanaf 1933 in München en later in Zürich zou leiden, en waarin ze onomwonden commentaar leverde op de politieke en maatschappelijke situatie in Duitsland. Ze deelde haar leven met een vrouw, Therese Giehse, die ook in het cabaret zat. In 1933 trouwde ze met de dichter W.H. Auden, puur en alleen om een Brits paspoort te verkrijgen. Essentieel om te kunnen reizen, sinds haar Duitse staatsburgerschap door de nazi’s was ingetrokken. In de oorlog voerde ze opdrachten uit voor de BBC en andere media, en trok vanaf 1943 op met de geallieerde troepen. Organiseren was haar tweede natuur, en dat zou ze vanaf 1947 doen voor haar vader. Ze woonde daarom na de oorlog ook bij haar ouders, eerst in Californië en vanaf 1952 in Küsnacht, bij Zürich.

Het interessantst is voor mij de ruime keuze uit de briefwisseling, die loopt van 1919 tot en met 1955. Meer dan in de twee andere stukken zit je daar bovenop de belevenissen van Erika en haar vader. Dat kan, wellicht wat banaal, gaan over het honorarium dat Mann vangt voor een boek of lezing. Of een discussie over het selecteren van de juiste uitgever, nu de nazi’s zijn vaste uitgever, Fischer, in de tang leken te hebben. Erika’s bemoeienis als redacteur met de teksten van Mann is een eye-opener. Met regelmaat vraagt hij haar om hele hoofdstukken of een heel boek te redigeren, bijvoorbeeld Jozef en zijn broers en Felix Krull, of lezingen met de helft in te korten. Dit laatste was inderdaad ook het geval bij de lezing over Goethe in 1949. Erika schrijft dat ze bij door haar geredigeerde lezingen, die in het redactieproces meermaals heen en weer waren gegaan, tijdens de lezing, zittend in de coulissen van het theater, haar vader uit haar hoofd had kunnen souffleren. Maar dat was nooit nodig, want wanneer Mann eenmaal het podium had beklommen ging het als vanzelf.

De film, Vaterland, wordt verwacht in de loop van oktober. Ik kijk ernaar uit, en ben blij dat ik nog even dit boek heb gelezen. En voor wie zich altijd heeft afgevraagd waarom Mann ‘de tovenaar’ wordt genoemd: ook dat onthuld Erika voor ons. Begin jaren twintig, ze waren toen ongeveer vijftien, waren Erika en haar broer Klaus uitgenodigd voor een carnavalsfeest. En omdat hun moeder Katia niet thuis was, besloten ze om hun vader mee te vragen, anders zat die maar alleen. Die probeerde er onderuit te komen, hij had immers geen verkleedkostuum. Maar Erika drapeerde wat dekens en andere lappen om hem heen en een soort tulband om zijn hoofd, en doopte hem de tovenaar. Omdat Mann in deze periode schreef aan De Toverberg, bleef de naam hangen. Hij ondertekende zelfs zijn brieven met een ‘T’. 

Erika Mann / Mijn vader, de tovenaar. Herinneringen en brieven / Bezorgd door Irmela von der Lühe en Uwe Naumann / Vertaald uit het Duits door Paul Beers / 347 blz / privé-domein nr. 243 / De Arbeiderspers, 2002

zondag 27 september 2026

Cicero en de kunst der welsprekendheid

Vorig jaar verschenen de verzamelde, bewaard gebleven brieven van de Romeinse staatsman Cicero in een nieuwe Nederlandse vertaling. Bijna 2.100 jaar na zijn gewelddadige dood. In onze huidige maatschappij is daar dus een zekere vraag naar, anders zouden tekstbezorgers, fondsen en de uitgever niet hun tijd en geld in het project investeren. Wat is het dat ons nu nog fascineert in Marcus Tullius Cicero, die leefde van 106 tot 43 voor onze jaartelling? Wie dat als geen ander heeft begrepen is Robert Harris, de Britse auteur van historische romans. Tussen 2006 en 2015 publiceerde hij in drie delen de trilogie Imperium – Lustrum – Dictator. Voor mij is dat een van de mooiste en meest indrukwekkende historische romans die ik ooit las. Maar ook een literair monument dat heeft bijgedragen aan Cicero’s huidige populariteit. 

Op het eerste oog is Cicero namelijk niet een van de meest belangrijke Romeinse staatsmannen. Het militaire genie van een Julius Caesar of het bestuurlijk gewicht van de latere keizer Augustus bezat hij niet. Bovendien was hij - in het Rome van zijn tijd geen pluspunt - van relatief eenvoudige afkomst. Hij was weliswaar gedurende een jaar consul, in het pré-keizerlijke Rome de hoogste functie, maar die periode werd ontsierd door list en bedrog van zijn politieke tegenstanders. Maar toch staat hij opgesteld in wat wij het ‘Pantheon der groten’ noemen. Waarom? Als je één doorslaggevend argument mag noemen, is het dat hij als geen ander de kunst der welsprekendheid beheerste. En dat veel van zijn redevoeringen in uitgeschreven vorm bewaard zijn gebleven. Daardoor hebben wij moderne mensen het gevoel dat we hem kennen, dat hij in zekere zin naast ons staat.  

Ooit moet er een biografie van Cicero hebben bestaan, al tijdens en kort na zijn leven opgetekend door Tiro, zijn secretaris. Die tekst is vermoedelijk verloren gegaan. Gedurende Cicero´s gehele loopbaan, van zijn praktijk als jurist en zijn politieke carrière tot aan zijn ballingschap en dood, week Tiro niet van de zijde van zijn meester. Dat kon hij trouwens ook niet, want hij was een slaaf. Later gaf Cicero hem zijn vrijheid terug. Tiro verzorgde Cicero´s agenda, notuleerde gesprekken, stelde contracten op en voerde talloze andere klussen uit. Om zijn snelsprekende baas te kunnen bijhouden ontwikkelde hij een uit notaties bestaand snelschrift, een voorloper van wat wij kennen als steno. Hij moet ook de brieven, een enorme schat, voor het nageslacht hebben bewaard. 

Redenaar is niet de eerste biografie van Cicero, wel de meest recente in een lange, de eeuwen overspannende reeks. Wat Catherine Edwards (1963) toevoegt aan de reeds bestaande biografieën is een prettige toegankelijkheid. Zij doceert oude geschiedenis aan de University of London en weet daardoor dat je verhaal alleen overkomt wanneer je je gehoor – of lezers – blijft boeien. In 21 hecht opgebouwde hoofdstukken neemt ze je mee naar het Rome van de laatste eeuw v.Chr., licht ze helder de soms wat ingewikkelde bestuursstructuur toe, laat ze je kennismaken met illustere mannen als Julius Ceasar en Pompeius de Grote en dompelt ze je bovenal onder in de kille en potentieel gevaarlijke plek die Rome óók was. De samenleving die levensgevaarlijk kon zijn voor ieder die anders over dingen dacht dan de machthebbers van het moment. 

Maar tegelijk voelt het boek, zeker wanneer Cicero in het middelpunt staat, als een warme deken. Edwards beschrijft uitvoerig de opkomst van de jonge Cicero, dan nog advocaat. Mooi zijn de passages waarin hij zich in bekwaamt in de kunst van de welsprekendheid. Hij is ervoor afgereisd naar Athene en de Griekse eilanden. Het zal gedurende zijn gehele loopbaan zijn machtigste en meest effectieve wapen blijven. Cicero’s pogingen een consulaat te bemachtigen vormen voor de lezer een soms onthutsende kennismaking met de Romeinse politieke arena. Een slangenkuil. Daarin als oprecht en principieel man overeind blijven en je tegenstanders verslaan vergt het uiterste van je doorzettingsvermogen en durf. Cicero’s loopbaan wordt enigszins overschaduwd door de pogingen van de legeraanvoerders Caesar, Crassus en Pompeius om het regeringssysteem met twee consuls en de senaat om te vormen tot een zogenoemd triumviraat waarin zij alle macht in zich verenigen. Dat zal er in 60 voor v.Chr. ook komen. Voor Cicero, zijn familie en vrienden betekent dit een totale omwenteling in hun leven. En de voorbode van het einde van Rome als republiek, want enkele decennia later zou de jonge Octavianus, vanaf 27 v.Chr. beter bekend als Augustus, als keizer alle macht naar zich toe trekken. 

Aan Cicero’s legendarische welsprekendheid biedt Edwards door het boek heen ruim aandacht. Die passages zijn een genot om te lezen. Je realiseert je dan eens te meer dat een spreker die een publiek weet mee te slepen overtuigend overkomt, of hij nu de waarheid wat oppoetst of niet. Cicero behaalde er successen mee als pleiter, als consul en ook als privépersoon. Of dat nu in de Senaat was of bij vergaderingen in de buitenlucht, waarbij de Romeinen in grote getale kwam opdagen wanneer hij werd aangekondigd. Omdat Cicero bij zo’n laatste bijeenkomst, sprekend voor het volk, nog wel eens de aristocratie op de korrel wilde nemen, kreeg hij van die edelen geregeld het verwijt dat hij er een ‘anti-aristocratische theaterproductie op het Forum’ van maakte. Maar misschien liet hij zich gewoon meeslepen door het plezier dat hij beleefde aan zijn eigen kunstje, denk ik dan…

 Catharine Edwards / Redenaar. Het leven van Cicero en het einde van de Romeinse Republiek / Vertaald uit het Engels 'Orator' door Brenda Mudde en Maarten van der Werf / 432 blz /  Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2026

zondag 20 september 2026

Een zomer in Sanary-sur-Mer

Een groot schrijver hoeft niet altijd in zijn dagelijkse beslommeringen ook een grote geest te zijn. Thomas Mann is daar bij tijd en wijle een mooi voorbeeld van. De auteur van romans als De Buddenbrooks (1901), De toverberg (1924) en een onvergetelijke novelle als Dood in Venetië (1912), pakte begin februari 1933 zijn koffers om in Amsterdam, Brussel en Parijs een serie lezingen te geven over zijn geliefde componist Richard Wagner. Katia, zijn echtgenote, zou hem vergezellen. Het waren de weken en maanden waarin Adolf Hitler in Duitsland de macht greep, het parlement naar huis stuurde en tal van andere maatregelen nam, vaak per decreet. Met de meeste daarvan had hij de jaren ervóór al gedreigd. Maar de heer en mevrouw Mann stapten, alsof er niets aan de hand was, in München op de trein naar Amsterdam, op weg naar de lezingen. Na afloop wilden ze een korte wintervakantie houden in het Zwitserse Arosa. Om daarna huiswaarts te gaan. Naar een land waar inmiddels een exodus van schrijvers, journalisten en kunstenaars gaande was. Om maar niet te spreken van de joden die de bui zagen hangen.     

Maar van een thuiskomst zou het niet komen. Twee van hun kinderen, Erika en Klaus Mann, praatten eindeloos op hun ouders in, schetsten wat hen mogelijk zou overkomen bij een terugkeer naar het Duitsland van de nazi ‘s. Mann zelf was ervan overtuigd dat hij inmiddels een instituut was, dus onaantastbaar zou zijn. Bovendien had hij vier jaar eerder de Nobelprijs voor Literatuur gekregen, in zijn ogen nóg een bescherming. Maar Katia was Joods. Er werd besloten voorlopig in Zwitserland te blijven, tot de situatie duidelijker werd. Lang zou dat niet op zich laten wachten. Iedere avond luisterde de familie – hun vier andere kinderen druppelen de een na de ander binnen in Arosa – naar het nieuws op de Duitse radio. De nieuwe wetten, de uitsluiting van hele bevolkingsgroepen, het pathetische gebrul: langzaamaan werd het hun duidelijk dat ze ballingen waren geworden, in hun geboorteland niet meer welkom. 

Erika Mann nam het op zich het leven van haar ouders te organiseren. Zelf waren ze daar op dat moment te beduusd voor. Na wat omzwervingen in Zwitserland en Frankrijk vond ze voor hen eind april een villa in het Franse Sanary-sur-Mer, een havenstadje aan de Middellandse Zee. Daar bevond zich al een hele kolonie uit Duitsland gevluchte schrijvers en kunstenaars. In die enigszins onwerkelijke omgeving probeerden ze tot rust te komen. Het aangename klimaat en de ontspannen sfeer hielpen daarbij, er ontstond bij deze en gene zelfs een licht vakantiegevoel. Ofschoon ze dagelijks in de internationale kranten konden lezen hoe in Duitsland de dictatuur het openbare leven in z’n greep kreeg. Toch sloeg Mann in Sanary weer aan het schrijven, aan zijn megaproject Jozef en zijn broers. Maar waar het te publiceren? Bij Fischer, als vanouds? Of juist níet in Duitsland? Een van de meer interessante vragen in dit boek.

Voor Als de zon ondergaat heeft Florian Illies een grote hoeveelheid egodocumenten, zoals dagboeken en briefwisselingen, doorgeploegd, gepubliceerde dan wel ongepubliceerde. Hij gebruikt informatie daaruit in de lopende tekst zo vaak dat je van een stijl kan spreken: je weet vrijwel altijd wat Thomas Mann op een gegeven moment denkt, wat hij vindt van iemand en hoe hij een situatie beoordeelt. Dat geldt ook voor de andere personages in het boek die een dagboek bijhielden of veel brieven schreven, zoals Klaus Mann of iemand als de schrijver Lion Feuchtwanger. Het is een techniek die Illies ook in zijn eerdere boeken hanteerde. Ik vind die soms extreme nabijheid bij de personen wel aangenaam, maar ik kan me ook voorstellen dat je er na een paar honderd bladzijden de kriebels van kan krijgen.

Kunstenaars die hun land de rug toekeerden werden door de nazi’s hun paspoort ontnomen. Ze waren dan stateloos. Hun bezittingen werden verbeurd verklaard, hun bankrekeningen leeggehaald. Dat gevaar liepen ook Thomas en Katia. Het probleem met de bankrekeningen werd door hun zoon Golo opgelost, die op meerdere trips naar Duitsland, en met behulp van bevriende bankdirecteuren en diplomaten, een fors deel van hun tegoeden wist op te nemen en het land uit te smokkelen. 

Ingewikkelder – en minsten even spannend – was het veilig stellen van Thomas Manns dagboeken. Die bevonden zich nog steeds in hun woning in München, op de werkkamer van de schrijver, achter slot en grendel. Mann was in zijn dagboeken altijd heel openhartig geweest, ook over zijn verliefdheden op jonge jongens. Katia was daarvan op de hoogte, en accepteerde het. Maar wat zou er gebeuren wanneer de nazi’s het onbewaakte huis zouden plunderen en de dagboeken vinden? Ze zouden hem belachelijk maken, zijn reputatie slopen. Die gedachte ontnam Mann in het verder idyllische  Sanary zijn slaap- en eetlust. Ook hier bleek Golo weer de reddende engel. Hij reisde naar München, stopte de dagboeken in een koffer samen met andere papieren en deed die op de vrachtpost naar Zuid-Frankrijk. Het duurde weken voor de koffer daar aankwam, en hij bleek bij aankomst zelfs te zijn geopend. Maar de douanebeambte die dat had gedaan was meer geïnteresseerd geweest in de financiële boekhouding van Mann, de dagboeken liet hij onaangetast. Door het oog van de naald, heet dat. Later in zijn leven zou Mann zijn vroege dagboeken verbranden.

De zomer in Sanary werd door – bijna – alle leden van het gezin Mann heel relaxed gevonden. In de herfst verhuisden ze naar Zürich, om kort voor de oorlog uit te wijken naar de Verenigde Staten. Tussen al die verplaatsingen zou Sanary wellicht wat in de vergetelheid zijn geraakt, ware het niet dat Illies met eindeloze ijver en creativiteit die zomer daadwerkelijk tot leven heeft gebracht.

Florian Illies / Als de zon ondergaat. De familie Mann in Sanary /  Vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink en Izaak Hilhorst / 335 blz / Alfabet Uitgevers, 2026

zondag 13 september 2026

De 'Algemeen Leider'

Auke Kok is een begenadigd schrijver. In zijn biografie Mussert. Reis naar het kwaad blijkt dat weer, keer op keer. In de inleiding bijvoorbeeld, wanneer hij het heeft over de jonge Anton Mussert, de hoofdingenieur bij de Provinciale Waterstaat in Utrecht, de man die aanzien genoot en een veelbelovende loopbaan voor zich had maar die omstreeks 1930 koos voor de politiek, schrijft hij: ‘We hadden Ir. A.A. Mussertstraten kunnen hebben. Een prikkelende gedachte.’ Zo’n afsluiting blijft je bij, dat weet ik nu al. 

Maar het zou niet een keurig bestaan als modelburger worden. Integendeel, de wat ingeslapen samenleving die het Nederland van de jaren twintig was, ging hem tegenstaan. Nederland gaf te veel weg, kwam niet genoeg voor zichzelf op. Wat zich bij Mussert langzaamaan ontwikkelde was het gevoel dat er iets als een nationaal reveil nodig was, een nieuwe energie. Nederland kon, met haar roemruchte historie, met haar rijke koloniën en hoge levensstandaard, veel meer betekenen in de wereld dan het deed. En toen zijn vriend Cornelis van Geelkerken, die rondliep met het idee een politieke partij op fascistische grondslag op te richten, hem in 1931 vroeg als leider daarvan ging hij er enthousiast op in. Hij kocht voor 60 cent een brochure over het partijprogramma van Hitlers NSDAP – een samenvatting, wel zo handig, merkt Kok op – en zette zich aan het schrijven van een partijprogramma, hier en daar nog wat rechtse gezichtspunten lenend. In het eindproduct zoek je opvallend genoeg tevergeefs naar antisemitische opmerkingen. Over verkiezingen wordt daarentegen wel een ferme beslissing genomen: die worden afgeschaft. De kern waar de NSB naar streeft is ‘Vernieuwing van de geest, op economisch en staatkundig terrein, in het Rijk der Nederlanden’.   

Kok begint zijn biografie in de zomer van 1935, met Musserts reis door het toenmalige Nederlandsch-Indië. Dat is slim, want dat geeft zijn verhaal direct de nodige vaart. De partij is immers al opgericht en is inmiddels een intrinsiek én opvallend onderdeel van het Nederlandse politieke landschap. Dat de successen bij verkiezingen wat achterblijven is jammer, maar ook daar kan zo’n reis iets aan doen. En inderdaad blijkt de tour een doorslaand succes. Avond na avond zijn de optredens van Mussert volgeboekt, de koloniale bladen schrijven pagina’s vol over de bevlogen stijl van de Leider – ja inderdaad, met een hoofdletter L. 

Met wie had Mussert in Nederlandsch-Indië contact, welke groepen voelden zich door zijn boodschap aangesproken?  Allereerst natuurlijk plantagehouders, ondernemers en zakenlui. Maar ook ambtenaren, waaronder die uit de hoogste bestuurslagen. Zo ging hij tweemaal op bezoek bij Gouverneur-generaal De Jonge, die daarvoor géén toestemming vroeg aan zijn hoogste baas, de minister van Koloniën. En toen Jan Willem Meijer Ranneft, de vice-president van de Raad van Nederlandsch-Indië, Mussert bij een andere gelegenheid vroeg of hij de democratische beginselen respecteerde, gaf hij een ontwijkend antwoord. Meijer Ranneft vermeldde in zijn notities nog wel het volgende citaat van Mussert: ‘Ik ben geen groot man als Mussolini of Hitler, maar wat achter mij staat is wel groot’. De teneur werd steeds duidelijker, stelt Kok vast: Mussert zou zo lang mogelijk van zijn status als ‘ongevaarlijke’ burgerman blijven profiteren, en pas na het bestijgen van de troon het fatsoen en de wet in de hoek trappen.  

De opkomst van de NSB en Musserts rol daarbij in de vooroorlogse periode bevatte voor mij veel nieuws. Dat geldt ook voor Koks’ relaas over de jeugd, zijn jaren als student en zijn wat wonderlijke relatie met Rie Witlam, zijn achttien jaar oudere tante, met wie hij in 1917 op 23-jarige leeftijd trouwde. Kok neemt voor de vroege Mussert alle tijd, in mei 1940 ben je al ruim over de helft van de biografie. 

Mussert en de jaren 1940-’45 is een verhaal  dat bekender is en al vaker uitvoerig beschreven. Maar in de handen van Kok krijgt het een levendigheid die je doet doorlezen. Vooral omdat hij zich richt op de grote lijn en de meest wezenlijke onderwerpen. Een mooi voorbeeld daarvan is zijn behandeling van Musserts wensdroom dat Nederland zou worden benoemd tot een autonome natie binnen de Nieuwe Orde van het Derde Rijk. Met Mussert als Algemeen Leider, vanzelfsprekend. Voor Hitler waren beslissingen daarover iets voor later, maar Mussert wilde het zo snel mogelijk regelen, al was het maar om te voorkomen dat Nederland zou eindigen als een Duitse deelstaat, voor hem een gitzwart scenario. Tijdens een bezoek aan Hitler in de rijkskanselarij, in het najaar van 1940, in het gezelschap van Seyss-Inquart en andere kopstukken, hield de Führer hierover een lange speech zonder daadwerkelijk iets toe te zeggen. Maar Mussert had na afloop beslist niet het gevoel dat hij niet serieus werd genomen, moet Kok concluderen: ‘Mussert maakt deze vaagheid niets uit. Integendeel, hij stapt even later volkomen tevreden weer in de auto. Hij heeft genoeg gehoord. Of liever: hij heeft waarschijnlijk veel meer gehoord dan Hitler heeft gezegd. […] En de aanstichter van al dit groots, de toekomstige wereldleider Adolf Hitler, is op zíjn hand. Dat weet hij nu zeker. Ongelooflijk.’ Kwestie van wishfull thinking, denk ik dan. Het zal zo'n bijeenkomst zijn geweest als op de foto hierboven, waarop Mussert wordt geflankeerd wordt door Seyss-Inquart (links) en Heinrich Himmler (geheel rechts). Die foto bekijkend denk ik: lachen ze hem toe of uit?

Een in de politiek verdwaald burgermannetje, zo wordt Mussert nog wel eens getypeerd. Bij Kok is dat een term die wel passeert, maar dan als een van de aspecten van een toch veelzijdiger karakter. Zelf meende Mussert, tijdens zijn proces in 1946, dat het beeld dat van hem bestond te eenzijdig negatief was. Hij had toch het beste met Nederland voorgehad, en vooral gehandeld uit landsbelang. Maar daar ging de rechter van het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag niet in mee. Hij kreeg de doodstraf, die op 7 mei 1947 op de Waalsdorpervlakte werd voltrokken. 

Daarmee eindigt een wat mij betreft voorbeeldige biografie. Precies zoals Kok zich in de eerste zinnen van zijn inleiding had voorgenomen: ‘Een reportage van zijn leven: dat was mijn plan. Niet moraliseren, althans zo weinig mogelijk, en vooral proberen de gebeurtenissen voor zichzelf te laten spreken.´

Auke Kok / Mussert. Reis naar het kwaad / 480 blz / Hollands Diep, 2026

donderdag 10 september 2026

Wagners Ring filosofisch beschouwd

Het is nét weer achter de rug, dat wat je misschien wel het meest indrukwekkende culturele evenement van Duitsland mag noemen: de Bayreuther Festspiele. Sinds 1876, dit jaar dus precies anderhalve eeuw geleden, worden daar jaarlijks in de zomermaanden Wagners opera’s uitgevoerd, met in het hart van de programmering Der Ring des Nibelungen. Het theatergebouw, het zogenoemde Festspielhaus, werd mede door Richard Wagner (1813-1883) zelf ontworpen en wordt uitsluitend voor de Festspiele gebruikt. Vorige week werd de editie 2026 afgesloten, op de website is het programma van 2027 alweer te zien. Na openstelling van de kaartverkoop moet je er snel bij zijn, anders vis je achter het net. 

Wat verklaart die populariteit van de Ring?  Een mogelijk antwoord is dat het verhaal van de Ring is gebaseerd op wat ik maar zal noemen de Duitse mythische ‘oergeschiedenis’. In de vier delen, Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung wordt je ondergedompeld in het ontstaan van de wereld, compleet met alle strijd en andere vormen van agressie – en ook meer harmonieuze uitingen van emotie - die daarmee gepaard gingen. Ook zal hebben meegespeeld, en dan vooral in de negentiende eeuw, dat de Duitse literatuurgeschiedenis vol zit met dergelijke verhalen, die leerlingen en studenten tijdens hun opleiding als vanzelf meekregen. Voor Duitse operaliefhebbers was wat Wagner deed al snel heel herkenbaar. 

Daarnaast was Wagner een muzikale vernieuwer. Dat klinkt vanuit onze beleving misschien wat ongelooflijk, maar toch heeft hij het genre van de opera wezenlijk veranderd. Tot aan Wagner was een opera gewoonlijk opgebouwd uit aria’s en recitatieven, een afwisseling dus van mooi gezongen liederen en een soort spreekgezangen. In die laatste speelde het drama zich af, terwijl tijdens de aria’s het verhaal even werd stilgelegd ten behoeve van het vocale kunstje – dat overigens lang niet altijd samenhing met het verhaal. Dit zinde Wagner niet, hij pleitte voor een veel sterkere én logischer verstrengeling van muziek en drama. In zijn opera’s introduceerde hij grote, doorgecomponeerde gehelen waarin de muziek en het drama versmolten. Omdat de muziek nu feitelijk ten dienste stond van het drama, werden zijn opera’s gaandeweg bestempeld als muziekdrama’s. En voor zulke werken waren die verhalen uit de verre voorgeschiedenis, teksten van de lange adem, uitermate geschikt. 

Gerbert Faure is filosoof. Zo mag je iemand die promoveerde op het probleem van de vrije wil, het Basisboek filosofie schreef en in het dagelijks leven docent filosofie en Nederlands is toch wel noemen. Ook is hij, het zal u niet verbazen, een groot liefhebber van opera en in het bijzonder van Wagner. In Wagners Ring. Een filosofische reis hanteert hij een verrassende aanpak. Het boek is geen inleiding op de Ring, ook geen handleiding bij het begrijpen ervan of een muzikale analyse. Ofschoon al deze zaken bij Faure óók langskomen, voegt hij iets heel wezenlijks toe: hij stelt vragen. Hij neemt jou als lezer mee door alle vier de drama’s, presenteert zo ongeveer iedere scène en laat zien hoe tekst en muziek samenhangen en elkaar versterken. En dan gaat hij dieper in op de handeling, soms omdat die heel typerend is voor een van de personages, vaker omdat die voortkomt uit een meer algemeen menselijk gedrag. Wat hij aan de orde stelt kan gaan over iets als liefde en lust, het karakter van de dood, de rol van vrouwen in een mannenwereld, het duiden van dromen, de louterende werking van lijden en ga zo maar door. Het klinkt heel zwaar, realiseer ik mij, maar omdat het is verpakt in een drama dat je, zeker wanneer je de tijd en moeite ervoor neemt, steeds meer gaat boeien krijgt doorlezen iets verslavends.

Het enige wat ik heb gemist in dit verder zo doordachte boek is het advies af en toe eens een scène te luisteren. Het daagde mij pas halverwege dat dit een zinvolle toevoeging kon zijn. En inderdaad, dat werkt. Je krijgt het verhaal dan nog indringender binnen, en ziet nog duidelijker hoe Faure zijn commentaren opbouwt. En wanneer je eenmaal aan het luisteren bent, zou je ook de visuele beleving kunnen toevoegen. Tip: de Londense Royal Opera House is al enkele jaren bezig de hele Ring op te voeren, met grote zangers en een veelal oogstrelende enscenering. Daarvoor hoef je niet naar Londen, veel Nederlandse bioscopen bieden van tijd tot tijd de streaming aan. Aanbevolen!

Gerbert Faure / Wagners Ring. Een filosofische reis / 320 blz / Boom, 2026

dinsdag 25 augustus 2026

The Things We Never Say

Nooit eerder las ik iets van Elizabeth Strout. Maar in een ver verleden was ik wel verslaafd aan het werk van John Updike. De vier (vijf) delen Rabbit, vanzelfsprekend, maar misschien nog meer Couples (1968) of The Maples Stories (1979). Romans en verhalen over stellen die in de loop van de jaren ’60 de ietwat kleinburgerlijke mentaliteit van de stadjes aan de oostkust van de  VS van zich afschudden en zich te buiten gingen aan drank, lichte drugs en - vooral – aan overspel. Taaltovenaar Updike beschreef het met een welhaast onvoorstelbare lichtheid en elegantie. Het werd een spel, in alle opzichten.

Die meesterlijke taalbeheersing vond ik tot mijn genoegen terug bij Strout, in haar beknopte roman The Things We Never Say. Evenals de gave om met weinig woorden, eigenlijk indirect, zo’n dorpsgemeenschap neer te zetten. We zijn bij haar in tijd ruim veertig jaar opgeschoven, staan aan het begin van het tijdperk Trump. Artie Dam, 57 jaar, al dertig jaar leraar geschiedenis aan een lokaal college, en zijn echtgenote Evie zijn de hoofdpersonen van The Things We Never Say. Ze wonen luxe, in een prachtig huis dat een cadeau was van haar ouders. Voor de deur ligt een baai, Artie zeilt graag in het weekeinde. Hij heeft steeds meer het gevoel dat hij en Evie langs elkaar heen leven. Ze hebben een zoon die tien jaar eerder een ongeluk veroorzaakte waarbij zijn vriendin omkwam. Dat maakte het noodzakelijk om hun leven te resetten. Dat lijkt gelukt, maar bij Evie iets beter dan bij Artie. Die kan zich ook niet onttrekken aan de indruk dat zijn relatie met zijn leerlingen – die altijd prima was, vijf jaar geleden werd hij gekozen tot beste docent in de staat – wat gaat schuren.

Er wordt in deze roman, conform de titel, tussen de personages veel niet uitgesproken. Jij als lezer krijgt het wél mee. Een mooi spanningsveld!  

Elizabeth Strout / The Things We Never Say / 201 blz / Penguin Viking, 2026

zondag 23 augustus 2026

Boeken als pleisters

Het conflict in het Midden-Oosten duurt al even. Als je erbij stilstaat, waarschijnlijk al veel langer dan je dacht. De Marokkaans-Franse schrijver Rachid Benzine laat zijn roman De boekhandelaar van Gaza beginnen in 1947, bij een aanval op Palestijnse nederzettingen in de buurt van Haifa door een tak van de Hagana, een Joodse paramilitaire organisatie die werd opgericht om de jonge staat Israël te beschermen. Bij die aanval worden duizenden Palestijnse familie verjaagd, terwijl hun schamele huisjes met tanks en bulldozers worden platgewalst. Dat klinkt heel bekend, niet? Terwijl dit toch, op een jaar na, tachtig jaar geleden is. 

Die lengte, het haast onvoorstelbare gegeven dat mensen hun halve of zelfs hun hele leven doorbrengen in wat je toch wel een ‘oorlogssituatie’ kan noemen, is een van de twee rode draden die Rachid Benzine (1971) in zijn roman hanteert. Hij heeft daarvoor een mooie vorm gevonden. Hij laat, nog vóór de verrassingsaanval van Hamas in oktober 2023, een Franse fotograaf afreizen naar Gaza om voor zijn opdrachtgever pakkende beelden te schieten van de ellende onder de inwoners van het gebied. Tijdens een eerste wandelingetje stuit deze Julien in de binnenstad, in een nog nauwelijks gebombardeerd stadsdeel, op een boekwinkeltje. Op de stoep ervoor zit, in kleermakerszit, de boekhandelaar. Verdiept in een boek. Wanneer hij dit sfeerbeeld wil vastleggen, spreekt de oude man hem aan en vraagt hem of hij niet, alvorens de foto te nemen, zijn verhaal wil aanhoren. Een foto mét een verhaal zal toch interessanter zijn dan een zonder. 

En dat is het beslist, zeker in het geval van de boekhandelaar, Nabil el-Jaber. Tijdens enkele achtervolgende middagen vertelt deze aan Julien zijn levensgeschiedenis. Die begint daadwerkelijk bij de al genoemde aanval door de Israëlische paratroepen eind 1947. Om precies te zijn heel kort voor de geboorte van Nabil. Tijdens die aanval schoten de paratroepen in het wilde weg, waardoor ook Nabils hoogzwangere moeder werd getroffen, in haar rug. Hun huis werd in brand gestoken. Op de vlucht, waarbij ze alleen hun kar en ezel mochten meenemen, en wat persoonlijke spullen, was het zaak te voorkomen dat de weeën vroegtijdig zouden beginnen. Dat lukte, Nabil werd veilig geboren. Maar die eerste vlucht, naar Nazareth, en dat wisten ze toen nog niet, zou er een zijn van een hele reeks. Vluchtelingenkampen over heel Israël, en ook in de Jordaanvallei, en uiteindelijk Gaza. 

Wat doe je, wanneer je leven zo overhoop ligt, je nergens kan aarden, je ook nergens een veilig bestaan kan opbouwen, altijd deels afhankelijk zal zijn van (buitenlandse) organisaties. Nabil lukt het wel door hard te werken op eigen benen te staan, zijn jonge gezin te onderhouden. Weet zelfs een klein vissersbootje aan te schaffen, waarmee hij dagelijks in alle vroegte de Middellandse Zee op gaat. Vis is er altijd, en gegeten moet er ook, dus dat is een redelijk stabiele bron van inkomsten. Zo, én met een toegezegde beurs, kan hij ook enkele van zijn kinderen laten studeren. Want dat ziet hij als dé weg naar een enigszins menswaardig bestaan. Maar dan komt in 1987 de eerste Intifada. De grote volksopstand van het Palestijnse volk tegen het Israëlische leger. Verzet dat veel heviger is dan voorheen, en vooral ook veel massaler. En weer alles ligt overhoop.

Terwijl Nabil zijn levensgeschiedenis uit de doeken doet, loopt hij af en toe zijn winkeltje in om een boek uit een van de rekken te halen. Om daaruit Julien iets voor te lezen, uit te leggen waarom juist deze titel van deze schrijver ooit iets voor hem heeft betekend. Hem tijdens moeilijke momenten steun heeft gegeven. Primo Levi’s Is dit een mens is zo’n titel. En ook, wanneer Nabil later langdurig in de gevangenis belandt omdat hij zijn door een kogel getroffen zoon wilde redden, Solzjenitsyn’s Goelag Archipel en Een verliefde gevangene van Jean Genet. En natuurlijk het boek dat je altijd kan herlezen, Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. Literatuur als pleister op een wond die maar niet wil helen. De tweede rode draad in deze roman. Heel mooi gedaan. 

Het enige wat een beetje jammer is aan dit boek is de titel van de Nederlandse uitgave. Benzine gaf de Franse editie de titel L’home qui lisait des livres, in het Nederlands De man die boeken las. Dat is immers de kern van de vertelling. De Nederlandse uitgever koos echter voor De boekhandelaar van Gaza, waarmee het boek voor mijn gevoel een beetje ten onder gaat in de vloedgolf aan boeken met titels als De violist van Auschwitz etc. Het is een keuze vanuit de marketing, dat begrijp ik, maar toch ook een beetje zielloos ….

Rachid Benzine / De boekhandelaar van Gaza / Vertaald uit het Frans L’home qui lisait des livres door Ursula Teijink / 143 blz / Atlas Contact, 2026