zondag 20 oktober 2024

De Bourgondiërs

Een stapeltje 'nog te lezen' boeken, op een bijzettafeltje of het nachtkastje, het lijkt een goed idee. Maar dat is het niet, ontdekte ik al lang geleden. Want wat gebeurt er? Je hebt door allerlei oorzaken, bijvoorbeeld door drukte op je werk, te weinig tijd om iedere dag wat te lezen, maar je blijft uit nieuwsgierigheid wel gewoon boeken kopen. Dus de stapel groeit en groeit, en daarmee een zeker schuldgevoel. Die stapel weglezen wordt een corvee, voelt als huiswerk. En dat kan nu net niet het beoogde resultaat zijn van lezen, dat doe je toch ter ontspanning.

Dus bedacht ik een andere methode. Die bestaat eruit dat ik ieder boek dat ik na aankoop niet direct ga lezen, alvast z'n plekje in de kast geef. En iedere keer dat ik een boek uitkies om te lezen, snuffel ik gewoon wat in de kasten tot mijn oog op iets valt waar ik op dat moment zin in heb. Dat werkt prima. Geen rondslingerende boeken, kasten die altijd op orde zijn, kortom een heel rustgevend gevoel, dat wat lezen ook moet zijn. En het fijnst: het voelt heel rijk om een echte bibliotheek voor jezelf te hebben, een plek waarin je altijd wel iets vindt. 

Er kleeft één nadeel aan deze werkwijze: een boek kan zomaar langdurig uit beeld raken. Dat gebeurde mij onlangs weer eens. Bij boekhandel Kooyker in Leiden liep ik aan tegen het nieuwe boek van de Belgische historicus Bart van Loo. Dat boek, met de prachtige titel Stoute schoenen, is een historische reisgids door de wereld van de laat-middeleeuwse Bourgondiërs. De wereld van de mannen met (bij)namen als Filips de Schone, Karel de Stoute, Jan zonder Vrees en ga zo nog maar even door. En een enkele vrouw met zo'n (bij)naam, Johanna de Waanzinnige … Het zijn diezelfde late middeleeuwen die Johan Huizinga ooit beschreef in Herfsttij der Middeleeuwen. Die nieuwe Van Loo is een mooi vormgegeven boek, ruim 800 bladzijden dik en rijk geïllustreerd, waarin de schrijver je meeneemt op een tocht langs plekken die een rol hebben gespeeld in het voormalige rijk van de hertogen van Bourgondië. Ik was al op weg naar de kassa toen het langzaam tot me doordrong dat het boek wellicht een spin-off was van Van Loo’s vorige boek, De Bourgondiërs. Dat bleek zo te zijn. Maar had ik dát boek al gelezen? Ik kon het me niet herinneren. Had ik het misschien indertijd al gekocht? Geen idee. Bij thuiskomst bleek het inderdaad al in de kast te staan, op de plank ‘Vorstenhuizen’. Met het kassabonnetje er nog in, maart 2019. Tja. Dus dat boek heb ik de afgelopen weken eerst maar eens gelezen.

Die Bourgondiërs, die zijn ons heel bekend. We kennen immers allemaal Les Très Riches Heures du Duc de Berry, het getijdenboek dat op indrukwekkende wijze werd geïllustreerd door de gebroeders Van Limburg. En ook Nicolas Rolin, als kanselier van Filips de Goede een machtig man in het Bourgondische rijk, zegt ons iets. Zeker in combinatie met het schilderij dat hij omstreeks 1435 door Jan van Eyck liet vervaardigen, bekend als De Madonna met kanselier Rolin. En in het spraakgebruik is ‘bourgondisch’ tot op de dag van vandaag de term waarmee we verwijzen naar het goede leven, en naar lekker eten. In historische zin klopt dat laatste trouwens wel, de feestmaaltijden aan het hertogelijke hof bestonden vaak uit tientallen gangen, het ene gerecht nog fantasievoller opgemaakt dan het andere. Van Loo – rechtgeaarde Vlaming – lijkt hierover trouwens niet uitgepraat te raken.

Maar realiseren we ons ook dat er tijdens de hoogtijdagen van het Bourgondische tijdperk – Van Loo concentreert zich op de periode 1369-1496 -  enorm veel bloed vloeide? De veldslagen en listige moordpartijen vliegen je om de oren. Dat de koningen van Engeland zich ook vaak de koning van Frankrijk noemden? Was mij niet bekend. En dat de glansjaren van de heerschappij van de hertogen van Bourgondië samenvielen met de opkomst van een nieuwe macht: de steden en hun inwoners, de burgerij. Dit laatste wist ik wel, maar Van Loo weet als geen ander dit proces tastbaar te maken. Brugge, Gent, Ieper, Mechelen, Brussel en wat later Antwerpen, zij werden de nieuwe machthebbers. En, last but not least, dat ook het gebied dat wij een kleine eeuw later de Noordelijke Nederlanden zouden gaan noemen op zeker moment onderdeel uitmaakte van het Bourgondische rijk? Maar dat feit had Van Loo al weggegeven, het is immers de ondertitel van zijn boek: Aartsvaders van de Lage Landen.

Bij Bart van Loo is geschiedenis geen opsomming van droge feiten. Integendeel. Hij probeert altijd, zelfs bij het schetsen van de grotere historische processen, te denken en te schrijven vanuit de mensen die verantwoordelijk waren voor die ontwikkelingen, of er een rol van betekenis in speelden. Wat waren hun ambities? Hoe was hun karakter? Waar droomden ze van? Door het zo persoonlijk te maken, betrek je de lezer erbij. Het krijgt trekjes van het lezen van een roman, waarin je de neiging hebt dóór te lezen omdat je  nieuwgierig bent naar de verdere lotgevallen van de hoofdpersonen, naar de afloop.

Dat Van Loo al op jonge leeftijd, bij het lezen van boeken over de geschiedenis van zijn land, gefascineerd raakte door het onderwerp licht hij toe in een heel persoonlijke proloog. Dat is mooi gedaan, even het podium geven aan de voorgangers aan wie je toch schatplichtig bent. 

Bart van Loo / De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen / 607 blz / De Bezige Bij, 2019 // Luisterboek, voorgelezen door Cees van Ede / 25 uur en 12 minuten / via Storytel 

zondag 13 oktober 2024

Rumoer achter de duinen

Bent u de tevreden bewoner van een chique villawijk? U weet wel, zo'n wijk waarin de kasten van huizen schuilgaan achter hoge hagen, waar automatische toegangshekken en state-of-the-art camera's ongewenst bezoek buitenhouden en waar zowel de Mercedes, de Jaguar als de Mini Cooper in de ruime garage passen? En bent u daarbij ook nog een nouveau riche, verdient u uw geld als fusiejurist op de Amsterdamse Zuidas of als grootschalige pandjesbaas? Dan is de nieuwe roman van P.F. Thomése niet aan u besteed. U gaat die vast niet leuk vinden, want u wordt daarin in zekere mate te kakken gezet. Aan alle andere lezers van dit blogje kan ik dit boek van harte aanbevelen. Het is namelijk bijzonder geestig.

Alhoewel….., de aanleiding is dat beslist niet. Neem alleen al de openingspassage: 'Niemand had de zwarte SUV zien aankomen. Het was de laatste dag voor de zomervakantie en de mensen in "het reservaat", zoals ze het villadorp in de duinen onder elkaar noemden, verheugden zich alvast op de zorgeloze dagen, zo zalig zelfverdiend.' Ergens, verborgen achter een haag en een houten hek, werd gezongen. Daar was zo te horen een kinderpartijtje aan de gang. De vrouw die de SUV bestuurde hoorde dat niet, zij was veel te druk met Google Maps, dat er maar niet in slaagde haar naar de ingetoetste bestemming te leiden. Of was ze zelf in de war? Ineens wist ze het niet meer, verdween alle beeld en geluid, werd alles zwart. En zonder dat ze het meebeleefde, donderde de Volvo CX90 door de haag, het hek, en stortte zich op een tafel waaraan een groepje kleine meisjes zat. 

Het leek Tessel zo’n aardig idee om Pippa’s overgang naar groep 3 op de laatste dag voor de schoolvakantie te vieren met haar vriendinnetjes. En het werkte, Pippa voelde zich intens gelukkig en die stemming sloeg over op de andere meisjes. Het was ook nog eens stralend weer en het hoveniersbedrijf had de immense tuin in tip-top conditie gebracht, Tessel hoefde zich niet te schamen voor de andere moeders. Maar dan, als ze even in het huis is, hoort ze van buiten een luide dreun, en dan gegil, en een auto-alarm dat afgaat. In de chaos en paniek duurt het even voordat het duidelijk is dat de ramp veel groter had kunnen zijn, dat alle meisjes op één na het ongeluk zonder noemenswaardig letsel hebben overleefd. Het enige dodelijke slachtoffer is Pippa, zij ligt onder een van de voorwielen van de auto, doodgedrukt.

Na krap 3,5 bladzijden in de roman heb je als lezer het gruwelijke ongeval al achter de rug. Thomése schetst het terughoudend, op neutrale toon. In de daaropvolgende 340 bladzijden gaat hij los in waar het hem om gaat: wat de zinloze dood van Pippa teweegbrengt bij iedereen die ermee in aanraking komt. Vanzelfsprekend bij haar ouders, Tessel en haar echtgenoot Mark. Maar ook bij de automobiliste, Grace Rainville, een Antilliaanse. Bij Dave, de ex van Grace, die met zijn nieuwe partner, het oogstrelende fotomodel Kelsey, ook in de wijk woont. 

Van al die mensen is alleen Tessel, de moeder, oprecht ontroostbaar. Zij wordt verscheurd door verdriet en een schuldgevoel. Als zij het feestje nu eens níet had georganiseerd, als zij nu eens níet naar binnen was gegaan op het moment van het ongeluk. Voor Grace is het, wanneer zij in het ziekenhuis bij bewustzijn is gekomen, een helse klus om te begrijpen wat er is gebeurd. En dan moet ze ook nog haar driejarig dochtertje, dat op de achterbank zat, op de juiste manier opvangen. De mannen daarentegen, die zijn niet zo van de emoties, weten ook niet goed hoe om te gaan met die van hun vrouwen. Mark, een succesvol fusiejurist, vraagt een ‘vriendje’ om een schadeclaim voor te bereiden, om Grace te plukken. Hij meent oprecht dat dit Tessel zal helpen bij het verwerken van haar verdriet. En Dave, projectontwikkelaar, biedt zijn ex Grace een door hem betaalde jurist aan. Maar geeft die man de stilzwijgende opdracht haar opgesloten te krijgen, zodat hij hun dochtertje kan opeisen.

Met plagerig plezier beschrijft Frans Thomése ook de reacties van anderen in het lommerrijke Blankendaal, hoe die het gebeurde voor hun eigen karretje spannen. Van het actiecomité dat al jaren strijd voert tegen het drukke autoverkeer in het dorp tot aan de vrijwilligers van de lokale televisiezender, die het gevoel hebben dat er eindelijk eens iets belangrijks speelt in hun slaapdorpje. Onbetaalbaar is het moment, tijdens de door Mark groots opgezette, protserige begrafenis van Pippa, op internet live gestreamd, waarop de door emoties overmande Tessel een duik neemt in het geopende graf en, het kistje omarmend, daar door de doodgravers met enig geweld uit moet worden verwijderd. Je kan het zo verfilmen.  

Je kan vinden dat Thomése langs de rand van de smakeloosheid scheert. Dat hij nu en dan van personages karikaturen maakt. Van dik hout zaagt men planken, die stijl. Maar wie eerder iets van hem las, bijvoorbeeld de zogenoemde J. Kessels-romans, met Het Bamischandaal als onvergetelijk hoogtepunt, weet dat een lichte overdrijving een bij hem terugkerend handelsmerk is. Hij verkneukelt zich weliswaar over zijn personages en hun gedrag, maar het is eerder ironie dan humor. Thomése als ironicus. Daardoor komt de boodschap ook aan. 

En wie hem verwijt dat hij de dood van een kleuter gebruikt als fundament voor een geestig bedoelde roman, moet maar eens het kleine boekje Schaduwkind lezen, dat hij in 2003 publiceerde en waarin hij mijmert over de dood van zijn dochtertje dat, zes weken oud, stierf aan de gevolgen van een hersenbloeding. Hij is daar zelf geweest.

Kortom: niet zeuren. Ook niet de zo tevreden bewoners van Blankendaal. 

P.F. Thomése / Black-out / 341 blz / Prometheus, 2024

woensdag 9 oktober 2024

Sprakeloos

´Minder is meer´ of, zoals het misschien wel vaker op z´n Engels wordt uitgesproken ´Less is More´, is aan Tom Lanoye niet besteedt. Hij geeft toe dat er geniale schrijvers zijn die met een minimum aan woorden grote romans hebben geschreven, maar dat is niet zijn stijl. Dat stelt hij tenminste in zijn roman Sprakeloos (2009), heel toepasselijk midden in een woordenvloed die is opgeroepen door herinneringen aan zijn moeder. Sprakeloos is een memoir over die moeder. Het is na de verhalenbundel Slagerszoon met een brilletje (1985)  en de roman Kartonnen dozen (1991) het derde en uitvoerigste boek dat hij wijdt het gezin waarin hij opgroeide. Dat uitbundige taalgebruik misstaat niet in deze roman, integendeel, hij versterkt het verhaal juist. Want Sprakeloos is niet alleen een teder, soms melancholiek terugkijken op Josée Lanoye en haar man Roger. Het is bij vlagen (tragi)komisch, en af en toe zelfs vlijmscherp in de veroordeling van haar gedrag door haar zoon. Die zich in deze roman – is het een roman?, vraagt hij zich af – bovendien nog eens binnen een strakke hoofdstructuur alle vrijheid geeft om in de tijd rond te springen. Het resultaat: een verrassend boek, een fotoalbum in woorden, een eerbetoon aan een vrouw die door een beroerte haar spraak verloor en langzaam aftakelde, maar bovenal een indrukwekkende literaire en liefdevolle prestatie. Dat Lanoye het zelf voorleest, en ook nog eens uiterst professioneel, maakt dat je alle nuances en grijstonen die hij in de tekst legde ten volle meekrijgt.

Tom Lanoye / Luisterboek, voorgelezen door de auteur / 11 uur en 47 minuten / Prometheus, via Storytel

zondag 6 oktober 2024

Sam & Helene

Kunstcollecties hebben in de meeste gevallen niet het eeuwige leven. Na de dood van de verzamelaar vallen ze vaak uiteen, biedt alleen – wanneer je geluk hebt - de veilingcatalogus nog een afspiegeling van een leven lang gepassioneerd verzamelen. Een enkele keer loopt het beter af en blijft het mooiste deel van een collectie bij elkaar, bijvoorbeeld als legaat aan een museum. Voor Helene Kröller-Müller (1869-1939) ging dat lang niet ver genoeg. Zij zag het bijeenbrengen van haar verzameling als een levenswerk en wilde dat dit wél voor eeuwig bewaard zou blijven. Als een eenheid, op een openbaar toegankelijke plek. Dus lieten zij en haar echtgenoot Anton Kröller er in de jaren dertig op Landgoed De Hoge Veluwe, ook een creatie van hen, een museum voor neerzetten, het huidige Kröller-Müller Museum. 

Het verhaal van het echtpaar is al vaak verteld. Aan beiden werd niet al te lang geleden een lijvige biografie gewijd. In 2012 verscheen De eeuwigheid verzameld, waarin Eva Rovers op knappe wijze het complexe karakter van Helene wist neer te zetten. Enkele jaren daarna volgde van de hand van Ariëtte Dekker Leven op krediet, een fascinerend verslag van de zakelijke praktijken van Anton, in zijn tijd een van de grote Nederlandse ondernemers, die een vermogen wist te verdienen aan de handel in cruciale grondstoffen als ijzererts en graan.  

Daarmee heb je de boel dan wel gecoverd, zou je denken. Maar voor Dekker ontbrak er nog een schakel, een lacune die ze nu invult met de publicatie van De vertrouweling. Sam van Deventer (1888-1972), het echtpaar Kröller-Müller en de Tweede Wereldoorlog. Een kleine zeshonderd bladzijden over de jongeman die in 1908 in het leven van het echtpaar kwam, hun vertrouweling zou worden en later, na hun overlijden, hun erfenis zou beheren. En het moet gezegd: dit boek is minstens zo onderhoudend als de twee eerdere. 

Sam van Deventer, zoon van een vooraanstaande likeurstoker in Zwolle, werd in 1906 naar Den Haag gestuurd om er op de handels-hbs zijn opleiding te voltooien en vervolgens het familiebedrijf voort te zetten. Tenminste, dat was wat zijn vader voor ogen stond. Maar Sam, eenmaal gewend aan het meer grootsteedse Den Haag, moet dat niet het ideale scenario hebben gevonden. Hoe anders is het te verklaren dat hij, toen hij bij zijn mondelinge eindexamen Anton Kröller tegenover zich zag zitten, als lid van de examencommissie, de dag erop bij hem begon te hengelen naar een baantje in diens bedrijf. Het liefst bij de Parijse vestiging. Op een eerste brief kreeg hij geen antwoord, en ook op een tweede bericht, nu aan zijn huisadres, antwoordde de drukbezette Kröller niet. Maar wie wel antwoordde was Helene. Ze nodigde Sam uit te komen logeren, zodat hij Kröller gewoon bij het ontbijt, borrel of diner kon aanschieten met zijn vraag. Dat hielp. Parijs werd het echter niet, wel een functie als jongste bediende op de boekhouding bij het Rotterdamse kantoor. 

Helene moet iets in hem gezien hebben, iets aangevoeld in de toon van zijn briefjes. Hij werd een vaste gast in Huize Kröller-Müller en kreeg er een eigen logeerkamer, voor wanneer zijn bezoek zo uitliep dat hij de laatste elektrische trein naar Rotterdam Hofplein niet meer kon halen. Ook nam zij hem regelmatig mee naar de kunstlessen van H.P. Bremmer die zij en haar dochter al jaren trouw bezochten. Voor Sam, die nooit veel had gehad met kunst, ging er bij de betogen van de Haagse ‘kunstpaus’ een wereld open. Het waren de jaren waarin Helene op grote schaal kunstwerken ging aankopen, Van Goghs als warme broodjes. Het waren ook de jaren waarin zich bij haar het gevoel ontwikkelde dat zij met haar kunstwerken een betekenis aan haar leven zou kunnen geven. Sam werd haar klankbord, er waren weken dat zij hem iedere dag een brief stuurde met samenvattingen van Bremmers lessen, met gedachten over haar levenskoers, maar ook met belangstellende vragen naar zijn inzichten. Over de jaren heen zou zij hem meer dan drieduizend brieven sturen. 

Helene was veertig, had vier kinderen en een – bij vlagen - steenrijke echtgenoot. Sam was twintig, had geen geld en voelde dat hij beslist zijn leven niet in het provinciaalse Zwolle wilde doorbrengen, als directeur van een likeurstokerij. Helene hielp hem de moeilijke brief hierover aan zijn ouders op te stellen. Ze zag hoe dapper hij was, hoe graag hij zijn eigen weg wilde gaan. Op 7 augustus 1909 schreef zij hem: ‘Nu ik je zoo veel beter heb leren kennen, zoo veel liefs in je karakter heb mogen zien, laat mij nu ‘t “waarde” met het “lieve” inruilen.’ De aanhef in hun brieven is vanaf die dag ‘Lieve Sam’ en ‘Lieve mevrouw’. Die datum vierden zij voortaan als de dag waarop zij een zielsverwant had gevonden en hij besloot zijn verdere leven met de familie Kröller te delen.

Ook Anton Kröller raakte zeer gesteld op Sam. Die bleek een oog te hebben voor zaken, was diplomatiek, onverzettelijk wanneer het moest, gaf nooit op. Anton stuurde hem de decennia erna ontelbare maken over de wereld om problemen op te lossen of nieuwe contacten te leggen. Zijn betekenis voor het bedrijf vertaalde Anton naar een vorstelijk salaris. Een mooi appartement, met gevoel voor stijl ingericht, werd nu Sams thuisbasis. Hij had zelfs geld om ook kunst aan te kopen: mooie werken van kleinere meesters, maar een enkele keer ook een niet al te dure Van Gogh. Die aankopen stemde hij af met Helene, hij zag hun beider collecties als één geheel. 

Ariëtte Dekker kon bij het schrijven van deze biografie beschikken over een geweldige hoeveelheid bronnen. De kern daarvan, de duizenden brieven van Helene aan Sam, dook in 2006 op uit de nalatenschap van de zoon van Sam van Deventer. Ze waren al die jaren bewaard geweest in een stevige kist, die tevens persoonlijke documenten van Sam bevatte. Minder persoonlijk maar wel zeer uitvoerig is de documentatie met betrekking tot de gebeurtenissen rondom het echtpaar in de jaren twintig en dertig. Eerst raakte het bedrijf van Anton in zwaar weer, door de economische crisis in Duitsland en daarna de beurskracht van 1929. Anton bleek altijd een gokker te zijn geweest, een gewiekst piramidespel te hebben gespeeld met geld van beleggers. Dat ging goed bij een florerende, voorspelbare economie, maar liep nu fout. Om de Nederlandse economie het omvallen van het bedrijf te besparen, werd op ministerieel niveau een reddingsplan opgesteld waarbij als gedeeltelijke genoegdoening De Hoge Veluwe, de kunstcollectie en het jachtslot Sint Hubertus op termijn zouden overgaan naar de staat en worden opengesteld voor het publiek. Sam, bedreven organisator, was ook daar nauw bij betrokken, ditmaal als secretaris-penningmeester van de stichting die het geheel beheerde.

In 1938, kort voor de oorlog, opende het door Henry van de Velde ontworpen museum Kröller-Müller. Dat is de kern van het huidige gebouw. In hetzelfde jaar vierden Helene en Anton hun vijftigjarig huwelijk, de toen gemaakte foto hierboven toont hen met hun vier kinderen en, staand, Sam. Het daaropvolgende jaar overleed Helene, in 1941 gevolgd door haar echtgenoot. Tijdens de oorlogsjaren was Sam als directeur de eerstverantwoordelijke voor het beheer – en, belangrijker: het behoud – van het museum en park. Hij laveerde naar beste weten tussen twee polen: meegaandheid en onverzettelijkheid. Alles met het oog op het behoud van het bezit. Na de oorlog moest hij zich echter verantwoorden voor een te innige ‘samenwerking’ met de bezetter. Zo had hij op verzoek roofkunst opgeslagen in de schuilkelder van het museum, Arthur Seyss-Inquart zijn verjaardagsfeestje laten vieren in het jachtslot, de Wehrmacht er laten jagen, de Hitlergroet gebracht en, de stevigste beschuldiging, in overleg met de Duitsers een handvol werken uit de collectie verkocht. Hij ontkende uitsluitend het brengen van de Hitlergroet, voerde aan dat de andere zaken waren gedaan om erger te voorkomen. Het hielp hem niet, hij werd aan de kant gezet. Dat hij zijn hele leven al een bewonderaar was geweest van de Duitse cultuur, en die liefde in het openbaar had beleden, plaatste hem in de jaren direct na de oorlog sowieso in het verdomhoekje.

In zijn resterende jaren poogde Sam nog enkele maken zijn punt te maken, maar veel hielp het niet. De tijd zou zijn frustratie langzaamaan doen afnemen. Hij trouwde, was gelukkig in dit huwelijk, had af en toe contact met de mensen die nu ‘zijn’ museum runden. Halverwege de jaren vijftig besloot hij zijn herinneringen aan het echtpaar met wie hij het grootse deel van zijn leven had samengewerkt op schrift te stellen. Na het verschijnen van het boekje bezocht hij het museum, waar men hem informeerde dat het in de museumwinkel goed verkocht. In zijn dagboek noteerde hij: ‘In alle nederigheid het gelukzalige gevoel: ik heb niet tevergeefs geleefd.’ 

Wie vandaag de dag op Park De Hoge Veluwe wandelt, komt op de Franse Berg de graven tegen van Helene en Anton. Toen zij in 1935 besloten daar te zijner tijd samen te worden begraven, verleende de gemeente Ede daar bij hoge uitzondering toestemming voor. Maar die wandelaar treft daar ook het graf van Sam aan, waarin de urn met zijn as is bijgezet. Al in 1911, tijdens de gloriejaren van hun relatie, had Helene dat in een testamentaire brief vastgelegd: ‘Je moogt begraven worden dáár, waar je je geestelijke leven hebt geleefd: in ons midden en naast mij, want ik voelde je altijd als een van de onzen en opdat men kan zien dat het ook mijn wensch en wil is, schrijf ik deze regels als afscheid en op gezegeld papier.’

Ariëtte Dekker / De vertrouweling. Sam van Deventer (1888-1972), het echtpaar Kröller-Müller en de Tweede Wereldoorlog / 590 blz / Prometheus, 2024